stedebouw volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshmsvesting en StedebouwIn dit nummer:KOENE TEGELS^^JM^JUiii^\T*l?foen 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorslvrij materiaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOERENiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiW eg die regendoorslag!Weg dat bederf vanbinnenmuren, van behangen plafonds!X~^Mm:Vochtige muren, zowel van oud- als rrjSSSS?nieuwbouw, worden positief dlcht l.;;;:;-;|;-;-;-;;j'-;door het nieuwsfe siliconen-preparaot. .-. IjSS-:-! :Vraagt attest T.N.O. Delft, prijzen endrukwerk.N.V. TEER-, BITUMEN- EN VERF-INDUSTRIE;LJTOUWEN & CO. - AMSTERDAM ISVierwindendwstraat 1-3 Tel. (020)246275 245393^ModerneLIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel. 778400 (070)BOUWKREDIETENvoor WONINGBOUWin de vrije sector envallende onder dePREMIEREGELINGENworden verleend doornxDE RENTEKASZoutmanstraat 42,^s-GravenhageTelefoon 070-333860S& VUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedehouwMaandhladoktober 1961 '42e jaargang no. 10Redactie:Mevrouw Prof. C. W. VisserMe']. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. J. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagW. SchecrcnsIr. W, van TijenDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. v.d. WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 1S4225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Dit nummerricht de hoofdaandacht van de lezer op de sociologie van het wonen, een onderwerp, dat delaatste jaren in en huiten dit Tijdschrift veelvuldig ter sprake is geweest. Die toenemende he-langstelling weerspiegelt het hesef bij vele in de praktijk van de volkshuisvesting werkzamefiguren, dat hun eigen ervaring aanvulling en correctie kan vinden in het sociologisch onder-zoek van waning en hewoner; en evenzeer een gelukkig toenemend besef bij de sociologen,dat hier een belangrijk terrein van onderzoek voor hen ligt. De heer Dr. D. de Jonge geeft inzijn artikel een bijdrage tot de vorming van een theorie aangaande het wonen als object vanempirisch-systematisch onderzoek.Van de kleinere bijdragen in dit nummer noemcn wij hei artikel van Ir. A. van Hezik overMacro-stedebouw en een beschouwing van de Heer Dr. W. Steigenga, die betrekking heeft opeen vroeger in dit Tijdschrift ontwikkelde methode ter bepaling van de woningbehoefte in detoekomst met daarbij aansluitende discussie.225InhoudAspecten van de sociologie van het wonen,Dr. D. de Jonge 227StedehouwMacro-stedebouw, Ir. A. van Hezik . 231De verstedelijking van Nederland, Drs.W. J. de Bruyne 234Boekbespreking, Dr. J. Viegen . . 235Een stedebouwkundige tentoonstelling . 236Binnenland 236Overzicht van Tijdschriften . . . 237VolkshuisvestingDe toekomstige woningbehoefte in Ne-derland -- Kanttekeningen, Dr. W.Steigenga 237De Zwolse krotopruimingsactie, J.Scheper 239Binnenland 240Overzicht van Tijdschriften . . . 244Officiele MededelingenNederlands Instituut 245Rijksdienst voor het Nationale Plan . 248Summary . . ... . . . 248Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedehouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het Mad kosteloos.226Sociologie van het wonenAspecten van de sociologie van het wonen Dr. D. de JongeSinds de tweede wereldoorlog heeft men inverschillende landen sociaal onderzoek ver-richt aangaande het wonen. Meestal ging hetdaarbij in de eerste plaats cm het vinden vaneen antwoord op vragen die gerezen warenin de practijk van de volkshuisvesting en destedebouw, zodat de aandacht zlch veelalrichtte op een of ander specifiek aspect vande huisvesting, waarbij de nadruk kwam teliggen op het verzamelen van gegevens diedirect van nut zouden kunnen zijn bij hetvaststellen of verdedigen van een bepaald be-leid. Onder de gegeven omstandigheden is ditalleszins begrijpelijk. Beleidsinstanties die on-derzoekers in dienst hebben dan wel op-drachten verstrekken aan zelfstandige onder-zoekinstituten willen bruikbare resultatenzien en zijn gewoonlijk minder gei'nteresseerdin sociaal-wetenschappehjke theorieen waar-uit niet zonder meer richtlijnen voor depractijk zijn af te leiden.Uiteindelijk zal echter ook het op de practijkgerichte onderzoek beter aan zijn doel kun-nen beantwoorden, indien het gebruik kanmaken van een apparaat van begrippen enmethoden waaruit van geval tot geval rele-vante hypothesen en technieken ontwikkeldkunnen worden. Met behulp van hierop ge-bascerde onderzoekuitkomsten zou de theoriedan weer verder uitgewerkt kunnen worden,zodat theorie en practijk elkaar wederzijdszouden verrijken.In Nederland zijn wij, naar het mij voor-komt, nog vrij ver van deze gunstige situatieverwijderd, hetgeen ons niet beletten mag indeze richting te werken. Het volgende isbedoeld als een bijdrage tot de vorming vaneen theorie aangaande het wonen als objectvan empirisch, systematisch onderzoek.Voorlopig dient men er nog wel rekeningmede te houden dat een groot deel van debeschouwingen en beleidsbeslissingen aangaan-de de huisvesting mede gebaseerd is op denk-beelden die niet op wetenschappelijk onder-zoek berusten, doch niettemin een aanzien-lijke invloed op de practijk kunnen hebben.Ook dit probleem van de -- gedeeltelijk on-juiste -- onsystematische begripsvorming ende op weinig exacte kennis berustende uit-gangspunten van bepaalde beleidsbeslissingendient dus in de beschouwingen betrokken teworden (1).Paging tot een karakteristiek van het modernewonenIn de eerste plaats wil ik pogen enige ken-merken van het moderne wonen te schetsen.Wij leveren vooral in de steden in een ge-compliceerde maatschappij met een relatiefgrote mate van stoffelijke welvaart, een verdoorgevoerde arbeidsdeling en een zeer uit-gebreid net van formele en informele socialebetrekkingen. Vooral in de hogere lagen isdaarbij meer en meer sprake van ,,other-direction" (2), het gericht zijn op en bein-vloed worden door anderen. Bij het wonenin eigenlijke zin trekt men zich, zij het tijde-lijk en gedeeltelijk, uit deze veeleisende sa-menleving terug om ,,zichzelf te kunnenzijn", hetzij individueel, hetzij in een gezins-verband, dat te beschouwen is als een boven-persoonlijke uitbreiding van het ,,eigen ik".Er is bij het wonen dus een zekere mate vanisolement, dat nooit voUedig is, omdat menbereikbaar moet of wil blijven voor bestel-lingen, bezoeken en andere vormen van com-municatie (pers, radio, televisie, telefoon).Bovendien bestaat er vrijwel steeds enig con-tact met omwonenden en met het openbareleven buiten de woning. Het gaat dus om eenzeker samenspel van, of evenwicht tussen,isolement en interactle-communicatie, Kok(3) hanteert een enigszins andere formulewaar hij spreekt van ,,vrijheid en integratie",doch hij heeft blijkbaar hetzelfde soort sa-menspel in het oog. Wat nu het relatieveisolement betreft, dit wordt bereikt doormiddel van de exclusieve occupatie van eenhorizontaal groepsterritoir, de woning (al ofniet met eigen erf). Bij hen die individueelwonen (b.v. in een hotel of tehuis) treedt hetindividuele territorium, de eigen kamer, inde regel meer naar voren, terwijl deze per-soonlijke ruimte ook binnen een gezin kanvoorkomen. In ieder geval is de grens tussenbinnen en buiten, eigen en niet-eigen, dewoning (kamer) en de buitenwereld een es-sentieel kenmerk van het moderne wonen.Een groot deel van het intieme leven van demoderne mens (geslachtsleven, eerste verzor-ging en opvoeding van jonge kinderen, ge-bruik der maaltijden, omgang met mede-ge-zinsleden, rust, etc.) speelt zich overwegendbinnen de relatieve beslotenheid van de wo-ning af.Een tweede kenmerk van het wonen is hetbetrekkelijk permanente karakter van de ves-tiging, dat maakt dat men aan de woninghogere eisen stelt dan aan een hotelkamer ofeen kampeertent. (Wel zijn de ,,bungalow-tenten" die men in de laatste jaren steedsmeer ziet een overgangsvorm tussen wonenen kamperen, waarbij de eisen die men t.a.v.de kampeeroutillage stelt steeds hoger worden).Van groot belang is, dat het wonen veelalbeschouwd wordt als een der voornaamstegraadmeters van de persoonlijke en collec-tieve welstand en beschaving. Dit maakt dathet de moderne staat, die een welvaartsstaatwil zijn, niet onverschillig kan laten hoe zijnleden wonen, zodat vrijwel overal wel enigeoverheidsbemoeii'ng met de huisvesting teconstateren valt.Het wonen als sociaal verschijnsel vindt eenduidelijke ruimtelijke neerslag in de wonin-gen, woonwijken en alles wat daarbij behoort.De woonwijze drukt dus zijn stempel op hetgehele fysieke milieu en bei'nvloedt alzo hetkarakter en het aspect van de menselijke ne-derzettingen en van de cultuurlandschappen.Vooral in de dichtbevolkte landen is dit eenreden te meer voor de moderne overheid omtoezicht en invloed op de bouw en het be-heer van woningen uit te oefenen. In zekerezin heeft men hier immers te doen met eenvisitekaartje van de samenleving, of denktalthans dat dit het geval is.227Sociologie van het wonenDe huisvesting kan ook een instrument zijnvan sociale en economische politiek. Bijvoor-beeld kan het wonen een stabiliserende in-vloed zijn in een sterk veranderende maat-schappij, of juist een dynamiserende factorbij een groep die weerstand biedt aan socialeverandering.De genoemde hoge mate van welvaart, ar-beidsdeling en organisatie die onze maat-schappij kenraerkt komt ook bij de huis-vesting tot uiting. In vergelijking met minderontwikkelde gebieden is de ,,woonweivaart"in het Westen zeer hoog, terwijl er een ver-gaande scheiding heeft plaats gevonden tussende producenten en de consument, waarbij aller-lei organisaties gespecialiseerd zijn in het ver-richten van de handelingen die met de bouwen het beheer van woningen samenhangen.Enige fundamentele hegrippenEnige fundamentele begrippen die men metbetrekking tot de volkshuisvesting en hetwonen kan hanteren zijn:a) het woonpatroon;b) het waardensysteem en de doeleinden metbetrekking tot het wonen;c) normen, rollen, houdingen, verwachtingenen aspiraties van personen en groepen;d) de beleidsstructuur, de middelen waarvanhet beleid zich bedient en de organisatievan het beleid t.a.v. het wonen.Ten aanzien van b) en c) vallen verschillendesoorten sociale systemen te onderscheiden,n.l. die van de bewoners in diverse milieu's,van bouwbedrijven, overheid, woningbeheer-ders e.d. De ,,woningconsumenten" zoekenprimair hun eigen (gezins)belang met betrek-king tot het wonen en worden daarin be-perkt door hun begrensde fysieke en psychl-sche mogelijkheden, doch ook door derestricties die de maatschappij hun oplegt.Bouwondernemers trachten winst te makenonder soortgelijke beperkende omstandighe-den. De overheidsbemoeiing zal vooral ge-richt zijn op het tot stand brengen en hand-haven van een zekere harmonie tussen debelangen van de woningconsumenten, resp.die der bouwondernemers, en het algemeenmaatschappelijk belang. Enerzijds zal hetstreven van de overheid het garanderen vaneen minimale woonwelvaart ten doel hebben,anderzijds zal zij trachten te voorkomen datdoor haar gesubsidieerde woningen een uit-gesproken ,,luxe" karakter krijgen.a) Het woonpatroonHieronder is te verstaan het totaal van devoor een groep specifieke toestanden en pro-cessen op het gebied van het wonen (zoals deomvang en samenstelling van de woningvoor-raad, de spreiding van de woningen in deruimte, de woningbezetting, de woninginde-ling en de wijze van bewoning). Wat de fy-sieke aspecten betreft, gaat het hier om goed,,grijpbare" verschijnselen, die men deels langsstatistische weg en deels door dlrecte obser-vatie kan registreren. Met behulp van devergelijkende methode kan men nagaan, wel-ke kenmerken van het woonpatroon aan eenenkel milieu gebonden zijn en welke een meeralgemene geldigjheid heibben in een streek,natie of cultuurkring.h) Het waardensysteem en de doeleinden metbetrekking tot het wonenDe waarden welke de afzonderlijke personenen gezinnen bij het wonen trachten te ver-wezenlijken zijn af te leiden uit hun bestaan-de woonsituatie, hun houding daartegenover,en de aspiraties welke zij t.a.v. het wonenhebben (woonwensen).Wat de beleidsinstanties betreft, kunnen wijwijzen op een drietal motto's: ,,de noodzaakom bij de planning de mens centraal te stel-len" (3a), ,,la liberation des hommes parI'habitation" (4) en het begrip ,,leefbaar-heid" (5).De beide eerstgenoemde slogans spreken voorzichzelf. Het begrip ,,leefbaarheid" is doorConstandse gedefinieerd als: een lokale situa-tie, die de betreffende menselijke groep instaat stelt een zodanig voorzieningsniveau tehandhaven en een zodanig patroon vansociale relaties te onderhouden, dat daardooreen bevrediging kan plaats vinden van dageestelijke en materiele behoeften, welke ont-staan door vergelijking van de eigen situatlevan de groep met die van referentiegroepen.,,Leefbaarheid" is volgens deze zienswijze eenrelatief en subjectief begrip, dat gebonden isaan een lokale situatie en ook in het verloopvan de tijd kan varieren. Het is echter nieta priori uitgesloten dat een bepaalde normop dit gebied ingang heeft gevonden bij eengroot aantal mensen die over een meer uit-gestrekt gebied verspreid wonen; in hoeverredit het geval is, zal onderzoek moeten uit-wijzen. In het algemeen is het gevolg van hetstreven naar ,,centraal plaatsen van de mens",,,bevrijding van de mens door zijn woning"en ,,leefbaarheid" dat er een behoefte wordtgevoeld aan empirisch, systematisch onder-zoek: om deze idealen met succes na te stre-ven, moet men immers situatie, eigenschap-pen, referentiekader en aspiraties van demensen kennen:,,Man himself has tended to be overlookedby us. Before we can house him, we mustknow him" (6).Anderzijds moet men op de hoogte zijn vande technische en esthetische mogelijkhedenen beperkingen die een rol spelen bij de om-vorming van het fysieke milieu.In Nederland is het nog steeds zo, dat veleleidinggevende functionarissen op het gebiedvan de volkshuisvesting en de stedebouw eentechnische opleiding hebben genoten. Voorzover zij niet kunnen beschikken over resul-taten van sociaal-wetenschappelijk onderzoekzuUen zij wat de practijk betreft moeten af-gaan op hun in het dagelijkse leven (al ofniet beroepshalve) opgedane kennis aangaan-de de moderne mens en zijn behoeften. Hier-aan moeten zij dan de visies toetsen die dooranderen geponeerd worden. De mogelijkheidbestaat, dat het ,,mensbeeld" dat op dezewijze wordt gevormd op bepaalde puntenafwijkt van de gegevens die het sociaal-wetenschappelijk onderzoek oplevert (7).De doelstellingen van de huisvestingsinstantiesberusten op een concretisering van hun waar-228Nieuive stromingen eisen betrouivbare bakensZo'n verblijdende nieuwe stroming inde woningbouw is complete vioerafwerking,dus vioerbedekking bij de huur inbegrepen.Het betrouwbare baken daarvooris permanent linoleum.Tegenover een geringe verhoging vande huurprijs staan deze belangrijke voordelen:^ permanent linoleum betekent voorde huurder een aanzienlljke verlichtingvan zijn installatie-budget;^ garandeert ook de minder draagkrachtigeneen volwaardige vioerbedekking;^ bevordert de geluid-isolatie tussen de woonlagen;^ is blijvend bacteriendodend, dus hygienisch;^ heeft een lange levensduur, de kleuren gaandoor-en-door, dus kunnen niet wegslijten;^ verhoogt de woonbeschaving.linoleum kroiTiiTienieVoor keuken, douchecel en ha! ook colovinyl vinyl asbesttegels,soepel en slijtvast, in hoge mate bestand tegen olien,vetten, zuren en vele andere chemicalien.Vraag ook. naar colorite cumaronhars tegels,eveneens in vele fraaie tinten.Onze afdeling technische adviezen verstrekt gaarne volledige inlichtingen (telefoon 02980-81941)^^ GEMEENTE ROTTERDAMDIENST VAN STADSONTWIKKELINGEN WEDEROPBOUWBij de afdeling Uitbreidingsplannen en Stede-bouwkundige Realisatie kunnen worden ge-plaatst:een stedebouwkuiiiligontwerperdie zal worden belast met ontwerpwerkvoor omvangrijke stadsuitbreidingen.Vereist: Diploma V.B.O. en/of H.B.O.Rang: assistent-architect.Salarisgrenzen: f 7.947,- - f 10.317,-.een technischstedebouwkundig medewerkerdie tot taak zal liebben het uitwerkenvan stedebouwkundige situaties en debehandeling van daarmede verband hou-dende vraagstukken.Vereist: Diploma H.T.S. afd. bouwkundeof weg- en waterbouwkunde. Stedebouw-kundige ervaring is niet noodzakelijk.Salarisgrenzen: f 4.181,- - f 7.917,-.Genoemde bedragen zijn exclusief de huur-compensatie ad 2i% met een minimum vanf 17,40 per maand en de vakantietoeslag ad 4%.Aanstelling boven het minim.um salaris is af-hankelijk van leeftijd en ervaring.De verplaatsingskostenregeling is van toe-passing. Vijfdaagse werkweek.Voor het verkrijgen van een woning kan inbepaalde gevallen medewerking worden ver-leend.SoUicitaties binnen 14 dagen in te zenden aande chef van het bureau Personeelvoorziening,kamer 331, stadhuis, Rotterdam, onder no. 643.J.E. STORKVENTILATORENVOOR UW BEDRIJFDEN HAAGJUNOSTRAAT 35TEL. 0 70 - 85 21 08*Technische Hogeschooi Delft-Het Instituut voor Stedebouwkundig Onderzoek vraagtvoor zijn Sectie ,,Verkeer" een:CIVIEL INGENIEURbij voorkeur met de afstudeerrichting ,,Wegen" of ,,Spoor-wegen".De aan te stellen functionaris zal worden belast met hetverrichten van fundamenteel wetenschappelijke onderzoe-kingen ten aanzien van het verkeer in steden en hunomgeving, onder leiding van de hoogleraren ir. J. L. A.Cuperus, dr. C. S. Kruijt en ir. J. VolmuUer.Voor deze functie wordt vereist belangstelling voor ver-keersvraagstukken, alsook een meer dan gewone interessevoor stedebouwkundig onderzoek. Practische ervaring ophet gebied van het verkeersonderzoek strekt tot aanbe-veling, doch is niet noodzakelijk.Aanstelling zal -- afhankelijk van leeftijd en ervaring --geschieden in de rang van wetenschappelijk ambtenaarof van wetenschappelijk ambtenaar le klasse.Schriftelijke sollicitaties te richten aan het Hoofd vande afdeling Personeelszaken, Julianalaan 134 te Delft, metvermelding van no. C. 6108/74067 (in linkerbovenhoek env.en brief).J. J. NEDERSTIGTZILKHILLEGOMTelefoon 02520-5929 en 5710Handel inGRASZODENvoor sportvelden en gazonsAanleg en onderhoud vanSPORTVELDEN enPLANTSOENENGratis adviezenSociologic van het wonendenstelsel t.a.v. bepaalde onderdelen van hetwoonpatroon. Consensus bestaat er wel overdc wenselijkheid van het realiseren van af-zonderingsmogelijkheden (privacy, 8) voorgezin en individu, het scheppcn van mogehjk-heden tot interactie en communicatie met debuitcnwereld en tot activiteiten op huishou-dehjk, sociaa! en cultured gebied. Een anderfacet is het waarborgcn van de hchamehjkeen geestehjke gezondheid voor zover dezedoor het wonen bei'nvloed wordt (9).c) Normen, rollen, houdingen, vcrwachtingenen aspiratiesVoor de afzonderhjke bewoners in hun hoe-danigheid van ,,woningconsumentcn" geldennormen, b.v. van autonomie van het gezinin de woning, van orde en regelmaat, hygie-nische eiscn e.d. Men eerbiedigt normaHterelkaars recht op exclusieve occupatie vanterritoir (huisrecht) en handelt overeenkom-stig de rollen die daarmede verband houdcn(gastheer, bezoeker, log6, buur). Ten aanzienvan deze bekende situaties bestaan er min ofmeer duidelijke en uniforme rolverwachtin-gen. Onzekerheid en conflictmogelijkhedcnontstaan vooral als mcnsen die uit geheelverschillcnde milieu's afkomstig zijn dicht bijelkaar wonen, en waar geheel nieuwe situatiesworden geschapen, in casu bij het gebruikvan die ,,gemeenschappelijke" voorzieningen,waar de grens tussen het eigen domein en debuitcnwereld niet duidelijk is en waar derolverwachtingen van de woonbeheerders watbetreft gebruik en onderhoud niet overeen-komen met die van grote aantallen bewoners.(Soms moet het woningbeheer dan allerleiformele regels gaan stellen (b.v. aangaandez.g. corveediensten: trap schoonmaken, zand-bak aanvegen), die gedeeltelijk als een ab-normale vrijheidsbeperking worden ervaren.Een niet te verwaarlozen deel van de span-ningcn en conflicten die bij onderzoek innieuwe woonwijkcn aan de dag treden is teverklaren uit verschillen in rolverwachtingenen aspiraties, hetzij tussen de bewoners on-derling, hetzij tussen deze en de met hetwoningbeheer belaste instanties.Terwijl over activiteiten, opinies en houdin-gen van bewoners van nieuwe wijken tame-lijk veel onderzoek is verricht (10), is ookeen systeraatische studie gewenst van de vcr-wachtingen die de planners in dit opzichthebben van de bewoners en van de mogelijk-heden cm de leefwijze van de ,,woningcon-sumenten" te wijzigen. In Frankrijk heeft eenwerkgroep van onderzoekers hiermede eenbegin gemaakt (11).d) Beleidsstructuur, middelen en organisatievan het beleidBij het beleid vormt men zich uitgaande vangegeven centrale waarden een voorstellingvan de middelen die binnen het kader vangestelde normen geschikt zijn om de eenmaalontwikkelde doelstellingen te verwezenlijken.Vaak gaan hierbij sociale en esthetische waar-de-oordelen samen in een visie die leidt toteen specifiek model voor de planning (,,openbouwblok", ,,tuinstad", ,,new town", ,,wijk-gedachte", ,,Unite d'habitation"). Bij de con-crete plannen voor wijken, buurten, woning-complexen e.d. tracht men zulke modellente realiseren.Behalve de inhoud van de doelstellingen enmodellen verdient ook de organisatie en in-vloedssfeer van de beleidsinstanties de aan-dacht: welke organen treden op, hoe zijn hunonderlinge relaties, welke zijn de sleutelper-sonen en -posities, wat resulteert er uit hetonderlinge samenspel of de eventuele onder-linge tegenwerking? Begrijpelijkerwijs zuUende beleidsorganen zelf in het algemeen nietonderzoekingen van dit soort stimuleren enhet is dan ook niet zo eenvoudig gegevensop dit gebied te verzamelen. Toch heeft desociaal-wetenschappelijke onderzoeker welenige aangrijpingspunten, n.l. t.a.v. de com-municatie en het effect van zijn onderzoek-uitkomsten. Zijn arbeid zal voor hem zin-voller zijn, indien hij weet in hoeverre zijngegevens en conclusies de verantwoordelijkebeleidsfiguren bereiken en in hoeverre dezerekening houden met de op het onderzoekberustende inzichten. Men zou hem eigenlijkdienen in te lichten over de mate waarin ende wijze waarop het beleid gebruik zal ma-ken van de uitkomsten van het onderzoek.In eerste instantie zou een enquete kunnenworden gehouden aangaande de invloed vanonderzoekresultaten die door publicatie open-baar zijn gemaakt.De taak van het sociaal-wetenschappelijk on-derzoek aangaande het wonenWil het onderzoek relevant zijn voor dehuisvesting en de stedebouw, dan zal het zichprimair hebben te richten op realisaties vanmodellen. Te denken valt aan het volgendeschema:Analyse van:waarden --?doelstellingenmiddelenmodel (12) --realisering in eenconcreet geval.Formulering van de hypothesen die aan hetmodel ten grondslag liggen.Toetsing van de hypothesen:aan bestaande algemeen-sociologische kennis(door deductie); op interne consistentie;aan de realisering: in hoeverre beantwoordtde realisering aan het gestelde doel?Eventuele verstorende invloeden en neven-effecten.Conclusie aangaande bruikbaarheid, beperktebruikbaarheid of onbruikbaarheid van hetgegeven model.Vergelijking van het waardenstelsel dat aanhet model ten grondslag ligt met het waar-denstelsel van de bewoners.Eventueel: formulering van nieuwe hypothe-sen en bijdrage tot de ontwikkeling vannieuwe modellen. Beleidsalternatieven.Als voorbeeld van een werkwijze, die de hierbeschreven methode vrlj dicht benadert, kangenoemd worden de critiek die er door Ne-derlandse sociologen is geleverd op de ,,wijk-gedachte" (13). Meer in het algemeen valtreeds thans te constateren, dat een aantal vande principes en methoden die aan de moder-ne woningplanning ten grondslag liggen, bijonderzoek hun bruikbaarheid hebben beves-tigd, terwijl andere onjuist zijn gebleken.229Sociologie van het wonenNaar aanleiding van een diepgaand onder-zoek in een drietal nieuwe woningcomplexenin Franse steden constateert een der mede-werkers van Chombart de Lauwe:les menages se referent pour I'amenage-ment de leurs interieurs a un certain nombre ds,,modeles" qui se heurtent bien souvent aux,,modeles" que I'architecte a voulu inscriredans la forme et la structure meme du loge-ment....Tout en accordant k I'architecte un roled'educateur de I'usager et de promoteur d'unnouveau mode de vie dans les cites et leslogements nouveaux, nous pensons cependantqu'une plus large attention doit etre porteeaux besoins et aux desirs des menages. Ainsicertaines tendances actuelles des hommes deI'art devraient etre revisees, c'est notammentle cas pour les aires fonctionnelles du loge-ment...." (14).Opvallend is de overeenkomst met mijn, opeigen onderzoek in Nederland, gebaseerdeconclusie: ,,Wil men zich hiernaar (nl. naarde hedendaagse behoeften en mogelijkheden)richten, dan zullen een aantal principes vanhet ,,nieuwe bouwen" ingrijpend gerevideerdof zelfs overboord gezet dienen te worden"(15).Principiele moeilijkheden hij de toetsing vanhypothesen aan gerealiseerde modellenBij de toetsing van hypothesen door middelvan onderzoek van gerealiseerde modellendoen zich enige moeilijkheden van princi-piele aard voor.Door de betreffende planners wordt in ver-schillende gevallen gesteld dat de verwezen-lijking van de doeleinden doorkruist is doorfactoren die bij de opstelling van het modelniet voorzien waren, b.v. bezuinigingen waar-door de geluidsisolatie van woningen onvol-doende is, geprojecteerde kinderspeelplaatsenachterwege zijn gebleven enz. Het gereali-seerde model zou dan afwijken van het mo-del dat men eigenlijk had willen verwezen-lijken.Een fweede bezwaar is, dat nieuwe woning-complexen en wijken vaak in een betrekkelijkvroeg ontwikkelingstadium worden onder-zocht, als de samenstelling van de bevolkingnog onevenwichtig is, zodat b.v. de aanwezig-heid van vele jonge gezinnen maakt dat debehoefte aan speelruimte voor kinderen gro-ter is dan uiteindelijk, als de leeftijdsopbouwmeer het gemiddelde voor de gehele stad ofnatie benadert, het geval zal zijn.Het derde argument waarmede men onder-zoekuitkomsten zou kunnen trachten te rela-tiveren is, dat bepaalde modellen op eenverdere toekomst berekend zijn, als de struc-tuur van de maatschappij verder geevolueerdis. AUe conclusies zouden dan voorbarig zijnen men zou met zijn evaluatie van het be-reikte dienen te wachten tot de fase in demaatschappelijke ontwikkeling is bereikt,waarop het model is ingesteld.Wat het eerste bezwaar betreft valt op temerken, dat men de waarde die maatschap-pelijke vernieuwingen hebben voor de maat-schappij nu eenmaal pleegt af te meten aande bereikte resultaten, in casu de ,,leefbaar-heid", en niet aan de resultaten die wellichtbereikt hadden kunnen worden bij veronder-stelde ,,ideale" omstandigheden. Daarbij komtdat de meeste (would-be) hervormers op hetgebied van het wonen de door hen ontwik-kelde modellen presenteren als een verbete-ring ten opzichte van hestaande woonpatronen,d.w.z. realisaties. Bij een methodologisch ver-antwoord onderzoek moet men realisaties metrealisaties vergelijken, en niet met ,,ideale"modellen, waarvan de realiseerbaarheid on-bewezen is. Ook is het zeer goed mogelijkgerealiseerde nieuwe modellen onderling tevergelijken, indien beide zijn beinvloed doorhetzelfde complex van beperkende of ver-storende factoren.Bovendien kan in sommige gevallen blijken,dat de aanwezigheid van factoren die lichtverstorend kunnen werken inherent is aan deaard van een model, dat daardoor bij reali-satie een hoge mate van kwetsbaarheid ver-toont. Dit laatste is b.v. het geval bij zeerhoge woongebouwen, die om bewoonbaar tezijn voorzien moeten worden van goed wer-kende liften, hydroforen, vuilstortkokers,centrale verwarming, schoonmaakdiensten,enz. enz. Een minder gecompliceerde woon-vorm vereist wellicht wat meer activiteit vande bewoners, doch wordt minder door sto-ringen bedreigd.De ,,onzuiverheid" of ,,onvolledigheid" vangerealiseerde modellen kan dus niet als argu-ment voor de onwaarde van het onderzoekervan gebruikt worden. Veeleer is een plei-dooi op zijn plaats voor meer onderzoek,waarbij wordt nagegaan welke verstorendefactoren en neveneffecten optreden en inhoeverre deze inherent zijn aan het betref-fende model.lets dergelijks geldt t.a.v. het tweede bezwaar,n.l. dat men in een beginstadium nog geendefinitief oordeel kan uitspreken over demate waarin nieuwe woningcomplexen ofwijken voldoen. Een adequaat onderzoek kanjuist vaststellen, welke omstandigheden type-rend zijn voor een begin- of overgangsfase,en welke een meer permanent karakter heb-ben. In het algemeen is het trouwens hetmeest waarschijnlijk, dat naarmate woning-complexen langer bestaan, zij in meer op-zichten zullen verouderen en sociaal en eco-nomisch in waarde zullen dalen. In zekere zinkan daarom een studie tijdens een beginfaseook een geflatteerd beeld geven, indien menook deze vertekening van het beeld niet weette onderkennen.Bij modellen die heten te zijn aangepast aaneen verder weg liggende toekomstige ont-wikkeling, ligt de bewijslast hiervoor in hetalgemeen bij hen die deze stelling poneren.Wei komt in dit verband naar voren, dat hetwenselijk is een soortgelijk onderzoek na ver-loop van geruime tijd te herhalen, teneindena te gaan in hoeverre de hypothese van eenbevrediging van toekomstige behoeften juistis. Een dergelijke ,,follow-up" is ook gewenstom de in het bovenstaande genoemde struc-tuurveranderingen van de bevolking en deeventuele veroudering van de woningen ende voorzieningen te registreren.230Sociologie van het wonenStedebouwMucro-Stedeboutt)In dit betoog, dat vooral handelt over detheoretische achtergrond van het sociaal-we-tenschappelijk onderzoek aangaande het wo-nen, ga ik niet in op de diverse onderzoek-technieken die kunnen worden toegepast enop de aanpassing van deze technieken aan deaard van de specifieke facetten van het wonenwaarop men zich van geval tot geval richt.Mijn bedoeling was slechts om degenen dieonderzoekingen van deze aard verrichten, ofer om andere redenen belang in stellen, op-merkzaam te maken op de mogelijkheden toteen theoretische verdieping van hun inzicht.Aantekeningen1) Een voorbeeld van zulk een op weinigexacte kennis berustende opvatting isde volgende:,,Het doel waarnaar men streefde washet hebben van een eigen voordeur aande straat, en een woonkamer, die metzo min mogeUjk trappenklimmen te be-reiken zou zijn (bij het z.g. twee-op-^en-type). Gelukkig ontdekte men ten-slotte dat deze twee verlangens nietbehoren tot de wezenlijke voorwaar-den". (A. M. Key, Woonmogelijkhedenen woningvormen, Amsterdam-Rotter-dam 1958, p. 26). Op welke wijze ,,men"de betreffende ,,ontdekking" deed enwat het criterium is voor ,,wezenlijkewoonwaarden" blijft hier geheel in hetduister.2) D. Riesman c.s., The Lonely Crowd, astudy of the changing American cha-racter, abr.ed., New York 1956, p. 34e.v.3) R. Kok, Sociale aspecten van het wonen,impressles van een UNO-congres, Mensen Maatschappij juli/aug. 1958, p. 2713a) idem, p. 2674) P. Chombart de Lauwe c.s., Famille etHabitation I, Sciences humaines et con-ceptions de I'habitation, Paris 1959, p.205 e.v.5) A. K. Constandse, Het dorp in de IJssel-meerpolders, 2woIle 1960, p. 606) P. Chombart de Lauwe, The Sociologyof Housing, Methods and Prospects ofResearch, Congr^s Conseil Internationaldu Batiment, Rotterdam 19597) vgl. mijn: Moderne woonidealen enwoonwensen in Nederland, p. 134, p.1948) Een poging tot een nadere beschouwingvan het begrip ..privacy" in mijn artikelover Aspecten van de privacy bij hetmoderne wonen, Stedebouw en Volks-huisvesting, december 19609) Zie Pre-adviezen en handelingen HetGezonde Woon- en Werkmilieu, Neder-lands Congres voor Openbare Gezond-heidsregeling 195810) B.V.: Centrale Directie Volkshuisvestingen Bouwnijverheid, Onderzoek naarwoonstiji en woonwensen, div. delen,'s-Gravenhage 1953-'59 en Onderzoeknaar woonactiviteiten in na-oorlogsewoningwetwonlngen, Tijdschrift voorVolkshuisvesting en Stedebouw 1956-'5711) Zie Famille en Habitation I, p. 155-20212) Vgl. W. Steigenga, Het sociaal-weten-schappelijk onderzoek en de ruimtelijkeplanning, Tijdschr. voor Volkshuisves-ting en Stedebouw juni 195613) Pre-adviezen voor het Congres overSociale Samenhangen in Nieuwe Stads-wijken, ISONEVO, Amsterdam 195514) P. Chombart de Lauwe c.s., Famille enHabitation II, Un essai d'observationexperimentale, Paris 1960, p. 106-10715) Moderne woonidealen en woonwensenin Nederland, p. 197.stedebouwMacro-stedebouw Ir A. van Hezik-- Wie nauwlettend rondziet in de wereldvan architectuur en stedebouw, komt onder deindruk van het grote werk dat nog moetworden tot stand gebracht en het belangrijkeaandeel van de sector bouwnijverheid in denationale economie.Doch ook valt het op hoe enerzijds soms verover de doelstellingen van de bouw-kunst heenwordt gogrepen, terwijl aan de andere kantmet een overigens benijdenswaardige gemoeds-rust een aspect als de macro-stedebouw nogvrijwel geheel wordt verwaarloosd.-- Om voor een verduidelijking en plaats-bepaling met het laatste te beginnen, mag wor-den gezegd dat het ruimtelijk kader van deeigentijdse stedebouw ontbreekt. Men volstaatmet een ruimtelijk spel van de steddbouw,wat eigenlijk geen stedebouw is in de striktebetekenis van het woord. Want ruimtelijkspel in de stedebouw komt niet uit bovenniveau en dimensie van ruimtelijk spel metarchitectuur.-- Daarom kunnen zovele architecten tevenswerkzaam zijn in de stedebouw. Dat zijn door-gaans degenen die een aangeboren ruimte-gevoelig oog hebben, waarmee zij uit allerleistanden bouwwerken op hun plastische waar-den kunnen aftasten, zoals een beeldhouwerzijn beeld. Zij kunnen het als ruimte-gevoeli-gen vaak niet laten om rond hun eigen teontwerpen bouwwerken meteen in de naasteomgeving stedebouw te plegen.Indien zij de kwaliteiten van architectin engere zin weten te verbinden met eensterke notie van de aangrenzende ruimten inde stedebouw, dan zou men hen terecht weerbouwmeester mogen noemen.-- De bouwmeesters zijn het die als vanoudscreatief een bijdrage kunnen leveren aan hetexpressief bouwkundig gestalte-geven aan deadel van het maatschappelijk leven, waar ookwij in onze dagen dringend om verlegen zit-ten; meer dan om demonstraties van technischkunnen, die onze aandacht afleiden van dewerkelijke behoeften die er leven. Het gaatin de bouw-kunst ook en vooral om het ruim-telijk kunnen. Expressie hangt in toene-mende mate samen met de manier waarop eenbouwwerk zich in de boven-ruimten afte-kent.De minder begaafden zullen zich intussen231StedebouwMacro-stedebouwofwel meer richten, en dat met vrucht, op debouwkundige verwerkelijking van hun pro-jecten, ofwel zij zullen zlch meer concentre-ren op het spel van architectuur in detaille-ring en verfijning, waardoor evenwel de kanstoeneemt dat zij mee moeten gaan doen aande mode en daarmee aan de onrust in het vak.Zij schieten dan aan de doelstellingen van debouw-kunst voorbij.-- De stedehouwkundige werkt in -belangrijkemate mee aan het gestalte-geven, doch be-nadert het volstrekt anders dan de bouw-meester en de architect, omdat hij zich be-kommert om de vorm van een stad als geheel.Hij is daardoor ec'hter wel in staat omde architect het kader te bezorgen waarindeze zijn spel kan spelen.Draagt de architect bij tot de decors waar-tegen het leven van alledag zich plaatselijkefficient en nobel kan afspelen, dan is het destedebouwer die zorgt voor het hele toneel.Men zou dit laatste met het woord macro-stedebouw kunnen aanduiden, waarbij denaam metiio-structuur toevalt aan wat wijthans in de semi-stedebouwkundige architec-tonische activiteiten om ons been zien.Zet men de schematisering nog een ogenblikdoor, zonder op overgangsgebieden te letten,dan mag het interieur van bouwwerkenmicro-stedebouw worden genoemd. Hetwoord "stede" dan zeer ruim genomen, na-melijk in de betekenis van verblijfplaats.-- De macro-stedebouwer bepaait samen metbestuurders en hun sociologen de grote lijnenvan de stad, die straks visueel de horizonzullen bepalen, binnen en buiten, en die her-kenbaarheid en orientatie geven. Een macro-stedebouwer ziet het stads-geheel, als was heteen grote brede stempel, die diep in de boven-ruimte gedrukt staat, als een wel-gevormdematrijs.Drie eeuwen geleden was deze matrijs beperktvan breedte, doch werkte mede daardoor sterkverticaal. De stad was voor de eisen van dietijd een synthese en een optimum van zake-lijke efficiency, waaraan men meteen gestaltewist te geven. Het was met de kerktorens,wallen, molens en poorten een naar onzesmaak zeer organisch geheel, waarin men zichkon thuisvoelen en zich gemakkelijk wist teorienteren. Daar zijn wij voor onze dagenogenschijnlijk nog ver van af, omdat onzesteden zoveel uitgestrekter moeten worden enomdat de zakelijke behoeften nog voortdu-rend in ontwikkeling zijn.Maar toch moet het gaandeweg zeer wel mo-gelijk zijn om met behulp van de grotereschaal van onze bouwelementen, vooral wo-ningbouw, weer tot overzichtelijkheid te ko-men, waar de mede-mens ook al terwille vande geestelijke volksgezondheid eenvoudig nietbuiten kan.-- Het zal nu meer kunst-matig moeten enmogen gebeuren dan voorheen, omdat we ermet de natuur-maat van weleer al sinds langniet meer uit komen. De compositie is nubeslist niet rijker dan vroeger, waarschijnlijkarmer, maar wel groter. Wij mogen onszelfbemoedigen met de gedachte dat ook in onzetijd een harmonisch samengaan, figuurlijk ge-sproken, een symfonie, mogelijk is in de ste-debouw. Symfonie die vanuit de macro-stedebouw via de medio-structuur tot in dewoning-interieurs, de micro-stedebouw, kanworden doorgespeeld in de eerstkomende de-cennien, waarin we wellicht voor de eerst-volgende eeuwen het bouwkundig aangezichtzullen bepalen.Er moeten schema's voor macro-structuur mo-gelijk zijn, die van plaats tot plaats verschil-len en die z6 krachtig zijn, dat ze bij wijzevan spreken door incidentele bouwsels nietwezenlijk meer 'bedorven kunnen worden endie door bekwame lieden alleen nog maar teverbeteren en vooral te completeren zijn, hieren daar misschien zelfs weer tot ruimtelijk-artistieke hoogtepunten.-- Keren we terug naar de werkelijkheid, danmoet helaas worden toegegeven dat het juistis wat blijkbaar in het Rapport Hoog-Laag-bouw wordt vermeld, namelijk dat de functievan de stedehouwkundige vormgever vaakwordt mlskend. Maar er moet eerlijkheids-halve aan worden toegevoegd, dat ook destedebouwers zelf zich niet geheel de draag-wijdte van hun taak bewust zijn, in zoverrezij de macro-schaal, de nieuwe dimensie vanhun vraagstuk niet voldoende onderkennen.Het feit dat er te weinig stedebouwers zijnom het vele voorhanden werk af te kunnen,heeft in dit licht bezien toch ook een goedekant, namelijk dat men hierdoor te eerderzich genoodzaakt zal zien om op zijn meesteigenlijke taak terug te vallen en te gaan stre-ven naar basis-structuren die het macro-vraagstuk van elke stad blijvend kunnen rich-ten en de bouwende architecten een inspire-rend kader kunnen leveren, waardoor deze inde medio-stedebouw hun handlangers kunnenworden en hen zullen ontlasten. Ongetwijfeldkomen welstand en supervisie dan in een ge-heel ander licht te staan.Het zoeken naar synthesen die handelbaarzijn, is zeer de moeite waard, want het maaktvaak ander werk overbodig.-- Om nu met een enkel beeld de gedachteaan symfonie te verduidelijken, mag men eenogenblik vergelijken met de muziek, waar debas-partijen de vaak nuchtere brede basis le-veren voor het violen- en trompetwerk, zoalshet orgel-pedaal voor de manualen. Beluistertmen die bas-partijen alleen, dan klinkt datop zich niet slecht, maar men voelt wel datal het andere nog ontbreekt.Zo is het ook met de macro-stedebouw. Opdc hierna volgende schets is als willekeurigvoorbeeld een der vele pedaal-registers totklinken gebracht. Namelijk een aantal zeerlange hoge woongebouwen, verbonden met ke-tens van groenstroken, die de burger zijnorientatie terug geven en voor allerlei prac-tische doeleinden bruikbaar zijn.Voorts daartussen als vulling grote neutralestroken met bebouwing waarin van alles mo-gelijk is in medio-verband: laagbouw, middel-hoge bouw, eengezinshuizen, patio-woningenen incidentele hoogbouw. Eventueel deze vul-ling onder-geordend tot z.g. herhaalbarewoon-eenheden, als het stadsgeheel er grootgenoeg voor Is.2321 J,n pannendak,da'spas 'n dakbouv^fysisch'n Pannendak vervult zijn taak automatisch. De luchtin een gebouw bevindt zich steeds in opwaarts gerich-te beweging. Daze luchtstroom voert het bouw- enwoonvocht onzichtbaar, in dampvorm, met zich mee.Een goed geconstrueerd pannendak voert dit vochtcontinu af en is daarom de goedkoopste en meest be-drijfszekere ventilator voor het conditioneren van hetbinnenklimaat.Inlichtingen bij de afd. Technische Voorlichting van de Vereniging van Dak-pannenfabrikanten 'Nedaco', Dorpsstraat 52, Loenen / Vecht.emmerik vriVACATUI^i(vervolg)Gemeente ZwolleBij het Sociografisch Bureau bestaat een plaatsingsmoge-lijkheid voor eennaaste medewerkervan het Hoofd van dit bureauGeboden wordt een zelfstandige fiinktie op het gebied vanhet onderzoek ten behoeve van de stadssanering en -uit-breiding en het sociaal onderzoek in de ruimste zin vanhet woord.Gedacht wordt aan een jong academicus, dan wel eenfunktionaris in het bezit van een diploma Middelbareplanologisch onderzoeker, met enige ervaring.Diegenen, die voor deze funktie belangstelling hebben,worden uitgenodigd hun eigenhandig geschreven sollici-tatiebrieven voor 16 november 1961 te richten aan deDirekteur Centrale Personeels Dienst, Lombardstraat 3a,Zwolle.Gemeente SchiedamHERHAALDE OPROEPBij Gemeentewerken Schiedam kan op de afd. Stedebouwworden geplaatsteen ambtenaarin de rang van technisch ambtenaar A. c.q. technlschhoofdambtenaar.De salarisgrenzen zijn resp.: / 7.729,92 -- / 9.270,- en/ 8.122,75 -- / 10.386,-, exclusief de vakantietoeslag en dehuurcompensatie.Vereist worden het diploma h.t.s. afd. Bouwkunde en be-kendheid met het uitwerken en detailleren van uitbrei-dings- en saneringsplannen.EigerLhandig geschreven soUicitaties onder opgave vanleeftijd, ervaring en opleiding, ene., binnen 14 dagen nahet verschijnen van dit blad te zenden aan de wnd.directeur, Korte Haven 33.Stalen en MipolamRAMENDEURENFRONTENN.V. AITA 'S-GRAVENHAGEBinckhorstlaan 301 - Telefoon: 720083* (na 7 uur 720472)f^ineni ATEKI ^ ^^^^ PLAFONDS^**r^rUM^ I En \ Ejj ZIJWANDENBETONMORTELA. KEUR - HAARLEM - Harmenjansweg 19Handel in zand en grind, bouw- en stukadoorsmaterialenTelefoon 0 2500 - 11 396 - 16 964, na 18 uur telefoon 21 006De gepatenteerdeSO BAT afzuigkappenvoor lirachtige afzuiging entreltverbetering schoorstenenVuurverzinkt. Met verstelbare be-vestigingsring. Voor ontluchting vaniedere ruimte. Uitermate geschiktvoor trekverbetering gas- en olie-kachels.Alleenverkoop voor de Benelux:Handelsbureau N.V. v.h. HAMER & Co.Javastraat 44-a - DEN HAAG - Tel. (070) 1125 36SchildersbedrijfA, VAN WAGENINGENAMSTERDAM-Z.Maasstraat 162-164Telefoon 71.44.51WERKZAAMVOOR VELEOVERHEIDSINSTANTIESPrima refererttiesEenvacature?De juiste man op dejuiste plaats dooreen advertentiein dit tijdschrift!HET IS UW BELANGom bij nieuwbouw enherstellingswerkPUDLOvoor te schrijven.Wordt reeds 44 jaar inNederland toegepast bijwaterdicht werk.RAMONDT & Co's-Gr?venhageKoniniginnegracht 140Telefoon 070-632568StedebouwMacro-stedebouwJPO
Reacties