Niet-westerse migranten gaan in zwarte wijken minder vaak om met autochtone Nederlanders dan niet-westerse migranten in gemengde en witte wijken. Het effect van zwarte wijken werkt bij autochtone Nederlanders precies andersom: zij gaan meer met migranten om dan wanneer ze in een witte wijk hadden gewoond.
47TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 2 APRIL 2011ONDERZOEKSDOSSIERNiet-westerse migranten gaan in zwarte wijken minder vaak om met autochtoneNederlanders dan niet-westerse migranten in gemengde en witte wijken. Het effect vanzwarte wijken werkt bij autochtone Nederlanders precies andersom: zij gaan meer metmigranten om dan wanneer ze in een witte wijk hadden gewoond.ETNISCHE SAMENSTELLINGBUURT VAN INVLOED OPINTERETNISCHE VERHOUDINGEN47Niet-westerse migranten gaan in zwarte wijken minder vaak om met autochtoneNederlanders dan niet-westerse migranten in gemengde en witte wijken(Foto David Rozing / Hollandse Hoogte)DOOR L?ON MULLER, HOOFD RESEARCH EN BELEGGINGSSTRATEGIEBOUWFONDS REIMIn het beleid worden etnische concentratiebuurten met argus-ogen bezien (VROM/WWI 2009). In dergelijke wijken zou nau-welijks contact bestaan tussen de oorspronkelijke bewoners enmigranten en de vrees bestaat voor het ontstaan van `parallellegemeenschappen'. Om dit tegen te gaan zouden maatregelengenomen moeten worden die menging van bevolkingsgroepenbevorderen. In het rapport Maakt de Buurt Verschil gaan we op zoeknaar een antwoord op de vraag of de etnische samenstelling van debuurt bepalend is voor de interetnische verhoudingen (Gijsberts etal. 2010). Het gaat hierbij zowel om in hoeverre men met elkaaromgaat als hoe men over en weer over elkaar denkt.We kijken naar interetnisch contact en naar wederzijdse opvat-tingen tussen verschillende etnische groepen. Het onderzoekricht zich op de vier grootste niet-westerse migrantengroepen(Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders)en autochtone Nederlanders. De hier opgeworpen kwestie raaktaan de bevindingen die enige tijd geleden door de Amerikaansepoliticoloog Robert Putnam naar voren zijn gebracht (Putnam2007). Zijn stelling is dat in etnisch diverse buurten niet alleen degerichtheid op andere etnische bevolkingsgroepen afneemt, maardat ook binnen de eigen etnische groep het vertrouwen, de hulp enhet contact afnemen. In ons onderzoek is nagegaan in hoeverre zijnhypothese voor Nederland geldig is.Op zoek naar het buurteffect: nabijheid en normenHet is ons in dit onderzoek dus te doen om de vraag of de directewoonomgeving als zodanig invloed heeft. Het gaat er om of hetbij elkaar wonen van verschillende etnische groepen een eigen,zelfstandig effect heeft op de onderlinge relaties van inwoners inde buurt. We spreken hier van een context- of buurteffect. Het bete-kent dat ruimtelijke concentratie bepaalde processen in gang zetdie de mate van interetnisch contact en wederzijdse beeldvormingbe?nvloeden. In de wetenschappelijke literatuur wordt onder meergewezen op de gelegenheid tot contact als be?nvloedend mechanis-me. Volgens deze nabijheidshypothese mag worden verwacht datniet-westerse migranten in etnische concentratiebuurten vanwegegeringere ontmoetingskansen in mindere mate contacten onder-houden met autochtone Nederlanders dan niet-westerse migrantendie in gemengde en witte wijken wonen. De nabijheidshypothesevoorspelt voor autochtone Nederlanders het omgekeerde: autoch-tone Nederlanders die in zwarte wijken wonen, gaan vaker om metmigranten omdat de ontmoetingskans groter is dan in witte wij-ken. Een ander mechanisme dat volgens de theorie op het niveauvan de buurt werkzaam zou kunnen zijn, benadrukt het belang van`derden', zoals bijvoorbeeld de familie of de eigen etnische gemeen-schap. De veronderstelling hier is dat in concentratiewijken dewerking van groepsnormen sterker is dan in wijken met mindermigranten en dat deze normen het aangaan van contacten metautochtone Nederlanders in de weg staan. De mechanismen vannabijheid en groepsnormen maken dat de buurt een eigenstandigeffect kan hebben op de verklaring van verschillen in interetnischcontact. Het is een buurteffect, want de verklaringen zijn nietterug te voeren tot individuele kenmerken van de bewoners van debuurt. Wanneer dit laatste aan de orde is, spreken we van samenstel-lingseffecten; de mate van interetnisch contact en de aard van dewederzijdse beeldvorming is dan toe te schrijven aan de kenmer-ken van de bewoners van de buurt (zoals een laag opleidingsniveauof een slechte arbeidsmarktpositie).Het onderscheid in buurt- en samenstel-lingseffecten lijkt misschien een abstracte,nogal academische kwestie. Toch is dit nietzo; of het om een buurt- of een samenstel-lingseffect gaat, heeft namelijk praktischeimplicaties voor het beleid. Mocht hetonderzoek laten zien dat er sprake is vaneen buurteffect op interetnisch contacten beeldvorming, dan is het streven naareen meer gemengde samenstelling van debuurtbevolking een hieruit voortvloeiendebeleidsdoelstelling. Is het zo dat verschillen in interetnisch con-tact en wederzijdse beeldvorming (vooral) zijn toe te schrijven aanverschillen in kenmerken van mensen zoals bijvoorbeeld een lageopleiding of werkloosheid, dan ligt het in de rede om te investerenin die mensen en niet zozeer in de samenstelling van de bevolkingvan een buurt. Pas als de buurt de oorzaak zou zijn, heeft het zinom iets te veranderen aan de samenstelling van de buurt. In datgeval verkleint men het probleem door kwetsbare groepen in eenandere buurt te huisvesten. Anders is er alleen sprake van verplaat-sing van de problemen.Is er een relatie met interetnisch contact?Er bestaat een duidelijke relatie tussen het wonen in een con-centratiebuurt en de mate van interetnisch contact. Interessantis dat deze relatie voor niet-westerse migranten en autochtoneNederlanders tegengesteld is. Bij niet-westerse migranten remtde etnische concentratie van een buurt de mate van interetnisch48TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 2 APRIL 2011ONDERZOEKSDOSSIERHET GAAT ER OM OF HET BIJ ELKAAR WONEN VANVERSCHILLENDE ETNISCHE GROEPEN EEN EIGEN,ZELFSTANDIG EFFECT HEEFT OP DE ONDERLINGERELATIES VAN INWONERS IN DE BUURT.contact. Autochtonen die in een gekleurde wijk wonen, gaanjuist vaker om met niet-westerse migranten dan autochtoneNederlanders die in een witte wijk wonen. We hebben gekekennaar veel verschillende vormen van contact: werkcontacten,interetnisch contact in het verenigingsleven, op de sportclub, opinternet, in de buurt, met vrienden en kennissen, beste vriend-schappen, bij elkaar op bezoek en (huwe-lijks)relaties. Bovendien is ook informatiebeschikbaar over contacten tussen migran-tengroepen onderling en over contactenbinnen de eigen etnische groep. Figuur 1laat voor de vier grote migrantengroepenbijvoorbeeld de samenhang zien tussende mate van etnische concentratie van debuurt en het aandeel dat vaak met autoch-tone Nederlanders omgaat in de vrije tijd.Duidelijk is te zien dat in buurten met veelniet-westerse migranten, contacten van deverschillende migrantengroepen met autochtonen schaarser zijndan in buurten met weinig migranten.Voor autochtone Nederlanders werkt het zoals gezegd preciesandersom. Figuur 2 maakt dit in een oogopslag duidelijk: autoch-tone Nederlanders hebben in de meest witte wijken (met minderdan 10% niet-westerse migranten) duidelijk minder vaak contactmet buren of buurgenoten uit migrantengroepen dan in de meergemengde wijken.Deze bevindingen houden nog geen rekening met mogelijkesamenstellingseffecten. Uitgebreide (multilevel)analyses diestatistisch controleren voor verschillen in individuele factoren(o.a. opleiding, werk, beheersing Nederlandse taal, verblijfsduur)en voor een set buurt- en gemeentefactoren (naast etnische con-centratie in de buurt onder meer sociaaleconomische samen-stelling van de buurt, mate van verhuismobiliteit in de buurt,criminaliteit in de gemeente) ondersteunen echter het zojuistgepresenteerde beeld. Er is sprake van een buurteffect: voormigranten is de kans dat zij contacten onderhouden met autoch-tone Nederlanders kleiner in concentratiewijken; voor autochtoneNederlanders die in concentratiewijken wonen is de kans datzij met migranten contacten onderhouden juist groter. Bij niet-westerse migranten zijn op alle door ons onderzochte domeinenvan contact effecten van etnische concentratie gevonden. Of hetnu gaat om contacten op het werk, in de buurt, in de vrije tijd,tijdens het verenigingsleven, tijdens het sporten, in geval vanvriendschappen of bij het hebben van een autochtone beste vriendof partner: de etnische concentratie in de buurt hangt samen metminder contact met autochtone Nederlanders. De concentratie-effecten die we voor autochtone Nederlanders vinden zijn echterTIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 2 APRIL 2011ONDERZOEKSDOSSIER 498070605040302010050403020100Turks Totaal 25%(a)10-25%Marokkaans Surinaams Antilliaans
Reacties