50TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIERVerhuizingen maken deel uit van het leven in de stad. Elke buurt heeft een functie voor een bepaald typehuishouden. Zo kent Amsterdam startbuurten, scharrelbuurten, hokbuurten, opvoedbuurten envluchtbuurten. Het opsporen van knelpunten die bepalend zijn voor de lage niveaus van doorstroming zouwel eens veel winst kunnen opleveren, zeker in de huidige economische situatie.EEN STADSGEOGRAFIEHet ouderlijk verhuis verlaten is de eerstestap naar volwassen zelfstandigheid.(Foto Thomas Schlijper / Hollandse Hoogte)TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIER 51DOOR WOUTER VAN GENT EN SAKO MUSTERD, UNIVERSITEIT VANAMSTERDAMSteden en voorsteden vormen voor de meeste Nederlandershet decor van hun leven. Jeugd, volwassenwording, `single'zijn, verhoudingen krijgen, ouderschap en ouder wordenvinden hier plaats. De overgang van de ene naar de anderelevensfase kan al dan niet een huishoudtransitie impliceren;in beide gevallen is de kans groot dat de verandering gepaard gaat meteen verhuizing. Zo beschouwd maken verhuizingen deel uit van hetleven in de stad: verhuizingen zijn facts of life. In dat licht is het opmerke-lijk dat beleidsmakers, politici en beleidsonderzoekers een hoge verhuis-mobiliteit in stedelijke buurten dikwijls problematisch vinden. Dat blijktuit het gebruik van verhuismobiliteit om leefbaarheid of sociale samen-hang te meten (zie Van Gent, et al., 2009). De samenstellers van deLeefbaarometer, een beleidsinstrument dat leefbaarheid in kaart brengt,schrijven bijvoorbeeld:"Waar veel wordt verhuisd moet de binding met de buurt (...) kleinerzijn dan in wijken waar men lang woont" (Leidelmeijer, et al., 2008:p. 52). En: "(...) de omstandigheid van een hoge mutatiegraad (...) een plausibele indicatie (...) zijn van het feit dat er `iets aan dehand is' in een wijk" (id: p. 74).Gecorrigeerd voor nieuwbouw en jongeren vinden de onderzoekers eencorrelatie tussen buurtwaardering en mutatiegraad. Zij proberen dezebevinding niet te falsificeren of geografisch te duiden, maar zien er hetbewijs in dat er `iets' aan de hand is, dat een beleidsreactie vergt. En hetbeleid reageert inderdaad. De roep van lokale beleidsmakers en buurtma-nagers om armere buurten te stabiliseren speelt een belangrijke rol bijhet formuleren van stedelijk beleid (Uitermark, 2003). Voor sommigenstaat indammen van buurtgrensoverschrijdende verhuismobiliteit zelfscentraal; zij formuleren het streven naar een `levensloopbestendige wijk'of `een wooncarri?re in de eigen buurt' (zie bv. Gorter, 2003, VROM-raad,2006). Middelen om dat te bereiken zijn de herstructurering van dewoningmarkt waarbij koopwoningen aan de woningvoorraad wordentoegevoegd, ten koste van het aandeel huurwoningen.Een negatieve relatie tussen verhuismobiliteit en sociale problematiekop buurtniveau is door diverse onderzoekers aangegeven. Kleinhans enBolt (2010) vinden op geaggregeerd niveau een negatieve correlatie tus-sen doorstroom en veiligheid, hoewel op individueel niveau slechts eenzwak verband kon worden gevonden tussen het gevoel van onveiligheiden verhuismobiliteit. Bovendien werd de samenhang wel gevonden voorDordrecht maar niet voor Amsterdam. Eerder onderzoek van Wittebrooden Van Dijk (2007) laat op geaggregeerd niveau een negatieve relatie zientussen verhuismobiliteit en sociale samenhang en veiligheid. Maar zijlaten ook zien dat verhuismobiliteit samenhangt met andere buurtken-merken; de aanwezigheid van meergezinswoningen, huurwoningen,winkels en horeca, hoge adresdichtheden en de aanwezigheid van basis-scholen. De vraag is echter wat de causale verbanden zijn tussen dezekenmerken en verhuismobiliteit? De onderhavige studie zal laten zien dathet vooral de veranderende huishoudtypen en verschillen in stedelijkheidvan de woonmilieus zijn, die sterk associ?ren met de verhuismobiliteit.We zullen proberen aannemelijk te maken dat verhuismobiliteit in demeeste gevallen niet een negatief proces is maar een logisch gevolg vanlevensfase-dynamiek en aanpassing aan de juiste vorm van stedelijkheid.We weten al dat een hoge mobiliteit niet noodzakelijk een negatief effectheeft op inkomensontwikkeling (Wittebrood en Permentier 2011). Veelstadsbuurten werken als een roltrap waar huishoudens instromen, meergaan verdienen en dan weer verder gaan en elders woonmilieus verster-ken (Teernstra 20121). Het blijvend `matchen' van het huishouden aan debuurt en het goed laten functioneren van de buurt vereisen een bepaaldemate van flu?diteit. In dit artikel wordt een typologie gepresenteerd vanbuurten die een functie hebben voor bepaalde huishoudens in verschil-lende levensfases. Deze typologie is gebaseerd op empirische analyse vanverhuizingen in en uit buurten gekoppeld aan huishoudtransities; webeperken ons tot Amsterdam en tot de dynamiek in de jaren tussen 2000en 2007. Het stuk eindigt met een reflectie over de functie van de buurt.We beginnen met een kort literatuuroverzicht.LEVENSFASE EN MOBILITEITEriseenrijkedemografischeengeografischeliteratuurdiederelatietus-sendelevensloopenverhuizingenbestudeert(bv.Clark,1992,MichielinenMulder,2008,FeijtenenvanHam,2007,Mulder,2006,Rossi,1980).Veelvandezestudieshebbenaanzienlijkbijgedragenaaneenbeterbegripvanverhuisbewegingen.Maardestudieshebbenookcommentaaropgeroepen.Eenterugkerendpuntvankritiekisdatdestructurelebeperkingenvanhuishoudensvaakonbelichtblijven(Clapham,2005).Meerspecifiekcon-staterenwijdatlevensloopstudiesdestedelijkeomgevingvaakreducerentoteenaantalkenmerkenendatverhuizingenvaakbekekenwordenaandehandvanafstandeninplaatsvanbewegingentussenbuurttypen.Delitera-tuurrichtzichvoornamelijkopdehuishoudensennietzozeeropdestadenstedelijkheid.Hierbreidenwijhetperspectiefuitnaar(verschillende)stedelijkewoonomgevingen.Devraagiseerstwatderelatieistussenwoon-omgevingenenhuishoudensinverschillendefasenvanhunleven?BelangvandebuurtMichelson (1977) stelde al dat naast sociaal-economische positie, klasse,leefstijl en waardenpatronen, de relatie tot verschillende woonmilieusmede wordt bepaald door de levensfase. Veel mensen zullen als alleen-staande het huis uit gaan, een partner vinden, gaan samen wonen, eenkind krijgen en nadat de kinderen het huis uit zijn gegaan, samen ofalleen oud worden en daar steeds hun woonmilieu op willen aanpassen.Michelson stelt dat zowel ouderen als kinderloze volwassenen levendig-heid en een groot aanbod van winkels, vermaak en horeca op prijs stellen.Naarmate de ouderdom vordert, neemt de mobiliteit af en speelt de buurteen belangrijkere rol in het dagelijks leven. Het krijgen van kinderenVAN HET LEVEN52TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIERversterkt de relatie tussen huishoudens en de directe omgeving. Voorsommige ouders verandert de levendige omgeving dan in een risico-volle omgeving voor hun opgroeiende kinderen. Deze risico's kunnen temaken hebben met verkeer en veiligheid, maar ook met een mogelijkenegatieve sociale invloed van buurtgenootjes (Pinkster en DroogleeverFortuijn, 2009). Omdat men die omgeving wil controleren, probeertmen ze aan bepaalde eisen te laten voldoen (Michelson 1977). In hoeverrehuishoudens deze eisen kunnen vervullen, hangt af van structurelebeperkingen en van leefstijl en klasse. Beperkingen hebben te maken methet aanbod van woonomgevingen en toegang tot woningen. Sommigehuishoudens met kinderen die tevens een stedelijke leefstijl waarderen,zullen een plek in de luwte zoeken nabij de levendigheid in het stadscen-trum (Boterman, et al., 2010).Het hierboven geschetste maakt duidelijk dat er geen universeel levens-pad is met bijbehorende woonmilieuvoorkeur. In de afgelopen decenniazijn er veel verschillende levenspaden bijgekomen (zie Clapham, 2005).Indeliteratuuriserindezecontextopvallendweinigaandachtvoordestad,enalsdieeris,ishetperspectiefstatisch.Maarstatischegegevenszijnontoereikendomeengoedbeeldtekrijgenvandefunctievandebuurtenindeverschillendelevensfasenvanmensen.Omeenvoorbeeldtegeven:debuurtenwaarveelsamenwonendestellenwonen,zijnnietnoodzakelijkdebuurtenwaardestellengevormdworden.Ditonderzoekplaatstdetransi-tievanhuishoudensindecontextvanstedelijkedynamiek.DATA EN METHODEDebuurttypologieisgebaseerdopgegevensuithetSociaalStatistischBestand(SSB)vanhetCBS.Erzijngegevensopindividueelniveaugebruiktoverdehuishoudsamenstelling,positiebinnenhethuishouden,leeftijdvandekinderen,CBSbuurtengemeente.HetSSBbevatgegevensvoordegehelebevolkinginNederland.Uitzonderingenzijndiplomaten,NAVO-personeelenongeregistreerdeimmigranten(Permentier,etal.,2010).Databewerking en operationaliseringEenverhuizingisgeoperationaliseerdalseenveranderingvanadresenbuurttussentweemeetmomenten(bijhetSSBjaren),waarbijeenverschilwordtgemaakttussenverhuizingtussenbuurtenbinnendegemeente(doorstroom),vanbuitendegemeente(instroom)endegemeenteuit(uit-stroom).Verhuizingenbinnendebuurtzijnbuitenbeschouwinggelaten.Voordatdeverhuizingenzijngeaggregeerdopbuurtniveauisdeverhuisbe-weginggekoppeldaandedynamiekvandehuishoudsituatie.Huishoudenskunneneentransitieondergaannaareenandertypeofstabielblijven.Eentransitieisgedefinieerdalseenveranderingvanhethuishoudentussentweetijdstippen.Depeildatavooreentransitiezijn1januarivanhetjaarvandetransitieen1januarihetjaardaarop.Depeildatazijnnietdever-huisdata,omdatbijgezinsvormingdekomstvanhetkindmaximaalnegenmaandenbekendisbijdeoudersendezekennisalkanleidentoteenver-huizing(MichielinenMulder2008).Voordeoverigetransitiesdefinieertdeverhuizingdetransitie.Gaansamenwonenvereistbijvoorbeeldminimaal??nverhuizing.Weonderscheidenelfelkaaruitsluitendetypen(tabel1en2)2.Elkindividuhoortperjaartot??nvandezecategorie?n.Omeenindica-tietegevenvandeveranderingen:in2004heeft8,8%vandeAmsterdamsebevolking,losvanverhuizingen,eenveranderinginhuishoudsamenstel-lingdoorgemaakt.Zoals gezegd, elke verhuizing is gekoppeld aan ??n van de elf huishoud-typen om een verhuistype te maken. Deze zijn vervolgens geaggregeerdnaar buurtniveau, waarbij we voor elk jaar tellingen maken van ver-huistypen in vier verhuisstromen: instroom van binnen de gemeente,instroom van buiten de gemeente, uitstroom naar elders in de gemeente,en uitstroom naar buiten de gemeente. Elke buurt kent dus per jaar tel-lingen van (4*11 =) 44 verhuistypen. Om privacyredenen zijn de acht jarenaan verhuistypes opgeteld per buurt en zijn de tellingen over acht jaarafgerond naar tientallen.De onderstaande analyses combineren bovengemiddelde in- en uit-stroom van verhuistypen; bovengemiddeld is gedefinieerd als meer daneen halve standaard deviatie boven het buurtgemiddelde in de gemeente.Het aandeel verhuistypen per buurt is genormaliseerd aan het gemeente-lijke aandeel.Tabel 1 Elf huishoudtypenNr Huishoudtype Nr Huishoudtype1 Uithuisgaande (starter) 7 Stabiel gezin2 Nieuwe alleenstaande 8 Nieuw eenoudergezin3 Alleenstaand 9 Stabiel eenoudergezin4 Nieuw gevormd koppel 10 Empty-nester5 Stabiel koppel 11 Overig6 Nieuw gezin (minderjarige kinderen)Tabel 2 Constructie van huishoudtypen zoals weergegeven in tabel 1.Nummers verwijzen naar tabel 1.AMSTERDAM: EEN STADSGEOGRAFIE VAN LEVENSLOOPAmsterdam maakt een gestage groei in inwoneraantal door, mede veroor-zaakt door de toename van studenten en alleenstaanden die de mogelijk-heden van opleidingen en werk in de stad benutten. De herstructureringvan de woningmarkt en het toenemende belang van de stedelijke econo-mie zorgen voor een verandering in de bevolkingsopbouw. De stad kentsteeds meer hogere middeninkomens en door de verkoop van woningenzijn buurten toegankelijker geworden voor deze inkomens.In Amsterdam vonden voor de periode 2000-2007 bijna 800.000 verhui-zingen plaats. Figuur 1 laat de relatieve verdeling van `transitieverhuizin-gen' zien (ook van `stabiele' typen); figuur 2 laat absolute aantallen ziennaar bestemming van de verhuizing. Instroom van buiten de gemeente;doorstroom binnen de gemeente; en uitstroom naar elders. Van alleverhuizingen is 15% als `overig' of onbekend gecategoriseerd. Dit betreftinstitutionele huishoudens, huishoudens met volwassen kinderen, zeld-zame transities of ontbrekende adres- of huishoudgegevens.Het valt op dat de (stabiel) alleenstaanden de grootste groep vormen. Zijkennen veel doorstroming. Daarna zijn het de `starters' die het meest bin-nen, naar en uit Amsterdam verhuizen. De categorie `empty-nester' is hetkleinst. Het wegverhuizen van kinderen lijkt geen aanleiding te zijn voorouders om zelf te verhuizen.Situatieopt1Thuis- Alleen- Samen- Samen- Alleen-wonend staand wonend wonend staandkind zonder koppel koppel metkinderen zonder met kinderenkinderen kinderenSituatie Thuiswonend x 1 1 1 1opt0 kindAleenstaand x 3 4 6 8zonderkinderenSamenwonend x 2 5 6 8koppel zonderkinderenSamenwonend x 2 10 7 8koppel metkinderenAlleenstaand x 11 11 11 9met kinderen53TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIER 53Figuur 1 Verhuizingen naar huishoudtypen in Amsterdam, 2000-2007(verhuizingen en transities of stabiele situaties per jaar, daarnaopgeteld over meerdere jaren).De categorie starters en nieuwe alleenstaanden zijn de enige categorie?nwaar de instroom hoger is dan de uitstroom. Dit lijkt het beeld van destad als opwerkingsfabriek en als toevluchtsoord voor gescheidenen teondersteunen. Stabiele koppels zonder kinderen en (nieuwe) gezinnenverlaten de stad relatief vaak.Figuur 2 Verhuistypen ( verhuizingen gekoppeld aan huishoudtypen naarinstroom in de gemeente, doorstroom binnen de gemeente enuitstroom naar elders), Gemeente Amsterdam 2000-2007.BUURTTYPOLOGIEWelke typen buurten kunnen nu op basis van mobiliteit ten gevolge vanhuishoudtransities worden onderscheiden? Hieronder bespreken we terillustratie vijf typen buurten, die gevormd zijn door vijf typen transities.De eerste vier typen kunnen als opeenvolgend gezien worden. De transi-ties betreffen:1. het ouderlijk huis verlaten (starter)2. van alleenstaande naar samenwonen (nieuwgevormd koppel)3. het krijgen van de eerste kinderen (nieuw gezin)4. het verlaten van eigen kinderen uit het ouderlijk huis (`empty-nest')5. scheidingen, met kinderenOp basis van de verhuisstromen kunnen we nu buurten aanwijzen waardeze transities vaker voorkomen dan elders in de stad. Dit leidt tot eenoverlappende typologie van buurten:1. Startbuurten2. Scharrelbuurten3. Hokbuurten4. Opvoedbuurten5. Vluchtbuurten1.StartbuurtenHet ouderlijk verhuis verlaten is de eerste stap naar volwassen zelfstan-digheid. Hierboven hebben we gezien dat ze een aanzienlijk deel van deverhuizingen uitmaken. `Starters' zijn de grootste groep instromers vanbuiten de gemeente en relatief weinig starters verlaten de stad. Figuur3 laat zien welke buurten een specifieke functie hebben als `Startbuurt'.Deze buurten hebben een bovengemiddelde instroom van starters. Zekennen overigens ook een bovengemiddelde uitstroom van alleenstaan-den en alleenstaanden die gaan samenwonen. Deze buurten lijken eentoegankelijke woningvoorraad te hebben voor jonge alleenstaande star-ters. Dit type kent drie buurten. De buurten in het noordwesten (Houtha-vens) en zuiden (De Omval) hebben relatief veel containerwoningen voorstudenten. De Oude Pijp kent ook veel jongerenwoningen. Toch is hetopvallend dat starters een woonplek weten te bemachtigen in deze aan-trekkelijke buurt met stijgende woningprijzen en lange wachttijden.2.ScharrelbuurtenScharrelbuurten zijn het woondomein van alleenstaande volwassenen enkennen een bovengemiddelde instroom van alleenstaanden en een boven-gemiddelde uitstroom van alleenstaanden die gaan samenwonen. Figuur4 laat zien dat deze buurten een aaneengesloten gebied vormen in en rondhet centrum. Dit gebied wordt gekenmerkt door kleine woningen en denabijheid van bedrijvigheid, horeca en winkels. Opvallende `gaten' zijn deduurdere en meer exclusieve Vondelparkbuurt, Apollobuurt en Willem-sparkbuurt in het zuiden en de door sociale woningbouw gedomineerdeDiamantbuurt en IJselbuurt in het oosten.3.HokbuurtenVoordat men een gezin sticht is het gebruikelijk om samen te wonenzonder kinderen. Samenwonen hoeft niet tot kinderen te leiden, maarFiguur 3 Startbuurten54TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIERals dat wel gebeurt, verandert de houding ten aanzien van de woning enbuurt (Chen en Lin, 2011). Hokbuurten zijn buurten die voldoen aan deeisen van nieuwgevormde koppels zonder kinderen maar niet aan die vanhuishoudens die net kinderen hebben gekregen (`nieuwe gezinnen'). Deaanname is dat koppels dezelfde voorkeuren hebben als alleenstaanden(dichtbij stedelijke voorzieningen in het centrum) maar dat men meerwoonruimte wenst. Ook zullen pasgevormde koppels, wanneer beidepartners werken, meer te besteden hebben dan alleenstaanden.Figuur 5 laat de buurten zien met bovengemiddelde instroom van nieuw-gevormde koppels en bovengemiddelde uitstroom van nieuwe gezinnen.De meeste van die buurten zijn ook `scharrelbuurten' (Haarlemmerbuurt,Pijp, Weesperzijde, Rivierenbuurt, Schinkelbuurt, Da Costabuurt, VanLennepbuurt).4.OpvoedbuurtenMeer(nieuwe)gezinnenvertrekkenuitdegemeentedandaterinstromen.Tochwordtookdoorhuishoudensmetkinderenvaakinternverhuisd.Ditbetreftonderanderedemigrantenhuishoudens.Zijzijnmindersnelgeneigddegemeenteteverlatenvoorde`suburbs'(MusterdenVanGent,2012,forthcoming).Maarerisookeengroeiendegroepmiddenklassegezinshuishoudens(Botermanetal.2010).Buurtenwaarbovengemiddeldinstroomvannieuweenjongegezinnenplaatsvindt(dezekenneneenbovengemiddeldeuitstroomvan`emptynesters')bevindenzichopeenenkelebuurtna,vooralindenaoorlogseperiferie.Hetisopvallenddattweebuurtennabijhetcentrumalsopvoedbuurtoplichten:deexclusieveWil-lemsparkbuurtendearmereOosterparkbuurt.Dezebuurtenhebbenblijk-baareenwoningvoorraaddiehetopvoedenvankinderenmogelijkmaakt.GrotehuurwoningennabijhetOosterparklijkenaantrekkelijkvoorarmerehuishoudens.Destadsvilla'sindeWillemsparkbuurtlijkengoedeplekkenomkinderenoptevoedenvoormeerwelgestelden.5.VluchtbuurtenScheidingen, relatiecrises en onverwachte tegenspoed hebben vaak huis-houdentransities en urgente verhuizingen tot gevolg, waarbij dikwijlsfinanci?le en ruimtelijke beperkingen van belang zijn. Zo is nabijheidvaak een voorwaarde voor `co-ouderschap' na een scheiding (Feijten envan Ham, 2007, Mulder en Malmberg, 2011). De lokale bestemmings-buurt, de `vluchtbuurt', moet dus een toegankelijke woningvoorraad heb-ben. Het ligt er verder aan of er minderjarige kinderen in het huishoudenzijn (woonruimte en buurtkenmerken). In vluchtbuurten is de instroomvan nieuwe eenoudergezinnen en van individuen die niet meer gehuwdsamenwonen en kinderen in het huishouden hebben, bovengemiddeld.Deze buurten bevinden zich vooral in de periferie. Het zijn ook buurtendie niet als opvoedbuurten zijn geclassificeerd. Ze moeten snel toeganke-lijk zijn en hebben betaalbare huurwoningen.Figuur 5 Hokbuurten Figuur 7 Vluchtbuurten (met kinderen)Figuur 4 Scharrelbuurten Figuur 6 OpvoedbuurtenTIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 3 JUNI 2012ONDERZOEKSDOSSIER 55CONCLUSIEVerschillende huishoudtypen hebben vaak verschillende ori?ntaties opplekken in de stedelijke ruimte. Een verandering van het ene naar hetandere huishoudtype gaat daarom vaak gepaard met een verhuizing om deveranderde huishoudpositie opnieuw in overeenstemming te brengen metde woonomgeving. Bepaalde buurten hebben een bepaalde functie voorbepaalde typen huishoudens. Beschikbaar aanbod is hierbij van belang,maar ook bijvoorbeeld stedelijkheid, ligging, nabijheid van (school) voor-zieningen, architectuur, functiemenging, dichtheden, afstand tot werk eneerdere `ruimtelijke ervaringen'. Nu is het niet zo dat elke buurt maar ??nfunctie heeft, voor ??n type huishouden; Buurten kunnen functionerenvoor diverse typen huishoudens tegelijk; daarom zien we overlap tussen dediverse getoonde kaarten. Opvallend is wel dat er in Amsterdam geenbuurten gevonden zijn die functioneren voor alle typen huishoudens.De bevindingen hebben implicaties voor beleid dat gericht is op het ont-wikkelen van levensloopbestendige buurten. Maar de bevindingen gevenook aanleiding om vraagtekens te zetten bij het idee dat verhuismobili-teit gezien moet worden als een negatief verschijnsel. Verhuizingen zijnnoodzakelijk om een nieuwe aanpassing te realiseren wanneer de nieuweleefstijl, die is ontstaan na een bepaalde transitie, niet meer past bij hetactuele woonmilieu. Dat dient niet negatief geduid te worden, zelfs nietals de verhuismobiliteit zeer aanzienlijk is. Sommige leefstijltransities ennieuw gevormde leefstijlen gaan simpelweg gepaard met hoge mobiliteit.We zouden misschien de redenering beter kunnen omdraaien en de vraagkunnen stellen waarom er in bepaalde buurten, gelet op de functie diedeze buurten gewoonlijk hebben, niet m??r verhuizingen plaatsvinden?Vooral onder invloed van de huidige economische situatie, waarbij veelonzekerheid bestaat over werkgelegenheid, hypotheekrenteaftrek enfinanci?le positie, blijken veel woningmarkten slecht te functioneren. Erwordt door gemeentebesturen met zorg gekeken naar de lage doorstroom-cijfers, die verhinderen dat huishoudens hun eigen huishoudsituatieaanpassen aan een andere woonsituatie. Het opsporen van knelpuntendie bepalend zijn voor de lage niveaus van doorstroming lijkt veel winstte kunnen opleveren. In een stad als Amsterdam, met een woningvoor-raad van ongeveer 400.000 eenheden, impliceert elk procentpunt extradoorstroming dat ? elk jaar ? 4.000 huishoudens extra aan een passendewoning en een passend woonmilieu kunnen worden geholpen. Eenanalyse van het functioneren van buurten met specifieke kenmerken,voor typen huishoudens met specifieke kenmerken, en dit alles in eendynamisch perspectief, kan hier veel winst opleveren. Tal van uitdagingenliggen hier nog op de onderzoeker te wachten, zoals het vaststellen vande invloed van demografische veranderingen op de verhouding tussenleefstijltypen en woonmilieutypen en het functioneren van woonmilieus;maar ook de analyse van de invloed van veranderingen in de woningmarktdoor privatiseringen, liberalisering, veranderde eigendomsverhoudingen,nieuwe regelgeving met betrekking tot hypotheken, enz. op het functione-ren van buurten voor uiteenlopende typen huishoudens.VerantwoordingDit onderzoek vond plaats binnen het raamwerk van het NICIS/Corpovenista/UvA onder-zoek naar `Veranderende huishoudens en Veranderende Buurten'. De inhoud komt voorde rekening van de auteurs.Noten1 Teernstra (2012), De buurt als roltrap. De rol van verhuismobiliteit in upgrading endowngrading. Binnenkort te verschijnen in Tijdschrift voor de Volkshuisvesting.2 Thuiswonende kinderen is een twaalfde categorie maar deze wordt hier verder bui-ten beschouwing gelaten.LiteratuurBoterman, W. R., Karsten, L., and Musterd, S. (2010) Gentrifiers Settling Down?Patterns and Trends of Residential Location of Middle-Class Families in Amsterdam.,Housing Studies, 25 (5), pp. 693- 714.Chen, C., and Lin, H. (2011) Decomposing Residential Self-Selection Via a Life-CoursePerspective, Environment and Planning A, 43 (11), pp. 2608 -25.Clapham, D. (2005) The Meaning of Housing. (Bristol, Policy Press).Clark, W. A. V. (1992) Residential Preferences and Residential Choices in a MultiethnicContext, Demography, 29 (3), pp. 451-66.Feijten, P., and van Ham, M. (2007) Residential Mobility and Migration of the Separated,Demographic Research, 17 (21), pp. 623-54.Gorter, K. (2003) Maatstaven Voor Een Levensbestendige Wijk; Normering EnDraagvlak in Het Bredase Project "Geschikt Wonen Voor Iedereen". (Utrecht, Verweij-Jonker Instituut).Kleinhans, R. & Bolt, G. (2010) Vertrouwen houden in de buurt; Verval, opleving en col-lectieve zelfredzaamheid in stadsbuurten (Den Haag, NICIS Institute).Leidelmeijer, K., Marlet, G., Van Iersel, J., Van Woerkens, C., and Van der Reijden, H.(2008) De Leefbaarometer; Leefbaarheid in Nederlandse Wijken En Buurten GemetenEn Vergeleken. (Amsterdam, Utrecht, RIGO Research en Advies, Atlas voorGemeenten).Michelson, W. (1977) Environmental Choice, Human Behavior, and ResidentialSatisfaction. (New York, Oxford University Press).Michielin, F., and Mulder, C. H. (2008) Family Events and the Residential Mobility ofCouples, Environment and Planning A, 40 (11), pp. 2270- 790.Mulder, C. H. (2006) Population and Housing: A Two-Sided Relationship, DemographicResearch, 15 (article 13), pp. 402- 12.Mulder, C. H., and Malmberg, G. (2011) Moving Related to Separation: Who Moves andto What Distance, Environment and Planning A, 43 (11), pp. 2589-607.Musterd, S., and Van Gent, W. P. C. (2012, forthcoming) Residential Location andHousing Moves of Immigrants and Natives in the Amsterdam Metropolitan Context, in:N. Finney and G. Catney (eds.) Minority Internal Migration in Europe (Farnham,Ashgate Publishing).Permentier, M., Wittebrood, K., Das, M., and Van Daalen, G. (2010) Registers overWijken; Mogelijkheden En Beperkingen Van Het Sociaal Statistisch Bestand VoorOnderzoek 'Sociale Dynamiek in De Wijk' (Register Data on Neighbourhoods). (DenHaag, Sociaal Cultureel Planbureau).Pinkster, F. M., and Droogleever Fortuijn, J. (2009) Watch out for the NeighbourhoodTrap! A Case Study on Parental Perceptions of and Strategies to Counter, NegativeNeighbourhood Influences on Child Development, Children's Geographies, 7 (3), pp.323-37.Rossi, P. H. (1980) Why Families Move, 2nd Edition. (London, Sage).Uitermark, J. (2003) 'Social Mixing' and the Management of DisadvantagedNeighbourhoods: The Dutch Policy of Urban Restructuring, Urban Studies, 40 (3), pp.531-49.Van Gent, W. P. C., Musterd, S., and Ostendorf, W. (2009) Bridging the Social Divide?Reflections on Current Dutch Neighbourhood Policy, Journal of Housing and the BuiltEnvironment, 24 (3), pp. 357- 68.VROM Raad (2006) Stad En Stijging: Sociale Stijging Als Leidraad Voor StedelijkeVernieuwing; Advies 054. (Den Haag, VROM Raad).Wittebrood, K. en Van Dijk, T. (2007) Aandacht voor de wijk; effecten van herstructure-ring op de leefbaarheid en veiligheid (Den Haag, SCP).Wittebrood, K. en Permentier, M. (2011), Wonen, wijken en interventies (Den Haag,SCP).
Reacties