50TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeRDooR AnnAlIeS TeeRnSTRA, proMovenda bij de prograMMagroepurban geographies van het aMsterdaM institute for social scienceresearch, universiteit van aMsterdaMbinnen het krachtwijkenbeleid is het differenti?ren van dewoningvoorraad ??n van de centrale doelstellingen. Doormiddel van sloop van sociale huurwoningen en het bouwenvan duurdere koopwoningen, proberen gemeenten enwoningcorporaties huishoudens met een hoger inkomen vastte houden of aan te trekken en de instroom van huishoudens met een lagerinkomen te beperken (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2011). De veronder-stelling die hieraan ten grondslag ligt, is dat de buurt zou verarmen wan-neer er voornamelijk lage inkomensgroepen instromen en hogere inko-mensgroepen de buurt verlaten, wat gevolgen zou hebben voor de leefbaar-heid en het voorzieningenniveau. Deze beleidsambitie wordt niet alleenbinnen het krachtwijkenbeleid nagestreefd, maar is een algemene trendgeworden in stedelijk beleid. Zo is ??n van de uitgangspunten in de HaagseWoonvisie het "streven naar selectieve groei, waarbij vooral de midden- enhogere inkomensgroepen aan de stad gebonden moeten worden"(Gemeente Den Haag, 2009, p. 8). Er is echter weinig bekend over de inko-mensontwikkeling van instromende en vertrekkende huishoudens. Eeneerste vraag is daarom in hoeverre in- en uitstroom van huishoudenseigenlijk het upgrading- of downgradingproces van een buurt be?nvloeden.Daarnaast wordt een hoge verhuisdynamiek doorgaans als een ongewenstesituatie beschouwd. Het wordt vaak als een teken en oorzaak van down-grading gezien (Van Ham & Clark, 2009). Er zou een gebrek aan socialecohesie en identificatie met de buurt zijn, wat zou leiden tot leefbaarheid-problemen en een neerwaartse spiraal van de buurt. In Den Haag wordtde `achterstandscore' van een buurt bijvoorbeeld bepaald aan de hand van(onder andere) de mate van verhuisdynamiek (Gemeente Den Haag, 2011).de instroom van lage inkomensgroepen wordt vaak als zorgwekkendbeschouwd, evenals de uitstroom van hogere inkomensgroepen. de buurt zouhierdoor in een neerwaartse spiraal terechtkomen. uit onderzoek blijkt echterdat zowel upgrading- als downgradingbuurten als roltrap functioneren:huishoudens stromen in met een laag inkomen, maken sociale stijging dooren verlaten de buurt met een hoger inkomen. zij worden opgevolgd doorhuishoudens die hetzelfde proces doormaken.de buurtals roltrapTIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeR 51Hetzelfde geldt voor de Leefbaarometer, waarin de leefbaarheid van buur-ten in kaart wordt gebracht op basis van de mutatiegraad (Ministerie vanBinnenlandse Zaken, 2011). Er is echter weinig onderzoek gedaan naar derelatie tussen verhuisdynamiek en de ontwikkeling van een buurt. Eentweede vraag is daarom in hoeverre een hoge verhuisdynamiek eigenlijkhand in hand gaat met een neergaande ontwikkeling. Een hoge in- enuitstroom zou ook een teken van een goed functionerende buurt voorhuishoudens aan het begin van hun wooncarri?re kunnen zijn. De eerstefases van een wooncarri?re worden immers niet alleen gekenmerkt dooreen hoge dynamiek, maar vaak ook door sociale stijging (Hoogvliet, 1992).Anderzijds kan een lage verhuisdynamiek net zo goed problematisch zijn,wanneer veel huishoudens `vast' zitten vanwege een gebrek aan alternatie-ven.Dit artikel onderzoekt de relatie tussen verhuisdynamiek en de upgradingen downgrading van een buurt. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverreinstromende, vertrekkende en niet-verhuizende huishoudens een rolspelen in de totstandkoming van upgrading en downgrading. Het onder-zoek heeft betrekking op buurten in Amsterdam en Den Haag. Aangeziener weinig verschillen zijn tussen de bevindingen van buurten in Amster-dam en Den Haag, worden de resultaten van beide steden gezamenlijkbehandeld.vARIAbelen en DATAUpgrading- en downgradingprocessen van buurten worden doorgaansgemeten aan de hand van de gemiddelde inkomensontwikkeling vaneen buurt (Bourne, 1993). Van upgrading wordt gesproken wanneer hetgemiddelde inkomen van een buurt een halve standaarddeviatie snelleris gestegen dan het gemiddelde inkomen van een stad in een bepaaldetijdsperiode. Van downgrading wordt gesproken wanneer het gemid-delde inkomen van een buurt een halve standaarddeviatie langzamer isgestegen dan dat van de stad (Teernstra en Van Gent, 2012). Het gaat dusom relatieve veranderingen.Data zijn afkomstig uit het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) van hetCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het SSB bevat data met betrek-king tot persoonlijke en huishoudkenmerken (zoals leeftijd, etniciteit enhuishoudensamenstelling), woonsituatie en data over inkomen uit werk,uitkeringen en pensioenen, van alle geregistreerde Nederlanders voor deperiode 1999-2008. Gegevens op buurtniveau zijn verkregen door middelvan het aggregeren van individuele gegevens.Dit onderzoek bekijkt de inkomensontwikkeling aan de hand van hetgestandaardiseerd huishoudinkomen uit werk, uitkeringen en pensi-oenen. Inkomens uit vermogen en van zelfstandigen zijn hierbij buitenbeschouwing gelaten, vanwege de sterke schommelingen in verschil-lende jaren. Het gestandaardiseerd huishoudinkomen corrigeert voorverschillen in huishoudsamenstelling tussen buurten. Dit maakt verge-lijking tussen buurten mogelijk, omdat alle inkomens zijn getransfor-meerd naar dat van een eenpersoonshuishouden. Het gestandaardiseerdhuishoudinkomen is berekend door het totale netto huishoudinkomen tedelen door een equivalentiefactor, afkomstig van het CBS. De formule isals volgt: E={A+(0.8*C)}0.5, waarbij E de equivalentiefactor is, A het aan-tal volwassenen en C het aantal kinderen in een huishouden (Siermanne.a., 2004). Daarnaast is de inkomensontwikkeling van instromende,vertrekkende en niet-verhuizende huishoudens in een buurt onderzocht,evenals hun huishoudsamenstelling, inkomensbron en leeftijd.Er is onderscheid gemaakt tussen buurten met een lage, gemiddeldeen hoge sociaal-economische status. Een buurt heeft een lage sociaal-economische status als het gemiddelde inkomen in 1999 een halve stan-daarddeviatie lager is dan het stadsgemiddelde inkomen in 1999. Als hetgemiddelde buurtinkomen een halve standaarddeviatie boven het stads-gemiddelde is, heeft de buurt een hoge sociaal-economische status.PATRonen vAn DowngRADIngFiguur 1 en 2 tonen upgrading- en downgradingprocessen van buurtenin Amsterdam en Den Haag, voor de periode 1999 tot 2008. Hierbij isonderscheid gemaakt tussen buurten met een lage, gemiddelde en hogesociaal-economische status. In tabel 1 zijn enkele kenmerken van dezebuurten weergegeven.Zowel in Amsterdam als Den Haag geldt dat vooral perifeer gelegenbuurten downgrading laten zien. Veel van deze buurten zijn na de oorloggebouwd en hebben een hoge woningdichtheid. In downgradingbuur-ten met een lage sociaal-economische status (categorie A, zie tabel 1)zijn meer huishoudens verhuisd dan in downgradingbuurten met eenhoge sociaal-economische status (categorie C). Veel buurten in categorieA hebben herstructurering ondergaan. Deze buurten hebben een lagegemiddelde woningwaarde, een hoog percentage sociale huurwoningenen een etnisch diverse bevolking. In deze buurten wordt een groot aantalsociale huurwoningen gerenoveerd of gesloopt, waar vaak koopwonin-52TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeRgen voor in de plaats komen. Hierdoor zijn veel huishoudens gedwongenom te verhuizen. In sommige gevallen keren zij na verloop van tijd terug,maar vaak komen er andere huishoudens voor in de plaats (Bolt en VanKempen, 2010). Verhuisdynamiek lijkt in deze buurten dus mede te wor-den veroorzaakt door herstructurering.Opvallend is dat er geen verschillen zijn in de mate van downgrading tus-sen categorie A, B en C: in alle drie categorie?n blijft de inkomensontwik-keling van de huishoudens in deze buurten gemiddeld 11 procent achterten opzichte van de stadsgemiddelde ontwikkeling. Buurten met een lagesociaal-economische status downgraden dus niet extremer dan die meteen hoge sociaal-economische status. Ook gaat downgrading niet perse hand in hand met een hoge verhuisdynamiek. Men kan zich daaromafvragen in hoeverre een hoge doorstroom een buurt zwakker maakt.PATRonen vAn uPgRADIngUpgradingbuurten zijn overwegend vooroorlogse, centraal gelegen buur-ten. Vooral in Amsterdam, maar ook in Den Haag, zijn upgradingbuurtenmet een lage en gemiddelde sociaal-economische status (categorie?n Den E) vanaf de jaren negentig in toenemende mate populair gewordenbij huishoudens met een hoger inkomen. Dit proces van opwaarderingstaat ook wel bekend als gentrification. Vooral de Pijp is hier een bekendvoorbeeld van. Na de Tweede Wereldoorlog stond de buurt op de lijstvoor sloop, maar sinds de jaren negentig is het een aantrekkelijke buurt(Wagenaar, 2003). Deze buurten hebben een relatief hoge verhuisdyna-miek: 57 procent van de huishoudens is verhuisd tussen 1999 en 2008. Demeeste huishoudens die in de buurt zijn komen wonen, hebben een laaginkomen en zijn recent hun arbeids- en wooncarri?re gestart. Een hogeverhuisdynamiek is daarom niet verrassend: na een aantal jaar zullendeze jonge huishoudens waarschijnlijk de volgende stap in hun wooncar-ri?re zetten en verhuizen, bijvoorbeeld wanneer zij kinderen krijgen.De meeste upgradingbuurten met een hoge sociaal-economische status(categorie F) bevinden zich aan de top van de woningmarkthi?rarchie.Deze buurten hebben al decennialang een welgestelde bevolking, diegrotendeels bestaat uit autochtone huishoudens en huishoudens metkinderen. De gemiddelde woningwaarde ligt een stuk hoger dan in deandere buurten en de woningvoorraad wordt dan ook gekenmerkt doorveel eengezinswoningen in de koopsector. De verhuismobiliteit in dezebuurten is relatief laag, wat kan worden verklaard door het grote aandeelhuishoudens met kinderen en oudere huishoudens. Deze huishoudenszijn over het algemeen minder geneigd om te verhuizen. Daarnaast lijkendeze buurten meer als `eindstation' in de wooncarri?re van huishoudenste fungeren: de buurten bevinden zich in de top van de hi?rarchie, waar-door het moeilijk is om nog verder te stijgen op de woonladder.Uit bovenstaande blijkt dat de relatie tussen verhuisdynamiek complexeris dan vaak wordt verondersteld. De meeste verhuizingen vinden plaatsin upgradingbuurten met een lage en gemiddelde sociaal-economischestatus. Dit is opvallend, aangezien upgrading vaak wordt als een positiefproces beschouwd, terwijl een hoge verhuisdynamiek als zorgwekkendwordt gezien. Daarnaast maken categorie F buurten, die gekenmerktworden door een relatief lage verhuisdynamiek, de sterkste inkomensont-wikkeling door. Dit roept de vraag op in hoeverre upgrading- en down-gradingprocessen worden veroorzaakt door instromende, vertrekkendeen niet-verhuizende huishoudens.InkoMenSonTwIkkelIng vAn InSTRoMeRSTabel 2 laat het relatieve inkomensniveau zien van instromende huis-houdens in buurten in categorie?n A tot en met F, voor elk van de jarentussen 2000 en 2008 (het inkomensniveau van de buurt is 100). Hier zijntwee opvallende patronen te zien. Ten eerste is het inkomensniveau vaninstromende huishoudens overeenkomend in upgrading- en down-gradingbuurten, ten tweede zijn er weinig verschillen tussen buurtenmet een lage, gemiddelde en hoge sociaal-economische status: in allecategorie?n is het inkomensniveau van instromers lager dan het buurt-gemiddelde. Dit is opvallend, aangezien zowel in beleid als literatuurvaak wordt verondersteld dat upgrading vooral wordt veroorzaakt doorFiguur 1 xxxxxFiguur 2 xxxxxTabel 1 Enkele kenmerken van upgrading- en downgradingbuurten inAmsterdam en Den HaagPercentage Mate van Gemiddeld Gemiddeldeverhuizers grading inkomen woning-in 1999 waarde in1999A. Downgrading en lage s.e.s. 55 -11 12.895 90.845B. Downgrading en 53 -11 15.378 123.022gemiddelde s.e.s.C. Downgrading en hoge s.e.s. 49 -11 19.722 160.259D. Upgrading en lage s.e.s. 57 11 12.916 129.439E. Upgrading en gemiddelde 57 12 15.495 152.750s.e.s.F. Upgrading en hoge s.e.s. 52 13 20.686 295.931Bron: CBS en Kadaster (eigen bewerking)53TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeR 53instroom van huishoudens met een hoger inkomen. Wel is het zo datin upgradingbuurten in loop van de jaren steeds iets hogere inkomenszijn ingestroomd. Maar omdat het buurtgemiddelde inkomen in dezebuurten ook is gestegen, blijft het inkomen van instromers onder hetbuurtgemiddelde. In downgradingbuurten is het gemiddeld inkomenvan instromers relatief weinig gestegen door de jaren heen1.Tabel 2 Relatief gemiddeld inkomensniveau van instromende huishoudens,2000-2008 (het buurtniveau is 100)2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008A. Downgrading en 91 100 99 73 72 70 70 69 77lage s.e.s.B. Downgrading en 99 98 95 72 66 67 69 66 76gemiddelde s.e.s.C. Downgrading en 99 98 95 77 71 68 63 65 77hoge s.e.s.D. Upgrading en lage 87 95 93 73 69 70 73 73 90s.e.s.E. Upgrading en 100 91 93 72 68 69 72 73 86gemiddelde s.e.s.F. Upgrading en 104 91 93 79 69 67 71 73 83hoge s.e.s.Bron: CBS (eigen bewerking)Daarnaast is de inkomensontwikkeling van instromende huishoudensonderzocht, in de jaren nadat ze in de buurt zijn komen wonen. Figuur3 laat de inkomensontwikkeling zien van huishoudens die in 2000 in debuurt zijn komen wonen, maar alleen van huishoudens die er in 2008 nogsteeds wonen. Deze ontwikkeling is relatief ten opzichte van het inko-men in 1999 en de ontwikkeling van de buurt. In (bijna) alle categorie?nmaken instromers een sterke inkomensontwikkeling door, nadat zij in debuurt zijn komen wonen. Na een aantal jaren is hun inkomen gelijk aanof hoger dan dat van de buurt2. Dit proces wordt in de literatuur ook welincumbent upgrading genoemd (Clay, 1979). Instromers in de jaren 2001en 2002 laten dezelfde patronen zien.Instromers in upgradingbuurten met een lage en gemiddelde sociaal-eco-nomische status maken de sterkste ontwikkeling door. Dit zijn met namejonge een- en tweepersoonshuishoudens die recent hun arbeidscarri?rezijn gestart, wat vaak wordt gekenmerkt door een sterke inkomensgroei.Opvallend is dat ook instromers in downgradingbuurten met een lage- engemiddelde sociaal-economische status een sterke inkomensgroei latenzien. Dit zet vraagtekens bij de veronderstelling onder veel beleidsmakersdat de instroom van lage inkomens als zorgwekkend moet worden gezien.Men kan zich afvragen in hoeverre dit problematisch is, als zij daarnasociale stijging doormaken. De bevindingen in figuur 3 wijzen erop dat debuurt als een `roltrap' kan fungeren, of het nu gaat om een upgrading- ofdowngradingbuurt.InkoMenSonTwIkkelIng vAn veRTRekkeRSTabel 3 toont het relatieve inkomensniveau van vertrekkende huishou-dens in de zes categorie?n, voor 1999 tot en met 2007 (het inkomens-niveau van de buurt is 100). Over het algemeen hebben vertrekkers eenrelatief hoog inkomen op het moment dat zij hun buurt verlaten, zowelin upgrading- als downgradingbuurten. Deze bevindingen wijzen op eenproces van selectieve migratie: instromers hebben een andere sociaal-economische status dan vertrekkers. Een uitzondering hierop zijn ver-trekkers in categorie F: in bijna alle jaren ligt het inkomensniveau vanvertrekkers onder het buurtgemiddelde. Dit zou te maken kunnen heb-ben met het relatief grote aantal oudere huishoudens: ongeveer eenderdevan de vertrekkers is ouder dan 65 jaar. Na pensionering neemt een huis-houdinkomen vaak af, wat kan leiden tot een verhuizing naar een woningof buurt lager in de woningmarkthi?rarchie (Hoogvliet, 1992).Tabel 3 Relatief gemiddeld inkomensniveau van vertrekkende huishoudens,1999-2007 (het buurtniveau is 100)1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007A. Downgrading en 105 108 111 108 102 101 102 104 95lage s.e.s.B. Downgrading en 102 108 108 105 102 101 98 100 122gemiddelde s.e.s.C. Downgrading en 99 106 108 106 100 97 97 95 94hoge s.e.s.D. Upgrading en lage 107 106 117 106 101 116 102 103 95s.e.s.E. Upgrading en 107 107 107 108 101 101 102 102 95gemiddelde s.e.s.F. Upgrading en 98 100 99 96 88 90 91 92 84hoge s.e.s.Bron: CBS (eigen bewerking)Een interessante vraag is hoe de inkomens van vertrekkers zich hebbenontwikkeld in de jaren voordat zij hun buurt verlaten. Figuur 4 geeft deinkomensontwikkeling weer van huishoudens die in 2007 de buurt heb-ben verlaten, maar er in 1999 al woonden. Deze inkomensontwikkelingis relatief ten opzichte van 1999 en ten opzichte van de inkomensontwik-keling van de buurt. In de figuur is een tweedeling te zien: vertrekkers uitdowngradingbuurten hebben een veel sterkere inkomensontwikkelingFiguur 3 Inkomensontwikkeling van instromers die in 2000 in de buurt zijnkomen wonen en er in 2008 nog steeds wonen.A. Downgrading en lage s.e.s. D. Upgrading en lage s.e.s.B. Downgrading en gemiddelde s.e.s. E. Upgrading en gemiddelde s.e.s.C. Downgrading en hoge s.e.s. F. Upgrading en hoge s.e.s.Bron: CBS (eigen bewerking)130120110100908070Jaar2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008Geindexeerdegroei54TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeRdoorgemaakt dan vertrekkers uit upgradingbuurten. Voor vertrekkersin downgradingbuurten zou een verhuizing een logische stap in dewooncarri?re kunnen zijn. Onderzoek heeft aangetoond dat een verhui-zing vaak samengaat met een stijging van het inkomen (zie bijvoorbeeldClark e.a., 2006). Vertrek uit de buurt kan ook te maken hebben metontevredenheid over de eigen woonsituatie. Hier is verder onderzoeknaar verhuismotieven op zijn plaats. Wat echter opvallend is, is dat ookvertrekkers uit categorie A een sterke inkomensontwikkeling hebbendoorgemaakt. Veel van deze buurten zijn in de onderzoeksperiode geher-structureerd. Het is aannemelijk dat er in veel gevallen sprake is vangedwongen vertrek. Doordat veel sociale huurwoningen in deze buurtenzijn gesloopt, zijn het vaak huishoudens met een lager inkomen diemoesten vertrekken. Ook in deze buurten hebben vertrekkende huishou-dens een sterke inkomensontwikkeling doorgemaakt.Opvallend is de achterblijvende inkomensontwikkeling van vertrekkersuit upgradingbuurten met een hoge sociaal-economische status (catego-rie F). Dit komt echter overeen met voorgaande bevindingen: een relatiefgroot aandeel vertrekkers heeft een pensioenleeftijd, wat vaak gepaardgaat met een daling van het huishoudinkomen. Vertrekkers in upgra-dingbuurten met een lage en gemiddelde sociaal-economische status(categorie?n D en E) zijn over het algemeen jonge huishoudens: bijna dehelft is jonger dan 45 jaar. Vertrek uit deze buurten zou een logische stapopwaarts in de woningmarkthi?rarchie kunnen zijn.InkoMenSonTwIkkelIng vAn blIJveRSTot slot is het inkomensniveau van blijvende huishoudens onderzocht.Dit zijn zowel huishoudens die niet zijn verhuisd als huishoudens diebinnen de buurt zijn verhuisd. De data liet het echter niet toe onderscheidte maken tussen huishoudens die gedurende lange tijd in de buurt wonenen huishoudens die er slechts enkele jaren blijven. Wat tabel 4 laat zien, isdat blijvers over het algemeen een relatief hoog inkomensniveau hebben.Hieruit blijkt dat deze huishoudens in downgradingbuurten het procesremmen, maar in upgradingbuurten het proces juist versterken. Hoewelde huishoudsamenstelling onder deze blijvers heterogeen is, is het aan-deel gezinnen en oudere huishoudens relatief hoog. Deze huishoudenszijn in een verdere fase van hun wooncarri?re, wat een verklaring zoukunnen zijn voor het niet-verhuizen. Hierover kunnen echter alleenhypotheses worden geformuleerd; nader onderzoek is hier op zijn plaats.De buuRT AlS RolTRAPDit artikel heeft laten zien dat de relatie tussen verhuisdynamiek enupgrading- en downgradingprocessen complexer is dan vaak wordtverondersteld. Een hoge verhuisdynamiek gaat niet noodzakelijk hand inhand met upgrading of downgrading van een buurt: upgradingbuurtenmet een lage verhuismobiliteit maken de sterkste inkomensontwikke-ling door, terwijl er geen verschillen zijn in de mate van downgrading inbuurten met een lage of hoge verhuismobiliteit. Men kan zich daaromafvragen in hoeverre een hoge doorstroom als een negatieve ontwikkelingmoet worden gezien.De bevindingen van dit artikel wijzen erop dat de buurt kan wordengezien als roltrap in de wooncarri?re van huishoudens. Huishoudenshebben een lager inkomensniveau dan het buurtgemiddelde wanneerzij in een buurt komen wonen. Hierbij is vrijwel geen onderscheid tus-sen upgrading- of downgradingbuurten, buurten met een hoge of lageverhuismobiliteit en buurten met een hoge of lage sociaal-economischestatus. Wel is het zo dat er in upgradingbuurten in de loop van de jarensteeds iets hogere inkomens instromen, wat betekent dat in deze buur-ten de roltrap in zijn geheel steeds op een hoger niveau komt te liggen.In zowel upgrading- als downgrading buurten maken instromendehuishoudens sociale stijging door, na hun komst in de buurt. Ook inde jaren voordat huishoudens hun buurt verlaten, maken zij een sterkeinkomensontwikkeling door en verlaten de buurt met een inkomen (net)boven het buurtgemiddelde. Het is aannemelijk dat deze huishoudensnaar een buurt hoger in de hi?rarchie verhuizen, waar zij hetzelfde pro-ces doormaken. Uitzonderingen zijn upgradingbuurten met een hogesociaal-economische status: deze buurten lijken meer als eindstation tefunctioneren in de wooncarri?res van huishoudens.Deze bevindingen zetten vraagtekens bij de beleidsambitie van veelgemeenten en woningcorporaties om enerzijds de instroom van lageinkomensgroepen te beperken en anderzijds midden- en hogere inko-mensgroepen in een buurt te behouden en aan te trekken. Men kan zichafvragen in hoeverre de instroom van lage inkomens problematisch iswanneer zij na hun komst sociale stijging doormaken. En in hoeverreis het wegverhuizen van rijkere bewoners uit een buurt een probleemwanneer andere bewoners al op de roltrap naar boven staan? Zij makenhierdoor plaats voor andere huishoudens. Hierbij is het van belanginzicht te krijgen in wie hiervoor in de plaats komen. Zijn dit soortge-lijke huishoudens die sociale stijging doormaken, dan functioneert deFiguur 4 Inkomensontwikkeling van vertrekkende huishoudens die in 2007 zijnvertrokken, maar in 1999 al in de buurt woonden.A. Downgrading en lage s.e.s. D. Upgrading en lage s.e.s.B. Downgrading en gemiddelde s.e.s. E. Upgrading en gemiddelde s.e.s.C. Downgrading en hoge s.e.s. F. Upgrading en hoge s.e.s.Bron: CBS (eigen bewerking)140130120110100908070Jaar1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007GeindexeerdegroeiTabel 4 Relatief gemiddeld inkomensniveau van niet-verhuizendehuishoudens, 2001-2008 (het buurtniveau is 100)2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008A. Downgrading en lage s.e.s. 100 103 109 110 112 114 117 111B. Downgrading en gemiddelde 97 100 108 109 111 113 115 110s.e.s.C. Downgrading en hoge s.e.s. 95 91 106 106 107 108 108 105D. Upgrading en lage s.e.s. 100 105 109 109 110 111 112 104E. Upgrading en gemiddelde s.e.s. 102 103 108 107 108 108 107 103F. Upgrading en hoge s.e.s. 99 98 104 105 105 104 103 100Bron: CBS (eigen bewerking)TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 2 APRIl 2012onDeRzoekSDoSSIeR 55buurt in de stedelijke hi?rarchie als doorgroeibuurt en is ingrijpen nietdirect noodzakelijk. Daarnaast is nader onderzoek naar verhuismotievenvan huishoudens op zijn plaats. Er is een belangrijk verschil tussen eenverhuizing die een logische stap in de wooncarri?re is en een verhuizingdie plaatsvindt vanwege ontevredenheid met de buurt of woning. Net zobelangrijk is het verschil tussen een huishouden dat niet verhuist omdatmen tevreden is met de huidige woonsituatie en een huishouden dat nietk?n verhuizen, bijvoorbeeld vanwege het gebrek aan financi?le middelenof een gebrek aan alternatieven.Er zijn weinig verschillen tussen de bevindingen van buurten in Amster-dam en Den Haag: de relatie tussen verhuisdynamiek en upgrading- endowngradingprocessen, en de inkomensontwikkeling van instromende,vertrekkende en niet-verhuizende huishoudens laten overeenkomendepatronen zien. Naar verwachting zijn de resultaten dan ook representatiefvoor andere grote steden in Nederland, hoewel nader onderzoek hier opzijn plaats is.VerantwoordingDit onderzoekvondplaatsbinnenhet raamwerkvan het NICIS/Corpovenista/UvA onderzoeknaar`VeranderendehuishoudensenVeranderendeBuurten'.Deauteur wilgraagThea Dukes,Woutervan Gent en FennePinksterbedankenvoorhetbecom-mentari?ren vanditartikel.Literatuur- Bolt, G. en Van Kempen, R. (2010) Dispersal patterns of households who are forcedto move: desegregation by demolition: a case study of Dutch Cities, HousingStudies, 25(2), pp. 159-180.- Bourne, L.S. (1993) The myth and reality of gentrification: a commentary on emer-ging urban forms, Urban studies, 30, pp. 183-189.- Clark, W., Deurloo, m.C., Dieleman, F.m. (2006) Residential mobility and neighbour-hood outcomes, Housing Studies, 21(3), pp. 323-342.- Clay, P. (1979) Neighborhood renewal: Middle class resettlement and internal upgra-ding in American neighborhoods, Lexington, mass.: Lexington Books.- Hoogvliet, A. (1992) Wijken in beweging. Bevolkingsdynamiek en wooncarri?res invroeg-20ste-eeuwse woongebieden, utrecht: Stedelijke netwerken.- Gemeente Den Haag (2009), Woonvisie Den Haag, 2009 tot 2020. Gemeente DenHaag: DSO.- Gemeente Den Haag (2011), Den Haag in Cijfers. http://denhaag.buurtmonitor.nl/default.aspx?quickstep (bezocht op 18-11-2011)- ministerie van Binnenlandse Zaken (2011), Leefbaarometer. www.leefbaarometer.nl(bezocht op 18-11-2011)- Siermann, C., Teeffelen, P. van, urlings, L. (2004), Equivalentiefactoren 1995-2000:methode en belangrijkste uitkomsten. Sociaal-economische trends, 3e kwartaal.- Sociaal en Cultureel Planbureau (2011), Wonen, wijken en interventies.Krachtwijkenbeleid in perspectief. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.- Teernstra, A.B. en W.P.C. van Gent (2012), Puzzling patterns in neighborhood chan-ge: upgrading and downgrading in highly-regulated urban housing markets. UrbanGeography, 33(1), pp. 91-119.- Van Ham, m. and Clark, W.A.V. (2009) neighbourhood mobility in context: householdmoves and changing neighbourhoods in the netherlands, Environment and PlanningA, 41, pp. 1442-1459.- Wagenaar, m. (2003) Bourgeois-boheme. Gentrification in de Oude Pijp inAmsterdam. In: C. Cortie, J. Droogleever Fortuijn en m. Wagenaar, editors, Stad enLand, over bewoners en woonmilieus. Amsterdam: Aksant, pp. 224-243.Eindnoten:1 Deze data zijn niet weergegeven in dit artikel, maar zijn op te vragen bij de auteur.2 De formule is als volgt: Inkomensontwikkeling van instromers=((inkomen van instro-mer in jaar x/inkomen van instromers in 2000)/(inkomen van buurt in jaar x / inkomenvan buurt in 2000)), waarbij x voor respectievelijk de jaren 2000 tot en met 2008staat.3 De formule is als volgt: Inkomensontwikkeling van vertrekkers=((inkomen van ver-trekker in jaar x/inkomen van vertrekker in 1999)/(inkomen van buurt in jaar x / inko-men van buurt in 1999)), waarbij x voor respectievelijk de jaren 1999 tot en met 2007staat.
Reacties