JULI-AUG. 195515e Jaargang -- No 7/8DeWoningbouwverenigingaj\ MAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Tel. 49128DE NEDERLANDSEVolkshuisvestingKrotopruiming en de taak daarbij van de woning-bouwverenigingenOp Zaterdagmiddag 8 Januari 1955 hield de afdeling Zuid-Holland van de Nationale Woningraad, in samenwerking metde Federatie van Haagse Woningbouwverenigingen een bij-eenkomst in het gebouw van de Dierentuin in den Haag,waar door dr. ir F. Bakker Schut, hoofddirecteur van deDienst van de Wederopbouw en Stadsontwikkeling der ge-meente 's-Gravenhage de onderstaande rede werd uitgespro-ken.Het welkomstwoord van de Voorzitter der vergadering, na detalrijke aanwezigen welkom te hebben geheten, eindigde al-dus: Het is misschien wel vreemd, dat de afdeling Zuid-Hol-land van de Nationale Woningraad en de Federatie vanHaagse Woningbouwverenigingen dit onderwerp hebben ge-kozen, v/aar hier toch eigenlijk woningbouwmensen zijn, diealtijd werken aan de verruiming en de vernieuwing van devolkshuisvesting. Als wij weten dat in ons land, in onzeprovincie, in elke stad en in elk dorp nog zovele woningzoe-kenden zijn, wat heeft ons er dan toe bewogen, hedenmiddagbij elkaar te komen om het onderwerp ,,krotopruiming" tebespreken?Men zou aanvankelijk geneigd zijn te zeggen: laat men dat-gene, wat men met de naam van woning heeft bestempeld.in stand houden want als men dat afbreekt heeft men eenwoning minder. Het lijkt daarom een beetje vreemd, dat wijhier over het vraagstuk van de krotopruiming gaan spreken.Toch moet dit vraagstuk wel onze bijzondere belangstellinghebben, aangezien er in ons land vele duizcnden woningenzijn, die met de naam ,,krotwoning" zijn bestempeld. Dit laat-ste is op zichzelf reeds gevaarlijk, omdat de mensen, wanneerzij weten dat zij in een krot wonen, vaak een minderwaardig-heidsgevoel krijgen en er in sterke mate behoefte aan heb-ben, uit het krot te komen.Wij moeten trachten als woninghervormers wegen en midde-len te vinden, die tot de oplossing van het vraagstuk van dekrotopruiming kunnen bijdragen.Het is ons een bijzondere eer en een groot genoegen, dat dr.ir. Bakker Schut, die dit vraagstuk bij uitstek kent op grondvan zijn ervaring in de gemeente den Haag, zich bereid heeftverklaard een inleiding over dit probleem te houden. W^ij zijnhem daarvoor zeer dankbaar. De grote opkomst in deze ver-gadering bewijst, dat er grote belangstelling voor dit vraag-stuk bestaat. Ik geef thans het woord aan de heer BakkerSchut.Na het spreekgestoelte te hebben beklommen, sprak de inlei-der als volgt:Mijnheer de Voorzitter. De kwestie van de krotopruiming is alzovele malen aan de orde geweest, dat ik er enigszins huiverigvoor was, over dat onderwerp te spreken. Ik wilde mij het ge-voel besparen een gramofoonplaat te zijn, die niet geheel inorde is en bepaalde dingen constant herhaalt. U kent datgeluid. Ik zal dan ook over krotopruiming zelf hedenmiddagniet veel zeggen. De noodzakelijkheid van de krotopruimingen de sanering is langzamerhand wel algemeen erkend en eris over de krotopruiming ook niet bar veel nieuws te zeggen.Ik zou daarom hedenmiddag speciaal willen spreken over hetprobleem van de krotopruiming in zijn verhoding tot de wo-ningbouwverenigingen.Nu is dat misschien een enigszins moeilijk en ook precair on-derwerp, vooral omdat ik nu eenmaal een ambtenaar der ge-meente ben en de hier aanwezigen in overgrote meerderheidbestuurders van woningbouwverenigingen zijn. Nu is het ge-lukkig z6, dat de verhouding tussen de gemeente en de wo-ningbouwverenigingen in den regel uitstekend is. Aan beidezijden wordt ook steeds getracht die verhouding uitstekend tedoen blijven. Dat neemt echter niet weg, dat er juist bij eenonderwerp als dit natuurlijk een gemeentelijke manier is omde zaken te bezien en dat woningbouwverenigingen, door huneigen aard, de zaken uit een enigszins andere hoek bekijken.Het is mede om die reden, dat ik op het ogenblik liever terug-kruip in een oude rol, die ik vele jaren heb gespeeld nl. dievan inspecteur van de volkshuisvesting, in welke rol ik destijdseen collega was van de inmiddels hoofdingenieur-directeurgeworden heer Kiers. In die rol waren de woningbouwvereni-gingen en de gemeenten mij precies even lief. Ik herinnermij uit die tijd, de dertiger jaren, dat ik als een wildeman doorde provincie Groningen trok, gemeentebesturen animerendetot onbewoonbaarverklaring en adviserende: die en die wo-ning komt er voor in aanmerking. Ik herinner mij dat er dagenbij waren, waarop wij in een landelijke gemeente een 60 wo-ningen per dag bekeken. Dat is heel iets anders dan wanneermen hier in de stad een rijtje van 60 woningen moet onder-zoeken. Dat kan men gemakkelijk in een paar uur bekijken,maar het beoordelen van 60 woningen in een plattelands-gemeente valt niet mee.Ik haal die herinnering even op, omdat ik U de kwestie vande woningbouwverenigingen en de gemeenten aan de handvan twee herinneringen aan het Groningerland wilde toelich-ten. In de ene gemeente was toendertijd een bijzonder actief 101burgemeester, die er in geslaagd was practisch zonder assis-tentie van derden in die tijd 100 gemeentewoningen voor krot-vervanging te doen bouwen, omdat er 100 woningen onbe-woonbaar waren verklaard. Dat wil voor een dergelijke uit-gestrekte gemeente met een klein zielental heel wat zeggen envooral in een tijd waarin het begrip krotopruiming allerminstgemeengoed was geworden.In de andere gemeente was een gemeentearchitect, die toeval-lig van hetzelfde kaliber was als de burgemeester van dieeerste gemeente; hij nam daar het initiatiet voor het bouwenvan een ongeveer gelijk aantal woningen voor krotvervan-ging. Hier echter was de zaak geheel in handen van de plaat-selijke bouwvereniging; om welke reden weet ik niet, ik neemaan dat de gemeentearchitect in het bestuur van de bouwver-eniging zat.Nu ,,die Morale der Geschichte". Die is voor mij dat, als dezaak maar wordt aangepakt en als zij wordt gedaan in ,,theright spirit" door de mensen die er voor gevoeien, die er eenwarm hart voor hebben en het op de juiste wijze kunnen doen,het helemaal niet zo belangrijk is wie het doet, de gemeenteof de bouwvereniging. Dit is de introductie van het verband,dat ik U vanmiddag zou willen vertellen.Die bouwverenigingen en de gemeenten zijn mij eigenlijk bijde bouw voor krotvervanging even lief. Nu ligt de zaak ineen grote gemeente natuurlijk geheel anders dan in de platte-landsgemeenten, waarover ik U zoeven sprak. In een platte-landsgemeente is men veel meer op een beperkt aantal mensenaangewezen; daar heeft men maar enkelen, die geschikt zijnom dit werk te doen, althans goed te doen en als die mensentoevallig in de bouwvereniging zitten, doet de bouwvereni-ging het en als zij toevalhg in het gemeentebestuur zitten, doetde gemeente het. In de regel heeft men daar met een bouw-vereniging te maken, wat de zaak natuurlijk bijzonder ver-eenvoudigt. Bij al deze zaken is het in de eerste plaats eenkwestie van samenwerking.In de grote gemeenten spelen andere dingen een rol; in degrote gemeenten heeft men bijna steeds verschillende bouw-verenigingen, daar krijgt men dus veel gauwer de kwestievan de concurrentie. Concurrentie kan heel edel zijn en alszodanig wil ik haar ook niet missen, maar vraagt U het elkewinkelier; concurrentie heeft ongetwijfeld ook haar bezwaren,omdat er dikwijls slechts een beperkte koek te verdelen valt.-- in dit geval natuurlijk een koek van woningen -- en hetis begrijpelijk, dat ieder tracht daarvan een zo groot mogelijkdeel te veroveren. Maar het gaat hier om de huisvesting vanmensen, die niet zo gemakelijk in gezindten zijn te verdelenals de normale gezinnen, waarop de bouwverenigingen zijningesteld.Dat is de eerste moeilijkheid, wanneer men in een grotereplaats met een aantal woningbouwverenigingen heeft te ma-ken. ; ; "*)De tweede moeilijkheid, die zich zeer spoedig voordoet, heeftbetrekking op de autonomie van de woningbouwverenigingen.De autonomie is een kostbaar goed. Als vertegenwoordigervan de gemeente heb ik vrijwel dagelijks het genoegen er opte wijzen, dat die autonomie zo'n belangrijk goed is. Het isechter begrijpelijk, dat de woningbouwverenigingen dat zelfdebelangrijke goed verdedigen tegenover de gemeente. Ook daar-uit kunnen bij het bouwen van woningen voor krotopruimingdoor woningbouwverenigingen moeilijkheden voortvloeien,omdat hier vrijwel geen keuze kan worden gelaten bij hetonderbrengen van de verdreven bewoners.Ik geloof dat aan al deze dingen alleen dan nuttig kan wor-den gewerkt, wanneer er een nauwe samenwerking bestaattussen de gemeente en de woningbouwverenigingen. Ik achthet persoonlijk fout, als de gemeente een woningbouwver-eniging verhindert te bouwen '-- ik spreek nu in algemenezin en niet speciaal over de bouw voor krotvervanging --maar ik acht het even fout als een woningbouwverenigingprobeert te verhinderen dat de gemeente bouwt. Ik geloof datalleen in nauwe samenwerking het grote doel -- het gaat ten-slotte om het uitermate grote belang van de volkshuisves-ting -- kan worden bereikt.Ik zal verder niet meer spreken over het platteland, omdat ikten opzichte daarvan niet meer voldoende deskundig ben,maar alleen over de grote stad. Velen van U zullen het boekjevan de heer In 't Veld hebben gelezen. Sommigen zullen hethebben doorgebladerd; anderen zullen alleen de samenvattinghebben gelezen --- zo gaat het in de regel -- maar ik meentoch te mogen veronderstellen, dat U in grote lijnen bekendis wat in dat bijzonder lezenswaardige boekje staat. Daaromwil ik er van uitgaan, dat U alien het met mij eens bent dathet dringend nodig is dat er wordt gesaneerd. Ik hoop dat Uer ook van overtuigd zult zijn, dat die sanering moet geschie-dcn op een ietwat andere schaal dan vroeger dikwijls gebeurdis en dat zij met name moet geschieden in het kader van eenalgehele stadsvernieuwing. Het is hier niet de plaats om daar-102op nader in te gaan, maar ik zou dit hier toch als een soortvan axioma willen stellen. Deze stadsvernieuwing is vanenorm belang voor de toekomst, want wanneer wij het doenvolgens het systeem: ,,hier een stukje, daar een beetje" be-tekent dit, dat de volgende geslachten weer zitten met eenstad, die niet aan redelijke eisen voldoet.Nu is de kwestie van de inschakeling van de woningbouw-verenigingen bij de bouw voor krotvervanging '-- men ver-klaart een aantal woningen onbewoonbaar en men gaat opdezelfde plaats weer nieuwe woningen bouwen -- eenvoudi-ger dan bij de stadsvernieuwing, omdat men bij de stadsver-nieuwing met veel meer factoren te maken heeft. Die stads-vernieuwing geschiedt in verschillende etappen. Ik heb er 14genoteerd. Ik zal niet al die etappen met U doornemen; datzou veel te lang duren en het zou bovendien waarschijnlijkveel te technisch, te stedebouwkundig worden. Ik wil dieetappen echter wel even noemen om U een indruk te gevenvan datgene, wat er met stadsvernieuwing gemoeid is en vande moeilijkheden, welke zich daardoor ook voordoen ten op-zichte van de inschakeling van de woningbouwverenigingenbij dit werk.Ik noem U dan achtereenvolgens de volgende onderdelen.le. Het onderzoek van de stadsstructuur; dat is dus eensociaal-economisch onderwerp.2e. Het ontwerpen van een structuurplan. Dat structuurplanwordt in de regel wel besproken in de gemeenteraad, maarheeft geen rechtskracht.Het structuurplan is noodzakelijk als basis voor de sanering,opdat men de verschillende te nemen maatregelen in hun on-derling verband kan beoordelen.3e. Een termijnenplan voor de sanering. Den Haag b.v. isverdeeld in drie gedeelten: de stadsdelen die binnen de eerste15 jaar moeten worden gesaneerd, die welke tussen de 15 en25 jaar moeten worden gesaneerd en die welke meer dan 25jaar kunnen wachten. Bij dit termijnenplan behoort een ruwekostenraming, opdat men weet welk bedrag per jaar ongeveermet de sanering gemoeid is.Uit het termijnenplan vloeien allerlei andere dingen voort.Men zal bv. de onbewoonbaarverklaring van woningen in eenbepaald stadsdeel het liefst zoveel mogelijk laten plaatsvindenin die termijn waarin men zich voorstelt dit stadsdeel te sa-neren. Dat kan men natuurlijk niet altijd helemaal volhouden,omdat ook binnen de totale categoric van uiteindelijk onbe-woonbaar te verklaren woningen nog belangrijke verschillenin de kwaliteit der woningen worden aangetroffen en het nietzou aangaan deze kwaliteitsverschillen te verwaarlozen bij devolgorde van de onbewoonbaarverklaring.Een andere zaak is in dit verband misschien nog belangrijker,nl. de kwestie van de verbetering der woningen. Aan eenwoning, die op vrij korte termijn verdwijnen moet, kunnenredelijkerwijs minder hoge eisen worden gesteld en men zaldus minder ingrijpende verbeteringen voor kunnen schrijvendan bij een woning, waarvan men zich voorstelt, dat zij noggedurende een lange termijn zal blijven staan. Het termijnen-plan is dus tevens een basis voor de woningverbetering en welin dier voege dat wordt gesteld: voor dit gebied vinden wijhet aanvaardbaar, dat er zoveel gulden per woning aan ver-betering wordt geinvesteerd, omdat het bedrag binnen dietijd kan worden afgeschreven, maar voor een ander gebied,dat pas veel later wordt gesaneerd, kunnen wij een veel groterbedrag aan verbetering laten investeren, terwijl het nog eco-nomisch verantwoord is dat te doen.Ook andere punten houden met dit termijnenplan verband,bv. de kwestie van de verlenging van erfpacht van gronden.Sommige gemeenten, met name den Haag en Amsterdam ge-ven vele gronden in erfpacht uit en hebben dat ten dele ookreeds in een ver verwijderd verleden gedaan; de eerste Haag-se erfpachten zijn al weer aan verlenging toe, hoewel die reeds75 jaar hebben gelopen. Deze verlenging zal men wel aan-vaarden voor een stadsgedeelte, dat niet gesaneerd behoeftte worden, maar zal men niet aanvaarden voor een gedeelte.dat wel gesaneerd moet worden. Ook daarvoor is dus hettermijnenplan van belang.4e. Het sociografisch wijk- en buurtonderzoek. Dit onder-zoek dient dus als basis voor de te ontwerpen concrete plan-nen voor de te saneren wijken en buurten en levert als basis-materiaal onder meer een kaart, die de kwaliteit van de ver-schillende gebouwen weergeeft, een kaart van het gebruikdaarvan en een kaart, die de eigendomsverhoudingen aan-geeft.5e. Hierop volgt het ontwerpen van wijk- en buurt-plannen.Men noemt deze veelal ,,saneringsplannen", hoewel men dieterm tevergeefs in de wet zal zoeken. Het zijn in de regelcombinaties van voorschriften krachtens art. 43 van de Wo-ningwet, van bijzondere rooilijnen, voorschriften en eventueelvan verboden. Bij het ontwerpen van deze plannen zal mener zich tevens rekenschap van moeten geven, hoe de begren-zing is van de terreinen, die moeten worden onteigend om desanering te kunnen effectueren.6e. Deze phase is die, waarin de wijk- en buurt-plannenworden vastgesteld door de gemeenteraad, worden goedge-keurd door Ged. Staten en -- wanneer er bezwaren zijn --- 103104in hoogste instantie door de Broon moeten worden bezien.7e. In deze etappe hebben de onteigeningen plaats. Ik ga ervan uit, dat intussen de nodige onbewoonbaarverklaringenhebben plaats gevonden en dat ook gedurende de gehele voor-bereidingstermijn reeds aankopen van grond en panden totstand zijn gekomen.De kwestie van de aankopen is bijzonder belangrijk. Hetduurt dikwijls zeer lang voordat een saneringsplan alle voor-bereidende stadia en de gehele procedure van vaststelUng engoedkeuring heeft doorlopen. Dat behoeft echter het gemeen-tebestuur in het geheel niet te verhinderen de aankopen tijdigte doen plaatsvinden. Daarbij is het van zeer groot belang,dat een systematische aankooppoHtiek wordt gevolgd, waarbijalles wat moet verdwijnen wordt aangekocht om te zijner tijdte kunnen worden gesloopt. Op deze wijze kan reeds in eenvroeg stadium worden voorkomen dat nieuwe bebouwing delatere sanering bemoeilijkt, terwijl ook verwaariozing vankrotten door eigenaren, die geen belang meer bij het onder-houd hebben, wordt voorkomen. Men behoeft natuurlijk nietdirect tot sloping over te gaan. In tal van gevallen zal mennog blijven verhuren tot de sloping plaatsvindt. Nu bemerktmen dat, wanneer geregeld aankopen plaatshebben, de bevol-king daarvoor langzamerhand oog begint te krijgen. De eige-naars komen dan zelf hun terreinen aan de gemeente aan-bieden. Het wordt dus een algemeen begrip: Dat is een buurt,die gesaneerd zal worden.Het is van groot belang, dat dit begrip langzamerhand in debevolking gaat leven. tien van de moeilijkheden, waarmedestedebouwkundigen te maken hebben is, dat zij altijd dingendoen, die voor het publiek onbegrijpelijk zijn. Wij zijn ernatuurlijk de pers zeer dankbaar voor, dat zij ons helpt bijhet populair maken van deze dingen, doch bij het stedebouw-kundige werk slaagt men daarin altijd slechts in beperktemate. Daarom is het van het grootste belang, dat de bevol-king zeif er oog voor begint te krijgen.Ik sprak over de kwestie van de aankopen. Daarbij is hetnodig, dat de gemeente aankoopt tegen een redelijke prijs.Wanneer zij aankoopt tegen een te hoge prijs heeft dat na-tuurlijk tot gevolg, dat de prijs bij alle latere aankopen daar-aan wordt opgehesen. Het bepalen van de juiste prijs is duszeer belangrijk. De gemeente behoeft nooit boven de werke-lijke waarde te gaan, want wanneer er teveel wordt gevraagd,kan tenslotte altijd tot onteigening worden overgegaan. Metbetr'ekking tot de onteigeningsprocedure is nog een anderpunt van belang, nl. dat het Rijk een bijdrage geeft in de sa-neringstekorten. Reeds voor de oorlog goldt de regeling, dathet Rijk in de vorm van annuiteiten de helft bijdraagt in hettekort dat er op de saneringsrekening is. Daaronder verstaatmen de kosten die gemaakt moeten worden voor de aankoopvan gronden en gebouwen en voor het bouwrijp maken vande grond volgens het saneringsplan (aanleg van straten, rio-lering enz.) verminderd met de geraamde opbrengst van diegronden en vermeerderd met de rentederving. Dat staat dusgeheel los van de bouwkosten van wat er later voor in deplaats komt.8e. Ten behoeve van de ontruiming van de te saneren stads-delen moet intussen een woning- en gezins-onderzoek en eenonderzoek van de bedrijven reeds een aanvang hebben geno-men. Dit onderzoek draagt een veel meer gedetailleerd ka-rakter dan het onder ten 4e genoemde wijk- en buurt-onder-zoek, omdat het laatste de basis was voor de te maken plan-nen, maar dit onderzoek nodig is voor de verplaatsing vande bewoners en van de bedrijfjes. Daarbij komt natuurlijk veelmeer kijken; de maatschappelijke werkers spelen daarbij devoornaamste rol. Het onderzoek moet tenminste twee jaar,maar het liefst zelfs nog meer jaren voor de ontruiming wor-den begonnen, wil men het op de juiste wijze kunnen ver-richten.Het is heel typisch dat verschillende van de 14 punten, dieik noem pas in de loop van studies naar voren zijn gekomen.Toen wij in den Haag met de voorbereiding van die saneringzijn gestart, hebben wij bepaald niet ten voile kunnen over-zien hoeveel er aan deze zaak te doen zou zijn.9e. Nu kom ik aan een punt, waarover U binnenkort welmeer zult horen en waarop ik niet te diep zal ingaan, nl. dekwestie van de sociale revalidatie van de bewoners van de tesaneren buurten. U weet alien, dat een deel van deze bewo-ners met moeilijkheden zit, hetzij van financiele, hetzij vansociale aard. Het is volkomen begrijpelijk, dat men in een krot-tenbuurt langzamerhand verleerd heeft een woning goed tebewonen; aan de andere kant trekt een dergelijke buurt na-tuurlijk ook mensen aan, die daarvoor door psychische aspec-ten van origine niet het nodige begrip hebben.Het is van het meeste belang dat deze sociale revalidatie --de sociale verheffingsarbeid ?-- hand aan hand gaat met desanering. Dat betekcnt dat voor en na de sanering van debuurt bijzondere aandacht aan deze gezinnen moet wordenbesteed. Wanneer ik over ,,deze gezinnen" spreek, bedoel iknatuurlijk niet alle gezinnen in het saneringsgebied, maarspeciaal de maatschappelijk niet of niet voldoende aange-paste gezinnen, die deze zorg nodig hebben. Dat die zorginderdaad niet overbodig is, wil ik even met een voorbeeldaantonen.Er werd enige tijd geleden in een plaats in Engeland een en-quete ingesteld, waarbij werd onderzocht, hoe het in een ge-saneerde woonwijk was gesteld met de bewoners voor en nade krotopruiming. Het bleek dat het sterftecijfer na de krot-opruiming hoger was dan daarvoor. Daarover heeft men zichnatuurlijk verbaasd, omdat het niet in de bedoeling van eensanering ligt, het sterftecijfer omhoog te brengen. Van me-dische zijde is toen daarvoor deze verklaring gekomen: door-dat de mensen na de sanering een hogere huur moesten be-talen en doordat zij niet gewend waren met geld om te gaanen het op de juiste wijze te besteden --- met name wat devoeding betreft -- geraakte een groot deel van hen min ofmeer ondervoed in hun nieuwe, mooie woningen. Daarbijkwam, dat zij voor de nieuwe woning meer meubilair en stof-fering nodig hadden dan zij bezaten; ook hiervoor hadden zijextra bedragen moeten afzonderen. In wezen betekent dit, dataan de sociale aanpassing, die nodig was in verband met hetgaan naar een nieuwe buurt, onvoldoende aandacht was ge-schonken. Het is dus wenselijk cm zowel voor het ontruimenvan de buurt als daarna het nodige buurtwerk te doen plaats-vinden en te trachten de mensen te helpen bij hun aanpas-singsmocilijkheden.Met de bedrijfjes is het ook een moeihjk geval. Vele van diebedrijfjes vinden in de oude buurt hun enige economischebasis. Er behoeft slechts een lage huur te worden betaald endeze bedrijfjes bevinden zich dus als het waren aan de randvan het economisch mogehjke. In een nieuwe wijk met veelhogere huren (maar dienovereenkomstig betere werkverhou-dingen) wordt het voor de bedrijfjes veel moeilijker. Ookdaarvoor is dus bepaald wel enige zorg nodig.lOe. Dan komt het bouwen van nieuwe woningen ter ver-vanging van de krotten. Deze nieuwe woningen moeten '-- al-thans in de eerste phase van de sanering -- worden gebouwdbuiten de te saneren wijk. Immers zolang de woningen nogniet ontruimd en gesloopt zijn, kan men natuurlijk niet op de-zelfde plaats woningen bouwen.lie. Pas daarna komt de verplaatsing van de bewoners, aldan niet met opschuiving en de verplaatsing van de bedrijfjesaan de orde.12e. Na de ontruiming wordt de bebouwing, die daarvoor inaanmerking komt, gesloopt.13e. Het bouwrijp maken van het gesaneerde terrein.He. Het uitgeven van het terrein voor nieuw te bouwenwoningen en gebouwen,Ik heb deze 14 punten alleen genoemd om U te doen zienhoeveel werk er moet worden verzet om een sluitend geheelte verkrijgen. Verschillende van die punten vallen nog weeruiteen in een aantal phasen. Bovendien overlappen zij elkaarvoor een deel. Men kan niet steeds zeggen: Wij doen eerstdit en dan dat. Veel moet gelijktijdig worden voorbereid. Menmag blij zijn wanneer men voor een bepaald saneringsplan alde punten binnen 10 jaar kan afwerken.Wat den Haag betreft, mag men er van uit gaan, dat deeerste drie stappen zijn afgelegd. Daarmee alleen waren reedstal van jaren gemoeid. De volgende drie etappen zijn ten aan-zien van enkele kleinere saneringsplannen grotendeels achterden rug, doch liggen voor de grotere plannen nog voor deboeg.In dit verband kom ik even terug op het uitgangspunt vanvandaag: Wat is bij deze de taak van de gemeente en wat isde taak van de woningbouwvereniging? Naar mijn mening isde kwestie van de krotopruiming en de sanering een taak vande gemeente, sterker: een verplichting van de gemeente. Degemeente zal zich daarbij echter moeten laten bijstaan doorde woningbouwverenigingen. Zij kan de woningbouwvereni-gingen, die daartoe bereid zijn, daarvoor zeer dankbaar zijn.Of deze taak voor de woningbouwverenigingen aantrekkelijkis, is een tweede. Het is natuurlijk een bij uitstek sociale taaken voor het vervullen van die taak zijn de woningbouwver-enigingen destijds eigenlijk ingesteld; immers aan de instellingvan de woningbouwverenigingen heeft de sociale gedachte tengrondslag gelegen.De moeilijkheid, die hierbij echter optreedt, is de kwestie vande autonomie. waarover ik het zoeven had. Zegt een bouw-vereniging: ,,Mijne heren, wij zorgen voor onze eigen cate-gorie bewoners", dan komt men er met een bouwplan voorvervanging van krotwoningen nooit uit, want het is practischonmogelijk bij de uitvoering van een saneringsplan precies diemensen er uit te pikken, die nu net de potentiele leden van debouwvereniging zijn. Wil dus een bouwvereniging dit werkdoen -- ik geloof dat het van zeer groot belang is dat zij bijdit werk actief wordt ingeschakeld -- dan kan het alleen,wanneer zij bereid is op een aantal punten afstand van haarautonomie te doen. Wanneer ik U daarvan vandaag kan over-tuigen, vind ik dat een zeer grote winst.Wanneer begint de taak van de bouwvereniging bij deze 14punten? Tot en met de onteigening spreekt het vanzelf datde sanering geheel een gemeentelijke taak is, behalve dat-- wanneer de gemeente stilzit --- de bouwvereniging zelf kangaan aankopen en kan gaan onteigen. Er is mij een dergelijkgeval bekend, waar de gemeente het vertikte mede te werkenen waar de woningbouwvereniging de gemeente tot medewer-king gedwongen heeft. Het ging daarbij overigens niet omkrotopruiming, maar om nieuwbouw, doch zulks zou natuur-lijk ook voor krotopruiming mogelijk geweest zijn. Dergelijkegevallen komen gelukkig practisch niet voor en ik geloof ook105106niet, dat zich na de oorlog zich nog een dergelijk geval heeftvoorgedaan. Ik ga in mijn betoog dus uit van de gedachte datde gemeente doet wat zij behoort te doen.Indien men een gebied heeft met een religieus homogene volks-samenstelling '-- dus een bevolking van mensen, die dezelfdegeestelijke richting zijn toegedaan -- en er is maar een bouw-vereniging, dan is het betrekkelijk onverschillig of de ge-meente of de bouwvereniging het overige doet, behalve dandat de gemeente toch haast altijd voor de vervangende huis-vesting voor bedrijfjes zal moeten zorgen, omdat dat eenterrein is, waarop de bouwverenigingen zich niet plegen tebewegen. Maar daar, waar de bevolking typisch naar zuilenis in te delen -- wat altijd zijn weerslag daarin vindt, dater meer dan een bouwvereniging is -- beginnen de moeilijk-heden, want de gemeente moet systematisch doorgaan metde uitvoering van haar werkprogramma voor de sanering.Men kan immers niet riskeren dat op een gegeven momentde bewoners op straat komen te staan. De afbraak en dewederopbouw moeten volgens plan geschieden; daarin kanmen ook geen hiaten laten komen: hiaten geven immers eenveel te groot bedrag aan rentederving, nog afgezien van an-dere bezwaren. Als men de zaak eenmaal heeft aangepakt,moet zij ook worden doorgezet.De gemeente heeft dus de verantwoordelijkheid voor het on-derbrengen van de mensen die uit bepaalde woningen wegmoeten; zij kan die verantwoordelijkheid alleen dragen, wan-neer zij door de wijze van samenwerking van gemeente enbouwverenigingen de zekerheid heeft, dat de bewoners weeronderdak kunnen worden gebracht. Zij moet bij haar plan-ning voor de nieuwe woningen voor krotvervanging de wo-ningbouw van de gemeente en die van de woningbouwver-enigingen als een geheel beschouwen. Dat vereist dus van dewoningbouwvereniging een veel grotere aanpassing aan debehoeften van de gemeente dan in een normaal geval vannieuwbouw.Reeds veel eerder echter heeft ,,de zuil", zoals ik het gemaks-halve zou willen noemen, haar intrede gedaan. Het is name-lijk zo, dat reeds bij het woningonderzoek en de socialerevalidatie de ,,gerichte" sociale werker, dat wil zeggen desociale werker van de zuil waartoe ook de woningbouwver-eniging behoort, wordt ingeschakeld. Ik wil daarmee zeggendat niet het gehele werk op dit gebied op de rug van dewoningbouwvereniging komt, maar wel dat reeds bij de voor-bereiding van de sanering medewerking zal worden ge-vraagd, niet van de woningbouwvereniging zelf, maar weluit de kring waartoe de woningbouwvereniging behoort, om-dat de sociale revalidatie een werk is, dat niet geheel ambte-lijk kan worden gedaan.Ik kom nu nog even terug op de kwestie van de verplaat-sing van de gezinnen, een kwestie welke naar mijn meningvan uitermate groot belang is in het kader van het gehelevraagstuk van de woningbouw voor krotvervanging. Hetgezinsonderzoek waarover ik reeds sprak zal ons moeten le-ren waar de gezinnen moeten worden geplaatst en in welkemate zij behoefte hebben aan sociale opheffing. Welke zijnnu de mogelijkheden van verplaatsing? Er doen zich -- ikwerk altijd gaarne met getallen, een kleine zwakheid van eeningenieur -- 7 mogelijkheden voor:le. verplaatsing naar normale nieuwe woningen in de uit-breidingswijken;2e. verplaatsing naar de nieuwe woningen in de wijk zelf;3e. verplaatsing rechtstreeks naar voor krotvervanging ge-bouwde woningen;4e. verplaatsing naar oude woningwetwoningen;5e. verplaatsing naar oude particuliere woningen;6e. verplaatsing naar een speciaal complex voor sociaal on-aangepaste gezinnen;7e. verplaatsing naar een zogenaamd opvangcentrum, zoalsdeze thans in Drente zijn ingericht.Voor de normale gezinnen heeft men de keuze tussen eennormale nieuwe woning buiten de wijk of binnen de wijk.In de woningen voor krotvervanging zal men de financieelzwakke gezinnen, die dikwijls ook sociaal niet sterk zijn,moeten plaatsen. Wat ik ,.woningen voor krotvervanging"noem zijn volwaardige woningen, doch woningen waarvoordoor het Rijk en de gemeente een jaarlijkse bijdrage wordtgegeven. Zoals U weet is daarvoor kortgeleden een regelinggemaakt. De uit deze regeling voortvloeiende mogelijkheidvoor een -- althans tijdelijk -- lagere huur geldt voor ge-zinnen, die rechtstreeks in de woningen worden geplaatst,maar kan ook gelden voor gezinnen, die er door opschuivingin komen.De gezinnen die men plaatst in oude woningwetwoningen ofoude particuliere woningen, zijn in het algemeen de sociaalzeer zwakke gezinnen. Dat moet U dus zien als een mogelijk-heid van opvoeding tot een uiteindelijk beter gebruik. Detoepassing van opschuiving via oude woningwetwoningenis een heel moeilijk punt, want tegen die opschuiving wordtal spoedig het bezwaar ingebracht dat hierdoor een nog zeergoede, hoewel enigszins verouderde wijk woningwetwonin-gen gedeclasseerd wordt.Ik persoonlijk acht dat geen bezwaar doch meen dat hetzowel de taak van de bouwvereniging als die van de ge-meente is, op die manier het woningbezit ten goede te doenkomen aan die gezinnen, waarvoor dat type van woningenhet geschiktst is. Met name bij woninginspectrices zal menhiertegen wel eens enig verzet ontmoeten -- volkomen be-grijpelijk -- omdat zij zeggen: ,,Hier hebben wij met veel,,zorg een prachtige buurt gemaakt en doordat wij er nu,,krotbewoners in moeten brengen gaat de wijk achteruit".Mijns inziens moet dan het bestuur van de bouwverenigingantwoorden: ,,Wij waarderen Uw uitstekende bedoelingen,,en begrijpen ze ook, maar toch moet het grote belang van,,een geleidelijke verheffing van de bevolking, die uit de..slechtere wijken komt, de doorslag geven".Ik heb hier overigens gemakkelijk praten, want dit precedeis niet zo eenvoudig als het lijkt, omdat men de oude wonin-gen haast niet ontruimd krijgt. Daar staat tegenover dat,wanneer men er systematisch mee begint, het een sneeuwbalwordt omdat hoe meer van deze gezinnen tussen de oor-spronkelijke bewoners komen, des te meer er bereid zuilenzijn, naar die nieuwe woningen te gaan.De mogelijkheid van onderbrengen van gezinnen uit krottenin particuliere woningen is in wezen een lapmiddel omdatdie oude particuliere woningen -- althans een deel daarvan-- later zullen moeten worden weggesaneerd. Dat moet Udan ook zicn als een mogelijkheid tot geleidelijke heropvoe-ding van de sociaal zeer zwakke gezinnen. Ook daar doetzich trouwens dezelfde moeilijkheid voor: de gemeente zaldergelijke complexjes oude particuliere woningen aankopenen verbeteren, maar ook in dat geval is het moeilijk de oudebewoners te verwijderen, teneinde deze woningen als op-vangcentrum voor de sociaal zeer zwakke gezinnen te latendienen.Over die speciale complexen en de zogenaamde opvangcen-tra, waarmede thans een proef in Drente is genomen, zal ikhet hier niet hebben; dat is een onderwerp dat een behan-deling op zichzelf vraagt.De kwestie of de krotbewoners buiten of binnen de wijkmoeten worden gehuisvest, is een belangrijk punt. Komen erin de te saneren wijk opnieuw woningen of zal men er --geheel of ten dele -- een zakenwijk van maken? Naar mijnmening moet deze vraag uitsluitend stedebouwkundig wor-den beoordeeld in verband met de ligging van de buurt enmag men nooit stellen: omdat de bewoners er nu eenmaalvroeger hebben gewoond moeten deze in dezelfde wijk op-nieuw onderdak vinden. Dit zou een politick op korte termijnzijn, want iii het langdurig bestaan van een stad is het na-tuurlijk veel belangrijker dat op de juiste plaats de juistebebouwing komt, dan dat bepaalde personen er toevallig op-nieuw gehuisvest kunnen worden. Bovendien moet men erwel op letten, dat het bouwen van woningen in gesaneerdewijken de moeilijkheid oplevert, dat als regel de grondprijsin deze gesaneerde wijken hoger zal zijn, omdat de gesa-neerde wijken in de regel nabij de kern van de stad liggen,zodat men allicht geneigd zal zijn daar woningen voor mid-denstanders of beter gesitueerden te bouwen.Blijft de vraag, of het voor de oorspronkelijke bewoners aldan niet aanvaardbaar is, dat zij naar een andere wijk ver-huizen. Daarover wordt verschillend geoordeeld. Men ge-bruikt in dit verband wel de benamingen: ,,displaced per-sons", ,,ontwortelden" en dergelijke. Ik heb de indruk datmen dit wel enigszins overdrijft, hoewel het van zeer veel107belang is om van de oude buurtgemeenschap, die zich heeftgevormd, iets te doen overblijven, zodat de mensen tochenige steun aan elkander hebben. Het is echter eigenaardig,dat dit het gemakkelijkst te verwezenlijken is in cen nieuwewijk. Daar kan weer een complex woningen bij elkaar wor-den gebouwd, terwijl het bij verplaatsing naar een wijk vanoude particuliere woningen eenvoudig onmogelijk is om veelwoningen tegelijkertijd leeg te krijgen. Gaat men het op-schuifsysteem toepassen, dan komt men automatisch tot eenverspreiding van de bevolking en dus tot een losmaking vanhet buurtverband.Ik vind dat persoonlijk niet zo erg. Natuurhjk zal een deelvan de bewoners gebonden zijn aan de buurt door de aardvan hun werk, maar dat is in de regel slechts een klein deel.Naar mijn mening is er een belangrijk voordeel gelegen ineen verplaatsing naar een andere wijk.Voor sociaal-zwakke bewoners biedt de binnenstad uit mo-reel oogpunt niet het meest gewenste klimaat. De verleidingin de binnenstad is nu eenmaal onnoemelijk veel groter danin een buitenwijk. Ik bedoel niet alleen de morele verleiding,maar ook en vooral de verleiding tot het uitgeven van geld.Deze is in de binnenstad met haar vele kroegjes veel groterdan in een buitenwijk, die voor de helft is drooggelegd. Menzal daar zeker niet gaarne in dat enkele nette cafe'tje gaanzitten, Ik heb de gedachte dat men de bewoners niet eenszo'n slechte dienst bewijst, wanneer men hen een geheelnieuw leven laat beginnen, mits er natuurlijk door de socialewerksters, die in de nieuwe wijk werkzaam zijn op wordttoegezien, dat zij zich daar inderdaad kunnen aanpassen. Ikweet wel, dat ik hier ketterij verkondig en moet als leekop dit punt een beetje voorzichtig zijn, maar dit is mijn prive-mening over deze zaak.Reeds een enkel woord heb ik gezegd over de moeilijkheidtijdig gereed te zijn met het bouwen van de woningen voorkrotvervanging. Het is inderdaad een puzzle hoe men hetgereedkomen van de woningen krotvervanging ongeveer kanlaten samenvallen met het tijdstip van de ontruiming van dekrotwoningen. Daarvoor is een ingewikkelde planning no-dig. Het is ook daarom zo moeilijk, omdat het, vooral als menmet opschuiving wil werken, dikwijls een soort van halma-spel wordt. Het gebeurt namelijk wel eens, dat er voor eennieuwe woning vier of vijf opschuifgevallen in orde moetenworden gemaakt. Dat stelt dus zeer hoge eisen aan degene,die de toewijzing van de woningen moet regelen. Dit ?-- enhiermede kom ik dan nog even op de woningbouwvereni-gingen terug -- is met de woningen van deze verenigingenalleen te verwezenlijken, indien er een wrijvingsloze samen-werking met de verschillfende gemeentelijke instanties be-staat.Deze nauwe samenwerking is ook daarom nodig, omdat,wanneer het om woningen, die voor krotvervanging ge-bouwd zijn, gaat, het Rijk daarvoor een bijdrage geeft endie bijdrage alleen wordt gegeven voor gezinnen, die ondereen bepaalde inkomennorm vallen. Ook dat moet dus van tevoren precies zijn uitgekiend, zodat de juiste gezinnen in dejuiste woningen komen.Van deze plaats wil ik graag zeggen, dat ik de Rijksregehngten enenmale onvoldoende acht, niet zozeer wat het bedragbetreft ?-- dat bedrag is naar mijn mening wel aanvaardbaar-- maar wel wat het beginsel van de aflopende bijdrage be-treft. Die is naar mijn mening een wijze waarop -- misschienniet opzettelijk, maar toch wel in feite -- het Rijk de kostenop de gemeenten afschuift. U weet, dat in vijf jaar de bij-drage van het voile bedrag tot nul gulden vermindert. Metandere woorden: de gezinnen moeten elk jaar --' boven eeneventuele huurverhoging, die de wet hun zal opleggen --meer huur gaan betalen. Het idee, dat daaraan ten grondslagligt is, dat de gezinnen langzamerhand worden opgevoed tothet betalen van meer huur, omdat zij door de lage huren vande oude woningen een inkomensbesteding gewend waren,die niet normaal en niet redelijk is. Men ziet daarbij echtermaar een kant van de medaille, want bij deze gezinnen iser een zeker aantal, dat niet alleen niet bereid, doch ook nietin staat is de volledige huur te betalen en dat bepaald eenblijvende bijdrage nodig heeft.Ik hoop dat, als er nog eens een nieuwe regeling van dekrotvervangingsbijdrage komt, hiermede rekening zal wordengehouden. Daarbij wijs ik er op, dat wij een aflopende bij-drage voor de oorlog niet gekend hebben, doch dat er toeneen constante bijdrage werd verleend. Men kan natuurlijkzeggen dat de inkomensverhoudingen na de oorlog veel be-ter geworden zijn dan zij voordien waren, maar dat geldtalleen voor bepaalde categorieen en kan zeker niet voor deminimumlijders, die men onder deze groepen telt, wordenvolgehouden.Een ander punt, dat ik nog niet genoemd heb, is de kwestie108HETals wasmachineEEN PRODUCT VAN OCRIET' 'WWS?Bij de opzet van Uw planner! denki U aansteen, hout, ijzer, glas...Het is dan echter ook ,,de tijd" om goedeverfmaterialen te kiezen.Met TOKION GROND- EN AFSCHILDER-VERVEN zullen Uw gebouwen gemakkelljk,,de tand des iijds" weerstaan.Wij verstrekken U gaarne overzichtelijkeDrospecti en iechnlsche en kleuradviezen.LAK. EN VERNISFABRIEKEN WBD. flOOWSrOPPfi ? ZONEN N.V.TokionWAOOIMXVEE N Tel K-ISie 3S0 HOLLANDTH. WOUTERS & Co. c.v.COMMISSIONNAIRS IN EFFECTEN EN MAKELAARSIN GELDLENINGEN(LID VAN DE VERENIGING VOOR DEN EFFECTENHANDEL EN DEVERENIGING VAN BEMIDDELAARS BIJ KASGELD- ENANDERE ONDERHANDSE LENINGEN)AMSTERDAM (C) -- HERENGRACHT 58TELEFOON No. 47070 (ONDER BEURSTIID 40730)TELEGRAM-ADRES; WOUTCODOOR DE ZEER GESTADIGE UITBREIDING DER KRING VAN ONZEGELDGEVENDE VERBINDINGEN VERRICHTEN WIJ REGELMATIGONZE BEMIDDELENDE FUNCTIE BIJ HET TOT STAND BRENGENVAN LENINGEN TEN LASTE VAN WONINGBOUWVERENIGINGEN.MET OVERHEIDSGARANTIE. ZOWEL MET EEN LANGE LOOPTIJD ALSMET EEN BEPERKTE LEVENSDUUR.HEBBEN THANS OP ZEER AANTREKKELIJKE VOORWAARDEN GELDENBESCHIKBAAR VOOR DE VERSTREKKING VAN GELDLENINGEN ONDERle HYPOTHECAIR VERBANDAANVRAGEN MET GEDETAILLEERDE GEGEVENSWORDEN GAARNE INGEWACHT.Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw en van de Nationale Woningraad, waarin opge-nomen de mededelingen van de Rijksdienst voor het NationalePlan, en tevens gewljd aan de WederopbouwJuli-Aug. 1955 36e Jaargang no 7-8Alles op het gebied van MEETGEREEDSCHAPPEN o.a.Waterpasinstrumenten en Theodolieten (fabrikaat: O. Fennel-Kassel)Jalons, Waterpasbaken, linnen en stalen meetbanden, pentagon prisma's enz.W.vandeRampRegentesselaan 187's-GRAVENHAGETel. 399208 (K 1700)?. ? ? ? ? ,Detoekomst stoat voordedeurOver enkele jaren zai blijken of de beslissin-gen van vandaag juist v/aren. Wanneer Uvandaag besluit tot toepassing van onzePYRACOLIN synthetische laksystemen voorhout en metalen zal dat zeker geen stap inhet onzekere zijn. Integendeel, want de zichdoor de jaren steeds hrhaalde besteliingenvan vakmensen die ,,een naam" te verliezenhebben, spreken van een vcrtrouwen, datvoor ons ALLES betekent.MSchrouder's lakfabrieken - Schoonhove, Holland* Elecirische Insiallaiies* BliksembeveiligingVan GeetAmhemsestraat 29AMERSFOORTTelefoon 6383ALPHAMUURVERVEN50 Jaarervaring....en ervaring is niet tevervangenrnALPHAis onbetwist de meest geschlkiemuurverf voor binnenv/erk enwordt zeer gunstig beoordeelddoor het verfinstituut T.N.O. teDelft.WasbaarOnverzeepbaarZuurbestendigVERFFABRIEK ALPHAv/h Gebr. Kiaverweiden N.V. Alphen a.d. RijnTelefoon K 1720-2192iiuiiillllillliiiiilliiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiii riHiiiririiiinmiiniiniiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiliiliiiilllllllllllllllllliiiiliiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii\ ^'^^'^'^X.^**?R-D AM-TEL^sBD 1.46SCH LDOVtR^CHIESCHErtEQ 60. OVERSCHIE. TELEFOON 41276 (RD*M)iiiriiiiiiiiiiiriiiriiiiiiliiliiiiiiiiiiiiiiiiinnillllliiiiiiiiiiiiiiiiiiiiilililiiiiiiiiiiiiiii iiiinriiiumriiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiniiiiiiiiiiuMakelaarskantoorA.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaarne metKOOP, VERKOOP, TAXATIES en BEHEERvan ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemiddeling en alle verzekeringenVoor GLASN.V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALEN.Tijdschrift voorVolkshuisvest
Reacties