TIJDSCHRIFT VOOR RUIMTELIJKE ONTWIKKELING EN OMGEVINGSKWALITEIT 1996/2Stedebouw &Ruimtelijke OrdeningNederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (NIROV)Hoe herkentu vakbladen metonafhankelijkeredacties?Als het om de kwaliteit van onwaarschijnlijk positieveeen vakblad gaat, lopen de produkttest zou zo'n bladbelangen van lezers en ad- ?----- ^^^-^ ^^-^^ geloofwaardig- |verteerders parallel. U verlangt uiteraard een goed bereik held verliezen. En daarmee de belangstelling van deIvan uw doelgroep. En de lezers? Die verwachten van lezer. Als advertentiemedium heeft het dan totaal geenhun vakblad deskundige en betrouwbare informatie. waarde. Daarom is het ook voor u als adverteerder jI!Om hun vakkennis actueel te houden en op de hoogte uiterst gunstig wanneer redacties van vakbladen zich :Ite blijven van de laatste ontwikkelingen in hun branche. onafhankelijk opstellen en zich niet laten dicteren door |De lezer heeft totaal geen boodschap aan gekleurde grote reclamebudgetten. Hoe u zulke vakbladen her- Iinformatie. Met een eenzijdige bedrijfsreportage of een kent? Aan het logo van NOTUVAK. IHet vakblad. De motor van uw communicatie.Tekening Dummyi^ + 1 i^^ T E K EmillN I N G Vc' dfcuworkitedebouw & Ruimtelijke Ordening,'ocirhccn: SteJcbouw 8< Volkshuisvesting7e jaargang, iiummer 2, 1996slederlands institiiut voor RuimtelijkeDrdening en Volkshuisvesting (NIROV).:)pgericht in 1917.ledactier. J. Hrouwerr. Ik DekkerAr.A. Ch. Fortgens>rs. R. te Grotenhuis^r. Z. Hemel^w. dr. ir. M.A. de Lange)rs. ].]. Modderr. W. Rehng. KJ. de Ruiter^r W. Zonneveldtubredactie van dit themanummer:r. J. Brouwer3r. J. van Dinteren)rs. H. de Groene)rs. R. te (Trotenhuis)rs. l.A.M. Kadijk)rs. W'.H. Kkyn)rs. i.J. Modder)rs. j.M.dcVct.)r. W. Zonneveldledactiesecretariaat)rs. R. te Grotenhuis>$. l.A.M. KadijkN'IRO\''i);,lhus 30S33:500 GV Den Haagiezoekadres: Mr. D. Hudig-huis,.kun-iisk.ule 21, 2514 HD Den Haagek 070-346 96 52ax 070-361 74 22-mail: nirov(?'curonet.nlUchtlijnen voor auteursUiteiirs van artikclen enloekbesprekingen kunnen op hetedactiesecretariaat 'Richtlijnen voorLiteurs' aanvragen.Jitgeverij & AdvertentiesJIROV^ormgevingellc tie Gruyterirallsch Alelier Wageningen)ruk^ecnman Drukkers Wageningen*rijzenJIROV-leden ontvangen Stedeboiiw&tuimtelijke Ordening gratis. NIROV-itlniaatschap vanaf/I-^5,-iKsM' nummers /25,-"hcnianummers /30,-,osse nummers enbonnementenadministratie?JIKOV-Iw. I. Sleenhoff-Boogersuin deze uiigavc is de uiterste zorg?cstccd; \'0()f onvolledige/onjuisteiiloniKUic aanvaarden auteiir(,s), redactien iiiti;cver gcen aanspi-akelijkhcid, Voorcrhclering van onjuistheden lioudt zijich aanbevolen.SSN-1384-6531Stedebouw ^. *Ruimtelijke OrdeningInhoud3 Denkraam/./. Modder en W. ZonneveldArtikelen4 Ruimtelijke ordening en economie, samen op weg?J.B.M. Heijs, W.H. Kleyn, J.H. de Groene11 Op zoek naar het denkmodel achter de nota'Ruimte voor Regio's'H.J. van Houtum, F.W.M. Boekema, J.G. Lambooy18 Ruimtelijk ordenen van bedrijvigheid:overtuigingskracht gevraagdO.A.L.C. Atzema en E. Wever25 Balkanisering in conceptenland?P.P. Witsen en W. Zonneveld33 Infrastructuur en ruimtelijke economie:mythe, mirakel of missing link?].M. de Vet39 Landelijke gebeden en economische ontwikkeling:een netwerkbenaderingA.G.]. Dietvorst en H. Hetsen46 VakgenotenH. van der Cammen47 Schoorvoetend samenwerken:bedrijfsregio's als concept].H.]. van Dinteren, J.J.C. Adriaansen, D. Polman53 Twijfel aan maakbaarheid ruimtelijke economieRonde-tafelgesprek/. CUstersPublikaties57 Recensie58 SignalementenMededelingenNIROVIFHPPDDRPDHet NetwerkFoto omslag: C. Pennarts, HoUandse Hoogte, AmsterdamZuidvleugelkaartBij dit nummer van Stedebouw 8c Ruimtelijke Ordening is eenexemplaar van de Zuidvleugelkaart bijgesloten. De kaart biedt eenoverzicht van alle op dit moment bekende plannen voor deZuidvleugel van de Randstad tot 2015, en is bedoeld als 'eye-opener'en discussiestuk. Deze kaart is gemaakt onder auspicien van destichting De Nieuwe Kaart van Nederland, die is ondergebracht bijhet NIROV. Deze stichting zal op vergelijkbare wijze een kaart makenvoor het hele grondgebied van Nederland in 2005 op basis van deVINEX-convenanten, het Structuurschema Groene Ruimte en hetStructuurschema Verkeer en Vervoer II. Naar verwachting zal dekaart eind 1996 gereed zijn.Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 243rd IFHP World Congress 14-17 octoberl996 Sendai-NiyagiHabitation for the FutureConcepts, Processes, Products = Barrier-Free LivingHet thema van dit congres bestrijkt een spectrum van onderwerpen diealien gerelateerd zijn aan het overvv'innen van barrieres in de ruimtelijkeordening en volkshuisvesting in de meest brede zin. Fysieke barrieres maarook economische en sociaal-maatschappelijke.Er zijn plenaire sessies en parallel sessies, die onderwerpen behandelenzoals het creeren van een obstakelvrije stedelijke omgeving, openbaarvervoer en gebouwen. Maar ook obstakels bij de aanpassing van onsbouwen aan de eisen van duurzaamheid en milieu-vriendelijkheid, of bijde realisering van een veilige leefomgeving in de grote steden. Met namedit laatste onderwerp zal grote aandacht krijgen in de Habitat IItopconferentie in Istanbul in juni van dit jaar.Het congres in Sendai pakt de resultaten van Istanbul op en poogt dezeverder te brengen. De bevolkingsconcentraties in de mega-steden inontwikkelingslanden bijvoorbeeld leveren een ruimtelijk plannings-vraagstuk op dat vooralsnog stuit op obstakels van economische aard. Casestudies over Bangkok en Shanghai illustreren dit onderwerp. Zeer specialeaandacht zal worden besteed aan het ondergronds bouwen en de wijzewaarop in gebieden met hoge dichtheden hierdoor strategisch belangrijkeoplossingen kunnen worden gevonden. Ook komen markt-barrieres aan deorde zoals deze zich voordoen in de volkshuisvesting, met name vanwegede privatiseringstendens en de ontwikkelingen in Oost-Europa.Het thema voor de Call for Papers is:Barrier Free Living enHousing and Urban Planning.Voor meer informatie: raadpleeg de registratiebrochure.Aan het congress is een internationale Film en Video Competitieverbonden, de tiende die IFHP organiseert.Bijdragen over thema's als de relatie tussen huisvesting en planning,stedelijk en niet stedelijk leven, sociale- en milieuvraagstukken, enoplossingsrichtingen over duurzaamheid, kunnen worden ingezonden.De voorwaarden vindt u in de registratiebrochure van het congres.Pre- en Post Congress Tours:Kyoto/Tokyo/Sendai 10-13 oktoberTokyo/Sendai 11-13 oktoberKobe/Hiroshima/Sendai 10-13 oktoberSendai/Nikko/Tokyo 18-21 oktoberSendai/Tokyo/Kyoto 18-20 oktoberSendai/Kobe/Kyoto 18-20 oktoberInformatie:IFHPWassenaarseweg 432596 CG Den Haagtel 070-324 4557fax 070-328 2085Nederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening enVolkshuisvesting (NIROV)Conferentie 21 juni 1996Duurzame stedelijkeontwikkeling. Steden en hunagenda voor de 21e eeuwDe sectie Milieu en Ruimte van het NIROV organiseert met degemeente Dordrecht op 21 juni 1996 een conferentie over duurzamestedelijke ontikkeling. Op het programma staan:? state of the art in duurzame stedelijke ontwikkeling in een aantalEuropese steden? duurzame projecten in Nederland: ervaringen? gemeenten en hun Lokale Agenda 21? inventarisatie Nederlandse bijdrage aan de Second EuropeanConference on Sustainable Cities & Towns in Lissabon (oktober 1996).De conferentie wordt gehouden in de Kunstmin te Dordrecht. Dekosten bedragen /295,-.Voor meer informatie kunt u contact opnemen metmw. drs. M.Y. Wagter of mw. R. van der Burg van het NIROV,tel. 070-3469652.Nederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening enVolkshuisvesting (NIROV)Briefing 29 mei 1996Tweede Benelux StructuurschetsRuimte voor samenwerkingNIROV-Europlan organiseert m.m.v. de Rijksplanologische Dienst ende provincie Noord-Brabant op woensdagochtend 29 mei een briefingover de Tweede Benelux Structuurschets, waarvan het concept eindmaart is vrijgegeven.Naast bekende items bevat de Schets voor de Nederlandse ruimtelijkeordening een aantal nieuwe elementen. Het concept 'een noordzuid-keten van stedelijke netwerken' vraagt nadrukkelijke aandacht voor devervlechting tussen de Randstad en de Belgische stedelijke gebieden.Ook de benadering van het landelijke gebied biedt nieuwe perspectie-ven. In de nieuwe Schets neemt het begrip 'doorwerking' een belang-rijke plaats in. Hoofdvraag van de bijeenkomst is de vraag wat de meer-waarde van de Tweede Schets kan zijn voor de Nederlandse ruimtelijkeordening op verschillende schaalniveaus.Het congres vindt plaats in het Huis der Provincie van Noord-Brabant,'s-Hertogenbosch. Deelnameprijs is /195,- voor NIROV-leden, /295,-voor niet-leden. Informatie: NIROV, drs. E Evers, tel 070-3469652.Vastberaden, soepel maar met mate...De institutionele verhoudingen tussen de departementenvan VROM en EZ zijn sterk verbeterd. Tegelijkertijd lijken despanningsvelden op de kaart van de ruimtelijk meestgewenste ontwikkeling alleen maar toe te nemen. De marktheeft immers de wind mee. En dat leidt lang niet altijd totruimtelijke kwaliteit. Valt er de komende jaren nog wat (bij)te sturen of moeten de ruimtelijke ordenaars bij de pakkengaan neerzitten? We denken van niet, wat het laatste betreft.Maar er doen zich ondertussen wel wat dilemma's voor.Een eerste dilemma kan het beste in de vraagvorm wordenweergegeven: variatie of vervlakking? De ruimtelijkeordening heeft zich vanouds sterk gemaakt voor behoud enversterking van ruimtelijke variatie en contrasten. Nietoveral hetzelfde, maar differentiatie. Markttendensen gaanechter nogal eens een andere kant uit: een selectief vertrekvan functies uit de Randstad en een diffuse verstedelijkingvan het achterland.Een versterking van de Randstad als metropolitain milieu eneen wclbewuste ontwikkeling van het achterland als 'ont-spannen' natuur- en recreatiegebied zou ruimtelijk gezieneen aantrekkelijke tegenoffensief vormen. In een land waarhet verdelen van de koek tot een ware kunst verheven is, isdit echter welhaast onmogelijk. Selectiviteit is nooit dekracht geweest van de Nederlandse ruimtelijke ordening.Juist hiervoor zouden de vakbeoefenaren zich sterk moetenmaken.Dit brengt ons bij het tweede dilemma: goed of beter?Terwijl de krachten van de markt steeds meer het beeld vantoekomstig Nederland bepalen, blijven ruimtelijke ordenaarsvoor de 'goede' zaak strijden: Schiphol mag niet groeien, hetGroene Hart moet in zijn huidige vorm en structuurbehouden blijven enzovoorts. Maar moet de strijd inderdaadop deze manier en op dit toneel gestreden worden? Moet delat echt zo hoog liggen? Wordt het betere hier niet de vijandvan het goede? Zou de ruimtelijke ordening niet veel meerde marges moeten benutten die binnen een door de marktgedomineerde ruimtelijke inrichting worden gedicteerd?Allemaal retorische vragen, daarom een voorbeeld. Op ditmoment wordt sterk ingezet op het bouwen in hoge dicht-heden op viNEX-locaties. Dit moet bovendien gebeuren oplocaties die lang niet in alle gevallen aantrekkelijk kunnenworden genoemd. Willcn we bepaalde bevolkingsgroepenaan de Randstad blijven binden dan zuUen hoogwaardigewoonmilieus gerealiseerd moeten worden en ja, deze zuUenin veel gevallen in het grocn gelegen zijn. Op dit punt zit hetgros van de ruimtelijke ordenaars nog altijd klem in eenrood-groen dichotomie. Wie zich inzet voor een verwevingvan deze beide kleuren loopt nog steeds uit de pas in hetwereldje van de nationale ruimtelijke ordening.Het derde dilemma, ook weer in de vorm van een vraag.Gaan we voor groot of hebben we ook aandacht voor hetkleine? Ruimtelijke economen zetten momenteel vooral inop het scenario 'Groots en meeslepend'. Mainports,hoofdinfrastructuur, internationalisering en globaliseringzijn hierbij de codewoorden. Nederland als zwaartepunt ineen concurrerend, Europees vestigingsmilieu is het wenkendperspectiefHet 'gewone' Nederland, de wereld van de kleinere bedrijvendie voor de markt-dichtbij-huis werken, dreigt hier nogaleens uit het oog verloren te worden. Juist dit type bedrijvenis gebaat bij een regionale ruimtelijk-economische strategic.Natuurlijk, de regio is een zaak van de regio en die moet hetvooral doen op eigen kracht. Economen en ruimtelijkeordenaars trekken hier recentelijk eenzelfde lijn. Maar is dieregio wel in staat om zonder hulp en regie vanuit een hogerschaalniveau een adequaat ruimtelijk-economisch beleid tevoeren? Als Den Haag zich op dit punt terugtrekt dan zouhet de regio op zijn minst kunnen voorzien van adequatebestuurlijke structuren. Maar ook dat is niet het geval.Ruimtelijke ordenaars hebben nooit veel oog gehad voor hetbelang van de bestuurlijke organisatie voor de effectiviteitvan het ruimtelijk beleid. Zou hier niet een taak voor EZ enVROM gezamenlijk liggen?Recente 'grote projecten' in de grote steden (Kop van Zuid,De Resident) laten zien dat de rol van de ruimtelijkeordening nog niet is uitgespeeld. Megabioscopen komenvooralsnog terecht waar ze horen, namelijk in de stad. Vooreen strategic gericht op ruimtelijke variatie zuUen devakbeoefenaren echter alles uit de kast moeten halen, en datis meer dan tot nu toe. Op andere fronten kunnen krachtengespaard worden. Bondgenoten zoeken is een anderelogische stap. Bij EZ lijkt de corridor-benadering niet desnelweg-verstedelijkingshorreur te zijn die er in eersteinstantie aan was toegeschreven. En bij VROM wordt al weereven gewerkt aan een planningsbenadering die aansluit opdynamiserende tendensen in het ruimtelijk krachtenveld enhet optimaliseren van ecologische potenties (de strategic vande twee netwerken). Een verstandshuwelijk ligt in hetverschiet !drs. J.J. Modderdr. W. ZonneveldStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economieRuimtelijke ordening eneconomie, samen op weg?De ruimtelijke ordening in Nederland heeft zich altijd sterk verbondengevoeld met beleidsterreinen als volkshuisvesting, natuur en landschapen, meer recent milieu. De economische ontwikkeling heeft echter haareigen, zich in toenemende mate in internationaal verband voltrekkende,ruimtelijke dynamiek. Om de smalle beleidsmarges zo effectief mogelijk tebenutten pleiten Heijs, Kleyn en De Groene voor een herbezinning op hetplanologische paradigma. De recente ontwikkeling van het ruimtelijk-economisch beleid biedt daartoe goede aanknopingspunten.Drs. J.B.M. HeijsDrs.W.H. KleynDrs. J.H. de GroeneDe auteurs zijn werkzaam bij dedirectie Regie's,Bedrijfsomgeving en Milieu vanhet Ministerie van EconomischeZalcen. Dit artikel is oppersoonhjke titel geschreven.Tussen economische ontwikkeling en ruimtelijke ordeningbestaat een complexe, wederzijdse relatie. De aandaciitdaarvoor is de laatste tijd sterk toegenomen. Met recht, wanthet Internationale economische krachtenveld vergt meer danooit een passende ruimtelijke inrichting. Bovendien is deontwikkeling van het spreidingspatroon van economischeactiviteiten een belangrijk structurerend element in deruimtelijke ontwikkeling. In de Vierde Nota RuimtelijkeOrdening (VINO) is de Internationale economische contextdan ook als een belangrijk vertrekpunt genomen. In deviNEX, en met name bij de uitvoering daarvan is dezeorientatie echter aanmerkelijk zwakker.'Ook de andere kant van de medaille, de invloed van ruimte-lijke ordening op economische ontwikkeling is meer recentin een nieuw daglicht komen te staan. Met de studie 'Ruimtevoor Economische Activiteit' (REA)^ is de discussie over deeffecten van ruimtelijke ordeningsbeleid en -praktijk op detoekomstige economische ontwikkeling opnieuw aan deorde gesteld.^In dit artikel gaan wij in op de relatie tussen ruimtelijk-economische ontwikkeling en ruimtelijke inrichting.Daartoe bespreken we eerst de beleidsfilosofie zoals dieuiteengezet is in de Kabinetsnota 'Ruimte voor Regio's, hetruimtelijk-economisch beleid tot 2000'.'' Vervolgens komende consequenties hiervan voor het beleid op middellangetermijn aan de orde. Tot slot besteden we aandacht aanenkele vragen die op langere termijn zuUen gaan spelen.De nota Ruimte voor Regio'sDe nota Ruimte voor Regio's, die het afgelopen jaar door destaatssecretaris van Economische Zaken aan de TweedeKamer werd aangeboden, draagt als ondertitel mee: 'Hetruimtelijk-economisch beleid tot 2000'. Een opvallendeondertitel voor een beleidsnota die past in de lange reeksnota's over het regionaal-{sociaal-)economisch beleid diesinds de jaren zestig door de opeenvolgende bewindsliedenvan EZ zijn uitgebracht. Deze naamsverandering is geenpoging oude wijn van nieuwe zakken te voorzien. Zijweerspiegelt daarentegen een verandering in zowelbeleidsfilosofie als beleidsinhoud. Deze koerswijziging isingegeven door de veranderende context waarin het beleidvorm gegeven wordt. Het gaat daarbij vooral om hetInternationale (economische) krachtenveld, de Nederlandseruimtelijk-economische ontwikkeling en de bestuurlijkecontext.Het Internationale krachtenveldIn de Internationale economie is een tempoversnellingopgetreden in de mondiale liberalisering van het verkeer vangoederen, kapitaal, diensten en kennis. Institutionele her-vormingen als de totstandkoming van de World TradeOrganisation (WTO) en de vervolmaking van de Europeseinterne markt vormen, naast snelle technologische ontwik-kelingen, de drijvende krachten achter de schaalvergrotingvan bedrijfsprocessen en ruimtelijke herschikkingen in deorganisatie van productie en distributie. Deze ontwikkelling,ook wel globalisering genoemd, leidt enerzijds tot eentoenemende 'footlooseness' van een belangrijk deel van debedrijfsprocessen, en anderzijds tot een zeer sterke toenamevan de (inter-jnationale handelsstromen en de daarmeesamenhangende vervoersstromen.^ Een en ander gaatnummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996Ruimte en economiegepaard met voortgaande ruimtelijke arbeidsverdeling opnationaal en internationaal niveau, ruimtelijke ontvleclitingvan bedrijfsfuncties en een toenemend belang van hoog-waardige regio- c.q. locatie-specifieke vestigingsvoorwaar-den, afhankelijk van de aard van de bedrijfsactiviteiten. Degeringere gebondenheid aan de traditionele vestigings-factoren (afzetmarkten, grondstoffen, liistorische factoren),gevoegd bij de afnemende speelruimte van nationaleoverheden voor het voeren van een protectionistisch (WTO)of afwijkend nationaal-economisch (interne markt, EMU-normen) beleid, leidt tot een verheviging van debeleidsconcurrentie op terreinen waar het nationale beleidmeer speelruimte heeft. Met andere woorden: de straf op hetin negatieve zin afwijken van de Internationale standaardswordt groter. Niet voor niets is de populariteit van demethode van 'benchmarking', het over het nationale beleids-hekje kijken, in de afgelopen jaren sterk toegenomen.'' Medeals gevolg van harmonisatie en normering van het macro-economische beleid in Eu-verband, neemt het belang vanlocatiefactoren als arbeidsmarkt, scholing en fysieke voor-waarden bij de beleidsconcurrentie toe.' Met name op ditlaatste punt is de aandacht in 'Ruimte voor Regio's'geconcentreerd.Ruimtelijk-economischeontwikkelingEen tweede verandering wordt gevormd door afnemendeverschillen in economische prestaties tussen de verschillendelandsdelen en de toenemende ruimtelijke samenhang in deNederlandse economie. De verschillen in economischeprestatie, lange tijd de belangrijkste reden voor het voerenvan regionaal-economisch beleid, zijn sinds eind jarenzeventig trendmatig, zij het met 'ups and downs',afgenomen. Sterker, er lijkt de afgelopen jaren eerder vaneen tegengestelde ontwikkeling sprake te zijn. De hoogstewerkloosheidsniveaus zijn niet langer te vinden in denoordelijke veenkolonien of in de Limburgse mijnstreek,maar juist in de grote steden in het Westen van het land.Hierachter schuilt een complexe dynamiek in de ruimtelijkestructuur van de Nederlandse economie.* Suburbanisatie enoverloop, in de jaren zestig en zeventig nog gestimuleeerddoor het gevoerde ruimtelijke ordeningsbeleid, zijn gepaardgegaan met het wegtrekken van bedrijven' en met versmal-ling van het economisch draagvlak van de grote steden (zieafbeelding 1). Deze ruimtelijke ontwikkeling gaat hand inhand met uitdijing van de Randstad en van de middelgroteen grote stedelijke agglomeraties daarbinnen en daarbuiten.AUengs ontstaat een aaneengesloten verstedelijkt gebied metsteeds intensievere verkeers- en vervoersrelaties. Daarmeewordt ook de sterkere ruimtelijk-economische samenhangmanifest. De motor van deze beweging wordt niet alleengevormd door de gespreide stedelijke ontwikkeling alszodanig. Onderling nauw samenhangende factoren als hettoenemend belang van uitgelezen locatie- en regio-specifiekevestigingscondities, afhankelijk van de aard van de bedrijfs-activiteiten, de ruimtelijke fragmentatie van productieketens,de ontwikkeling van toeleverings- en uitbestedings-netwerken en van logistiek management, impliceren eenverdere versterking van de ruimtelijk-economischesamenhang. Het groeiend belang van bereikbaarheid naastnabijheid brengt daarbij met zich mee dat de groei zich nietalleen rond agglomeraties, maar ook in zones langs hoofd-transportassen voortplant (zie afbeelding 2 op biz. 8).Afbeelding 1.Raiintelijk-economischontwikkelingspatroon Randstad,1982/85 - 1990/93.Bwn:INRO-TNOgemeentegrenzensnelwegenAbsolute veranderingwerkgelegenheidsdichtheidstuwende bedrijvigheid1+Dn vrijwel lege gebiedenEconomisch draag-vlak grote stedenversmaltStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economieElke regio dient een visie te hebbenop de versterking en benutting vande eigen specifieke potenties.Foto j. Reyngoud, RotterdamMet uitzondering van het Noorden van het land, kanlangzamerhand worden gesproken van een economischkerngebied in Nederland. Niet zozeer vergelijkingen tussenregie's als 'self-contained units' en de verschillen tussen deregie's, maar eerder de mogelijke samenhangen moeten danook als uitgangspunt voor beleid worden genomen. Hetbelang van deze invalshoek voor de ruimtelijke planningwordt in deze publicatie benadrukt in het artikel vanDietvorst en Hetsen elders in dit nummer, die oproepen toteen netwerkbenadering als ordeningsprincipe ter geleidingvan de maatschappelijke dynamiek.De aandacht voor de genoemde fysieke vestigingsvoorwaar-den is in elke regio evenzeer van belang. Het ontstaan vaneen economisch kerngebied betekent niet dat er geenkwalitatieve verschillen in regionale vestigingsmilieus meerzouden bestaan. Die blijven uiteraard bestaan, zonderoverigens een probleem op zich te vormen. De verscheiden-heid van regionale vestigingsprofielen, mits van hogekwaliteit en met voldoende ontwikkelingsruimte, schepteerder kansen voor de Nederlandse economie als geheel. Eenvoorbeeld daarvan is de samenhang en complementariteitdie bestaat tussen Rijnmond en West-Brabant.Bestuurlijke contextTot slot is ook de bestuurlijke context in beweging. Door detoenemende invloed van de Europese kaders op het natio-nale beleid is er in feite sprake van een vierde bestuurslaag.Naast de overheveling van bevoegdheden naar het Europeseniveau vindt decentralisatie plaats van rijkstaken naarprovinciaal en lokaal niveau. De huidige impasse bij deontwikkeling van de bestuurlijke organisatie op lokaalniveau laat de groeiende noodzaak tot 'besturen op niveau'onverlet. Voortgaande suburbanisatie en toenemendesamenhang tussen centrumgemeenten en randgemeenten ophet gebied van voorzieningen, arbeidsmarkt, mobiliteit,economie en ruimtelijke inrichting vergen immers eensamenhangende bestuurlijke aanpak.Deze wijzigingen in de bestuurlijke context geven aanleidingtot een wijziging in de sturingsfilosofie van het ruimtelijkbeleid. Het Rijk beperkt zich daarbij tot de hoofdlijnen vanhet beleid. Dat wil zeggen: prioritering en financiering van(hoofd)infi-astructuur, de hoofdlijnen van het ruimtelijkeordeningsbeleid en het bestuurlijke kader en instrumen-tarium. Een voorbeeld is de globale, voorwaardenstellendeen voorwaardenscheppende aanpak die het Rijk volgt bij deActualisering van de PKB VINEX. In deze filosofie is het detaak van de provincies en de BON-regio's deze hoofdlijnenverder in te vuUen, en waar nodig aan te vuUen, op basis vande specifieke regionale structuur, mogelijkheden en knel-punten. Dat betekent in concrete: zorg voor de ruimtelijkeinrichting (integrale afweging en regionaal maatwerk),ontwikkeling van verkeers- en vervoersbeleid en een actiefeconomisch beleid op regionale schaal.Niet alleen dit vraagstuk van de optimale toepassing van hetsubsidiariteitsbeginsel vraagt om hernieuwde aandacht vooreen passende sturingsfilosofie. Met voortgaande bevolkings-groei, economische ontwikkeling, toenemende mobiliteit enhogere omgevingseisen wordt de ruimtelijke inpassing vannieuwe activiteiten steeds lastiger en dreigt de procesgang inde ruimtelijke planvorming eerder langer dan korter teworden. Tegelijkertijd wordt de verplaatsingsdynamiek vaneconomische activiteiten juist sterker. Daarmee groeit denoodzaak tot flexibele planningstechnieken en versnellingvan de planvorming.Beleidsconsequenties op middellange termijnIn 'Ruimte voor Regie's' worden de consequenties van de inhet voorgaande beschreven entwikkelingen aangegeven voornummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996Ruimte en economiehet beleid op middellange termijn (5 a 10 jaar) ten aanzienvan bereikbaarheid, ruimtelijke ordening en versterking vanregionaal economisch potentieel.BereikbaarheidHet verbeteren van de bereikbaarheid is een cruciale factorin de versterking van het fysieke vestigingsklimaat vanNederland. Dat de economische effecten van infrastructureleontwikkeling voor een regio ook afhangen van regiospecifie-ke factoren, zoals De Vet verderop in dit nummer betoogt,doct niets af van de constatering dat bereikbaarheid eennoodzakelijke voorwaarde voor regionale ontwikkelingvormt.Gezien de lange procesgang van infrastructurele projectenmogen hier op de middellange termijn geen wonderenverwacht worden. lUustratief hiervoor is de Betuweroute:tussen de lancering van het idee door de Commissie Van dePlas (1988) en de uiteindelijke realisatie (2006) zit bijnatwintig jaar! De aandacht zal vooral gericht moeten zijn ophet realiseren van de voorgenomen investeringen. Ten eerstegaat het om het aanhaken op de grote Internationalevervoersnetwerken via investeringen in de mainports,hoogkwalitatieve spoorverbindingen (HSL, Betuweroute) enverbetering van de achterlandverbindingen over de weg. Inde tweede plaats gaat het om de verbetering van de bereik-baarheid van de belangrijke economische centra (de main-ports, de stedelijke knooppunten en andere economischeconcentraties) door het verbeteren van nationale vervoers-netwerk. Hierbij is de aandacht met name gericht op hetuitvoeren van het investeringsprogramma (MIX) en opmaatregelen ter vermindering van de congestie en ter ver-betering van de benutting van de bestaande infrastructuur.RuimteDe centrale conclusie uit een van de REA-studies is dat zichin de regio's forse kwalitatieve en/of kwantitatieve discre-panties voordoen tussen de verwachte vraag naar en hetvoorziene aanbod van bedrijfslocaties.'" Uit de analyse vanachtergronden van deze discrepanties blijkt dat daaraanuiteenlopende oorzaken ten grondslag liggen." Deze liggenondermeer in de sfeer van gebrekkige planningstechnieken,onvoldoende informatie en een onevenwichtige afweging opde verschillende bestuurlijke niveau's. Het beleidsmatigeantwoord in de nota 'Ruimte voor Regio's' is daarommeerledig.Een eerste constatering is, dat in de vormgeving van hetruimtelijke ordeningsbeleid tot nu toe onvoldoende aan-dacht gegeven is aan het vraagstuk van de bedrijfslocaties,ook op rijksniveau. Stapeling van ruimtelijke aanspraken enrestrictief beleid beperken de ruimte voor economischeactiviteiten. Een meer samenhangende en evenwichtigeafweging van sectorale ruimtelijke claims begint bij debeleidsontwikkeling op rijksniveau. Nadrukkelijk opteert hetkabinet echter niet voor een sectorale PKB.'^ Juist de samen-hang tussen ruimtelijke claims op het gebied van wonen.werken, verbindingen en groen- en andere voorzieningen,vergt een integrale aanpak. Daarom kiest het Kabinet vooreen meer prominente plaats voor de bedrijfslocatieproble-matiek in het kader van de actualisering van de PKB VINEX(AC-VINEX), dan bij de VINEX. De uitkomsten van het in datkader ondernomen landsdekkende onderzoek, die vertrek-punt vormen voor het overleg terzake met de regio's,bevestigen de conclusies uit het REA-onderzoek. Tekortenaan geschikte locaties dreigen met name voor zwareIndustrie, distributie en hoogwaardige activiteiten." Naasthet, in termen van economische groei gematigde, CPB-scenario 'European Renaissance' is het gunstiger scenario'Balanced Growth' gehanteerd als basis voor de raming vande vraag naar uiteenlopende bedrijfslocaties in de veertigcoROP-gebieden. Het betreft geen prognoses in de strikte zinvan het woord. Daarvoor zijn de ontwikkeling van vraag enaanbod te zeer door onzekerheden omgeven. Het scenario-denken sluit echter nauw aan bij het begrip reserverings-planologie. De gedachte daarachter is dat planning in hetalgemeen uitgaat van gematigde scenario's, maar dat eenmogelijk gunstiger scenario of een gewenst beleidsscenariodaarboven extra ruimtereservering rechtvaardigt ('noregret'-beleid).De primaire verantwoordelijkheid voor het accommoderenvan de vraag ligt echter bij de mede-overheden, zij het datinrichtingsvoorstellen van (samenwerkende) gemeenten enprovincies getoetst worden aan het rijksbeleid. Tussen EZ enipo/provincies is daarom een convenant gesloten datgemeenschappelijke acties omvat die beogen aan debedrijfslocatieproblematiek tegemoet te komen. Zo wordtgezocht naar betere planningstechnieken, ook op regionaalniveau, terwijl een stimuleringsregeling (StiREAJ prikkelt totregionale samenwerking en fmanciele knelpunten helpt opte lossen. Voor een overzicht van ontluikende intergemeen-telijke samenwerkingsverbanden op het vlak van bedrijfs-locaties zij verwezen naar het artikel van Van Dinteren in ditthemanummer.Naast de eerder genoemde initiatieven zal het CPB, inopdracht van de ministeries van EZ, VROM en v&w, eenbedrijfslocatiemonitor ontwikkelen die voortbouwt op heteerdere onderzoek in het kader van het REA-project en in datvan AC-VINEX. Het frequent monitoren van de verwachtevraag en het voorziene aanbod (met een tijdshorizon van ca.10 jaar), alsmede van de feitelijke realisatie van de planvor-ming geeft een scherper inzicht in dreigende discrepanties.Versnelling van de planvorming bij dreigende tekorten enfasering bij tegenvallende ontwikkelingen zuUen een dem-pende werking hebben op discrepanties tussen vraag enaanbod.Regionaal economisch potentieelDe derde beleidslijn is het versterken en benutten van deendogende groeikracht in de regio. Het belang daarvanPlanning gaat vaakuit van gematigdescenario'sStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economicAfbeelding 2Ruimtelijk-economischontwikkelingspatroon,1982/85 - 1990/93.Bron: INRO-TNOsnelwegenAbsolute veranderingwerkgelegenheidsdichtheidstuwende bedrijvigheid-/+++vrijwel lege gebieden Dwordt ook benadrukt in het artikel van Van Houtum e.a. indit nummer, zij het dat de auteurs daarin een actievere, meersturende rol voor het Rijk zien. Naar onze mening is dit bijuitstek een terrein waarop de regio, conform het subsidiari-teitsbeginsel, zelf de handschoen moet opppakken. Daartoedient elke regio een visie te hebben op de versterking enbenutting van de eigen, specifieke potenties en op de aanpakvan knelpunten. Het kan daarbij gaan om regiospecifiekeknelpunten in de ruimtevraag (bijvoorbeeld bedrijfsverza-melgebouwen), arbeidsmarkt (vraag/aanbod-discrepanties)of bereikbaarheid (ontsluiting bedrijfsterreinen), maar ookom de benutting van regiospecifieke potenties op het vlakvan technologie, kennistransfer en netwerkvorming(bedrijfsleven, kennisleveranciers en intermediaire organi-saties) of toerisme. Het schallniveau van de regio's is immershet meest geschikt om dit beleid vorm te geven, maar uiter-aard wel met open oog voor mogehjkheden en onmogelijk-heden in de context van de hierboven geschetste internatio-nale samenhang en rekening houdend met hun positiebinnen de ruimtelijk-economische structuur. In het kadervan het Grote Steden beleid en het regionale beleid kan eenbeperkt aantal steden en regio's daarbij rekenen op extra(fmanciele) steun vanuit het Rijk en de Europese Unie(Structuurfondsen). De ontwikkelingsprogramma's die in -en door- deze regio's tot ontwikkeling worden gebracht, zijnalle toegesneden op de specifieke problemen en potentiesvan deze onderling zeer verschillende regio's.'*Beleidsconsequenties op langere termijnBiedt de langere termijn enerzijds meer vrijheidsgraden voorbeleidsontwikkeling, anderzijds zullen de genoemde span-ningen en knelpunten zich trendmatig in verhevigde matevoordoen. Bovendien neemt met de termijn de onzekerheidover de Internationale en nationale vestigings- en verplaat-singsdynamiek toe. Het is de vraag of het geldende ruimte-lijke ordeningsparadigma opgewassen is tegen dezeproblematiek.In de vigerende beleidsfilosofie staan het compacte stadbeleid (inclusief het locatiebeleid) en het daaraan comple-mentaire restrictieve beleid centraal. Daarmee wordt beoogdhet draagvlak voor stedelijke voorzieningen te versterken,onnodige mobiliteit te vermijden en flinke delen van debeschikbare ruimte zoveel mogelijk te vrijwaren van deeffecten van maatschappelijke activiteiten. Ongetwijfeld zijner nog mogehjkheden om de compacte stad benaderingverder te benutten. Daarbij kan gedacht worden aannummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996Ruimte en economiefunctiemenging en aan intensivering van het ruimtegebruikdoor herstructurering, hoogbouw en ondergronds bouwen.De concentratie van activiteiten in bestaand stedelijk gebiedkent echter zijn grenzen. De ruimtelijke structuur van deNederlandse steden belemmert een forse toename van deverplaatsing van goederen en personen. Voldoende binnen-stedelijke groenvoorzieningen en scherpe milieunormenvormen evenzeer een begrenzing voor voortgaande intensi-vering en functiemenging. Experimentele kansenzones inhet Grote Steden beleid en de 'Stad en Milieu' benaderingkunnen -dankzij een brede afweging tussen leefbaarheids-aspecten, inclusief werkgelegenheid- de grenzen nog watoprekken, maar nieuwe uitleg is onvermijdelijk.Ook de feitelijke ruimtelijke ontwikkeling geeft aan datbezinning op de vigerende beleidsuitgangspunten op zijnplaats is. De interne dynamiek in restrictieve gebieden alshet Groene Hart vraagt om ruimtelijke accommodatie, opstraffe van extra woon-werkverkeer, niet gewensteuitwaaieringseffecten en verlies aan werkgelegenheid. Maarook de dynamiek van de stedelijke concentraties daarbuitenstuit op de grenzen van het restrictieve beleid. De selectieveuitschuifprocessen in het Westen van het land van vooralruimte-extensieve en milieuhinderlijke activiteiten, zowel opagglomeratie- als op landsdelig niveau, vormen een bedrei-ging voor het economisch draagvlak van de steden en zelfsvan de Randstad als geheel. De trendmatige werkgelegen-heidsontwikkeling in de centrumsteden en -op regionaalniveau- met name in delen van de Zuidvleugel iszorgwekkend."Deze ontwikkelingen en begrenzingen nopen tot de ontwik-keling van nieuwe verstedelijkingsconcepten en -scenario's.De uitdaging bij uitstek is dat een uit planologisch enmilieu-oogpunt verantwoorde inpassing van -in omvangtoenemende- ruimtelijke aanspraken op een min of meergegeven oppervlak hand in hand gaat met een internationaalconcurrerende ruimtelijke accommodatie van economischeactiviteiten. Recent zijn al verschillende creatieve aanzettengegeven tot de ontwikkeling van nieuwe verstedelijkings-concepten die zeker nadere beschouwing verdienen.Een eerste benadering is een extreme variant van hetcompacte stad-model: een zeer sterke verdichting van hetstedelijk grondgebruik ten behoeve van de vestiging van eenecht metropolitaan milieu in de Randstad."'Geheel contrair hiermee is de verdunningsbenadering: deverandering van de Randstad in een 'Parkstad' door hettoelaten van de 'natuurlijke' neiging tot suburbanisatie.'^Bij deze variant speelt een andere benutting van het GroeneHart een belangrijke rol. Juist hier liggen volgens sommigende, in internationaal perspectief, unieke ontwikkelings-kansen voor de Randstad, zowel op het vlak van kwalitatiefhoogwaardige verstedelijking als ten behoeve vannatuurontwikkeling en recreatie.'*Een derde vernieuwende visie op verstedelijking kangevonden worden in de ontwikkeling van corridors, waarbijmet name langs (bestaande) vervoersassen sprake zoumoeten zijn van (sterke) verdichting, waardoor in de tussen-liggende gebieden ruimte ontstaat voor natuurontwikkelingen recreatie. Een aanzet hiervoor vanuit mobiliteitsoptiek isdoor het ministerie van v&w gegeven (1995). Vooral dezelaatste benadering biedt mogelijkheden voor een ruimeregeografische toepassing, waarbij ook de relatie van de Rand-stad tot de andere landsdelen mee in beschouwing wordtgenomen,'' en een meer integrate aanpak, waarbij ookmilieu- en economische variabelen betrokken worden. Hetartikel van Witsen en Zonneveld in dit themanummer gaatnader in op dergelijke planconcepten.Het ministerie van VROM is inmiddels gestart met devoorbereidingen van de nota 'Verkenning RuimtelijkePerspectieven'(vRp), die medio 1997 zal verschijnen. DezeVRP vormt een agendazettende opstap voor een eventueleVijfde Nota of een mogelijk integrale nota omgevingsbeleid.Daarbij zijn naar aanleiding van de voorgaande beschouwin-gen enkele waarnemingen vanuit ruimtelijk-economischperspectief van belang.In de eerste plaats is duidelijk dat de problemen op het vlakvan ruimtelijke ordening, natuur en milieu, bereikbaarheiden economie zeer sterk met elkaar samenhangen. De oplos-singen voor problemen op het ene terrein hebben directrepercussies voor de oplossingsruimte op andere terreinen.Elke beleidsverkenning zal dus een integrale aanpak vandeze problemen als vertrekpunt moeten hebben.In de tweede plaats kan worden waargenomen dat deruimtelijke-economische dynamiek zich slechts in beperktemate laat bijsturen zonder ongewenste bij-effecten. Deafkalvende economische basis van de grote steden, het verliesvan werkgelegenheid in de Randstad, de druk op het GroeneHart, het beperkte succes van het stedelijke knooppunten-beleid,^" de snelle ontwikkeling langs de grote vervoersassen:de door het ruimtelijk beleid geformuleerde streefbeeldenworden vaak niet bereikt. Erger, het beleid bevat contra-productieve elementen, zowel uit planologische als uiteconomische optiek.Dit houdt uiteraard sterk verband met de observatie dat degenoemde ruimtelijk-economische ontwikkelingen zich ineen sterke samenhang met de economische ontwikkeling ineen groter, Noordwest-Europees verband voltrekken.Bijsturen binnen de marges van deze ontwikkelingen lijkthet maximaal haalbare, zoals ook Atzema en Wever in hunbijdrage aan dit themanummer aangeven. Tegensturen leidttot fricties en houdt grote risico's in voor de ontwikkelingvan de werkgelegenheid. Het ruimtelijk ordeningsbeleid zalzich daarom meer rekenschap moeten geven van deruimtelijk-economische dynamiek op internationaal,nationaal en regionaal niveau.Bij beschouwingen over de lange termijn is het goed tebeseffen hoever die periode nog weg is (2010-2030). Hierstuiten we op een dilemma: vooruitkijken is een hardenoodzaak, maar tegelijkertijd is duidelijk 4at het maken vanNieuweverstedelijkings-concepten en-scenario'snoodzakelijkStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economieprognoses op basis van extrapolaties uit het verledenonvoldoende is voor de beleidsontwikkeling. Een aardiggedachtenexperiment in dat verband is om dezelfde termijneens te projecteren op het verleden. De Voorziene' wereldvan 1996 zag er in 1965 heel anders uit dan de realiteit vanvandaag.^^ De met 'Nederland in Drievoud' door het CPBingezette scenario-benadering ('what if..?') biedt echtergoede aanknopingspunten voor de vormgeving van hetbeleid voor de langere termijn. Versnelling van debesluitvormingsprocedures, een grotere flexibiliteit in deplanvorming, het alert reageren op voortschrijdendeinzichten in de toekomstige ontwikkeling en besluitvormingop het juiste bestuurlijke niveau vormen noodzakelijkevoorwaarden voor een passend planologisch antwoord op deversnelde economische dynamiek.SlotDe aan kracht winnende internationale economischedynamiek en ruimtelijke samenhang stellen hoge eisen aande kwaliteit van de fysieke omgeving. Deze komt steeds meeronder druk te staan van bevolkingsgroei en in omvangtoenemende maatschappelijke activiteiten. Een en ander steltde ruimtelijke ordening voor nieuwe uitdagingen en noopttot een nieuw planologisch paradigma. Een passendesturingsfilosofie kenmerkt zich door integraliteit, flexibiliteiten globaliteit. Bij de herijking van vigerende planconceptendient het accent op statische ontwerpen verschoven teworden ten gunste van een netwerkbenadering met meerruimte voor de maatschappelijke dynamiek.Noten" Lambooy, J, 1994, Economisch bijblijven door ruimtelijk beleid. In:Rooilijn 94/4 biz. 180.-* Ministerie van EZ, 1994, Ruimte voor Economische Activiteit, Den Haag.^' De Groene, H., J. Heijs en W. Kleyn, 1995, Spatial economic policy untilthe year 2000. In: TESG, Vol. 86-5.'^^ Ministerie van EZ, 1995, Ruimte voor Regio's, het ruimtelijk-economischbeleid tot 2000, Den Haag.^' De Groene, H., J. Heijs en W. Kleyn, 1995, Het ruimtelijk-economischbeleid tot 2000. In: Geografie nr. 4, biz. 11-14.^* zie bijvoorbeeld:- NEi, 1991, Majeure ruimtelijke en infrastructurele operaties ingrootstedelijke agglomeraties in NW-Europa, Rotterdam.- NEi/Kolpron, 1994, Ruimteclaims in NW-Europa, Den Haag.- Ministerie van EZ, 1995, Toets op het concurrentievermogen, Den Haag.- Ministerie van v&w, 1996, Internationale vergelijking infrastructuur,Den Haag.^' zie Kleyn, W.H. en J.W. Oosterwijk, 1992, Regional impact and policyresponses to the Single European Market. In: Regional Studies 26-4, en:Buck, R. en E. Wever, 1994, Nederland: een aantrekkelijke vestigingsplaatsvoor bedrijvigheid? In: NEPROM, Investeren in Nederland, Den Haag.^^ zie Ministerie van EZ, 1995, Ruimte voor Regio's, het ruimtelijk-economisch beleid tot 2000, Den Haag, en: TNO-INRO, 1994, Ruimtelijk-economische ontwikkelingspatronen in Nederland, Den Haag.'^' Pellenbarg, P, en N. Kemper, 1995, Een vlucht uit de Randstad?In: ESB, biz. 465 e.v.^''^ BCI/NEI, 1994, Confrontatie van vraag naar en aanbod van bedrijfslocaties.Den Haag, ministerie van Economische Zaken.'^' Kleyn, W.H. en J.M. de Vet, 1994, Omgaan met schaarse ruimte: tussenplan en markt. In: ESB, biz. 1081 e.v.'^' De Groene, H., J. Heijs en W. Kleyn, 1995, Ruimte voor werk, nog geenuitgemaakte zaak. In: ROM-Magazine, 1995-7/8.'^' BCI/NEI, 1996, Planningsopgave bedrijfslocaties Actuahsering VINEX,ontwikkeling van vraag en aanbod tot 2015, Den Haag.^'^^ zie voor een overzicht: Ministerie van EZ, 1995, Ruimte voor Regio's, hetruimtelijk-economisch beleid tot 2000, Den Haag.'^' zie Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 1992, Van de stad ende rand. Den Haag, en; Commissie Albeda, 1995, De Rotterdamse Regie ende Zuidvleugel van de Randstad. een onderzoek naar nieuwe impulsen,TNO-INRO, Delft.^^' zie bijv. Frieling, D., 1995, Het metropolitane concept, GemeenteAmsterdam.'^' Van Rossum, V, 1995, Randstad Holland: variaties op het thema stad, NAi,Rotterdam.'^' zie ook WNF/ANWB, 1995 Groen Hart? Groene Metropool! Utrecht.'^' Boeckhout, I.J., J. Doorakkers, A. Verkennis, 1995, Van knooppunt naarcorridor. In: ESB, biz. 348-352.^^' BCi, 1995, Stedelijke knooppunten 2. Evaluatie markteffecten endoorwerking bij de provincies, Nijmegen.^^' Ministerie van VROivt4{PD , 1995, De toekomst toen en nu. In: RuimtelijkeVerkenningen, Den Haag.nummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996Ruimte en economieOp zoek naar het denkmodelachter de beleidsnota*Ruimte voor Regions'De nota 'Ruimte voor regioV die begin 1995 is gepresenteerd heeft duidelijkgemaakt dat ruimtegebruik en economische ontwikkeling in een intensieveinteractie met elkaar staan. Van Houtum, Boekema en Lambooy stellen de vraagcentraal hoe deze relatie tussen economische groei en de behoefte aan ruimte isopgevat in de jongste nota 'Ruimte voor regio's' over het ruimtelijk-economischbeleid tot 2000. Geconstateerd wordt dat de nota op dit punt aan duidelijldieid tewensen overlaat. Dit leidt tot twijfels over de haalbaarheid en doeltreffendheidvan het uitgestippelde beleid.'Het scheppen van meer werkgelegenheid is de belangrijksteuitdaging van het kabinetsbeleid in de komende jaren. Opalle fronten werkt het kabinet aan deze uitdaging. Ook denota 'Ruimte voor regioV, het ruimtelijk-economisch beleidtot 2000, staat in het teken van deze uitdaging.'' Zo luidt hetbegin van de begeleidende brief die de staatssecretaris vorigjaar aan de nieuwste nota regionaal economisch beleid aanhet kabinet presenteerde. De nota van het Ministerie vanEconomische Zaken trachtte duidelijk te maken dat er eenspanning bestaat tussen de ruimtelijke dimensie enerzijds ende werkgelegenheidsdoelstelling anderzijds. Op indringendemanier wordt de zorg uitgesproken over het dreigendeDrs. H.J. van HoutumPromovendus RegionaleEconomie aan de KatholiekeUniversiteit Brabant, TilburgProf. dr. F.W.M. BoekemaUHD Regionale Economie aande Katholieke UniversiteitBrabant en HoogleraarEconomische Geografie aan deKatholieke Universiteit NijmegenProf. dr. J.G. LambooyHoogleraar EconomischeGeografie aan de Universiteit vanAmsterdamFoto: F. van Arkel,Hollandse Hoogte, AmsterdamStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economicEconomischkerngebiedomvat bijnaheel Nederlandtekort aan bedrijventerreinen en fysieke infrastructuur, het-geen de doelstelling, het scheppen van meer werkgelegen-heid bemoeilijkt. Te veel wordt er, volgens de samenstellers,vanuit gegaan dat de ruimteclaims in ons land ten gunstevan milieu en volkshuisvesting dienen te worden afgewogen.Hierin kan men ook een andere spanning ontdekken, name-lijk die tussen de beleidsvoornemens van de Ministeries vanVROM en EZ. Het debat tussen beiden is nog lang niet beslist.Het Ministerie van EZ neemt met deze nota een zeerexpliciet standpunt in over de verdeling van de aanwezigeruimte in de toekomst: er meet nadrukkelijk ruimtegemaakt worden voor de inplanning van de economischeactiviteiten. In die zin zou de titel 'Ruimte voor bedrijvig-heid' beter de inhoud van de nota hebben weergegeven.De titel 'Ruimte voor regio's' doet ook wat vreemd aan, alsgelet wordt op de analyse van de regionale inkleuring van deNederlandse economie. De nota propageert namelijk dat deregionaal economische ongelijkheid in Nederland een steedsminder voorkomend verschijnsel is. In plaats van de aan-dacht op regionale ongelijkheid te richten wordt daaromgepleit voor een versterking van de positie van Nederland ininternationaal (Europees) opzicht. Daartoe acht men hetnoodzakelijk dat er gestreefd wordt naar ruimtelijke samen-hang. Om de ruimtelijke samenhang als doelstelling tekunnen realiseren is in de nota getracht de regionaal econo-mische hoofdstructuur in Nederland te formuleren. Desamenstellers van de nota kenschetsen de Nederlandseeconomische hoofdstructuur als volgt: twee kernregio's teweten Amsterdam/Schiphol en Rotterdam/Rijnmond. Langseen tweetal brede ontwikkelingsassen breidt dit kerngebiedzich in oostelijke en zuidelijke richting uit. EZ kiest daarmeevoor een structuur, zoals die reeds min of meer in hetconcept Stedenring Centraal Nederland ^ was gepresenteerd.Het ontwikkelingspad door de ruimte gaat langs 'corridors',of assen van West (de Randstad) naar Oost en Zuid. Dezeruimtelijke kenschets wordt in de nota aangeduid als de'economische hoofdstructuur' van Nederland.Het economische beleid stuurt zodoende nadrukkelijk degewenste ruimtelijke planning. Het verschil met de VINEX isdat EZ met deze nota claimt dat dit concept sterk econo-misch gefundeerd is en dat op basis van het ruimtebeslagvan economische activiteiten het concept in de nabijetoekomst wordt vormgegeven. Daarmee druist het in tegenhet huidige viNEX-beleid dat juist op het bestrijden van despreidingstendenzen en de ontwikkeling van de 'compactestad' is gericht.De economische fundering van het concept wordt geleverddoor de Randstad als motor van de Nederlandse economiete betitelen. De motor met de ontwikkelingsassen waarlangshet zich multipliceert, impliceert dat de tegenstellingRandstad versus de rest van Nederland, zoals we die vroegerkenden, niet meer bestaat.' Er dient, volgens de nota, thansveel eerder te worden gesproken van een economischkerngebied dat het hele grondgebied van Nederland omvat,exclusief de noordelijke provincies. Voor het Noorden, is ereen uitzonderingspositie opgenomen in de nota, aangezienhet Noorden er nog niet in geslaagd is voldoende econo-mische ontwikkeling te genereren. Hier komt dus nog degelijkwaardigheidsdoelstelling naar voren. Voor het overigebeleid trekt de nota de volgende conclusies:1. Omdat niet langer de regionale ongelijkheid als vertrek-punt wordt gehanteerd maar juist de ruimtelijke samenhangcentraal komt te staan, zal het beleid voortaan aangeduidworden als ruimtelijk economisch beleid in plaats vanregionaal economisch beleid.2. Ten aanzien van de ruimtelijke samenhang speelt hetinfrastructuurbeleid een cruciale rol. Dit betekent concreetdat forse investeringen in de mainports en de infrastructuurop de ontwikkelingsassen met het achterland gepleegd zul-len worden. Aldus moet deze beleidsaanpak er toe bijdragendat de economische multiplier-tiitcten optimaal door-werken naar de overige regio's in ons land.3. Het ruimtelijk ordeningsbeleid zal er voor moeten zorg-dragen dat de ruimtelijke voorwaarden voor economischeontwikkeling zo optimaal mogelijk gewaarborgd worden. Inde nota wordt gesproken van een faciliterende functie tenbehoeve van economische ontwikkeling.4. Naast de bestaande investeringspremieregeling (IPR)wordt een nieuwe regaling van kracht de zogehetenstimuleringsregeling REA (StiREAJ. De centrale invalshoekvan dit nieuwe instrument is het leveren van een bijdrageaan de groei van de werkgelegenheid via het stimuleren vaninvesteringen in de benodigde ruimtelijke voorwaarden. Deregeling zal zich richten op de realisering van bedrijven-terreinen. Het is de bedoeling dat met name die strategischeprojecten in aanmerking komen welke leiden tot versterkingvan de economische structuur van de regio.Fundamentele wending van het beleidWanneer we dit nieuwe regionaal economisch beleid inhistorisch perspectief plaatsen, valt op dat er voor de tweedemaal met de presentatie van een nieuwe beleidsnota vooreen fundamenteel ander perspectief is gekozen. De eerstewending kwam in de jaren zestig, toen een verschuiving totstand kwam van een regionaal beleid dat in de gedaante vaneen achttal industrialisatienota's tot ons kwam; daarna werder een sociaal-economisch regionaal beleid gevoerd, waarbijde herverdeling van de economische welvaart uit het Westendes lands naar de andere regio's aan de orde kwam. Dezemaal is de verschuiving gericht op de vervanging van'regionaal' naar 'ruimtelijk' economisch beleid. Voorafgaandeaan deze ommezwaai hebben we evenwel een aantalduidelijke signalen gehad waarmee de koerswijzigingen nietnummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordentng 1996Ruimte en economicHet Noorden is er nog niet ingeslaagd voldoende economischeontwikkeling te genereren.Foto: H. Cock, Assenals een verrassing kunnen worden bestempeld. Zo werd inde nota Regionaal sociaal-economisch beleid 1986-1990 eenpleidooi gehouden voor het versterken van het zelforgani-serend vermogen van regie's: 'de eigen mogelijkheden vaneen regio vormen het eerste richtsnoer voor de uitwerkingvan het beleid. Hierin ligt een nadrukkelijk appel beslotenaan alle verantwoordelijke bestuursorganen, het bedrijfs-leven en andere groeperingen binnen een regio in kwestieom met kracht te werken aan de (verdere) ontwikkeling vandeze mogelijkheden' (biz. 13). Hier kan in gelezen wordendat de doelmatigheid van het regionale beleid sterkgepropageerd wordt. In de voorlaatste nota 'Regie's zondergrenzen' is deze accentverschuiving herkenbaar. Zo wordt erin de ondertitel van genoemde nota niet langer gesprokenvan regionaal sociaal-economisch beleid maar kortweg vanregionaal economisch beleid. Met andere woorden, de bij-dragen van regie's aan de nationale economische welvaart,de efficiency-doelstelling, krijgt een hogere prioriteit enwaardering dan het streven naar de gelijkwaardige econo-mische ontwikkeling van regie's.Het is interessant na te gaan wat de verschuiving van regio-naal naar ruimtelijk economisch beleid nu precies impli-ceert. Het accent is nu vooral gelegen in de veronderstellingdat het belangrijkste overheidsinstrument niet meer deregionaal gedifferentieerde subsidies (de IPR) zijn, maar hetsturen via het 'accommoderen en faciliteren van econo-mische activiteiten via het investeren in fysieke infra-structuur en bedrijfsterreinen. 'Veer alles moet wordenvoorkomen dat de noedzakelijke werkgelegenheidsgroeistukloopt op een tekortschietend accomoderend en facili-terend ruimtelijk beleid' (biz. 4). Daarbij is, vanuit eenwetenschappelijk perspectief natuurlijk de vraag welkeonderliggende filosofie het Ministerie van EconomischeZaken heeft gebruikt voor het opstellen van deze nota.Ruimte versus economieIn de nota 'Ruimte voor regie's' wordt het denkmodel nietexpliciet aangegeven, we kunnen slechts bevroeden hoe mende relaties tussen economie (c.q. economische ontwikkeling)en ruimte (c.q. ruimtelijke structuur) heeft opgevat. Het is aleen eude vraag in de ruimtelijke economie, hoe de relatiestussen economische ontwikkelingen en ruimtelijkestructuren precies liggen. In de begrippen 'ontwikkeling' en'structuren' is sprake van een mogelijk verschil in perspec-tief. Ruimtelijke structuren zijn per defmitie werkzaam overeen langere termijn, terwijl economische ontwikkelingendikwijls een kortere termijn beslaan. Als zodanig kunneninvesteringen in infrastructuur, kantoergebouwen, winkelsen woningen de economische ontwikkeling beinvloeden,maar de werking is meestal over een langere termijn geldig,waardoor ook de ruimtelijke structuur na korte tijd kangaan optreden als 'gegeven context' voor nieuwe econo-mische beslissingen. Investeringen in de ruimtelijke struc-tuur hebben derhalve een blijvende uitwerking op heteconomisch handelen, zij het niet in deterministische zin.Steden en regio's hebben daardoor op langere termijn eenStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economic'Spread-effects':de kerngroeit langzaamnaar buitenconditionerende of faciliterende werking op de aard van deeconomische ontwikkeling. De vraag is in hoeverre defysieke infrastructuur als sturingsmiddel kan wordengebruikt voor de bevordering van de (regionale) economic.In de nota lijkt het erop dat de samenstellers daar wel vanuitgaan. Zo wordt op biz. 5 gesteld dat: 'Hieraan... (d.w.z. debijdrage aan werkgelegenheid en welvaart) ...moat vooralinhoud worden gegeven door het verzekeren van eenoptimale aansluiting op de ruimtelijk-economischestructuur van Noordwest Europa - via investeringen in demainports en de hoofdinfrastructuur - en van een goederuimtelijke inpassing van economische activiteiten'.Deze nadruk op het fysieke ruimteUjke aspect door hetMinisterie van EZ is wellicht vanuit het standpunt van hetMinisterie wel begrijpelijk, want er moest tegengas wordengegeven aan het Ministerie van VROM, dat via ruimtelijk enmilieubeleid het aanbod van mogelijke bedrijfslocaties en deontwikkeling van de Mainports bepaald niet bevorderde. Inde plannen voor de viNEX-locaties werd eigenlijk hoofd-zakelijk de nadruk gelegd op de woningbouw.Toch is het de vraag of het Ministerie van EZ niet dieper zouhebben moeten ingaan op de vragen die samenhangen methet beinvloeden van de (regionale) economische ontwikke-ling door de fysieke (infra)structuur.De nota gaat impliciet uit van een model dat gericht is op'spread-effects' van de versterking van de groei van deRandstad voor de Nederlandse economic. Dat is een modeldat de ruimtelijke interactie tussen de regio waar decumulatieve groei plaatsvindt en de rest van het landbeschrijft. Het nieuwe beleid van ez lijkt nadrukkelijk op de'spread-effects' in te spelen. De redenering is dan: Als we inde Randstad meer fysieke ruimte voor bedrijventerreinen eninfrastructuur om te groeien reserveren, en de groei bege-leiden langs de hoofdassen van de Nederlandse economic,gaat het gehelc land meeprofiteren als gevolg van een procesvan ruimtelijke decentralisatie. De kern groeit langzaamnaar buiten. De vcrschillen zijn in zo'n redenering inderdaadfaseverschillcn, een kwcstie van tijd. Een dergclijk modelhoudt evenwel geen rekening met de toename van dependelstromen die de kern binnenkomen. Cumulatievevoordelen van groei in een bepaalde richting gaan nu een-maal ten koste van de groei in andere branches of functies.Het bieden van ruimte aan de groei van de kern versterktnamelijk op den duur de vraag naar nieuwe ruimte. Dat zoutot een voortdurend groeiende welvaartsspiraal leiden in eensituatie waarin er geen gebrek aan ruimte is in een bepaaldgebied. In Nederland is echter een schaarste aan ruimte,zowel relatief als absoluut.De vraag is derhalve of de keuze voor meer ruimte vooreconomische activiteiten impliceert dat er ook meer moge-lijkheden zijn voor werkgelegenheidscreatie. De recentgevoerde discussies over de infrastructurele projectenrondom Schiphol en de Betuwelijn maakten duidelijk dat derelatie tussen infrastructuur/ruimte en economische groei,in termen van werkgelegenheid, een heel complexe is. Hetblijkt ten eerste zeer lastig te zijn de effecten van investerin-gen in infrastructuur te scheiden van endogene economischeontwikkelingen. Ten tweede blijkt het ingewikkeld eengedetailleerde risico/kans berekening te maken van de eco-nomische ontwikkelingen exclusief de investering in deinfrastructuur. Tenslotte is het lastig te berekenen wat deeconomische effecten zijn van een alternative aanwendingvan de beleidsgelden.De aanleg van infrastructuur leidt vaak zeer langzaam, ensoms slechts zeer marginaal of in het geheel niet tot werk-gelegenheidscreatie. Op macro-economische schaal spelental van andere zaken in de economie die een veel concretereimpact hebben als het gaat om het oplossen van de werk-loosheid of het creeren van werkgelegenheid. Bij hetbestrijden van werkloosheid kan dan gedacht worden aan deliberalisering van de productmarkten door verminderingvan de entreebarrieres en 'dekartellisering' van bepaaldemarkten, het stimuleren van ondernemerschap, het verlagenvan de loonkosten of het 'upgraden' van de kwaliteit van dearbeid. In regionaal en lokaal economisch opzicht zijn devoorbeelden legio, waar ondanks veel overheidsgelden ininfrastructuur in een bepaald gebied, er geen economischegroei-markt werd gecreeerd.De markt maken is moeilijker dan de markt volgen. Andersgezegd, dynamiek vraagt om ruimte, maar ruimtegarandeert geen dynamiek. Ondernemerschap, onderzoek enontwikkeling kunnen in beginsel op een zolderkameropgestart worden. Het starten van economische dynamiekvraagt over het algemeen weinig ruimte. Werkgelegenheiddaarentegen, in de huidige context, meestal wel. De aanlegvan infrastructuur past dan in een kader dat marktvolgendbeleid genoemd zou kunnen worden of in beleidstermen:voorwaardenscheppend beleid. Indien naar de conditie vandeze voorwaarden gekeken wordt, stelt het Ministerie dat desituatie zorgelijk is. Door de toenemende mate van congestieop de Nederlandse snelwegen is de (inter)nationalebereikbaarheid in het geding. Niettemin ligt daar volgens denota wel het primaat van onze economie. Omdat EZ deeconomische groei juist in die branches wil bevorderen dieafhankelijk zijn van een goede bereikbaarheid, komen weinderdaad in de problemen. Dat de nota zich daarbijuitspreekt voor een indirecte beinvloeding past in hetheersende marktdenken, waarbij directe sturing niet aan deorde is. De vraag is echter of het beleid inderdaad markt-volgend, voorwaardenscheppend is. Hoe voorwaardenschep-pend ben je als overheid, als blijkt dat er voor de voorwaar-den die je wenst te creeren er nauwelijks meer plaats is?Het lijkt er namelijk sterk op dat de markt zich aan hetherorienteren is. De markt voor transport, distributie ennummer 2 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996Ruimte en economieDe aanleg van infrastructuur leidtvaak zeer langzaam, en soms slechtszeer marginaal of in het geheel niettot werkgelegenheidscreatie.Foto: G. Beernink, HoUandse Hoogte,Amsterdamgroothandel in de Randstad ondervindt sterk negatievegevolgen van haar eigen succes. Een sterke toename van hetruimtegebrek is daar slechts een illustratie van. Dat levertinderdaad steeds vaker en steeds fellere ruzies op met lobby-groeperingen van andere functies. De felle Schiphol-discussie is daar een goed voorbeeld van. Miheuvervuiling,verkeersonveiligheid en de alsmaar groeiende congestie-problematiek zijn andere voorbeelden van een proces dataangeduid zou kunnen worden als cumulatie van negatieveagglomeratie-effecten. Als de markt deze signalen laat zienen de tegenstroom sterk groeiende is, in welke mate ben jedan voorvi'aardenscheppend voor de economie?DiversificatieHet lijkt ons daarom noodzakelijk in de relatie economie enruimte een onderscheid te maken naar de aard van deeconomische activiteiten. Niemand zal willen ontkennen datbedrijvigheid gebaat is bij fysieke ruimte en bereikbaarheid,maar de essentiele vraag is: 'voor welke bedrijvigheid hebbenwe die ruimte en die bereikbaarheid nodig?' In de huidigediscussie wordt er wat al te gemakkelijk van uitgegaan datwe door moeten gaan met onze Delta-activiteiten logistiek,opslag en mainports, alsmede de daaraan gekoppeldeIndustrie, zoals de oliegebonden activiteiten en de chemie.Natuurlijk is Nederland gebaat met dit soort activiteiten,waarin we nog een 'competitive advantage' hebben,overigens samen met de hoogontwikkelde agrarischeproducten en daarvan afgeleide voedingsmiddelenindustrie.Het relevante vraagstuk daarbij is, of we voor deze Delta-activiteiten alles op alles moeten zetten, of juist een verderediversificatie moeten nastreven.Indien dat laatste het geval zou zijn, zou men zich kunnenafvragen of daarbij ook een ander (infra)structuurbeleidpast. Moeten we niet eerder 'science parks' stimuleren danons verder in te graven met grote verkeersinvesteringen,waardoor er nog minder kansen op diversificatie komen? Eris geen direct antwoord op de gestelde vraag beschikbaar.Het is niettemin spijtig dat de discussie in de nota niet ofnauwelijks gevoerd wordt. De nota kiest nadrukkelijk voorde verdere ontwikkeling van de van infrastructuur afhanke-lijke economische activiteiten. Sommige regie's zoudenvermoedelijk echter meer gebaat zijn met een verdere ver-sterking van de technologische-en kennisinfrastructuur danmet grootscheepse plannen voor bedrijfsterreinen. Zo wordtin de nota niet eens stil gestaan bij allerlei behoeften voorsnel ontwikkelende sectoren, zoals de medische technologic,die jaarlijks veel kennis en werkgelegenheid opleveren, maargeen steun ontvangen bij de ontwikkeling van hun beperktruimtevragende, economische ontwikkelingen. In Nederlandzijn er voorts nog altijd duidelijke regionale verschillen aan-wezig in de statistieken van startende ondernemingen,karakteristieken van midden-en kleinbedrijven en ruimte-lijke percepties van ondernemingen."* Regionaal zijn er ooknog altijd verschillen naar starters en 'doorstarters'.Nederland kent een sterke bedrijfseconomische dynamiek,maar bedrijven die na de start doorgroeien naar zelfstan-Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1996 nummer 2Ruimte en economieRegionaleeconomischeongelijkheid is meerdan een faseverschildige, grote bedrijven komen veel minder voor. Het bevorde-ren van de groei van de, voor de werkgelegenheidscreatie zobelangrijke midden-en kleinbedrijven zou juist op regionaalschaalniveau het beste gestalte gegeven kunnen worden.Deze bedrijven zijn niet gebaat bij de vervolmaking van defysieke condities alleen. Gedacht kan dan worden aan deversterking van de kennisinfrastructuur, het optimaal af-stemmen van het onderwijsaanbod op de regionale ennationale markt, het opruimen van institutionele obstakelsvoor vernieuwing, het stimuleren van de investeringen intechnologie-ontwikkeling, het begeleiden van bedrijven diereeds gestart zijn en het stimuleren van interregionale eninternationale bedrijfscontacten. AIs de keuze voor een forseuitbreiding van de fysieke infrastructuur een indicatie voorde waardering en het belang van deze veelal door kennisgeorienteerde bedrijfsgroepen voor de Nederlandse regio-nale economie zou zijn, lijkt ons dat een teleurstellendgegeven voor de toekomst.Regionale ongelijkhedenHet denkmodel van de nota 'Ruimte voor regio's' houdtvoorts onvoldoende rekening met de endogene potenties vande niet-kern regio's en institutionele belemmeringen die de'spread-effects' kunnen belemmeren. Er is niet in elke regioeen gelijke economische potentie voor economischeontwikkeling. De kosten van produceren zijn in de regionaleuithoeken van Nederland duurder dan in de kern. In de kernzijn er grotere aantallen bedrijven en is er 'meer markt'aanwezig. Activiteiten die de kern ontvluchten of de kernontgroeien hebben daardoor niet per definitie een gelijkekans van slagen in de gebieden met een minder grootstede-lijk karakter. Het is daardoor onzeker of de gebieden die nietaan de 'corridor' routes liggen evenredig zuUen profiterenvan de uitgroei van het kerngebied van Nederland. Denivellering van de nog bestaande regionale economischeverschillen zuUen daarmee niet door een corridor-modelkunnen worden opgelost. De regionale economischeongelijkheden in Nederl
Reacties