TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ACHTERGROND8HEBBEN DE BABY-BOOMERS HET ZOGOED VOOR ELKAAR?Babyboomers staan te boek als idealistisch bevlogen, maar ook als verwende potverteerders.Het klopt dat ze het goed voor elkaar hebben, ook als je het betrekt op de bereiktewoonkwaliteit. Maar dat kun je ook zeggen van de generaties erna.Babyboomers:mensendieheter?indevolksmond-vannemen,zoalshieropdeGolfResidentieinDronten(Foto Bart Muhl / Hollandse Hoogte)IDEALEN9TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ACHTERGRONDDOOR JEANET KULLBERG EN JURJENIEDEMA1, SOCIAAL EN CULTUREEL PLANBUREAUDe verhouding tussen generatiesis een thema dat vooral in hetlicht van de pensioenproblema-tiek veel discussie geeft. Hetbeeld van de babyboomers alsidealistisch bevlogen, maar niettemin ver-wende potverteerders is hardnekkig, hoewelhet CPB becijferde dat dit beeld niet terechtis. Het profijt van de overheid, vooral in devorm van bijdragen in onderwijs, uitkerin-gen en zorg, is aanmerkelijk hoger onder degeboortecohorten van pakweg 1960 tot 1990(Van der Horst et al, 2010). De babyboomershebben al wel netto-profijt van de overheid,wat voor de vooroorlogse cohorten niet zowas. Die droegen meer bij aan belastingen enpremies dan ze terugkregen van de overheid.In deze bijdrage gaan we na in hoeverre hetbehoren tot een bepaalde generatie ofgeboortecohort ertoe doet voor de woonkwa-liteit waarover mensen beschikken.LEEFTIJD, PERIODE, COHORTElke generatie bouwt gedurende de levens-loop een woonpositie op die de meestendaarna niet meer prijsgeven, tenzij ze getrof-fen worden door tegenspoed zoals echtschei-ding, ontslag of ziekte. De meeste kwaliteitbereiken mensen op middelbare leeftijd, zotussen ca. 40 en 65 jaar, nadat ze veelal eengezin gevormd hebben. Dat vergt ruimte encomfort, terwijl de maatschappelijke carri?rede mogelijkheden biedt om de wensen te ver-vullen. Zodoende is de levensfase een belang-rijke factor in de bereikte woonkwaliteit.De afgelopen decennia is de woonkwaliteitgestaag toegenomen dankzij veel nieuwbouwen ook woningverbetering. Zo ontbrak mid-den jaren zeventig nog in 15 procent vande woningen een badkamer, terwijl dat nuhoegenaamd niet meer voorkomt. Het aan-deel huizen met centrale verwarming namin dezelfde periode toe van 60 tot 90 pro-cent. Ook werden woningen steeds ruimergebouwd terwijl de woningbezetting juistafnam. Wat niet veranderde was het aandeeleengezinshuizen ten opzichte van het aantalappartementen. Over een lange reeks vanjaren bestaat 70 procent van de woningvoor-raad uit eengezinshuizen. Al met al geldt alshet om woninggrootte en comfort gaat datmensen die nu leven meer kwaliteit genietendan wie dertig jaar geleden in Nederlandwoonde.Het geboortecohort of de generatie speelt eenrol indien in een periode de omstandighedenvoor het cohort ook bepalend zijn geweestvoor de verdere wooncarri?re. Het kan gaanom gunstige economische condities (bij-voorbeeld om een huis te kopen) die eenblijvende voorsprong geven op generaties dieniet van die omstandigheden konden profi-teren. Maar het kan ook gaan om een andereattitude of preferentie, die weer is terug tevoeren op de periode waarin men gevormd isen de historische gebeurtenissen van toen, dezogenaamde formatieve periode, zo rond deadolescentie (Mannheim, 1928, 1929).GENERATIESBecker (1992) onderscheidde in zijn boekGeneraties en hun kansen vijf generaties.De `vooroorlogse generatie' (geboren 1910-1930) zou gevormd zijn door de economischecrisis van de jaren dertig en de TweedeWereldoorlog en daardoor gericht zijn opeconomische zekerheid, rust en orde, watonder meer tot uiting kwam in gezagsge-trouwheid en een sterk arbeidsethos. Crisis,oorlog en wederopbouw zorgden ervoor datdeze generatie gewend is offers te brengen.Het aanvangskapitaal van de verzorgings-staat is volgens Becker vooral door dezegeneratie bij elkaar gebracht. De `stille gene-ratie' (1931-1940) groeide op tijdens de weder-opbouw, in een sfeer van hard werken en zui-nigheid. Ze groeide op met dezelfde burger-lijke waarden als de vooroorlogse generatie,maar er waren meer kansen. De `protestgene-ratie' (1941-1955) werd volwassen in een tijdvan ongekende welvaartstijging en kreeg oogvoor individuele ontplooiing (het gezin werdook minder vanzelfsprekend), democratise-ring en grenzen aan de economische groei.Dan was er de `verloren generatie' (1956-1970), die in ori?ntatie weer weinig van deprotestgeneratie verschilde, maar te makenkreeg met een kerend economisch tij; hunvooruitzichten waren minder florissant.Tenslotte voert Becker de `pragmatischegeneratie' op, geboren na 1970 en getekenddoor de no-nonsense tijdgeest van de jarentachtig.Het bureau Motivaction borduurde voort opdeze vijfdeling en voegde de na 1985 geboren,`grenzeloze generatie' toe in een gelijknamigboek (2009). Deze generatie zou zelfingeno-men zijn, in de ban van uiterlijkheden enconsumptie en zou minder op hebben meteen typisch babyboomthema als welzijn.Een heel ander generatieportret van dezelfdegroep jonge mensen schetst Hazenberg(2010) in zijn boek over `de netwerkgeneratie',waarvan hij zelf deel uitmaakt. Deze genera-tie geeft - volgens Hazenberg - niet om eengroot huis of een dure auto, maar zoekt eenvoortdurende ontwikkeling van zichzelf. Zewil zich niet langdurig vastleggen op eenzelf-de woon- of werksituatie, maar wel continuverbonden zijn met het eigen netwerk vanvrienden, familie en andere contacten.De uiteenlopende duiding van de geboorte-cohorten vanaf 1985 geeft al aan dat hetbenoemen van generaties geen eenduidigeempirische basis heeft. Voor de meest recentegeneraties of geboorteclusters zal nog bezienmoeten worden in hoeverre ze ook later degemeenschappelijke trekken hebben die hunnu worden toegedicht. Ook zal duidelijk zijndat grenzen tussen generaties altijd lastigte trekken zijn. We richten ons hierna opgeboortecohorten, om daarna pas vast testellen of er overlap is met generaties zoalsBecker die onderscheidde.ANALYSE VAN DE WOONKWALITEIT VANCOHORTENMet behulp van opeenvolgende woningbe-hoeftenonderzoek, die vanaf 1977 ongeveerom de vier jaar gehouden werden, konden wede wooncarri?re van cohorten min of meervolgen. Met negen onderzoeken die in totaal32 jaar bestrijken, kunnen we de geboorte-cohorten over 32 jaar volgen, waarbij welbedacht moet worden dat in elk onderzoekandere mensen zijn ge?nqu?teerd. We volgenzodoende pseudo-cohorten.We kijken naar woonkenmerken die voordeze lange reeks van jaren beschikbaar zijnen op dezelfde manier gemeten. Dat is hetgeval voor het wel of niet hebben van eenkoophuis en van een eengezinshuis, beidewoningkenmerken die passen bij mensen dievoor langere tijd `commitments' aangaan,zoals een gezin stichten (Feijten, 2005). Daar-Elke generatie bouwt gedurende de levensloop een woonpositieop die de meesten daarna niet meer prijsgeven, tenzij ze getroffenworden door tegenspoed zoals echtscheiding, ontslag of ziekte10TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ACHTERGRONDnaast hebben we een maat voor woonkwali-teit ontwikkeld, in navolging van Ras et al.(2006), die de WOZ-waarde zo goed mogelijkbenadert, gecorrigeerd voor regionale prijs-verschillen. Dit is gebeurd met behulp vanonder meer het woningtype en de woning-grootte (het aantal kamers en de grootte vande woonkamer), het wooncomfort (aanwezig-heid van een douche en cv) en tevredenheidmet de woonomgeving.Achtereenvolgens gaan we in op het koop-huis, het eengezinshuis en de totale kwaliteitvan de woningen van de diverse cohorten.Daarbij bekijken we de cohorten op tweemanieren. De effecten van leeftijd, periodeen geboortecohort op de woonsituatie doenzich gecombineerd voor, maar zijn met eenzogenaamde age period cohortanalyse (APC)statistisch te ontrafelen. Zo kunnen we zienof alleen de levensfase en de periode ertoedoen om de woonsituatie te begrijpen of dathet cohort waartoe men behoort daaraaniets toevoegt. Daarna volgen we de pseudo-cohorten door de tijd, waarbij de gecom-bineerde effecten van leeftijd, periode engeboortecohort in beeld komen.Zitten de babyboomers inderdaad gebeiteld?Figuur 1 laat een APC analyse zien voor hethebben van een koophuis. Er zijn leeftijds-klassen van telkens vijf jaar onderscheiden,geboortecohorten van telkens acht geboor-tejaren en tenslotte de meetjaren vanaf1977. Uit de figuur kan worden gelezen datde leeftijd en daarna de periode het meestbepalend zijn geweest voor het al dan nietbeschikken over een koophuis en dat hetgeboortecohort daarop een kleine, signifi-cante aanvulling biedt2. Zonder dat scherpegrenzen getrokken kunnen worden, is te ziendat de geboortejaren van 1943 tot en met 1950naar verhouding vaak in een koophuis zitten.Het contrast is het grootste met de geboor-tejaren 1911-1926 en met die na 1975. Voor demeest recente cohorten geldt dat ze nog jongzijn en mogelijk over tien of twintig jaar eenander beeld laten zien; misschien moet hunhuisje-boompje-beestjetijd nog komen.Maken we dezelfde figuur voor het bewo-nen van een eengezinshuis (niet afgebeeld),dan is opnieuw de leeftijd van het grootstebelang, maar nu gevolgd door het geboorte-cohort. Het belang van het geboortecohort isgroter dan voor het al dan niet in een koop-huis wonen3. De periode heeft nu nauwelijksinvloed omdat het aandeel eengezinshuizenover de jaren ongeveer gelijk bleef. Dezelfdecohorten tekenen zich af die vaker dan deandere over een eengezinshuis beschikken ofbeschikt hebben, gedurende hun levensloop.Opnieuw scoren de cohorten van kort na deTweede Wereldoorlog het gunstigst.Tenslotte volgt dezelfde analyse voor detotale woonkwaliteit waarover men beschikt(figuur 2).Levensfase en periode zijn belangrijk voorde totale woonkwaliteit, maar dat geldt bijnaevenzeer voor het geboortecohort. Zonderdat de grenzen scherp getrokken kunnenworden, kun je zeggen dat de babyboomers(1943-1950 en de latere babyboomers van1951-1958) relatief goed woonden en wonen,maar zeker ook de cohorten daarvoor endaarna, pakweg vanaf geboortejaar 1927 totmidden jaren zestig. Deze generaties hebbeneen gunstige carri?re doorgemaakt in tijdenvan welvaartsstijging, ook de zogenaamde`verloren generatie' die begin jaren tachtig dearbeidsmarkt betrad. De moeilijke omstan-digheden op die arbeidsmarkt hebben geencollectief litteken nagelaten; velen hebbennadien alsnog hun weg gevonden (Herwe-392Figuur 17.2Invloed van levensfase, geboortecohort en periode op het al dan niet beschikken over een koophuisa18-25jaar25-30jaar31-35jaar36-40jaar41-45jaar46-50jaar51-55jaar56-60jaar61-65jaar66-70jaar71-75jaar75jaar1903-19101911-19181919-19261927-19341935-19421943-19501951-19581959-19661967-19741975-19821983-1990197719811985198919931998200220062009-0,6-0,30,00,30,60,91,2cohortlee ijd meetjaara Gemiddelde vif = 1,92; hoogste vif = 2,19. Leeftijd = 0,23, cohort = 0,06, meetjaar = 0,13 (allesheaf-co?ffici?nten zijn significant groter dan 0 en verschillen significant van elkaar).Bron: vrom (wbo'77-'02; Woon'06 en '09) scp-bewerkingVrijwel alle beroepsgroepen wisten te profiteren van de toegenomen koopmogelijk-heden, hoewel hoofdarbeiders met een vaste baan en een goed inkomensperspectiefvaker tot koop overgingen dan handarbeiders. In de jaren zeventig nam het aandeelkopers onder mensen van uiteenlopende leeftijden toe, maar toch vooral onder mensenin de leeftijd van 30 tot 40 jaar (Van der Schaar 1987: 313).Cohort 1951-1958 kreeg waarschijnlijk wat meer te maken met de koophype eind jarenzeventig en de daaropvolgende woningmarktcrisis, toen de prijzen sterk daalden. Vanaf1982 trokken die prijzen weer geleidelijk aan en begon de rente te dalen. De sterke huur-stijgingen in de jaren tachtig droegen ook bij aan een voorkeur voor kopen (Everaers enDieleman 1993).Vooral in de tweede helft van de jaren tachtig trok de nieuwbouw vankoophuizen weer aan.De verloren generatie (1956-1970) heeft volgens Becker (1992) last gehad van de eco-nomische recessie begin jaren tachtig. Velen hebben genoegen moeten nemen metdeeltijdbanen of met werk dat onder hun onderwijsniveau lag. Daardoor was zowel huninkomen als hun inkomensperspectief minder gunstig. Juist het inkomensperspectief isbelangrijk om een hypotheek te krijgen. Toch doet de verloren generatie het op de koop-markt helemaal niet slecht vergeleken met de vooroorlogse generaties en de recentecohorten. Voor cohort 1967-1974 en latere cohorten is de situatie op de koopmarkt min-der gunstig. Deze cohorten werden in de gezinsvormende fase, die grofweg in de jarensociaal en cultureel rapport 2010woonkwaliteit is in de loop der jaren sterker veranderd dan het aandeel mensen met eeneengezinshuis.Dat de babyboomgeneratie en `aangrenzende' cohorten ook qua totale woonkwaliteitde andere generaties overtreffen, betekent dat ze na het betreden van de woningmarktverdere wooncarri?re hebben kunnen maken. De meesten hebben het vermogen inde eigen woning sterk zien groeien en konden dat vermogen inzetten om te verhuizennaar een betere woning; op die manier kregen ze een voorsprong op huizenkopers metminder vermogen. Een aantal mensen uit deze cohorten heeft weliswaar te maken gehadmet de instorting van de woningmarkt eind jaren zeventig, maar die trof alleen dege-nen die hun huis wegens omstandigheden moesten verkopen of herfinancieren. Dat deverloren generatie zo gunstig zit wat de woonkwaliteit betreft (figuur 17.7) komt dooreen combinatie van cohorteffect en periode-effect. Ze zijn in een gunstige tijd tot dewoningmarkt toegetreden en hebben nadien optimaal van de kwaliteitsverbetering vande woningvoorraad kunnen profiteren.Figuur 17.8Invloed van levensfase, geboortecohort en periode op de totale woonkwaliteita18-25jaar25-30jaar31-35jaar36-40jaar41-45jaar46-50jaar51-55jaar56-60jaar61-65jaar66-70jaar71-75jaar75jaar1903-19101911-19181919-19261927-19341935-19421943-19501951-19581959-19661967-19741975-19821983-1990197719811985198919931998200220062009cohortlee ijd meetjaar-0,4-0,20,00,20,40,6a Gemiddelde vif = 2,08, hoogste vif = 3,50. Leeftijd = 0,19, cohort = 0,15, meetjaar = 0,19 (allesheaf-co?ffici?nten zijn significant groter dan 0 en alleen cohort verschilt significant van de beideandere co?ffici?nten).Bron: vrom (wbo'77-'02; Woon'06 en '09) scp-bewerkingFiguur 1 Invloed van levensfase, geboortecohort en periode op het al dan niet beschikken over een koophuisFiguur 2 Invloed van levensfase, geboortecohort en periode op de totale woonkwaliteit11TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ACHTERGRONDijer, 2010: 289). Het feit dat de cohorten van1927 tot 1960 op het terrein van onderwijs,uitkeringen en zorg in mindere mate door deoverheid zijn geholpen dan de latere genera-ties, doet niets af aan hun gunstige woning-marktpositie. Zoals De Graaf et al (2010) ookstellen; die overheidsuitgaven zijn voor eendeel complementair geweest aan het econo-misch tij: een vrijwel continue periode vannaoorlogse welvaartsstijging tot begin jarentachtig, maakte het mogelijk op eigen krachteen goede positie te verwerven.CONDITIES OP DE WONINGMARKTOp het terrein van het wonen kwamen daarnog gunstige condities bij. De expansievan de koopsector in de jaren zeventig hadbehalve met de toestroom van een grotegroep jonge, koopkrachtige woningzoeken-den, ook te maken met hoge inflatie en con-currentie tussen hypotheekaanbieders, wattot gunstige hypotheekvoorwaarden leidde.Daarbij kwamen gemeentelijke hypotheekga-ranties die behalve voor nieuwe, nu ook voorbestaande koopwoningen golden. Dankzijde garanties konden mensen met een laaginkomen toch een tophypotheek afsluiten,wat de overstap van huren naar kopen verge-makkelijkte. Bij de hypotheekgarantie kwamnog de gunstige fiscale behandeling van deeigen woning die tot op heden vrijwel onver-minderd voortduurt, hoewel de looptijdsinds 2001 tot dertig jaar beperkt wordt. Vooreerdere kopers geldt hypotheekrente-aftrektot 2031 en zodra de hypotheek (bijna) isafgelost, vervalt bovendien (sinds 2004) heteigenwoningforfait zodat het fiscale voordeelvoortduurt.In de jaren zeventig werden veel nieuwewoningen gebouwd, deels in groeikernenwaar het eengezinshuis archetypisch was.De woningen werden ook aangeboden tegengunstige voorwaarden, dankzij premie- engarantieregelingen. Kopers zouden profite-ren van sterke prijsstijgingen en het opge-bouwde vermogen in de woning kon weeringezet worden bij vervolgstappen. Voor degeboortejaren vanaf 1967 is de situatie op dekoopmarkt minder gunstig. In hun gezins-vormende fase, vanaf de jaren negentig, had-den deze cohorten te maken met een sterkestijging van de woningprijzen, die het kopenvan een huis lastig maakte voor starters, dieimmers geen geld uit de eigen woning kun-nen inzetten. Bij een deel van de koopstartersschieten ouders te hulp, waarop hypotheek-verstrekkers zijn gaan inspelen met hetaanbieden van generatiehypotheken. Oudersstaan dan garant en verstrekken leningen ofschenkingen aan hun kind. Volgens onder-zoek van NIBUD (2010) steunt 12 procent vande ouders van 45 jaar of ouder (naar eigenzeggen) een zelfstandig wonend kind bij deaankoop van een huis, meestal door te schen-ken of te lenen en minder vaak door voor delening garant te staan. Vooral ouders die zelfeen eigen huis hebben, zijn in de gelegenheidte ondersteunen en zij doen dit dan ook tweekeer zo vaak, al zijn er onder de eigenarenook veel ouders die menen dat hun kind desteun niet nodig heeft. Al met al zijn sinds1970 de koopkansen ongelijker gewordenvoor kinderen van huurders respectievelijkvan eigenaren van een woning.GENERATIES EN WOONKWALITEIT:GECOMBINEERDE EFFECTENKijken we naar het samenspel van de effectenvan leeftijd, periode en cohort, zoals het zichin het volle leven aan ons voordoet, dan zienwe hoe voor elk volgend geboortecohort heteigen woningbezit toenam ten opzichte vanhet voorgaande (figuur 3). Zo had van cohort1935 bijna de helft met de leeftijd van 41 jaareen koophuis en van cohort 1967 (`verlorengeneratie') is dat 70 procent. Cohort 1975 zitmet de leeftijd van nog geen dertig jaar al opeen hoger niveau van eigen woningbezit dande cohorten 1911 tot en met 1927 ooit bereik-ten. Jongere cohorten hebben meer dan deoudere geprofiteerd van de snelle toename390mensen verhuisden nog veel van koop- naar huurhuizen. Bij cohort 1943 stijgt het eigen-woningbezit nog tussen het 60e en 65e jaar. Latere cohorten hebben deze leeftijd nogniet bereikt, maar bekend is dat ouderen met een koophuis , als ze al verhuizen, steedsvaker voor een koopappartement kiezen (Van Iersel et al. 2010: 17).Figuur 17.1Eigenwoningbezit naar geboortecohort en leeftijda21 25 29 34 37 41 45 49 53 57 61 65 69 73 77 81 85 89 93lee ijd01020304050607080cohort 1983cohort 1975cohort 1967cohort 1959cohort 1951cohort 1943cohort 1935cohort 1927cohort 1919cohort 1911a Gemiddelde leeftijd van het geboortecohort; leeftijd van de oudste binnen het huishouden.Bron: vrom (wbo'77-'02; Woon'06 en '09) scp-bewerkingKlein verschil tussen cohortenFiguur 17.2 brengt de situatie voor de cohorten nader in beeld. Hier is het belang vande levensloop (de leeftijd), het geboortecohort en de periode (het meetjaar) weer-gegeven en voor elkaar gecorrigeerd met behulp van een apc-analyse (apc staat voorAge, Period, Cohort). De cohorten zijn clusters van acht opeenvolgende geboortejaren.2De leeftijd, ofwel het moment in de levensloop, is van deze drie kenmerken het meestbepalend voor het wel of niet hebben van een koophuis. Daarna volgt de periode. Heteigenwoningbezit neemt immers vrij gestaag toe over de weergegeven jaren. Dat elkgeboortecohort meer eigenaar-bewoners telt dan het voorgaande, zoals we in figuur 17.1generaties op de woningmarktFiguur 17.4Beschikking over een eengezinshuis naar geboortecohort en leeftijdalee ijd21 25 29 34 37 41 45 49 53 57 61 65 69 73 77 81 85 890102030405060708090 cohort 1983cohort 1975cohort 1967cohort 1959cohort 1951cohort 1943cohort 1935cohort 1927cohort 1919a Gemiddelde leeftijd van het geboortecohort; leeftijd van de oudste binnen het huishouden.Degenen zonder eengezinshuis wonen in een flat of appartement.Bron: vrom (wbo'77-'02; Woon'06 en '09) scp-bewerkingBabyboomgeneratie relatief vaker in een eengezinshuisOf mensen over een eengezinshuis beschikken, hangt vooral af van de levensfase ende huishoudenssamenstelling, en minder van de periode (figuur 17.5). Jonge mensenFiguur 3 Eigenwoningbezit naar geboortecohort en leeftijdFiguur 4 Beschikking over een eengezinshuis naar geboortecohort en leeftijd12TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 4 AUGUSTUS 2011ACHTERGRONDvan het eigenwoningbezit. Ze treden jongertoe tot de bezittende klasse, hoewel de naam`bezittende klasse' steeds minder passendwerd, omdat meer geld geleend wordt enminder afbetaald dan bij eerdere generatieshet geval was.De leeftijd waarop men over een eengezins-huis beschikt (in plaats van een appartement;figuur 4) wordt per cohort juist steeds hoger.Van cohort 1943 had ruim driekwart met34 jaar een eengezinshuis; van cohort 1975was dat nog maar 60 procent. Jonge mensenkrijgen steeds later zo'n eengezinshuis, maarrond het veertigste levensjaar is de `achter-stand' ingelopen.Dat jonge mensen op steeds latere leeftijdover een eengezinshuis beschikken heeftonder meer te maken met het feit dat men-sen steeds later een gezin met kinderenzijn gaan vormen, als dat al gebeurt. Mededoor de toegenomen studieduur en het laterbetreden van de arbeidsmarkt schuift degezinsvorming op. Van cohort 1939-1942 had90 procent in de leeftijd van 31 tot 35 jaarthuiswonende kinderen. Bij cohort 1975-1978is dat nog maar 40 procent. De uitgesteldegezinsvorming komt onder andere tot uit-drukking in een langer verblijf in de steden.Zo woonde van cohort 1947-1950 12 procentmet 34 jaar in een van de vier grote steden.Van cohort 1975-1978 is dat 22 procent4. Hetwoningaanbod bestaat daar merendeels uitgestapelde bouw.Voor de totale woonkwaliteit geldt dat ze perleeftijdklasse voor opeenvolgende cohor-ten beter werd (figuur 5). Dat komt vooraldoordat de woningen groter werden encomfortabeler. Maar er is wel sprake van eenkentering in die kwaliteitstoename. Cohort1967 verbeterde zich niet ten opzichte van hetvoorgaande cohort en voor cohort 1975 wasde kwaliteit ? op de leeftijd van 34 jaar - zelfsonder dat van cohort 1951 gedoken. De ver-klaring voor deze kentering is vermoedelijktweeledig. Enerzijds speelt de uitgesteldegezinsvorming en het langer in hoge dicht-heden in de stad wonen een rol. Dit sluit aanbij de prioriteiten zoals die voor de netwerk-generatie geschetst werden. Daarnaast speeltwellicht de stijging van de woningprijzen,die het voor jongere kopers lastig maakte omtegen doorstromers op te bieden. Voor dezeaanvullende verklaring pleit het feit dat ookbinnen de G4 sprake is van een kenteringvan de kwaliteitstoename bij de recenterecohorten.TOT SLOTHet beeld van een generatie van babyboo-mers die gebeiteld zitten op de woningmarktis een juist beeld, zij het dat het verschil metde aangrenzende generaties (1927-1942 en1959-1966) klein is. Bovendien geldt dat doorde algehele toename van de woonkwaliteit,de cohorten van na de babyboom zeker nietminder bedeeld zijn dan babyboomers toenzij dezelfde leeftijd hadden. Dat is wel hetgeval voor cohort 1975, dat op 35-jarige leef-tijd voor het eerst over minder woonkwaliteitbeschikt dan diverse eerdere cohorten. Deelszal die achterstand nog worden weggewerktals de betrokkenen alsnog een gezin gaanvormen en wellicht suburbaan en ruimergaan wonen. Het langere verblijf in de staddat daaraan vooraf gaat, biedt kansen voorde stad. Maar de ongunstige concurrentiepo-sitie op de koopmarkt door een ongelukkigetiming van de `instap' zal mogelijk langerdoorwerken.Noten1 Deze bijdrage is gebaseerd op het hoofdstuk`Generaties op de woningmarkt' (17) in hetSociaal en Cultureel rapport 2010 `Wisseling vande wacht: generaties in Nederland' (Sociaal enCultureel Planbureau).2 In de figuur zijn de regressieco?ffici?nten vanlevensfase, cohort en meetjaar naast elkaar afge-beeld. De sheaf-co?ffici?nten, vergelijkbaar metgestandaardiseerde regressieco?ffici?nten, gevenhet relatieve belang van elk weer voor het aandeelmet een koophuis.3 Sheaf- co?ffici?nten zijn respectievelijk 0,11 en0,06.4 Beschrijving hiervan in Bijlage B17.5a bij hetSociaal en Cultureel Rapport 2010 (www.scp.nl ).LiteratuurBecker, H. (1992). Generaties en hun kansen.Amsterdam (Meulenhoff).Feijten, P. (2005). Life events and the housing career.A retrospective analysis of timed effects. Delft(Eburon Publishers).Hazenberg, J. (2010) Lezing ter gelegenheid vanNIROV begrotingsdebat, 28-9-2010 (www.joophazen-berg.nl/p=414; geraadpleegd op 1 november 2010).Herwijer, L. (2010) Generaties in het onderwijs en opde arbeidsmarkt. In: SCP 2010: Wisseling van dewacht. (hoofdstuk 13)Mannheim, K. (1952; oorspronkelijk 1928/29) The pro-blem of generations, in: K. Mannheim (red) Essays onthe sociology of knowledge (p. 276-322). New York(Oxford University Press).NIBUD (2010) De ouders als financier? Financi?lesteun van ouders aan hun volwassen kinderen.Utrecht.Ras, M., E. Eggink, E. van Gameren en I. Ooms (2006).Uitgerekend wonen. Een model voor de vraag vanhuishoudens naar wonen en de gevolgen vanbeleidswijzigingen. Den Haag (Sociaal en CultureelPlanbureau).Van der Horst et al, A. (2010) Welke generatie heefthet meeste profijt van de overheid? In: SCP 2010:Wisseling van de wacht. (hoofdstuk 18).399zij gezinsvorming uitstellen. Maar het is ook waarschijnlijk dat de startersproblematiekde recentste cohorten parten speelt; de prijzen waren begin jaren 2000 tot recordhoogtegestegen en dat maakt het voor starters moeilijk om op te bieden tegen doorstromers,die de overwaarde van een vorig huis kunnen besteden (zie hoofdstuk 7).Figuur 17.7Totale woonkwaliteit naar geboortecohort en leeftijdacohort 1983cohort 1975cohort 1967cohort 1959cohort 1951cohort 1943cohort 1935cohort 1927cohort 1919cohort 191121 25 29 34 37 41 45 49 53 57 61 65 69 73 77 81 85 890100.000200.000300.000400.000500.000600.000700.000cohort 1903lee ijda Gemiddelde leeftijd van het geboortecohort; leeftijd van de oudste binnen het huishouden. Op dey-as is de kwaliteitsscore weergegeven volgens de zelf geconstrueerde maat.Bron: vrom (wbo'77-'02; Woon'06 en '09) scp-bewerkingStille generatie en babyboomers relatief meeste woonkwaliteitKijken we naar de verworven woonkwaliteit in totaal, dan ontstaat vrijwel eenzelfdebeeld van de positie van de verschillende cohorten als in de voorgaande figuren. Deoverlap tussen koophuizen, eengezinshuizen en ruime, comfortabele woningen isgroot. Vooral de stille generatie en de babyboomgeneratie scoren hoog, maar ook deverloren generatie heeft het lang niet slecht (figuur 17.8). Het cohorteffect op de totalewoonkwaliteit is bijna net zo groot als het effect van leeftijd en periode. De beschikbareFiguur 5 Totale woonkwaliteit naar geboortecohort en leeftijd
Reacties