Scheefwonen is terug op de politieke agenda. Door de Europese regel die toegang tot sociale huurwoningen voor huishoudens met middeninkomens en hoge inkomens beperkt. En ook door nieuwe cijfers van het CBS waarmee je het aandeel bewoners van een corporatiewoning met een middeninkomen of hoog inkomen kunt bepalen.
31TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2012ACHTERGRONDScheefwonen is terug op de politieke agenda. Door de Europese regel die toegang tot socialehuurwoningen voor huishoudens met middeninkomens en hoge inkomens beperkt. En ook doornieuwe cijfers van het CBS waarmee je het aandeel bewoners van een corporatiewoning met eenmiddeninkomen of hoog inkomen kunt bepalen.SCHEEFWONENVIND JE VOORAL INDE RANDSTADIndeRandstadendanvooralinhetGroeneHartzijnerveelgemeentenwaareenrelatiefgrootdeelvandecorporatiewoningenwordtbewoonddoorhuishoudensmetmiddeninkomensofhogeinkomens(Foto Bert Spiertz / Hollandse Hoogte)32TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2012ACHTERGRONDDOOR GELSKE VAN DAALEN, ANDR? VAN DENBERG, PETER KEE EN JAN DE HAAN,CENTRAAL BUREAU VOOR DE STATISTIEKHet is niet voor het eerst datscheefwonen op de agenda staat.In de jaren tachtig en negentigwerd de discussie ook al gevoerd.De afgelopen tien jaar was erminder aandacht voor scheefheid. Sinds 2002was er geen officieel rijksbeleid meer omscheefwonen tegen te gaan1. Steeds meerwoningcorporaties hanteerden geen inko-mensregels bij de toewijzing van sociale huur-woningen. Uit onderzoek van bureauVannimwegen onder een deel van de woning-corporaties komt naar voren dat 45 procentvan de onderzochte corporaties in 2010 geenmaximum inkomenseisen hanteerde2. Maar deafgelopen jaren is de discussie over scheefwo-nen weer actueel geworden. In het beleid staantwee elementen centraal: bevorderen van hetdoelmatig gebruik van de goedkope woning-voorraad en tegengaan van oneerlijke concur-rentie door de sociale huursector ten opzichtevan de particuliere huursector.Het eerste element, bevorderen van de doelma-tigheid van de sociale huursector, wordt in hethuidige regeerakkoord als volgt verwoord3):"De sociale huursector wordt meer toegespitstop degenen die geen alternatieven hebben."en "De toewijzing van sociale huurwoningenwordt stapsgewijze beperkt tot lagere inko-mensgroepen." Naast de beperking bij detoewijzing wordt in het regeerakkoord ookaangekondigd zittende bewoners van een soci-ale huurwoning met een inkomen vanaf 43.000 via een extra huurverhoging te stimu-leren om de sociale huursector te verlaten. Inde woonvisie van het kabinet wordt aangekon-digd dat deze maatregel per 1 juli 2012 wordtingevoerd4.Het tweede element in de discussie overscheefwonen, het bevorderen van eerlijke con-currentie, is van recenter datum en is afkom-stig van de Europese Commissie (EC). Omdatwoningcorporaties staatssteun kunnen ont-vangen, is volgens de EC sprake van oneerlijkeconcurrentie met de marktsector. De bezwarenvan de EC hebben inmiddels geleid tot debekende 90% regel waarmee de toewijzing vansociale huurwoningen aan huishoudens meteen inkomen vanaf 33.000 wordt beperkt.Scheefwonen wordt in de algemene discus-sie niet uitsluitend als negatief verschijnselbenaderd. Als positief bijeffect van scheef-wonen wordt het verminderen van segregatiegenoemd. Veel sociale huurwoningen staangeconcentreerd in een aantal buurten in eengemeente. Bij een strikt toewijzingsbeleid opinkomen geeft dit al snel een concentratie vanhuishoudens met een laag inkomen. Als eendeel van de goedkope woningen wel wordttoegewezen aan huishoudens met een hogerinkomen ontstaat er meer menging. Dit ar-gument lijkt in de huidige discussie naar deachtergrond verdwenen.Dure en goedkope scheefheidIn de discussie over scheefwonen wordt somsonderscheid gemaakt tussen "dure scheefheid" en"goedkope scheefheid". Bij goedkope scheefheidwonen huishoudens met een hoog inkomen in eengoedkope woning en bij dure scheefheid is het juistomgekeerd: huishoudens met een laag inkomendie in een dure woning wonen. Dure scheefheidkan betaalbaarheidsproblemen veroorzaken enkan als gevolg hebben dat de huurtoeslaguitgaventoenemen. De grenzen van hoog en laag inkomenen dure en goedkope woning kunnen nog wel eensverschillen tussen de diverse beleidsvarianten enonderzoeken. In de huidige discussie over scheef-wonen gaat het bijna exclusief over "goedkopescheefheid".Over de omvang van de groep huurders die alsscheefwoner is te typeren, zijn verschillendecijfers in omloop. Dit heeft te maken met ver-schillen in definities en bronnen die wordengebruikt. In de huidige discussie gaat het bijnaaltijd om de sociale huurwoningen. Dit zijnwoningen in bezit van een woningcorporatiemet een huur tot de maximale huurtoeslag-grens (nu 652,52). In het recente advies vande VROM-raad komt men op basis van hetWoON-onderzoek 2009 uit op bijna 700 dui-zend huishoudens met een inkomen boven de 33.000 grens die in een gereguleerde socialehuurwoning wonen5. Dit zou betekenen dat31 procent van de huurders van een socialehuurwoning getypeerd kan worden als scheef-woner. Als wordt gekeken naar huishoudensmet een inkomen boven de 43.000 grens dangaat het volgens het VROM-raad onderzoekom 18 procent van de huurders in een socialehuurwoning.Eerdere berekeningen van het ministerie vanVROM op basis van WoON 2006 en het WBO2002 komen uit op 20 en 26 procent van dehuishoudens in de gereguleerde huurwoning-voorraad die scheefwonen1. Hier wordt als in-komensgrens niet de 33.000 grens gehanteerdmaar de voormalige ziekenfondsgrens. Dezegrens is hoger ( 33.000 in 2005), waardoor hetaandeel scheefwoners lager is.Het CBS heeft dit jaar nieuwe cijfers samen-gesteld over het woningbezit van woningcor-poraties. Het betreft een detaillering van hetal bestaande onderscheid in koopwoningenen huurwoningen. Om het fenomeen van hetscheefwonen volledig in kaart te brengen,zouden de nieuwe gegevens gecombineerdmoeten worden met huurgegevens. Dat is opdit moment nog niet mogelijk. Daarom is hetbestand met het woningbezit van woningcor-poraties gecombineerd met het inkomen vande bewoners van corporatiewoningen. Cor-poratiewoningen zijn voor het overgrote deel(98%)6sociale huurwoningen, dat wil zeggenwoningen met een huur beneden de huur-toeslaggrens ( 631,73 in 2008/2009). Door dekoppeling met het inkomen7wordt duidelijk inhoeverre huishoudens met middeninkomensBelastbaar inkomen (2008) huishoudens corporatiewoningen14121086420inkomen (x d 1000)huishoudens00-2,52,5-55-7,57,5-1010-12,512,5-1515-17,517,5-2020-22,522,5-2525-27,527,5-3030-32,532,5-3535-37,537,5-4040-42,542,5-4545-47,547,5-5050-52,552,5-5555-57,557,5-6060TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2012ACHTERGROND 33en hoge inkomens in corporatiewoningenwonen. Zodoende kan toch inzicht gegevenworden in de mate van scheefwonen.De grafiek toont de inkomensverdeling vande huishoudens die een corporatiewoningbewonen. De blauwe lijnen in de grafiek gevende 33.000 grens en 43.000 grens aan. Watopvalt, is dat bijna een derde van de huishou-dens een inkomen heeft tussen de 12.500 en 20.000. In de grafiek zijn ook huishoudenszichtbaar met een negatief inkomen; dit be-treft vooral de verliezen van zelfstandigen.Om een beeld te krijgen van het aantalscheefwoners zijn we uitgegaan van de eerdergenoemde 33.000 en 43.000 grens. Omdatwe de huishoudinkomens van het jaar 2008gebruiken, hebben we de 33.000 en 43.000grens teruggelegd met behulp van een indexvan het ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties (BZK). Deze index wordtdoor BZK alleen gebruikt voor het jaarlijksaanpassen van de 33.000 grens. Het is nogniet bekend volgens welke indexering de 43.000 grens jaarlijks zal worden aangepast. Indit artikel zijn we uitgegaan van dezelfde in-dexering. De EC-grens van 33.000 geldt voor2010. Als we het in de resultaten hierna hebbenover de 33.000 en 43.000 grens, dan is datop basis van de teruggelegde grensbedragenvoor 20088.Voor 627 duizend huishoudens die een corpo-ratiewoning huren (28 procent) geldt dat ze eeninkomen hebben boven de EC-grens( 33.000). Dit zijn volgens de huidige definitiebijna allemaal scheefwoners. Voor een kleindeel van deze bewoners zal gelden dat ze welin een corporatiewoning wonen, maar nietin een sociale huurwoning. Zoals hiervoor isaangegeven heeft minder dan 2 procent vande corporatiewoningen een huur boven dehuurtoeslaggrens. Als de inkomensgrens van 43.000 wordt gehanteerd, geldt voor 348.000huishoudens (16 procent) dat ze boven de grenszitten. Dat betekent dat ongeveer 1 op de 6huurders van een corporatiewoning volgendjaar te maken kan krijgen met een extra huur-verhoging.Ter vergelijking: bij de overige huursector ishet aandeel huishoudens met een inkomen bo-ven de EC-grens aanzienlijk groter, namelijk 46procent (en in de koopsector zelfs 77 procent).Voor de 43.000 grens bedraagt het aandeelin de overige huursector 34 procent (en in dekoopsector 64 procent).Er bestaan duidelijke regionale verschillen inhet aandeel corporatiewoningen dat wordtbewoond door huishoudens met een inkomenvanaf 33.000. In de Randstad zijn er veelgemeenten waar dit aandeel ruim boven hetgemiddelde ligt. Opvallend genoeg zijn ditniet de vier grote steden; daar ligt het aandeelrond het landelijk gemiddelde. Het zijn vooralde kleinere gemeenten in de nabijheid van ??nvan de vier grote steden die een bovengemid-deld aandeel scheefwoners kennen. RondAmsterdam zijn dat gemeenten zoals Ouder-Amstel, Aalsmeer en Oostzaan, bij Rotterdamonder andere de gemeenten Nieuw-Lekker-land, Liesveld, Albrandswaard en Brielle, bijDen Haag Midden-Delftland en bij UtrechtLoenen en Abcoude. Het aandeel corporatie-woningen in deze gemeenten is niet opvallendlaag; het ligt bijna altijd rond het landelijkgemiddelde of iets daaronder. Wat wel opvalt,is dat er relatief gezien, weinig huishoudensmet een laag inkomen in deze gemeentenwonen. Het aandeel huishoudens met een laaginkomen ligt minimaal 10 procent onder hetlandelijk gemiddelde.De gemeenten in het Groene Hart springeneruit. Bijna al deze gemeenten hebben eenhoog aandeel scheefwoners. Dat geldt ook vooreen cluster van gemeenten op de Veluwe (waar-onder Elburg en Putten). Bijna alle gemeentenin de hoogste klasse (35 t/m 48 procent) zijnkleine en middelgrote gemeenten met minderdan 50.000 inwoners. Het zijn veelal landelijkgelegen gemeenten met een geringe stedelijk-heid (omgevingsadressendichtheid).De corporatiewoningen zijn vooral te vindenin de grote steden. Van alle corporatiewonin-gen in Nederland staat 20 procent in ??n van devier grote steden: Amsterdam, Rotterdam, DenHaag en Utrecht. In de grote steden wonen ookAchtergrond CBS cijfersHet bestand Woningbezit Woningcorporaties is ontwikkeld door koppeling van het Woningregister van hetCBS met de WOZ-registratie en met gegevens van het Kadaster en van de gemeenten. Alleen woningendie ook in het Woningregister staan, zijn opgenomen in het bestand. Het Woningregister is in 1992 ontstaanop basis van de administratieve woningtelling en wordt jaarlijks geactualiseerd. De koppeling met de WOZ-registratie was vooral belangrijk om onderscheid te kunnen maken tussen koop- en huurwoningen. Hierbijis als uitgangspunt genomen dat een woning een koopwoning is als ??n van de bewoners de eigenaar is eneen huurwoning als geen enkele bewoner de eigenaar is. Om het onderscheid te maken tussen een corpo-ratiewoning en een particuliere huurwoning, is van alle huurwoningen vastgesteld wie de eigenaar is. Deelskon dit door een koppeling met het Algemeen Bedrijven Register van het CBS. Daarnaast is gebruik gemaaktvan andere gegevens, zoals van de corporaties zelf en van gemeentelijke woningbedrijven. Niet ieder adres inhet bestand Woningbezit Woningcorporaties is een woning. Voor onze analyse selecteren we alleen "echte"woningen. Andere adressen met bijvoorbeeld recreatiewoningen, zorgcentra of woonruimten die deels wor-den gebruikt als bedrijf, zijn in deze analyse niet meegenomen. Ook gaat het alleen om bewoonde woningen.Onbewoonde woningen vallen door de koppeling met het belastbaar inkomen buiten het onderzoek. Bij hetbelastbaar inkomen telt het inkomen van alle huishoudleden mee behalve het inkomen van thuiswonendekinderen. Dit sluit aan bij de inkomenstoetsing die wordt gehanteerd bij toewijzing van een sociale huurwoningdoor een corporatie.Huishoudens in een corporatiewoning waarbij het inkomen bekend isGemeente Totaal Belastbaar inkomen Belastbaar inkomen 33.000* 43.000*Amsterdam 165 duizend 29 % 17 %Rotterdam 139 duizend 26 % 16 %Den Haag 81 duizend 25 % 14 %Utrecht 48 duizend 31 % 18 %Nederland 2,2 miljoen 28 % 16 %Tabel 1 Bewoners corporatiewoningen naar belastbaar inkomen (2008)*Grensbedragen teruggelegd naar 2008.1 op de 6 huurders van een corporatiewoning kan volgend jaar temaken krijgen met een extra huurverhoging34TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2012ACHTERGRONDrelatief veel huishoudens met een laag inko-men. Dit geldt voor Amsterdam en Rotterdamnog wat sterker dan voor de andere twee ste-den. Het aandeel scheefwoners in deze stedenligt rond het Nederlands gemiddelde. Dit geeftals uitkomst dat 19 procent van de scheefwo-ners in ??n van de vier grote steden woont. Hetabsolute aantal is met ruim 48.000 het grootstin Amsterdam, gevolgd door Rotterdam metruim 36.000.In het noorden van het land is het aandeelscheefwoners een stuk lager. Ook in Zeeuws-Vlaanderen en Midden-Limburg ligt het aan-deel scheefwoners onder het landelijk gemid-delde. Hier wonen relatief veel huishoudensmet een inkomen onder de EC-grens in eenkoopwoning. In de meeste gemeenten in Fries-land, Groningen en Drenthe zou een kwart totbijna de helft van de huishoudens die in eenkoopwoning woont, gezien hun inkomen ookin aanmerking komen voor een sociale huur-woning. E?n van de factoren die een rol speeltbij het feit dat deze huishoudens toch in eenkoopwoning wonen, is ongetwijfeld de relatieflage huizenprijs in deze regio's.Als we uitgaan van de grens voor de extrahuurverhoging van 43.000, dan is het beeldgrotendeels hetzelfde als bij de EC-grens van 33.000. De kleinere gemeenten in de Randstadkomen nog iets nadrukkelijker in beeld. Ookwordt een lint van gemeenten zichtbaar vanZuid-Holland naar de Veluwe die deels samen-valt met wat wel de `bible belt' wordt genoemd.Ook hier gaat het weer vooral om kleinere,weinig stedelijke gemeenten. Er zijn slechtstwee grote gemeenten (> 50.000 inwoners)waar meer dan een kwart van de bewoners vancorporatiewoningen een inkomen hoger dan 43.000 heeft: Amstelveen en Haarlemmermeer.Door de concentratie van het corporatiebe-zit in de grote steden geldt ook bij de grensvan 43.000 dat een aanzienlijk deel van dehuishoudens met een inkomen boven dezegrens in een corporatiewoning, in ??n van devier grote steden woont. In totaal gaat het ombijna 71.000 huishoudens. In Amsterdam zijnhet bijna 29.000 en in Rotterdam bijna 22.000huishoudens.CONCLUSIEOp basis van de nieuwe CBS-cijfers is hetaandeel bewoners van een corporatiewoningmet een middeninkomen of hoog inkomen tebepalen. Uitgaande van de (teruggelegde) 33.000 grens van de EC bedraagt het aandeelscheefwoners in 2008 28 procent. De kant-tekening hierbij is dat een klein deel van decorporatiewoningen geen sociale huurwoningis. Deze woningen zijn nu nog niet uit hetcorporatiebestand te filteren.Er zijn duidelijk regionale patronen zichtbaar.In Groningen, Friesland, Drenthe, Midden-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen is het aandeelAandeel huishoudens in een corporatiewoning met een inkomen vanaf 33 duizend (2008) Aandeel huishoudens in een corporatiewoning met een inkomen vanaf 43 duizend (2008)Het absolute aantal scheefwoners is het grootst in de vier grotegemeenten en dan vooral in Amsterdam en RotterdamTIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2012ACHTERGROND 35scheefwoners in bijna alle gemeenten relatieflaag. In de Randstad en dan vooral in hetGroene Hart zijn er juist veel gemeenten waareen relatief groot deel van de corporatiewo-ningen wordt bewoond door huishoudens metmiddeninkomens of hoge inkomens. Dit geldtechter niet voor de grote steden. Wel is hetabsolute aantal scheefwoners het grootst in devier grote gemeenten en dan vooral in Amster-dam en Rotterdam. Het zijn vooral de kleinere,weinig stedelijke gemeenten waar relatief veelhuishoudens scheefwonen.In dit artikel hebben we de verklaring voor deregionale verschillen in het aandeel `scheef-woners' niet onderzocht. De hoogte van dehuizenprijzen, en daarmee de toegang tot dekoopsector voor een brede groep huishoudens,lijkt een voor de hand liggende factor. Daar-naast zullen ook andere factoren een rol spelen.De verhouding tussen het aandeel corporatie-woningen en het aandeel huishoudens met eenlaag inkomen zal vermoedelijk invloed hebbenop de druk op de corporatiesector. Maar ookhet wel of niet hanteren van inkomenscriteriabij de toewijzing van corporatiewoningen inde afgelopen jaren en de lokale kwaliteit vande corporatiewoningen kan een rol hebbengespeeld in het ontstaan van de regionaleverschillen.De huishoudens die met de nieuwe EC-regelals `scheefwoner' worden getypeerd, kunnenblijven wonen in hun corporatiewoning, maarals ze willen verhuizen, dan zullen de meestevan hen niet meer aanmerking komen voor eensociale huurwoning. Deze huishoudens moe-ten dan uitwijken naar een duurdere (particu-liere) huurwoning of naar een koopwoning. Devraag is of dat voor deze groep een betaalbaaren aantrekkelijk alternatief is. Dit zal regionaalverschillen, afhankelijk van de beschikbaar-heid en betaalbaarheid van koopwoningen enduurdere huurwoningen.Het kabinet heeft het voornemen om huis-houden in een sociale huurwoningen met eeninkomen vanaf 43.000 extra huurverhogingte laten betalen. Als die plannen inderdaad vol-gend jaar worden ingevoerd, dan kan ongeveer1 op de 6 huishoudens in een corporatiewoning(16 procent) volgend jaar hiermee te makenkrijgen. Met deze jaarlijkse extra huurverho-ging wil het kabinet stimuleren dat deze groepbewoners hun goedkope huurwoning inruiltvoor een duurdere huurwoning of een koop-woning.Door de nieuwe cijfers over het corporatiebezitte combineren met de inkomensgegevens vande Belastingdienst kan vanaf nu jaarlijks deontwikkeling worden gevolgd. Komende jarenzal dan zichtbaar worden of het kabinetsbeleiden de nieuwe EC-regels voor een veranderingin de corporatiesector zorgen. Door deze gege-vens verder uit te breiden met kenmerken vande bewoners, zoals leeftijd of huishoudsamen-stelling, of met kenmerken van de woning, zalhet beeld verder kunnen worden ingekleurd.Noten1 Huurbeleid, Brief van de Minister van Wonen,Wijken en Integratie, Den Haag 14 april 2009.2 Bureau Vannimwegen 2010, Nieuwe Europese toe-wijzingsregels versus huidige toewijzingspraktijk bijwoningcorporaties. Amsterdam.3 Vrijheid en verantwoordelijkheid, RegeerakkoordVVD-CDA.4 Toelichting bij kamerbrief Woonvisie, Ministerie BZK,1 juli 2011.5 Open deuren, dichte deuren, Middeninkomens op dewoningmarkt. RLG/Raad VenW/VROM-raad, juni2011.6 Volgens informatie van het Centraal FondsVolkshuisvesting (CFV) bestond de totale woning-voorraad van corporaties eind 2008 voor slechts 1,7procent uit woningen met een huurprijs boven desociale huurgrens.7 Definitief belastbaar inkomen van het huishouden opbasis van gegevens van de belastingdienst over hetjaar 2008.8 De teruglegging resulteert in een grensbedrag vand 30.994 voor 2008. Op dezelfde manier is ook ded 43.000 grens voor extra huurverhoging terugge-legd. Dit geeft een grensbedrag van d 40.387 voor2008.
Reacties