stedebouw volkshuisvestingIn dit nummer.Uitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwSociale zorg in woningwerkStedebouwKroniekVolkshuisvestingB. MerkelbachOfficiele mededelingenSummary^. N' V V \' s' N' N' TKOENE TEGELS/V ^i fM. /^ /.. /%. /%. /^\VachSuhf\Telefoon 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorslvrij maieriaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOEREN|llllllinillllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllli!HIIIII!!|||||||ll||!||!|||||||lll!|||!|||||^I ModerneI LIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel. 778400 (070)iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiN^Polyvile n.v.Fabriek van thermoplastische productetiSCHIEDAM - Rotterdamsedijk 160Telefoon 01800-64300 en 63346Polyvile-muurbespuiting(op basis van P.V.A. en P.V.C.)Decoratief - afwasbaar - kleurechtPolyvile-X buitenmuurplasticBeschermt beton tegen alle weersinvloedenLeverbaar in iedere gewenste kleurSiliconen(geen na-zouten)tegen doorslaande muren en ter beschermingvan betonP.V.C.-vloerenin tegelvorm en banenOp al onze materialen iangdurige garantieVraagt vriiblijvend offerte of vertegenv/oordigersbezoekBOIWKREDIETENvoor WONINGBOUWin de vrije sector envallende onder dePREMIEREGELINGENwarden verleend doorn.v.DERENTEKASZoutmanstraat 42,^s-GravenhageTelefoon 070-333860s&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedehouwMaandbladnovemher 196142e jaargang no. 11Redactie:Mevrouw Prof. C. W. VisserMe). R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. J. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursProf, Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagW. ScheerensIr. W, van TijenDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. V. d. WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Dit nummerbrengt als hoofdartikel een studie over sociaal beheer en sociale zorg in het woningwcrk. Menmoet dit artikel zien als de vrucht van onderzoek en overdenking door iemand, die niet dooreigen praktijk, dus van binnen uit, tot het onderwerp is gekomen, maar uit wetenschappelijkeen menselijke belangstelling. Het vraagstuk van de verhouding tussen woningbeheer ensociaal werk is oud, maar die verhouding is nu veel meer problematiek dan in de eerste tijdvan woningbouw en woningbeheer onder de Woningwet. De Redactie hoopt dat de thansgepubliceerde beschouwing tot een hernieuwd gesprek over dit onderwerp zal bijdragen.Overigens worden in dit nummer de gewone rubrieken voortgezet.Twee figuren, die ons in de laatste tijd ontvallen zijn, worden in dit nummer herdacht, de HecrJ. J. Talsma, die vooral in de vooroorlogse kring van voorvechters van stedebouw en na-tuurbescherming met ijver en bekwaamheid heeft meegestreden en de Heer B. Merkelbach,ons bestuurslid, woningbouwcr, volkshuisvester, man van het Instituut bij uitnemendheid, indie zin, dat hij de waarde van het vrije gesprek, van de vrije vorming van het oordeel, metmedewerking van alle belanghebbenden en belangstellenden, hoog aansloeg.Wij wijzen verder nog op de publicatie over het examen voor middelbaar planologisch onder-zoeker in dit nummer.249InhoudSociaal beheer en sociale zorg in hetwoningwerk, MeJ. C. H. Riedeman .StedebouwJ. J. Talsma f. v. PStedebouwkundige kroniek en kom-mentaarOverzicht van Tijdschriften .251258258262VolkshuisvestingBij het overlijden van B. Merkelbach,H. J. A. Hovens Greve .... 266Binnenland 271Overzioht van Tijdschriften . . . 272Officiele MededelingenNederlands Instituut 273Summary 275Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het blad kosteloos.250Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkSociaal beheer en sociale zorg in het woningwerkInlciding.In algemcne zin kan gezegd worden, dat eenwoningmaatschappelijk werkster (1) aangesteldwordt door een woningexploiterend lichaamom dc woningen te beheren. Dit woningbe-hecr (2) hceft twee aspecten:1. het behartigen van de belangen van hetwoningbezit;2. het behartigen van de belangen van debewoners als bewoners (3).Als we de hleruit voortvloeiende taak van desociaal woningwerkster nader ontleden en aandc hand van literatuur de mogelijke onder-dclen nagaan, dan kan het volgende schemaopgesteld worden (4):I. Sociale taak;mogelijke onderdelen hiervan zijn (5):1. Plaatsing van de gezlnnen in een voorhen geschikte woning en omgeving2. Toezicht op stipte huurbetaling3. Huurinning4. Toezicht op bewoning en op nalevingvan de bcpalingen van het huurcontract;voorlichting5. Hulpverlening bij moeilijkheden; verwij-zing naar sociale instellingen -- de zgn.schakelfunctie6. Uitoefening van gezinszorg7. Onderhouden van contact met sociale in-stellingen8. Bcmoeienis met burenruzies9. Stimuleren van wijkactiviteiten10. Nagaan van woonwensen11. Advies geven bij nieuwbouwplannen12. Andere activiteiten, voortspruitend uitbijzondere omstandigheden waaronder hetwerk verricht wordt.II. Administratievc taak;gezinskaarten; financiele en technischeadministratle, e.d.III. Ondcrhoudstaak;behandeling van reparatie-aanvragen e.d.Dc opvattingen ten aanzien van deze onderde-len lopen zeer sterk uiteen. Deze diversiteit inhet woningwerk blijkt ook enigszins uit de re-sultaten van een in 1956 verrichte enquete (6).Erg verhelderend zijn de uitkomsten vandeze enquete -- voor zover gepubliceerd inT.V.S. -- echter niet. Naast een opsommingvan de diverse taakonderdelen die over hetalgemcen door de sociaal woningwerkster ver-richt worden, wordt, door gebrek aan gege-vens, weinig aandacht besteed aan de opvat-tingen van de woningmaatschappelijk werk-sters ten aanzien van deze onderdelen. Endeze opvattingen zijn juist van groot belang.Pas wanneer wij deze kennen, kan beoordeeldworden in hoeverre de practische uitoefeningvan het woningwerk in de verschlllende ge-vallen aan de verwachtingen voldoet en inwelke mate men zich in de taakopvatting aan-gepast heeft aan de huidige maatschappelijkeomstandigheden.Zoals vrijwel algemeen bekcnd, werden in Ne-derland rond de eeuwwisseling de eerste op-zichteressen aangesteld. Zij baseerden zichgeheel op de ervaringen en opvattingen vanOctavia Hill, die in 1864 met dit werk begononder geheel verpauperde arbeiders in Lon-den. Lange tijd is Hill het voorbeeld geweestvoor het woningwerk. De omstandighedenwaaronder de woningmaatschappelijk werk-ster haar taak verricht, hebben zich echter insterke mate gewijzigd. Als voorbeelden behoefik hier alleen te wijzen op het tegenwoordigalgemeen hogere levenspeil en de grotere zelf-bewustheid en ontwikkeling van de arbeiders-bevolking; het feit dat in door woningwerk-stcrs beheerde duurdere nieuwbouwcomplexenook ambtenaren, onderwijzend personeel enandere, niet tot de arbeidersklasse te rekenen,bewoners aangetroffen worden; tenslotte deaan bedrijven en algemene sociale instellingenverbonden maatschappelijk werksters, die dewoningwerksters veel werk uit handen (kun-nen) nemen.Het is dus van belang na te gaan, in hoeverrede woningwerksters zich in hun taakopvattingC. H. Ricdcmanaangepast hebben aan deze veranderde om-standigheden. Daarnaast is ook de bondingvan de opdrachtgevers tegenover de diversetaakonderdelen van belang: de practische uit-oefening kan in hoge mate door hen bei'n-vloed zijn.Om een inzlcht te verkrijgen in deze mate-rie, heb ik in 1959 een onderzoek ingesteldbij enkele woningexploiterende lichamen.Aangezien de algemene organisatie van zo'nlichaam de opvattingen over de taak, en voor-al de practische uitvoerlng hiervan, sterk kanbe'invloeden, zijn zo veel mogelijk uiteenlo-pende organisatie-vormen gekozen. Deze wa-ren: de Stichting voor Volkshuisvesting,,Tuinstad Zuidwijk" te Rotterdam, de Stich-ting ,,Centraal Woningbeheer" te Den Haag,het woningexploiterende Philipsbedrijf teDrachten, de ,,Stichting tot beheer en exploi-tatie van woningen" te Hengelo en de Bouw-vereniging ,,Assen" in de gelijknamige plaats.Het doel van het onderzoek was, per gekozeneenheid na te gaan welke de opvattingen vanwoningwerksters en van opdrachtgevers tenaanzien van de mogelijke onderdelen van detaak zijn, en hoe deze taak in de practijk uit-gevoerd wordt. De gegevens zijn per onder-zoekseenheid verkregen door middel van in-terviews van de directe opdrachtgevers, dewoningmaatschappelijk werksters en personendie door hun werk betrokken zijn bij het wo-ningbeheer. In totaal zijn op deze wijze rondveertig personen een of meerdere malen ge-interviewd.Deze aanpak van het onderzoek had tot ge-volg, dat een duidelijk inzicht verkregen konworden in de algehele situatie van het wo-ningwerk bij de onderzochte woningexploite-rende lichamen wat betreft organisatie, taak-opvatting en -uitoefening. Door een vergelij-king van het in de onderzochte plaatsen ge-vondene, konden bovendien meer algemeengeldende conclusies geformuleerd worden. Wijzullen ons hier echter niet bezighouden met251Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkalle diverse opvattingen over en de practischeuitvoering van de in het schema genoemdemogelijke onderdelen (7). Ik zal in het onder-staande alleen ingaan op de onderdelen so-ciaal beheer en sociale zorg, gebaseerd opSociaal beheer en sociale zorg als onderdelenvan de algemene taakDe taak van de sociaal woningwerkster istheoretisch in twee onderdelen te splitsen: hetsociaal beheer en de sociale zorg.De term sociaal beheer duidt op werkzaam-heden die vereist zijn in verband met een ver-antwoorde woningexploitatie tegenover wo-ningbezitter en bewoners. Hieronder vallendan onder andere plaatsing van gezinnen ineen voor hen geschikte woning en omgeving,toezicht op en voorlichting ten aanzien vande bewoning en hulpverlening bij problemenop bewoningsgebied (zoals b.v. in verbandmet moeilijkheden tussen buren).Door de uitoefening van de werkzaamhedendie tot het sociaal beheer gerekend kunnenworden, komt de woningwerkster echter vaakin aanraking met andere, niet op bewonings-gebied liggende, problemen. Zo kan bijvoor-beeld huurachterstand het gevolg zijn vanziekte in het gezin, echtelijke moeilijkheden ofandere omstandigheden. Ook op dit gebiedhceft de woningwerkster een taak. Soms zul-len de problemen opgelost kunnen wordendoor bemoeienis van haar alleen; in vele ge-vallen echter zal inschakeling van specialis-tische sociale instellingen nodig zijn. De wo-ningwerkster kan in de laatste gevallen debewoners de weg wijzen naar de betreffendeinstellingen, zoals bureau voor levens- en ge-zinsmoeilij'kheden, medisch-opvoedkundig bu-reau, sociale zaken, bureau voor gezinszorg,e.d. Het hier aangeduide deel van de taakvalt onder de sociale zorg, welke te omschrij-vcn is als: alle hulp aan de bewoners bij demeer gecompliceerde problemen in gezinnen,en het contact en de samenwerking met so-ciale instellingen.Bcide boven onderscheiden aspecten blekentijdens mijn onderzoek doorgaans als van-zelfsprekend tot de algemene taak van de wo-ningmaatschappelijk werkster te worden gere-kend. De bonding van opdrachtgevers enwoningwerksters tegenover de taakonderdelendie respectievelijk tot het sociaal beheer en desociale zorg gerekend kunnen worden, wissel-de echter stark.Al'hoewel de opvattingen van de opdrachtge-vers ten aanzien van de algemene taak vanplaats tot plaats (8) verschillen vertoonden,stemden zij in een belangrijk opzicht overeen:voor alle opdrachtgevers gold een financieelverantwoorde exploitatie als een eerste ver-eiste. Dit kwam tot uitdrukking in de bon-ding tegenover de taak van de woningwerk-ster, waarbij steeds de nadruk werd gelegdop onderdelen die onder het sociale beheervallen. De onderdelen van de sociale zorgkwamen op de tweede plaats en de bondingten opzichte daarvan varieerde van een zo-veel mogelijk beperken van de bemoeienis metproblemen buiten direct bewoningsgebied, toteen voUedige -- positieve -- omschrijving vande taak van de woningmaatschappelijk werk-ster op dit terrein. Dit laatste is, zoals welater zullen zien, enige tijd het geval geweestin Den Haag.Alle ge'interviewde woningwerksters achtten,naast het sociaal beheer, de sociale zorg vangroot belang. De schakelfunctie werd daarbijalgemeen als een van de belangrijkste onder-delen van die zorg gezien; men was vanmenlng dat gevallen waar gezinszorg (9) ofspecialistische hulp noodzakelijk is, verwezendienen te worden naar de betreffende instel-lingen. Bekendheid en contact met deze in-stellingen zag men in dit verband als nood-zakelijk. De opvattingen over de inhoud vande schakelfunctie wisselden echter; een deelvan de gei'nterviewde woningwerksters wildedeze beperken tot een doorsturen-zonder-meer, anderen achtten een blijvend contact ensamenwerking met de instellingen een ver-eiste. Daarnaast werd de grens tussen gevallendie men zelf wilde behandelen en die, welkemen meende te moeten doorsturen, niet overalop dezelfde plaats gelegd.De verschillende opvattingen ten aanzien vande onderdelen van de sociale zorg bleken, te-zamen met de opvattingen omtrent het ge-wenste contact dat met de bewoners onder-houden moet worden, in verband te staanmet verschillen in algehele bonding van dewoningwerksters tegenover het woningwerk.Voor een aantal van de geinterviewden be-tekende woningwerk in de eerste plaats za-kelijk sociaal beheer met daaruit voort-vloeiend, waar nodig, uitoefening van de scha-kelfunctie in verband met gevallen die nietop bewoningsgebied betrekking hebben. Voorhen waren korte zakelijke contacten met debewoners bij behandeling van beheerszaken entijdens contactbezoeken voldoende.Anderen zagen in het woningwerk allereersteen middel om via het beheer algemeenmaatschappelijk werk te verrichten. Hierbijachtte men meestal de schakelfunctie alleengewenst voor gevallen die medische of anderespecialistische hulp vereisen, alsmede voor(levensbeschouwelijk gebonden) gezinnen,waar intensieve gezinszorg nodig is. Deze wo-ningwerksters streefden naar een frequent, per-soonlijk contact met de bewoners -- veelalidealiter door middel van huurinning.Deze algehele bonding van de verschillendewoningmaatschappelijk werksters zou een ge-volg kunnen zijn van de omstandighedenwaaronder gewerkt werd (zoals b.v. groottevan de beheerseenheden en soort bewoners inhet complex). Tijdens het onderzoek heb ikechter sterk de indruk gekregen, dat persoon-lijke eigenschappen en belangstelling in ditverband een belangrijker rol speelden dan deomstandigheden waaronder het werk verrichtwerd.In de practijk bleken de verschillen in op-vatting over het woningwerk voor een grootdeel genivelleerd te worden: door tijdgebrekmoesten vrijwel alle ge'interviewde woning-werksters zich beperken in bun contacten enbemoeienis met de bewoners. Dit tijdgebrekvloeide hoofdzakelijk voort uit het vele werkbij de plaatsing in verband met de woning-nood (ruilingen en verschuivingen), terwijl te-252Nieuive stromingen eisen betrouivbare bakensZo'n verblijdende nieuwe stroming inde woningbouw is complete vioerafwerking,dus vioerbedekking bij de huur inbegrepen.Het betrouwbare baken daarvooris permanent linoleum.Tegenover een geringe verhoging vande huurprijs staan deze belangrijke voordelen:* permanent linoleum betekent voorde huurder een aanzienlijke verllchtingvan zijn Installatle-budget;^ garandeert ook de minder draagkrachtigeneen volwaardige vioerbedekking;^ bevordert de geluid-isolatie tussen de woonlagen;^ is blijvend bacteriendodend, dus hygienisch;^ heeft een lange levensduur, de kleuren gaartdoor-en-door, dus kunnen niet wegslijten;^ verhoogt de woonbeschaving.linoleum kromiTieiiieVoor keuken, douchecel en hal ook colovinyl vinyl asbesttegels,soepel en slijtvast, in hoge mate bestand tegen olien,vetten, zuren en vele andere chemicalien.Vraag ook. naar colorite cumaronhars tegels,eveneens in vele fraaie tinten.Onze afdeling technische adviezen verstrekt gaarne volledige inlichtingen (telefoon 02980-81941)VACATUI^iSGEMEENTE EINDHOVENBij de dienst van Gemeentewerken kan op de afdelingStedebouwEEN ERVARENSTEDEBOUWKUNDIGE KRACHTworden geplaatst.Eisen: minimaal stedebouwkundig tekenaar P.B.N.A.Bij voorkeur H.T.S.-diploma of hieraan gelijk-waardig diploma.Diploma middelbaar stedebouwkundige techniekstrekt tot aanbeveling.Salaris: naar gelang ervaring en bekwaamheid t/mf. 678,46 of f. 791,81.Voor gegadigden in het bezit van een H.T.S.- ofeen gelijkwaardig diploma, bestaat, na geblekengeschiktheid, uitzicht op een salaris t/m f. 887,14.Sollicitaties binnen 8 dagen na het verschijnen van dezeoproep te richten aan het Hoofd van afdeling Personeels-zaken en Organisatie der Gemeentesecretarie, Stadhuis-plein 1, Eindhoven, onder vermelding van nr. 207.millGemeente ZwolleBij het Sociografisch Bureau bestaat een plaatsingsmoge-lijkheid voor eennaaste medewerkervan het Hoofd van dit bureauGeboden wordt een zelfstandige funktie op het gebied vanhet onderzoek ten behoeve van de stadssanering en -uit-breiding en het sociaal onderzoek in de ruimste zin vanhet woord.Gedacht wordt aan een jong academieus, dan wel eenfunktionaris in het bezit van een diploma Middelbareplanologisch onderzoeker, met enige ervaring.Diegenen, die voor deze funktie belangstelling hebben,worden uitgenodigd hun eigenhandig geschreven soUici-tatiebrieven binnen 10 dagen na het verschijnen van ditblad te richten aan de Direkteur Centrale PersoneelsDienst, Lombardstraat 3a, Zwolle.GEMEENTE EINDHOVENBij de dienst van Gemeentewerken kan op de afdelingStedebouw worden geplaatst:een adjunct-commiesVereisten: tenminste Mulo-diploma en Gemeenteadmini-stratie I. Redactionele vaardigheid gewenst.Salaris naar gelang ervaring en bekwaamheid t/m/ 547,51.Sollicitaties binnen 8 dagen na het verschijnen van dezeoproep te richten aan het Hoofd van afdeling Personeels-zaken en Organisatie der Gemeentesecretarie, Stadhuis-plein 1, Eindhoven, onder vermelding van nr. 220.J.J.NEDERSTIGTZILK/HILLEGOMTelefoon 02520-5929 en 5710-! ;.Handel inGRASZODENvoor sportvelden en gozonsAanleg en onderhoud vanSPORTVELDEN enPLANTSOENENGratis adviexensLimburgsDaghladAFDELINGHANDELSDRUKKERIJHEERLENNOBELSTRAAT 21TELEFOON 3241SpeciaalingerichtvoorhetdrukkenvanperiodiekenSociaal bchcer en sociale zorgin woningwerkvens het aantal door een woningwerkster tebehercn woningcn in vrijwel alle gevallensterk toegcnomen was. Daarnaast vergde insommigc plaatsen de taak met betrekking tothet onderhoud veel tijd, zoals bljvoorbeeld hetcontroleren van vrijkomende woningen.De huidige sociaal woningwerkster als maat-sehappelijk werkster.Vergclijkt men de practijk van het huidigewoningwerk met de activiteiten van Hill enmet het werk zoals dit vroeger -- volgens in-lichtingen van oudere woningwerksters -- inenkcle van de onderzochte plaatsen verrichtwerd, dan ziet men in de eerste plaats op eenaantal gebieden een functieverlies, Gestcldkan worden, dat in de regel de woningwerk-ster als algcmeen maatschappelijk zorgsterbuiten bewoningsgebied vrijwel uitgeschakeldis, terwijl de sociale zorg in de practijk zeerbepcrkt van omvang en intensiteit is. Dezehoudt veelal uitsluitend een verwijzen-zonder-meer in.Kan nu echter gczegd worden, zoals veelalgebcurt, dat de woningwerkster als maat-schappelijk werkster geen waarde meer heeft?Ik meen van niet. Zoals vermeld, wordt invrijwel alle gevallen veel tijd opgeeist doorde plaatsing in ruime betekenis. Hierondervallen: waardering van gegadigden (al of nietdoor middel van het in de oude omgevingbezoeken van alle aspirantbewoners): het be-palen welke woning en omgeving geschikt zijnvoor een bepaald gezin; het trachten, doormiddel van ruiling en verschuiving, een juisteplaatsing te verzekeren en de gevolgen vande wonlngnood (inwoning!) zoveel mogelijk teverlichten.Dit belangrijke taakonderdeel nu, is een vormvan maatschappelijk werk van de eerste orde.Niet alleen heeft de woningwerkster een ac-tief aandeel in het helpen van gegadigden aaneen woning, doch zij streeft er tegelijkertijdnaar, deze gegadigden in een woning en om-geving te plaatsen, waar een gunstige aanpas-sing van het gezin een optimalc kans van sla-gen heeft. Dit is vooral van belang bij deplaatsing van gezinnen waarvan het bewo-ningspeil en/of de algemene geest in het gezineen en ander te wensen overlaten. En dit geldtzeker niet alleen voor gezinnen uit te sanercnbuurten! Een juiste plaatsing is hier, zowelvoor het betreffende gezin als voor de gezin-nen waartussen het geplaatst wordt, van es-sentiele betekenis. Niet alleen kan een gezingrote invloed op de omgeving uitoefenen --in dit geval meestal een ongunstige --, de om-geving werkt ook op het gezin in en kan ditzowel positief als negatief beinvloeden (,,op-trekken" of ,,naar beneden halen").De sociaal woningwerkster houdt met al dezemogelijkheden rekening en tracht, ondanks dewoningnood en de vrijheid van handelen be-perkende invloed van huisvestingsbureaux, zo-veel mogelijk woningzoekenden verantwoordte plaatsen. Men kan zeker niet stellen datwoningwerksters -- althans degenen werk-zaam onder lagere arbeiders --, die zich voor-namelijk met de plaatsing bezig (moeten) hou-den, als maatschappelijk werksters weinigwaard zijn.De critiek op het huidige woningwerk alsmaatschappelijk werk is echter voor een deelgerechtvaardigd, en wel daar waar zij be-trekking heeft op de werkzaamheden buitenhet directe beheer. De sociale zorg komt na-melijk in vele gevallen lang niet voldoendetot haar recht. Dit heeft verschillende oorza-ken, die soms in combinatie werken.De belangrijkste hiervan zijn wel de toegeno-men grootte van de complexen en de uitbrei-ding van de werkzaamheden in verband metde woningnood, waardoor de woningwerksterte weinig tijd voor sociale zorg heeft. Daarbijis door de grotere complexen de houding vande opdrachtgevers tegenover de sociale zorgvan meer invloed geworden. Vele opdracht-gevers hebben namelijk alleen aandacht vooreen financieel verantwoord beheer. In devroegere kleine blokken had de woningwerk-ster genoeg gelegenheid om, naast het behar-tigen van het zakelijk beheer, zo veel socialezorg te verrichten als zij nodig achtte. Nuechter doet een onverschlllige of negatievehouding van de opdrachtgevers zich veel ster-ker gevoelen. Tenslotte werkt in sommigegevallen de houding van de woningwerksterzelf de uitoefening van sociale zorg onder dehuidige omstandigheden tegen. Woningmaat-schappelijk werksters die de schakelfunctie,,onvolwaardig" achten en alle probleemgeval-len waarmee zij in aanraking komen (buitendie waar medische of andere uitgesprokenspecialistische hulp vereist is) zelf willen be-handelen, voelen het tijdgebrek immers nogsterker. Hun bemoeienis met de probleemge-zinnen kan niet intensief genoeg zijn, waar-door zij nog minder effectief maatschappelijkwerk verrichten dan wanneer zij de betref-fende personen zonder meer zouden verwijzen.De vraag rijst hier, of het uitoefenen van so-ciale zorg door woningwerksters onder dehuidige maatschappelijke omstandigheden nietoverbodig geworden is en zij zich niet dienente beperken tot het zuivere beheer. Dit is stel-lig niet het geval. Door de uitoefening vanhet beheer komt de woningwerkster, zoals ge-zegd, vaak problemen in de gezinnen op hetspoor. Voorzover deze problemen de bewo-ning of de aanpassing aan de omgeving (bu-ren!) -betreffen, dient zij ze zonder meer tebehandelen. Daarnaast is echter de schakel-functie van essentieel belang. De werkers vande diverse instellingen voor maatschappelijkwerk en de specialistische instellingen gaan ervan uit, dat de mensen zelf om hulp moetenvragen. Velen kennen echter het bestaan vandeze instellingen niet, weten niet waar zij omhulp moeten verzoeken in hun speciale geval,of durven zelf geen stappen te ondernemen.De woningwerkster nu, dient daar waar no-dig de bewoners bekend te maken met hetbestaan van de betreffende instelling. In som-mige gevallen zal dit voldoende zijn; veelalechter zal zij de bewoners eerst ,,rijp" moetenmaken voor het wensen en aanvaarden vanhulp. Daarnaast kan het nodig zijn dat dewoningmaatschappelijk werkster zelf het con-tact tussen betreffende instelling en gezin ofpersoon tot stand brengt. Door de genoemde253Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkhouding van de sociale instellingen tegenoverhulpverlening (waar men soms ook door per-soneelsgebrek wel toe gedw6ngen is), is deschakelfunctie noodzakelijk om in alle geval-len Tvaar hulp nodig is, deze ook te verzeke-ren (10).Daze schakelfunctie, die in de plaats is ge-komen van de vroegere algemene maatschap-pelijke zorg, wordt soms, ook wel door wo-ningwerksters zelf zoals tijdens het onderzoekbleek, als een onvolwaardige vorm van maat-schappelijk werk beschouwd. Als hij neerkomtop een ,,doorsturen-zonder-meer" is dit juist.Dat de schakelfunctie echter wel degelijk vol-waardig maatschappelijk werk kan betekenen,is mij onder andere duidelijk gebleken in eenklein complex in Den Haag, waar de wo-ningwerkster nauw samenwerkte met de di-verse sociale instellingen. De omstandighedenin dit complex lagen echter gunstig voor eendergelijke ontwikkeling van de schakelfunctie:het was een overzichtelijk complex van ruim500 woningen, met vele onaangepaste gezin-nen die begeleiding door anderen dan de wo-ningwerkster nodig hadden en het ressorteer-de daarnaast onder een goed functionerendwijkcentrum met opgeleide krachten. In demeeste gevallen bleken de woningwerksterszich daarentegen -- al of niet in overeenstem-ming met eigen wensen -- te moeten beper-ken tot een doorsturen-zonder-meer.Wil het sociaal woningwerk als maatschappe-lijk werk (wear) tot voUedige ontplooiing ko-men en de mogelijkheden die de huidige om-standigheden bieden voor het verrichten van-- zeker noodzakelijk -- maatschappelijk werkten voile benutten, dan zal de woningwerkstermeer gelegenheid moeten krijgen tot het ver-richten van sociale zorg. Dit geldt met namevoor de complexen met lagere arbeiders; incomplexen met ontwikkelder hogere arbeiders,middenstanders e.d. (vooral in de dure nieuw-bouwblokken) is deze zorg van minder be-lang. De bewoners van de laatste complexenblijken over het algemeen zelf, wanneer no-dig, de weg tot de diverse sociale instellingente kennen.Een mogelijkheid tot het verkrijgen van meertijd voor de sociale zorg zou liggen in eenkleiner maken van de beheerseenheden. Decomplexen zouden dan, willen beheer en zorgvolledig tot hun recht kunnen komen, eengrootte moeten hebben van 4 a 500 tot maxi-maal 1000 woningen, afhankelijk van de soortbewoners. Deze oplossing werd door vele ge-Intervlewde woningwerksters, vooral de oude-ren, voorgestaan.Mijns Inzlens zal een dergelijke oplossing ech-ter voor de voorstanders een vrome wensblijven. Een verkleining van de beheerseen-heden tot bovenstaande grootte zou namelijkongetwijfeld een stap tenig betekenen in dehuidige ontwikkeling naar een rationeler or-ganisatle. Wil de woningexploitatle zakelijkverantwoord zijn -- d.w.z. geen financleleverllezen lijden -- en daarnaast de verplich-tingen tegenover de bewoners zo uitgebreldmogelijk nakomen, dan is een rationele orga-nisatle noodzakelijk. En deze kan het bestedoorgevoerd worden -- of, in vele gevallen,gehandhaafd blijven -- in vrij grote beheers-eenheden. Dit geldt met name voor de admi-nistratie en het onderhoud. Daarnaast zou hetaantal woningwerksters bij vele woningexploi-terende lichamen in sterke mate uitgebreldmoeten worden -- beheerseenheden van 1700en meer woningen bleken zeker niet tot deultzonderingen te ibehoren! Niet alleen zoueen dergelijke uitbreiding van het aantal wo-ningwerksters een grote financlele belastingvoor deze lichamen betekenen, het zou ookpractlsch op moeilijkheden stuiten, daar hetaanbod van geschoolde krachten voor defunctie van woningmaatschappelijk werkstervrij gering blijkt te zijn.Een andere mogelijkheid het woningwerk alsmaatschappelijk werk weer meer kansen tegeven, llgt in het doorvoeren van een functio-nele scheiding binnen dit werk.De functionele scheiding van sociaal beheer ensociale zorg in Den Haag ten tijde van hetonderzoek.De functionele scheiding van sociaal beheer ensociale zorg is een nieuwe richting in hetwoningwerk (geweest?). Deze werd ultgewerktin Den Haag en Is aldaar in zekere mate eenfelt geweest in de jaren 1957--'59 (11). Inonderstaande volgt een kort overzicht van desituatle In 1959, ten tijde van mijn onder-zoek.De scheiding was allereerst doorgevoerd in deleldlnggevende functles; naast een hoofdin-spectrice - belast met de algemene leidlng vanhet woningwerk -- stonden een adjunct-hoofd-inspectrlce en een sociaal-supervisor, welkeleidlng gaven aan respectlevelijk het sociaalbeheer en de sociale zorg.In een officiele taakomschrijving voor de wo-ningwerksters in dienst van dit lichaam, werdonderscheld gemaakt tussen beheer en zorg enbeide onderdelen waren nauwkeurig omschre-ven. De leidinggevende functionarissen gingener daarbij van uit, dat het beheer van decomplexen v66r alles in orde diende te zijn.Aangezien dit echter in verband met de groteomvang van de beheerseenheden veel aandachten tijd eiste, achtten zij In beginsel aanstellingvan enkele aparte zorgsters nodig om eenconcentratie op de behandeling van dieperlig-gende problemen en op het contact met desociale instellingen mogelijk te maken.Daarnaast werden van de zijde van de op-drachtgevers nog enkele factoren genoemd, diede scheiding in de meeste gevallen, 66k inklelne complexen, moeten doen overwegen.Deze factoren zijn:1. Persoonlijke elgenschappen maken de wo-ningwerkster in de meeste gevallen 6f geschlktvoor sociaal beheer (korte, zakelijke contac-ten), of voor sociale zorg (langdurlge, dleper-gaande contacten).2. Beheer en zorg zijn niet door een persoonuit te oefenen, aangezien zij geheel verschil-lende houdingen tegenover de bewoners impli-ceren -- respectlevelijk elsen stellen ten aan-zien van huur, bewoning e.d., en hulp aanbie-dend --.3. Mede In verband met het onder 2. ge-noemde, zal de houding van de bewonerstegenover de beheerster anders zijn dan tegen-over de sociaal zorgster; zij zullen tegenoverde laatste makkelijker over hun moeilijkheden254Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkspreken en zij zullen van haar eerder hulpof raad aanvaarden.Door gebrek aan opgeleide krachten voor defunctie van sociaal zorgster en in verband metde financiele eisen die aanstelling van apartezorgsters met zich meebrengt, bestond er tentijde van het onderzoek pas een complex waarde scheiding ook helemaal doorgevoerd was.Het doel was echter, de functionele splitsingin alle complexen in te voeren. Met dien ver-stande, dat complexen waar niet zo veelsociale zorg te verrichten valt (de duurderenieuwbouwcomplexen b.v.), twee aan twee ofdrie aan drie samengevoegd zouden wordenonder een sociaal zorgster.In de periode na mijn onderzoek is de situa-tie belangrijk gewijzigd. Vanwege het gemeen-tebestuur is een bizonder sterke aandrang totbezuiniging uitgeoefend en is tevens een on-derzoek ingesteld naar het nut van de arbeidvan de woningwerksters. Als gevolg hiervanheeft de stichting ,,Centraal Woningbeheer"zich genoodzaakt gezien het door schaarsneaan geschikte krachten reeds gedaalde aantalwoningwerksters nog meer te beperken, descheiding sociaal beheer--sociale zorg weer opte heffen en de sociale zorg geheel te latenvervallen. De taak van elke woningwerksteromvat nu alleen de uitoefening van het sociailbeheer en ook al zou zij daarnaast socialezorg willen verrichten, is dit haar onmogelijkdoor de grote omvang van de beheerseenhe-den. Tenslotte is begin 1961 nog een regionalesplitsing in districten ingevoerd. Een districtomvat een groep gemeentewoningen, waarintwee of meer woningwerksters aangesteld zijn,terwijl ^en van hen als districtsinspectriceaangewezen is. De laatste beheert een complexwoningen en is tevens belast met de dagelijkseleiding en het coordineren van het werk; daar-naast treedt zij op als schakel tussen de wo-ningwerksters in haar district en de leiding-gevende functionarissen (12).Deze wijzigingen hebben dus wel een radicaleommekeer in het Haagse woningwerk teweeg-gebraclit, waarbij de sociale zorg niet alleenals gescheiden taak, maar ook als onderdeelvan de algemene taak van de woningwerkstervrijwel volkomen verdwenen is. Of deze toe-stand in de toekomst zal blijken te voldoen,blijft een vraag. We zullen ons hier echterniet bezighouden met de huidige toestand,maar verder gaan met de situatie zoals dezebestond tijdens het verrichte onderzoek. Detoentertijd nagestreefde functionele scheidingsociaal beheer--sociale zorg biedt namelijkmijns inziens een goede mogelijkheid om hetwoningwerk weer meer kansen te geven alsmaatschappelijk werk.Argumenten tegen de functionele scheidingDe functionele scheiding heeft in kringenwaar men hiermee geconfronteerd werd, aan-leiding gegeven tot critiek. De belangrijksteargumenten tegen de scheiding zal ik hier aaneen nadere beschouwing onderwerpen.Een principieel punt vormt de wijd verbreideopvatting, dat beheer en zorg een onverbre-kelijk geheel vormen en beide onderdelenslechts volledig tot hun recht kunnen komen,wanneer zij door 66n persoon uitgeoefendworden. Zoals later zal blijken, deel ik dezeopvatting niet.Enkele Haagse woningmaatschappelijk werk-sters zagen bovenstaand principiele bezwaarals niet zo belangrijk; zij meenden dat eensociaal zorgster nodig is om een concentratieop de moeilijke gevallen en op de samenwer-king met andere maatschappelijk werkersmogelijk te maken. Maar dit zou dan alleengelden voor de echt ,,slechte" complexen endaar rekende men het eigen complex lieverniet onder! Men was er namelijk van over-tuigd, dat een goede samenwerking tussen be-heerster en zorgster, in verband met de af-bakening van beider werkterrein, vrijwel on-mogelijk is. Daarnaast kwam in sommige ge-vallen het argument dat, wanneer de beheer-ster eenmaal contact met een bepaald gezinheeft, dit contact niet meer over te dragen isaan de zorgster.Deze practische bezwaren zijn zeker niet vanbelang ontbloot. Ook de opdrachtgevers inDen Haag, voorstanders dus van de scheiding,erkenden het feit dat het doorgeven van ge-compliceerde gevallen door de beheerster aande zorgster moeilijkheden kan opleveren, zo-wel aan de zijde van de bewoners als aan dekant van de beheerster. Men was echter vanmening, dat dergelijke problemen althans ge-deeltelijk wellicht te ondervangen zijn, als debeheerster bij het constateren van niet op haarterrein liggende moeilijkheden direct, zonderer verder zelf nader op in te gaan, de zorgsterwaarschuwt. Of, wanneer zij ziet dat specia-listische hulp zonder meer noodzakelijk is ende betreffende bewoners ,,klaar" zijn voordergelijke hulp, zij ze zelf direct verwijst naarde hiervoor in aanmerking komende instel-ling. Gezien de ervarlngen, opgedaan in hetcomplex waar de scheiding inderdaad volledigdoorgevoerd was, meen ik, dat overdrachts-problemen op deze wijze zeker vermeden ofgereduceerd kunnen worden. Dat een goedeafbakening van het arbeidsterrein van be-heerster en zorgster noodzakelijk is, behoeffgeen betoog.Soms werd het argument naar voren gebracht,dat aanstelling van aparte sociale zorgstersniet verantwoord is tegenover de werkers vaninstanties voor algemeen maatschappelijkezorg. Een sociaal zorgster zou de bewonersniet meer benaderen vanuit zakelijk oogpuntwaardoor het verschil met de arbeid van wer-kers van instanties voor algemeen maatschap-pelijke zorg weg zou vallen. De zorgster zoudeze instanties het werk uit handen nemenen geen bestaansrecht meer hebben.Dit argument acht ik onjuist. Gezien de hou-ding van de diverse instellingen voor maat-schappelijk werk en de specialistische instel-lingen tegenover het verlenen van hulp (demensen moeten hier zelf om vragen) en hetfeit dat in vele gevallen de bewoners die in-stellingen niet kennen en soms rijp gemaaktmoeten worden voor het aannemen van hulp,is aanstelling van sociale zorgsters zeker ver-antwoord. Zij kunnen preventief werk ver-richten en in vele gevallen erger voorkomen.255Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkEen principieel punt is ook de tegenwerpingdat aanstelling van zorgsters voor het behar-tigen van de belangen van de bewoners, nietverenigbaar as met 'n financieel verantwoordwoningbeheer (13). Zeker -zal de zorgster hetbelang van de bewoners voorop stellen in de?door haar te behandelen gevallen. Maar eenalgemeen woningwerkster die sociale zorgverricht, zal ook veelal (tijdelijk) het zuiverzakelijke belang moeten laten wijken voor debelangen van de betreffende bewoners. Hetwoningwerk dient tenslotte niet alleen finan-cieel, maar ook sociaal verantwoord te zijn.En dit laatste impliceert een verrichten van,financieel meestal minder gunstige, socialezorg. Of deze nu uitgeoefend wordt door eenalgemeen woningwerkster of door een sociaalzorgster, maakt in principe weinig verschil.In de practijk kan de scheiding inderdaadmoeilijkheden ten gevolge hebben, en wel wan-neer de beheerster en zorgster geheel los vanelkaar werken en zij alleen het financielebelang, respectievelijk het belang van de be-woners, op het oog hebben. Door een nauwesamenwerking en bekendheid met elkaars con-tacten met en werkwijze ten aanzien van debetreffende gezinnen, kan dit echter verme-den worden.Argumenten voor de scheidingDe argumenten voor een functionele scheidingvan beheer en zorg wegen mijns inziens zwaar-der dan de argumenten tegen.Alhoewel in kleine complexen met een grootpercentage zwak- en/of asociale gezinnen diealgehele leiding behoeven, een algemeen wo-ningwerkster die beheer en zorg uitoefent, devoorkeur kan verdienen, meen ik, dat eenprincipieel voorstaan van de eenheid van be-heer en zorg onjuist is. Men houdt dan tenonrechte vast aan de vorm van woningwerk,die in de tweede helft van de 19e eeuw inEngeland, onder invloed van de toenmaligemaatschappelijke toestanden, ontstaan is.Het maatschappelijk werk in ruime zln heeftzich echter zo uitgebreid en gespecialiseerd,dat de samenwerking met de vele sociale in-stellingen een taak op zichzelf geworden is.Voegt men hierbij het feit van de huidigegrote complexen -- die men mijns inziens alsgegeven zal moeten aanvaarden, hetgeen inde laatste tijd in Den Haag wel sterk bewe-zen is! -- en het vele werk in verband met dewoningnood, dan is het duidelijt dat ook inhet woningwerk tot specialisatie overgegaanzal moeten worden. Dat wil zeggen: een door-voering van de functionele scheiding tussenbeheer en zorg.Bij de voorstanders van de nieuwe richtingkwamen, zoals we gezlen hebben, naast degenoemde practische overwegingen, drie prin-cipi'ele argumenten tegen de eenheid van be-heer en zorg naar voren. Samengevat luidendeze: persoonlijke eigenschappen van de wo-ningwerkster maken, tezamen met de doorbeheer en zorg vereiste verschillende houdin-gen tegenover de bewoners, en de daaruitvoortvloeiende verschillen in bonding van debewoners tegenover beheerster en zorgster, deuitoefening van beide onderdelen door eenfunctionaris, onmogelijk.Deze argumenten duiden zeer sterk op denoodzaak van een functionele scheiding. Tij-dens het onderzoek heb ik, zoals gezegd, bijvele woningwerksters (ook buiten Den Haagdus) duidelijk verschillen kunnen constaterenin de houding tegenover hun werk: of hetbeheersaspect of het zorgaspect bleek hunmeer aan te spreken. Deze verschillen in hou-ding wijzen sterk in de richting van persoon-lijke eigenschappen, waardoor een woning-maatschappelijk werkster meer geschikt isvoor de uitoefening van een van beide ge-noemde onderdelen. Daarnaast acht ik de ar-gumenten betreffende de verschillende weder-zijdse houdingen van woningwerkster en be-woners in verband met beheer en zorg, be-langrijk. We kunnen met betrekking tot be-heerster en zorgster spreken van verschillendesociale poslties (14). De positie van de eerstewordt in hoge mate bepaald door de hierar-chische verhouding woningexploitant--beheer-ster--bewoners, de tweede door betrekkingentussen zorgster en bewoners zonder meer ofmet zeer geringe, rangverschillen. De rolnor-men met betrekking tot beide posities lopenduidelijk uiteen en het vervuUen van beideroUen stelt hoge eisen aan de algemeen wo-ningwerkster.Alhoewel in theorie van een opgeleide krachtverwacht kan worden dat zij beide rollenonderkent en weet welke rol op een bepaaldmoment vereist is, blijkt vrijwel geen enkelewoningwerkster -- gezien de ervaringen vaneen op dit gebied deskundige informante --hiertoe in staat te zijn. Ongetwijfeld hangt ditsamen met de in het eerste argument genoem-de persoonlijke eigenschappen (15).Erkent men dat sociaal beheer een andere rolimpliceert dan sociale zorg, dan is duidelijkvan hoe groot belang de rolverwachting vande bewoners tegenover de algemene woning-werkster is (16). In eerste instantie komen debewoners in aanraking met de woningmaat-schappelijk werkster als beheerster en hierdoorontstaat een bepaalde rolverwachting (17).Een omschakeling van de rol van beheerstertot die van zorgster -- en ook omgekeerd ?--schokt de verwachting van de bewoners enbrengt onzekerheid in de relatie tussen bewo-ners en woningwerkster, met alle gevolgen vandien voor een juiste uitoefening van beheeren zorg.Naast practische overwegingen, voortvloeienduit de veranderde algemene omstandighedenwaaronder het woningwerk verricht wordt,pleiten dus enkele principiele argumenten voorde functionele scheiding.Practische mogelijkheden voor een dooruoeringvan de functionele scheidingHet doorvoeren van de scheiding vereist eenreorganisatie van het woningwerk. Hierbijkunnen verschillende mogelijkheden die descheiding biedt, benut worden.Combineert men de splitsing van beheer enzorg met een geografische verdeling -- d.w.z.min of meer zelfstandige beheerseenheden --,dan kan een rationele organisatie gehandhaafdblijven en zelfs verder doorgevoerd worden;256EENVACATURE?De juiste manop de juiste plaatsdoor een advertentiein dit tijdschriftDVACATUI^IHET IS UW BELANGom bij nieuwbouw enherstellingswerkPUDLOvoor te schrijven.Wordt reeds 44 jaar inNederland toegepast bijwaterdicht werk.RAMONDT & Co's-GravenhageKoniniginnegracht 140Telefoon 070-632568Raadpleeg onzeadvertentierubriekals U een aanvraagof een bestellinghebt te doen! In dekolommen van dittijdschrift vindt Uaanbiedingen vantalrijke vooraan-staande leveranciersop het gebied vande bouwvakkenDE RECREATIEGEMEENSCHAP NOORD- EN MIDDEN-VELUWIin oprichtingroept sollicitanten op naar de functie vanDIRECTEURdie zal worden belast met de organisatie van het bureau van de ge-' --' ^^^ -..^-- ^'.....--. ----,meenschap. i : ;Hij zal hebben te adviseren over de ontwikkeling van de recreatie opde Veluwe en over de coordinatie van de daarop betrekking hebbendegemeentelijke maatregelen.Hij zal de documentatie over het gehele gebied dienen te verzorgen enin staat moeten zijn met de provinciale planologische dienst overleg teplegen omtrent het ontwerp facetstreekplan.In dit verband wordt gedacht aan een academicus met sociologische be-langstelling, terwijl enige planologische ervaring tot aanbeveling strekt.Het aanvangssalaris, dat t.z.t. door het algemeen bestuur zal wordenvastgesteld, zal vermoedelijk ? f. 14.000,-- bedragen.Candidaten kan gevraagd worden of zij bereid zijn zich aan een psycho-technisch onderzoek te onderwerpen.Sollicitaties binnen tien dagen na het verschijnen van dit blad te richtenaan: De Burgemeester der gemeente Epe.Geen bezoek dan na schriftelijke oproep.VOOR BUITENWERKVERF- EN VERNISFABRIEKEN MEREST & HELDER N.V. LEIDEN?k Staalconstructies? Tanksic Elevators?k Hekwerken?k Bouwmachines?k TransportbandenN. OUWEHAND' Constructie- enMachinewerkplaatsen2e Lulofdwarsstraat 37-39 -- Tel. 11.29.77's-GravenhageDe gepatenteerdeSOB AT afzuigkappenToor krachtige afzuiging entrekverbetering schoorsteneuVuurverzinkt. Met verstelbare be-vestigingsring. Voor ontluchting vaniedere ruimte. Uitermate geschiktvoor trekverbetering gas- en olie-kachels.Alleenverkoop voor de Benelux:Handelsbureau N.V. v.h. HAMER &. Co.Javastraat 44-a - DEN HAAG - Tel. (070) 1125 36Tehuis voorwerkende echiparenaan de Rivierenlaante Amsterdam(Architecten-bureauGulden & Husslagete Amsterdam)Teleioon14515 (02959)13557 (idem)N.V. Aannemingsbedrijf TE PAS & GEBBEN ? HaardenBouw- en Gewapend-beionwerkenHOUT + TRIPLEX + BOARDHouthaiidel,,DE ZAEN"'s-GRAVENHAGENewlonstraat 371 - Telefoon 39 8216Witte de Withstraai 30 - Telefoon 32 57 08Speciaal ingericht voorLANG EN ZWAAR TRANSPORTmet wagens, w.o. met laadvermogen tot 160 ton, hoogtelaadvloer 55 cm.VERHUUR VAN MOBIELE KRANEN MET VERSCHIL-LENDE GIEKLENGTEN en HEFVERMOGENS w.o. van42 ton - 32 ton - 26 ton - 11 ton en 7 ton.N.V. v.h. F@. WILLEM VAN TWIST's-Gravendeelsedijk 57 - DORDRECHT - Tel. 3241(4 lijnen)Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkde complexen kunnen een vrij grote omvangbehouden, terwijl toch het sociaal beheer zo-wel als de sociale zorg voUedig tot hun rechtkoraen. Alhoewel een uitbreiding van hetaantal woningwerksters nodig zal zijn, zal de-ze van veel geringer omvang zijn dan die,welke noodzakelijk zou zijn bij een verklei-ning van de beheerseenheden (zie pag. 254).Men zal namelijk complexen met een hogerearbeidersbevolking, middenstanders, onderwij-zend personeel e.d., kunnen samenvoegen tothet arbeidsterrein van een sociaal zorgster.Daarnaast zou eventueel in dure nieuwbouw-complexen, waar een zeer geselecteerde be-volking woont, een administrateur geplaatstkunnen worden voor het beheer. Vooral daarwaar men een deskundige voorselactie van ge-gadigden kent, blijkt het beheer van dergelijke,,middenstands-complexen" vrijwel zuiver ad-ministratief te zijn. Uiteraard zal, voor eenverantwoorde plaatsing van beheersters enzorgsters in de verschillende complexen, eenvoorafgaand onderzoek naar de samenstellingvan de bevolking van die eenheden noodza-kelijk zijn. In Den Haag vond ten tijde vanmijn onderzoek een dergelijke ,,inventarisatie"van de complexen plaats. Helaas zal men vande uitkomsten hiervan, in verband met dehuidige ontwikkeling, geen gebruik kunnenmaken voor een rationele doorvoering van defunctionele scheiding.Het is duidelijk, dat een als boven beschrevenreorganisatie van het werk een degelijke voor-bereiding eist en niet van vandaag op morgengerealiseerd kan worden. Daarbij zuUen grotewoningexploiterende lichamen met vele wo-nlngwerksters in dienst, waarschijnlijk mak-kelijker kunnen overgaan tot een rationeddoorgevoerde functionele scheiding dan kleinelichamen met slechts een of twee woning-maatschappelijk werksters. Maar, waar menook tot de scheiding overgaat, er zullen op-geleide krachten voor deze functies aanwezigmoeten zijn. In dit opzicht ligt er een belang-rijke taak voor de Scholen voor Maatschappe-lijk Werk, welke een opleiding tot woning-maatschappelijk werkster geven. Men zal hierde leerlingen de gelegenheid moeten gevenom, naast het volgen van een algemene op-leiding, zich te specialiseren op het sociaalbeheer of de sociale zorg.Noten1. Dit is de door de Vereniging voor So-ciaal Woningwerk aangenomen nieuwenaam voor woninginspectrice of woning-opzichteres. Naar analogic van de naamvan de Vereniging zal ik de term so-ciaal woningwerkster of de kortere aan-duiding woningwerkster gebruiken.2. In de tekst worden de termen woningbe-heer en woningwerk als synoniemen ge-bruikt, en wel ter aanduiding van hetwerk in algemene zin. Deze dienen on-derscheiden te worden van sociaal beheeren sociale zorg, welke verschillende on-derdelen van het woningwerk aangeven.3. Zie Tijdschrift voor Volkshuisvesting enStedebouw (T.V.S. okt. 1956, p. 155).4. Voor een behandeling van de diverse mo-gelijke taakonderdelen raadplege men dein bijgevoegde literatuuropgave vermeldebronnen.5. Deze volgorde is vrij willekeurig en zegtniets over de mate van belangrijkheid derverschillende -- elkaar soms overlappen-de -- onderdeien.6. T.V.S. okt. 1956, p. 163.7. Deze zaken worden uitvoerig behandeldin het -- ongepubliceerde -- rapport, op-gesteld naar aanleiding van het bovenge-noemde onderzoek: C. H. Riedeman,Rapport van een onderzoek naar de taakvan de woninginspectrice in enkele plaat-sen in Nederland. Amsterdam, jan. 1960.S. Kortheidshalve zullen in de tekst alleende plaatsnamen vermeld worden. Dezeduiden dan uiteraard alleen op het in dieplaats onderzochte woningexploiterendelichaam.9. Gezinszorg, d.w.z. die vorm van maat-schappelijk werk, die zich richt tot hetgezin als geheel en poogt het gezin opverschillende wijzen sociaal en paedago-gisch bij te staan en te versterken (T.V.S.okt. 1956, p. 159), wordt door opdracht-gevers noch woningwerksters tot de taakgerekend. Deze zorg dient volgens alienovergelaten te worden aan de instellingenop levensbeschouwelijke grondslag.Slechts in enkele gevallen wordt een uit-zondering gemaakt voor niet-levensbe-schouwelijk gebonden gezinnen, of ge-vallen waar overdracht van het betref-fende gezin onmogelijk blijkt.10. Dit sluit ook in, dat de woningwerksterdaar waar een bepaalde instelling ont-breekt, andere in zal moeten schakelenof zelf -- wanneer het geen uitgespro-ken specialistische hulp vereisende geval-len betreft -- hulp zal moeten verlenen.Wellicht ten overvloede zij hier gewezenop het feit, dat sociale zorg uiteraardniet impliceert dat de woningwerksterzich ongevraagd in het gezinsleven kandringen, of bewoners mag dwingen totcontact met een of andere sociale in-stelling.11. Voor zover nagegaan kon worden, haddeze functionele scheiding ten tijde vanhet onderzoek alleen een zekere navol-dere gevallen -- uitgezonderd daar waarhet woningwerk een onderdeel vormt vanhet personeelsbeleid, zoals in Drachten --werd het woningwerk (nog) als vanzelf-sprekend door een algemene woningwerk-ster uitgeoefend.12. D.w.z. de hoofdinspectrice of de ad-junct-hoofdinspectrice; de functie van so-ciaal-supervisor (zie pag. 7) bestaat sinds1959 niet meer.13. Ook Hill stelde al een financieel verant-woorde exploitatie als voorwaarde. Dezehoudt echter geen winstmotieven in. Desociale woningbouw -- d.w.z. uitsluitendter verbetering van de huisvesting, zon-der winstmotieven -- die met overheids-gelden werkt (woningwet-woningen), ishet bij de wet zelfs verboden om winstente maken. Eventuele exploitatie-over-schotten moeten weer gebruikt wordenvoor verbetering van de huisvesting (Zwa-nikken, p. 17/18).14. Zie Van Doom en Lammers, p. 79.15. Tijdens een vroeger onderzoek in Am-sterdam bleken de opdrachtgevers hier alrekening mee te houden: in complexenmet ,,valide" arbeiders werden, indienmogelijk, woningwerksters met een ,,zake-lijke inslag" of opzichters geplaatst alsblokleid(st)ers. Een woningmaatschappe-lijk werkster die sterk ingesteld was ophet verrichten van sociale zorg en ja-renlang werkzaam geweest was in vroe-gere complexen voor asocialen, voeldezich, tewerkgesteld in een complex methogere arbeiders, volkomen misplaatst.257Sociaal beheer en sociale zorgin woningwerkStedebouwIn MemoriamKroniek16. Zie Van Doom en Lammers, p. 96.17. Dit bleek wel heel duidelijk tijdens hetvroegere onderzoek in Amsterdam, waarik, in een case-study van een bepaaldcomplex, ook de bewoners in het onder-zoek betrok. Deze bewoners, veelal onge-schoolde arbeiders, zagen in de woning-werkster zeer sterk de beheerster en ver-wachtten van haar vrijwel zonder uitzon-dering alleen bemoeienis met beheersza-ken. De algemeen gebruikte term ,,direc-trice" voor de betreffende woningwerk-ster bleek de rolverwachting van de be-woners duidelijk wear te geven.Literatuur.Blomherg, W. C, 50 jaar woningwerk in Ne-derland.Uitgave van de Vereniging van Woningop-zichteressen. 1953.Doom, J. A. A. van, en C. /. Lammers, Mo-derne Sociologie; systematiek en analyse.Utrecht, 1959.Hill, O., Homes of the London Poor Londen,1875.Hubregtse, P. H., In memoriam Louise C. J.E. van der Pek-Went. T.V.S., december 1951.Hurk, C. ]. van der, De taak van de woning-inspectrice.Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk, 4ejaargang no. 16. September 1950.Langman, H. J., De woninginspectrice.De Nederlandse Gemeente, lie jaargang no.12, 1957.Taak van de woninginspectrice. Rapport,T.V.S., oktober 1956.Zwanikken, W. A. C, Volkshuisvesting enSamenleving; sociologische beschouwingenover het vraagstuk van de huisvesting. Assen,1957.stedebouwJ. J. Talsma tEind oktober overleed in Oosterbeek het lidvan de Stedebouwkundige Raad, de heer J. J.Talsma, oud-burgemeester van Renkum, waarhij ook na zijn aftreden bleef wonen, daar-voor burgemeester van Kamerik en Zegveld,eerder secretaris van Oostdongeradeel. In delatere jaren heeft Talsma de vergaderingenvan de Raad niet meer bijgewoond. Slechtsde oudere leden zullen zich hem herinneren.In de vooroorlogse jaren was hij, naast wijlenCleyndert, in de Stedebouwkundige Raad enoveral elders waar hiervoor slechts te strij-den viel, een van de meest principiele na-tuurbeschermers. Ten aanzien hiervan wist hijvan toegeven noch buigen. Vooral in de ja-ren, toen uitbreidingsplannen nog maar al teveel op de tekentafel ontstonden, is de in-vloed van mensen als Cleyndert en Talsmagroot en heilzaam geweest. In Renkum, waarmen voor zijn optreden zeker te veel naarhet zoet gefluit van de grondspeculanten hadgeluisterd, heeft hij als burgemeester ook palgestaan voor zijn beginselen. Hij was, het konwel niet anders, bestuurslid van Het GeldersLandschap, van Natuurmonumenten en vanHeemschut. Wij herdenken hem als een pio-nier uit de dagen, toen voor veel, wat thanszonder meer aanvaard wordt, nog gestredenmoest worden en de overtuigde strijder hetrisico moest aanvaarden, niet geheel voor,,vol" te worden aangezien. Zo is het VanTienhoven, Cleyndert en ook Talsma gegaan.Hoe ons land zich zou hebben ontwikkeldzonder het pionierswerk van deze ,,bezete-nen", van wie Talsma er een was, laat zichnauwelijks denken. In het werk van de Stede-bouwkundige Raad lieten zij ook hun sporenachter.v.P.Stedebouwkundige kroniek en commentaarDe Tweede Kamerworstelde zich door het wetsontwerp op deRuimtelijke Ordening. Het was 'n worstelingmet een moeilijke materie. Niet alleen het be-grip ,,Ruimtelijke Ordening" was moeilijk tevatten, maar bovendien moesten de spelregelsvoor dit begrip nog worden ondergebracht ineen bruikbare wet.Deze moeilijkheden in het kwadraat leiddentot een interessant schouwspel. Men kon zienhoe de Minister hielp een amendement inkannen en kruiken te gieten waarna hij ver-zocht deze kannen en kruiken verre van zichin scherven te gooien. Men kon meemaken hoeeen kamerlid van de oppositie het wetsont-werp met verve verdedigde als ware hij Mi-nister -- en dat tegen een partijgenoot vande ware Bewindsman. En ten slotte wist deKamer een Ontwerp van Wet tot stand tebrengen hetwelk aanmerkelijk beter was danhet aanvankelijk aan haar voorgelegde. Metuitzondering dan van een nare en verontrei-nigende bananenschil op het pad der Wet.Enkele artikelenuit deze moeilijke Wet zullen in het navol-gende van kommentaar worden voorzien. Dekunst is moeilijk, maar in dit geval ook dekritiek. Met een zekere jalouzie bladert denederlandse kommentator in zijn nog slechtsresterende nachtelijke uren de engelse vakper*door. Welk een vonkende meningsbotsingenin redactionele artikelen en in ingezondenstukken! Hoe mat en angstig doet daarbij denederlandse openbare vakdiscussie aan. Ont-breekt het aan tijd, aan ideeen, of aan moed?Of is het aantal onzer volksgenoten te geringom een voldoende aantal gespecialiseerde dis-cussianten op te leveren? Of gebruiken wij alletalenten in het produceren en verhandelen van258StpdebouwKroniekkunstboter, het aanprijzen van beha's en hetopdirken van chroom-grilles?Hoe het zij -- juist bij kommentaar op zo'nmoeilijke wet voelt men zich eenzaam. Menweet dat men niets weet. En wat erger is:men heeft het angstige vermoeden dat veleanderen het ook niet weten.Nochtans diep ademgehaald en enkele artike-len onder de loupe genomen. Met het brand-punt speciaal gericht op die regelen welkebetreffen dc nationale en provinciale plano-logie.,,Onze Minister"dat is in de nieuwe wet: de Minister belastmet de zorg voor de ruimtelijke ordening. DeMinister voor Volkshuisvesting en Bouwnij-verheid vond het in de gegeven omstandighe-den logischer dat met Onze Minister werd be-doeld: de Minister voor Volkshuisvesting enBouwnijverheid. De meerderheid der Kamer-leden evenwel was van mening dat men decentrale zorg voor de ruimtelijke ordeningduidelijk aan een Minister moest toevertrou-wen en dat men dan nog wel eens kon zienwie dit moest zijn.Op zich zelf een interessante kwestie. Menkan uit deze uirspraak van de Kamer beluis-teren een hoge waardering voor de ruimtelijkeordening, met name voor zover deze zich af-speelt op nationaal niveau. Dezelfde waarde-ring komt tot uiting in het aangenomen amen-dement betreffende de nationale facetplannen.Deze waarderingvoor de nationale ruimtelijke ordening valtbijzonder toe te juichen. Er liggen echter mis-verstanden op de loer, en noch het wetsont-werp, noch het Kamerdebat zijn geheel hieraan ontkomen. Misschien kon dat nauwelijksanders daar de gehele begripsvorming nog ineen groeistadium verkeert.Ruimtelijke ordening is een bepaald beleid datzich op vele wijzen manifesteert. Het ruim-telijke beleid kent bepaalde doelstellingenmaar zal zelfs deze doelstellingen bij voort-during aan een kritische analyse onderwerpen.Tot het bereiken van deze doelstellingen zijnvele samenwerkende middelen vereist. Alsmiddelen dienen: het ontwerpen van uitbrei-dingsplannen en streekplannen, het aanleggenvan wegen en kanalen, het toewijzen enbouwen van woningen en gebouwen, het aan-leggen van recreatiegebieden, het beschermenvan natuurmonumenten, het ruilen van ka-vels, het verstrekken van finantiele middelen,het uitvaardigen van verboden, enz. enz.Velen -- en dus ook vele Ministeries -- zul-len gekend moeten worden in de opbouw vanhet ruimtelijk beleid. Gezien het uitzonderlijkesociale en economische belang van een juistruimtelijk beleid wordt dit terecht als eenkwestie gezien voor het gehele Kabinet. Menstelde enkele jaren geleden in een Raad voorde Ruimtelijke Ordening binnen de Minister-raad.Uw Kroniekschrijver heeft het steeds betreurddat men hier spreekt van ruimtelijke ordeningen niet van ruimtelijk beleid. Het zou overi-gens administratief helemaal niet zo ingewik-keld zijn om deze -- weinig bijeenkomende --Raad voor de Ruimtelijke Ordening binnende Ministerraad te herdopen in: Raad voorhet Ruimtelijk Beleid, binnen de Ministerraad.In ieder geval houdt deze Raad zich bezigmet de hoofdlijnen van dit algemene beleid.In dit algemene beleid zal ,,Onze Minister"m.i. niet een veel grotere stem hebben danb.v. de Minister van Economische Zaken. Welis hij in zoverre belangrijker dat hij (art. 2lid 1) ,,. . . .verricht het nodige ter voorberei-ding van de bepaling van het Regeringsbeleidinzake de ruimtelijke ordening."Voorwaar een niet geringe taak voor eenMinister. Men kan zich inderdaad afvragenof dit nu wel zo vanzelfsprekend thuis-hoort in een technisch Ministerie als het Mi-nisterie van Volkshuisvesting en Bouwnijver-heid. Eerder kan men denken aan een geheelnieuw Ministerie voor het Ruimtelijke Beleid.De duidelijke uitspraak van de Kamer: geenvanzelfsprekende vereenzelviging van Ministe-rie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheiden de ruimtelijke ordening (om dit woordmaar weer te gebruiken) lijkt in deze richtingte wijzen. Het is n.l. niet te hopen dat meneens de ruimtelijke ordening onder zou willenbrengen in een der andere bestaande Ministe-ries. Inlijving bij b.v. Binnenlandse Zaken zou-- met overigens alle waardering -- een na-tionale ramp betekenen. Economische Zaken?justitie? O. K. en W.? Waterstaat? Land-bouw? Sociale Zaken? Maatschappelijk Werk?Neen, neen en nogmaals neen! Dan is Volks-huisvesting en Bouwnijverheid verreweg hetminste kwaad en heeft men althans de histo-rie mee.Het is geen gebrekaan waardering voor het laatstgenoemde Mi-nisterie wat deze regelen uit de schrijfmachi-ne doet vloeien. Integendeel, zoals uit de nuvolgende regels zal blijken. Men is wel ge-dwongen tot deze gedachtengang als menmeent een uiteengroeien te onderkennen vantwee begrippen welke thans algemeen doorelkaar worden gehaald. Het zijn de begrippen:,,ruimtelijk beleid" en ,,stede-bouw".Het begrip ruimtelijk beleid is boven reedsomschreven. Het is een zeer dynamisch begripen het is een zeer veelzijdig begrip. Het ana-lyseert en ontwerpt doelstellingen en midde-len om tot deze doelstellingen te geraken. Hetkan slechts dialectisch denkend en in samen-spraak tot stand worden gebracht. Het ver-eist een zeer eigen en sterk ontwikkelde denk-discipline bij de voorzitter van de vergaderingen bij de voorbereidende en uitwerkende rap-porteur.Daarnaast staat een verwant maar volledig teonderscheiden begrip. Het is het begrip stede-bouw. Neen, niet stedewbouw maar stede-bouw. Het is de bouw, de aanleg van de stedewaar wordt gewerkt of wordt gewoond. Hetis de bouw van de stede voor de buurt, dewijk of de stad. Het betreft de aanleg vanwegen en wateren, maar in eenzelfde begripook opgenomen de relatie tot het landschap,tot het werkgebied, tot het woongebied. Hetbetreft het opnemen van monumenten vannatuur of kunst als bouwstenen voor de stede-bouw. Kortom: het betreft deze grote cul-259StedebouwKroniektuurdaad: bet bouwen van de stede waarineen bepaalde maatschappij haar welhehagenvindt.Nu is het duidelijk dat deze stede-bouw alleentot een goed resultaat komt indien hij tot ecusynthese weet te geraken van ide medewerken-de techniekein. De weg is er om van A naarB te geraken -- maar tevens dient hij om deschoonheid van stad en land te openbaren.De weg meet een snelle verbinding mogelijkmaken -- maar tevens dient hij veilig en aan-genaam te zijn. De weg mag geen samenhan-gende delen scheiden en de weg kan zeer po-sitief het landschapsbeeld beinvloeden. Datzijn nog maar enkele overwegingen betreffen-de een ondergeschikt onderdeel: de weg.Ook de stede-bouw vereist een dialectischebenaderlng. Daarnevens vraagt hij een zeergrote kennis van, en gevoel voor, de maat-schappij waarvoor hij de stede moet bouwen.In de beste gevallen kan hij de maatschappijeen ontwerp voor haar verblijfs-stede voorogen stellen dat deze maatschappij boeit. Ver-eist wordt dan een grote kundigheid in hetsynthetisch ontwerpen.Ziedaar een benaderlng van het begrip stede-bouw. Het is technischer en konkreter danhet begrip ruimtelijk beleid. Het heeft te ma-ken met bouwen, planten en aanleggen. Ste-debouw is een stoffelijke uitdrukking vanruimtelijk beleid. Anderzijds is ruimtelijk be-leid slechts reeel indien het voortdurend tebiecht gaat bij de stede-bouw. Stede-bouwvolgt het ruimtelijk beleid en tegelijkertijdvolgt het ruimtelijk beleid de stede-bouw.Om thans tot de Ministeries terug te keren:wij behoeven een Ministerie voor de Stede-bouw. Een belangrijk onderdeel van deze ste-de-bouw is de Volksihuisvesting. We zoudendus kunnen spreken van een Ministerie vande Stede-bouw en de Volkshuisvesting.Maar hoe staat het dan met het ruimtelijkbeleid? Het is na de bovenstaande overwe-gingen nog de yraag of er wel behoefte Is aaneen Ministerie voor het Ruimtelijk Beleid.Want het ruimtelijk beleid komt voort uitsamenspraak. Laat deze samenspraak dan uit-eindelijk plaats vinden in de reeds genoemdeRaad voor de Ruimtelijke Ordening in deMinisterraad. Wie bereidt deze samenspraakvoor? Een mooie taak voor de door de Kamergewenste Raad van Advies voor de Ruimte-lijke Ordening (art. 54).Daarnevens bestaat dan het Ministerie voorVolkshuisvesting en Bouwnijverheid, om te do-pen in Stede-bouw en Volkshuisvesting. Ditbezit een Rijksplanologische Commissie (art.51) en een Rijksplanologische Dienst (art. 52).De Rijksplanologische Commissie bestaathoofdzakelijk uit ambtelijke leden van Minis-teries welke lets te maken hebben met deStede-bouw. Deze Commissie kan tot adviezenkomen over konkrete zaken binnen de Stede-bouw. De maatschappelijk breed samengestel-de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Or-dening daarentegen adviseert de vergaderingvan ruimtelijk-actieve Ministers inzake alge-mene beleidsonderwerpen.Het ligt voor de hand het secretariaat van deRaad van Advies en van de Rijksplanologi-sche Commissie onder te brengen bij de Rijks-planologische Dienst.Zo blijkt een beschouwing over ,,Onze Minis-ter" en een analyse van het onderscheld tus-sen ruimtelijk beleid en stede-bouw tot eenontwerp-taakverdeling te leiden tussen tweecommissies welke elkaar zo broederlijk gelij-ken dat tijdrovende broedertwist beslist in delucht zit.Het nationale facetplanwerd door de voorzitter van de Tweede Ka-mer plus precies vijftlg procent van de aan-wezige Kamerleden, tegen de wens van deMinister in, in de Wet opgenomen.Slechts de gesohiedenis zal een oordeel kun-nen geven, maar Uw kroniekschrijver kanzich niet aan de indruk onttrekken dat deheren Westerhout, van Vliet, van Gelder,Bommer en mejuffrouw Lemaire met hun des-betreffend amendemenent een daad hebben ge-steld, waarvoor grote erkentelijkheid pasit.Waar thans toch met waardering over Ka-merleden wordt gesproken, moge nog evenmet name aandacht worden gevraagd vooreerstgenoemde -- oud provinciaal planoloogen thans wethouder van een provincialehoofdstad -- die met grote toewijding envakkundigheid aan de verbetering van hetaanvankelijke wetsontwerp heeft medege-werkt.Wat bewoog de kleinst mogelijke meerderheidder kamerleden om het Nationale Facetplanin de wet op te nemen? Het zijn deze motie-ven:-- sommige aspecten van de ruimtelijke orde-ning (b.v. de recreatie) zijn van zo grooten nationaal belang, dat de Regering ecuduidelijke richtlijn moet hebben en kunnengeven;-- de aanwezigheid van facetplannen geefteen duidelijke basis voor ,,aanwijzingen"door de Minister;-- de Kamer kan zich meer betrokken achtenin de opbouw van het ruimtelijk beleid.De eerste overweging is de belangrijkste. Zijpast bovendien geheel in de bovengeschetsteonderscheiding in ruimtelijk beleid en stede-bouw. De nationale facetplannen zullen n.l.mijns inziens duidelijke voorbee
Reacties