Kennisnetwerk over de leefomgeving

De wijk als voedingsbron voor de energietransitie
Hans Kars, Martin Jansen

do 25 juni 2020
artikel

De titel van dit themanummer luidt: Ruimte voor nieuwe energie. In dit artikel willen we dit belichten vanuit de invalshoek: de wijk als voedingsbron voor de energietransitie. Dit perspectief komt voort uit onze ervaring in het werken met bewoners, instellingen en ondernemers in wijken, vanuit ons bureau Mens, Merk & Ruimte. We beperken ons in dit artikel tot die duurzaamheidsactiviteiten die direct iets vragen van de bewoners in wijken.

In een aantal stappen bouwen we ons verhaal op. Allereerst staan we kort stil bij het gebiedsgerichte werken als antwoord op het traditionele beleidsdenken. Vervolgens gaan we in op het handelingsperspectief dat een gebiedsmerk biedt. Belangrijk voor ons betoog zijn de begrippen alledaagse en geplande duurzaamheid. Als derde beschrijven we de resultaten van het onderzoek dat we samen met Arnold Reijndorp deden naar het vakmanschap van bewoners op het gebied van klussen in Zuiderzee- en Atolwijk in Lelystad. Tenslotte trekken we een aantal conclusies waarvan we denken dat deze relevant zijn voor de aanpak van de energietransitie.

"De identiteit van de buurt geeft informatie over hoe je de kunt aanpakken"

Gebiedsgericht werken versus traditioneel beleidsdenken

Vanaf eind jaren tachtig ontstond in de steden het gebiedsgerichte werken als antwoord op het traditionele beleids- en ontwerp denken van onder andere gemeenten. Vanachter het bureau definieerden professionals en bestuurders de vraagstukken en bedachten daarbij de oplossingen. Dat kon niet goed blijven gaan, zeker gelet op de groeiende mondigheid van bewoners. In de stadsvernieuwing was al de ervaring opgedaan dat het betrekken van bewoners cruciaal was voor succes.
Het gebiedsgerichte werken ging een stap verder dan de stadsvernieuwing. Het gebiedsgerichte werken werd vraaggericht, integraal en samen. Vraaggericht in de zin dat wensen en behoeften van bewoners, gebruikers en ondernemers belangrijke input werd voor activiteiten, projecten en beleid. Integraal in de zin dat gekeken werd hoe fysieke, sociale, en sociaaleconomische vraagstukken met elkaar samenhingen en wat dat betekende voor de aanpak. Samen opgevat als dat de samenwerking tussen partijen van groot belang was voor succes.
We zijn nu zo’n dertig jaar verder. Er valt veel te zeggen over het succes en het falen van het gebiedsgerichte werken. De hierboven genoemde drie kenmerken blijven echter essentieel en betekenisvol, en ze zijn ook bruikbaar in de aanpak van de energietransitie.

Samen klussen in Atolwijk. Foto Martin Jansen

Het gebiedsmerk als handelingsperspectief

Het gebiedsgerichte werken zorgde ervoor dat het aanbod van organisaties meer werd afgestemd op de wensen en behoeften van bewoners, gebruikers en ondernemers, althans dat was de bedoeling. Maar het gaf nog onvoldoende antwoord op de vraag wat het gezamenlijke aanbod van partijen zou moeten zijn om buurten te verbeteren, waarvan de fysieke en sociale kwaliteit achteruitging.
Het antwoord op die vraag vond onder andere ons bureau in het begrip identiteit van de wijk. Die identiteit is het geheel van fysieke aspecten, sociaal-culturele geschiedenissen, het alledaagse wonen en leven van bewoners en werken van ondernemers in de buurten. De identiteit, die er al is, wordt door ons opgespoord en samengevat in het gebiedsmerk. Een van de belangrijkste kenmerken van identiteit c.q. gebiedsmerk van een buurt is dat de verschillen met andere buurten zichtbaar worden. Elke buurt is uniek. Het gebiedsmerk biedt bewoners en partijen die werkzaam zijn in de wijk handelingsperspectief. Een gebiedsmerk is ook goed bruikbaar in de aanpak van de energietransitie. Het gebiedsmerk van de wijk levert de context, het verhaal, de inkleuring van de energietransitie in een bepaalde buurt.

Toekomstbelofte Twekkelerveld: ‘Alles aanwezig’
Kernkwaliteiten: Ruim en groen, Verschil in buurten, Veel speelvoorzieningen, Veel zorgvoorzieningen, Uitgebreid verenigingsleven.
Kernwaarden: Behulpzaam, Eigen kringen, Aftastend, Zelfvoorzienend, Apart van de stad.

Alledaagse en geplande duurzaamheid

In ons betoog maken we onderscheid tussen de begrippen alledaagse duurzaamheid en geplande duurzaamheid. Deze begrippen bouwen voort op de begrippen alledaagse en geplande stad die door Arnold Reijndorp en Leeke Reinders beschreven worden in het gelijknamige boek Alledaagse en geplande stad.
De alledaagse stad gaat over dagelijkse praktijken van bewoners, gebruikers en ondernemers. Het gaat onder andere over routes, routines en rituelen. De geplande stad gaat over maatschappelijke strategieën die met name vanuit de overheid worden bedacht. Naast strategieën als participatie en zorg is verduurzaming, meer specifiek de energietransitie, een strategie die vanuit de overheid is ingezet. Duurzaamheid wordt dan vaak in een beperkte betekenis opgevat, namelijk de fysieke kant daarvan. Wij zien duurzaamheid in een bredere context, namelijk ook sociale duurzaamheid.
Kern van ons betoog is dat maatschappelijke strategieën niet effectief zijn als zij niet mede zijn gebaseerd op kennis van hoe burgers, instellingen en bedrijven met het betreffende thema omgaan. Ook de maatschappelijke strategie van verduurzaming is niet effectief als er geen inzicht bestaat in hoe bewoners zelf in de alledaagse praktijk omgaan met verduurzaming.
We maken daarbij onderscheid tussen alledaagse duurzaamheid en geplande duurzaamheid. Onder alledaagse duurzaamheid verstaan we de praktische maatregelen die veel mensen thuisnemen om energiekosten te verlagen en om duurzamer te leven: tochtstrippen aanbrengen, de verwarming een graadje lager, gebruik van ledlampen, afval scheiden, autogebruik verminderen, hergebruik van kleding en materialen. Geplande duurzaamheid zijn de door de overheid ingezette maatschappelijke strategieën: subsidies op energiezuinige auto’s, introductie van zonnepanelen en warmtepompen, nul-op-demeter-woningen, van het gas-af, etc.

"Het betrekken van bewoners is cruciaal was voor succes"

Wij constateren dat de maatschappelijke strategieën gericht op verduurzaming regelmatig worden ingezet, zonder al te veel kennis over hoe bewoners in de alledaagse praktijk met duurzaamheid omgaan (sociaal en fysiek). Wat zijn de praktijken van bewoners en welke (nieuwe) oplossingen worden door hun bedacht? Het traditionele beleids- en ontwerp denken is daarmee weer terug, als het ooit is weg geweest. De maatschappelijke strategie met betrekking tot verduurzaming wordt echter pas effectief als dit wordt verbonden met inzicht in de praktijken van bewoners.
Praktijkonderzoek in buurten is dus nodig om de kennis en ervaring van bewoners op te halen. Praktijkonderzoek kan zich richten op drie aspecten: opvattingen bewoners over duurzaamheid, hun gedragen gebruik van de woning en directe omgeving in verband met duurzaamheid en tenslotte de drijfveren en motieven van bewoners om al dan niet iets met duurzaamheid te doen. Naar ons idee moet het praktijkonderzoek zich vooral richten op het feitelijk handelen van bewoners en op de kansen en belemmeringen die ze tegenkomen.

Vakmanschap van bewoners in Zuiderzee- en Atolwijk

Een voorbeeld van zo’n praktijkonderzoek, is het onderzoek dat we deden naar het vakmanschap van bewoners bij het verbeteren van hun woning in de wijken Zuiderzeewijk en Atolwijk in Lelystad in 2017. Wij richtten ons vooral op de eigenaar-bewoners. In het praktijkonderzoek hebben we bewoners niet in de eerste plaats aangesproken op hun opvattingen, maar op wat zij kunnen en doen, op hun vakmanschap. Bewoners beschikken over kennis, vaardigheden en talenten die voortkomen uit opleiding, beroep, vrijetijdsbesteding. Naast (bouw) technische kennis en vaardigheden beschikken zij over nog ander vakmanschap, in de sfeer van management, financiën, onderwijs, beveiliging, catering, tuinieren, cultuur, grafisch ontwerp en nog veel meer. Door onderzoek te doen naar het vakmanschap wordt deze individuele vakkennis, collectief en zichtbaar gemaakt.
Zuiderzee- en Atolwijk in Lelystad zijn gebouwd in de jaren zestig en zeventig. Beide wijken kennen veel eigenaar-bewoners. Een deel van hen heeft een woning gekocht van woningcorporatie Centrada, wat leidde tot gespikkeld bezit. Centrada verbeterde haar woningen, maar een flink deel van de eigenaar-bewoners niet, omdat zij over te weinig financiële middelen beschikten, mede als gevolg van de crisis in 2008 en later. In Zuiderzeewijk werd rond 2015 een modelwoning ‘0 op de meter’ opgeleverd, als voorbeeld van wat er mogelijk was. Voor eigenaar-bewoners met een laag inkomen was dit echter geen realistisch alternatief.
Wij stelden aan de gemeente Lelystad voor een praktijkonderzoek te doen naar de manier waarop eigenaar-bewoners zelf bezig zijn met het verbeteren van hun woning. Het idee hierachter is dat het doorbreken van stagnaties in de verbetering van woningen (en wijken) sterk afhangt van de activiteiten van de bewoners zelf. De vraag was: hoe pakken bewoners het opknappen van hun woning in de praktijk aan? Wat hebben ze gedaan, hoe hebben ze het aangepakt – alleen, met hulp van anderen, geheel of deels uitbesteed - hoe kwamen ze aan kennis en vaardigheden, materialen, gereedschap, geld? We geven hieronder kort de conclusies van het onderzoek weer.
Er is nogal verschil in het soort vakmanschap. Er zijn bewoners die over bouwtechnische kennis en vaardigheden beschikken. Binnen deze groep kan onderscheid worden gemaakt tussen de professionals (het is hun vak) en doe-het-zelvers. Deze groep pakt de verbetering, al dan niet met hulp van anderen aan. Daarnaast is er de groep die minder of niet over bouwtechnische vaardigheden beschikt, maar wel over sociale en organisatorische vaardigheden. Deze groep schakelt de omgeving (buren, familie, vrienden) in bij de aanpak. Beiden soorten vakmanschap zijn belangrijk in de aanpak. Ze vullen elkaar aan. Wanneer bewoners samen met buren, vrienden en/of familie de woning aanpakken was er vaak sprake van wederkerigheid. De een kan dit, de ander dat. Maar ook: de een klust, de ander zorgt voor eten.
De drijvende kracht voor alle verbouwingen was een mengeling van esthetiek met comfort en gebruiksgemak. Zo leidde het aanpakken van de puien tot een behaaglijk binnenklimaat. Opknappen van de douche loste schimmelproblemen op. Door stuken, schilderen en nieuw laminaat zag alles er weer knap uit.
Energiebesparing en duurzaamheid bleken zelden een motivator, comfort wel. Zo bleek bij één respondent na een totale renovatie de begane grondvloer niet geïsoleerd. Een ander die stelde duurzaamheid belangrijk te vinden, liet 40 jaar zijn puien intact, met daarin de originele, zeer dunne isolatie. De afwegingen gingen vaak meer over financieel voordeel en comfort, dan over duurzaamheid. Biobased materialen noemde geen van de respondenten. Weinig respondenten hadden zonnepanelen, en wie het overwoog twijfelde, gezien de lange terugverdientijd en het feit dat de huidige panelen nog niet uitontwikkeld zouden zijn.

"Praktijkonderzoek is nodig om kennis en ervaring van bewoners op te halen"

Een respondent die zelf in de bouw werkzaam is, onderscheidde drie cruciale aspecten bij klussen: geld, kennis en organisatie. De financiering was veelal een mengeling van eigen spaargeld en een hypotheek. Vaak werden grote aanvangsklussen met de hypotheek mee gefinancierd, waarna diverse verbeterklussen in de loop der jaren stap voor stap met spaargeld werden aangepakt. Het kon wel tot twintig jaar duren voordat het gehele huis afgewerkt was. Bewoners pakken hun woning en tuin over het algemeen stap-voor-stap aan, vaak kamer voor kamer. In de aanpak wordt geprobeerd de kosten zo laag mogelijk te houden en zoveel mogelijk te spreiden.
Het kennisniveau van de respondenten ten aanzien van klussen verschilde enorm. Er waren vier groepen te onderscheiden. Ten eerste: zij die zelf in de bouw werkten en die wisten hoe het eraan toe gaat. Ten tweede de handige doe-het-zelvers. Zelf doen bespaart veel geld, maar dan moest het wel stukje bij beetje gaan, want het kost tijd en mensen moesten ook werken en hadden een gezinsleven. Ten derde - de meerderheid - mensen die gewoon beginnen en zich het klussen gedurende de rit eigen maakten. Daarbij werden nogal wat fouten gemaakt; veel ging van trial and error. Ten vierde: mensen die (bijna) geheel afhankelijk waren van de hulp van collega’s, familie, vrienden, en/of professionals.
Vooral de groep die zich het klussen nog eigen moest maken, zocht actief naar informatie over de aanpak van verbouwingen, materiaaleigenschappen, manieren van verwerken, en bedrijven met de juiste kwalificaties om een klus te klaren. Die zoektocht verliep via vrienden, bij de bouwmarkt, bij buren, op het web.
Wie het klussen aan vaklui overliet, vergiste zich nogal eens in de organisatiekracht die daarbij nodig was, zeker wanneer er meerdere vaklieden rondliepen van wie het werk op elkaar moest worden afgestemd. Sommigen besteedden een jaar lang hun vakantiedagen aan de opzichterij. Opvallend was dat klussers inhuren vaak via etnische lijnen liep; mensen van Turkse komaf, werkten met Turkse klussers.
Materialen werden vaak nieuw gekocht bij de consumentenbouwmarkt. Materialen met een hoge restwaarde, zoals keukens, werden ook wel tweedehands aangeschaft, en zelfs van ver gehaald; tot aan anderhalf uur rijden toe, bij de Duitse grens.
De resultaten van ons onderzoek zijn in bouwkundige en financiële zin uitgewerkt door architectenbureau Doepel en Strijkers. In de loop van 2020 komen we met een publicatie met ideeën over de aanpak van de particuliere woningverbetering en de organisatie ervan.

Vader en zoon klussen aan hun huis in de Altowijk. Foto Martin Jansen

De wijk: voedingsbron voor de energietransitie

Wat zijn op basis van bovenstaande de aandachtspunten voor de energietransitie? Allereerst geeft een vraaggerichte aanpak informatie over hoe de energietransitie procesmatig en inhoudelijk kan worden aangepakt in een bepaald gebied. Het laat ook zien dat het niet alleen gaat om fysieke duurzaamheid, maar ook om sociale- en sociaaleconomische duurzaamheid. Een vraaggerichte aanpak doorbreekt het ideologische en beleids- en ontwerp denken dat nu (ook) bestaat.
Elke buurt is verschillend. Kennis van de identiteit van de buurt geeft informatie over hoe je de energietransitie in de betreffende buurt kunt aanpakken. Kijk daarbij niet alleen naar de geplande duurzaamheid, maar juist ook naar de alledaagse duurzaamheid, die over het algemeen gesproken dichter bij de bewoner staat. Onderzoek naar het vakmanschap in de buurt bij de verbetering van woningen geeft informatie over wat en hoe je samen met bewoners de energietransitie kunt aanpakken. Besef dat bewoners met innovatieve oplossingen kunnen komen, zowel inhoudelijk als procesmatig. Kortom, organiseer de energietransitie in de wijk samen met bewoners(organisaties). Maak samen met hen het plan van aanpak, zowel wat betreft inhoud, proces als planning.
Onze stelling is dat een aanpak voor woning- en wijkverbetering - inclusief de mogelijkheden voor beperking van gebruik en de opwekking van energie - alleen succesvol kan zijn, als deze voortbouwt op het in de wijk aanwezige vakmanschap en organisatietalent en door eigenaar-bewoners zelf kan worden uitgevoerd. Ondersteuning door gemeente en instellingen kan daaraan bijdragen, maar alleen als dat aansluit bij de manier waarop en het tempo waarin bewoners zelf aan de slag gaan. Zo wordt de wijk een voedingsbron voor de energietransitie, in plaats van een te nemen hindernis.

Reacties

xMet het invullen van dit formulier geef je Ruimte en Wonen en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over zijn producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord

Copyright 2020 Aeneas Media

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren