stedebouw volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwWereldstedehouwdag 1958De Stedebouw en het WonenI Stedebouw\ Rapport van de Commissie Stedebouw en LuchtbeschermingVolkshuisvestingOfficiele MededelingenSummaryapril 1959J. SMINIABEVERWIJKHandel in Bouwmaterialen,Zand, Grinden alle soorten BetonwarenOpslagplaatsen: Pruimedijk 8 en Pijpkade - Telefoon 3926Kantoor: Pruimedijk 2MUURVERF problemen?VOORKOM PROBLEMEN EN PASBETONALINETOEde verrassendemuurverf opoliebasisN.V. BRISTOL-HOLLANDHonselersdijk - tel. 01740-4199Technische Reproduktie InrichtingLIFOKALICHTDRUKFOTOKOPIEFOTOGRAFISCHE REPRODUKTIEIn het centrum van DEN HAAGMauritskade 3Telefoon 110152J.^^a^"m11B1 iifiiKHoutbouw Fa. Gebr. TimGIESSENDAM -- Telefoon no. 62 Ned. HanUw Adres voor:Directieketen, Volksketen, Cementloodsen, Barakkmerdinxvelden, enz.Makelaarskantoor A.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaame metKOOP, VERKOOP, TAXATEES en BEHEERvan ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemiddeling en aUe verzekeringen,, ."iERFVeULaLOODeiETERSBEDRIJFW. B. HOGS & ZONEN's-GRAVENHAGELEKSTRAAT 227Telefoon (01700) 859453-853405? Nieuwbouw? OnderhoudBEKLEDINGSPLATENDEN HAAGLOOSDUINSEWEG 673Tel. 332282GETALITPERSTORPFORMICADUROPALLIGHT-INdak- en golfplatenMoor & PadbergIJZERWAREN -- GEREEDSCHAPPEN? Specialist inRAAM- en SCHUIFDEURBESLAGAlle IJZERWARENvoor reparatie en nieuwbouw's-GRAVENHAGEBOEKHORSTSTRAAT 28-a TELEF. 115500 - 110578Voor GLASN. V. DORDTSCHE GLASHANDELKulpershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALE3Is&vUkgave van het april 1959Nederlands Instituut voor 40e jaargang no 4Volkshuisvesting en Stedebouw MaandhladRedactieMevrouw Prof. C. W. Willinge Prins-Visser Dr. S. O. van PoeljeMe']. R. Hartstra Mr. Ir. M. M. van PraagIr. B. Fokkinga H. van SaaneMr. C. 'A. van Gorcum W. ScheerensH. J. A. Hovens Greve Ir. W. van TijenProf. Mr. A. Kleijn Drs. H. v.d. WeijdeDrs. R. Kok Ir. W. WissingIr. P. K. van MeursAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's GravenhageTelefoon 184225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-CPostgiro nummer 113028Telefoon 49128Dit numtnerHet hoofdonderwerp van dit nummer slaat terug op de viering van de Wereldstedebouwdag1958, die in een vergadering van de Stedebouwkimdige Raad ten overstaan van de pers heeftplaats gehad. Nederland neemt daarmee een plaats in de rij van landen in, die aan de Wereld-itedehoHwdag niet langer voorbijgaan, maar daarvan gebruik maken om de stedebouw in hetcentrum van de openhare aandacht te plaatsen,De rede van de Heer Ir. S. J. van Embden, zoals hij die in de aan deze dag gewijde vergade-ring van de Stedebouwkundige Raad heeft uitgesproken, had tot onderwerp: De Stedebouw enhet Wonen, met de bedoeling dat een kritische waardering zou worden gegeven van hetgeen deNederlandse stedebouw na de oorlog ten bate van het wonen heeft kunnen doen.Verder bevat dit nummer het rapport van de door het Instituut ingestelde Commissie Stede-bouw en Luchthescherming.73InhoudWereldstedebouwdag 1958De Stedebouw en het Wonen, Ir. S. J.van Embden7576VolkshuisvestingBinnenlandOverzioht van Tijdschriften9597StedehouwRapport van de Commissie Stedebouwen Luchtbescherming 84Binnenland 92Overzioht van Tijdschriften 93Officiele MededelingenNederlands Instituut 99Rijksdienst voor het Nationale Plan 100Summary 100Abonnementsprijs f 16,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedehouw (lidmaatschap voorphysieke leden f IS,--) en de leden van de Nationale Woningraad ontvangen het Had kosteloos.74Wereldstedebouwdag 19S8Wereldstedebouwdag 1958Op het Congres van de International Federation for Housing and Planning, dat in1950 te Amsterdam is gehouden, bracht een Argentijns deelnemer een voorstel over van zijnlandgenoot Carlos Maria della Paolera, die zelf niet aanwezig kon zijn. Het voorstel strektetot de erkenning door de stedebouwkundigen in alle landen van de achtste november als deWereldstedebouwdag, een dag, waarop men zou trachten de stedebouw tot het onderwerp bijuitnemendheid van de publieke belangstelling te maken. Deze gedachte vond niet dadelijkweerklank. Maar toch begonnen de stedebouwkundigen in enkele landen, in onze omgeving metname in Frankrijk en Belgie, weldra op die dag jaarlijks vergaderiugen te houden over eenonderwerp, dat ook niet-vaklieden zou kunnen boeien. In Frankrijk gaan die vergaderingenuit van het tijdschrift Urbanisme, in Belgie berust de leiding bij de Belgische Federatie voorStedebouw en Woningwezen. Nederland heeft zioh aanvankelijk afzijdig gehouden. Onzekritische geaardheid tegenover manifestaties van deze strekking was daaraan niet vreemd. Maarhet succes in enkele andere landen maakte toch ook hier indruk. In 1956 heeft het Instituutvoor het eerst samen met de B.N.S. op voorstel van een kleine commissie de achtste novembertot een propagandadag voor de stedebouw gemaakt. De stedebouwkundigen van Nederlandzijn die dag gemobiliseerd tot het houden van lezingen over stedebouwkundige onderwerpenop de middelbare scholen. Dit heeft veel weerklank gevonden. Hoewel onze scholen nietzelden overbelast worden met aanvragen tot het houden van lezingen van allerlei aard, heeftonze opwekking om de schoolpoorten open te zetten voor de stedebouwkundige sprekers inmeer dan 100 gevallen tot resultaat geleid. Ook op andere wijze -- o.a. op een persconfe-rentie -- zijn toen doel en betekenis van de Wereldstedebouwdag onderstreept.In 1957 is het bij een bescheiden viering gebleven. Wei heeft toen de Voorzitter van onzeStedebouwkundige Raad gelegenheid gekregen voor de radio daarover een korte uiteenzettingte geven.In 1958 lag een interim-rapport ter tafel van de commissie ,,Stedebouw en Openbare Mening"ingesteld door het Instituut met de B.N.S. met de taak om het gehele onderwerp van de be-trekkingen tussen de stedebouw in ruime zin en degenen in wier belang de plannen wordengemaakt en de stedebouwkundige zorg wordt uitgeoefend, in overweging te nemen en daar-over verslag uit te brengen. In haar interim-verslag over de Wereldstedebouwdag stelde de Com-missie voor die dag jaarlijks tot aanleiding te kiezen tot hefi houden van een congres overeen onderwerp, dat zou appelleren aan de openbare mening en dan ook te trachten, met namedoor persconferenties en persexcursies, een zo goed mogelijke voorlichting van het publiekover het onderwerp van het congres te bewerkstelligen.Aan dit voorstel kon in 1958 nog niet in zijn voile omvang uitvoering worden gegeven, omdatde tijd daartoe ontbrak. Wei is toen een vergadering van de Stedebouwkundige Raad over hetonderwerp De Stedebouw en het Wonen.De Heer Ir. S. J. van Embden hield hierover een inleiding, waarop een korte gedachtenwisse-ling volgde.Een aantal vertegenwoordigers van de pers woonden de vergadering bij. Eraan vooraf gingeen tweedaagse door de Afdeling Voorlichting van het Departement van Volkshuisvesting enBouwnijverheid belegde persexcursie, waarbij hetzelfde onderwerp de hoofdaandacht had.De tekst van de inleiding van de Heer van Embden volgt hieronder.75De stedebouw en het wonenDe stedebouw en het wonen Ir. S. J. van Embden,,De stedebouw en het Wonen", deze for-mule voert ons terug tot de oorsprong vanonze hedendaagse stedebouw, althans tot zijnwedergeboorte op het einde van de 19eeeuw.In 1898 toch verscheen ,,To-morrow, a peace-ful path to real reform", van de hand vande voormalige parlements-stenograaf EbenezerHoward.Ebenezer Howard was bewogen door deonmenselijke omstandigheden waaronder inde grote steden -- en ook elders -- moestworden gewoond. Hij stelde dan ook nieuwe,betere TOOo^mogelijkheden voor, een mens-waardig TOoonmilieu, en wel in de vorm vaneen garden-city, de tuinstad. Stedebouw enwonen lagen toen dus nog vlak bijeen.De eerste tuinstad Letchworth werd gestichtin 1903, dat is reeds 5 jaar na de publikatievan Howard's boekje. De groei ging lang-zaam; in 1928 had het stadje nog slechts14.000 inwoners (de plannen doelden op 30a 35.000).Na de eerste wereldoorlog -- in 1920 --werd niettemin een tweede tuinstad aan-gevat, Welwyn, geprojekteerd voor 40.000inwoners; ook hier ging de groei niet snel.Pas na de tweede wereldoorlog, dus eenhalve eeuw na de eerste formulering van demoderne stedebouwkundige doelstellingen,is in Engeland op grote schaal de stichtingvan nieuwe steden ter hand genomen. El-ders in de wereld ging het niet beter, ofkwam men zelfs in het geheel niet op gang.Een teleurstellend trage start derhalve, on-danks de harde arbeid, de grote ernst, dewarme toewijding en de kameraadschappe-lijke samenwerking -- ook internationaal --van een grote groep van heldere geesten enonbaatzuchtige idealisten, waaronder ookenige voortreffelijke landgenoten. Sommigenonzer, vooral de ouderen, hebben daaraanmedegedaan; anderen, waaronder ikzelf,hebben zich in hun jeugd nog Juist kunnenwarmen aan de gloed van hun bezieling.Dit langzame -- te langzarne -- doordrin-gen tot de publieke opinle en tot de prak-tische politick van nieuwe, gezonde inzich-ten -- die zelfs vandaag nog steeds geengemeengoed zijn -- strekke ons tot een(schrale) troost, maar vooral ook tot eenernstige waarschuwing, hij de kritische be-schouwing van onze eigen prestaties sedertde Bevrijding, waartoe ik straks -- op ver-zoek van het Bestuur -- hoop in te leiden.Bovendien onderstrepe het de noodzaak vaneen voortdurend goed kontakt met de Persen met alle andere voorlichtingsorganen, zo-als dit in deze dagen zo gelukkig is onder-nomen.De stedebouw richtte zich bij zijn ontstaandus vooral op de groepering van mense-lijke woningen in engere zin, op de tuinstaden op de dorps- en stadsuitbreiding. Hij gafzich daarbij van het begin af behoorlijk reken-schap van de sociale, psychologische enekonomische achtergronden van de mense-lijke nederzetting; het boekje van Howardzelf getuigt daarvan ten voile. Toch kan nietworden ontkend dat in de aanvang de for-mele en architektonische aspekten een wel-licht wat onevenredig sterke aandacht heb-ben gekregen. Gaandeweg evenwel leerde mendieper graven naar de grondslagen waaropde plannen moesten worden gebaseerd. Menerkende dat elke door mensen bepaalde vormaltijd moet korresponderen met, getuigenismoet afleggen van een inhoud. Ook in destedebouw vermag de scheppende geestslechts te werken op de hechte grondslag vaneen concreet programma, al kan een vurige-- in dit geval sociaal-gerichte -- overtui-ging niet worden gemist en al blijven hetcreatieve vermogen en de geestdrift van deontwerper tenslotte beslissend voor het eind-resultaat.Niet alleen in de diepte groeide het ar-beidsveld, ook in de breedte. Steeds duide-lijker bleek de samenhang tussen stadsuit-breiding en stadsgeheel, tussen tuinstad enmoederstad (Howard zelf had dit trouwensvan het begin af helder ingezien), tussen staden omliggend land. Zo kwam de vormgevingvan gehele landstreken, met hun dorpen ensteden, allengs binnen de gezichtskring; deafstand tussen de stedebouw en het ,,wonen"in engere zin werd groter.Ook hier een (gevaarlijk) grote tijdsruimtetussen het eerste, theoretische, inzicht en depraktische uitwerking. Reeds in 1910 onder-scheidde de Engelse socioloog Patrick Geddes..conurbations", streken met dicht bijeenlig-gende nederzettingen die stedebouwkundiggezien een eenheid vormden. In 1914 begonmen, wederom in Engeland, met studies naarde struktuur van dergelijke gehele gewesten(tekenend is dat daarvoor werden aangetrok-ken door de oorlog werkeloos gewordenarchitekten).Maar de praktische consequenties lietenvoorlopig op zich wachten, behoudens enkele,op zichzelf staande, uitzonderingen.In 1919 kreeg in Duitsland de organisatie vanhet gehele Roergebied reeds haar beslag, in1921 die voor Dusseldorf en omgeving en in1925 voor het grote Middenduitse bruinko-lengebied.In 1920 verklaarde de Engelse Minister vanGezondheid Addison ".... the town itselfhas become too small a unit for regulatingdevelopment. The administrative boundariesof local authorities frequently do not coin-cide with the boundaries of a geographical,industrial or economic unit...."Het Internationale Stedebouwcongres dat in1924 te Amsterdam bijeen kwam plaatste hetStreekplan op zijn agenda. Mr. Hudig kooshet tot onderwerp voor zijn rede voor dein 1926 door de Technische Hogeschool teDelft gehouden Stedebouwcursus. In deze tijden in de daarop volgende jaren kwamen ookin ons land een aantal ontwerpen voor der-gelijke plannen tot stand, maar verder danontwerpen bracht men het niet (en zou menhet nog heel lang daarna niet brengen).76De stedcbouw en het wonenDe wettelijke regeling liep ook bij ons mlnof meer achteraan, zoal niet bij de feiten dantoch bij de inzichten. Het streekplan kwamimmers eerst in 1931 in de Woningwet. Enzelfs dit bracht voorshands weinig prakti-sche verbetering, want wij moeten tot onzedagen wachten op het van kracht wordenvan komplete streekplannen van enige reelebetekenis. De afstand tussen praktijk entheorie werd inmiddels nog vergroot, wantde laatste stond niet stil, k6n niet stilstaan.Het gewonnen inzicht dwong tot aanvaardingvan zijn eigen consequenties: nog verderbreidde de gezichtskring zich uit.Hudig, in zijn rede van 1926, dus reeds meerdan dertig jaar geleden, ziet reeds het gehelewesten van ons land als een eenheid, omvat-tende Rotterdam, den Haag, Haarlem, Am-sterdam en Utrecht. Hij wijst erop dat ditgebied slechts lets kleiner is dan het Roerko-lengebied, waarvoor toen al 7 jaren een ge-meenschappelijke regeling gold. En de bevol-kingsdichtheid was toen hier reeds nauwe-lijks geringer dan daar.Gedurende de bezetting kwam de Rijksdienstvoor het Nationale Plan tot stand, getuige-nis afleggende van het inmiddels gegroeidebesef dat het gehele Nederlandse grondgebiedstedebouwkundig een eenheid vormt. Thans-- het spreekt al wel vanzelf -- richten onzeblikken zich op nog weer grotere, de lands-grenzen overschrijdende complexen, waarvande kulturele en ekonomische samenhangenevident zijn.Dc stedcbouw en het wonen.Toen mij gevraagd werd hierover voor U tespreken, heb ik nauwelijks de gebruikelijkeaarzeling gevoeld waarvan sprekers nogaleens plegen te gewagen. Wie een groot stukvan zijn dagclijkse werk vindt en in de ste-dcbouw en in de volkswoningbouw heeft z6-veel dat hem op 's harten grond leit, dat hemveel meer naar de keel welt dan naar behorenverwerkt kan worden in een voordracht alsdeze.Men heeft gevraagd naar een beschouwingvan het sedert de Bevrijding gepresteerde. Ikheb de indruk dat deze tijdsbegrenzing zin-vol is; er is inderdaad een markant onder-scheid tussen stedcbouw en wonen voor enna de bezetting. Veel van wat wij thans alsnormaal kennen is tijdens de gedwongen rustvan deze periode voorbercid -- zowel hierals elders -- en eerst daarna tot werkelijk-heid geworden. De bezoeker van onze nieuwcwijken staat geen ogenblik in twijfcl omstadsplan en architektuur te dateren: voor ofna de Tweede Wereldoorlog. Bovendien: voorde oorlog konden wij in ons land inderdaadwijzen op enkcle monumcntale prestaties ophet gebied van het uitbreidingsplan en devolkswoningbouw (de gcdachten gaan danaanstonds uit naar Amsterdam), maar eerst nadc oorlog is dit allcs werkelijk vlotgekomen, ishet gehele land bij deze aktiviteiten betrok-ken gcraakt.Er is mij vcrzocht om een kritische beschou-wing; een gevaarlijke vraag aan een mandie met zijn neus zit op zijn eigen werk en opdat van zijn koUega's. Die enerzijds moeilijkdistantie kan ncmcn, andcrerzijds misschienoncvenredig geprikkeld wordt zowel door wathem als mislukt voorkomt in zijn eigen werken in dat van zijn kollega's, als ook door demoeilijkheden waarvoor hij en zijn vakgeno-ten telkens weer staan, of door het onbegripof zelfs de onwil die hij zo nu en dan meentte ontmoeten.Laat ik in ieder geval een punt voorop stcl-len waarover het oordeel onverdeeld positiefgunstig kan luiden. In vergelijking met demeeste andere landen is Nederland uitzonder-lijk bevoorrccht door de wettelijke onteige-ningsmogelijkheden ten behoeve van de stads-uitbreidingen. Men benijdt ons deze en on-tcgenzeggelijk verschaffen zij ons mogelijkhc-den die vele buitenlandse kollega's missen.Men benijdt ons zeer in het bizonder onzewederopbouw-onteigeningsmogelijkhcden, diein zo grote mate hebben bijgedragen tot hetwelslagen van het grote werk te Rotterdam.Het is overigens veelbetekenend dat de wet-telijke grondslagen voor deze wederopbouw-onteigening gelegd zijn in het korte bestuurs-vacuum, in de meidagen van 1940. Op hetogenblik dat ons gehele volk als verdoofdwas door het zo heilloos over ons gekomennoodlot heeft een ver- en breedziend techni-cus, Dr. Ir. Ringers, toen Algemeen Ge-machtigde voor de Wederopbouw, de mo-gelijkheld aangegrepen om ons te verrijkenmet een geschenk, een wettelijk werktuig,dat ons volk zichzelf onder normale om-standigheden en via zijn normale bestuurs-organen vcrmoedelijk nimmer in zo perfekteen radikalc vorm had kunnen of willenverschaffen.Laten wij thans het na de oorlog gepresteerdede revue passeren, dan zou het voor de handliggen om daarbij in volgorde dezelfde fasentc onderscheiden, die de stedebouwkundigeontwikkeling zelf heeft doorlopen: de steedswijdere koncentrische cirkcls van buurt, wijk,stad, streek en gewest, met de menselijke wo-ning als middelpunt. Om der wille van de tijdzal ik in hoofdzaak stil staan bij de uiterstetermen van deze reeks; de gemeentelijke uit-breiding in het algemeen enerzijds, de groot-ste Randstad Holland andcrerzijds.Woning en woonwijkDe woning zelf ondervindt op velerlei wijzede invloed van de stedcbouw. Het uitbrei-dingsplan bepaalt de hoogte van de bebou-wing en dikwijls zelfs het woningtype.Over de stijl van de architektuur en de wo-ningplattegrond laat de stedebouwkundigezich evenwel niet uit; deze blijven gehcelvoor rekcning van de architekt.Over de samenwerking van deze twee figu-ren zou nog wel wat te zeggen zijn. Aanvan-kelijk vlotte deze niet zo goed. De stede-bouwer zag toen immers als zijn eigen taak:het ontwerpen van een complete woonbuurt,met alle details, alle straatbeelden en archi-tektonische effecten. De architekt behoefde ditdoor de urbanist ontworpen totaalbceld al-77De stedehouw en het wonenleen maar te realiseren, het door deze ont-wikkelde schema op te vuUen met huizen.Gaandeweg is de erkenning gekomen van hetgoede recht van de architekt om binnen hettotale, door de stedebouwkundige gesteldekader, zijn eigen visie te ontwikkelen; zeerten bate van een levender, volbloediger eind-resultaat, althans wanneer een bekwamebouwmeester aan het werk kan gaan.Inmiddels bhjft het uitbreidingsplan voor degehele wijkopbouw toch altijd beslissend.Met name geeft het aanwijzingen omtrent debebouwingswijze en juist op dit terrein is se-dert de bevrijding het gamma van onze mo-gelijkheden belangrijk uitgebreid, ons paletaanzienlijk verrijkt. Kwamen wij uit de oor-log met noties omtrent niet veel anders daneengezinshuizen, (vrijstaand of in rijen) enetagebouw in 3 of 4 lagen (portiekwoningen),thans kennen wij daarnaast de bungalow, degalerijwoning, de maisonette, de hoge wo-ningbouw met liften in velerlei variatie (lan-ge blokken galerij-bouw, woontorens), de spe-ciale bejaardenwoning.De discussie over de voor- en nadelen vanhoog- versus laagbouw is nog in voile gang engeenszins beslist, ondanks enquetes en studie-commissies. Een zeer belangrijke winst is ge-weest de erkenning van de gedifferentieerd-heid van de bevolking zelve, voerende tot dezo even opgesomde verscheidenheid vanwoonvoorzieningen.Het is thans gemeengoed dat het grote kin-derrijke gezin een andere woning vraagt danhet later weer getweeen overblijvende echt-paar, dat bejaarden een eigen woonvorm vra-gen en dat er niet onbelangrijke categorieenzijn voor wie de hooggelegen flat grote aan-trekkelijkheid heeft. Het inzicht dat niet eenuniforme oplossing geboden dient te wordenvoor alien, heeft geleid tot kombinaties vanverschillende bouwvormen in een uitbreidings-plan, hetgeen geheel nieuwe mogelijkhedenheeft geopend, zowel sociaal als technisch enesthetisch.Deze variatie in woningtypcs heeft mede ge-voerd tot een grote differentiatie in de ver-kavelingsvormen.De dagen van het rondom gesloten recht-hoekige bouwblok, omgeven door straten,waren voor de oorlog al geteld. Het aan eenof aan beide korte zijden open bouwblok wastoen reeds als normaal aanvaard; een kleine,maar geestdriftige groep van avant-gardistenonder de stedebouwers en volkshuisvesterszwoer reeds bij de strokenbouw.Deze eenzijdige voorkeur is bij de meesten in-middels wel weer verdwenen, maar een grotewinst hebben wij uit hun werk overgehouden:de duidelijke en systematische onderscheidingtussen de wegen voor rijverkeer, waaraan nietrechtstreeks wordt gewoond enerzijds en dewoonpaden waarop niet wor-dt gereden ande-rerzijds.Voortbouwende op dit beginsel hebben wijonze mogelijkheden verder uitgebreid metallerlei strakke of vrije verkavelingsvormen(zoals bijvoorbeeld de hofbebouwingen) dieeen grote rijkdom kunnen geven aan hetbeeld van onze nieuwe buurten en wijken,hoewel zij ook het gevaar met zich meebren-gen van het chaotische, het onbeheerste, hetwiUekeurige.Veel helderder is voorts het inzicht gewor-den in de behoeften die de bewoners verdernog hebben in de omgeving van hun huis:aan scholen in alle variaties, aan kerken enandere openbare gebouwen, aan buurtwinkelsen voorts aan open terreinen als speelgele-genheden voor de kleuters en voor de gro-tere kinderen en als groenstroken voor deouderen.Vergeleken bij onze vooroorlogse plannen valtdus een grote verrijking aan motieven tekonstateren, een verrijking die aanvankelijkenige verbazing wettigt tegenover de welvernomen klacht over de eentonigheid onzernieuwe wijken.Nooit toch werd in onze historie een z6 ge-varieerd programma tegelijkertijd tot uitvoe-ring gebracht. De klacht wordt evenwel be-grijpelijk wanneer men bedenkt dat vele on-zer uitbreidingsplannen helaas een onvoldoen-de -- of een te willekeurig -- gebruik makenvan de nieuwe mogelijkheden. Bovendien --en dit is een nog gereder verklaring -- menvergelijkt de nieuwe, volgens een plan en ineen tempo verwezenlijkte wijken onwiUekeu-rig met de gehele rest van de stad, het ge-accumuleerde resultaat van vele eeuwen vanbouwactiviteit met alle daaraan inherentewisselvalligheden.En tenslotte is er nog een zeer belangrijkefactor die het oordeel over onze nieuwe stads-uitbreidingen op onredelijke wijze ten on-gunste beinvloedt en dat is het nog ontbrekenvan de heplanting. Deze beplanting vormt ineen goed uitbreidingsplan geen toegevoegdeversiering, maar een integrerend bestanddeelvan de gehele stedebouwkundige compositie,het feitelijk onmisbare -- maar helaas aan-vankelijk afwezige -- complement van debebouwing. Wie de schilderijen van Berck-heyde kent van de Amsterdamse grachtenzonder de huidige boombeplanting, weet datook erkende historische stedebouwkundigemonumenten eigenlijk ondenkbaar zijn zonderdat daarin de anorganische stenen wereld eentegenspeler vindt uit de organische natuur.Valt derhalve bij het beschouwen van denieuwe buurten het oordeel over de relatietussen stedehouw en wonen niet al te ongun-stig uit, toch moeten mij nog wel enkele op-merkingen van het hart over zekere scheef-heden in deze verhouding.De snelle stadsuitbreiding, de massale wo-ningbouw, stellen buitensporig hoge eisenaan de toch ook reeds uit andere hoofde tothet uiterste belaste volkshuishouding. Het isderhalve te begrijpen, hoezeer ook te betreu-ren, dat financiele grenzen worden gesteld, dieaanzienlijk enger zijn dan wat uit een oog-punt van ideale volkshuisvesting gewenst ofzelfs verantwoord zou zijn.Maar deze druk wordt zeer ongelijkmatiguitgeoefend, of liever gezegd, de weerstandtegen deze druk is lang niet op alle puntengelijk en de zwakst verdedigde posten wor-het kind van de rekening.Beschouwen wij de in de woonbuurt aan te78De stedebouw en het wonenleggen openbare werken (straten, bruggen,rioleringen, leidingen), dan vinden wij dat de-ze over het algemeen op verantwoorde wijzetechnisch worden verzorgd. De directeuren,zowel van gemeentewerken als van de open-bare nutsbedrijven, zijn bij machte om een per-fecte verzorging door te voeren van de aanhen toevertrouwde belangen. Met cijfers enfeiten in de hand kunnen zij bewijzen welkeverhardingsbreedten en welke constructie-wij-zen nodig zijn om de daaraan te besteden(grote) bedragen te verantwoorden. Met an-dere, even harde cijfers en feiten wordt ge-motiveerd aan welke eisen de leidingen eninstallatles voor gas, water en electriciteitmoeten voldoen, zowel in de wegen als inde woningen zelf, om veilig en economischverantwoord te werken.Maar dit alles kost veel geld, en hoe meerhieraan wordt besteed, hoe minder er over-blijft voor de investering in de eigenlijkewoning, terwille waarvan tenslotte al dezewerken uitgevoerd worden. En waar zijndaartegenover de kampioenen die op de bresmoeten staan voor deze, de eigenlijke, woon-waarden? Wij kennen ze: de volkshuisvesters,de architekten, de vrouwen-adviescommissiesen vooral niet te vergeten, de ganse formatievan gaarne medewerkende ambtenaren van,,het" departement. Het zijn alien ,,idealis-ten", hetgeen niet altijd als een aanbevelingwordt gevoeld en hen in ieder geval in eenzeer zwakke positie plaatst bij financiele dis-' cussies.Wat willen zij, wat kunnen zij doen? De wo-ningen worden te duur, de schatkist laat on-der de -- permanent aanwezige -- ,,huidigezorgelijke omstandigheden" geen hogere pres-taties toe. Het bouwplan was al zuinigjes op-gezet, maar voor de gunning wordt de wo-ning nog eens ,,uitgekleed", zoals de tech-nische term luidt.Het gevolg? Het bestuur van de woningbouw-vereniging en de vrouwen-adviescommissiehadden -- terecht! -- reeds geklaagd over hette geringe aantal bergkasten. Maar daaropmoet nu nog verder worden bezuinigd. Eenkast cvenwel blijft onaangetast: het door deopenbare nutsbedrijven geeiste speciale exem-plaar voor meters voor gas, water en elek-triciteit. Daaraan kan niet worden geraakt,evenrain als aan het aantal stopkontakten perkamer, ook al is er in diezelfde kamer geengeld meer voor een behangetje op de muur.De verharding van de rijbaan en van devoetpaden, de trottoirbanden en de bijbeho-rende kolken, de straatverlichting, zijn per-fekt in orde, maar een Nederlands gezin isnog altijd veroordeeld om zich koUektief tewassen, hetzij onder de keukenkraan, hetzijin een ,,badcel", die dikwijls te klein engewoonlijk onbetegeld is. De nood prikkelthet vernuft, en zo hebben wij het lavet ont-wikkeld dat zowel moet dienen voor de li-chaamsreiniging als voor de gezinswas. Maardit ingenieuze (en nuttige) apparaat is tochkennelijk uit de nood geboren; de nood vanhet te geringe aantal tappunten per woning.Men begrijpe mij wel, ik misgun noch de di-rekteuren der bedrijven, noch de hoofdenvan gemeentewerken de vervulling van hunongetwijfeld gerechtvaardigde desiderata; ikerken de uiteindelijke ekonomie van eendeugdelijke aanpak van al deze werken, maarik konstateer toch dat daarnaast andere,minstens even wezenlijke, maar lets moeilijkerweegbare waarden worden veronachtzaamdterwille van de eerstgenoemde, zeer concretemateriele aspekten.Ik sta hier opzettelijk wat langer bij stil,juist tegenover de pers, omdat de publiekeopinie deze samenhang niet altijd doorziet.Het regent dadelijk klachten wanneer eenenkele maal een woonpad wat smal is uit-gevallen, of wanneer elders in een woon-straat twee auto's elkaar niet vlot kunnenpasseren, althans niet wanneer er ook nogeen bakkerskar staat.Natuurlijk, het zou allemaal nog perfekterkunnen, maar men realisere zich dat dit an-dermaal zou gaan ten koste van de woningzelf, hetzij doordat men deze nog ver-der zou gaan ,,uitkleden" -- hetgeengewoonlijk nauwelijks nog mogelijk is -- danwel doordat men de bebouwingsdichtheid nogverder zou gaan verhogen, door verkleiningvan de -- naar mijn gevoel op vele plaatsentoch reeds te geringe -- onderlinge afstandentussen de bouwstroken.Men realisere zich tenslotte dat het ook hierwederom gaat om harde ekonomische feiten.De rendabiliteit der miljarden die in onzevolkshuisvesting zijn ge'investeerd komt ingevaar bij een te laag verzorgingsnlveau vande woningen. Als de tot dusverre stijgendelijn van ons welvaartsniveau niet afbuigt, zalmen binnen enkele tientallen van jaren eisenaan de woning gaan stellen, waaraan onshuidige produkt niet bij benadering voldoet;Zweden o.a. kan ons hierbij tot voorbeelddienen. Ongetwijfeld dreigt derhalve het ge-vaar van voortijdige veroudering. Het isgeenszins denkbeeldig dat wij bezig zijn nieu-we potentiele krotten te bouwen, zij het aanperfekte straten en voorzien van een behoor-lijk leidingstelsel.Hoe vreemd het ook klinke, deze waarschu-wing is toch eigenlijk een uiting van opti-misme, optimisme ten aanzien van althansons materiele welvaren in de toekomst.Ik koester ook zekere -- ik geef toe, weinigberedeneerde -- optimistische gevoelens tenaanzien van de verdere ontwikkeling vanonze geestelijke welstand, resulterende inhogere eisen ten aanzien van omvang en(esthetische) kwaliteiten van de eigenlijkewoonruimte zelf. Ik verwacht derhalve, hoopalthans, dat men uiteindelijk n6g meer waar-de zal hechten aan behoorlijke afmetingen enverhoudingen van de vertrekken waarin menverblijft dan aan de aanwezigheid daarinvan allerlei technische snufjes. Zou dit zichniet zo ontwikkelen, dan wordt de woningtot een soort onderzeeboot-interieur, waar demens zich moet doorwringen tussen de ma-nifestaties van een hem schijnbaar dienende,in werkelijkheid beheersende techniek. Danzou blijken dat onze kinderen de in ons zogesmade chauffeursmentaliteit niet hebbenkunnen overwinnen.Ik weiger dit te geloven, doch moet dantevens aannemen dat de tekorten die wij79De stedebouw en het wonenonze woningen tot dusverre hebben meegege-ven definitief omherstelbaar zullen blijken tezijn. Immers, nieuwe installaties en leidingenkan men later tenslotte altijd nog wel inbou-wen, te kleine parkeergelegenheden wellichtnog wel uitbreiden, maar bij de huidige kon-struktiemethoden kan vrijwel niets meer wor-den veranderd aan het eigenlijke corpus vanonze bouwsels.De stadStap ik af van de woonwijk, dan kom ik totde stad, waarover, om tijds wille, slechts en-kele opmerkingen.De periode van bezinning gedurende de oor-logsjaren heeft ons gebracht op de z.g. wijk-gedachte, het inzicht dat de stad, vooral degrote stad, niet kan gedijen als een amorfe,zich uitbreidende steenwoestijn, maar dat zijmoet worden opgebouwd uit wel onderschei-den, elk voor zich duidelijk gekarakteriseer-de, tot op zekere hoogte zichzelf genoegzameeenheden, de wijken.Daar vindt de bewoner een nog overzichte-lijke wereld, waar hij zich thuis kan voelen,waaraan hij zich affektief kan hechten, waar-binnen hij zijn ambities kwijt kan.Of wij daarmede niet tevens een stimulans ge-ven aan een dorpsmentaliteit en aan een be-krompenheid van visie die ons elders het wer-ken onmogelijk dreigen te maken, komt straksaan de orde. In ieder geval is de ,,wijkgedach-te" thans wel gemeengoed geworden zowel inde vakwereld als daarbuiten. Er is geen modernuitbreidingsplan waarin dit beginsel niet isaanvaard. Voorshands ben ik geneigd dit teboeken als een zeer groot winstpunt, ondanksde restriktie van daareven.Het stadscentrumAl deze wijken groeperen zich om het stads-centrum, het culminatiepunt van de stede-lijke gemeenschap.Het ontwerpen van nieuwe stadscentra be-hoort nog tot de uitzonderingen; het hart vanRotterdam, de binnensteden van Eindhovenen Nijmegen, alsmede een Emmeloord in het; nieuwe land zijn voorbeelden van wat wij opdit punt vermogen. Ik heb de indruk dat wij,gelet op de nieuwheid van de opgave, niet alte ontevreden behoeven te zijn over dezeeerste resultaten.Een typisch Nederlands stedebouwkundig pro-bleem, dat zich thans nog slechts aankon-digt, vormt de rekonstruktie onzer historischestadskernen, waaraan ons land zo uitzonder-lijk rijk is en die ons de zware verplichtingopleggen enerzijds om een onvervangbaarerfgoed onbeschadigd te behouden, andererzijdsom het voldoende bruikbaar te maken voorde eisen van vandaag. De voorbereiding vandit enorme werk is nog nauwelijks aangevat enreeds weerklinkt de pers van het strijdrumoer,tussen behouders en brekers of dempers.Van realiseringen is inmiddels nog weinig ofniets te zien; het zij derhalve voorbehoudenaan de spreker op een volgende Wereldstede-bouwdag om hier een eerste balans te pre-senteren.De randstadAl enige malen is duidelijk geworden dat destedebouwer noodgedwongen steeds grotereeenheden in het oog moest gaan vatten. Demeest spectaculaire daarvan voor ons landis wel de Randstad, die door Hudig in 1926reeds werd herkend als een samenhangendgeheel, en die sedert enkele jaren ook als eennieuwe entiteit is voorgesteld aan het grotepubliek.Hier ligt voor ons volk naar mijn stelligeovertuiging de grootste taak van deze eeuw,groter en grootser nog dan de Zuiderzeewer-ken en de Deltawerken, twee scheppingenoverigens waarmede de vorming van dezeRandstad ten nauwste verband houdt. En hier-- laat ik dit maar aanstonds vooropstellen --is op dit ogenblik nog uitermate weinig aan-leiding tot juichen.integendeel, de mentaliteit van waaruit ditgehele probleem voorshands wordt benaderdis nog bizonder ontmoedigend. Wellichtvraagt deze nieuwe opdracht nog een langetijd van geestelijke voorbereiding, maar danis het te laat.Waarom toch gaat het?In het westen van ons land is bezig zich tevormen een nieuwe wereldstad, een samen-hangend conglomeraat, groeiende uit eenreeks van grotere en kleinere oude steden,die elk voor zich zijn voorbestemd om op tegaan in een anders, hoger geaard, sterk ge-differentieerd organisme.Men schat het toekomstige inwonertal (1980)van dit nieuwe agglomeraat op rond 5,5 mil-joen (thans bijna 4 miljoen). Voor een me-tropolis is dit altijd een nog betrekkelijk be-scheiden omvang.Het ontstaan van zulk een nieuwe wereldstadis overigens geen incidentele gebeurtenis: hetpast in een ontwikkeling die al lang gaandeis. Honderd jaar geleden waren er nog maar4 miljoenen-steden, nl. Londen, Parijs, Pekingen Tokio, met tezamen 8,5 miljoen inwoners(bij een bevolking der gehele aarde van rond1,2 miljard). Honderd jaar geleden leefdenderhalve 0,7 % van de mensheid, thans 3,8 %,in dergelijke miljoenen-steden, met hun geheeleigen sociale en kulturele atmosfeer. In dewerkelijkheid is de absolute en relatieve groeivan het ,,stedelijk" gehuisveste deel van demensheid evenwel nog veel sterker geweestdan de eenvoudige statistiek kan achterhalen.De zojuist gegeven cijfers omvatten nl. nietde over meerdere administratieve eenhedenverdeelde bevolkingsopeenhopingen. Deze tochontsnappen aan de statistische inventarisatie.Zo verschijnt Pittsburgh in de statistiek met680.000 inwoners (het getal voor de eigen-lijke kernstad), hoewel de gehele agglomeratie1,5 miljoen telt. Voor Boston zijn deze cijfers800.000 en 2.250.000. In Engeland vormenLiverpool, Leeds, Glasgow, Birmingham enManchester soortgelijke formaties.Laten wij daarbij niet vergeten dat ook onzeeigen Randstad, die nu reeds bijna 4 miljoentelt, niet als miljoenen-stad uit de statistiekennaar voren treedt.Zien wij even af van de miljoenen-steden (diede oudheid trouwens ook zeer wel heeft ge-kend) dan wordt het nog duidelijker dat hetgrote-stadsmilieu steeds meer voorbestemd is80Maak Nederlandbeter beivoonbaarBouw mee aan de verhoging van het peilvan de Nederlandse woningbouw.Laten wij niet achter blijvenbij de moderne begrippen over bouwen en wonenDat betekent o.a. blijvend gave vioerbedekkingdie bij de huur is inbegrepen,dus permanent' linoleum.Tegenover een geringe huurtoeslagstaan vele evidence winstpunten :* permanent linoleum betekent voorde huurder een aanzienlijke verlichtingvan zijn Installatie-budget;* garandeert ook de minder draagkrachtigeneen volwaardige vioerbedekking;* bevordert de geluid-isolatie tussende woonlagen;* is blijvend bacteriendodend, dus hygienisch;* heeft een lange levensduur, de kleuren gaandoor-en-door, dus kunnen niet wegslijten;^ verhoogt de woonbeschaving.linoleum kromiTienieVoor keuken, douchecel en hal ook colovinyi plastic asbesttegels, soepel en slljtvast,in hoge mate bestand tegen olien, vetten, zuren en vele andere chemicalien.Vraag ook naar colorite cumaronhars tegels, eveneens In vele fraaie tinten.Onze afdeling technische adviezen verstrekt gaarne volledige inlichtingen (telefoon 02980-81941)Door toepassing vane&>iiuj warmtemeters: betaalt iedere aangeslotene op cen-tralebiokverwarminguitsluitendheteigenwarmteverbruik; bevordert men een economische ver-warming en wordt brandstofverspillingvoorkomen; wordt een brandstofbesparing vangemiddeld 28% bereikt; worden meningsverschillen over deverwarmingsrekening tussen eigenarenen huurders voorkomen; wordt een van de moeilijkste takenvan het flatbeheer, t.w. het verdelen vandeverwarmingskosten, dooreen neutrale,landelijk georganiseerde instantie be-ihandeld.Er is ook een W^mm wormwatermeter,die de hoeveelheid afgenomen worm-water per woning registreert.>.^Uitvoerige inlichtingen wordenU op aanvraag gaarne verstrekt.WARMTEMETER N.V.Postbus 179 Teh 01800-66126 SCHIEDAMVACATUI^i;GEMEENTE HAARLEMBij het bedrijf voor openbare werken wordt gevraagd eenHoofd van de Stedebouwkundige AfdelingDe te benoemen functionaris zal worden belast met de leidingvan het voorbereiiden en het uitwerken van stedebouwkundigereigelinigen.Voor de venvulling van deze functie komen in aanmerkingbouwtkundige ingenieurs met ruime ervaring op stedebouwkun-dig gebied.Benoeming gesohiedt naar gelang van ervaring en bekwaam-hedd in de rang van:a. hoofd v. d. stedebouwkundige afdeling / 14.185, / 17.161,--ofb. hoOifdingenieur A ,, 13.105, ,, 15.709,--Eigenhandig, niet met ballpoint gesehreven sollicitaties met uit-voerige inlidhtingen otntrent opieiding en vroegere en huidigewerkkring, alsmede opgave van refeirenties, inzenden aan deburgemeester van Haarlem binnen 14 dagen na het verschijnenvan dit blad.SoUicsitanten wordt verzooht een recente pasfoto, welke nietzal worden teruggezonden, bij te sluiten, dooh overtgens geenbescheiden made te zenden.Op de omslag vermelden; nr. 7577 SV.GEMEENTE HAARLEMBij het bedrijf voor openbare weifeen wordt gevraagd eenCiVIEL of BOUWKUNDIG INGENIEURdie meer in het bijzonder belast zal worden met het voorberei-den van saneningen en het behandelen van verkeersvraag-stukken.Benoemiing geschiedt naar gelang van opleiding, bekwaamheiden leeftijd in de rang van:a. adjunct-ingenieur / 6.180, / 7.650,--b. ingenieur ,, 7.283, ,, 10.873,--c. ingenieur le klasse ,, 9.789,-- - ,, 12.733,--Eigenhandig, niet met ballpoint gesohreiven sollicitaties met uit-voerige inlichtingen omtrent opleiding en vroegere en huidigewerkkring, alsmede opgave van referenties, dnzenden aan deburgemeester van Haarlem binnen 14 dagen na het versdhijnenvan dit blad.Sollici.tanten wordt verzocht een recente pasfoto, welke niet zalworden teruggezonden. bij te sluiten, doch overigens geen be-scheiden mede te zenden.Op de omslag vermelden: nr. 7579 SV.ACADEMIE VAN BOUWKUNSTWATERLOOPLEIN 67 AMSTERDAMOPROEPING van gegadigden voor het cursusjaar 1959-1960 voor de cursussenSHO -- Stedebouwkundig Hoger OnderrichtHBO -- Hoger Bouwkunst OnderrichtVBO -- Voortgezet Bouwkunst OnderrichtWHO -- Vooropleiding tot het VBOSchriftelijke aanmelding tot 1 augustus 1959. , ?De stedehouw en het wonenom het normale menselijke milieu te gaanuitmaken. Omstreeks 1800 waren er op dehele wereld nog slechts 36 steden met meerdan 100.000 inwoners, reeds in 1930 bedroegdit het 20-voud. En een ander gegeven: ophet ogenblik leeft in Europa 30 % van debevolking in grote steden.Hier past een ogenblik van bezinning. Derampspoedige groeiwijze van onze westersesteden in de 19e eeuw heeft ons de stad doenzlen als het kwade element, de plaats vanondergang en verderf, tegenover het platte-land en de natuurruimte, die min of meerfungeerden als het te herwinnen paradijs, alsde oorden van rekreatie en regeneratie. Zowerd de tuinstad tot Paradise Regamed.Deze zienswijze maken wij nog al te gemak-kelijk tot de onze en wij vergeten dat dit zovertrouwde 19e-eeuwse standpunt eigenlijkeen anomalie is, dat overigens in historischetijden de gangbare opvatting van de mensaltijd is geweest die van het in steden levendewezen. Door alle tijden heen heeft de stede-ling gegolden als de normale, ja de optimalevcrtegenwoordiger van het genus mens.Dat de toekomst in versneld tempo moetvoeren tot een nog veel verder gaande ver-dichting en dus urbanisering van het raens-dom, volgt ook reeds uit de vaststelling datde bevolking der aarde zich in de afgelopen150 jaar heeft verdrievoudigd; rekent menvoor de komende 150 jaar op eenzelfde fak-tor, dan zou rond 2100 het totaal 8 miljardbedragen.De oorzaken zijn bekend; door de bestrijdingvan ziekte en dood is de gemiddelde mensen-leeftijd toegenomen van vermoedelijk 10 jaarin het stenen tijdperk via 22 jaar in hetvoorchristelijke Rome en 33 jaar in het mid-deleeuwse Engeland tot rond 40 jaar in hetEuropa van de 19e eeuw en tot 65 ^ 70 jaarin onze huidige westerse wereld. En het eindevan deze verschuiving is nog niet in zicht.Tegen deze achtergronden wordt de verschij-ning van een nieuwe wereldstad aan de mon-den van Schelde, Maas en Rijn begrijpelijk:in het dichtbevolkte Europa komen bij demonden der grote rivieren krachtlijnen samendie de voorwaarden scheppen voor het ont-staan van een nieuwe grote kern. De snel-heid en het gemak waarraede deze ontwikke-ling zich op het ogenblik voltrekt wijzen opde werkzaamheid van zeer reele tendentiesen impulsen.Dat deze nieuwe formatie in dit geval ont-staat uit een krans, een kralensnoer van reedsbestaande, aanvankelijk vrij ver uiteengelegenoude kernen, van Amsterdam in het noordentot Dordt -- of wellicht zelfs tot Antwerpen-- in het zuiden, zou een zegen kunnen zijn.Want het opent de mogelijkheid om hetschrikbeeld van de oude wereldsteden, dekompaktheid, te ontgaan en om het nieuwestadsgeheel een volkomen eigen karakter tegeven, om daarbinnen een de mens passend,weldadig klimaat te scheppen, afgestemd opzijn meest wezenlijke behoeften. Enerzijds isdit de behoefte aan menigvuldige menselijkekontakten, aan de hevigheid van de geeste-lijke en materiele activiteiten die altijd eigenzijn geweest aan het typisch stedelijke milieuen andererzijds de behoefte aan ruimte, open-heid, rust, die het onmisbare koraplementvormen voor een voUedige ontwikkeling vande persoonlijkheid.Ik waag de stelling dat het de taak van de20e eeuw zal zijn om de nieuwe, volledige,menswaardige stadsvorm te ontwikkelen, diedan wederom het menselijke milieu bij uitne-mendheid zal opleveren.Helaas verraadt de wijze waarop wij in deRandstad het wordende fenomeen vandaagnog tegemoet treden, weinig besef van degrandeur van deze opgave, noch ook van deverantwoordelijkheden welke zij ons oplegt.Onze houding is voorlopig nog allerrainstverheffend en zeker niet vruchtbaar. Zijschijnt te worden bepaald door een mengelingvan angst, beslulteloosheid en onderlinge na-ijver.Angst voor een wel zeer indrukwekkend ver-schijnsel, dat ontegenzeggelijk vele gevarenin zich bergt: de overrompelende bevolkings-aanwas, waarvan al sedert Malthus de hef-tigste onheilen werden voorspeld, gelukkignog altijd ten onrechte. Deze angst heeft totdusverre voornamelijk geinspireerd tot po-gingen om de gevolgen van deze bevolkings-groei wat te verkleinen: emigratie, spreidingvan Industrie naar elders.Maar angst is de slechtst denkbare inspiratortot een schoon werkstuk. Wie niet in staat isdit verschijnsel positief tegemoet te treden,ja er bezieling aan te ontlenen voor een gi-gantische, maar geenszins onvervulbare op-dracht, die bederft voor de komende miljoe-nen in de Randstad bij voorbaat de kans op eenschoon, op zijn beurt weer inspirerend milieu.Waarom dit gehele fenomeen niet te zienals de uiting van een primaire menselijke le-vensdrang, een enorm ,,elan vital", een triom-fantelijk ,,en toch" als antwoord op de onsdagelijks obsederende doodsdreiging, een ver-vuUing van het bijbelwoord: ,,Gaat heen envermenigvuldigt U?"Het is vandaag de mode om te spreken van,,uitdaging". Welnu, hier wordt ons volk alsgeheel op grandioze wijze uitgedaagd. Onsantwoord zal beslissend zijn voor de toe-komst, ja voor ons voortbestaan.Onderlinge naijver. Het is er nog ver vandat de huidige bewoners van onze Randstadbereid of zelfs maar bij machte zijn om dekomende eenheid van hun grote woongebiedte onderkennen. Alles wordt nog gezien opde gemeentelijke schaal, die trouwens ookoverigens een zo groot beletsel is voor allestedebouwkundige arbeid.Men denke aan de grenswijzigingskwes-ties, die tientallen van jaren slependeblijven en gehele stadsuitbreidingen ver-lammen. Het moge humanitair dan al eenwinst zijn dat de bewoners van nabijge-legen gemeenten elkaar niet meer letterlijkde schedel inslaan wegens een betwistepaar roeden gronds, zoals dat in de mid-deleeuwen gebruikelijk schijnt te zijn ge-weest, de strijd gaat thans langs admini-81De stedebouw en het wonenstratieve wegen vrijwel even verbitterd(en tijdrovend) voort. De stedebouwer --die een technicus en een practicus is --heeft allang geleerd om gemeentegrenzen,hoe absurd ook verlopend, als vrijwel on-aantastbaar te beschouwen. Liever maakthij een krom plan dan zijn lastgevers hetrisico te bezorgen van vast te lopen tegeneen toch niet tijdig te verleggen grens.Vergeef mij deze uitweiding over het an-nexatie-wee in het algemeen; er werd mij --U herinnert het zich -- een kritische beschou-wing gevraagd.Ik keer terug naar de Randstad, waar onshet onvermogen om ons te verheffen bovenhet gemeentehjk standpunt eveneens fataaldreigt te worden. WiUen wij deze nieuwestedebouwkundige schepping inderdaad eenovertuigende gedaante verlenen, dan zuUenwij moeten denken in termen van een we-reldstad, en uitgaande van het geheel, dedelen moeten vormen.Deze conceptie van het geheel vraagt onge-twijfeld zorgvuldigheid, maar ook verbeel-dingskracht en vooral moed.Minstens zo belangrijk als de keuze van deplaatsen waar straks gebouwd zal worden isdaarbij de bepaling van de ruimten die vrijmoeten blijven. Minstens zo belangrijk alsde vormgeving van de bebouwde gebiedenzal de vormgeving zijn van de onbebouwderuimten, want juist door de juist bemeten enschoon gevormde open ruimte binnen hetstadsgeheel zal de metropool der toekomstzich onderscheiden van haar kompakte19e-eeuwse voorgangster, deze bron vanellende, die het gehele stadsbegrip in dis-crediet heeft gebracht. Dit eist evenwel schep-pende fantasie en een boven-gemeentelijkstandpunt. Het gaat hier namelijk niet om deopen ruimte van een stedelijk park, maar omiets van een geheel andere dimensie: om degehele, samenhangende, open ruimte van hetHollandse ,,binnenland". Deze ruimte, dezeopenheid zal de stedelijke ring -- die nergens,,te dik" mag worden, bewoonbaar houden.De kaart behorende bij het rapport over deontwikkeling van het Westen des lands, uit-gebracht door de gelijknamige werkcommis-sie van de Rijksdienst van het Nationale Planillustreert ten duidelijkste wat er van dezeopen ruimte zal overblijven, indien wij onsniet tijdig weten op te werken tot een juistebenaderingswijze.Deze kaart toch geeft een meer of minderkrachtige uitbreiding aan van alle grotere enkleinere kernen in het gehele gebied. Decommissie heeft het blijkbaar voorshandsonbereikbaar geacht (en vermoedelijk te-recht) om te verlangen dat enige gemeenteafziet van de realisering van haar ,,eigen"woningbouwcontingent.Deze kaart vertoont dan ook een gelijkma-tige rode spikkelstruktuur, waaraan weinigzin en nauwelijks een andere bewuste be-doeling valt af te lezen dan om de in hetverleden plaats gehad hebbende ontwikkelingin principe op dezelfde wijze te laten voort-gaan.Aldus wordt het westen van ons land strakseen grote kampong: een uit Harden aaneen-geregen amorfe, ongedifferentieerde neder-zetting die gehele landstreken gelijkmatigoverdekt, van horizon tot horizon, met daar-tussen wat open plekken, le klein om vanwerkelijke waarde te kunnen zijn.Bij een nog lopende diskussie over een even-tuele nieuwe satelliet binnen de Randstad wor-den vrijwel alleen argumenten van gemeen-telijk belang gebezigd. En dat terwijl juist hiereen van de allerwaardevolste, nog onaange-raakte ruimten binnen de Randstad op hetspel staat, een ruimte die straks onvervang-baar zal zijn voor de bewoonbaarheid vanhet totaal.Misschien ben ik onredelijk en vraag ik hetonmogelijke; misschien zou de hier gevraagdehouding op dit ogenblik nog bovenmenselijkzijn. De stedebouwer zou bij de huidige standvan zijn vak vermoedelijk wel reeds een vrijaannemelijke oplossing weten te vinden, maarvergeten wij niet, dat hier niet primair eenvak'prM-Km ligt, maar een /'c5to?riprobleem.Het is niet de vakman, maar de bestuurderdie moet uitmaken wat op een gegeven ogen-blik reeds (of nog) haalbaar is. En dan pastons matiging van onze verwachtingen.In de levende natuur pleegt de zorg voor hetvoortbestaan van de soort te gaan boven dezorg voor het eigene. Dit geldt ook in demenselijke samenleving.De stedebouwer belichaamt deze drang inzijn dagelijkse werk, dat altijd gericht is opeen verdere toekomst, dat bijna altijd vande tijdgenoot zekere offers vraagt terwillevan het nageslacht.Het is de vraag hoever hij daarbij gaan kan,tot hoever een generatie bereid zal zijn onieigen vreugden, eigen genoegdoening, op teofferen aan het wel-bevinden van haar kin-deren. Hier ligt een toetssteen voor het mo-rele gehalte van geheel een volk.Het is aan de bestuurder, meer dan aandiens stedebouwkundige adviseur, om dezetoetssteen te hanteren en het begrip en deofferbereidheid te peilen van de bevolkingwaarover hij is gesteld.Voorlopig ziet het ernaar uit dat ten aanzienvan de Randstad zowel het heldere begripontbreekt van wat de toekomst van onsvraagt als ook de geneigdheid om^ terwillevan deze toekomst, iets op te geven van onzehuidige instellingen, ons huidige speelgoed, onshuidige partikularisme.Maar het is aan de bestuurder tevens opge-legd om de bevolking te leiden en te sti-muleren tot een waardiger en waardevoUerhouding. Hij moet haar doordringen van hetbesef dat ons beleid in het heden in belang-rijke mate bepalend is voor het levensgelukvan hen die na ons dit land hebben te be-In de aanvang heb ik in herinnering ge-bracht hoe langzaam nieuwe denkbeeldenplegen door te dringen, hoeveel arbeid eninspanning het kost om ze enige weerklankte doen vinden en om ze tenslotte in con-crete maatregelen om te zetten. Inmiddels82De stedehouw en het wonengaat het kwaad verder, in de Randstad in canwel zeer snel tempo. En wat gebeurt is on-herstelhaar.Ik ben vrijwcl gekomen aan het einde vanmijn betoog; mag ik de voornaamste puntennog eens opsommen?Samcnvattinga. De omstreeks 1900 herboren stedebouwheeft zich aanvankelijk vooral beziggehoudenmet het ontwerpen van tuinsteden, woonwij-ken en stadsuitbreidingen. Gaandeweg breid-de hij zijn arbeidsveld uit tot groepen vangeraeenten en gewesten. Gedurende de laatsteoorlog kwam dc Rijksdienst voor het Natio-nale Plan tot stand.b. In vele opzichten betekent de tweede we-reldoorlog een keerpunt in de ontwikkellng,zowel van de stedebouw als van de woning-bouw.c. In vergelijking met de meeste andere Ian-den zijn wij bizonder bevoorrecht met onzeonteigeningswetgeving; niettemin houdt zelfsbij ons de onteigeningsprocedure in het alge-meen het tempo van ons stedebouwkundigewerk niet bij.d. Een van de allergrootste belemmeringenvoor een gezonde stedebouwkundige uitlegvan zeer vele onzer steden en dorpen vormtde starheid van de gcmeentegrenzen en hetoverdreven belang dat daaraan wordt gehecht.e. De architektuur in engere zin en de platte-grondvorming onzer woningen worden nau-welijks rechtstreeks beinvloed door stede-bouwkundige maatregelen.Wel bepaalt het uitbreidingsplan de hoogtevan de bebouwing, de aard der woningen,de vermenging van verschillende woningtypesen gebouwvormen, de verkavelingswijzen ende voorziening van de woonbuurt met openruimten, speciaal voor de rekreatie, en met aldie bizondere elementen die voor een volle-dige ontplooilng van het gemeenschapslevenonmisbaar zijn (kerken, scholen, buurtcentra,winkelcomplexen, enz.).f. Een grote winst is de erkenning geweestdat een gedifferentieerde bevolking een ge-differentieerde huisvesting vraagt.Een andere grote winst is de onderscheidingtussen verkeersstraten en woonpaden.Wederom een andere winst is de ontwikkelingvan velerlei nieuwe verkavelingsvormen.g. Er is een ernstige discrepantie tussen hetverzorgingsniveau van enerzijds onze open-bare werken en de installaties en leidingenvan onze openbare nutsbedrijven die alle aanzeer redelijke eisen voldoen en andererzijds dewoning zelf die gewoonlijk tot het laatste toemoet worden ,,uitgekleed".h. De onderlinge afstand tussen de woning-blokken wordt veelal te krap gekozen.Dit, gepaard met de geringe afmetingen vande voornaamste ruimten, de armelijke afwer-king en de onvoldoende uitrusting van onzewoningbouw, bedreigt de toekomstwaardedaarvan, en aldus de rendabiliteit der daaringeinvesteerde bedragen.i. Voor de vorming van het stadsgeheelwordt algemeen de z.g. wijkgedachte als uit-gangspunt aanvaard.j. De rekonstruktie van onze oude stadscen-tra vormt een nieuwe grote opgave voor be-stuurders en stedebouwers. De gedachtenvor-ming hierover is nog slechts nauwelijks be-gonnen.k. Het volgende grote nationale werk bijuitnemendheid zal moeten zijn de vormge-ving van de Randstad.De gehele aanpak van deze opgave moetnog fundamenteel worden overwogen.1. De vorming van de Randstad kan wor-den gezien als een uitvloeisel van de overalover de gehele wereld voortschrijdende urba-nisatie.Erkend wordc dat het stedelijke milieu hetspecifiek-menselijke milieu der toekomst zalzijn, zulks in weerwil van de slechte erva-ringen met de grote stad in de 19e eeuw.Het is aan ons om daarvoor de nieuwe vormte scheppen.m. De huidige situatie in het westen vanNederland biedt in principe prachtige uit-gangspunten voor het creeren van zulk eennieuw, geheel eigen-geaard, grootstedelijk mi-lieu, aangepast aan de behoeften van de mo-derne mens. Uitgangspunt zij het behoud vande grote centrale binnenruimte. Daartoe zaldan evenwel gebroken moeten worden metde tot dusverre gevolgde praktijk van min ofmeer evenredige groei van alle binnen deRandstad gelegen bebouwingsaanzetten.n. De waarde van deze binnenruimte wordtbepaald door omvang en ongereptheid. Vooralles moet er daarom naar worden gestreefddeze werkelijk en radikaal vrij van verderebebouwing te houden.o. AUereerst zal nodig zijn een positieveaanvaarding van de verschijnselen die aande vorming van de Randstad ten grondslagliggen: de bevolkingsgroel en de radikale ver-stedelijking, maar dan in de geheel nieuwebetekenis van het woord, met krachtige te-genstellingen tussen intensief bebouwd enradikaal onbebouwd.p. Nodig zal ook zijn overwinning van hetgemeentelijke partikularlsme, teneinde te er-kennen dat het geheel hier gaat voor, en vervoor, de samenstellende delen.q. Het probleem is er allereerst ^^n van he-stuur en voor bestuurderen.Ik ben hiermede gekomen aan het einde vanmijn beschouwingen die ik, overeenkomstigopdracht, kritisch heb gehouden.Mag ik eindigen met de overbekende woor-den waarmede Marcus Antonius de dodeCaesar herdacht:,,the evil that men do lives after themthe good is oft interred with their bones".Neemt ge deze woorden letterlijk, dan zijn zeeen waarschuwing. De spreker evenwel be-doelde zijn hoorders te voeren tot een tegen-gestelde konklusie; dan mogen ze ons tottroost strekken.83SledebouwRapport Sledcbouw t:u LucbtheschermingstedebouwRapport van de Commissie Stedebouw en LuchtbeschermingHet dagelijks bestitur' van het Instituut heeft enige tijd geleden een commissie ingesteld, metde taak te onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, door stedehouwkundige maatregelen deuitwerking van aanvahmiddelen op bouwwerken en bevolking kan warden voorkomen enheperkt.In deze commissie hadden zitting de Heren Dr. Ir. F. Bakker Schut, Voorzitter van hetInstituut, Hoofddirecteur van de Dienst van Wederopbouw en Stadsontwikkeling te 's-Graven-hage, voorzitter.Ir. C. de Cler, Hoojdingenieur-Directeur, hoofd van de Afdeling Stedebouw van de CentraleDirectie van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid.S. H. Hoogterp, Kolonel Koninklijke Luchtmacht.P. ]. M, Ruijters, Hoofd van de Sectie Bouwkundige Aangelegenheden van het Ministerie vanBinnenlandse Zaken, Bezitsvorming en Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie.G. B. Smid, Hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst van Gemeentewerken teEindhoven.Prof, Ir. Jac. P. Thijsse, destijds adviseur bij de Rijksdienst voor het Nationals Plan.]hr. Ir. S. Laman Trip, Directeur van Openbare Werken te Den Helder, leden enA. C. Huys, Plaatsvervangend Hoofd van de Sectie Bouwkundige Aangelegenheden voor-noemd, lid en secretaris.Deze Commissie heeft thans haar rapport uitgebracht. Dit rapport volgt hieronder.I. Inleiding ? ?Hoever men ook in de geschiedenis terugblikt,overal vindt men bewijzen van de eeuwigewet van het zelfbehoud. De gehele geschie-denis vormt een lange keten, waarin oorlog,aanval en verdediging belangrijke schakelsvormen.Overal en altijd weer opnieuw is de bouw-techniek bij de verdediging nauw betrokkengeweest. Men denke slechts aan de grachtenmet palissaden, de Chinese muur, de Romein-se versterkingen e.d. Grachten en murenvormden in de middclceuwen een onmisbaarbestanddeel van elke stad. Al deze versterkin-gen gaven, elk in hun tijd, een weerspiegelingvan de stand van de bouwtechniek en van deaanvals- en verdedigingstechniek en haddeneen vergaande invloed op de stedebouw en hetgehele leven.Deze invloed bereikte een hoogtepunt, toen-- door de uitvinding van het buskruit --voor de verdediging van de steden buiten-gewoon zware wallen en zeer ingewikkeldevestingwerken met talrijke bastions en kaze-matten noodzakelijk werden. De betekenis vandeze enorme stadsfortificaties verminderdeeerst in de loop van de 19e ecuw door eenomwenteling op het gebied van de oorlogvoe-ring, waarbij de legers meer mobiel werdenen minder afhankelijk van de vestingen methun uitgebreide magazijnen. Zo brak er eentijd aan, waarin het leek alsof dc stad voorgoed was bevrijd van de dwang tot verdedi-ging-Helaas Week dit in de eerste -- en in nogsterkere mate tijdens de tweede wereldoorlogeen illusie te zijn. Want in beide wereldoor-logen werden de steden opnieuw tot brand-punten van het oorlogsgeweld. Onder invloedvan de zich ontwikkelende techniek breidde deomvang van de strijdkrachten en die van hunkrijgsuitrusting zich steeds verder uit. Hetverbruik bij de oorlogvoerenden aan wapens,uitrustingsstukken, munitie, bedrijfsstoffen enz.steeg tot fantastische hoeveelheden. Voor deaanvoer van het personeel en het materiaalwerd het verkeersnet een essentiele factor envooral in de operatiegebieden van de legerswerd het bezit van de steden en havens, dieals knooppunt in dit verkeersnet fungeer-den, dikwijls een voorwaarde voor elke ver-dere strijd.Maar ook de steden buiten de operatiegebiedenkregen voor de oorlogvoering een veelal essen-tiele betekenis, zulks vooral indien zij een be-langrijke rol speelden als productie- en ver- keerscentra. In het kader van de totale oorlogwerd 66k het ,,thuisfront" in de strijd be-trokken. Niet alleen de steden zelf en de ha-vens, industriegebieden, verkeers- en bestuurs-centra werden het doelwit van de vijandelijkeaanvallen op het ,,achterland". Het strevenom de productie en aanvoer van krijgsbehoef-ten lam te leggen, leidde ertoe dat de aan-vallen tenslotte 66k rechtstreeks tegen de be-volking werden gericht om deze de wil ende moed te doen verliezen om de oorlog nogverder voort te zetten.Wanneer wij de eerste en de tweede wereld-oorlog met elkaar vergelijken, dan moeten wijvaststellen dat ten aanzien van de aanvals-techniek van een tragische omwenteling moetworden gesproken. De verliezen tengevolgevan luchtaanvallen onder de niet strijdendebevolking bedroegen in Duitsland tijdens deeerste wereldoorlog 746 doden. Voor detweede wereldoorlog worden deze echter ge-raamd op niet minder dan 500.000.Wij moeten er helaas op rekenen dat de be-volking bij een toekomstig militair treffen op-nieuw aan zware luchtaanvallen zal wordenblootgesteld. En opnieuw -- zoals in het ver-leden -- ontstaat hierdoor de noodzaak bij destedebouw rekening te houden met de gevarenvan het oorlogsgeweld. Hoe sterker de lucht-aanvallen worden en hoe meer deze het ka-rakter van massa-vernietigingsmiddelen aanne-men, des te urgenter wordt het maatregelente treffen ter bescherming van de bevolkingen van de voortgang van het maatschappelijken economisch leven.II. De aanvalsobjecten, de aanvalsmiddelenen hun uitwerking1. De aanvalsobjectenRekening moet worden gehouden met de mo-gelijkheid dat een aanvaller naast zuiver mili-taire doelen, onder meer de nagenoemde pun-ten van het ,,thuisfront" als aantrekkelijkeaanvalsobjecten zal beschouwen:a. bestuurscentra;b. belangrijke verkeerscentra;c. belangrijke industrieen;d. grote bevolkingscentra.Hoe groter en compacter een complex van in-dustrieen en/of bevolkingscentra, hoe groterdc uitwerking van het aanvalsmiddel en der-halve hoe aantrekkelijker als aanvalsdoel.84StedebouwRapport Stedebouw en Luchtbescherming2. De aanvahmiddelenDe te verwachten aanvalsmiddelen kunnen wijverdelcn in: bommen, raketten en andereluchtaanvalswapens, gevuld met conventioneleexplosieven of met brandverwekkende danwel atomische, biologische of chemische aan-valsmiddelen.Met betrekking tot de stedebouw vragenhiervan, met het oog op de vernielende uit-werking, in de eerste plaats de aandacht: aan-valsmiddelen met conventionele explosieven,die met brandverwekkende stoffen, alsmededie met kernsplitsing (hierna te noemen A-bommen). De uitwerking van de H-bom wordthierbij niet apart in beschouwing genomen,omdat deze wat de vernielende uitwerkingbetreft zich wel kwantitatief maar niet kwa-litatief van voornoemd kernsplitsingswapenonderscheidt.De conventionele aanvalsmiddelen verwoestenof beschadigen gebouwen, veroorzaken bom-kraters en puinversperringen op de straten. Destraal van hun uitwerking hangt af van dezwaarte (vuUing) van de bom.Brandbommen hebben, zoals de naam reedszegt, een brandstichtende werking. Gebruiktin combinatie met brisantbommen, welke ver-hinderen elk begin van brand te blussen, zijnbrandbommen uiterst gevaarlijk. Tegen hetgrote aantal der brandhaarden zijn de brand-blusmiddelen soms niet meer opgewassen, zo-dat de branden samensmelten, een steeds gro-tere omvang aannemen en in de dichtst be-bouwde gebieden zelfs vuurstormen kunnenveroorzaken.Biologische en chemische aanvalsmiddelenhebben geen noemenswaardige materiele uit-werking op een stadsbebouwing. De maatrege-len, welke een bevolking moet treffen omzich aan hun uitwerking te onttrekken, lo-pen voor een belangrijk gedeelte parallel metdie, welke nodig zijn ter bescherming tegende overige aanvalsmiddelen en blijven voorde rest -- omdat deze niet binnen het be-stek van het hier behandelde vallen -- buitenbeschouwing.Voor een gedetailleerd beeld omtrent hetgeener precies gebeurt tijdens de detonatie vanA-bommen wordt verwezen naar de daarom-trent bestaande literatuur. Hier moge wor-den volstaan met de volgende schets:De atoombom (A-bom) is bedoeld en ont-worpcn als explosief wapen. De boven Japantot explosie gebrachte A-bommen worden alsmaateenheid voor andere typen gebruikt (dez.g. nominale A-bom). Een bom met gelijkeexplosiekracht als de boven Japan geexplo-deerdc wordt met Ix aangeduid en maakt eenenergic vrij, welke gelijkwaardig is aan dievan 20.000 ton T.N.T. i)Een tweemaal zo sterke bom wordt met 2xaangeduid, een driemaal zo sterke met 3xenz. Bij de explosie van een nominale A-bomzal het gebied, dat wordt getroffen, de groot-ste omvang hebben als de bom explodeert opeen hoogte van 600 m boven de grond. Dezewijze van toepassing is de belangrijkste ende meest waarschljnlijke.Een toename van de energie der bom heefteen vergroting van het explosiegebied tenge-volge, welke bij benadering evenredig is metde derdemachtswortel van de energie-toe-name.Van de omvang en de ligging van het aan tevallen gebied en de doelstelling van de aan-val zal het afhangen of een grote dan welmeerdere kleine bommen door de vijand zul-len worden afgeworpen.Bij de werking van een A-bom onderscheidtmen:a. mechanische energieb. thermische energiec. ioniserende energie,terwijl daarnaast kan optreden een radio-ac-tief residu van de ontploffing.Het totale beeld is zeer verschillend, naar-mate de bom detoneert hoog in de lucht,laag boven, op of in de grond, dan wel indiep of ondiep water.a. De belangrijkste werking is die van demechanische explosie-energie. De krachtvan de luchtdrukgolf overtreft in intensi-teit en duur alles wat op het gebied deroudere, conventionele wapens tijdens delaatste wereldoorlog werd toegepast. Dedruk veroorzaakt grote schade, welke af-hankelijk van de afstand zich uitstrekt vantotale vernieling tot lichte schade. Binneneen halve minuut is deze werking voorblj.b. De thermische energie van de A-bom isin staat tot op grote afstanden diversestoffen te doen ontbranden (b.v. raam-gordijnen). Vooral in de dichtbebouwdeoude stadskernen en wijken is derhalve hetgevaar groot dat uitgestrekte hevige bran-den de min of meer ernstige verwoestin-gen, welke ontstaan door de drukgolf,voltooien en vergroten.c. De ioniserende energie. Naast de vernielen-de mechanische werking en de hittestralingvan de atoombom treedt bij de explosieook een radio-actieve straling op, welke1) Trinitrotoluol (chemische springstof).zich tot op aanzienlijke afstand kan doengevoelen.Van deze initiele straling, welke uitsluitendtijdens en direct na de explosie van het deto-natiecentrum uitgaat, leveren voornamelijk degammastralen en de vrije neutronen gevaar op.De gammastralen
Reacties