stedebouw volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwDe verstedelijking van NederlandStedebouwUitreiking Hudig-medailleVolkshuisvestingOfficiele mededelingenSummarytillaugustus 1961KOENE TEGELSl>* /?. /V /?. /k. /? y^ /?. /?. vv /i ??. ?. /^ /u. ?? y? .'^\VMfiJkx^\Telefoon 778S66WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorstvrij materiaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOEREN\'-^~mm.-fe -i^?ii^Lii;:Weg cfaf bederf vaiibinnenmuren, van behangen plafonds!Vochtige muren, zowel van oud- alsnieuwbouw, worden positief dichfdoor het nieuwste siliconen-preparaat.Vraagt attest T.N.O. Delft, prijzen endrukwerk.N.V. TEER-, BITUMEN- EN YERF- INDUSTRIETOUWEN & CO. - AMSTERDAM HlfVierwindendwstraat 1-3 Tel. (020)246275 245393^ModerneLIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel.778400 (070)BOUWKREDIEINvoor WONINGBOUWin de vrije sector envallende onder dePREMIEREGELINGENworden verleend doorn.v.DE RENTEKASZoutmanstraat 42,'s-GravenhageTelefoon 070-333860In verband met drukke werkzaamheden ishet de Nationale Woningraad helaas metmogelijk de Woningbouwvereniging gelijk-tijdig met dit nummer te doen verschijnen.Toezending zal zo spoedig mogelijk sepa-raat geschieden.s&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedehouwMaandbladjulilaugustus 196142e jaargang no, 7/8Redactie:Mevrouiv Prof. C. W. VisserMe]. R_ HartstraIr. B. FokkingaMr. C. A. van GorcumH. ]. A. Havens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K_ van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagH. van Saane^. ScheerensIr. W, van TijenDrs. H. V. d. WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 18422}Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Dit nummerhevat als hoofdanikel een studie over de verstedelijking in Nederland. Verder wordt onderStedehouw het verslag gepublkeerd van de uitreiking van de Hudig-medaille. Overigens hevathet nummer een ingezonden artikel en de gehruikelijke ruhrieken. Onder officiele mededelingenzijn twee adressen opgenomen terzake van de ruimtelijke ordening. Wegens gehrek aan ruimtemoest vrij veel stof tot een volgend nummer hlijven rusten-I6/'InhoudDe verstedelijking van Nederland, Dr.W. Steigenga 169StedebouwUitreiking Hudig-medaille 177Vacature in de functie van gezellig-heidsingenJeur, Mr. G. W. Putto 182Binnenland 182VolkshuisvestingBinnenlandOfficiele mededelingenNederlands InstituutBond van Nederlandse Stedebouwkun-digenSummary186186190190Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De ledeti van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het blad kosteloos.168Verstedelijking van NederlandDe verstedelijking van Nederland i) Dr. W. Steigenga1. InleidingDe structuur van de Nederlandse samenlevingwerd tot voor kort bepaald door de land-bouw. De industriele productie en de Inter-nationale transportfunctie, hoe belangrijkdeze ook waren in vergelijking met de buur-landen, stonden vroeger in betekenis verachter bij de agrarische productie.De positie van de steden uitte zich vooral inde vorm van politieke en economische machtwaarvan een zelfbewuste stedelijke bourgeoi-sie de draagster was. Deze vond haar grond-slag in de vroeg-kapitalistische Industrie enin de Internationale handel. Hoewel verschil-lende steden hun aanzien en omvang vooraldankten aan hun industriele en commercielefunoties, wortelden de steden in het algemeenin hun verzorgende functie t.o.v. de land-bouw en onderhielden zij intensiever con-tacten -- meer dan thans -- met het om-ringende platteland. De stedelijke samenlevingvan vroeger eeuwen was dus enerzijds nauwverbonden met landbouw en veeteelt en an-derzijds, doch relatief in mindere mate danthans, met Industrie en handel. Wei druktcnde steden in vroeger eeuwen in verschillcndopzicht hun politick stcmpel op het platte-land.Was de Nederlandse samenleving in vroegereeuwen dus overwegend een van agrarischeaard, de huidige samenleving verliest steedsmeer haar agrarische karaktertrekken. Hetstedelijk karakter van de Nederlandse samen-leving van de laatste eeuw is in veel sterkeremate bepaald door de ontwikkeling welkeplaats had na de openlegging van de haven-gebiedcn van Amsterdam en Rotterdam tus-sen 1870 en 1880 en het vrij late doorbrekenvan de industriele revolutie rond het aan hetbewind komen van de grondlegger van hetNederlandse liberalisme 'Thorbecke' in 1848.1) Nederlandse tekst van een lezing ten be-hoeve van de Raad van Europa, gehouden op20 april 1960.Eerst echter gedurende de laatste 20 jaar vande vorige eeuw zette de industriele ontwik-keling zich fors door.Het 'proces der verstedelijking in onze con-temporaine situatie blijkt duidelijk onder in-vloed te staan van verschillende veranderin-gen in de maatschappelijke structuur, nietalleen in onze Nederlandse, maar ook in onzewesterse samenleving als geheel. In onze Ne-derlandse samenleving in het bizonder wordtdeze voortgaande verstedelijking nog gesti-muleerd door de bevolkingsgroei, welke invergelijking met die der overige West-Euro-pese landen veel krachtiger is. Ondanks degeringe bevolkingsgroei in deze landen en inenkele gevallen zelfs het uitblijven van enigegroei van betekenis voltrekt zich ook aldaarde verstedelijking in alle duidelijkheid en intoenemende mate. Het is dus niet alleen detoenemende bevolkingsdruk, welke het urba-nisatieproces stimuleert, er zijn vele anderetendenzen, welke dit proces in beweging heb-ben gebracht en aan de gang houden.Het zal echter duidelijk zijn, dat juist devoortgaande bevolkingsgroei in Nederland deproblematiek van de verstedelijking verzwaarten ongetwijfeld ook invloed zal hebben opde vorm, waarin zich deze verstedelijkingthans voltrekt. Het ligt dus voor de handonze aandacht in het bizonder te richten ophet huidige spreidingspatroon van de stede-lijke bevolking en te trachten de vraag tebeantwoorden, welke krachten op dit patroonin de naaste toekomst zullen gaan inwerkenen welke problemen dit zal oproepen.Wanneer wij deze krachten in ogenschouwnemen, dan dient in de eerste plaats de aan-dacht te worden gevraagd voor de structuur-veranderingen in de agrarische productie endus op het platteland. De eerste grote struc-tuurveranderingen in de moderne tijd vol-trokken zich tussen 1880 en 1895, de jarenvan de grote landbouwcrisis in West-Europa.Als gevolg van de concurrentie met goed-koop graan uit overzeese gebieden moest hetagrarische bedrijf zich instellen op de nieuwesituatie op de wereldmarkt. Het gevolg waszowel een verandering van het bouwplan alsvan de traditionele arbeidsmethoden, hetgeenin verschillende gebieden leidde tot een ver-mindering van de agrarische beroepsbevol-king. Na de uitwerking van de landbouwcrisisis de absolute omvang van de mannelijkeagrarische beroepsbevolking decennia lang ophetzelfde niveau gebleven, althans nationaa!beschouwd. Bij regionale differentiatie dergegevens blijkt echter, dat vooral in deakkerbouwgebieden op de zeeklei en in mm-dere mate in de weidegebieden deze beroeps-bevolking ook na de grote landbouwcrisisverminderd is.Deze absolute vermindering werd landelijkbezien gecompenseerd in andere streken vanNederland o.m. door de uitbreiding van detuinbouw en de ontginningen van de zand-gronden. In vergelijking met de totale uit-breiding der Nederlandse bevolking bleef deagrarische beroepsbevolking sedert de laatstehelft van de vorige eeuw relatief reeds achter.Het was een gelukkige omstandigheid envoor de sociale verhoudingen en voor heteconomisch leven, dat de grote landbouw-crisis in de vorige eeuw samenviel met deuitbreiding der industriele bedrijvigheid. Eendeel der plattelandsbevolking van de zuid-westelijke zeekleigebieden vioeide af naar hetexpanderende havengebied van Rotterdam.Amsterdam, het centrum van Internationaleen industriele aktiviteiten in het noordelijkdeel van de z.g. randstad Holland, werd demetropool, waarop het surplus der noorde-lijke provincies zich richtte.Thans echter is sedert een 10 a 15 jaar ookde absolute omvang van de nationale agra-rische beroepsbevolking in belangrijke mateteruggelopen.Deze vermindering is ongetwiifeld sterk ge-stimuleerd door de sedert de tweede wereld-oorlog gevolgde loonpolitiek, waarbij hetstreven der regering gericht was op het op-trekken van de lonen der landarbeiders tothet peil der industriele arbeiders.169Verstedelijking van NederlandDeze politiek heeft indirekt de toepassingen invoering van verdere meohanisatie enefficientere arbeidsmethoden in het agrari-sche bedrijf versneld en gestimuleerd. Dezeovergang tot een meer economische bedrijfs-voering was reeds voor 1940 ingezet in dezeekleigeibleden, doch heeft thans plaats invrijwel het gehele land. De stijging van deloonkosten leidde tot een diepgaande ver-andering van de agrarische bedrijfsvoering.Bovendien leidde de agrarische politiek vande regering tot een afnemen van het aantalkleine agrarische bedrijven. Een en ander hadtot konsekvirentie dat, gelijk elders in "West-Europa, enerzijds de agrarische beroepsbevol-king belangrijk in omvang terugliep, enanderzijds in belangrijke delen van Nederlandontvolking van het platteland optrad.V66r 1940 was deze ontvolking een ver-schijnsel, dat hoewel beperkt tot de zeeklei-gebieden, toch ook hier slechts incidenteelvoorkwam. Na 1950 evenwel is men ook inNederland geconfronteerd met de ontvolkingvan belangrijke delen van het Nederlandseplatteland, het duidelijkst in de beide noor-delijke provincies en Zeeland. In deze over-wegend landelijke provincies is de agrarischeproductie vrijwel de enlge bron van bestaan.Zij treedt daar vooral op in de vorm vanakkerbouw en veeteelt. In andere delen vanhet land wordt deze ontvolking versluierddoor een verschijnsel, waarop wij nog naderzuUen terugkomen, nl. dat van de suburbani-satie.Met onze beschouwing betreffende de ver-mindering der agrarische beroepsbevolking,relatief zowel als absoluut, en de daarmeesamenhangende ontvolkingsverschijnselen isslechts een aspect der structuurveranderingenin onze samenleving belicht. Direkter vaninvloed op de verstedelijking is de uitbreidingder werkgelegenheid in de industriele en dedienstensektor. De industriele produktie vondin Nederland in vroeger eeuwen haar wortelshetzij in het Internationale verkeer, hetzij inbepaalde maatschappelijke venhoiudingen tenplattelande. De ontwikkeling der Industrie inde 2e helft der 19e eeuw was in sterke mateeen vooirtzetting der vroegere industriele ver-houdingen, uiteraard in een modern gewaaden meer geconcentreerd. De afhankelijkheidvan de Internationale handel is tot de 2ewereldoorlog een kenmerk geweest der Ne-derlandse Industrie. Na de 2e wereldoorlogkrijgt deze industriele ontwikkeling een meerautonoom karakter. Het zwaartepunt van deekonomische structuur verschuift van dehandel naar de Industrie.Hierdoor spreekt de binding der Industrieaan de Internationale centra in beginsel al-thans minder dan voorheen.Hiernaast blijkt ook de z.g. tertiaire sektoreen belangrijke plaats in onze ekonomischestruktuur te gaan innemen.De hier in het kort gereleveerde struktuur-veranderingen in de Nederlandse samenlevingzijn ongetwijfeld belangrijke stimulansen vande toeneming der stedelijke bevolking.Daarnaast echter zijn er enkele stedelijke fak-toren, welke het probleem der verstedelijkingonderstrepen. Ging het bij de bevolkingsuit-breiding en de vermindering van de agrari-sche beroepsbevolking om de uitbreiding vande potentiele stedelijke bevolking, bij de in-tern stedelijke factoren, welke thans bedoeldworden, gaat het veeleer om de uitbreidingvan het stedelijk gebied. Evenals in de meesteWest-Europese steden zijn ook in ons landbelangrijke delen van het stedelijk woonge-bied tot stand gekomen in de laatste decenniavan de 20ste eeuw, toen in het algemeenlagere eisen werden gesteld aan de inrichtingvan het woongebied dan thans. De bebou-wingsdiahtheid was in het bizonder in deaa"beiderswijken zeer hoog, terwijl vele voor-zieningen, welke men thans normaal acht enwaarvoor in de huidige plannen adequateruimten worden gereserveerd, niet voorkwa-men of op binnenterreinen werden samen-geperst. Het stijgen van het welvaartsniveauenerzijds en de toenemende bewustwordingvan de verschillende groepen der bevolkinganderzijds bracht met zich mee, dat geleide-lijk aan hogere eisen gesteld werden aan deinrichting en uitrusting van de woongebieden.Dit leidt thans tot een -- in vergelijklng metde bevolkingsuitbreiding -- onevenredigevergroting van de stedelijke oppervlakte. Inde naaste toekomst echter zal deze uitbrei-ding der stedelijke grondoppervlakte boven-dien noodzakelijk zijn in verband met eenandere kwestie, nl. de reconstructie en dekrotopruiming van onze steden. Wordt hier-mede op grote schaal begonnen, dan zal deuitbreiding van de grondoppervlakte vanonze steden zich nog veel sneller voltrekken,ook al zou theoretisch gesproken de stedelijkebevolking zich verder niet uitbreiden. Im-mers, dan zuUen verschillende gebieden meteen hoge bebouwingsdichtheid worden ge-elimineerd en als woongebied worden ver-vangen door gebieden waarvan de oppervlak-te ongetwijfeld 2 a 3 maal zo groot zal zijnals die der te saneren gebieden. Tenslotte zijner nog een aantal andere krachten van socialeaard, welke evenzeer bijdragen tot de ver-groting van de oppervlakte stedelijk gebied.Zowel de toenemende actualiteit van hetprobleem der vrijetijdsbesteding als de steedshogere eisen, welke in brede lagen van debevolking gesteld worden aan de educatie, dccultuur en de ontspanning resulteren in eenuitbreiding van het stedelijk grondgebied.De hier genoemde aspecten der verstedelij-king hebben niet alleen betekenis voor deNederlandse samenleving. Zij zijn op dit ogen-blik typerend voor onze gehele westerse cul-tuurkring. In deze cultuurkring wordt deverstedelijking dus enerzijds gestimuleerddoor elementaire veranderingen in de econo-mische structuur, waardoor een geheel andereverhouding is ontstaan tussen de primaire,de secundaire en de tertiaire productie. Hetgevolg hiervan is, dat ook bij stagnerendebevolkingsgroei de stedelijke bevolking zichten koste van de plattelandsbevolking uit-breidt.Anderzijds evenwel stelt de moderne stede-lijke mens steeds hogere eisen aan zijn stede-lijke woon- en werkmilieu. Dit leidt ceterisparibus tot uitbreiding der stedelijke grondoppervlakte. Naast deze voor onze westersecultuurkring geldende factoren kunnen ech-ter een tweetal andere factoren worden ge-noemd, welke uniek zijn voor Nederland.170stromingen eisen betrouivbare bakensZo'n verblijdende nieuwe stroming inde woningbouw is complete vioerafwerking,dus vioerbedekking bij de huur inbegrepen.Het betrouwbare baken daarvooris permanent linoleum.Tegenover een geringe verhoging vande huurprijs staan deze belangrijke voordelen:^ permanent linoleum betekent voorde huurder een aanzienlijke verllchtlngvan zijn installatie-budget;^ garandeert ook de minder draagkrachtigeneen volwaardige vioerbedekking;* bevordert de geluid-isolatie tussen de woonlagen;^ is blijvend bacteriendodend, dus hygienisch;^ heeft een lange levensduur, de kleuren gaardoor-en-door, dus kunnen niet wegslijten;* verhoogt de woonbeschaving.linoleum kroifimenieVoor keuken, douchecel en hal ook colovinyl vinyl asbesttegels,soepei en slijtvast, in hoge mate bestand tegen olien,vetten, zuren en vele andere chemicalien.Vraag ook naar colorite cumaronliars tegels,eveneens In vele fraaie tlnten.Onze afdeling technische adviezen verstrekt gaarne volledige inlichtingen (telefoon 02980-81941)VACATUI^iSBij dePROVINCIALE PLANOLOGISCHE DIENSTIN ZUID-HOLLANDkomt per 1 oktober 1961 vacant de betrekking vanHOOFDvan de groep ,,Landschapsverzorging,Recreatie en Natuurbescherming"Bij voorkeur wordt gezocht een landbouwkundig inge-nieur met studierichting tuin- en landschapsarchitectuur.Ook anderen, die over gelijkwaardige capaciteiten be-schikken, kunnen solliciteren.Salaris zal nader worden overeengekomen naar gelangvan opleiding en ervaring.Uitsluitend schriftelijke soUicitaties dienen te worden ge-richt aan de directeur van bovengenoemde dienst, Riouw-straat 178 te 's-Gravenhage.HERHAALDE OPROEPBij de Provinciale Planologische Ddenst van Overijsselkan worden geplaatst eenTechnisch-administratieve krachtten behoeve van de controle op gemeentelijke planolo-gische maatregelen. Gegadigden moeten in het bezit zijnvan een diploma h.t.s.-bouwkunde of hiermede gelijk testellen diploma.Praktijk in overheidsdienst strekt tot aanbeveling.Aanstelling in de rang van technisch ambtenaar. Salaris(afhankelijk van bekwaamheid en ervaring) van f. 5.088,--tot f. 8.256,-- (9 eenjaarlijkse verhogingen) te verhogenmet vakantietoelage, kindertoelage, compensatie A.O.W. enhuurcompensatie 1960.Voor de ambtenaren van de provinoie Overijssel geldt eenverplaatsingskostenregeling en de Interprovinciale Ziekte-kostenregeling.SoUicitaties, uitsluitend sehriftelijk, met uitvoerige in-lichtingen omtrent leeftijd, opleidmg en ervaring en metvermelding van referenties, gericht aan Gedeputeerde Sta-ten, binnen 14 dagen na plaatsing van deze advertentie inte zenden aan de direceur van de Provinciale Planologi-sche Dienist van Overijssel, Stationsweg 5 te ZwoUe.AANNEMINGSBEDRIJFErven J. F. P. Jansen n.v.NIEUW-VENNEP - Teleloon 02546-541Burger- enUtiliteitsbouwBetonbouwMomenteel in uitvoering: Hervormd Lyceum, AmsterdamVoor GLASN. V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 43-44-45 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALENMakelaarskantoor A.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaame metKOOP, VERKOOP, TAXATIES en BEHEERvan ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemiddeling en alle verzekeringenJ. J. NEDERSTIGTZILK/HIUEGOMTelefoon 02520-5929 en 5710VHandel inGRASZODENvoor sportvelden en gozonsAonleg en onderhoud vonSPORTVELDEN enPLANTSOENENGratis adviezenNVcrstcdclijking van NederlandMet de Verenigde Staten van Amerika bc-hoort Nederland tot die landcn van de wes-terse cultuurkring, welke gekenmerkt wordendoor ecn krachtige bevolkingsgroei. Het ver-schil echter met de Verenigde Staten en ookmet de omringende West-Europese landen is,dat de bevolkingsdichtheid in Nederland aan-merkelijk hoger is dan elders. Deze beidefactorcn, de voortgaande bevolkingsgroei ende voortgaande verdichting der bevolkinggeven aan de verstedelijking van Nederlandeen bizonder karakter, waarop in de loopvan dit bctoog nader zal worden ingegaan.2, Het urhanisatiepatroonEcn geografische analyse van het urbanisatie-patroon dient te steunen op een duidelijke enhanteerbare definitie van het begrip stad.Men kan het verschijnsel stad van twee ge-zichtspunten uit benaderen, t.w. vanuit hetvestigingsbeeld en vanuit de stnictuur van deberoepsbevolking. Het beste kwantitatief be-naderbaar is de structuur van de beroeps-bevolking. Op grond immers van de gege-vens van de economische- en beroepsstructuurvan een locale gemeenschap is betrekkelijkgemakkelijk vast te stellen of men hier tedoen heeft met een stedelijke dan wel metecn plattelandsnederzetting. Hiermede wordtuiteraard geen uitspraak gedaan over de vormvan de nederzetting, waarin de bevolking meteen stedelijke structuur verblijft. Immers dezebevolking kan wonen in een nederzetting meteen sterk geconcentreerde bebouwing, dochook in een nederzetting waarin de bebouwingsterk gespreid is, een nederzetting dus meteen min of meer landelijk -- veelal evenwelpseudo-landelijk -- karakter.Ook al is de bebouwing in een dergelijkenederzetting meer of minder sterk gespreid,dan nog zal in feite de spreiding van dezebebouwing en vooral ook het type van debebouwing een duidelijk verschil vertonenmet die der landelijke nederzettingen, welkehun grondslag vinden in de agrarische pro-ductie.Als gevolg van de aard der aanwezige statis-tische gegevens is het noodzakelijk, bij de uit-werking van een definitie van het begrip staduit te gaan van gemeenten en niet van neder-zettingen.De gemeenten zijn in Nederland belangrijkepolitiek-administratieve eenheden, ten behoe-ve waarvan regelmatig uitgebreide statistischegegevens worden verzameld. De gemeentenvallen echter veelal niet samen met de neder-zettingen. In enkele gevallen valt een stede-lijke nederzetting zelfs uiteen in enkele ge-meenten; in vele gevallen omvat een stedelijke gemeente naast de stedelijke kern eenmeer of minder uitgestrekt landelijk gebied.Door deze omstandigheden hebben de defini-ties, welke ook hier gebruikt zuUen wordenom er het urhanisatiepatroon en de urbani-satie mee vast te leggen een arbitrair karakteren zijn zij te beschouwen als werkdefinities.In het volgende zal in het algemeen ter de-fini'ering van een stad worden uitgegaan vangemeenten met een minimaal te stellen aantalinwoners van 10.000 en met een maximaal testellen percentage agrarische beroepsbevolking van 20 "/o.Met behulp van deze definitie kan een dui-delijke indruk worden verkregen van de om-vang van de urbanisatie in ons land.Het is bovendien mogelijk aan de hand vanbepaalde berekeningswijzen de ontwikkelingder verstedelijking vast te stellen over eenlangere periode. In ronde cijfers blijkt dan,dat bij een bevolking van rond 4 millioeninwoners in 1880 rond 40*/o der bevolkingwoonachtig was in stedelijke gemeenten. In1950 bij een inwoneraantal van 10 millioenwas bijna 60 "/o dezer bevolking in stedelijkegemeenten woonachtig.De stedelijke bevolking is dus ongetwijfeldook in Nederland meer dan evenredig uit-gebreid in vergelijking tot de totale bevol-king. Het is van belang na te gaan op welkewijze deze uitbreiding zich ruimtelijk heeftvoltrokken, daarbij met name de aandachtrichtende op de toenemende verdichting vanNederland. In 1880 immers telde Nederlandnog slechts 120 inwoners per km^. In 1950bedroeg deze 342, in 1980 zal een dichtheidvan 450 zijn overschreden ondanks eventuelelandaanwinning.Het proces der verstedelijking is in Neder-land eerst na 1880 krachtig doorgezet. In deperiode 1830-1880 bleef de bevolkingstoene-ming der plattelandsgebieden slechts weinigachter bij de nationale bevolkingstoeneming.Eerst na 1880 verandert dit beeld, mede alsgevolg dus van de zoeven gereleveerde struc-turele verandering in de agrarische productie,het doorzetten der industriele ontwikkelingen de uitbouw van de Internationale trans-portsektor.In de loop van de periode 1880-1950 welkehier in het bizonder zal worden bekeken,zijn vooral in het westen en het zuiden deslands een aantal in 1880 nog agrarische ge-meenten in de verstedelijking betrokken. Inzekere zin zijn er dus binnen het gegevenruimtelijke laisser faire-systeem van de 19een de 20ste eeuw ,,nieuwe steden" ontstaan.Geheel verschillend hiervan is de ontwikke-ling geweest in de agrarische provincies, waarsinds 1880 geen oorspronkelijke plattelands-gemeenten in het urbanisatieproces zijn be-trokken.Volgens de hier gehanteerde definities zijn inde periode 1880-1950 een 35-tal oorspronke-lijk agrarische en plattelandsgemeenten ver-stedelijkt. Deze nieuwe stedelijke gemeentenvallen structured bezien in twee extremegroepen uiteen. Een deel dezer gemeenten,vrijwel uitsluitend voorkomend in het westendes lands wordt, wat de beroepsbevolkingbetreft, gekarakteriseerd door het overwichtvan de nieuwe middenstand.Het overige deel dezer gemeenten heeft eensociaal-economische structuur, welke eenzij-dig gericht is op Industrie of mijnbouw; dezegemeenten zijn voornamelijk in de beide zui-delijke provincies gelegen. Er blijkt dus eenduidelijk verschil tussen ,,de nieuwe steden"in het zuiden en in het westen des lands. Inhet zuiden hebben deze nieuwe steden boven-dien een overwegend zelfstandig karakterwat de ligging betreft. Slechts in een enkelgeval leunen zij aan tegen een in 1880 reeds171Verstedelijking van Nederlandbestaande stad. In het westen daarentegenleunt de helft dezer ,,nieuwe steden" tegeneen andere en grotere stad aan en is hun zelf-standigheid in geografisch opzicht slechtsbetrekkelijk. De overige ,,nieuwe steden" inhet westen grenzen weliswaar niet aan eengrotere stad, doch hebben toch een duidelijksatellietkarakter als gevolg van hun woon-functie t.o.v. agglomeraties en steden op eengroter afstand.In 1880 was Vi deel der Nederlandse bevol-king gehuisvest in de 16 grootste stedeUjkegemeenten tezamen. In 1950 echter warenslechts de 6 grootste steden nodig om eengelijk deel van de nationale bevolking te her-bergen. Dit wijst dus op een duidelijke con-centratie der bevolking in samenhang metde verstedelijking. Toch blijkt anderzijds dater ondanks deze tendens tot concentratietegelijkertijd ook sprake is van een decon-centratie van de stedelijke bevolking als zo-danig. Deze deconcentratie hangt samen metde vorming na 1880 van nieuwe steden ener-zijds en met de spreiding van de stedelijkebevolking over de agglomeraties en stedelijkegebieden anderzijds. Onder agglomeratiesworden hier verstaan aaneengesloten stads-lichamen, waarbinnen een aantal stedelijkegemeenten in feite zijn samengegroeid. Onderstedelijke gebieden worden groeperingen vansteden verstaan, welke -- althans schijnbaar-- een onafhankelijke ligging ten opzichtevan elkaar hebben, doch in feite nauw vanelkaar afhankelljk zijn.Hiermede is tevens het spreidingsbeeld derstedelijke bevolking sedert 1880 radicaal ver-anderd. Het stedelljk patroon van 1880 is inhoofdzaak bepaald door geisoleerd gelegenstedelijke gemeenten. Op een enkele uitzon-dering na is in 1880 van enige samenhangdezer afzonderlijke steden in de vorm vanduidelijk waarneembare combinaties van ho-ger orde geen sprake. Het urbanisatiepatroonvan 1950 vertoont een geheel ander beeld.Van de 108 gemeenten, welke als stedelijkkunnen worden beschouwd, maken 65 deelaiit hetzij van een agglomeratie, hetzij vaneen stedelijk gebied. Er blijkt enige samen-hang te bestaan tussen de diohtheid van be-volking en het voorkomen van agglomeraties.De agglomeraties komen overwegend voor inhet dichtstbevolkte deel van ons land nl. inde drie westelijke provincies, waar de urbani-satie bovendien het verst is voortgeschreden.De stedelijke gebieden daarentegen komen opeen enkele uitzondering na vrijwel alleenbuiten het westen voor. De beide uitzonde-ringen binnen het westen zijn groepen vanforensengemeenten in het Gooi en deUtrechtse Heuvelrug.Bij nadere beschouwing blijkt, dat een aantalder onderscheiden agglomeraties en stedelijkegebieden wederom in nauw contact met el-kaar staat en als het ware opnieuw een geleedgeheel vormt van hoger orde. Dit is enerzijdshet geval in de drie westelijke provincies,waar een aantal agglomeraties, stedelijke ge-bieden en afzonderlijke steden tezamen dsRandstad Holland vormen. Anderzijds kaneen dergelijk groot stedelijk conglomeraatook worden vastgesteld in Noordbrabant.Hier blijkt een stedelijk-industrieel gebiedaanwezig te zijn, dat opgebouwd is uit e?naantal stedelijke gebieden van beperkter om-vang.Wanneer de spreiding der stedelijke bevol-king volgens deze grote gehelen wordt be-schouwd, dat blijkt de concentratie der stede-lijke bevolking een gecompliceerd karakterte hebben. Het aandeel dat de Randstad, hetBrabantse industrieel-stedelijke gebied, Twen-te en de mijnstreek in de totale stedelijkebevolking hebben, blijkt in de onderzochteperiode 1880-1950 te zijn toegenomen. Hetaandeel van de rest van stedelijk Nederlandblijkt daarentegen te zijn gedaald. Er is bin-nen het urbanisatiepatroon een verschuivingopgetreden, waardoor ondanks concentratieder nationale bevolking in een aantal stede-lijke gemeenten, de urbanisatie zelf een minof meer gedecentraliseerd karakter heeft aan-Het is van belang nog een ogenblik stil testaan bij de meer recente verschijnselen vanurbanisatie. Terwijl de bevolking van Neder-land in de periode 1954-1959 toenam met6,7 Vo bleek de bevolkingstoeneming op hetplatteland der agrarische provincies slechts1.2 "/o te bedragen. Een dergelijk laag per-centage ligt natuurlijk in de aard der ver-wachtingen. De ontvolking immers is in grotedelen van deze agrarische provincies juist indeze periode krachtig doorgezet. Hiertegen-over staat echter, dat de bevolking van hetplatteland der overige provincies meer toe-genomen is dan die van het rijk, nl. met7.1 "/o.Deze sterke toeneming valt des te meer op,omdat tevens is gebleken, dat de bevolkings-toeneming in de ,,Metropolitan Areas" --gelijk gedefinieerd door Kingsley Davis --6.3 "/o was en in de stedelijke gemeenten,welke niet gelegen zijn in een ,,MetropolitanArea" 8,7 "/o. Dit wijst er op, dat de stede-lijke bevolking in deze beschouwde 5-jarigeperiode slechts ten dele is opgevangen instedelijke nederzettingen, doch dat zij vooreen ander deel is uitgedijd over een grootdeel van het Nederlandse platteland. Nietalleen in het westen, maar ook in de ooste-lijke en zuidelijke provincies is de te ver-wachten achteruitgang van de plattelands-bevolking geelimineerd door de suburbanisatie.Het gevolg hiervan is mede, dat verschillende,,Metropolitan Areas", vooral in het westenachtergebleven zijn bij de groei van de rijks-bevolking. Zou deze ontwikkeling zlch in detoekomst doorzetten, dan zou dit bedenke-lijke gevolgen kunnen hebben voor de be-woonbaarheid van grote delen van Neder-land.Tot nu toe is vooral uw aandacht gevraagdvoor de kwantitatieve aspekten der urbani-satie. Minstens zo belangrijk zijn evenwel dekwalitatieve aspekten der verstedelijking.Juist ook met het oog op het feit, dat bijde planning der toekomstige omvang envorm van het urbanisatiepatroon beslissingenmoeten worden genomen inzake de structuurder steden, is het wenselijk een ogenblik stilte staan bij de structured verschillen tussende bestaande steden. Er is hierbij van uit-gegaan, dat er drie soorten structurele te-korten kunnen optreden. Een stad kan bi-172[l ]1 ^ l^^^^^^^Mllllllllllllllllll="^^INIEUWS UIT DEBRUYNZEEL KEUKEN No. 5Een veelvuldig voorkomend probleem in de keukenis de koelkast. ,,Waar moet die staan? Ik kan geenruimte missen". Bij de Bruynzeel Keukens is dezemoeilijkheid geheel opgelost door het nieuwe keuken-element met ingebouwde kompressor koelkast Chetvertrouwde merk ..Frigibell"). Er gaat geen ruimteverloren. De koelkast is op werkhoogte in het elementgeplaatst met laden eronder en een provisiekastjeerboven. Het vormt met de overige elementen eenfraaie eenheid. Door de plaatsing op werkhoogte isde inhoud van de kast in een oogopslag te overzien.Alles is zonder bukken gemakkelijk bereikbaar.De Frigibell heeft een inhoud van 120 liter. Het stroom-verbruik is bepaald laag; de koeling verrassend snel.U kunt dit b.v. kontroleren aan de snelle vormingvan de ijsblokjes. De diepvriesruimte loopt over degehele breedte van de kast, Vanzelfsprekend ge-schiedt de kontrole en regeling van de temperatuurdoor een verstelbare thermostaat.De deur is onzichtbaar scharnierend, de opberg-ruimte er in is maximaal benut.Levering in 110 of 220 volt.BRUYNZEEL DEURENFABRIEK NVZAANDAM afdeling keukens telefoon 02980-62751VACAiyiRHGemeente't-HeitogenboscbOp de afdeling Sociografisch Onderzoekvan de dienst van gemeentewerken, zijnvacatures voor:1e een planologisch ondlerzoekerassistent van de chef der afdeling.Vereist is doctoraal examen in sociologie,sociale-geografie of sociale economie, ter-wijl ervaring met planologisch of socio-logisch onderzoekwerk zeer gewenst is.2e een statistisch medewerkerassistent van de statisticus van de afdeling.Voor het vervullen van deze functie zijnvereist het diploma algemene statistieken enkele jaren ervaring in statistischearbeid.Voor de eerste functie liggen de salaris-grenzen tussen / 649,30 en / 982,46 brutoper maand terwijl deze grenzen voor detweede functie liggen tussen / 289,85 en./ 612.PR per m.Tr.n'i hr.i'^o.HET IS UW BELANGom bij nieuwbouw enherstellingswerkPUDLOvoor te schrijven.Wordt reeds 44 ]aar inNederland toegepast bijwaterdicht werk.RAMONDT & Co's-GravenhageKoniniginnegracHt 140Teaefoon 070-632568Eenvacature?De juiste man op dejuiste plaats dooreen advertentiein dit tljdschrift!GIPSPLATEN \ ^??^ PLAFONDS>**r4^r%mr^ i EI-V i E^ ZIJWANDENBETONMORTELA. KEUR - HAARLEM - Harmenjansweg 19Handel in zand en grind, bouw- en stukadoorsmaterialenTelefoon 0 2500 - 11 396 - 16 964, na 18 uur telefoon 21 006Een vacatureop het gebied van volkshuisvestingen stedebouw?De juiste manop de juiste plaats krijgt U als Uwoproep voorkomt in hetTijdschrift voorStedebouw en Volkshuisvestinghet maandblad dat reeds meer dan40 jaar onder de ogen komt van zogoed als alien, die op dit gebiedwerkzaam zijn!Advertentie-afdeling:Keizersgracht 188, Amsterdam, C.Telefoon: 249128 en 243254.J. SMINIABEVERWIJKHandel in Bouwmaterialen,Zand, Grinden alle soorten BetonwarenOpslagplaatsen: Pruimedijk 8 en Pijpkade - Telefoon 3926Kantoor: Pruimedijk 2DE NIEUWE ?.;.>?*-Beroemdzijn deZaansehoutenhuizendoordevormschoon-heid die de oude bouwmeesters schiepen en die bewaardbleefdoor de conservering over eeuwen met ,,zaanse verf":duurzame grond- en glansverven. Deze duurzaamheidblijft steeds de grondslag voor de Drie Molens verfpro-dukten. Maar Jan Visser doet meer dan verfmalen alleen: demoderne research leverde ook het periodeschema, dat hetschilderwerk nog langere houdbaarheid geeft.Voor uitgebreide informaties:N.V. VERFFABRIEKEN JAN VISSER ZAANDAMTEL. 02980-6 37 42 (4 LIJNEN)di verfspecialisten sinds 1889N.V. VERFFABRIEKEN JAN VISSER ZAANDAM .DRIE MOLENSyVerstedelijking van Nederland15 millioen er geen belangrijke bevolkings-groei meer zou zijn, dan zou tot op zekerehoogte het probleem van de bevolkings-spreiding en van de urbanisatie een betrek-kelijk eenvoudig probleem zijn, Immers /elfsmet een zekere graad van suburbanisatie enmet een zekere mate van doorgevoerde de-centralisatie moet het mogelijk geacht wor-den een aannemelijke mate van bewoonbaar-heid te handhaven. Het is echter de vraag,of er niet een voUedig onacceptabel beeldzou ontstaan, indien op dezelfde wijze eenverdere bevolkingsvermeerdering, stel bijv.tot 20 millioen zielen, zou moeten wordenondergebraoht. Wijst men dit beeld als onge-wenst af, dan heeft dit tot konsekwentie, datgestreefd zal moeten worden naar de planningvan een stedelijk patroon van zodanig ka-rakter, dat met name een duidelijke scheidingtussen platteland en stad wordt gehandhaafd.Dit nu zal slechts bereikt kunnen wordendoor de stedelijke bevolking zoveel mogelijkin grote en duidelijke begrensde eenheden teconcentreren.Alvorens verder te gaan op de structuur envorm van het stedelijk patroon is het nood-zakelijk een ogenblik stil te staan bij devraagstukkcn welke verbonden zijn met dedecentralisatie van de bevolking in het alge-mecn. In Nederland houdt het vraagstuk vande decentralisatie der bevolking nauw yer-band, zowel met de z.g. ontwikkelingsgebie-den als met het streven het westen des landste ontlasten.De ontwikkelingsgebieden worden in het al-gemeen gekenmerkt door een overwegendagrarische structuur en door relatief belang-rijke bevolkingsoverschotten, welke door eenstagnatie der geografische mobiliteit niet tenvoile naar elders afvloeien. Ten einde destructured werkloosiheid in deze gebieden tebestrijden wordt de industrialisatie aldaar be-vorderd. Dit streven leidt op zichzelf tot eenzekere mate van decentralisatie van de In-dustrie.Het ligt voor de hand, dat een politick vandecentralisatie vooral op die industrietakkenvan invloed zal zijn, welke noch gebonden zijnaan de aanwezigheid van grondstoffen nochaan de ligging aan of nabij diep vaarwater.Gelet op de samenstelling van het industrielepakket mag worden verondersteld, dat dezedecentralisatie juist dan kans van slagen zalhebben, indien zij wordt gericht op de licliteen middelzware metallurgische en chemischeindustrie. Het deel der Industrie dat qualigging gebonden is aan Zeehavens zal onderdeze gegeven constellatie niet decentraliseren.Dit betekent dus, dat de uitbreiding derwerkgelegenheid in dit deel der Industrie, dato.m. de zwaardere metallurgische en chemi-sche Industrie omvat, volledig in het westenzal moeten worden opgevangen.Dit verschil in decentralisatiemogelijkheidkan als neveneffect tot gevolg hebben, datde structuur van bepaalde delen van hetwesten des lands eenzijdiger zal worden. Ditkan dan weer leiden tot een eenzijdige samen-stelling van het industriele bedrijfsleven, enonder bepaalde omstandigheden ook tot deeenzijdige samenstelling van de beroepsbevol-king. De decentralisatie der industrie kan inbepaalde gebieden buiten het westen de ver-stedelijking bevorderen. De ontwikkeling vandit proces zal echter aan een paar duidelijkomschreven voorwaarden gebonden zijn. Inhet bizonder zal men er rekening mee moe-ten houden, dat een geconcentreerd opvangenvan de industriele onKvikkeling buiten hetwesten belangrijke voordelen biedt.De -huidige politiek heeft nog steeds een ster-ke voorkeur voor het opvangen van de in-dustriele ontwikkeling over verschillendeontwikkelingskernen. Dit leidt tot versnip-pering van krachten en dus ook tot eenverstedelijking welke verdeeld is over ver-schillende kernen. Beperkt men daarentegenhet aantal van deze ontwikkelingskernen, danzal dit vrij spoedig leiden tot de ontwikke-ling van een paar krachtige stedelijke cenfa,welke dan tevens profijt zullen kunnen trek-ken van de werking van de agglomeratievefactor. Een stedelijke bevolking gespreid oververschillende kleinere stedelijke centra za'voorts niet de beschikking hebben over eenveelomvattend verzorgingsapparaat, zoals datin grotere steden en in agglomeraties kan.worden opgebouwd.In het bovenstaande is reeds enkele malen'terloops gesproken over de perspecfieven van^de suburbanisatie. Het is nuttig juist met hetoog op de toekomst hier nog een ogenblikbij stil te staan. Gelijk reeds eerder in ditbetoog is geconstateerd, is er thans een dui-delijke tendens tot suburbanisatie, tot vesti-ging dus van stedelijke bevolking buiten deeigenlijke steden en stedelijke agglomeratieswaarneembaar. Dit verschijnsel is na de 2ewereldoorlog sterk bevorderd door de wo-ningnood in de grote steden. Ten dele hangtdeze tendens echter ook samen met de eisen,welke een deel der bevolking stelt aan deuitleg, de vorm en de uitrusting der woon-gehieden. Dit alles leidt tot de reeds eerdervermelde verbrokkeling en uitdijing van destedelijke bevolking, en dus mede tot ver-groting van de afstand van de woning tothet werk. Ongetwijfeld mag worden opgp-merkt, dat in andere landen van de westersecultuurkring de afstanden tussen woning enwerk in verschillende gevallen het veelvou-dige zijn van de afstand welke hier gebrui-kelijk is.Men mag echter de vraag stellen of deze ont-wikkeling elders gelukkig te achten is en ofmen inderdaad deze grote afstanden in hetbuitenland veelal niet als ernstig sociaal na-deel ondervindt. Het gezinsleven is in Neder-land -- en dit geldt niet alleen voor hetplatteland, maar ook voor de stad -- eenbelangrijke bouwsteen voor onze samenleving.Men kan nu de vraag stellen of deze sub-urbanisatie in het belang van het gezinslevenis. In de meeste gevallen betekent de sub-urbanisatie een vergroting van de afstandwoning-werk, een verlenging van de reisduuren een verzwaring van het gezinsbudget,mede door de afhankelijkheid der centralevoorzieningen in de moederstad. Voor zoverer sprake is van een verenigingsleven in demoderne samenleving, ondervindt dit juistbizondere moeilijkheden in de suburbs, alsgevolg van het gebrek aan tijd van de foren-sende gezinshoofden. Bovendien hebben de175Verstedelijking van Nederlandmeeste suburbs in het algemeen een eenzij-dige sociale structuur, hetgeen minder ge-wenst is voor de sociale verhoudingen binnende stedelijke gemeenschap als geheel. Juistmet het oog op het gezinsleven en de maat-sohappelijke verhoudingen dient men de sub-urbanisatie met de nodige reserve gade teslaan. Het is de vraag, of het niet gewenst iswaar mogeHjk de suburbanisatie af te rem-men en de ooncentratie van stedelijke be-volking te bevorderen.4. ToekomstheeldIn de hier gegeven analyse is een poging ge-daan enerzijds een beeld te geven van dehuidige situatie, anderzijds van de maat-sohappelijke krachten, welke in Nederland inde naaste toekomst de urbanisatie zuUen be-palen. Gelet op de reeds hoge bevolkings-dichtheid en de voor West-Europese verhou-dingen krachtige bevolkingsgroei is ditprobleem zowel uit geografisch gezichtspuntals uit een gezichtspunt van de ruimtelijkeplanning uniek te noemen. Op welke wijzezal het in de toekomst mogelijk zijn in dezeverstedelijkende maatschappij de menselijkeverhoudingen en dus de leefbaarheid van hetlandschap te handhaven? Er blijken zich hierverschillende conflictmogelijkheden voor tedoen. Deze conflictmogelijkheden vindenmede hun wortels in het traditionele beelddat wij in het algemeen hebben van de stad.Hoe oud het verschijnsel stad in onze cul-tuurgesohiedenis ook moge zijn, in feite 'S deconcrete verschijning van de stad, waarmeede mensheid thans in al zijn levensfasen in-tensief wordt geconfronteerd, een van be-trekkelijk recente datum. Het beeld, dat demeesten onzer sinds hun jeugd meedragcnvan de eagen woonomgeving is hetzij ont-leend aan het platteland of aan de kleineoverzichtelijke stad, hetzij het veelal choa-tische beeld, dat de stad uit het einde vande 19e eeuw en in het begin van deze eeuwons bood. Een belangrijk deel van de aversie,welke in de litteratuur te vinden is jegens degrote stad, de agiglomeratie en de metropool,vindt haar wortels in een beeld, dat in feitereeds achter ons ligt. De stad van het ver-leden riep velerlei reacties op, welke ener-zijds hun gestalte vonden in de forensen-dorpen, anderzijds in de pogingen van wet-gevers, architecten, stedebouwers en socialehervormers om de stad in haar geheel, duszowel de woonwijken als de werkgebieden ende recreatiegebieden weloverwogen te plan-nen en uit te rusten. Misschien dat we depogingen, welke tot nu toe zijn gedaan noguitsilukend als experiment en als zodanig alshoopgevend moeten bezien. Doch desalniet-temin traoeren zij enigermate de richtingwaarin de moderne stad zich zal kunnenevolueren.Het gaat bovendien in onze Nederlandse,maar uiteindelijk ook in onze West-Europesesamenleving, gelet op de integratie op welhaast ieder gebied, niet alleen meer om hetbeeld van de stad als zodanig, doch om hetgehele stedelijke patroon. Wij leven in eenovergangstijd. De samenleving van de 19eeeuw werd in feite nog in grote trekken be-heerst door het platteland en de agrarischeproductie. Hierin trok de stad en de ver-stedelijking reeds de aandaohr. In een sneltempo hebben zich sedertdien enorme ver-anderingen doorgezet, welke echter nog aller-minst hebben geleid tot een evenwichtigeindresultaat. Onze samenleving ontwikkeltzich thans tot een samenleving welke cr inalle konsekwenties een zal zijn van een maat-schappij met stedelijke levensvormen en meteen stedelijk patroon, dat ons ruimtelijk beeldvoUedig zal bepalen. Dit houdt de plicht in,in alle konsekwenties dit ruimtelijk beeld tedoordenken en als een gaaf geheel voor dekomende generaties te traceren. Dit houdtook in, dat binnen West-Europa het urba-nisatiepatroon als een West-Europees gehee!zijn uiteindelijke vorm zal hebben te vinden.Dit vereist duidelijke stedelijke vormen,waarbinnen de differentiatie der levensvor-men, welke ook in een verstedelijkte maat-schappij aanwezig zullen zijn, haar ontplooi-ing tan vinden.Een essentiele voorwaarde voor het verlenenvan een menselijk karakter aan het komenderuimtelijke patroon zal zijn gelegen in deconfrontatie van de geslotenheid van hetstedelijk gebied tegenover de openheid vande ruimten rondom dit gebied. Essentieel ishier ook de continue mogelijkheid van hetcontact van de stedelijke mens met de openruimte. Dit zal vermoedelijk in concreto in-houden, dat verdere bezinning van geografenen planners op de ideeen van de MadrileenseIngenieur Don Arturo Soria Y Mata betref-fende de ciudad lineal van grote betekeniskan zijn bij het streven om te ontkomen aaneen volkomen uitvloeien van de stedelijke be-volking over het land, waardoor de openheidvan de ruimte en daarmee de leefbaarheidsteeds weer dreigt te worden aangetast. Hetruimtelijk patroon en de stad in onze huidigeindustriele maatschappij is zwaar belast metde erfenis van de agrarische maatschappij vanweleer. De stedelijke maatschappij van mor-gen zal haar eigen ruimtelijke vormen hebbente zoeken om de moderne mens ook zijn ruim-telijk welzijn te verschaffen.7 maart 1961176VRIJHEID VAN VORMGEVING...en keuze van plattegrond zijn bijhet systeem ,,Rottinghuis" vol-komen gewaarborgd.hoofdkantoor:Frankenstraat 62Den Haagtel. 070-551700labriek:Spaanse PolderVraag onze uitvoerigebrochure aan.AANNEMERSBEDRIJF GEBR. HEEMSKERKRoerdomplaan 5NIEUWKOOPTelefoon 01725-144Werkzaam voorRijksgehouwendienst,Genie en andereoverheidsinstantiesWoningwet-woningen + UtiliteitsbouwAANNEMERSBEDRUFFirma P. REHORSTWADDINXVEEN - Telefoon 01828-2313UTILITEITS-EN WONINGWETBOUW(ook in de particuliere sector)92 woningen te Ridderkerk.Glas- en SchildersbedrijfFA.GEBR. JANSENAMSTERDAMHolendrechtstraat 30,Telefoon 719470Kantooradres :Herman Robbersstraat 3,Telefoon 132580Schilderwerkenvoor deAPELDOORNSchoolsfraat 25,Telefoon 16415nieuwbouwOnderhoudswerkenoverheidsinstaniies,voor woningbouwverenigingen,?articulieren enz.Eerste klas referentGaarne verstrekkenes.wij U prijsopgave.AANNEMERS:Sloop- en grondwerken.Speciaal het uitvoeren vanwerken met springstoffen.VERHUUR:Lucshtcompressoren,pneumatische werktuigen,draglines, shovels, enz.L KORTINGAMSTERDAM-N.BUIKSLOTERDUK 614, TEL (020) 61766AANNEMERSBEDRUF ^^&br^ i^afeewiait^Prinses Irenelaan 17BUSSUMTelefoon 02959-13700Werksaam voor veleoverheidsdienstenen -bedrijvenBURGER- en UTILITEITSBOUWStedebouwHudi?-m:daillcstedebouwUitreiking Hudig-medailleWij laten hler de rede volgen, waarmee deHeer Mr. J. Vink als voorzitter van de Mr.D. Hudig-Stkhting de Hudig-medaille op24 mei l.l. heeft uitgereikt aan de Heer Ir. C.van Traa.Wij zijn hicr bijeen voor de uitreiking vande Hudig-medaille voor 1960 aan Ir. C. vanTraa, directeur van de dienst van Stadsont-wikikeling en Wederopbouw van Rotterdam,als een erkenning van zijn stedebouwkundigewerkzaamheden in de gemeente Rotterdam,met name in het kader van de wederopbouwvan deze stad. Het is zinvol dat dit op dezeplaats gebeurt. Waar zou de hulde, die deHudig-Stichting aan Ir. Van Traa wil betuigen,beter tot uiting kunnen worden gebracht dante Rotterdam, in het nieuwe hart van de stad,vlak bij het plein voor Rotterdam C.S. dateen voorbeeld is van een goed modern sta-tionsplein, in dit Groothandelsgebouw, eender sprekendste elementen van het herborenRotterdam, die de naam van de stad over dehele wereld hebben helpen uitdragen?Hudig -- het is misschien goed daaraan nogeven te herinneren nu de generatie die methem geleefd en gewerkt heeft begint weg tevallen en nu de gedachten waarvoor hij zohartstochtelijk gestreden heeft welhaast ge-meengoed zijn geworden -- Hudig was, be-halve een telg uit een illuster Rotterdamsgeslacht, een der pioniers in de strijd voorvolkshuisvesting en stedebouw in Nederland.Hij heeft misschien meer dan iemand andersgedaan om ons land rijp te maken voor destedebouwkundige denkbeelden en om wet-geving en praktijk in de goede richting testuwen.Toen Hudig in 1934 was heengegaan heefteen aantal van zijn vrienden het als een ere-plicht gevoeld zijn naam en zijn werk te doenvoortleven in de vorm van een Hudig-medail-le, ,,telkens uit te reiken aan degene die zichin Nederland op het gebied van volkshuis-vesting of stedebouw in de laatste vijf jarcnop bijzondere wijze heeft verdienstelijk ge-maakt". Ik citeer nu uit de stichtingsaktevan de Mr. D. Hudig-Stichting, die voor ditdoel werd opgericht en als wier voorzitter ikthans tot U spreek.Ik mag dit niet doen zonder met enkelewoorden ook de nagedachtenis te eren vaneen andere hoogst verdienstelijke Nederlan-der, die hier in mijn plaats zou hebben ge-staan als hem het leven langer geschonkenwas geweest, Mr. M. J. A. Moltzer, tot zijnoverlijden in november 1960 voorzitter vanonze stichting. Deze warmvoelende en veel-zijdige man, jurist, theoloog, pionier op hetgebied van het maatschappelijk werk, ge-dreven door dezelfde sociale bewogenheid alsHudig, heeft zijn leven lang in wezen ookvoor hetzelfde gestreden. Het ging beiden omde opbouw van een waarachtLge samenleving;bij Moltzer langs de weg van het maatschap-pelijlke werk, bij Hudig langs die van eenruimtelijke ordening, een stedebouw, een wo-ningvoorziening die noodzakelijke voorwaar-den voor zulk een samen-leven zijn.De Hudig-medaille is tot nog toe viermaaluitgereikt, zij het tengevolge van de oorlogs-omstandigheden niet met regelmatige tussen-pozen van vijf jaar. In 1939 is zij verleendaan Mr. J. Kruseman ,,de vader van enwachter over de Woningwet", in 1949 aanIr. L. S. P. Scheffer en aan Ir. W. van Tijen,in 1956 aan Jhr M. J. I. de Jonge van Elle-meet. Telkens heeft het bestuur van deHudig-Stichting zich daarbij doen voorlichtendoor een ad hoc ingestelde commissie vanadvies.Thans heeft het bestuur bereid gevonden alscommissie van advies op te treden de herenMr. H. W. Bloemers, Mr. J. W. G. Floor enIr. J. A. Kuiper. Deze commissie heeft haargedachten laten gaan over hetgeen in de af-gelopen vijfjarige periode op het gebied vande volkshuisvesting en de stedebouw in Ne-derland is verricht. Zij heeft daarbij zowelde direct scheppende arbeid als die op juri-disch of organisatorisch vlak in de beschou-wingen betrokken. Bij deze overweging is zijeenparig tot de overtuiging gekomen datgeen werkzaamheid in de beschouwde perio-de meer aanspraak maakt op een erkenningvan de zijde van de Hudig-Stichting dan de-- nu nagenoeg voltooide -- wederopbouwvan Rotterdam.De commissie heeft zich er rekenschap vangegeven, dat de vervuUing van een taak vanzulk een enorme omvang niet het werk isvan een man. Voor de creatieve arbeid, diehier is verricht, was de samenwerking vanvelen nodig. De verantwoordelijkheid echtervoor hetgeen in Rotterdam tot stand is ge-bracht heeft vanaf 1945 berust bij Ir. VanTraa, die -- van de aanvang af reeds alsmedewerker bij deze taak betrokken -- indat jaar als Directeur met de leiding van deDienst voor de Stadsontwikkeling en Weder-opbouw werd belast.Het bestuur van onze stichting heeft ditadvies volgaarne overgenomen en zo kan ikdus thans mij namens de Mr. D. Hudig-Stich-ting tot Ir. C. Van Traa richten om uit-voering te geven aan dat besluit.Waarde Van Traa,Er zijn in het leven weinig dingen die optoeval berusten. En het is zeker geen toeval,dat U samenbracht met de wederopbouw vanRotterdam.Wie Van Traa zegt, zegt Rotterdam.Als ik een levensbeschrijving wilde geven --177StedebouwHudig-medailleDe Heer Mr. ]. Vink overhandigt de Hudig-medaille aan de Heer Ir. C. van Traa.maar stel U gerust, ik zal dat niet doen --dan zou ik kunnen beginnen met die on-sterfelijke aanhef van de Rotterdamse hymnovan Jan Prins:,,Te Rotterdam ben ik geborenOnder de adem van de Maas. ..."Ik zou nog verder kunnen gaan en vermeldendat het geslacht Van Traa eetiwenlang in dezestad heeft gewoond en gewerkt en dat ge,zoals ge me onlangs hebt verield, in Uw huisnog een herinnering hebt aan een van Uwvoorvaderen die al in het midden van de 18eeeuw hier het beroep van architect uitoefen-de. Architect: de stedebouw, waarvan Am-sterdam aan de wereld zulk een onvergehjke-lijk voorbeeld had gegeven, werd toen inRotterdam nog niet beoefend. Voor Uw la-tere werk aan de wederopbouw is dat mis-schien ook maar goed geweest. In ieder gevalbleef het aan het huidige geslacht voorbe-houden om de naam van Rotterdam op eenheel andere, maar toch niet minder indruk-wekkende wijze in te schrijven in de annalenvan de stedebouw.Er zijn tientallen steden in de laatste oorlogverwoest en daarna weer opgebouwd. Er zijner maar weinige waarvan iedereen de naamkent en die iedereen wil zien. Tot die weinigebehoort Rotterdam en vandaag mogen wij Ueren als de scheppende geest van het weder-opbouwplan en -- wat niet- minder zegt --als de stuwende kracht bij de uitvoeringdaarvan.Dit was een rol, waartoe het leven U alshet ware voorbestemd had.Na de leerschool van een paar jaren architec-tuur waart ge in 1930 gekomen tot de stede-bouw, als leider van het bureau van hetInstituut Stad en Landschap van Zuid-Hol-iland. Ge hebt daar 10 jaar gewerkt en geiwist reeds daar de beste krachten om U beente verzamelen. Onder Uw medewerkers vandestijds zijn namen die evenals de Uwe klankhebben gekregen in de stedebouwkundigewereld: Van Embden, Kuiper.Via Stad en Landschap zijt ge gekomen totde Stad, tot de Stadsontwikkeling van Rot-terdam. De Voorzitter van het Instituut, deheer Van der Mandele, die aan de wieg heeftgestaan van zoveel dat Rotterdam heeft ge-maakt tot Rotterdam, had ook hierin dehand. Hij raadde U de stap naar een ambte-lijke functie te doen en, hoezeer Uw werkbij het Instituut waarderend, stond hij U afaan de stad die U en hem zo lief was. Zeldenhebben een stad en een man elkaar op
Reacties