41TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIERBETAALBAARHEID VANHET HUREN: MEER DANHUUR ALLEENHuurdersmeteenvolgensdegehanteerdenormenonbetaalbarehuurzijnvooraltevindenonderalleenstaandenouderdan65jaar(Foto Reyer Boxem / Hollandse Hoogte)42TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIERMet de stijging van de energielasten, die naarverhouding huishoudens met lagere inkomensharder treft dan huishoudens met hogereinkomens, wordt het meer dan tijd om deze tebetrekken bij de woonuitgavenberekening. De inNederland traditioneel toegepaste woonuitgaven-benadering staat niet toe om uitspraken te doenover of de woonuitgavenquoten al dan nietbetaalbaar zijn voor huishoudens. Met debenadering van het residuele inkomen kan welworden bepaald of de huur en de energielastenbetaalbaar zijn.DOOR MARIETTA HAFFNER EN HARRY BOUMEESTER, OTB ?ONDERZOEK VOOR DE GEBOUWDE OMGEVING, FACULTEIT BOUWKUNDE, TUDELFTHet is gebruikelijk om de woonuitgaven ? de huur en de bij-komend woonuitgaven ? uit te drukken als aandeel van hethuishoudinkomen. Zoals onder andere Haffner enBoumeester (2012) en Haffner en Heylen (2010) en meerrecentelijk in dit tijdschrift Weevers (2013) betogen, is dezebenadering onvoldoende om te kunnen constateren of wonen betaalbaargeacht kan worden.1In de genoemde studies wordt aangetoond, dat eenhuurder als gevolg van zijn lagere inkomen relatief meer kwijt is aan hetwonen dan een eigenaar-bewoner. Bovendien blijken de huurders metde laagste inkomens naar verhouding de hoogste lasten te dragen. Ofvoor deze huurders wonen betaalbaar geacht mag worden (of onder wel-ke voorwaarden wonen betaalbaar geacht mag worden), daarover laat dequote geen uitspraken toe.Het feit dat huurders met de laagste inkomens de hoogste huren beta-len, bevestigt de consumptiewet van Engel.2Deze wet stelt dat naar-mate het inkomen lager is, het aandeel van het inkomen dat besteedwordt aan zogenaamde noodzakelijk goederen (voedsel, huisvesting)relatief hoger zal zijn, terwijl het aandeel voor meer luxe producten endiensten lager zal uitkomen dan bij huishoudens met een hoger inko-men. In tabel 1 zien we dit ook. De tabel toont voor huurders met eenbesteedbaar inkomen onder het mediane huishoudinkomen inNederland (in de eerste vijf inkomensdecielen) de 'huurquote, waarinde huurtoeslag is begrepen, en de energiequote (uitgaven aan elektri-citeit en gas als aandeel van het inkomen). Zoals de gemiddelde quo-ten aantonen, zullen mogelijke betaalbaarheidsproblemen zich voor-namelijk voordoen in de eerste inkomensdecielen.Het onderscheid naar huurders die in een huurwoning met een gere-guleerde huur wonen en huurders in het geliberaliseerde segment,laat zien dat de quoten in het gereguleerde segment volgens verwach-ting gemiddeld lager liggen dan in het niet-gereguleerde deel van dehuurwoningmarkt. Immers, in het gereguleerde segment zijn nietalleen de huren gereguleerd, maar komt men daarnaast ook, in iedergeval op basis van het huurniveau, in aanmerking voor de huurtoe-slag. Men ontvangt in beginsel de maximaal mogelijke woonsubsidie.Toch is binnen het gereguleerde deel van de huursector de gemiddeldehuurquote in de eerste twee inkomensdecielen hoger dan gemiddeldvoor alle huurders in dit segment. Naar huishoudtype is deze quoterelatief hoog voor de alleenstaanden. De gemiddelde energiequote inde beide huursegmenten liggen dichter bij elkaar en ook binnen deafzonderlijke segmenten vari?ren de quoten voor de verschillendeinkomensgroepen en huishoudenstypen veel minder. Alleen de ener-giequote van eenoudergezinnen loopt enigszins uit de pas.De uitkomsten leggen de vraag op tafel of de hogere quoten voor dehuishoudens met de allerlaagse inkomens en voor de genoemde huis-houdtypen als betaalbaar aangemerkt mogen worden. Anders geformu-leerd: bij welke quote wordt de woonconsumptie voor huishoudensonbetaalbaar? Deze vraag beantwoorden we in deze bijdrage met behulpvan het concept `residueel inkomen' dat we afzetten tegen de Nibud-adviesnormen voor uitgaven aan huur en aan gas- en electriciteitscon-sumptie per huishoudtype. Zoals we met name in de conclusies aange-ven, is dit weliswaar een cijfermatige exercitie en moeten de uitkomstenook in het licht geplaatst worden van de mogelijkheden en perceptiesvan huishoudens. Dit gebeurt in beperkte mate in dit artikel.Tabel 1 Gemiddelde huur- en energiequote en aantal huishoudens, naarhuursegment, eerste vijf inkomensdecielen* en type huishouden, 2012Huurwoningen met eengereguleerde huurHuurwoningen met eengeliberaliseerde huurHuur-quoteEnergie-quoteAantalhuis-houdensHuur-quoteEnergie-quoteAantalhuis-houdensInkomensdecielen1e deciel 34,6 8,7 511.700 70,6 8,6 23.9002e deciel 25,4 7,9 487.900 51,0 7,9 24.4003e deciel 23,3 6,7 399.400 44,0 6,8 21.9004e deciel 21,0 5,9 302.100 38,4 5,9 28.1005e deciel 19,3 5,3 217.200 33,6 5,0 33.900Type huishoudenAlleenstaand, jongerdan 65 jaar29,6 7,4 797.700 53,4 6,6 36.500Alleenstaand, 65 jaarof ouder26,7 7,5 438.200 47,2 6,7 39.900Eenoudergezin, jon-ger dan 65 jaar21,7 8,0 220.400 38,0 7,7 13.700Paren, jonger dan 65jaar23,0 6,2 140.500 46,3 6,1 15.500Paren met kind(eren),jonger dan 65 jaar20,6 7,4 119.600 44,2 7,3 12.300Paren, 65 jaar of ouder 20,5 6,2 201.900 34,5 5,9 14.300Totaal 25,2 7,3 1.918.300 46,2 6,7 132.200*) Inkomensdecielen zijn bepaald met het inkomen van alle huishoudens.Bron: CBS, WoON 2012; bewerking auteursRESIDUEEL INKOMEN EN MAATSCHAPPELIJKE NORMENHet residuele inkomen wordt gedefinieerd als het inkomen, dat res-teert na aftrek van de huuruitgaven van het besteedbaar inkomen van43TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIEReen huishouden (beide gecorrigeerd voor de huurtoeslag). Het ideeachter de bijzondere behandeling van de huuruitgaven ten opzichtevan de overige uitgaven ligt in de aard van de uitgaven. De huur is overhet algemeen een redelijk grote post in de uitgaven van huishoudens,waarop niet op de korte termijn bezuinigd kan worden. Het residueleinkomen heeft als groot voordeel ten opzichte van de huurquote, dathet een beeld geeft van de absolute consumptiemogelijkheden vanhuishoudens. Deze consumptieuitgaven kunnen voor verschillendehuishoudenstypen worden bepaald, waarna ze per huishoudenstypenaast een norm gelegd kunnen worden. Zo kan men rekening houdenmet de wens, dat huishoudens genoeg inkomen hebben voor zoweleen redelijk niveau van maatschappelijke geaccepteerde participatie(een voldoende niveau aan overige consumptie) als voor het wonen.3De berekeningen om te komen tot normen voor huur- en energieuitga-ven baseren wij op cijfermateriaal van het Nibud, dat een onderscheidmaakt in basisbedragen en voorbeeldbedragen.4Deze normen wordenonder meer ook toegepast bij de berekening van de normen voor dehuurtoeslag en de NHG-normen.5De basisbedragen zijn bedragen dievolgens het Nibud minimaal voor een bepaalde uitgavenpost nodigzijn en ook mogelijk zijn binnen het budget van een bijstand inko-men.6Deze basisbedragen zijn afhankelijk van de huishoudsamenstel-ling, maar onafhankelijk van het inkomen. De inkomens van huurdersin deciel 1 staan alleen deze basisbedragen aan consumptie toe; hetinkomen wordt derhalve als net voldoende beschouwd om te voorko-men dat huishoudens in een sociaal isolement geraken. Voor de ener-gieuitgaven van huurders in het eerste deciel nemen we als norm hetprocentuele aandeel van het basisbedrag in het inkomen. Het restantvan het inkomen nadat rekening is gehouden met de overige con-sumptieuitgaven, is beschikbaar om de huur te betalen. Dit is onzenorm voor de huur.De voorbeeldbedragen zijn de uitgaven, die vergelijkbare huishoudensmet een vergelijkbaar inkomen gemiddeld doen aan de verschillendeuitgavenposten. Deze bedragen, afkomstig uit het Budgetonderzoekvan het Centraal Bureau voor de Statistiek, zijn dus zowel afhankelijkvan de huishoudsamenstelling als van het inkomen en moeten eenmaatschappelijk aanvaardbaar uitgavenpatroon (hoger dan de mini-male bestedingen) toestaan. Voor de huurders in de inkomensdecielen2 t/m 5 volgen we de systematiek van het Nibud, door de normen voorde overige uitgaven en voor de energieuitgaven te baseren op hetgemiddelde van de basisbedragen en de voorbeeldbedragen. Deze nor-men zijn dan hoger dan die binnen het minimumbudget; aangezien deverwachting is dat men daardoor maatschappelijk `beter' kan partici-peren dan op een minimumniveau, hanteren wij de aanname dat meneen maatschappelijk aanvaardbaar uitgavenpatroon kan volgen. Denorm voor huur is residueel vastgesteld; als saldo van het inkomen enoverige consumptie inclusief energieverbruik.Deze werkwijze is toegepast op de inkomensniveaus, die corresponde-ren met de ondergrens van de vastgestelde decielen voor alle huishou-dens. Alle huurders in een bepaald deciel hebben vervolgens dezelfde`huurquotenorm' toegekend gekregen als die berekend is voor dieondergrens. Derhalve wordt bij het berekenen van deze normen reke-ning gehouden met de huishoudenssamenstelling (zes typen), hetinkomen van het huishouden (vijf decielen), evenals de leeftijd (tweegroepen). Deze vastgestelde normen, die in tabel 2 zijn weergegeven,kunnen vervolgens vergeleken worden met de feitelijke huurquote enenergiequote van huurders.Tabel 2 Normen voor huur- en energiequote gebaseerd op het maatschap-pelijk aanvaardbaar uitgavenpatroon (budget), naar eerste vijfinkomensdecielen* en type huishouden, 2012Normvoorhuurquo-teNormvoorenergie-quoteBesteedbaarjaarinkomen perhuishouden,behorend bijbovengrensdecielInkomensdecielen1e deciel 20,8 8,7 13.3002e deciel 20,8 7,9 17.7003e deciel 29,6 6,7 21.6004e deciel 32,3 5,9 25.7505e deciel 35,8 5,2 30.600Type huishoudenAlleenstaand, jonger dan 65 jaar 29,9 7,4Alleenstaand, 65 jaar of ouder 27,6 7,4Eenoudergezin, jonger dan 65 jaar 16,8 7,9Paren, jonger dan 65 jaar 24,9 6,2Paren met kind(eren), jonger dan 65 jaar 18,2 7,4Paren, 65 jaar of ouder 25,5 6,2Totaal 26,3 7,2*) Inkomensdecielen zijn bepaald met het inkomen van alle huishoudens.Bron: CBS, WoON 2012; bewerking auteursINKOMENSARMOEDEOm de focus van deze analyses op `te hoge' woonlasten te houden enniet op een mogelijk inkomensprobleem, hebben we de huishoudensmet een `te laag' inkomen (minder dan maatschappelijk minimum)uitgeselecteerd. Deze huishoudens duiden we aan met het begrip `ver-kerend in inkomensarmoede'. Het inkomen is in feite te laag om eenbasispakket aan consumptiegoederen te kunnen bekostigen. Hetgevaar van sociaal isolement op grond van een te laag inkomen dreigtvoor bijna 300.000 huishoudens. Van de ruim 1,9 miljoen huurders intabel 1 met een mediaan inkomen en lager, die in een huurwoning meteen gereguleerde huur wonen, blijven er meer dan 1,6 miljoen huis-houdens over voor de vervolganalyse.ONBETAALBARE WOONUITGAVENDe confrontatie van de norm voor de huurquote uit tabel 2 met de fei-telijke huurquote van huurders met een lager dan mediaan inkomenin de gereguleerde huursector, is opgenomen in tabel 3. Gemiddeldheeft 45% van deze huurders een onbetaalbare huur volgens de gehan-teerde norm. Het behoeft geen uitleg dat de analyses een momentop-name betreffen en dat de uitkomsten mogelijkerwijs niet langdurigvan toepassing zijn als huishoudens, bijvoorbeeld, tijdelijk een laaginkomen hebben. Als de situatie van betaalbaarheidsproblemen overeen langere periode blijft voortbestaan, wordt het risico van socialeuitsluiting realistisch voor deze ongeveer 740.000 huurders. Immers,de woonlasten maken een deel van de uitgaven voor overige consump-tie onmogelijk. In de Engelstalige literatuur spreekt men van een situ-atie van housing poverty.7Deze omvang van de problematiek is recente-lijk ook in een onderzoek van de Woonbond8(zie artikel in dit num-mer) bevestigd en betekent gemiddeld een kleine toename ten opzich-te van de situatie, zoals die voor 2009 is weergegeven door Haffner enBoumeester (2013).944TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIERHuurders met een volgens de gehanteerde normen onbetaalbare huurzijn vooral geconcentreerd in de eerste twee inkomensdecielen (70%tot 90%) en bij de eenoudergezinnen (72%) en de alleenstaanden ouderdan 65 jaar. Een verklaring voor deze uitkomsten kan deels wordengevonden in een rapport van Philipsen en Blijie (2013): de groep alleen-staanden tot 44 jaar die huurtoeslag ontvangt, heeft gemiddeld eenlager inkomen. Deze alleenstaanden zijn gemiddeld jonger, vaak stu-dent of recent afgestudeerd en ontvanger van een uitkering.9Deonderzoekers signaleren ook huurders die, gezien hun inkomen (tot dehuurtoeslaggrens), relatief vaak in een dure woning wonen (met eenhuur boven de aftoppingsgrens). Deze huishoudens wonen relatiefvaak in de particuliere huursector en hebben meer eigen vermogendan andere huishoudens met eenzelfde inkomen. De genoemde groe-pen overlappen met groepen die in de analyses van deze bijdrage zijnonderscheiden. Derhalve kan worden geconstateerd dat kennis over decontext belangrijk is, voordat men conclusies kan trekken over deschrijnende gevallen. Daarvoor is er meer informatie nodig, en ook inde tijd, dan de analyse van betaalbaar/onbetaalbaar op basis van dehier gehanteerde normen.De jongere en oudere paren blijken veel minder vaak een netto huur temoeten betalen, die eigenlijk boven de norm ligt. Het aandeel huis-houdens met een volgens de norm onbetaalbare huur is bij hen veelkleiner (25% tot 30%). Veelal hebben deze huishoudens een wat hogerinkomen (in het vierde of vijfde deciel), waardoor ook de huurquote-norm wat hoger komt te liggen.Tabel 3 Aandeel huurders in het geregeguleerde huursegment met huur- enenergiequote boven de desbetreffende norm en aantal huishoudens,naar eerste vijf inkomensdecielen* en type huishoudens, 2012Onbetaal-bare huur-quoteOnbetaal-bare ener-giequoteOnbetaal-bare huur-plus ener-giequoteAantalhuis-houdensInkomensdecielen1e deciel 89 91 95 305.5002e deciel 69 85 79 425.0003e deciel 30 82 37 389.2004e deciel 17 81 22 302.1005e deciel 1 80 1 217.200Type huishoudenAlleenstaand, jonger dan 65jaar43 84 48 662.700Alleenstaand, 65 jaar of ouder 52 87 61 407.500Eenoudergezin, jonger dan 65jaar72 79 74 169.100Paren, jonger dan 65 jaar 29 85 34 117.700Paren met kind(eren), jongerdan 65 jaar47 75 51 93.800Paren, 65 jaar of ouder 23 86 33 188.000Totaal 45 84 51 1.638.800*) Inkomensdecielen zijn bepaald met het inkomen van alle huishoudens.Bron: CBS, WoON 2012; bewerking auteursONBETAALBARE UITGAVEN VOOR GAS EN ELEKTRICITEITVoor een groot deel van de huurders in de gereguleerde huursector lig-gen de uitgaven aan huur dus boven de vastgestelde norm. En danbetreft het hier nog de engere definitie van de lasten voor het wonen.Ook de energiekosten zijn noodzakelijke, direct aan het wonen te kop-pelen uitgaven, die door de huurders slechts voor een deel zijn te be?n-vloeden. Het toepassen van energiebesparende maatregelen aan dewoning valt namelijk onder verantwoordelijkheid van de verhuurder(en leidt veelal ook tot hogere huurprijzen). Huishoudens kunnen weldoor een bewuster gedrag proberen de energiekosten te beperken,maar ook daar zit een (maatschappelijk gewenste) begrenzing aan.De prijs voor energie en gas zijn de laatste jaren gestegen, waardoor deenergiekosten voor huurders ook zijn opgelopen.Het is daarom wenselijk om de huur- en energieuitgaven in gezamen-lijkheid te bekijken, zo signaleert ook de parlementaire commissieHuizenprijzen.11Dat deze gezamenlijke kijk gewenst is, blijkt uit tabel 3.Maar liefst 84% van de huurders in de eerste vijf inkomensdelielen dieeen woning in het gereguleerde segment huurt, verkeert in wat in deBritse literatuur energiearmoede is gaan heten.12De helft van deze groepblijkt een energiequote van minimaal 10% te hebben.13Vanwege `te hoge'energielasten kunnen huishoudens zich geen maatschappelijk aan-vaardbaar consumptiepakket veroorloven. Het gaat net als bij de huurveelal om huishoudens met de allerlaagste inkomens (eerste twee decie-len). Tevens zijn hierbij de ouderen oververtegenwoordigd, evenals dejongere paren. De huishoudens met kinderen hebben relatief gezien ietsminder vaak onbetaalbare energieuitgaven dan alleenstaanden en twee-persoonshuishoudens. Dit kan het effect zijn van het schaalvoordeelvoor de grotere huishoudens. De totale energiekosten zijn in absolutezin natuurlijk wel beduidend geringer dan de huuruitgaven, maar tochbevestigen deze resultaten de toenemende probematiek van hoge uitga-ven aan energie, waardoor energiearmoede een realiteit is geworden.ONBETAALBARE HUUR EN ENERGIENadat beide typen `onbetaalbaarheid' apart zijn geanalyseerd, zijn dezesamengenomen in een ruimere definitie van woonuitgaven door ??nnorm voor betaalbaarheid van het wonen te defini?ren. De derdekolom van tabel 3 presenteert de huishoudens die onbetaalbaar wonenvolgens deze samengestelde norm. Ruim de helft van alle huurdersmet een inkomen behorend tot de eerste vijf decielen en wonend in degereguleerde huursector heeft woonuitgaven, die eigenlijk onbetaal-baar zijn volgens de hier gebruikte norm. Deze 836.000 huishoudenshebben een verhoogd risico op armoede, zeker als deze situatie langeraanhoudt. Zij zullen op andere uitgavenposten minder uitgeven dande maatschappelijk aanvaardbare standaard, om aan hun woonuitga-ven te kunnen voldoen. Dit risico lopen wederom vooral de huurdersin de eerste twee inkomensdecielen (80% tot 95%). Daarnaast blijkt ditrisico bovengemiddeld te zijn voor eenoudergezinnen (74%) en ouderealleenstaanden (61%), die in het algemeen over een wat lager inkomenbeschikken. Uit een nadere analyse (niet weergegeven) blijkt overigensdat voor zeven op de tien van deze eenoudergezinnen geldt dat deoverschrijding maximaal tot 10% van de normquote bedraagt; bij dedesbetreffende oudere alleenstaanden geldt dit voor zes op de tienhuurders.Om het doorslaggevende effect op de betaalbaarheid in beeld te bren-gen, zijn in tabel 4 het aantal en het aandeel huishoudens weergege-ven, dat ?f door een onbetaalbare huur, ?f door onbetaalbare ener-gielasten in een situatie van armoede geraken. We zien dat voor 44%van de in onze analyse betrokken huishoudens zowel de huur als deenergiekosten onbetaalbaar zijn; voor 48% zijn beide betaalbaar. 7%loopt risico om in armoede te geraken als gevolg van de onbetaalbare45TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIERenergiekosten, terwijl de huur voor hen wel betaalbaar is volgens degehanteerde normen. Slechts 1% van de huurders heeft een onbetaal-bare huur, maar komt door lagere energieuitgaven toch uit op eenbetaalbare quote voor de totale woonuitgaven.Tabel 4 Aandeel en aantal huishoudens naar bijdrage van huur en energie-uitgaven aan onbetaalbare `totaal'quote van huur en energie, 2012Onbetaalbaretotaalquote opbasis vanhuur en energieBetaalbaretotaalquote opbasis vanhuur en energieTotaal aantalhuishoudensOnbetaalbare huurquoteAantalTabelpercentage723.5004414.6001738.10045Betaalbare huurquoteAantalTabelpercentage113.7007787.70048901.40055Totaal aantal huishoudensAantalTabelpercentage837.20051802.300491.639.500100Bron: CBS, WoON 2012; bewerking auteursTOT SLOTMet dit artikel hebben we allereerst inzicht willen geven in een alter-natieve methode om naar de woonlasten van huurders te kijken dan detraditioneel toegepaste woonuitgavenquote. De benadering van hetresiduele inkomen is wel eerder toegepast in (inter)nationale studies,maar een normering voor betaalbare woonuitgaven blijft daarbij vaakachterwege. Bovendien worden de woonuitgaven veelal gedefinieerdals de (netto) huuruitgaven, terwijl meer recent ook in Nederland hetdebat wordt gevoerd om huurprijs ?n energiekosten, of wel huurbeleiden verduurzaming van de woningvoorraad, in gezamenlijkheid tebeschouwen.14We presenteren in het artikel de resultaten van de analyse die is uitge-voerd op de data uit het WoON 2012. Op basis van de residuele-inko-menmethode en adviesnormen van het Nibud voor overige uitgaven-posten, hebben we normquoten opgesteld voor de uitgaven aan huuren energiekosten en deze vervolgens vergeleken met de feitelijke huur-en energiequote van huurders. In situaties waarin de feitelijke quoteboven de normquote uitkomt, spreken we van onbetaalbare huur, c.q.onbetaalbare energieuitgaven. Wanneer een huishouden langer in eendergelijke situatie verkeert, loopt men een risico op `housing poverty'c.q. `energy poverty' en dreigt het gevaar van sociaal isolement.Aangezien we een momentopname weergeven, kan hierover geen con-clusie worden getrokken.De analyse is toegespitst op de huishoudens die in een woning in hetgereguleerde deel van de huursector wonen en die een inkomen heb-ben tussen het sociaal minimum en het mediane inkomensniveau,omdat de subsidies voor het wonen vooral op deze groep huishoudensis gericht. Ondanks deze subsidies blijkt dat maar voor 48% van dehuurders zowel de huurquote als de energiequote onder de huidigemaatschappelijk aanvaardbare normering liggen, zoals weergegevenvolgens de Nibud-adviesnormen. Daarentegen hebben ruim vier op detien huishoudens in de geselecteerde groep huurders zowel onbetaal-bare huuruitgaven als onbetaalbare energiekosten. 837.000 huishou-dens, ofwel ruim de helft van de in de analyses betrokken huurders,hebben feitelijke woonuitgaven die boven de adviesnorm uitkomen.Het aandeel huurders met onbetaalbare energiekosten is daarbij nogEnergielabelopeenflat(Foto Sijmen Hendriks / Hollandse Hoogte)46TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 5 OKTOBER 2013ONDERZOEKSDOSSIERgroter dan het aandeel met onbetaalbare huuruitgaven. Voor 113.700huurders met een betaalbare huur blijken de energiekosten dermatehoog te zijn, dat de totale woonuitgaven toch boven de normquote uit-stijgen. Het risico op een armoedesituatie als gevolg van te hoge huur-of energieuitgaven concentreert zich daarbij sterk in de eerste tweeinkomensdecielen en onder oudere alleenstaanden en eenoudergezin-nen.Een verklaring voor het feit dat zo'n groot deel van deze huurdersonbetaalbaar woont, kan gevonden worden in een mogelijk te krappebudgetering door het Nibud van de noodzakelijke uitgaven op basisni-veau voor de diverse kostenposten. Huishoudens komen dan al snelboven de norm voor huur en energiekosten uit. Het kan natuurlijk ookzo zijn dat een deel van het betaalbaarheidsprobleem veroorzaaktwordt, doordat huishoudens groter wonen dan noodzakelijk geachtmag worden (volgens een maatschappelijke norm) ? al dan nietgedwongen door de woningmarktomstandigheden.Tot slot willen we aangeven, dat de grote groep van huurders met eenwoonuitgavenquote boven de gestelde normering dit zelf niet als pro-blematisch hoeven te ervaren. Huishoudens kunnen minder waardehechten aan bepaalde consumptiegoederen en daardoor minder geld(dan volgens de norm) besteden aan die posten. Jongeren met goedetoekomstige inkomensperspectieven zouden hier een voorbeeld kun-nen zijn, als men bijvoorbeeld goedkoop of niet op vakantie gaat. Zijk?nnen dan ook meer geld aan wonen besteden en zullen op termijnmet een hoger inkomen wel de huur en energielasten kunnen betalen.Anderzijds kan er ook een verklaring zijn waarom huishoudens, bij-voorbeeld oudere huishoudens meer uitgeven dan volgens de gehan-teerde inkomensnorm, bijvoorbeeld als men de huur en energielastenuit spaargelden financiert. Het is wel zo dat wanneer een situatie vanonbetaalbare huur- en energieuitgaven langer aanhoudt, armoede alsgevolg van de woonuitgaven en daarmee sociale uitsluiting een re?ledreiging vormt. Deze dreiging kan realiteit worden voor steeds grotereaantallen huurders als huur- en energieprijzen blijven stijgen.Schattingen van het RIGO voor de Woonbond laten zien dat aan heteinde van de huidige kabinetsperiode (2017) bijna 900.000 huurdersonvoldoende inkomen zullen overhouden om de overige uitgaven tebekostigen.15(Met dank aan Gust Mari?n voor het maken van de berekeningen).Noten1 Haffner, Marietta EA & Harry JFM Boumeester (2010) The Affordability ofHousing in the Netherlands: An Increasing Income Gap Between Owning andRenting? Housing Studies 25(6) 799-820; Haffner, Marietta & Kristof Heylen(2010) Wat is betaalbaar wonen?, Tijdschrift voor de Volkshuisvesting (5) 48-52;Weevers, Bert (2013) Woonlastenbenadering: Basis voor herziening socialehuurwoningmarkt, Tijdschrift voor de Volkshuisvesting (2) 43-50.2 Hulchanski DJ (1995) The Concept of Housing Affordability: Six ContemporaryUses of the Housing Expenditure-to-Income Ratio, Housing Studies 10(4) 471-492.3 Bradshaw, Jonathan & Emese Mayhew (2010) The Measurement of ExtremePoverty, Second Draft Final Report, York, The University of York, Social PolicyResearch Unit; Soede, A & C Vrooman (2008) Beyond the breadline. A povertythreshold based on a generalised budget approach, The Hague, TheNetherlands Institute for Social Research SCP.4 Dezelfde werkwijze voor de huuruitgaven zijn toegepast voor het WoON 2009in: Haffner, Marietta & Harry Boumeester (2012), Is huren te duur?, Real EstateResearch Quarterly 11(3), 36-45. De conceptualisering en de berekening van deenergie-uitgaven zijn een nieuw element in deze bijdrage.5 Zie bijvoorbeeld voor de werkwijze bij de NHG-normen: https://voorwaarde-nennormen.nhg.nl/2013-3/normen/6-toetsing/61-financieringslast/toelichting.html.6 Nibud (2011) Budget Handboek 2011, Utrecht, Nibud.7 Diaz McConnell, Eileen (2012) House poor in Los Angeles: examining patternsof housing-induced poverty by race, nativity, and legal status, Housing PolicyDebate, 22(4) 605-631.8 Rigo (2013) Woonlasten van huurders. Samenvatting en conclusies, persbe-richt Woonbond, d.d. 15 augustus 2013. Er wordt gebruik gemaakt van het con-cept residueel inkomen, maar mogelijk met een iets andere invulling, omdat ersprake is van de definitie van armoede van het Sociaal en CultureelPlanbureau (SCP);9 Haffner, Marietta, en Harry Boumeester (2013) Is renting unaffordable in theNetherlands? In S Nasarre Aznar, E Riva Nieto, M Pareja Eastaway & H Sim?nMoreno (Eds.), ENHR Tarragona International Conference. Overcoming the cri-sis: integrating the urban environment (pp. 1-18). Tarragona: ENHR/UniversitatRovira I Virgili, Housing Research Group.10 Philipsen, W & B Blijie (2013) Analyse Scheefwonen, Delft, ABF Research.11 Tweede Kamer (2013), Parlementaire commissie Huizenprijzen, vergaderjaar2012?2013, 33 194, nr. 2, 's Gravenhage, Tweede Kamer12 Boardman, Brenda (2012) Fuel poverty: From cold homes to affordable warmth,London, Belhaven Press; DECC (2011) Annual Report on Fuel Poverty Statistics2011, London, Department of Energy and Climate Change, London; Liddell,Christine, Chris Morris, SKP McKenzie & Gordon Rae (2012) Measuring andmonitoring fuel poverty in the UK: National and regional perspectives, EnergyPolicy 49, 27-32; Moore, Richard (2012) Definitions of fuel poverty: Implicationsfor policy, Energy Policy 49, 19-26.13 Boumeester, HJFM & MEA Haffner (2013). Housing affordability. It is aboutmore than rent. In R Ronald, C Lennartz, L Damstra, M Aalbers, O Druta, RArundel & J Zhou (Eds.), At Home in the Housing Market (pp. 1-14).Amsterdam: ISA - Research Committee 43 on Housing and Built Environmentand Centre for Urban Studies at the University of Amsterdam.14 Weevers, B, E Martens, S Kromhout, E Cozijnsen & J Scheele-Goedhart (2012).Woonlastenbeleid Metropoolregio. Een onderzoek naar noodzaak en mogelijk-heden, Arnhem, BuildDesk Benelux B.V.15 zie noot 8.
Reacties