stedebouw en volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebonvskBedrijfseconomisch onderzoek industriespreidingProblematiek karakter stedelijke uitbreidingsplannenReconstructie plattelandStedebouwVolkshuisvestingOffici'ele MededelingenSummary\itober 1958Stolen enMipolamN.V. ALTA -- Binckhorstlaan 301Tetefoon: 720083* (na 7 uur 720472).RAMENDEURENFRONTEN-- 'S-GRAVENHAGETechnische Reproduktie InrichtingLIFOKALICHTDRUKFOTOKOPIEFOTOGRAFISCHE REPRODUKTIEIn het centrum van DEN HAAGMauritskade 3Telefoon 110152ALPHAMUURVERVENso Jaarervaring ....en ervaring is niet tevervangeni:ris onbetwist de meest geschiktemuurverf voor binnenwerk enwordt zeer gunstig beoordeelddoor het verfinstituut T.N.O. teDeKt.WasbaarOnverzeepbaarZuurbestendigjr\ VERFFABRIEK ALPHAiLWWyJw'l v/h Gebr. Klaverwelden N.V. Alphen a.d. Rijnyirwir Telefoon K 1720-2192MakelaarskantoorA.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaame metKOOP, VERKOOP, TAXATIES en BEHEERce - van ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemiddellng en alle verzekeringen.^BALKON-HEKKENTmFA. y. D. KNAAP - MONSTERfabr. Poeldijlisewcg I A ._ fal. 35?3.0I ;^f? all* veorkomaiid* MedeMaB'? tpeedig* levering ceiieiirr?r?ad> pri|i?>Houtbouw Fa. Gebr. TimmerGIESSENDAM -- Telefoon no. 62 Ned. HardinxveldUw adres voor:Directieketen, Volksketen, Cementloodsen. Barakken, enz.Voor GLASN.V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALS BEGLAZINGSMATERIAIJEafs&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouwoktoher 19S839e jaargang no 10MaandhladRedactieMevrouw Prof. C. W. Willinge Prins-VisserMej. R. HartstraIT. B. FokkingaMr. C. A. van GorcumH. ]. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleljnDrs. R. KokIr. P. K. van MeurtDr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagH. van SaaneW. ScheerensIr. W. van TijenDrs. H. v.d. WegdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's GravenhageTelefoon 184225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-CPostgiro nummer 113028Telefoon 49128Dit nummerDit nummer hevat wederom enige naar het onderwerp samenhangende artikelen. Zij hehhenbetrekking op het moderne onderzoek ten behoeve van de ruimtelijke ordening. In deverscheidenheid van deze bijdragen komt dc huidige omvang van de ruimtelijke ordeningtot uiting. Met de stedelijke uitbreidingsplannen, waarover de Heer Drs. R. Mulder spreekt,heweegt zij zieh nog in de sfeer van de oude stedebouw, niaar de reconstructie van hetplatteland -- het onderwerp van de Heer Ir. Th. Quene -- en de industriespreiding, be-handeld door de heer Dr. G. R. Krusel, staan ver van die sfeer af en demonstreren duidelijkdat de ruimtelijke ordening zich heeft bezig te houden ook met het platteland en met degrote, stad en land omvattende, eenheden.De drie artikelen bevatten de tekst van drie inleidingen, die gehouden zijn op de Studiedagvoor Planologische Onderzoekers op 26 juni l.l., georganiseerd door de Studiegroep voorPlanologisch Onderzoek van het Instituut.169InhoudHet bedrijfseconomisch onderzoek alsgrondslag voor doelmatig beleid tenaanzien van industriespreiding, Dr.G. R. KruselDe problematiek met betrekking tot Jietgewenste karakter van stedelijke uit-breidingsplannen, Drs. R. MulderReconstructie van bet platteland, Ir.Th. QueneStedebouwBinnenlandOverzicht van Tijdschriften171178VolkihuisvsstingBinnenlandOverzicht van TijdschriftenOfficiele MededelingenNedcrlands InstituutNieuwe aanwinsten van de bibliotheekRijksdienst voor het Nationale Plan182 Summary192193 I195196198199200200Ahonnementsprijs f 16.--. Losse nummers f 2.--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw (lidmaatschapvoor physieke leden f 15.--) en de leden van de Nationale Woningraad ontvangen het bladkosteloos.170Bcdrijfsecononiiichondtrzovk indHStriespreidingHet bedrijfs-economisch onderzoek alsgrondslag voor doelmatig beleid ten aanzienvan industriespreidingDat Nederland belang heeft bij verdere in-dustriespreiding, in verband met de proble-men door de bevolkingsconcentratie in deRandstad Holland in het leven geroepen endoor de problemen van de in ontwikkelingachterblijvende gebieden, wordt wel alge-meen aanvaard. Nederland kent dit soortproblemen echter niet allecn en bovendien ishet niet een vraagstuk, dat pas de laatstejaren aan de orde wordt gesteld. In Rus-land b.v. werd de regionale industrialisatievrijwel onmiddellijk na de komst van hetsowjetregime een belangrijke aangelegenheid.Economische en militalre overwegingen heb-ben sindsdien de decentralisatie in Ruslandbeheerst. ^)Dat industriespreiding in het coUectivismegemakkelijker is te verwezenlijken of beteraf te dwingen dan in een maatschappij meteen meer vrije economie, zal wel nauwelijksnader betoog behoeven; industrieplanning enruimtelijke planning kunnen in het coUec-tivisme nl. voUcdig op elkaar worden af-gestemd. Maar bij handhaving van deondernemingsgewijze produktie is verdereindustriespreiding, althans binnen zekere gren-zen, eveneens te verwezenlijken. De mate vanindustriespreiding, welke in vele niet-coUec-tivistische landen vrijwel automatisch totstand kwam, vooral na de algemene ontwik-keling van verkeers- en communicatiewezenen de toepassing van de electriciteit, bleekdikwijls onvoldoende te zijn. De personeels-schaarste na de oorlog en ook de reedsgetroffen maatregelen voor de ontwikkelings-gebieden, hebben het regionale industriali-satievraagstuk in Nederland eveneens nogniet opgelost. ! ^1) Men zie o.a. K. A. Petrossjan, Die sow-jetische Methode der Industrialisierung. Ber-lijn 1953en ,,Soviet industry moves Eastward". Art. in,,The Economist" van 16 juni 1951.Dr. G. R. KrusdGezien de bestaande moeilijke ruimtelijkevraagstukken in ons land, waren dan ookveler ogen gerlcht op de laatste (zesde) in-dustrialisatienota, wat betreft een doeltref-fend beleid t.a.v. verdere industriespreiding.De meest doelmatige grondslag voor eenzodanig beleid is naar ons oordeel het zichbaseren op de resultaten van omvangrijk enverantwoord opgezet vergelijkend bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek en daa;wordt in de genoemde nota in het geheel nietover gesproken. Thans zijn alleen weer globalemaatregelen aangekondigd en het is de vraagof deze iedereen zuUen hebben bevredigd.Wij zullen ons in deze inleiding echter hoofd-zakelijk met de grondslag, met het bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek, bezighouden. Pas wanneer de uitkomsten van zo-danig onderzoek beschikbaar zijn, zou metmeer succes over de doelmatigheid van verderte treffen maatregelen kunnen worden ge-sproken. In afwachting daarvan, kan menvoorlopige en daardoor meestal slechts globale,weinig effectieve, maatregelen treffen.Bedrijfseconomisch vestigingsplaatsonderzoekkent men in het buitenland in ruime mate,zij het in verschillende vormen en met somsafwijkende doelstelling. Wordt het bedrijfs-economisch onderzoek door anderen inge-steld, dan kan de overheid voor eigen beleidtoch veelal van de gepubliceerde resultatendaarvan profiteren.Alvorens het vergelijkend vestigingsplaats-onderzoek nader te bezien, is het wenselijkeerst lets over de vestigingsplaats van in-dustrieen als bedrijfseconomisch vraagstuk inhet algemeen te zeggen. In de bedrijfsecono-mie behoort men ervan uit te gaan dat deondernemer zal trachten de plaats met hethoogste duurzame rendement voor zijn bedrijfop te sporen en zal men tegen deze achter-grond de voor de bedrijfshuishouding rele-vante vestigingsfactoren analyseren. De moei-lijkheid is echter dat er niet een eenvormigbedrijf is voor alle gevallen van bedrijfsves-tiging; men heeft steeds met bedrijven vaneen bepaalde grootte, met een bepaalde func-tionele plaats (d.i. de plaats, welke het bedrijfin het geheel van de maatschappelljke pro-duktie inneemt), met bepaalde kwantitatieveverhoudingen (d.i. de hoeveelheden waarinde verschillende produktiemiddelen binnen debedrijfshuishouding worden aangewend) e.d.te maken. Sociale factoren en planologischemaatregelen beinvloeden eveneens de vesti-gingsplaats en wegens de economische gevol-gen daarvan, mogen deze aspecten eveneensniet ontbreken in een bedrijfseconomische be-handeling van het vestigingsplaatsvraagstuk.Voor een voUedige analyse van genoemdvraagstuk, mogen wij verwijzen naar ons boekover deze kwestie. '')Verdieping van het bedrijfseconomisch in-zicht in de vestigingsplaats van industrieenzal ongetwijfeld kunnen leiden tot een doel-matiger bedrijfsbeleid van de ondernemer opdit gebied. Ook zonder dat in feite verdereindustriespreiding zou optreden, is het tochzeer gewenst (onder meer om sterk te staanin de concurrentiestrijd op de komendeEuromarkt) dat de ondernemer een zo doel-matig mogelijke vestigingsplaats kiest. Latereverplaatsingen zijn dikwijls onmogelijk doorde daaraan verbonden nadelen en aanpassmgvan de overige bedrijfsverhoudingen aan eenongunstige vestigingsplaats is dikwijls nietof althans in onvoldoende mate mogelijk.In de zesde industrialisatienota lezen wij opbiz. 40: ,,Niet alleen kan hij (d.i. de onder-nemer) beter dan de overheid de voor- ennadelen van een bepaalde vestigingsplaatsbeoordelen, enz." In wezen is dit ook inder-daad zo en behoort de overheid de vestigings-plaatskeuze niet aan de ondernemer uit han-^) Dr. G. R. Krusel, De industriele vestigings-plaats. Deel XXIV in de serie ,,Bedrijfs-economische Monographieen", Leiden 1957.171BfdrijjsecunomischQtiderzoek industriespreidinzden te nemen. Maar de vraag is of de onder-netner in de praktijk de vestigingsplaats nuook werkelijk 20 doelmatig mogelijk kiest.Voor de Nederlandse ondernemer mag dit invergelijking met Amerika veelal als twijfel-achtig worden bestempeld. Een korte bespre-king van de situatie in Amerika op ditgebied moge het een en ander verduidelijken.Uit de vele Amerikaanse publicaties over deindustriele vestigingsplaats komt duidelijk totuiting dat de Amerikaanse ondernemer inhet algemeen zeer zorgvuldig de voor- ennadelen van verschillende vestigingsplaatsenvergelijkt, alvorens hij een definitieve keuzedoet. 3) De Amerikaanse ondernemer is watde vestigingsplaatskeuze betreft dus veelalzeer rationeel ingesteld, maar hij kan dan ooksteunen op de hulp van eigen of onafhanke-lijke deskundigen. Grote concerns hebben dik-wijls eigen specialisten in dienst tot adviesvan of wel voor het eigenlijk vestigings-plaatsonderzoek van de ,,productgroepen" bijnieuwe vestigingen. Naar ons is gebleken,heeft in ons land zelfs Philips geen eigenspecialist voor dit soort werk in dienst.Maar ook de kleinere bedrijven in Amerikakunnen rekenen op de hulp van geheel ofgrotendeels onafhankelijke deskundigen. On-afhankelijk is hier bedoeld in de zin van nietgebonden aan talloze plaatselijke of streek-belangen. Zeer bekend zijn de ,,industrialdevelopment departments" van de spoorwe-gen (dit zijn private organisaties), weike,veelal gratis of althans zeer goedkoop, adviesgeven of onderzoek verrichten. Het meestinteressant is echter de voUedig zelfstandigebedrijfseconomische adviseur, die zich uitslui-tend met opdrachten inzake de vestigings-plaatskeuze bezighoudt. Een zeer bekendeorganisatie op dit gebied is b.v. de Fantusfactory locating service.Dat dergelijke adviesbureaus of adviseurs 'nAmerika bestaansrecht hebben verworven,mag zeker als een bewijs worden gezien voorhet belang, dat de Amerikaanse industrieelaan een goede vestigingsplaatskeuze toekent.De wenselijkheid dat ook de Nederlandseondernemer van onafhankelijke deskundigengebruik maakt bij de vestigingsplaatskeuze,de eisen aan zo'n specialist te stellen, demogelijke vorm van opdrachten aan hem teverstrekken, de organisatie van diens bureaue.d., hebben wij elders reeds behandeld. *)Natuurlijk kent men in Amerika eveneensambtelijke en semi-ambtelijke instanties, wei-ke de industriele belangen van bepaaldeplaatsen, gebieden of staten behartigen, maarde ondernemer vertrouwt daar zeker niet uit-sluitend op. Men moet bedenken dat alseen ondernemer ten onrechte tot vestigingin b.v. een ontwikkelingsgebied wordt ver-leid, dit wel tot verdere industriespreidingbijdraagt, maar zeker in bedrijfseconomischopzicht te verwerpen is.Welke betekenis hebben deze Amerikaanseverhoudingen nu voor de industriespreiding?Naar ons oordeel het volgende, nl. dat goedevestigingsmogelijkheden in minder ontwik-kelde delen van het land spoediger door deAmerikaanse ondernemer zullen worden benutdoor diens in dit opzicht scherpere calcula-ties en de beschikbaarheid van deskundigeadviseurs. Daarbij komt dan nog de voor-lichtende waarde van het algemeen bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek (hetzojuist behandelde betrof het private onder-zoek door afzonderlijke ondernemingen),hetgeen ons weer bij ons eigenlijke onder-werp brengt. Ter illustratie zullen een paarpublicaties naar aanleiding van dergelijk on-derzoek in het kort worden besproken.Allereerst dat van Dr. G. Mc Laughlin enDr. St. Robock ?''), beiden ervaren econo-mische specialisten op het gebied van vesti-gingsplaatsvraagstukken. Dit onderzoek werd^) Men zie b.v. ..Techniques of plant loca-tion". Rapport no. 61 van de National In-dustrial Conference Board. New York 1953.') Dr. G. R. Krusel, De vestigingsplaatsad-viseur, een nieuw vrij beroep? Art. in Maand-blad voor Accountancy en Bedrijfshuishoud-kunde van maart 1958.^) ,,Why industry moves South". Nationalplanning association, 1949.verricht in opdracht van het Committee ofthe South en betrof de industrievestiging inhet zuiden van de Verenigde Staten. Men koosvoor het onderzoek 88 grote nieuwe vesti-gingen uit verschillende bedrijfstakken, veelaldochterondernemingen van grote concerns uithet noorden. Zeer uitvoerig werden leidendefunctionarissen door beide onderzoekers on-dervraagd, zo nodig met behulp van voorafopgestelde vragenlijsten, naar de beweegre-denen tot en ervaringen met de nieuwe vesti-gingen in het zuiden. Het bleek dat de on-dernemingen de vestigingsplaatsen zeer zorg-vuldig hadden gekozen, zeer tevreden warenmet de behaalde resultaten en bovendien datde vestigingsfactoren t.a.v. het zuiden eenandere rol speelden dan men meestal aannam.Vroeger dacht men nl. dat goedkope arbeids-krachten de aantrekkingskracht van het zui-den vormden, maar dit bleek een misvattingte zijn. De markt en de beschikbaarheidvan grondstoffen spelen een grotere rol enbij de arbeidsfactor zelf is het nauwelijkshet lage loon, maar veeleer de omvang vanhet aanbod, het lagere arbeidsverloop en degoede sfeer van samenwerking in het zuiden.Hieruit blijkt wel dat het zeer gevaarlijk isom met starre schema's te gaan werken; be-drijfseconomisch onderzoek kan pas de wer-kelijke overweglngen van de ondernemer bijde vestigingsplaatskeuze aan het licht bren-gen. Zulke rapporten spreken tot de onder-nemer; de ervaringen van andere onder-nemers op duidelijke wijze uiteengezet, leideneer tot navolging en dus tot vestiging vanIndustrie dan de b.v. op zichzelf doodseaankondiging dat ergens gunstig gelegenindustrieterreinen beschikbaar zijn. Het citerenvan uitspraken van bedrijfsleiders t.a.v.hun vestiglngservaringen achten Mc Laughlinen Robock in vele gevallen doeltreffenderdan publicatie van een statistische bewerkingvan verzamelde cijfers. Ten slotte bezienMc Laughlin en Robock ook nog de bedrijfs-groepen afzonderlijk.Op te merken valt nog dat de Amerikaanseondernemer bij de regionale Industrialisatieniet eens zo fel op kunstmatige voordelen172Bedrijjscconomischonderzonk industriespreidmgHet bedrijfs-economisch onderzoek alsgrondslag voor doelmatig beleid ten aanzienvan industriespreidingDat Nederland belang heeft bij verdere in-dustriespreiding, in verband met de proble-men door de bevolkingsconcentratie in deRandstad Holland in het leven geroepen endoor de problemen van de in ontwikkelingachterblijvende gebieden, wordt wel alge-meen aanvaard. Nederland kent dit soortproblemen echter niet alleen en bovendien ishet niet een vraagstuk, dat pas de laatstejaren aan de orde wordt gesteld. In Rus-land b.v. werd de rcgionale industrialisatievrijwel onmiddellijk na de komst van hetsowjctregime een belangrijke aangelegenheid.Economische en militaire overwegingen heb-ben sindsdien de decentralisatie in Ruslandbeheerst. ^)Dat industriespreiding in het collectivismegemakkelijker is te verwezenlijken of beteraf te dwingen dan in een maatschappij meteen meer vrije economic, zal wel nauwelijksnader betoog behoeven; industrieplanning enruimtclijke planning kunnen in het collec-tivisme nl. volledig op elkaar worden af-gestemd. Maar bij handhaving van deondernemingsgewijze produktie is verdereindustriespreiding, althans binncn zekere gren-zen, eveneens te verwezenlijken. De mate vanindustriespreiding, welke in vele niet-collec-tivistische landen vrijwel automatisch totstand kwara, vooral na de algemene ontwik-keling van verkeers- en communicatiewezenen de toepassing van de electriciteit, bleekdikwijls onvoldoende te zijn. De personeels-schaarste na de oorlog en ook de reedsgetroffen maatregclcn voor de ontwikkelings-gebieden, hebben het regionale industriali-satievraagstuk in Nederland eveneens nogniet opgelost. i ^') Men zie o.a. K. A. Petrossjan, Die sow-jetische Methode der Industrialisierung. Ber-lijn 1953en ,,Soviet industry moves Eastward". Art. in,,The Economist" van 16 juni 1951.Dr. G. R. KruselGezien de bestaande moeilijke ruimtelijkevraagstukken in ons land, waren dan ookveler ogen gerlcht op de laatste (zesde) in-dustrialisatienota, wat betreft een doeltref-fend beleid t.a.v. verdere industriespreiding.De meest doelmatige grondslag voor eenzodanig beleid is naar ons oordeel het zichbaseren op de resultaten van omvangrijk enverantwoord opgezet vergelijkend bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek en daaiwordt in de genoemde nota in het geheel nietover gesproken. Thans zijn alleen weer globalemaatregelen aangekondigd en het is de vraagof deze iedereen zuUen hebben bevredigd.Wij zullen ons in deze inleiding echter hoofd-zakelijk met de grondslag, met het bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek, bezighouden. Pas wanneer de ultkomsten van zo-danig onderzoek beschikbaar zijn, zou metmeer succes over de doelmatigheid van verderte treffen maatregelen kunnen worden ge-sproken. In afwachting daarvan, kan menvoorlopige en daardoor meestal slechts globale,weinig effectieve, maatregelen treffen.Bedrijfseconomisch vestigingsplaatsonderzoekkent men in het buitenland in ruime mate,zij het in verschillende vormen en met somsafwijkende doelstelling. Wordt het bedrijfs-economisch onderzoek door anderen inge-steld, dan kan de overheid voor eigen beleidtoch veelal van de gepubliceerde resultatendaarvan profiteren.Alvorens het vergelijkend vestigingsplaats-onderzoek nader te bezien, is het wenselijkeerst lets over de vestigingsplaats van in-dustrieen als bedrijfseconomisch vraagstuk inhet algemeen te zeggen. In de bedrijfsecono-mie behoort men ervan uit te gaan dat deondernemer zal trachten de plaats met hethoogste duurzame rendement voor zijn bedrijfop te sporen en zal men tegen deze achter-grond de voor de bedrijfshuishouding rele-vante vestigingsfactoren analyseren. De moei-lijkheid is echter dat er niet een eenvormigbedrijf is voor alle gevallen van bedrijfsves-tiging; men heeft steeds met bedrljven vaneen bepaalde grootte, met een bepaalde func-tionele plaats (d.i. de plaats, welke het bedrijfin het geheel van de maatschappelijke pro-duktie inneemt), met bepaalde kwantitatieveverhoudingen (d.i. de hoeveelheden waarinde verschillende produktiemiddelen binnen debedrijfshuishouding worden aangewend) e.d.te maken. Sociale factoren en planologischemaatregelen beinvloeden eveneens de vesti-gingsplaats en wegens de economische gevol-gen daarvan, mogen deze aspecten eveneensniet ontbreken in een bedrijfseconomische be-handeling van het vestigingsplaatsvraagstuk.Voor een volledige analyse van genoemdvraagstuk, mogen wij verwijzen naar ons boekover deze kwestie. ^)Verdieping van het bedrijfseconomisch in-zicht in de vestigingsplaats van industrieenzal ongetwijfeld kunnen leiden tot een doel-matiger bedrijfsbeleid van de ondernemer opdit gebied. Ook zonder dat in feite verdereindustriespreiding zou optreden, is het tochzeer gewenst (onder meer om sterk te staanin de concurrentiestrijd op de komendeEuromarkt) dat de ondernemer een zo doel-matig mogelijke vestigingsplaats kiest. Latereverplaatsingen zijn dikwijls onmogelijk doorde daaraan verbonden nadelen en aanpassingvan de overige bedrijfsverhoudingen aan eenongunstige vestigingsplaats is dikwijls nietof althans in onvoldoende mate mogelijk.In de zesde industrialisatienota lezen wij opbiz. 40: ,,Niet alleen kan hij (d.i. de onder-nemer) beter dan de overheid de voor- ennadelen van een bepaalde vestigingsplaatsbeoordelen, enz." In wezen is dit ook inder-daad zo en behoort de overheid de vestigings-plaatskeuze niet aan de ondernemer uit han-^) Dr. G. R. Krusel, De industriele vestigings-plaats. Deel XXIV in de serie ,,Bedrijfs-economische Monographieen", Leiden 1957.171BL'ilnjjsecunomiichQr/derzoek industriespreidingden te nemen. Maar de vraag is of de onder-nemer in de praktijk de vestigingsplaats nuook werkelijk zo doelmatig mogelijk kiest.Voor de Nederlandse ondernemer mag dit invergelijking met Amerika veelal als twijfel-achtig worden bestempeld. Een korte bespre-kmg van de situatie In Amerika op ditgebied moge het een en ander verduidelijken.Uit de vele Amerikaanse publicaties over deindustriele vestigingsplaats liomt duidelijk totuiting dat de Amerikaanse ondernemer inhet algemeen zeer zorgvuldig de voor- ennadelen van verschillende vestigingsplaatsenvergelijkt, alvorens hij een definitieve keuzedoet. 3) De Amerikaanse ondernemer is watde vestigingsplaatskeuze betreft dus veelalzeer rationeel ingesteld, maar hij kan dan ooksteunen op de hulp van eigen of onafhanke-lijke deskundigen. Grote concerns hebben dik-wijls eigen specialisten in dienst tot adviesvan of wel voor het eigenlijk vestigings-plaatsonderzoek van de ,,productgroepen" bijnieuwe vestigingen. Naar ons is gebleken,heeft in ons land zelfs Philips geen eigenspecialist voor dit soort werk in dienst.Maar ook de kleinere bedrijven in Amerikakunnen rekenen op de hulp van geheel ofgrotendeels onafhankelijke deskundigen. On-afhankelijk is hier bedoeld in de zin van nietgebonden aan talloze plaatselijke of streek-belangen. Zeer bekend zijn de ..industrialdevelopment departments" van de spoorwe-gen (dit zijn private organisaties), weike,veelal gratis of althans zeer goedkoop, adviesgeven of onderzoek verrichten. Het meestinteressant is echter de volledig zelfstandigebedrijfseconomische adviseur, die zich uitslui-tend met opdrachten inzake de vestigings-plaatskeuze bezighoudt. Een zeer bekendeorganisatie op dit gebied is b.v. de Fantusfactory locating service.Dat dergelijke adviesbureaus of adviseurs 'nAmerika bestaansrecht hebben verworven,mag zeker als een bewijs worden gezien voorhet belang, dat de Amerikaanse industrleelaan een goede vestigingsplaatskeuze toekent.De wenselijkheid dat ook de Nederlandseondernemer van onafhankelijke deskundigengebruik maakt bij de vestigingsplaatskeuze,de eisen aan zo'n specialist te stellen, demogelijke vorm van opdrachten aan hem teverstrekken, de organisatie van diens bureaue.d., hebben wij elders reeds behandeld. ^)Natuurlijk kent men in Amerika eveneensambtelijke en seml-ambtelijke instanties, wei-ke de industriele belangen van bepaaldeplaatsen, gebieden of staten behartigen, maarde ondernemer vertrouwt daar zeker niet ult-sluitend op. Men moet bedenken dat alseen ondernemer ten onrechte tot vestigingIn b.v. een ontwikkelingsgebled wordt ver-leld, dit wel tot verdere industriespreidingbijdraagt, maar zeker in bedrijfseconomlschopzicht te verwerpen is.Welke betekenis hebben deze Amerikaanseverhoudlngen nu voor de industriespreiding?Naar ons oordeel het volgende, nl. dat goedevestigingsmogelijkheden in minder ontwlk-kelde delen van het land spoedlger door deAmerikaanse ondernemer zullen worden benutdoor diens in dit opzicht scherpere calcula-ties en de beschikbaarheid van deskundigeadviseurs. Daarbij komt dan nog de voor-lichtende waarde van het algemeen bedrljfs-cconomisch vestiglngsplaatsonderzoek (hetzojuist behandelde betrof het private onder-zoek door afzonderlijke ondernemingen),hetgeen ons weer bij ons eigenlijke onder-werp brengt. Ter illustratle zullen een paarpublicaties naar aanlelding van dergelijk on-derzoek In het kort worden besproken.Allereerst dat van Dr. G. Mc Laughlln enDr. St. Robock ?''), belden ervaren econo-mische specialisten op het gebied van vesti-gingsplaatsvraagstukken. Dit onderzoek werd') Men zie b.v. ..Techniques of plant loca-tion". Rapport no. 61 van de National In-dustrial Conference Board. New York 1953.') Dr. G. R. Krusel. De vestigingsplaatsad-viseur. een nieuw vrij beroep? Art. In Maand-blad voor Accountancy en Bedrljfshuishoud-kunde van maart 1958.?'"') ..Why Industry moves South". Nationalplanning association. 1949.verricht in opdracht van het Committee ofthe South en betrof de industrievestiging inhet zuiden van de Verenigde Staten. Men koosvoor het onderzoek 88 grote nieuwe vesti-gingen uit verschillende bedrijfstakken. veelaldochterondernemingen van grote concerns uithet noorden. Zeer uitvoerig werden leidendefunctlonarissen door beide onderzoekers on-dervraagd, zo nodig met behulp van voorafopgestelde vragenlijsten. naar de beweegre-denen tot en ervaringen met de nieuwe vesti-gingen in het zuiden. Het Week dat de on-dernemingen de vestigingsplaatsen zeer zorg-vuldig hadden gekozen, zeer tevreden warenmet de behaalde resultaten en bovendien datde vestlgingsfactoren t.a.v. het zuiden eenandere rol speelden dan men meestal aannam.Vroeger dacht men nl. dat goedkope arbeids-krachten de aantrekkingskracht van het zui-den vormden. maar dit bleek een misvattingte zijn. De markt en de beschikbaarheidvan grondstoffen spelen een grotere rol enbij de arbeidsfactor zelf is het nauwelijkshet lage loon, maar veeleer de omvang vanhet aanbod. het lagere arbeidsverloop en degoede sfeer van samenwerking in het zuiden.Hierult blijkt wel dat het zeer gevaarlijk isom met starre schema's te gaan werken; be-drijfseconomlsch onderzoek kan pas de wer-kelijke overwegingen van de ondernemer bijde vestigingsplaatskeuze aan het llcht bren-gen. Zulke rapporten spreken tot de onder-nemer; de ervaringen van andere onder-nemers op duidelijke wijze uiteengezet. leideneer tot navolging en dus tot vestiging vanIndustrie dan de b.v. op zichzelf doodseaankondiging dat ergens gunstig gelegenindustrieterrelnen beschlkbaar zijn. Het citerenvan ultspraken van bedrijfsleiders t.a.v.hun vestigingservarlngen achten Mc Laughlinen Robock in vele gevallen doeltreffenderdan publicatie van een statistische bewerkingvan verzamelde cijfers. Ten slotte bezlenMc Laughlin en Robock ook nog de bedrijfs-groepen afzonderlijk.Op te merken valt nog dat de Amerikaanseondernemer bij de regionale industrialisatleniet eens zo fel op kunstraatige voordelen172Bedrijfseconomischonderzoek industriespreidingafvliegt; men is daar zelfs enigszins huiverigvoor (geworden). Het aanvaarden van b.v.een goedkope geldlening van een gemeentekan voor de ondcrnemer een tweesnijdendzwaard zijn. Enerzijds kan de ondernemerdaardoor op blijvende belangstelling rekenen,maar andererzijds dreigt het gevaar dat hetgemeentebestuur zich op ondeskundige wijzemet het bedrijfsbeleid wil gaan bemoelen.Daarentegen is de Amerikaanse ondernemerjuist sterk op de sociaal-psychologische fac-toren gaan letten, met name in hoeverre opde te kiezen vestigingsplaats een goede samen-werking mogelijk is met het personeel en deplaatselijke gemeenschap.Twee andere zeer belangwekkende rapportengeven een verslag van door de NationalIndustrial Conference Board verrichte onder-zoekingen. ") Het betreft onderzoekingen bijrespectievelijk 148 en 138 ondernemingen.Het vraagstuk van de geografische decentra-lisatie van bedrijven wordt hierbij uitvoerigin aile bedrijfscconomische consequenties be-licht. Dit is begrijpelijk, omdat de regionaleindustrialisatie t.a.v. de minder ontwikkeldedelen van een land dikwijls steunt op devestiging van filialen bchorende tot onder-nemingen uit oude industriedistricten.Deze rapporten geven duidelijk de betekenisaan van de vestigingsfactoren voor de In-dustrie in de vcrschillende delen van Ame-rika en de optrcdende veranderingen in deregionale industricle ontwikkeling. In hetrapport van 1948 wordt nog een naderebeschouwing gewijd aan verschillende bedrijfs-groepen en afzonderlijke ondernemingen, watbetreft de gevoerde bedrijfspolitiek t.a.v.centralisatie of decentralisatie. De rapportengeven, kort samengcvat, een beeld van deindustriespreiding en mogelijke verdere ont-wikkeling daarvan op bedrijfseconomischegrondslag. De gekozen vestigingsplaatsen ble-kcn ook hier in het algemeen op grond vanzorgvuldige begrotingen en berekeningen totstand te zijn gekomen. Men geeft in dezerapporten geen theoretische speculaties, geendood cijfermateriaal, maar alles is gebaseerdop direct bedrijfsonderzoek en op feitelijkebedrijfservaringen.Het bedrijfseconomisch onderzoek moet perio-diek worden herhaald en dit geldt zowelvoor de overheid als voor het private bedrijfs-leven, om met veranderde omstandighedenen nieuwe mogelijkheden zo gunstig mogelijkrekening te kunnen houden.Ook de universiteiten zelf hebben in Amerikabedrijfseconomische research verricht t.a.v.de vestigingsplaats, b.v. die van Michigan. '')De belangstelling voor het vestigingsplaats-onderzoek en de mogelijkheden daartoe doorhet aanwezig zijn van een voldoend aantalvakspecialisten, zuUen ongetwijfeld mede tedanken zijn aan het economlsch hoger onder-wijs in Amerika. De universiteiten beschikken(en beschikten) daar over hoogleraren (eco-nomen), die specialist zijn op het gebied vanhet vestigingsplaatsvraagstuk. Te noemen val-len Prof. Hoover (Michigan), Prof. Isard(Pensylvania) en Prof. Greenhut (Florida).Behalve andere publicaties verschenen vandeze deskundigen bekende handboeken. *)Trouwens in de Duitse literatuur (en aan deuniversiteiten daar) is het vestigingsplaats-vraagstuk ook steeds uitvoerig aan de ordegeweest.Te concluderen valt uit dit alles dat deuniversiteiten, verschillende autoriteiten, enwat zeer belangrijk is het Amerikaanse be-drijfsleven, grote belangstelling hebben voorhet vraagstuk van de (industriele) vestigings-plaats, hetgeen zich onder meer in de ge-noemde research uitte.?) Rapport no. 30, Decentralisation in in-dustry (1948) enRapport no. 59, Trends in industrial loca-tion (1952).') University of Michigan, Industrial mobi-lity in Michigan. Ann Arbor, 1950.**) E. M. Hoover, The location of economicactivity. New York 1948.W. Isard, Location and space-economy. NewYork, London, 1956.M. L. Greenhut, Plant location in theory andin practice, Chapel Hill, 1956.Alvorens verder te gaan, willen wij eerst nogeen mogelijk misverstand uit de weg ruimen.Het bedrijfseconomisch onderzoek geeft demogelijkheden, de voor- en nadelen van in-dustriespreiding in privaat-economische zin.In hoeverre dit alles ook maatschappelijkgewenst is, de maatschappelijke voor- en na-delen van industrievestigingen vormen eenander probleem. Het bedrijfseconomisch on-derzoek kan b.v. verdere of nieuwe vcsti-gingsmogelijkheden aantonen in plaatsen of instreken waar dit in algemeen planologischopzicht toch minder gewenst zou zijn. Hetoverheidsbeleid kan dus niet uitsluitend opbedrijfseconomisch onderzoek worden gegrond-vest. ^) Het biedt weliswaar een logisch uit-gangspunt voor het beleid t.a.v. industrie-spreiding, met name in een land waar denoodzaak tot verdere industriespreiding alge-meen wordt ingezien, maar het overheids-beleid zal uiteindelijk ook andere overwe-gingen een rol laten spelen. Bedrijfseconomischonderzoek zal hierbij echter weer inzichtkunnen verschaffen in de vraag in welkemate de overheid andere overwegingen eenrol kan laten spelen zonder de rentabiliteitvan de betreffende industrieen aan te tasten.Op het belangrijke vraagstuk van de ver-scheidenheid van industrievestigingen, dat bijde industriespreiding mede aan de ordekomt, kan op deze plaats eveneens niet wor-den ingegaan. Vermeld zij slechts dat diversi-ficatie van industrievestigingen niet alleenuit economische, maar ook uit sociale en mi-litaire overwegingen zal worden nage-streefd. i")Na deze tussenopmerkingen vraagt de inEngeland toegepaste vorm van bedrijfsecono-misch vestigingsplaatsonderzoek de aandacht,nl. het vaststellen en analyseren van kosten-") Bij de discussie werd door de verschillendesprekers dit gemaakte voorbehoud vrijwelgeheel genegeerd.^0) Voor nadere bizonderheden over dezekwesties mogen wij de belangstellende lezerverwijzen naar de desbetreffende hoofdstuk-ken van ons reeds genoemde boek.173Bedrijfseconomischonderzoek industricspreidin^verschillen bij productie op verschillendeplaatsen. Het National Institute of Economicand Social Research en de Universiteiten vanLonden en Birmingham hebben zich jarenlangmet deze research bezig gehouden, daarbijgestimuleerd door de Board of Trade metfinanciele en andere hulp. De Engelse rege-ring heeft steeds grote belangstelling gehadvoor de problemen van Londen en de ont-wikkelingsgebieden en naast vela anderemaatregelen is het stimuleren van dit soortonderzoek een bewijs van de wil om toteen doelmatig beleid t.a.v. industriespreidingte komen. Het onderzoek was nog in voilegang, toen in 1952 de eerste, voorloplgerapporten ^^) werden gepubliceerd. In hetrapport van Luttrell is het onderzoek gerichtop ondernemingen in de ,,North MidlandRegion", die elders filialen vestigden. Hetrapport van Hague en Newman betreft dedecentralisatie van de Londense kleding-industrie ten gunste van de ontwikkelings-gebieden, met name Zuid Wales.In deze rapporten worden slechts de gedetail-leerde resultaten van een klein aantal be-drijven gegeven, alhoewel de meeste conclu-sies op een groter aantal onderzochte gevallenbetrekking hebben. Luttrell (het betreft deschoen- en werktuigindustrie) geeft vele ta-bellen met absolute kostencijfers; Hague enNewman vermelden de gevonden kostenver-schillen slechts als percentages van de omzet.Dit laatste maakt de ondernemer minderhuiverig om medewerking aan dergelijke on-derzoekingen te verlenen. De onderzoekersverzamelden, waar mogelijk, het materiaalrechtstreeks uit de boeken van de betreffendebedrijven, die ook op ander gebied alle me-dewerking verleenden. Ingaan op de gebezigdekostengroeperingen zou ons hier te ver voe-ren; wat de ultkomsten betreft, zij vermeld^1) W. F. Luttrell, The cost of industrialmovement. Cambridge 1952.D. C. Hague, P. K. Newman, Costs in alter-native locations: The clothing industry.Cambridge 1952.dat de filialen over het algemeen een vrijgunstig beeld vertoonden. Maar voor eendefinitief oordeel over de mogelijkheden totverdere Industriespreiding en zeker om toteen doelmatige grondslag voor het over-heidsbeleid te komen, daarvoor moet het on-derzoek nog worden verbreed. Het onderzoekrichtte zich reeds op de metaal-, elcctro-technische-, kleding-, textiel-, werktuig- enschoenindustrie. Bij het bedrijfseconomischonderzoek komt automatisch de kwestie aande orde welke bedrijfstakken of ondernemin-gen al dan niet voor (verdere) decentralisatiein aanmerking komen.Het is nuttig de problematiek van dit soortonderzoek lets nader te bezien en daarbij nogenige aandacht aan de laatstgenoemde rap-porten te schenken. Wij zullen met enige losseopmerkingen moeten volstaan; een systema-tische behandeling zou te ver in het gebiedvan de bedrijfseconomie en de vestigingsplaats-theorie voeren.Het beoordelen van de mogelijkheden totproductie op verschillende plaatsen eist eenbegroting van het rendement van het te in-vesteren vermogen op die plaatsen, waarvoorkostencalculaties en marktanalyse nodig zijn.De omvang van de investeringen kan doorb.v. de mogelijkheid van het kunnen hurenvan bedrijfsruimte of door verschil in be-drijfsgrootte uiteenlopen. Marktanalyse isnodig om b.v. inzicht te krijgen in de vraagof bij een andere vestigingsplaats dezelfdedan wel een andere verkoopmarkt (-gebied)zal worden benut. De kwestie van verzor-gende en stuwende bedrijven komt daarbijeveneens aan de orde. De Engelse rapportenzijn in laatstgenoemde opzichten als onvolle-dig te bestempelen.Het vergelijken van bestaande met denkbeel-dige bedrijven elders eist voorzichtiger con-clusies dan het vergelijken van uitsluitendreeds gevestigde bedrijven op verschillendeplaatsen. Het betreft dus het willen vergelij-ken van realiteiten en schattingen. Toch zalmen niet steeds zijn toevlucht tot reeds ge-vestigde bedrijven kunnen nemen, omdat an-ders de mogelijkheden van b.v. de ontwik-kelingsgebieden niet voUedig kunnen wordenonderzocht.Elk bedrijf heeft in de eerste tijd na de op-richting met aanloopmoeilijkheden te kam-pen; hogere kosten op een bepaalde vesti-gingsplaats behoeven dan ook niet blijvendte zijn. Luttrell vergeleek daarom tevens dekostenontwikkeling over enige jaren t.a.v. defiliaalvestigingen. Op deze wijze kunnen detijdelijke van de blijvende kostenverschillenworden gescheiden.Fouten in de interne organisatie, b.v. hetontbreken van een eigen filiaalleiding terplaatse, of welke fouten dan ook in het be-drijfsbeleid, kunnen eveneens een verkeerdbeeld geven van de vestigingsplaats van eenbedrijf en behoren bij het vergelijkend vesti-gingsplaatsonderzoek, althans in principe,geheel te worden uitgeschakeld.Met de vestigingsplaats kunnen verder ver-anderingen in de bedrijfsgrootte, in functio-ncle plaats, in kwantitatieve verhoudingen e.d.optreden, althans wanneer men in bedrijfs-economisch opzicht rationed wil handelenen dit maakt het dan in de betreffende ge-vallen ongewenst om identieke bedrijven opverschillende plaatsen te gaan vergelijken.Het vestigingsplaatsonderzoek eist dus tevenseen analyse van de meest doelmatige be-drijfsverhoudingen op de betreffende vesti-gingsplaatsen, wil men althans de mogelijk-heden van industrievestiging in een bepaaldeplaats of streek volledig opsporen en benut-ten. Hague en Newman stonden ook voordeze kwestie van het al dan niet vergelijkenvan identieke bedrijven. Bovendien is hetde vraag (rapport Luttrell) of men de kostenper eenheid product van een filiaal moetvergelijken met die van de huidige productiedan wel met die van een vergrote productievan het hoofdbedrijf (als het filiaal dus nietzou zijn gevestigd).Naar ons oordeel moeten bij het vergelijkendvestigingsplaatsonderzoek tevens en vooralde plaatsen van grote bedrijven nauwkeurigworden bezien, b.v. t.a.v. vestiging in hetwesten of in overig Nederland, aangeziende grotere bedrijven minder agglomeratiege-174Het geldvliegt ndeur uit...Cumarol ELCNat hout iseen ramp voor de exploitatierekening. Of Never gezegd: dat was het! Want nu kunt U laten schilderenmet Cumarol EL, de speciale Vettewinkel-verf voor nat hout en .. . voor hout dat steeds weer water opzuigt.Cumarol EL laat het vocht ontsnappen zonder de verflaag aan te tasten. Geen blaarvorming, geen loslatende verfmeer. Jarenlang houdt U een gave verf-film. Reken ... en reken af met Vijand Vocht, de verf- en geldverslinder!Cumarol EL verlost U van een zware post op de exploitatierekening.Vraag per briefkaart gratis brochure ,,Cumarol EL voor vochtig hout" aan Vettewinkel, Postbus 175,Amsterdam.1^ II '?1*31^erf ?an ?ettewinkel,,6// de Tijd** op verfgebied!* In Arnhem Zuid vindt U een groot gedcelte der 800 wonin-gen van de Arnhemse Centrale Woningstichting, weike metCumarol EL werden behandeld. Na anderhalf jaar geen spoorvan blaren of bladders op het hout dat voordien niet te schilde-ren bleek. Puntgaaf en kleurrijk, dank zij de nieuwe vindingvan Vettewinkel: Cumarol EL, de verf die vocht gelegenheldgeeft te ontsnappen, zonder de verflaag te beschadigen,Cumarol EL is verkrijgbaar in 12 kleuren.VACAiyi^i>MiDIENST DER PUBLIEKE WERKENAMSTERDAMBij de afdeling STADSONTWIKKELING kunnen wor-den geplaatst:a. Een ervaren stedebouwkundige krachtmet ruime kennis van en belangstelling voor detechnische (in het bijzonder verkeerstechnische)aspecten van het stadsplan en met leidinggevendecapaciteiten.Diplomaj h.t.s. (w. en w.) vereist.b. Ontwerpkrachten,die zullen worden ingeschakeld bij het ontwerpenen bij het uitwerken van de uitbreidings- en/ofbinnenstadsplannen.Ruime stedebouwkundige ervaring vereist.c. Stedebouwkundige tekenaars.Ervaring vereist; diploma stedebouwkundig teke-naar P.B.N.A. strekt tot aanbeveling.d. Een maquettenmaker,Naast esthetisch inzicht is ruime ervaring in demaquettenbouw vereist; diploma l.t.s.-meubelma-ken en kennis van metaalbewerking strekken totaanbeveling.Rang eti salaris, afhankelijk van opieiding, ervaringen leeftijd, nader overeen te komen.Salarisgrenzen voor de betrekking(en), genoemd onder:a. minimum / 7.382,40 - maximum / 10.689,60;b. minimum / 5.668,44 - maximum / 9.544,80;c. minimum / 3.975.97 - maximum / 7.119,13;d. minimum / 3.975,97 - maximum / 5.856,49.(Bij bijzondere bekwaamheid uitloop mogelijk tot/ 6.581,84).Vergoeding van pensioen-, reis- en verhuiskosten vol-gens de gemeentelijke regeling.Sollicitaties onder no. 25966 in te zenden bij de Di-recteur der Gem. Personeelsvoorziening, Sarphatistraat92, Amsterdam C.Gemeente BredaBij de afdeling stedebouw van de dienst van openbarewerken kan worden geplaatst:een TEKENAARin de rang van aspirant-tekenaar of tekenaar. Het bezitvan het diploma stedebouwkundig tekenaar P.B.N.A. strekttot aanbeveling.Salarisgrenzen: tekenaar / 3.599,86 -- / 4.721,46aspirant-tekenaar / 2.444,68 -- f 3.975,97,exclusief vakantietoeslag en huurcompen-satie.Verplaatsingskosten worden vergoed, volgens de gemeente-lijke regeling.De gemeente Breda is aangesloten bij het instituut ziekte-voorziening ambtenaren in de provincie Noord-Brabant.Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen omtrent opieiding,vroegere en tegenwoordige werkkring, binnen twee wekenna het verschijnen van dit blad in te zenden aan de direc-teur van openbare werken, Karnemelkstraat 13, Breda.GEMEENTE BEVERWIJKBij de afdeling Stadsontwikkeling van de dienst OpenbareWerken kan worden geplaatst eenstedebouwkundig tekenaarin de rang van tekenaar B of technisch ambtenaar.Vereist: enige jaren ervaring op stedebouwkundig gebied.Salaris: tekenaar B / 364,49--/ 458,51technisch ambtenaar / 398,07--/ 579,40exclusief 2 % huurcompensatie.Rang en salaris zullen worden bepaald naar gelang van ge-schiktheid en ervaring.De gemeente is aangesloten bij het I.Z.A. Noordholland. Vantoepassing zijn het Verplaatsingskostenbesluit en een studie-kostenregeling.Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen binnen tien dagen naverschijning van dit blad in te zenden bij de directeur vanOpenbare Werken, Breestraat 37, Beverwijk.GEMEENTE EDEBij de dienst van gemeentewerkenkan eenSTEDEBOUWKUNDIG TEKENAARworden geplaatst.Vereist wordt het bezit van het diploma P.B.N.A. stede-bouwkundig tekenaar en/of een ruime ervaring op het ge-bied van stedebouwkundig tekenwerk.Salaris afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring, van/ 4548,-- tot / 7032,-- excl. 5,6 % en 6 %.Verplaatsingskostenregeling van toepassing.Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen binnen 14 dagen terichten aan de Directeur van gemeentewerken, Oude Arn-hemseweg 2 te Ede.Op het bureau voorarchitektuur en stedebouwvan ir. S. J. van Embden b.i.Bagijnesteeg 46 te Delftwordt gevraagd een bekwaamSTEDEBOUWKUNDIGONTWERPERSchrlftelijke sollicitatieste richten aan bovengenoemd adres.EEN VACATURE?De juiste man op de juiste plaatsdoor een advertentie in dit tijdschriftBedrijfseconomischonderzoek industriespreidingvoelig, maar juist gevoeliger voor deglome-ratiefactoren zijn. Grote of zeer grote be-drijven kunnen in vele gevallen actief op devestigingsfactoren inwerken, b.v. bouw vaneen fabrieksdorp, aanleg van een weg, doorintegratie ter plaatse een in- of verkoopmarktscheppen e.d., terwijl het kleinbedrijf meestalmoet aanpassen bij de feitelijke situatie.Pionierswerk in de minder ontwikkelde delenvan een land kan daarom in principe hetmeest doelmatig geschieden door daar tc ves-tigen grote bedrijven en in het bizonder doorgrote filiaalvestigingen van reeds bestaandeondernemingen. ^^)Het meest interessant is wel de vraag v/elkeplaatsen men zal gaan vergelijken t.a.v. reedsgevcstigde of nog te vestigen bedrijven. Hetbedrijfseconomisch onderzoek staat toch alvoor talloze moeilijkheden en het is daaromdes te meer af te keuren indien men bewusteen vertekend beeld zou willen gaan oproependoor b.v. een ongunstige vestigingsplaats (vooreen bepaald soort Industrie) in het westenvan Nederland met een zo gunstig mogelijkevestigingsplaats in een randprovincie tegaan vergelijken. Vergelijkt men bestaandebedrijven onderling, dan is het in dit verbandgewenst om mede de doelmatigheid van degekozen vestigingsplaatsen in het onderzoekte betrekken.De beste oplossing is naar ons oordeel ommeer dan een vestigingsplaats in de te ver-gelijken gebieden te bezien; men krijgt opdie manier zowel een inzicht in de verschillenbinnen een streek (gebied) als in de ver-schillen tussen de streken of delen van eenland. Want ook binnen het westen van Ne-derland zelf b.v. is het geenszins zeker datde bedrijven daar steeds de doelmatigstevestigingsplaats kiezen of kozen.Het bedrijfseconomisch onderzoek is in prin-cipe neutraal en het kan dus ook negatieft.a.v. bepaalde delen van een land uitvallen.De overheid weet dan echter in ieder geval^^) Een voUedige behandeling van het ver-band tussen bedrijfsgrootte en vestigings-plaats vindt men in ons meergenoemde boek.waar ze aan toe is en kan dan dienovereen-komstig maatregelen treffen. Hoe omvang-rijker het onderzoek echter wordt opgezet,dus hoe meer gevallen en soorten van in-dustrievestiging worden onderzocht, des tegroter de kans Virordt om de aanwezige moge-lijkheden van industrievestlging voor de min-der ontwikkelde delen van een land op tesporen.Alleen met spreken over de waarschijnlijk-heid dat menig bedrijf ten onrechte in hetwesten van ons land is of wordt gevestigdof althans over bedrijven, die met aanvaard-bare steun ook elders kunnen worden geves-tigd, komt men deze bedrijven niet op hetspoor. Bedrijfseconomisch onderzoek zou eenduidelijker, een meer exact inzicht geven inhet aantal en de soort van deze bedrijvenen tevens de orde van grootte van het ver-schil in productiekosten, of ruimer in renta-biliteit, aan het licht brengen bij vestigingin overig Nederland. Bepaalde voorzieningen,subsidies of faciliteiten kunnen daarna beteraan de behoeften en omstandigheden vanverschillende soorten industrieen of bedrijvenworden aangepast en dus effectiever wer-ken t.a.v. verdere industriespreiding. Bo-vendien, wanneer de overheid de resultatenvan het bedrijfseconomisch onderzoek pu-bliceert, krijgen de ondernemers vanzelf beterinzicht in de bestaande mogelijkheden. Hierkent men, zoals gezegd, in Amerika grotewaarde aan toe.Hoewel verplaatsing van reeds gevestigde be-drijven niet geheel uitgesloten moet wordengeacht, vooral niet als de ondernemer eenduidelijker inzicht krijgt in de nadelen vaneen bepaalde vestigingsplaats, zal dit kwan-titatief gezien toch weinig betekenis hebbenwegens de hoge offers aan verplaatsing ver-bonden. Expansie van bestaande bedrijvenkomt in het algemeen de reeds sterk ontwik-kelde delen van een land het meest ten goedeen bevordert dus als geheel eveneens niet deindustriespreiding. Dit laatste zal in hoofd-zaak moeten steunen op nieuwe vestigingen,hetzij zelfstandig of in de vorm van filialen.Wanneer men bij het bedrijfseconomisch on-derzoek reeds gevestigde bedrijven vergelijkt,dan geschiedt dit dus niet zozeer om ver-plaatsing van bedrijven te bewerkstelligen,maar hoofdzakelijk om de doelmatigsteplaatsen voor nieuwe industrievestigingen opte sporen.Op de kwestie van egale industriespreidingof regionale concentratie in industriekernen,kunnen wij op deze plaats niet ingaan, alleenwillen wij hier opmerken dat het aanwijzenvan industriekernen doelmatiger zou kunnengeschieden indien daarbij mede de resultatenvan bedrijfseconomisch onderzoek in over-weging zouden worden genomen.Zou de overheid in de toekomst toch totingrijpende maatregelen moeten overgaan, inde vorm van b.v. vergunningen bij vestigingin het westen, dan kan zij zich baseren opde resultaten van bedrijfseconomisch onder-zoek en onbillijkheden zoveel mogelijk doenvermijden.Het oprichten van een research-instituutvoor bedrijfseconomisch vestigingsplaatson-derzoek door de overheid zou zeker aanbe-veling verdienen en met name geldt dit,indien het bedrijfsleven of de universiteitenniet voldoende aandacht aan dit onderzoekzouden schenken. De overheid zou zelfs deondernemer tot een meer weloverwogen ves-tigingsplaatskeuze kunnen gaan dwingen, doorhet indienen van vestigingsplannen verplichtte stellen. De ondernemer zou dan begro-tingen moeten indienen t.a.v. de te verwach-ten resultaten op enige vestigingsplaatsen,maar zou toch geheel vrij kunnen blijven watde uiteindelijke keuze van de vestigingsplaatsbetreft. Het research-instituut zou op dezewijze over veel materiaal komen te beschik-ken en een ondernemer om nadere inlich-tingen kunnen vragen indien bepaalde be-grotingen of plaatsen kennelijk misleidend zijnopgesteld of gekozen.Vergeleken met hetgeen wenselijk en mogelijkis en dat geheel of gedeeltelijk in het buiten-land is of wordt gerealiseerd, heeft Neder-land naar ons oordeel een duidelijke achter-stand in te halen op het gebied van bedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek. Over-175Bedrijfseconornischonderzoek industriespreidingheid, bedrijfsleven en universitelten zullendeze research krachtig ter hand moeten nemen,wil men althans van de mogelijkheden totverdere industriespreiding een duidelijk beeldverkrijgen.NabeschouwingDe vele argumenten, die vijf sprekers tegenhet betoogde aanvoerden, konden door deinleider onmogelijk in de hem ter beschikkingstaande tijd volledig worden beantwoord. Wijwillen daarom deze gelegenheid benutten omnaar aanleiding van de discussie nog enigeopmerkingen te maken.Dat Nederland geen achterstand zou hebbenbij het buitenland wat betreft het vergelij-kend vestigingsplaatsonderzoek, lijkt ons eensterke overschatting van hetgeen in Neder-land misschien op onopvallende wijze op ditgebied gebeurt. Waarom, indien dit onder-zoek reeds jarenlang zou plaats vinden, zijner nog nimmer algemeen bekende rapportenvan gepubliceerd? Wij bedoelen hier het al-gemeen vergelijkend vestigingsplaatsonderzoeken niet een prive onderzoek voor een be-paalde onderneming, Voor dit laatste ont-breken trouwens in Nederland onafhankelijkevakspecialisten, die de aangewezen figurenvoor dergelijk onderzoek zijn. Het is voorde ondernemer wel raadzaam om bij deE.T.I.'s inlichtingen in te winnen; de uitein-delijke keuze van de vestigingsplaats meetechter door hem zelf geschieden en wel metbehulp van onafhankelijke deskundigen.Indien het vergelijkend vestigingsplaatsonder-zoek reeds op grote schaal in Nederland zouplaats vinden, waarom wordt daar in delaatste industrialisatie-nota dan met geenwoord over gerept?Dat het economiseh hoger onderwijs in Ne-derland eveneens geen achterstand zou hebbenbij het buitenland op het gebied van de in-dustriele vestigingsplaats, willen wij met eenpaar korte vragen afhandelen. Wie is of zijnde Nederlandse hoogleraren, die (bedrijfs)-economische specialisten op dit gebied zijn,wat is hun leeropdracht en welke hand-boeken of publicaties zijn van hen verschenen?De kwestie van de bedrijfsgrootte en de tijds-duur van het onderzoek kwamen in negatievezin bij de discussie ter sprake. Inderdaad zaldoor grotere ondernemingen de meeste aan-dacht aan het onderzoek kunnen worden ge-schonken. Dit neemt echter niet weg dat ookkleinere bedrijven kunnen profiteren van hetaanwezig zijn van onafhankelijke deskun-digen, die advies verstrekken of onderzoekverrichten op het gebied van de vestigings-plaatskeuze. Het is niet 6f de ambtelijke in-stantie 6f het onafhankelijke adviesbureau;beide instellingen zijn nodig en nuttig.Zelfs grote ondernemingen verrichten hetvestigingsplaatsonderzoek nog dikwijis metpersoneel, dat hiervoor niet een gespeciali-seerde opieiding heeft genoten. Het was nietonze bedoeling te beweren dat grote onder-nemingen in Nederland helemaal geen aan-dacht aan het vestigingsplaatsonderzoek be-steden, maar alleen dat zij hiervoor gespecia-liseerde krachten behoren te gebruiken. Indit verband werd vermeld dat zelfs Philipsgeen specialist op dit gebied in dienst heeft.Het vestigingsplaatsonderzoek kan veel tijdvereisen; bij Amerikaanse ondernemingen namdit onderzoek soms een half jaar en somswel twee jaar in beslag. Nu kent de Amerikaanaan een doelmatige vestlgingsplaatskeuze in-derdaad een zeer grote waarde toe, maar hetgevaar bestaat dat men de zaak gaat over-drijven. Voor de werkelijke specialist, die allefactoren en relevante bedrijfsverhoudingenbij de vestigingsplaatskeuze in onderling ver-band snel overziet, behoeft het onderzoekzeker niet zoveel tijd in beslag te nemen.Bij het algemeen vergelijkend vestigingsplaats-onderzoek is bovendien niet steeds een zo-danige nauwkeurigheid nodig als bij hetonderzoek voor een bepaalde ondernemer, dieeen nieuw bedrijf wil vestigen. ,,Tijdrovend-heid" behoeft daarom zeker geen beletsel tevormen voor bedrijfseconornisch vestigings-plaatsonderzoek, mits men geen overdreveneisen stelt en mits men het onderzoek doorspecialisten laat verrichten.Het spreken over exacter inzicht In de moge-lijkheden van industriespreiding door bedrijfs-econornisch onderzoek heeft eveneens totmisverstanden geleid. Natuurlijk is volledigeexactheid in de praktijk nauwelijks mogelijk.Welke marktanalyticus kan b.v. met vol-maakte zekerheld zeggen hoe groot de omzetin een komende bedrijfsperiode zal zijn? Maartussen lukraak of alleen maar vermoedens enabsolute exactheid In, staat nog een tussen-weg open, nl. een zo goed mogelijke schat-tmg en prognose gebaseerd op verantwoordonderzoek. Dat moeilijk te waarderen fac-toren een rol (moeten) spelen bij de vesti-gingsplaatskeuze, zoals de contact- en voe-Ilngsvoordelen t.a.v. de nabijheid tot demarkten, de bereidheld tot samenwerking vanpersoneel en plaatselijke gemeenschap methet bedrijf, e.d., doet niets aan de mogelijk-heden van het bedrijfseconomisch onderzoekaf. Irrationele factoren, zoals de voorkeurvoor een bepaalde woonplaats van de on-dernemer en zijn gezin, behoren in een nor-matief ingesteld bedrijfseconomisch onderzoekeigenlijk niet thuis. Wijkt de ondernemer vande optlmale vestigingsplaats af terwille vanzuiver persoonlijke motleven, dan mogen dedaaruit voortsprultende hogere offers niet inde kostprijs worden opgenomen. Vele kleineondernemers zijn dikwijis gebonden aan eenplaats of streek waar ze bekendheld genle-ten, om aldus de financiering van hun bedrijfveilig te kunnen stellen. Voor de vestigings-plaatskeuze in de praktijk kan zo'n factorbeslissend zijn; blijkt door onderzoek de kost-prijs elders lager te zijn, dan kan de over-held door b.v. het scheppen van betere fl-nancieringsmogelijkheden proberen om vesti-ging daar mogelijk te maken.De meeste sprekers kwamen, en dit geldttevens voor het reeds besprokene, met argu-menten aandragen, die zo aan ons boek ont-leend konden zijn. Het was een onmogelijketaak om het bedrijfseconomische vestigings-plaatsvraagstuk in een goed half uur volledigte behandelen; uiteraard kwamen daardoorpunten naar voren waarover men nog letsmeet had willen vernemen.De samenhang in het bedrijfsleven (men zieo.a. de hoofdstukken V, VI en VII van ons176Bedrijfseconomischonder'zoek industriespreidingboek) vormt zeker geen beletsel voor hetbedrijfs-economisch vestigingsplaatsonderzoek.In de begrippen functionele plaats en agglo-meratie en deglomeratie ligt het besloten.Bedrijfseconomisch onderzoek zai juist eenbeter inzicht kunnen geven in de mate vansamenhang in bepaalde industriecomplexenen in de mogelijkheden tot decentralisatie.Verplaatsen van een bedrijf uit een bepaaldindustriecomplex is zeker niet het hoofddoelvan bedrijfseconomisch onderzoek; wij zagenreeds dat verplaatsing mcestal op de daar-mce verbonden hoge offers zal afstuiten. Depraktijk leert echter dat er vele nieuwe be-drijven buiten de grote industriedistrictenzijn gevestigd en dat samenhang dus nog nietabsolute gebondenheid wil zeggen. Com-plexen als het mijn- en hoogovenbedrijf metde daarop gebaseerde chemische nijverheid,de petro-chemische industrie e.d. zal menniet gaan decentraliseren. Maar vele anderecategorieen van bedrijvigheid zijn wel voordecentralisatie vatbaar en bedrijfseconomischonderzoek zal het aantal en soort van dezcbedrijven moeten opsporen.De bedrijfsgrootte kan bij dit alles weer eengrote rol spelen; moet het kleinbedrijf inbepaalde gevallen temidden van een groepsamenhangende bedrijven worden gevestigd,het grootbedrijf kan door integratie en hetzelfstandig treffen van bepaalde voorzienin-gen soms een meer ge'isoleerde vestigings-plaats kiezen.Verder werden de sociale aspecten en desociale kosten aangevoerd als argumenten te-gen de bruikbaarheid van het bedrijfsecono-misch vestigingsplaatsonderzoek. Dat deA.K.U. in Emmen schade aan de welvaartof aan het maatschappelijk welzijn zou heb-ben berokkend, geloven wij niet. De grotewerkloosheid in Emmen schreeuwde in econo-misch en sociaal opzicht om een dergelijkevestiging en bovendien heeft de A.K.U. weldegelijk rekening gehouden met de z.g. aan-passingsproblemen. i^) Een uitvoerige behan-deling van de sociale factoren In het kadervan de vestigingsplaatskeuze vindt men inhoofdstuk VIII van ons boek.De sociale kosten mag men zeker niet gaanaanvoeren als een argument tegen de wense-lijkheid van verdere industriespreiding in Ne-derland. Een verdere concentratie van be-volking en bedrijven in het westen van Ne-derland zal hoge maatschappelijke offersvereisen wat betreft omvangrijke investerm-gen in wegen, bruggen, tunnels en andereopenbare voorzieningen. Op de ongunstigegrondgesteldheid in het westen is verder reedsdoor velen gewezen,Wil men Pigou (Engels econoom) aanhalen,dan moet men niet alleen op de sociale kos-ten, maar ook op de sociale opbrengstenwijzen. Bij uitbreiding van een bedrijfstak(of produktie) ontstaan er in bepaalde om-standigheden niet alleen kosten, die niet doorde betreffende producenten worden gedra-gen, maar er ontstaan soms ook maatschap-pelijke voordelen, waarvoor die onderne-mers geen opbrengst incasseren. Bij vestigingin minder ontwikkelde delen van een landzuUen de industrieen voordelen kunnenscheppen, b.v. opbloei van de middenstand,waarvoor ze geen opbrengst in geld ont-vangen.Het wijzen op het bestaan van maatschap-pelijke voor- en nadelen is geen argumenttegen bedrijfseconomisch onderzoek. Bijhandhaving van een ondernemingsgewijzeproductie zal men, om de mogelijkheden vanverdere industriespreiding na te gaan, aller-eerst aandacht aan de kwestie van de renta-biliteit (in privaat-economische zin) van pro-ductie op verschillende plaatsen moeten schen-ken. Daarna kan men nagaan of de resul-taten van dit onderzoek niet tot maatschap-pelijk onaanvaardbare consequenties zoudenleiden en bovendien welke mogelijkheden totverdere industriespreiding maatschappelijk hetmeest gewenst zijn. Ten slotte moet menbedenken dat er wel tegenstellingen tussenhet private en het algemeen belang bestaan,maar dat deze belangen ook in grote matekunnen samengaan. In de genoemde Engelserapporten wordt dan ook terecht een onder-zoek naar de private kosten als het logischuitgangspunt gezien; voor het totale industrie-vestigingsbeleid zuUen tevens de sociale kos-ten in ogenschouw moeten worden genomen.En aan dat logische uitgangspunt, het be-drijfseconomisch onderzoek, wordt in Neder-land nog maar weinig aandacht geschonken;het werd door enige sprekers zelfs geheel tenonrechte als van twijfelachtige waarde be-schouwd.Het is, om mee te besluiten, een nationaal-economisch belang dat de Nederlandse exportniet in gedrang komt. Doordat het bedrijfs-economisch onderzoek tevens marktanalyseomvat, zou daarbij vanzelf blijken in hoeverrevestiging buiten het westen van Nederlandook in verband met die exportbelangen mo-gelijk is.13) Men zie F. Prakke, Sociologische aspectenvan de vestiging van een groot bedrijf ophet platteland. Artikel in Maatschappij Be-langen van januari 1954.177Problematiekkarakter stedelijkeuithreidingsplannenDe problematiek met betrekking tot hetgewenste karakter van stedelijke uitbreidings-gebiedenDrs. R. MulderI. Inleiding en VraagstellingHet aan de orde stellen van dit onderwerpvloeit allereerst voort uit het manend besef,dat ons inzicht nog veel verdiept zal moetenworden met het oog op de enorme verant-woordelijkheid, welke wij hebben als mede-werkers in het planologisch team.Daarnaast is echter ook van betekenis dathelaas in vele gevallen door gebrek aan goedesamenwerking en door allerlei politieke bij-bedoelingen niet tot stand komt, wat bij dehuidige kennis van zaken mogelijk zou zijn.Met het woord ,,problematiek" in de titel isslechts bedoeld dat gepoogd zal worden totformulering te komen van de samenhangbinnen het ingewikkelde complex van vraag-punten, dat zich bij de planning van een,,wijk" voordoet. Daarbij wordt uiteraardvoortgebouwd op wat in de literatuur --vooral van na de oorlog -- op dit gebiedgeboden wordt. Ook is erin verwerkt hetgeenervaring leerde en hetgeen naar voren kwamin vaak uitvoerige gesprekken met coUega'sen medewerkers.Desondanks zal op veel punten niet verdergekomen worden dan tot het uitspreken vanvragen.Opgemerkt moge worden dat de proble-men in wat genoemd wordt een sanerings-gebled, principieel niet anders liggen. Voordeze materie mag verwezen worden naar eenbinnenkort te verwachten rapport van dewerkgroep ,,Onderzoek ten behoeve van Sa-nering".Onder het ,,karakter" van een uitbreidings-gebled wordt hier verstaan: de totaliteit vanen het verband tussen de factoren:a, bevolking (in haar sociale geleding enhaar verschillen in levenspatronen),h. inrichting (d.i. ligging, structuur en in-houd) van het gebied.In het betoog wordt uitgegaan van de ,,een-heid van het stedebouwkundig werk", hetgeenonder meer betekent het noodzakelijk over-leg tussen beleidsman, onderzoeker, architecten juridische vormgever.De woordencombinatie ,,gewenst karakter"geeft aan dat wij ons bezig houden met eenonderwerp, gelegen in de sfeer der planning,dus niet in de sfeer van het onderzoek-in-beperkte-zin. Er bestaat echter een zodanigverband tussen deze ,,sferen", dat in deplanologische praktijk iedere sociograaf, so-ciaal-econoom, sociaal-wetenschappelijke on-derzoeker, of hoe hij ook mag heten, zichzowel met onderzoek als met het synthetischbewerken van onderzoekresultaten bezighoudt.Het is duidelijk dat juist de planning hetsamenwerkingsvlak biedt met de architect,juridische vormgever en beleidsman. In ditkader haal ik enige zinnen aan uit de in1948 door -- nu wijlen -- Prof, van Lohuizenuitgesproken inaugurale rede:,,Er is in de stedebouwkundige structuur van,,de stad een uiterlijke harmonic en een inner-,,lijke harmonic:,,de schone vorm en de overeenstemming tus-,,sen omvang, ligging en karakter van ieder,,van de elementen van de stad en het doel,,waarvoor ze dienst doen. Men kan niet,,volstaan hieromtrent te zeggen, dat de stad,,doelmatig moet zijn ingericht. Het is niet,,te veel gezegd, wanneer men stelt, dat iedere,,disproportie tussen een levensfunctie en het,,element, dat er de belichaming van is, zich,,duidelijk kenbaar zal maken in enig gevoel,,van disharmonie. De stedebouwkundige uit-,,drukkingsvorm is er niet uitsluitend een,,van architectonische verhoudingen, maar,,ook een van harmonie tussen het leven van,,de bewoners in al zijn uitingen en de vorm,,waarin dit zich als het ware kristalliseert,,in de vorm van het stadsorganisme".De titel van dit betoog kan met een ,,in-cognito reizend" voorbeeld worden uitgewerkttot een scherpe vraagstelling.Gesteld: de dienst voor Stadsontwikkelingte Q krijgt opdracht binnen het kader vaneen door de gemeenteraad aanvaard struc-tuurplan een bestemmingsregeling te makenvoor het uitbreidingsgebied X, dat nu noggrotendeels voor agrarische doeleinden wordtgebruikt, doch dat een nederzetting zalmoeten gaan worden voor een bevolking vanzoveel duizend mensen.Gevraagd: le. Welk karakter moet dit uit-breidingsgebied krijgen? en 2e. Bestaat de mo-gelijkheid dit gewenste karakter ook te ver-wezenlijken? (3e. Hoe gaat een en anderin zijn werk?)II. Algemene mtgangspuntenA. De regeling, waarbij het grondgebruik ineen gebied dient te worden bestemd, is dejuridische vorm van het plan om het mate-riele milieu (nederzetting) te scheppen, waar-in een menselijke samenleving (bevolking vanzoveel duizend mensen) zodanig zou moetenkunnen functioneren, dat voor ieder in diesamenleving ,,meespelende" mens de moge-lijkheden voor de harmonische ontplooii'ngvan zijn persoonlijkheid worden opengehou-den. (Er wordt niet gesproken over bevor-deren van de harmonische ontplooiing.) Ditmateriele milieu moet dus (samen met desociale instituties) een ,,ontplooiings"-ruimtevormen.Deze zienswijze hoedt ons voor drie dingen:a. Voor de zielloze oplossing van het ,,op-bergen" van zoveel duizend zielen.c Voor die overschatting van ons werk,waarbij gemeend wordt, dat het gebiedenmet gelukkige mensen kan kweken. Gelukligt in een andere bcpalings-sfecr.c. Voor overwaardering van het gemeen-schapselement, zoals die in de ,,wijkge-dachte" naar voren kwam.Een en ander kan kort geformuleerd wor-178Gulden regelvoor lietmodernebouixren?:?::?:?AKSIn de Nederlandse volkswoningbouwwordt toenemende aandacht besteedaan een moderne, doelmatige vioerafwerking.Dat wil zeggen: aan permanent linoleum.Permanente vioerafwerking vereist slechtseen matige verhoging van de huurprijs.De praktijk leert, dat iedere huurderdeze toeslag graag over heeftvoor de vele onmiskenbare voordelen: .permanent linoleum betekent vo
Reacties