46TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ONDERZOEKSDOSSIERSOCIALESAMENHANGIN DE BUURTLEIDT TOTMINDEROVERLASTHet ontstaan van problemen in buurten is eenfenomeen dat veel politici, beleidsmakers enbewoners bezighoudt. Hoge bedragen wordenbesteed aan het verbeteren van de leefbaarheidin de buurt en het tegengaan van overlast,waarbij de afgelopen jaren steeds meer wordtingezet op het stimuleren van de socialesamenhang. Dit roept de vraag op welke factorendaadwerkelijk het ontstaan van problemen in debuurt bepalen en in hoeverre de socialesamenhang in de buurt hierbij een rol speelt.Het stimuleren van buurtcontacten kan onder andere doorfestivals en buurtbarbecues, maar voldoende is de ontmoetingvan bewoners op jaarlijkse evenementen echter niet.(Foto: Sake Rijpkema / Hollandse Hoogte)TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ONDERZOEKSDOSSIER 4748TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ONDERZOEKSDOSSIERDOOR KIRSTEN VISSER UNIVERSITEIT UTRECHT,FACULTEIT GEOWETENSCHAPPEN1In veel Nederlandse buurten is er sprake van meerdere proble-men op het gebied van leefbaarheid, overlast, de fysieke staatvan de buurt en spanningen tussen bevolkingsgroepen die metelkaar verweven zijn. Het aanpakken van problemen in buurtenis dan ook een onderwerp dat hoog op de agenda staat van zowelde landelijke beleidsprogramma's als het afzonderlijk beleid van devier grote steden. In dit beleid wordt de laatste jaren een toenemendbelang toegedicht aan de betrokkenheid van bewoners met de buurt.Regelmatig komt de veronderstelling naar voren dat bewoners de nega-tieve ontwikkelingen in de buurt kunnen tegengaan door zich geza-menlijk in te zetten voor de leefbaarheid. In beleid uit dit zich vooral inbuurtprojecten die tot doel hebben de sociale samenhang te vergroten.Het vergroten van de sociale samenhang wordt gezien als een manierom een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid, veiligheid en ontwikke-ling van de buurt.Het doel van dit artikel is inzicht te verschaffen in het ontstaan vanproblemen in buurten door te onderzoeken welke factoren van invloedzijn op de mate van overlast die bewoners in de buurt ervaren enspecifiek op de rol van de sociale samenhang in de buurt.IN BUURTEN MET EEN LAGE SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS ZAL EENBEWONER OVER HET ALGEMEENMEER OVERLAST ERVARENLEEFBAARHEID IN BUURTENHet ontstaan van een concentratie van problemen in bepaalde buurtenis een onderwerp dat wetenschappers al decennia lang bezig houdt. Alin de jaren twintig van de vorige eeuw onderzochten wetenschappersvan de Chicago School het in verval raken van buurten. Oorspronkelijkwerd vooral de fysieke achteruitgang gezien als de belangrijkste redenvoor het ontstaan van problemen in de buurt en werd er uitgegaanvan een natuurlijk verouderingsproces. Ook in recenter onderzoekwordt een slechte fysieke structuur nog vaak gezien als een belangrijkeoorzaak. Zo stellen bijvoorbeeld Oscar Newman en Alice Coleman2dathet fysieke ontwerp van de buurt kan leiden tot normoverschrijdendgedrag, collectieve actie kan ontmoedigen en crimineel gedrag kanstimuleren. De meeste onderzoekers zijn het er echter over eens dat hetverval van de buurt niet alleen kan worden verklaard vanuit de fysiekestructuur. Het afglijden van een buurt is het gevolg van een complexecombinatie van zowel sociale, fysieke als economische vervalspiralen3.Het meest geciteerde buurtveranderingsmodel is waarschijnlijk datvan Grigsby en zijn collega's4. Centraal in dit model staat het procesvan `filtering': het idee dat een buurt in een proces van verval terechtkomt als gevolg van het vertrek van middenklasse huishoudens en deinstroom van huishoudens met een lagere sociaaleconomische status.In het model van Grigsby en collega's wordt vooral de nadruk gelegd opde verandering in het gemiddelde inkomen in de buurt. De uitstroomvan huishoudens met een midden of hoog inkomen en een instroomvan huishoudens met een laag inkomen wordt verondersteld te leidentot slechter onderhoud van de gebouwde omgeving, wat vervolgensweer een verdere uitstroom van huishoudens met midden- en hogeinkomens tot gevolg heeft. Het model van Grigsby en collega's werktdus als een vicieuze cirkel, wat zal leiden tot steeds verder verval vande buurt.SOCIALE SAMENHANGRecent is men zich er steeds meer van bewust geworden datbuurtverval niet alleen verklaard kan worden op basis van sociaal-economische en fysieke buurtkenmerken, maar dat ook de socialesamenhang in de buurt van belang is voor de leefbaarheid in de buurt.De term sociale samenhang wordt in veel contexten gebruikt, maarop buurtniveau gaat het er vooral om dat bewoners betrokken zijn bijhun medebewoners, zich verbonden voelen met de buurt en er sprakeis van onderlinge solidariteit. De sociale samenhang wordt ook welgezien als de lijm die de buurt bij elkaar houdt. Uit veel onderzoekblijkt dat er een positief verband bestaat tussen de mate van socialesamenhang in de buurt en de leefbaarheid en veiligheid in de buurt5.Zo tonen Sampson en collega's6bijvoorbeeld aan dat de combinatievan onderling vertrouwen, solidariteit en de wil van burgers om inte grijpen een positieve invloed heeft op de leefbaarheid in buurten.Ook in de Nederlandse context is aangetoond dat verbondenheid metde buurt van groot belang is voor het actief inzetten voor de buurt envervolgens voor de leefbaarheid in de buurt7.DATA EN METHODEIn dit onderzoek is er gebruik gemaakt van twee datasets, namelijkde inwonersenqu?te van de gemeente Utrecht (individueel niveau)en de buurtmonitor van de gemeente Utrecht (buurtniveau). Uitde inwonersenqu?te is een aantal indicatoren gehaald voor demate van overlast in de buurt, namelijk de ervaren overlast vanjongeren, omwonenden en drugsgebruikers, vernieling, vervuilingen bekladding. Deze variabelen zijn samengenomen in ??n variabeledie de mate van ervaren overlast in de buurt meet (Cronbachs alfa= 0,756). Tevens bevat de inwonersenqu?te indicatoren die ietszeggen over de sociale samenhang die bewoners ervaren (zie box 1).Deze variabelen zijn samengevoegd tot ??n samengestelde maat diede opvattingen over de sociale samenhang in de buurt meet. Eenbetrouwbaarheidsanalyse laat zien dat deze maat een Cronbachsalfa heeft van 0,876. Er kan dus geconcludeerd worden dat de vijfvariabelen samen een relatief hoge interne consistentie hebben.Box 1 De verschillende componenten van sociale samenhangDe samengestelde maat van sociale samenhang bestaat uit de gemiddelde score op devolgende stellingen (1=zeer mee oneens, 5=zeer mee eens):? De mensen in deze buurt gaan op een prettige manier met elkaar om? De mensen in deze buurt blijven hier graag wonen? Ik woon in een gezellige buurt waar de mensen veel met elkaar omgaan? Ik voel me prettig bij de mensen die in deze buurt wonen? De mensen in deze buurt kennen elkaar niet zo goed8Hiernaast zijn uit de buurtmonitor de fysieke en sociale kenmerkenvan de buurt gehaald die mogelijk invloed hebben op de mate vanervaren overlast in de buurt. Voor de multivariate analyses is doormiddel van een factoranalyse het aantal variabelen teruggebracht49TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ONDERZOEKSDOSSIERvan twaalf naar drie (tabel 1)9. De eerste factor beschrijft de sociaal-economische samenstelling van de buurt. Deze factor meet de matewaarin er veel huishoudens met een lage sociaal-economische statusin de buurt wonen in termen van inkomen, arbeidsparticipatie enopleidingsniveau. Dit hangt sterk samen met het aandeel socialehuurwoningen en het aandeel allochtonen. De tweede factor is degezinsfactor. Deze factor meet de mate waarin er gezinnen in de buurtwonen en er een hoog aandeel eengezinswoningen in een buurt is. Dederde factor beschrijft de woningvoorraad. Deze factor hangt samenmet het aandeel flats en het aandeel woningen gebouwd in de periode1960-1980.Om na te gaan in hoeverre de fysieke en sociale buurtkenmerken ende sociale samenhang invloed hebben op de mate van ervaren overlastin de buurt, boven op de invloed van de individuele kenmerken vande bewoners, zijn de gegevens geanalyseerd door middel van eenmultilevelmodel. In dit model is de mate van overlast die ervaren wordtdoor de individuele bewoners van Utrechtse buurten de afhankelijkevariabele. Een multilevelmodel biedt de mogelijkheid om tegelijkertijdinzicht te verschaffen in zowel de effecten van buurtkenmerken als vanindividuele kenmerken op de mate van ervaren overlast.Tabel 1 Geroteerde factormatrix met buurtkenmerken (Principale-componentenanalyse)Factor 1 2 3Gemiddeld huishoudensinkomen -,808Percentage werkzoekenden ,908Percentage laagopgeleiden ,788 ,407Percentage niet-westerse allochtonen ,729 ,441Percentage alleenstaanden -,977Percentage paar met kinderen ,958Percentage eengezinswoningen ,705 -,547Percentage flats ,852Percentage sociale huurwoningen ,921Percentage koopwoningen -,879Percentage woningen van voor 1905 -,561 -,479Percentage woningen 1960-1980 ,791Eigenwaarden 5,95 3,09 1,09Rotatie methode: Varimax met Kaiser Normalisatie - Verklaarde variantie = 84.4%Alleen factorladingen > 0.4 zijn weergegegevenBron: Buurtmonitor Gemeente UtrechtBEVINDINGENDe centrale vraag in dit hoofdstuk is in hoeverre de fysieke en socialekenmerken van de buurt en de individuele kenmerken van de bewonersinvloed hebben op de mate waarin bewoners van Utrecht overlastervaren in hun buurt en in hoeverre de sociale samenhang in de buurthierbij een rol speelt.In tabel 2 kan worden afgelezen dat zowel individuele alsbuurtkenmerken een belangrijke invloed hebben op de mate vanervaren overlast. De `interclass correlation co?ffici?nt' (ICC) geeftaan dat 21,7 procent van de variantie in de ervaren overlast potentieelkan worden gerelateerd aan verschillen tussen de buurten. Dit is eenredelijk hoog percentage voor een multilevelmodel, wat betekent datbuurtkenmerken potentieel een grote rol spelen in de verklaring vande mate van ervaren overlast. De overige 78,3 procent van de variantieis te vinden op individueel niveau. In het model kan echter slechts 1,2procent van de verschillen tussen individuen in de mate van ervarenoverlast verklaard worden door individuele kenmerken. De verschillentussen buurten wordt beter verklaard in het model. In een model metalleen de individuele kenmerken wordt de variantie tussen buurtenal verklaard voor 10,3 procent. Dit betekent dat de samenstelling vande buurt al een deel van het verschil in de mate van ervaren overlasttussen buurten kan verklaren. Uit de verdere analyses (tabel 3) blijktdat bewoners met een gezin, met een westerse achtergrond, meteen koopwoning en die in een flat of appartement wonen over hetalgemeen meer overlast ervaren, ongeacht in wat voor buurt ze wonen.Het grootste deel van het verschil tussen buurten in de mate vanervaren overlast heeft echter te maken met de mate van socialesamenhang en de kenmerken van de buurten zelf. Na opname van devariabele voor sociale samenhang stijgt de verklaarde variantie tussenbuurten naar 31 procent en na het toevoegen van de buurtkenmerkenstijgt deze zelfs tot bijna 70 procent.Tabel 2 Verklaarde variantie tussen individuen en tussen buurten (% verklaard t.o.v. hetinterceptmodel)Verklaarde variantie Verklaarde variantietussen individuen tussen buurtenIndividuele kenmerken 1,2% 10,3%+ tevredenheid 5,1% 22,3%+ sociale samenhang 12,8% 31,0%+ buurtkenmerken - 69,4%ICC 0,217Bron: Inwonersenqu?te Gemeente Utrecht, Buurtmonitor Gemeente UtrechtGezien de bijdrage van buurtkenmerken is het interessant aandachtte besteden aan de relatieve invloed van de verschillende variabelen(tabel 3). Het blijkt dat vooral de sociaal-economische samenstellingvan de buurt sterk van belang is. In buurten met een lage sociaal-economische status zal een bewoner over het algemeen meer overlastervaren, ongeacht de individuele en huishoudkenmerken van debewoner. Dit belang van de sociaal-economische status als oorzaakvan overlast in de buurt biedt een ondersteuning voor het model vanGrigsby en collega's, die vooral een laag gemiddeld inkomen in debuurt zien als reden voor een verminderde leefbaarheid. Opvallendis echter dat de verandering in het gemiddeld huishoudensinkomengeen significant effect heeft op de overlast in de buurt. Dit kan echterte maken hebben met het feit dat de verandering in het inkomenslechts over een relatief korte periode gemeten is10. Op basis vanbestaande buurtvervaltheorie?n ? zoals die van Grigsby en collega's- kan verwacht worden dat op langere termijn een daling van hethuishoudensinkomen in de buurt wel meer overlast tot gevolg heeft.Hiernaast heeft de huishoudenssamenstelling een interessanteinvloed op de mate van ervaren overlast in de buurt. Zoals hierbovenal aangegeven is het op individueel niveau het geval dat bewoners meteen gezin meer overlast ervaren. Op buurtniveau blijkt echter dat inbuurten met veel gezinnen de bewoners minder overlast ervaren. Ditbetekent dat zowel voor bewoners met kinderen als bewoners zonderkinderen het wonen in een buurt met veel gezinnen positief uitpakt.Tevens is aangetoond dat op buurtniveau de samenstelling van dewoningvoorraad niet van invloed is op de mate van ervaren overlast in de50TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ACHTERGRONDbuurt. Echter uit de analyses op individueel niveau blijkt dat het bewonenvan een flat of appartement wel positief samenhangt met de mate vanervaren overlast. Dit betekent dat bewoners van een flat of appartementmeer overlast ervaren dan bewoners van eengezinswoningen, maardat het hierbij niet uitmaakt in wat voor buurt ze wonen. In anderewoorden, bewoners van een flat in een buurt met veel flats zullen overhet algemeen niet meer overlast ervaren dan bewoners van een flat ineen buurt met minder flats. Op basis van bovenstaande bevindingenkan worden gesteld dat fysieke kenmerken deels van invloed zijn op deleefbaarheid in de buurt maar niet zo'n belangrijke rol spelen als in veelwetenschappelijke literatuur wordt aangenomen. Hoewel in een modelvoor het verklaren van overlast in de buurt de fysieke buurtkenmerkenniet mogen ontbreken, blijkt uit dit onderzoek dat op buurtniveausociaal-economische aspecten een belangrijkere rol spelen. Dit betekentechter niet dat de fysieke oorzaken van verval volledig moeten wordenontkend. Op individueel niveau spelen deze kenmerken namelijk nog weleen rol. De theorie?n van Newman en Coleman zijn dus voor een deel welvan toepassing op de Nederlandse situatie, maar leggen te veel nadruk opalleen de fysieke aspecten.Tot slot komt uit de analyses naar voren dat de nadruk die in hetbeleid van veel grote steden gelegd wordt op de sociale samenhangin de buurt niet onterecht is. Het blijkt namelijk dat de mate vansociale samenhang in de buurt van groot belang is voor de mate vanoverlast die bewoners ervaren. In het model vormt de mate van socialesamenhang de belangrijkste verklarende factor. Er kan dus wordengesteld dat in buurten waar veel bewoners zich verbonden voelen metde buurt en met de medebewoners er minder overlast wordt ervaren.Deze bevindingen vormen zowel een ondersteuning voor het huidigebeleid gericht op het stimuleren van sociale samenhang in de buurt,als een onderbouwing voor de wetenschappelijke theorie?n die hetbelang van sociale samenhang benadrukken.51TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ACHTERGRONDCONCLUSIE EN DISCUSSIEIn dit onderzoek is door middel van multilevelanalyses onderzochtwelke individuele en buurtkenmerken de mate van ervaren overlastin de buurt bepalen en in hoeverre de sociale samenhang in de buurthierbij een rol speelt.Wanneer we kijken naar de oorzaken van de mate van ervarenoverlast in de buurt kan worden geconcludeerd dat zowel individuelekenmerken als buurtkenmerken een rol spelen. Er kan dus wordengesteld dat de variantie tussen buurten in de mate van ervaren overlastniet alleen verklaard kan worden door verschillen in de individuelekenmerken van de bewoners, maar dat vooral sociaal-economischebuurtkenmerken nog een additioneel effect hebben.De tweede conclusie die uit dit onderzoek naar voren komt is dat demate van sociale samenhang de belangrijkste verklaring vormt voor demate van overlast die bewoners ervaren. Als bewoners zich verbondenvoelen met de buurt dan zal dit leiden tot minder ervaren overlast.Deze twee bevindingen hebben belangrijke implicaties voor hethuidige beleid gericht op het verbeteren van de leefbaarheid inbuurten. Het feit dat sociaal-economische buurtkenmerken eenbelangrijke invloed hebben op de mate van ervaren overlast, zoueen argument kunnen vormen voor het stimuleren van een socialemix. Door het veranderen van de samenstelling van de buurt ? opzowel fysiek als sociaal-economisch gebied - kan een buurt weer eenminimaal niveau van leefbaarheid krijgen. Er is in echter een aantalkanttekeningen te plaatsen bij dit beleid. Ten eerste zijn de effectenop de individuele bewoners nog niet duidelijk. Vaak komt het voor datstedelijke herstructurering een negatief effect heeft op huishoudens,wanneer dit bijvoorbeeld leidt tot gedwongen verhuizing envervolgens tot hogere woonlasten en het verlies van sociale contacten.Het verval van een buurt is niet alleen te verklaren uit de fysieke structuur.Op de foto Amsterdam-Zuidoost.(Foto: David Rozing / Hollandse Hoogte)Tabel 3 Multilevel regressieanalyse mate van ervaren overlastOnafhankelijke variabelenConstante 2,082 ***Individuele kenmerkenVrouw (ref = man) -0,007Leeftijd 0,001Kinderen in huishouden (ref = nee) 0,140 ***Niet-westerse etniciteit (ref = nee) -0,102 **Opleidingsniveau (ref = laag)Opleiding middelbaar -0,027Opleiding hoog -0,087 **Inkomen (ref = laag)Inkomen midden -0,023Inkomen hoog 0,018Inkomen "Zeg ik niet" 0,072Werkloos (ref = nee) -0,045Koper (ref = huurder) 0,100 ***Flat/appartement (ref = geen flat/appartement) 0,115 ***TevredenheidKinderspeelplaatsen 0,000Voorzieningen jongeren -0,003Voorzieningen ouderen 0,000Groen 0,000Eigen woning -0,106 ***Sociale samenhang -0,411 ***BuurtkenmerkenSociaal-economische samenstelling (aandeelhuishoudens met lage sociaaleconomische status) 0,225 ***Gezinsfactor (aandeel gezinnen / eengezinswoningen) -0,123 ***Samenstelling woningvoorraad (aandeel hoogbouw /bouwperiode 1960-1980) -0,018Ontwikkeling huishoudensinkomen 0,014Bron: Inwonersenqu?te Gemeente Utrecht, Buurtmonitor Gemeente Utrecht*** = p 0,01; ** = p 0,05; * = p 0,152TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 JANUARI 2011ONDERZOEKSDOSSIERTevens kan herstructurering in de ene buurt leiden tot verplaatsing vande problemen naar andere buurten: de zogeheten waterbedeffecten11.Hiernaast dient opgemerkt te worden dat in dit onderzoek debevolkingssamenstelling op buurtniveau gemeten is. In de context vanhet sociaal mixbeleid zou het echter ook interessant zijn te kijken naarlagere schaalniveaus12. Zo wordt bijvoorbeeld steeds vaker gepleit voorhomogeniteit op blok- of portiekniveau binnen heterogene buurten.Aangezien bewoners graag met mensen met een zelfde leefstijl wonen,zouden juist grote verschillen in normen en waarden binnen een blokof portiek kunnen leiden tot meer overlast.Hiernaast zou de bevinding dat bewoners in eengezinswoningenminder overlast ervaren dan bewoners van flats een ondersteuningkunnen vormen voor beleid gericht op het bouwen van meereengezinswoningen. De vraag is echter of de grotere overlast inflatwoningen daadwerkelijk te wijten is aan het type woning of dat ditmeer samenhangt met de slechte staat van veel flatwoningen, zoalsgehorigheid en slecht onderhouden trappenhuizen en portieken.Met andere woorden, er kan worden afgevraagd of ook bewoners vannieuwe flatcomplexen meer overlast ervaren. Tevens dient opgemerktte worden dat vanwege de groeiende bevolking in steden en hettoenemende ruimtegebruik per persoon het in de meeste gevallen niethaalbaar is om veel eengezinswoningen te bouwen.FAMILIARITEIT MAAKT DATBEWONERS ZICH THUIS VOELEN IN DEBUURT, WAT ZICH VERTAALT INMINDER ANONIMITEIT, MEERONDERLINGE HULPRELATIES EN EENPRETTIGER SOCIAAL KLIMAATHet aanpakken van de fysieke en sociale samenstelling van debuurt alleen is echter niet genoeg: beleid zou zich ook moetenrichten op de individuele bewoners. Mulder13stelt dat bewoners inachterstandsbuurten vaak meer zorgen hebben dan bewoners inbetere buurten. Het gaat dan om geldzorgen, psychische problemen,zorgen over de buurt waarin ze wonen en een zorgplicht ten opzichtevan familieleden. Deze draaglast gaat vaak samen met een tekort aandraagkracht ? in de vorm van zelfvertrouwen, sociale vaardigheden,gezondheid en intelligentie - om deze problemen op te lossen.Beleid moet zich daarom enerzijds richten op het vergroten van dedraagkracht van bewoners, door bijvoorbeeld betere scholing enwerk, en anderzijds op het verkleinen van de draaglast van bewonersin achterstandsbuurten. Dit kan bijvoorbeeld door middel vanschuldsanering, voedselbanken, hulp bij psychiatrische problemen enhulp voor mantelzorgers.Tot slot vormt het feit dat de sociale samenhang een belangrijkeinvloed heeft op de mate van overlast in de buurt een ondersteuningvoor beleid gericht op het stimuleren hiervan. Dit beleid zou zichvooral moeten richten op het bevorderen van contacten binnen debuurt, om zo de verbondenheid met de buurt te vergroten, te zorgenvoor onderlinge bekendheid en gedeelde belangen te ontwikkelen.Als bewoners weten bij wie ze in de buurt wonen, zullen er mindergevoelens van onveiligheid zijn en zullen bewoners elkaar eerderaanspreken op afwijkend gedrag. Het stimuleren van buurtcontactenkan onder andere door festivals en buurtbarbecues. De ontmoetingvan bewoners op jaarlijkse evenementen is echter niet voldoende. Hetis belangrijk dat er familiariteit is tussen bewoners, wat ontstaat alsbewoners elkaar op regelmatige basis tegenkomen. Familiariteit maaktdat bewoners zich thuis voelen in de buurt, wat zich vertaalt in minderanonimiteit, meer onderlinge hulprelaties en een prettiger sociaalklimaat14.Noten1 Dit artikel is geschreven naar aanleiding van de masterscriptie van KirstenVisser in het kader van haar afstuderen voor de master Stadsgeografie aan deUniversiteit Utrecht. Voor dit onderzoek heeft ze stage gelopen bijLaagland'advies.2 Newman, O. (1972) Defensible space. Crime prevention through urban design.New York: Macmillan; Coleman, A. (1985) Utopia on trial: vision and reality inplanned housing. London: Hillary Shipman.3 Zie bijvoorbeeld: Prak, N.L. en H. Priemus (1986), A model for the analysis of thedecline of postwar housing, International Journal of Urban and RegionalResearch, 10, p. 1-7.4 Grigsby, W., M. Baratz, G. Galster, en D. Maclennan (1987) The dynamics ofneighborhood change and decline, Progress in Planning, 28, p. 1-76.5 Zie bijvoorbeeld: Bursik, R. en H. Grasmick (1993) Neighbourhoods and crime:The dimensions of effective community control, New York: Lexington Books; Hart(red.), J. de, F. Knol, C. Maas-de Waal en T. Roes (2002) Zekere banden. Socialecohesie, leefbaarheid en veiligheid, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.6 Sampson, R.J., S.W. Raudenbush en F. Earls (1997) Neighbourhoods and violentcrime. A multilevel study of collective efficacy, Science, 277, p. 918-924;Sampson, R.J. en S.W. Raudenbush (2004) Seeing disorder: neighborhood stigmaand the social construction of `broken windows', Social Psychology Quarterly,67, p. 319-342.7 Zie bijvoorbeeld: Dekker, K.K. (2006), Governance as glue: Urban governanceand social cohesion in post-WWII neighbourhoods in the Netherlands. Utrecht:Faculteit Geowetenschappen.8 De antwoorden op deze variabele zijn andersom gecodeerd bij het berekenenvan de samengestelde maat.9 Deze keuze is gemaakt omdat er anders een multicollineariteitsprobleem zouontstaan.10 In de gebruikte dataset was slechts het gemiddeld huishoudensinkomen in deperiode 2003-2005 beschikbaar.11 Slob, A., G. Bolt en R. van Kempen (2008), Na de sloop. Waterbedeffecten vangebiedsgericht stedelijk beleid, Den Haag: Nicis Instituut.12 Dit was echter in dit onderzoek niet mogelijk gezien er in de gebruikte datasetsgeen gegevens beschikbaar waren op blok- of portiekniveau.13 Mulder, K. (2009), Buurtbewoners in balans, Den Haag: Ministerie van VROM/WWI.14 Kleinhans, R. (2007) `Net als kwartjes in een spaarvarken': de betekenis vansociaal kapitaal in geherstructureerde buurten, in: R. van Kempen en S. Musterd(red.), De Stadsbuurt: ontwikkeling en betekenis, Assen: Van Gorcum.
Reacties
m.c. cavanagh - Swove 10 september 2018 20:52
Graag zou ik het artikel willen lezen 'sociale samenhang in de buurt leidt tot minder overlast' Zou u mij dit artikel kunnen toe mailen. Alvast bedankt! Michelle