In dit nunmaart 1962ramma onderzoek stadscentraProblemen volgehouwde stadStedebouw,;: Volkshmsvestim^Dfficiele MededelingeSummaryUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouwstedebouw & volkshuisvestingKOENE TEGELS}f/CH(^JUji/^Telefoon 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorstvrij materiaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOERENIIIIIIIIIIIIII1VAKKUNDIGEILIGLUGmontagebedplifzware transportensloopwerken endemontagesonze specialiteit:uitvoering zonder stagnatie !nlopend bedrijfOnze afd. Nieuw IJzer maakt Utevens gaarne offerte voorbalk- plaat- en profielijzerTegen zeer aantrekkelijke prljzen.DE BOER EN SLOOTEN N.V.PURMEREND TELEFOON 02990-3258ModerneLIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel. 778400 (070)BOUWKREDIETENvoor WONINGBOUWin de vrije sector envallende onder dePREMIEREGELINGENworden verleend doorn.v.DE RENTEKASZoutmanstraat 42,'s-GravenhageTelefoon 070-333860g*'EO CT:vervaardiging portlandcementklinkei\V^; 'V -- J'0"sy^n^ter&iS:W^Sa?S-A^*^tfSft?.^^;::S^:i&^^ii%ii^^SSffiJS^S^Zo ontstaat Nederlands Portland- en hoogovencementDetekening die u hierboven ziet is de beknopte, scfiematisclievoorstelling van een grote Rationale industrie. In 1959 produ-ceerde zij 1 600000ton portland- en hoogovencement, in 19601800000ton, in 1961 1900000ton en in 1962 zai de pro-duktie bedragen 2 250000 ton.Zo moet het verder opwaarts gaan, want een bekend gezegdeluidt terecht: als de bouwerij goed gaat, gaatailes goed"!Enci en Cemij staan klaar om u, nu en in de toekomst, hetvoortreffelijke cement te leveren waar u recht op hebt.'XimkVERKOOPASSOCIA TIE ENCI-CEMIJ N. V. - HERENGRACHT 507 - AMSTERDAM - TEL. 385 31- (5 lijnen)Gemeente Nieuwer-AmstelBij de dienst van getmeentewerken, afdeling stedebouw,kunnen de volgende medewerkers worden geplaatst:a. een assistent voor de ontwerp afdelingtaak: het uitwerken van schetsontwerpen;vereist: toezit van het einddiploma H.T.S., aid. bouw- ofwatenbouwkunde; ervaring op stedebouwkundig gebiedstrekt tot aanbeveling; studerenden S.H.O. of V.B.O. ge-nieten voorkeur.aanstelling: in de rang van techn. ambtenaar A of techn.ambtenaar B.b. een administratief-technische krachtvoor welke functie zowel midde'lbaar-technici, als admi-nistratieve krachten in aanmerking komen.taak: het verrichten van met ide stedebouw verband hou-dende administratieve werkzaamheden.vereist: beait van het einddiploma H.T.S. afd. bouw- ofwaterbouwkunde, resp. het diploma G.A.I.aanstelling: in de rang van techn. ambtenaar A of techn.ambtenaai' B, resp. commies A of commies B.c. een stedebouwkundige tekenaartaak: het tekenen van bestemmingsplannen in de wettelijkvereiste vorm;vereist: bij voorkeur het diploma stedebouwkundig teke-naar P.B.N.A.aanstelling: in de rang van tekenaar of teikenaar A.Salarisgrenzen:techn. ambtenaar B van / 8.331,-- tot / 9.501,--A van / 7.748,-- tot / 8.935,--commies B van / 8.141,-- tot / 9.317,--A van / 7.545,-- tot / 8.720,--tekenaar A van / 6.177,-- tot / 7.355,--tekenaar van / 4.770,^ tot / 5.974,--incl. A.O.W.- en huurcompensatie.exol. 4% vakantietoelage, salarisverhoging 1962 en evt.kindertoelage.Het verplaatsingskostenbesluit is van toepassing.De gemeente is aangesloten bij 'het I.Z.A. Noordholland.Sollicitaties, uitsluitend schriftelijk, met volledige inlich-tingen omtrent opleiding, praktijk en referenties, binnen10 dagen na het verschijnen van dit blad te richten aande directeur van gemeentewerken, Kastanjelaan 1 te Am-stelveen.Bij de Provinciale Planologische Dienst te 's-Her-togenbosch kan worden geplaatsteen stedebouwkundigeHet salaris zal worden vastgesteld overeenkomstigcapaciteiten en ervaring.Uitvoerige sollicitaties te richten aan de Directeur,Lekkerbeetjestraat 2 te 's-Hertogenbosch.GEMEENTE S-GRAVENHAGEBurgemeester en Wethouders van 's-Gra-venhage roepen sollicitanten op voor debetrekking vanHOOFDINGENIEURAFDELINGSCHEFbij de Gemeentelijke Woningdienst.De te benoemen functionaris zal wordenbelast met de waarneming van de directievan de Gemeentelijke Woningdienst en zaltevens optreden als waarnemend hoofdvan dienst van de Sticliting ,,CentraalWoningbeheer".Gegadigden dienen te beschikken overleidinggevende en organisatorische capa-citeiten, alsmede over kennis van en bijvoorkeur ervaring met betrekking tot debouw en exploitatie van woningwet- enpremiewoningen.Het aantal personeelsleden bij de Woning-dienst en de Stichting ,,Centraal Woning-beheer" bedraagt ongeveer 250.Bij de Stichting zijn 22.000 woningen enbedrijfsruimten in beheer en ondsrhoud.Aanstelling geschiedt, afhankelijk vanbekwaamheid en ervaring, in de rangvan hoofdingenieur-afdelingschef A of B(salarisgrenzen resp. f 1117,-- - f 1475,--en / 1171,-- - / 1540,-- per maand, exclu-sief de huurcompensatie ad 21/2 % en devakantietoelage ad 4 %).Een salarisherziening is in voorbereiding.Aanstelling boven het minimum ismogelijk.Tegemoetkoming In verplaatsingskostenvolgens gemeentelijke regeling.Uitvoerige sollicitaties met vermelding vanvolledige personalia, levensloop en referentieste richten tot Burgemeester en Wethouders enin te zenden onder no. H 83 aan de Directeurvan het Gemeentelijk Bureau voor Personeels-voorziening, Burgemeester ds Monchyplein 10te 's-Gravenhage, binnen drie weken na hetverschijnen van dit blad.^v.. .JGEMEENTE HILVERSUMBurgemeester en wethouders van Hilversum roepen sol-licitanten op naar de betrekking van:directeurvan de stedebouwkundige dienstJaarwedde: / 13596, / 16860,-- (excl. a.o.w.- en huur-coimpensatie). Salarisherziening in voorbereiding.Geschreven sollicitaties met vermelding van personaliaen uitvoerige gegevens over opleiding, diploma's, vroegereen huidige werkzaamheden, referenties enz. binnen 14dagen na versohijning van dit blad in te zenden aan deburgemeester.s&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwMaandbladmaart 196243e jaargang no. 3Redactie:Mevrouw Prof. C. W. VisserMe']. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. ]. A. Havens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Prof. Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagW. ScheerensDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. v. d. WeijdeIr. W. WissingDit nummerbevat twee publicaties van stedebouwkundige aard, die beide betrekking hebbenop de stad. Zij demonstreren -- onbedoeld -- dat het Instituut, nu het door dewijziging van zijn naam wil onderstrepen dat de gehele ruimtelijke ordening zijnterrein is, de stad, waar die ordening het eerst tot wasdom kwam, niet vergeet.De eerste bijdrage is een programma voor een vergelijkend onderzoek van centravan steden, met een inleiding en de tekst van een begeleidende brief. Een en anderis de vrucht van samenwerking tussen de Rijksdienst voor het Nationale Plan enhet Instituut. Zoals in de inleiding wordt gememoreerd is een opdracht, waardooreen begin van uitvoering kan warden gegeven aan dit programma, inmiddelsverstrekt. Voor de stedebouwkundige zorg voor de centra van steden, betekentdit dat van nu af aan met ernst wordt gewerkt aan de vulling van een van degrote hiaten, waaronder die zorg lijdt.49De tweede bijdrage vormt het verslag van een besloten studie-conferentie overde problemen van de volgebouwde stad, gehouden door de Bond van NederlandseStedebowwkundigen samen met de Studiegroep voor Planologisch Onderzoek vanhet Instituut. Oak dit is een onderwerp van harde realiteit in het Nederlandvan de jaren 60. De wijze van behandeling is uit de aard der zaak geheel andersdan die van de stadscentra in de eerste bijdrage. Daar ging het om de opstellingvan een wel doordacht programma van onderzoek: hier om een gesprek tussenonderzoekers en ontwerpers, een eerste orientering omtrent een nijpend vraagstuk,dat van groter afmeting is dan de stad zelf en dat in zijn consequenties de stede-houwkundige sfeer ver te buiten gaat. In beide gevallen echter zijn de actualiteiten de urgentie van het behandelde onderwerp groot.De gebruikelijke rubrieken beslaan de rest van dit nummer. De Stedehouwkun-dige Kroniek moest warden uitgesteld tot de volgende aflevering.InhoudEen programma voor een vergelijkendonderzoek van centra van steden . . 51Problemen van de volgebouwde stad . 61Officiele MededelingenNederlands Instituut 71Rijksdienst voor het Nationale Plan . 72StedebouwBoekbespreking 69Summary . 72VolkshuisvestingBuitenland . 70%.Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het Mad kosteloos.50Onderzoek stadscentraEen programma voor een vergelijkend onderzoek van centra van stedenInleidingGedurende de laatste jaren Is geleidelijk het besef gegroeid dat de ruimtelijke enfunctionele structuur van onze steden in de komende decennia aan belangrijkewijzigingen onderhevig zal zijn en dat het dringend nodig is deze ontwikkelingop 'basis van een zo goed mogelijk inzicht in gewenste banen te leiden.In verband hiermee werd bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan een eersteprobleemstelling voor een vergelijkend onderzoek ontworpen, welke op 16december 1959 in de vergadering van de Wetenschappelijke Commissie vandeze dienst werd besproken.Na voortgezette behandeling besloot genoemde commissie in het begin van1960 het onderzoek in beginsel voor uitvoering aan te bevelen, doch tevenste adviseren om vooreerst het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting enStedebouw te verzoeken een werkgroep van deskundigen in te stellen, metals taak nadere bestudering van het concept-probleemstelling teneinde --mede rekening houdend met de eisen van de praktijk -- tot een zo hanteer-baar mogelijke opzet te geraken.Het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw aanvaarddedeze uitnodiging. Het stelde een werkgroep in bestaande uit de volgendepersonen:Drs. H. van der Weyde, voorzitterIr. L. H. J. Angenot, HdDrs. G. J. van den Berg, ,,Ir. C. de Cler, ,,Ir. S. J. van Embden, ,,Drs. R. Kok,Prof. dr. C. S. Kruijt, ,,Drs. R. Mulder, ,,Dr. W. Steigenga, ,,Drs. G. A. Wissink, secretarisDe werkgroep vergaderde voor de eerste maal op 21 juni 1960 en zond, nabeeindiging van haar taak, door tussenkomst van het Instituut, de herziene pro-bleemstelling met een begeleidend schrijven, dd. 27 juni 1961, toe aan de directeurvan de Rijksdienst voor het Nationale Plan.Nadat de nodige voorbereidingen waren getroffen en nadat verdergaandoverleg was geentameerd met de Centrale Directie voor de Volkshuisvestingen de Bouwnijverheid in verband met het bij de studie betrokken aspectvan de volkshuisvesting, werd aan de Stichting Interuniversitair Instituutvoor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek opdracht gegeven tot coordinatievan de uitvoering van een proefonderzoek en van een vergelijkend onder-zoek van functionele plattegronden.Deze onderzoekingen, waaraan tenminste vijf universitaire instituten mee-werken, konden in de laatste maanden vari 1961 een aanvang nemen. Voorhet proefonderzoek werd Utrecht gekozen, terwijl enkele middelgrote stedenom medewerking verzocht werd.51Onderzoek stadscentraTeneinde ook verdere geinteresseerden in de gelegenheid te stellen van detot uitgangspunt gekozen probleemstelling kennis te nemen en tevens omeen eventuele afstemming van plaatselljke onderzoekingen op deze probleem-stelling mogelijk te maken, wordt zij hieronder in extenso opgenomen.De opbouw van het geheel blijkt ult de volgende korte weergave van deInhoud.Hypothetische ukgangspuntenVraagstellingMethodeA. Voorbereidende werkzaamhedenB. Proefonderzoek in ^^n of twee middelgrote stedenC. Keuze van een aantal type-gemeentenD. Vergelijkend onderzoek van de type-gemeenten1. Onderzoek naar de functionele plattegronden2. Nadere analyse van de vestigingsplaatsfactoren3. Onderzoek naar de dynamiek van de centra4. Waardering van het centrum (en de nevencentra) door de mensen,die er werken, wonen en/of gebruik van makenE. Conclusies en mogelijke consequenties voor het stedebouwkundige werk.Aan het programma gaat vooraf -- in enigszins bekorte vorm -- de brief,waarbij het namens de genoemde commissie uit het Instituut aan de Directeurvan de Rijksdienst voor het Nationale Plan werd aangeboden.De Heer Directeur van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan's-Gravenhage's-Gravenhage, 27 juni 1962Namens de Commissie, beiast met een beoor-deling van het Programma Onderzoek Stads-centra, doe ik U hierbij het programma toe-komen, zoals dit is herzien als uitvloeisel vanhaar beraad. Het programma heeft in dezevorm haar instemming, in die zin dat de Com-missie het een goede grondslag acht voor deuitvoering van de beoogde onderzoekingen.Wat de Commissie intussen nog in het bizon-der heeft bezig gehouden, is de vraag of ditprogramma voldoet aan de eisen van de ste-debouwkundige praktijk, d.w.z. of het aanalgemene gegevens voldoende zal opleverenvoor een wetenschappelijk verantwoorde prak-tijk en verder de vraag welke onderzoekin-gen wegens hun belang voor de praktijk prio-riteit verdienen.Daartoe is onderscheid gemaakt tussen tweesicuaties.I. Een gemeente, die voor zijn centrum gc-nerlei stedebouwkundig plan of regaling heeft,maar waarvan het bestuur zich toch bewust isvan de noodzaak om aanvragen tot vergun-?ningen van versclhillende aard en verzoekentot het verkrijgen van medewerking in ver-schillende opzichten van het gemeentebestuurstedebouwkundig te beoordelen en te trachtenal naar de uitkomst van die beoordeling in-vloed uit te oefenen op het object van deaanvragen.52\BliHOOGENLAAGSCHEWIL V.V.NIEUWE telefoonnummers:(01608) 2572 - 2898Vertegenwoordigers:VOORBURG: 0 70 - 854755EIJSDEN: 0 4409 - 355DRUPPELSWATELIJKT DE TUSSENCOPIEVAN UW KAART OP DEORIGINELE CALQUETussen-en rasterkopieen,graveer-en stripmethode,schriftmontage,fotografische werkzaamheden,deelcalques voor kleuren,adviezen inzakedruktechnische problemen.KARTOGRAFISCHPRECISIEWERKafd. Kartografie M.P.S.N.V. Boek, Offset-enSpeciaaldrukkerijenMarchand-Paap-StrookerNewtonstraat 441-463Den HaagTelefoon 070-631977*(vervolg)gemeente , ,enschedeHerhaalde oproepingBij de afdeling Stedebouw, Nieuwbouw en Volkshuisves-ting van de Dienst van Openbare Werken en Volkshuis-vesting kan in de sector stedebouw geplaatst worden eenstedebouwkundig medewerker in de rang vanhoofdingenieurVereist diploma Technisehe Hogeschool Delft, bijvoorkeur voor bouwkundig ingenieur ofdiploma H.B.O. alsmede een meerjarige enzeer ruime ervaring in stedebou-wkundigwerk.Salaris / 1078,81 tot / 1312,51 per maand, de be-kende toelagen inbegrepen.Vakantietoelage 4*'/o, vergoeding krachtensde tijdelijke ziektekostenregeling en even-tueel kindertoelage.Woning enz. Vlotte toewijzing van een woning zal zo-gehuwden veel mogelijk worden bevorderd. Reiskos-ten voor wekelijks gezinsbezoek en ver-huiskosten worden vergoed, vaste vergoe-ding inrichtingskosten 5% van de bezoldi-ging en tegemoetkoming van 90"/o in pen-sionkosten.Aanmelding Uitsluitend schriftelijk met vermeldingletter M bij de afdeling Personeelszakenvan de Gemeentesecretarie. Een sollicita-tieformulier zal daama worden toegezon-den. Reeds ingezonden sollicitaties behoe-ven niet te worden herhaald.Voor GLASN. V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 43-44-45 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALENSPECIAAL INGERICHT voorLANG EN ZWAAR TRANSPORTmet wagens, w.o. met laadvermogen tot 140 ton,hoogte laadvloer 55 cm, of vetsleden.VERHUUR van mobiele kranen met hefvermogen:1 stuks van 70 ton ? ' 1 stuks van 32 ton2 stuks van 26 ton_ 6 stuks van 11 ton2 stuks van 7 tonN.V. v.h. Fa. WILLEM VAN TWIST's-Gravendeelsedijk 57, DORDRECHT, Tel. 3241 (4 lijnen)De Directeur van de Provinciale Planologische Dienst vanNoord-Holland zoektENKELE MEDEWERKERSvoor de afdeling Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek vanzijn dienst.Deze afdeling is belast met het verrichten van onderzoekvoor streekplannen, voor een provinciaal structuurplanen voor het opstellen van algemene richtlijnen ten be-hoeve van uitbreidingsplannen.Vereisten: doctoraal examen in een der sociale weten-schappen (b.v. sociale geografie, economie, sociologie, so-ciale p'sychologie, NL, IV), voorkeur voor het verrichtenvan toegepast wetenschappelijk onderzoek, en bereidheidtot intensief samenspel met coUega's. Enige ervaring ineen soortgelijke functie strekt tot aanbeveling.Geboden wordt een interessante werkkring met mogelijk-heden tot persoonlijke ontplooiing.Voor onderzoekers is een rangenstelsel van wetenschap-pelijke ambtenaren in voorbereiding.Bigenhandig geschreven brieven te richten aan de Direc-teur van de dienst, Zijlweg 245, Haarlem (post Overveen).Inlichtingen bij de chef van de afdeling (telefoon 02500-22090, toestel 349).Gemeente TilburgBij het bedrijf der Publieke Werken kunnen op de afde-ling Stadsontwikkeling worden geplaatst:Mannelijke of vrouwelijke TEKENAARAanstelling naar gelang leeftijd, opleiding en ervaring inde rang vanleerling-tekenaar -- salarisgrenzen / 2.863,92 - / 4.638,--tekenaar 2e klas -- salarisgrenzen / 4.498,56 - / 5.829,12tekenaar le klas -- salarisgrenzen / 5.094,12-/ 6.424,68exclusief huurcompensatie en 4"/o vacantietoeslag en desalarisverbeteringen per 1 januari 1962 (+ 7"/o).In aanmerking komen sollicitanten met ervaring in hetnauwkeurig kaarttekenen.De Gemeente Tilburg is aangesloten bij het I.Z.A.De verplaatsingskostenregeling is van toepassing.Sollicitaties te zenden aan de Directeur van PubliekeWerken, Lange Schijfstraat 66, binnen 10 dagen na hetverschijnen van dit blad.GEMEENTE EINDHOVENBij de dienst van Gemeentewerken kan op de afdelingStedebouween ervaren stedebouwkundige krachtworden geplaatst.Vereist: minimaal stedebouwkundig tekenaar P.N.B.A.Diploma middelbaar stedebouwkundige techniekstrekt tot aar^beveling.Salaris naar gelang ervaring en bekwaamheid t/m / 678.46of / 791.81 te verhogen met ?5*/o salarisverhoging.Voor gegadigden in het foezit van een N.T.S. of daaraangelijkwaarddg diploma, bestaat, na gebleken gesdhiktheid,uitzicht op een salaris t/m / 887,14.Sollicitaties binnen 8 dagen na het verschijnen van dezeoproep te riohten aan !het Hoofd van afdeling Personeels-zaken en Organisatie der Gemeentesecretarie, Stadhuis-plein 1, Eindhoven, onder vermelding van nr. 207.Ondcrzock stadscentraII. Een gemeente, die voor zijn centrum devoorbereiding ter hand neemt van een vol-ledig stedebouwkundig plan, d.w.z. een plan,dat een systeem van bestemmingen omvat endat gei'ntegrcerd is in een structuurplan voorhet gehele grondgebied van dc gemeente c.q.de agglomeratie. Deze situatie beantwoordtaan hetgeen na 1950 in tal van steden tot eenbegin van uitvoering is gekomen dan wel incrnstigc overweging verkeert.Vele gemeenten bevinden zich voorlopig nogin een situatie, die logisch en historisch tussendeze beide moet worden gerangschikt, name-lijk die, waarin fragmentarische stedebouw-kundige regelingen worden voorbereid envastgesteld: bizondere rooilijnen en andere opdoorbraken en straatverbredingen geriohtemaatragelen, saneringsplannen voor krotten-buurten, vcrordeningen ex art. 43 van de Wo-ningwet met conserverende en/of rehabilite-rende strekkimg; Hinderwetverordeningen.Aangezien het volledige stedebouwkundigeplan, als bedoeld onder II naar zijn feitelijkeinhoud dit alles omvat, mag worden aange-nomen, dat een programma van onderzoekin-gen, beantwoordend aan de behoeften, die bijde voorbereiding van een algemeen plan on:-staan, tegelijk zal voldoen aan hetgeen depraktijk in geval van braksigewijze maatrege-len nodig heeft.Situatie IDe aanvragen, waarmee het gemeentebestuurin deze situatie wordt geconfronteerd, betref-fen o.a.;vergunningen voor nieuwe bouw of voor ver-bouwing;vergunningen tot het onttrekken van woon-ruimte aan haar bestemming ten behoeve vanandere doeleinden dan bewoning, in het bi-zonder de vestiging, c.q. de uitbreiding, vanbedrijven;vergunningen voor uitritten ten behoeve vangarages, al dan niet gecombineerd met aan-vragen tot vestiging van benzinepompen opopenbare straat en vergunningen voor uitrit-ten ten behoeve van andere bedrijven;premie voor woningverbetering of -splitsing;financiele medewerking aan woningbouw;uitgifte van grond in erfpacht.Het spreekt vanzelf dat deze aanvragen alszodanig niet kenmerkend zijn voor deze situa-tie. Zij komen ook in situatie II voortdurendvoor, maar daar beschikt het gemeentebestuuurin zijn steddbouwkundige plannen of regelin-gen in voltooide staat of in voorbereidingover een grondslag voor dc beoordeling envoor de bepaling van zijn beleid. Kenmer-kend voor situatie I is de noodzaak van eenincidentele beoordeling van elk geval. Devraag in hoeverre en langs welke wegen hetgemeentebestuur in deze situatie kan bewcrk-stelligen dat de ontwikkel!ng met zijn stede-bouwkundige inzichten strookt kan hier blij-ven rustcn. In vele gevallen zal vergunningop stedebouwkundige gronden niet kunnenworden geweigerd, maar dan kan soms doorminnelijk overleg nog wel lets worden be-reikt.Hoofdpuntcn van beoordeling zullen in dezesituatie zijn:a. de verkeerssoheppende werking van hetobject, waarop een aanvrage betrekking heeft;b. de parkeerbehoefte, die door de verwezen-lijking van het object zal ontstaan;c. de lichttoetreding tot het object zelf en totde omgeving;d. eventuele hinder uit anderen hoofde voorde omgeving;e. de verhouding van de sohaal van het objecttot de omgeving en andere esthetische motie-ven;f. de vestigingsvoordelen van het object.Men kan zich over deze kwesties orienterendoor een op het incidentele geval gericht on-derzoek, maar het oordeel zal sneller kunnenworden gevormd en beter gefundeerd zijn, alsbeschikt kan worden oiver het resultaat vanalgemene onderzoekimgen omtrent:a. de verkeerscheppende werking van de be-langrijkste categorieen van objecten;b. de parkeerbehoefte in verband hiermede;c. de normen voor lichttoetreding;d. de relaties tussen de bedoelde categorieenvan objecten in geval van onderlinge nabij-heid (bevorderend, belemmerend of indiffe-rent);e. het esthetisch effect van overeenkomst enverschil in schaal en in andere esthetisch re-levante eigenschappen van de bebouwing;f. de vestigingseisen van de belangrijkstc ca-tegorieen van objecten, met name de voorde-len (mede gelet op de grondprijzen) van vesti-ging in het centrum, resp. in bepaaldc delendaarvan.Situatie IIWanneer een gemeentebestuur overgaat tot devoorbereiding van een volledig stedebouwkun-dig plan voor het centrale deel van de stad,in het verband van het structuurplan voor degehele gemeente, zal het voldocnde kennismoeten bezitten om te kunnen komen tot eendoelmatige keuze en een doelmatige omschrij-ving van de bestemmingen, tot een doelmatigstelsel van verkeerswegen en een goede com-positie.Deze kennis zal deels alleen door lokale on-derzoekingen te verkrijgen zijn, maar zal vooreen ander deel moeten berusten op algemeneonderzoekingen. Wanneer hier de waarde vanalgemene onderzoekingen als grondslag voorde stedebouwkundige plannen voor centralestadsdelen wordt onderstreept, betekent ditniet dat de gemeentebesturen met handelenzouden moeten wachten tot het resultaat vanveelomvattend onderzoekwerk bekcnd is. Zijzullen veelal niet kunnen wachten en zij zullenvaak aan een meet globale dan wel op zuiverlokaal onderzoek berustende kennis voorlopiggenoeg hebben om een verantwoord beleid tekunnen voeren. Het gaat er hier alleen omvast te stellen welke algemene onderzoekingenin dit verband voor de stedebouwkundigepraktijk van betckenis kunnen zijn.Als zodanig komen vooral de volgende inaanmerking.a) Onderzoekingen omtrent de vestigingseisenvan de belangrijkstc stedebouwkundige ele-menten. Hierbij zal ook acht moeten wordengageven op de specifieke eisen ten aanzien van53Onderzoek stadscentraallerlei in stedebouwkundig opzicht relevantefactoren, 'bijv. de perceelsgrootte, de hoogtevan de bebouwing, de omgeving, de toetganke-lijkheid voor het verkeer c.d.m.Bij deze onderzoekingen zal het accent moe-ten vallen op de dynamiek en op de vraag ofbepaalde elementen in afwijking van het tra-ditionele vestigingspatroon buiten de centralestadsdelen ondergebracht kunnen worden.b) Een kwantitatieve benadering van de ter-reinbehoefte (c.q. de gevellengte) van dezeelementen, eveneens met de nadruk op hetdynamische en op de kans op deviaties tenaanzien van de prognose (dit laatste met hetoog op de bepaling van de mate van soepel-heid in de bestemmingen, in het bizonder inveriband met het realiseringstempo).c) Onderzoekingen omtrent de verkeerschep-pende werking en de parkeerbehoefte van demeergenoemde elementen.d) Onderzoekingen betreffende het verbandtussen (verwachte) grondprijzen in de centralestadsdelen en het vestigingspatroon.e) Onderzoekingen omtrent de grootte envorm van de city als geheel in verband metgrootte en vorm van de nederzetting en vande op de city georienteerde streek.f) Een studie van het verkeer in de city inzijn totaliteit, met een kritische waardering, opempirische grondslag, van de doelmatigheidvan diverse wegenstelsels en venkeersoplossin-gen).g) Een studie omtrent de voorzieningen in decentrale stadsdelen, met een kwantitatieve be-nadering van de normen, die hierbij in aahtmoeten worden genomen (recreatie, openbarediensten e.d.).h) Een studie inzake bebouwingsdichtheid,blokvormen en andere eenheden van bebou-wing, situering van blokken, bouwstroken e.d.in de centrale stadsdelen.i) Een empirische studie inzake de kwaliteitvan bepaalde composities, bijv. met betrekkingtot winkelcentra, culturele centra, vermaak-centra enz.j) Onderzoekingen betreffende de functie vande city als ,,ontmoetingspunt" en de hieruitvoortvloeiende eisen.k) Onderzoekingen inzake het sociaal-econo-mische effect en de financiele mogelijkhedentot realisering van stedebouwkundige recon-structieplannen.De Commissie meent te kunnen vaststellen dathet programma over het algemeen de hier op-gesorode onderzoekingen omvat en dus ookaan de behoeften van de stedebouwkundigepraktijk kan beantwoorden. Enkele onderzoe-kingen, waarvoor dit niet geldt -- inzakelichttoetreding, esthetische kwesties, technischeverkeerskwesties en economische aspecten vanreconstructieplannen -- kunnen in dit kadermoeilijk worden opgenomen. De Commissiebeveelt een en ander intussen zeer in de aan-dacht aan.Tenslotte hebben, zoals mede uit het vooraf-gaande blijkt, de volgende onderzoekingen uitpraktisch oogpunt de hoogste urgentie:a) onderzoekingen betreffende het verkeer;b) de vestigingseisen van de belangrijkste ste-debouwkundige elementen.De Commissie geeft uiting aan de verwach-ting dat met die urgentie bij de uitvoering vanhet geheel van onderzoekingen ten voile re-kening zal worden gehouden. Zij hoopt datin het algemeen bij de uitvoering van het on-derzoek de eisen van de stedebouwkundigepraktijk in ruime mate als richtsnoer zuUenworden aanvaard en dat beslissingen omtrentde prioriteit van bepaalde onderdelen, om-trent de nadere omschrijving van doel en aardvan de onderdelen van het onderzoek en om-trent eventuele beperking van het programmavooral hierdoor zullen worden bepaald.Hoogachtend,w.g. H. van der WeydeSecretaris-DirecteurProgrammaHypothetische uitgangspuntenDe grotere steden van onze tijd keomerkenzich door hun veelzijdigheid van functies. De-ze differentiatie gaat gepaard met functionelespecialisatie van de ruimtelijke onderdelen.Een gevolg hiervan is uiteraard dat tevens eenruimtelijke segregatie van functies optreedt.We kennen aldus woongebieden, industriegebie-den, verkeersgebieden, winkelcentra etc. enbinnen deze grote ruimtelijke en functionelecategorieen kunnen nog weer fijnere onder-scheidingen worden aangebracht.Een agglomeratie zou evenwel nooit eenfunctionerend geheel kunnen vormen, indienal deze ruimtelijk gescheiden functies niet ineen of meer minder goed gei'ntegreerd verbandwaren samen gebleven. Door deze integratieverheft zich niet alleen het totaal van defunctionele onderdelen tot een functioneleeenheid van een hogere orde, doch ontstaat(of beter: handhaaft zich) ook een ruimte-lijke structuur. Het op elkaar afgestemd zijnvan differentiatie en integratie bepaalt dushet voortbestaan en de evolutie der structuur.De voornaamste voorwaarden voor een goedeintegratie en voor het voortbestaan van eensamenhangende structuur zijo:1. Een zo efficient mogelijke ruimtelijke sprei-ding, zodat elementen welke elkaars nabijheidbehoeven zo goed mogelijk ten opzichte vanelkaar gesitueerd zijn.(Ook het omgekeerde geldt, d.w.z. bepaaldeelementen verdragen elkaars nabijheid niet ofmoeilijk. Er zijn wat een en ander betreft or-denende principes werkzaam.)2. Zo goed mogelijke verbindingen tussen deonderdelen.Tot dusverre blijkt zich echter in onze stedenbinnen het geintegreerde geheel een gebied tehandhaven, dat zich zo op het eerste gezichtkenmerkt door een grote heterogeniteit. Door-gaans is dit het gebied, dat dank zij zijn lig-ging of dank zij het historische ontwikkelings-54Onderzoek stadscentraproces igeworden is tot de ontmoetingsplaatsbij uitstek voor de bewoners van de stad (envan de omgeving). Dit impliceert meestal --en zeker alchans aanvankelijk -- dat het, vannature en (of) door menselijk ingrijpen, vanalle delen van de stad (agglomeratie) de bestebereikbaarheid bezit, gemiddeld en gemetenten opzichte van aille bewoners van die stad.Hier groeperen zich dan ook o.a. die functies,welke zijn aangewezen op een zo goed moge-lijke bereikbaarheid voor cen zo groot nioge-lijk aantal mensen, alsmede een aantal aandeze functies complementaire elementen. Ookvindt men er elementen, vi^elke een controle-rende of besturende taak hebben, ofwel defunctie van symbool vervullen, ten opzichtevan de hele stad (agglomeratie). Al dezefuncties accentueren op hun beurt de functievan het igebied als ontmoetingsplaats. Ondanksalle diversiteit ontstaat er aldus toch eenruimtelijk gegeven, dat zichzelf tot op zekerehoogte als een eenheid aan ons manifesteert enwaarin tevens de eenheid van de stad als ge-heel het duidelijkst tot uitdrukking komt.Meestal ligt het bedoelde gebied vrij centraalin het stadslichaam, ai kunnen er in het groei-proces van de stad ontwikkelingen zijn opge-tredcn, welke een ietwat excentrische liggingin de hand hebben gewerkt. Een dergelijkeexcentrische ligging ikan ook zijn bevorderddoor natuurlijke factoren (bijv. de aanwezig-heid van een rivier).Is er eenmaal op een bepaalde plaats eencentrum gegroeid, dan doen zich nog wel kleineverplaatsingen voor, maar de ligging is dantoch meestal vrij sterk ibepaald door de op ditpunt convergerende verbindingslijnen en door-dat een bestaande structuur, bestaande inves-teringen en een bestaande traditie niet ge-makkelijk ongedaan zijn te maken.De omvang van het centrum is vrij beperkt,omdat een hoge mate van concentratie voorhet doelmatig functioneren ervan zeer belang-rijk is. Binnen het centrum zelf blijken name-lijk de afstanden, welke voetgangers bereidzijn af te leggen, nog zeer sterk de schaal tebepalen.Is er dus van specialisering in de eerderge-noemde zin (van beperking tot een economi-sche functie) geen sprake, toch is er wel ter-dege een principe aan te geven, dat de zeergedifferentieerde inhoud samenbindt. De grotecontactmogelijkheden en de ibrede vergelij-kingsmogelijkheden, de fleur van de diversiteiten heel het bonte schouwspel maken het cen-trum tot een geheel met een eigen karakter.Allen die zich tot een dergelijk milieu voelenaangetrokken en alle functies, welke op ditmilieu zijn aangewezen komen hier tezamen enaccentueren het milieu. Het zijn dus de eigen-schappen van een in de historie gegroeid enop uitwisseling en ontmoeting gebaseerd mi-lieu, welke het samenbindende principe vanhet centrum vormen. Deze eigenschappen lei-den tot massale opeenhoping en vereisen eengemakkelijke bereikbaarheid.Ondanks de grote vcrscheidenheid van func-ties is er in het stadscentrum toch in de ruim-telijke rangschikking dier functies een zekereorde te onderkennen. Daardoor vertoont hetcentrum een meer of minder duidelijke, opintegratie berustende ruimtelijke structuur envormt het tot op zekere hoogte zelfs een ruim-telijke eenheid binnen het grotere verband vande stad. (Het is echter niet alleen zelf ge-integreerd in de istad als geheel, doch treedt,naar het voorkomt, daarin tevens op als hetelement dat de integratie leidt en bevordert.)De bedoelde ruimtelijke structuur berust opsamenballing en rangschikking.Het is genoegzaam bekend welke elementenzoal in het stadscentrum voorkomen ^). Dezeelementen zijn niet alleen heterogeen wat hunfuncties betreft, doch zij stellen ook uiteen-lopende eisen aan hun vestigingsplaats. Erzijn echter categorieen van elementen te on-derscheiden met binnen elke categorie min ofmeer overeenkomstige vestigingsplaatseisen.Deze overeenkomst in vestigingsplaatseisen(bijvoorbeeld gemeenschappelijke afhankelijk-heid van een groot passantenverkeer) kan lei-den tot samenballing. Samenballing kan even-wel ook een vestigingsplaatsfactor vormen inverband met eisen van toelevering (comple-mentariteit) of frequente uitwisseling en veel-vuldig contact, terwijl ook een verwachte we-derzijdse stimulering een rol kan spelen.Daarenboven echter vindt er nog een rang-schikking van de al dan niet reeds ruimtelijkgegroepeerde functies plaats. Enerzijds berustdeze rangschikking op de grote variatie in devestigingsplaatseisen, welke bijvooribeeld uit-eenlopen van een grote nadruk op exclusiviteit(bij gegeven behoorlijke bereikbaarheid) tot zogroot mogelijke inclusiviteit (hetgeen meestaleen zeer hoge mate van bereikbaarheid ver-onderstelt). Anderzijds berust zij op een con-currentiestrijd om de vestigingsplaatsen binneneen min of meer gegeven plattegrond in welkestrijd het concurrentievermogen in de zin vanrentabiliteit per oppervlakte-eenheid een gro-te rol speelt.De gegeven stadspkttegrond, de verbindings-lijnen, de functioneel-ruimtelijke structuur vande stad als geheel en de macrovorm van destad bepalen in hoge mate de kwaliteiten vande onderscheiden vestigingsplaatsen binnen hetcentrum en op dit patroon van vestigings-plaatsen wordt door samenballing en rang-schikking een ruimtelijke structuur ,,gebor-duurd".In het centrum treden echter voortdurendfunctie- en interne structuurwijzigingen op enook vindt vaak horizontale of verticale uit-dijing plaats. Deze veranderingen hangennauw samen met dynamische elementen uit detotale maatschappelijke context, zoalsBevolkingsgroeiSociale structuurveranderingenWijzigingen in de levensstandaardVeranderingen in houdingen, waarden, nor-men en doelstellingenTechnologische ontwikkelingenEconomische structuurwijzigingenOrganisatorische ontwikkelingen1) Straten, pleinen, winkels, administratiekan-toren, banken, dienstverlenende bedrijven, in-stellingen van bestunr, sociale en medischezorg, kerken, scholen, hotels, restaurants e.d.,groothandel, pakhuizen, bodehuizen, bepaaldesoorten, nijverheid, woningen, verkeer, par-keerplaatsen. De indeling is willekeurig.55Onderzoek stadscentraOntwikkelinig van stedebouwkundlge inzich-tenStedebouwkundlge voorzieningenSanering.Het is niet denkbeeldig dat de huidige ont-wikkelinig als geheel o.a. leidt tot een zekeremate van specialisatie -- of althans van in-perking van bepaalde functies -- van hetcentrum (bijv. verdere ontvolking, wegtrekkenvan bepaalde soorten detailhandelsbedrijven),zowel als tot verdere ruimtelijke specialisatievan de verschillende delen binnen het cen-trum.Het is evenmin denkbeeldig dat het centrumin bepaalde opzichten aan relatieve betekeniszal inboeten ten gevolge van een proces vansubcentralisatie, al is het niet waarsohijnlijkdat in ons land het stadscentrum spoedig zijndominante positie binnen de stad als geheelzal verliezen.Speciaal wat de ontwikkelingstendenties be-treft, wordt er op grond van te verwachtenalgemeenheid van vele der genoemde dyna-mische elementen binnen de totale maatschap-pelijke context, van uitgegaan dat er een be-langrijke mate van overeenkomst zal bestaantussen de centra van vele steden in ons land.Dit uitgangspunt heeft ertoe geleld een meeralgemene studle voor te stellen.Anderzijds heeft de studie een vergelijkenden naar typen zoekend karakter, omdat ervanwordt uitgegaan dat de functies, de betekenisen de ruimtelijke configuratie van het cen-trum toch voor verschillende steden in be-paalde opzichten belangrijk ulteenlopen ^).Als de meest tot type-vorming aanleiding ge-vende elementen zijn daarbij gedacht: de ma-crovorm (inch de grootte); de bestaande in-terne ruimtelijke structuur; de huidige ontwik-kelingstendenties van bevolking en ruimtelijkestructuur; de economische structuur. Natuur-lijk laat zich de aanwezige verscheidenheidnooit geheel in categorieen dwlngen. Eenander belangrijk uitgangspunt wordt dan ookgevormd door de erkenning van het uiteinde-lijk individuele karakter van de geografischestructuur, en ten dele zelfs van de functies.van elk afzonderlijk centrum. Dit neemt nietweg dat de onderhavige studie toch een ach-tergrond kan verschaffen, weike blj de naderebestuderlng van elk individueel centrum vangrote waarde zal blijken te zijn, omdat erspeciaal in de functies en wat betreft de aardvan de krachten welke de ontwikkeling be-palen een grote mate van overeenkomstigheidzal blijken te bestaan.VraagstellingIn onze huidige tijd leveren de centra watbetreft hun functloneren tal van problemenop. Zij zijn veelal het produkt van een ,,na-tuurlljke" groei gedurende een korter of lan-ger verleden, hetgeen o.a. een ,,hlstorische"combinatie van verschillende elementen in-houdt. De ingrepen, welke zijn gedaan, dien-den meestal om een lanigzamerhand onhoud-baar geworden toestand te verllchten (door-braken, dempingen, enz.). Er is nog weinigtot stand gekomen wat getuigt van op eendiepgaand inzicht ;in het object en zijn bete-kenis gebaseerde, creatleve planning. De nood-zaak daarvan dient zich thans, onder de drukvan de omstandigheden en dank zij een gaan-deweg groeiend bewustzijn van de urgentievan deze zaak, dringend aan. Bovendien moe-ten thans meer dan ooit op keuze gebaseerdebeslisslngen genomen worden, in verband metde vele tegenstrijdige belangen, welke zich inde dynamlsche maatschappelijke context aan-dienen.De druk en de urgentie zijn er aldus mede,omdat functie en betekenis -- en daarmee hunexponenten -- in de tijd aan veranderingenonderhevlg zijn. Vooral in onze tijd, nu desteden sterk groelen, nu grote agglomeratiesen nieuwe kernen -- al dan niet in agglome-ratleverband -- worden gevormd of sterkuitdijen, nu het persoonlijke vervoer zich re-volutionair ontwlkkelt en aanzienlijke techni-sche en structurele wijzigingen zich voordoenin de handel en in de dlenstensector, is hetzaak aandacht te schenken aan de daarmeeverbonden ontwikkelingstendenties van destadscentra.Nu zijn de tijden in zoverre rijp, dat welllchtin een niet te ver verwijderde toekomst grotemogelijkheden zullen worden geboden voor debedoelde creatleve planning en voor dezeaanpasslng aan de eisen van een nieuwe tijd.De toenemende noodzaak van grootscheepisesanering van blnnensteden, waar tot dusverretal van onroerende en doorgaans vrijwel niette verroeren physieke elementen de aanpas-slng hebben verhinderd, opent het perspectiefop dergelijke mogelijikheden, de noodzaak cen-tra te scheppen voor nieuwe en uit te breidensteden en snel groelende, tot voor kort onbe-tekenendc, kernen eveneens.In samenhang met problemen als functiewijzi-gingen tengevolge van veramderende tijden ofsneHe groei, sanering en krotoprulming zijnvoorts te noemen het verkeers- en parkeer-vraagstuk, de stadsreconstructle in verbandmet een onhoudbaar geworden ruimtelijkestructuur en het probleem van de behandelingvan -- en voor zover te behouden: de zln-gevlng aan -- historische elementen en stedc-schoon. Al deze problemen hangen nauwsamen.^) De aard en de omvang van de voorzie-ningen worden bijvoorbeeld in belangrijke ma-te bepaald door (ten dele zelf weer samen-hangende) factoren als omvang en structuurvan de stad en van het eventuele externe ver-zorgingsgebled, de aard van de bevolking, derelaties met andere (kleinere, gelijkwaardigeof grotere) centra, het historische ontwikke-llnksproces en de eventuele fase-verschillen(achterstand c.q. voorsprong) tussen het hui-dige niveau der voorzieningen en de manifesteen (of) latente behoeften van de stad en om-ringend gebied. De ruimtelijke configuratievan de aanwezige elementen, zoals deze opeen zeker tijdstip in de centra -- ingebed alsdeze zijn in de gegeven stadsplattegrond --woidt aangetroffen, hangt weer ten nauwsteiamen eveneens met grootte en structuur vanstad en omrinigend gebied, maar ook met derelaties tussen de elementen, de historischeontwikkeling van de stadsplattegrond en debetekenis, welke de plaatselijke bevolking aande sltuering en de onderlimge verhouding tus-sen de elementen hecht. Het valt overlgensaan te nemen dat er thans in vele centra te-vens van een belangrijke en wisselende matevan ,,onaangepastheid" aan de eisen van onzetijd sprake is. (Een belangrijk deel van dezepunten vindt men vermeld in het rapport overHoorn van de Provinclale Planologische Dienstvoor Noordholland.)56Ondcrzoek stadscentraEr wordt zoals gezogd van uitgegaan, dat ereen aantal punten van fundamentele overeen-komst zijn tussen de centra in versc'hillendesteden, doch dat bij alle fundamentele over-eenkomst de functie en de betekenis van hetcentrum en de daarbij passende ruimtelijkevormen toch voor verschillende steden in be-paaldc opzichten bclangrijk uiteenlopen.Een onderzoek dat mede als basis moet dicnenvoor het ordenend en scheppend handelen,zal dus -- liocwcl allereerst gericht op defundamentele (overeenkomstigc) functie enbetekenis van de centra -- tevens moeten in-gaan op de uiteenlopende type-situaties, dietot een uiteenlopende aanpak zouden kunnennoden. De elemcnten, welke geacht wordenhet mecst tot type-vorming aanleiding te ge-ven, werden hiervoor reeds genoemd.Hocwel het onderzoek uiteraard gericht moetzijn op het aangeven van een richting voor deoplossing van de eerdergenoemde vraagstuk-ken, zal deze oplossing niet op grond vanincidentele en gei'soleerdc beschouwing van elkprobleem op zichzclf zijn te leveren. Het me-ten van gebreken -- hoe belangrijk ook --is niet voldoendc als basis voor sanering! Alleoplossingen zijn alleen werkelijke oplossingen,wanneer zij rekening houden met het brederevcrband van functies en betekenis, van decentra en hun onderdelen, voor degenen dieer gebruik van maken, alsmede met de dyna-miek daarin. Een fundamenteel onderzoeknaar de gehele configuratie van het centrumbinnen het stadsgeheel is derhalve noodzake-lijk.Een grondig inzlcht ten bchoeve van de plan-ning is niet alleen nodig met betrekking tothet hoofdcentrum. Inhoud en functie daarvanen de wijzigingen hierin hebben immers hunweerslag op het gehele organisatorische enruimtelijk-functionele nctwerk van een stad.In de Verenigde Staten met name zijn onderinvloed van tal van factoren de nevencentrain aantal en betekenis gegroeid, terwijl tege-lijkertijd een toenemende specialisatie van hethoofdcentrum valt waar te nemen. Het isvan groot bclang soortgelijke of andere ten-demies ook voor Nederland na te gaan. Ruim-telijke vormgeving en indeling van onze steden-- als fbei'nvloeding van de voortgaande spon-tane geografische differentiatic binnen hetkader der integratiemogelijkheden -- hangener ten nauwste mee samen.De volgende vragen komen dus naar voren:1. Welke is de matericle inhoud van dehoofd- en nevencentra in steden van verschil-lende macrovorm, grootte, economische enruimtelijke structuur, groeisnelheid bevoilkingen ontwikkelingstendenties van de ruimtelijkestructuur, hoe is die inhoud naar zijn verschil-lende onderdelen ruimtelijk gedifferentieerd engegroepeerd?2. Hoe functionercn deze centra en hun on-derdelen en waarom op deze wijze en in dezeruimtelijke vormen; welke is de relatic tot destad als geheel, welk is het opgeroepen ver-ikeer?3. WeMce betckenissen hebben de centra enhun onderdelen voor de stadsbewoner resp.voor mensen van elders?4. Welke verschuivingstendenties naar in-houd, functie en betekenis neemt men waaren waarop berusten deze?5. Welke zijn de consequentiies voor de stede-bouwkundige vormgeving van hoofd- en ne-vencentra en van de stad als geheel?Daarbij speciaal ook de aandacht te richtenop:-- verkeers- en parkeervraagstukken-- stadsreconstructie-- snelle uitbreiding-- aanpassing aan functiewijziging o.a. tengevolge van voortschrijdende technische e.a.ontwikkeling-- behandeling van en zingeving aan histori-sche elementen en stedeschoon-- sanering en krotopruiming.Het onderzoek moet aldus dienen tot basisvoor ingrijpen in de gegroeide en groeiendebestaande constellaties en voor het schcppenvan geheel nieuwe. Het moet inzichten leve-ren, waarop het handelen gebaseerd kan wor-den. Het zal dus niet alleen moeten nagaanhoe de zaken staan (statisch) en hoe ze zichthans ontwi'kkelen (dynamisch), maar ookwelke toekomstige ontwikkelingstendenties opruimtelijk, sociaal, economisch, cultureel entechnologisch gebied zijn te verwachten.MethodeEen goede en betrekkelijk volledige inventa-risatie van de materiele inhoud, van de groe-pering en ruimtelijke verdeling van de func-ties en van de wijze van functionercn wordtonmisbaar geacht. Het is een gelukkige om-standigheid dat in verschillende steden der-gelijke inventarisaties reeds -- althans gedeel-telijk -- zijn gemaakt. Mogelijk zal van dezevoorhanden gegevens geprofitcerd kunnenworden.Een punt van groot belang met betrekkingtot de navolgendc ontvouwing van de voorlo-pig voorgestelde methode is, dat een proef-onderzoek in een of twee steden zal moetenplaatsvinden om de methode te concretisercnen op zijn bruikbaarheid te toetsen, teneindezodoende te komen tot de meest efficiente enbeste werkwijze voor het daarna volgendevergelijkende onderzoek van een groter aantalsteden.Tevens zal het noodzakelijk zijn het onder-zoek te splitsen in een aantal deelonderzoe-kingen. Als geheel iis het te omvangrijk om ineen project te passen. Toch zal bij geen enkeldeelonderzoek het verband met het geheel uithet oog verloren mogen worden. Vandaar dataan het begin enkele deelonderzoekingen wor-den geplaatst, die een eerste inzicht kunnengeven in het geheel.Vooropgesteld dient vcrder nog te wordendat in sterke mate op de igenetische en dyna-mische aspecten acht geslagen zal moetenworden. Dit impliceert dat de processen, ende bepalende factoren daarin, sterk in de aan-dacht zullen moeten staan.Voorlopig kan men zich de volgende gangvan zaken voorstellen:A. Voorbereidende werkzaamheden1. Literatuurstudie, al dan niet in directe aan-sluiting aan de uit te vocren deelonderzoe-kingen.2. Inventarisatie van de in verschillende Ne-57Onderzoek stadscentraderlandse steden reeds verrichte onderzoekin-gen en verzamelde gegevens.Op deze beide punten zal een nadere defi-niering van de uicgangspunten en -- voor zo-ver nodig -- een meer doelgerichte opzet vanhet onderzoek gebaseerd moeten worden.B. Proejonderzoek in een of twee middel-grote stedenHiervoor moeten Jiefst steden worden geko-zen, waar reeds vrij veel onderzoek is gedaanen materiaal is verzameld en welke tevensals type voorlopig het meest geschikit wordengeacht met het oog op het verdere onderzoek.De methode zal ongeveer gelijk moeten zijnaan de voorlopige werkmethode voor het on-der D te besprcken vergelijkende onderzoekvan een groter aantai steden, behalve dat aan-zienlijke ruimte zal moeten worden gelatenvoor ,,trial and error". Zo zal nader naarvoren moeten komen, welke concrete gegevenste verkrijgen zijn en van het meeste belanggeacht moeten worden en tevens op welkepunten correctie van de voorlopig voorgestel-de onderzoeksopzet nodig zal zijn.Gegeven het voorgaande zal het proefonder-zoek globaal de volgende (onder D nader uit-gewerkte) fasen doorlopen:1. Bestudering van de functionele plattegrondnaar hoofdgroepen van functies en naar eenbeperkt aantai kenmerken. Eventueel verge-lijking van de huidigie functionele plattegrondmet een van ongeveer 25 jaar geleden.2. Nadere analyse van de hoofdgroepen, als-mede van de onderdelen, waaruit ze zijn op-gebouwd, door middel van verzameling enbewerking van statistische gegevens en doormiddel van veldwerk (waarneming, verderemateriaalvcrzameling, detailkartering, inter-viiewB met ondernemers en zakenlieden) in hetcentrum.3. Analyse (historisch) van de dynamiek vande ihoofdgroepen en hun onderdelen alsmedevan de centra als geheel.4. Beschouwing van het centrum in het lichtvan de waardering door de mensen, die erwerken, wonen en/of gebruik van maken.C. Keuze van een aantai type-gemeentena. Naar macro-vorm van de stad (incl. degrootte).b. Naar interne ruimtelijke structuur en hui-dige ontwiikkelingstendenties van ruimtelijkestructuur en bevolking (o.a. oud of nieuwcentrum, statisch of dynamisch centrum, metof zonder duidelijk hoofdcentrum).c. Naar economische structuur.d. Naar reeds uitgevoerde onderzoekingen enaanwezig materiaal.Hoewel d. zeker niet het belangrijkste crite-rium mag zijn, zal hiermee toch tevens reke-ning moeten worden gehouden. Het mag even-wel niiet leiden tot verwaarlozing van bepaal-de typen, indien dit ernstig afbreuk zou doenaan de waarde van het onderzoek. Beperkingvan het aantai type-gemeenten kan wordengezocht naar de mate van hun vooAomen,alsmede door gemeenten te kiezen welke be-paalde combinaties van uiteenlopende kenmer-ken vertonen.D. Vergelijkend onderzoek van de type-ge-meentenHet nu volgende werkschema moet als voor-lopig worden gekenschetst. Na uitvoening vande voorbereidende werkzaamheden en van hetproefonderzoek zal nader moeten worden be-zien of een sectorsgewijze aanpak en het aan-geven van prioriteiten mogelijk en gewenstzijn. Voorshands lijkt het zeer wel mogelijkdat bijvooiHbeeld een onderzoek naar de ver-keers- en parkeerproblemen in relatie tot dediverse bestemmingen en functies, met hunverkeersscheppende en parkeerbelioeften op-roepende werking, als eerste aan de orde zalkunnen komen.1. Onderzoek naar de functionele plattegron-den van hoofd- en nevencentra naar hoofd-groepen van functies (incl. wonen en ver-keer) en oaar een beperkt aantai kenmerken.Het doel van dit onderzoek is een eerste to-taal-indruk te verkrijgen van inhoud, omvang,begrenzing en ruimtelijke structuur van decentra en nevencentra.Wei'khypothesen kunnen zijn:a. Er bestaat een onderlinge samenhang tus-sen verschillende elementen van het centrum(de nevencentra), hetzij dat deze functioneelIS bepaald (bijv. door complementariteit), het-zij op overeenkomstige vestigingsplaatseisen isgelbaseerd. De concurrentiestrijd om de vesti-gingsplaatsen schept een bepaalde rangschik-king;b. Door deze onderlinge samenhang en dezerangschikking ontstaat (handhaaft zich) eenruimtelijke structuur; voorts treden er -- dy-namisch gezien -- min of meer algemene ver-schuivings- en ontwikkelingsprocessen op;c. Deze structuur en rangschikking laten zichmet behulp van een categorische indeling, opgrond van door literatuurstudie en door devoorafgaande proefonderzoekingen nader tebepalen criteria, beschrijven, alsmede inzich-telijk en begrijpelijk maken.Op de volgende vragen wordit dus een eerste(globaal) antwoord verwacht: 1) Hoe is hetcentrum gegroeid; welke factoren hebben mee-gespeeld; 2) Welke ruimtelijke structuur (in-houd, omvang en begrenzing is thans totstand gekomen (regelmatigheden in de rang-schikking, invloed van de omvang van hetverzorgingsrayon buiten de stad op omvangen inhoud van het centrum, enz.); 3) Welkeontwikkelingstendenities, naar type-gemeenten,kunnen worden onderscheiden.Daartoe dient plaats te vinden:a. Voorlopige indeling naar hoofdgroepen. Dete hanteren criteria voor de indeling moetenbepaald worden aan de hand van literatuur,indelingen op bestaande functionele platte-gronden en theoretische doordenking.b. Uitgebreide kartering van alle soorten be-drijven en meer definitieve samenvatting hier-van tot hoofdgroepen, op grond van de glo-baal geconstateerde kenmerken wat betreftbijv.: aantai, ligging, spreiding en samenbal-ling, terreingebruik, grondprijs, aantai werkne-mers, aard panden (toestand, ouderdom, hoog-te), aard en frequentie contacten met welksoort publiek, visueel effect, eisen aan de om-geving (type straten e.d.), eigendomsverhou-dingen, verkeers- en parkeerintensiteit. Een en58Onderzoek stadscentraander voor de verschillende bouwlaigen (nade-re bepaling van de te signaleren kenmerkendient te geschieden tijdens het proefonder-zoek). Gedacht wordt aan een basiskaart,waarop de eerste vier kenmenken (t/m terrein-gebruik) staan aaragegeven. De overige ken-merken worden dan op overliggende doorzich-tige bladen ingetekend.c. Zo mogelijk vergelijking met cen functio-nele plattegrond van ongeveer 25 Jaar gele-den.d. Voorlopige karakteristiek van de hoofd-groepen van centrumfuncties op grond van degeconstatcerde kenmerken.Dk eerste inzioht in de ruimtelijke structuuren de funotionele structuur is nodig om dehierna volgende verdergaande onderzoekingenbeter te kiannen plaatsen.2. Nadere analyse van de vestigingsplaatsfac-toren voor de hoofdgroepen, alsmede voor deonderdelen, waaruit ze zijn opgebouwd.Verondcrsteld wordt dat, nicttegenstaande al-le mogelijke lindividuele afwijkingen, de ver-schillende bedrijven in hun vestiigingsplaats-keuze toch reageren op een aantal meer ofminder objectief vast te stellen vestigings-plaatsfactoren van economische, sociaal-econo-mische, sociale, sociaal-psyc'hologische en an-dere aard. De onderhavige analyse moet leidentot een nadere bepaling van deze vestigings-plaatsfactoren en van hun betekenis en uitwer-king voor onderscheiden bedrijven. Zij moetgezien worden vanuit de bedrijven en instel-lingen. Daarnaast dienen ook het verkeer, hetparkcren en het wonen in dit vcrband nader teworden geanalyseerd. Naderhand komt (onderpunt 4) aan de orde welke waarde de stede-lingen als zodanig -- gedifferentieerd naargroepen -- aan de centra en hun verschillendefunctiies hechten.Het onderzoek omvat verzameling en bewer-king van de desbetreffende statistische gege-vcns en veldwerk (bestaande uit waarneming,verdere materiaalverzameling en interviewsmet geselecteerde ondernemers, zakenliedenetc.). Tevens zal gebruik gemaakt kunnenworden van het materiaal verkregen bij dekartering onder punt 1.De meer definitieve bepaling van de beno-digde en te verkrijgen gegevens moet plaats-vinden aan de hand van de literatuurstudie envan het proefonderzoek.I. De van invloed zijnde vestigingsplaatsfac-toren voor de bedrijven en instellingen zijnvoorlopig te rubriceren in;a. Bedrijfseconomisohe factoren (factoren bijv.samenhangend met aard verkochte goederen,frequentie van de verkoop, verkoopproces,omzet per eenhaid van vloeroppervlak of ge-velbreedte, rentabiliteit per oppervlakte-een-heid en in verband daarmee de grondprijzen,type transacties, herkomst goederen en hulp-diensten e.d.).b. Sociaal-economisclie factoren (factoren bijv.samenhangend met aard en frequentie van decontacten met klanten, type klanten, afhan-kelijkheid van comparison shopping, eisen vanwefknemers ten aanzien van werkmilieu enwerksfeer e.d.).c. Sociiale en sociaal-psychologische factoren(factoren als bijv. afhankelijkheid van standof publiciteit, van een gemakkelijke inloop,van een ,,gezellige drukte" e.d., betekenis vanbepaalde ruimtelijke composlties).d. Overige factoren (factoren als invloed open eisen aan de directe en wijdere omgefvang-- parkeerbehoefte, totale behoefte aan terreinen aan gevelbreedte, straatbeeld, eventuelehinder etc. -- en wellioht nog andcre facto-ren).Vervolgens interpretatie, welke moet leidentot: spreidingskarakteristiek, algemene lig-gingskarakteristiek, ruimtegebrudkkarakteris-tiek, karakteristiek van het esthetisch effectvan overeenkomst en verschil in schaal en inandere esthetisch relevante eigenschappen vande bebouwing; karakteristiek van de ruimte-lijke composkies.II. De specifieke woonfunctie.Wie wonen er in de binnenstad (sociale sta-tus, beroep gezinsstructuur, woon-werk relatie,aard van de woning etc.)? De waardering vanhet wonen in het centrum komt onder punt 4nader aan dc orde.III. Verkeer, parkeren.Samenhang met andere functies en (hun ver-keersscheppende werking en parkeerbehoeften.Nagestreefde verkeersoplossingen en hun bete-kenis. Consequenties voor de stratenplannen.IV. Aard, omvang en functionele bepaaldheidvan parasitaire bebouwing en vervallen pan-den.3. Onderzoek naar de dynamiek van de cen-tra als geheel, de hoofdgroepen en hun onder-delen.Hoewel in de voorgaande punten reeds voort-durend acht geslagen zal moeten worden opde genetische aspecten, dient de onderhavigeanalyse zeer specifiek op de dynamiek gerichtte worden, teneinde de bepalende factoren enprocessen daarin op te sporen. De analysemoet zover in de historie teruggaan als voorhet inzidht in de huidige structuur en dehuidige functies, alsmede -- en vooral -- voorhet onderkennen van de voor de toekomst be-palende facto.ren en processen nodig is. Hetkomt daarbij aan op de grote lijnen. Hetproefonderzoek, maar ook reeds literatuurstu-die, kunnen hier nadere richting geven. Metname komt hier de samenhang met de totalemaatsdhappelijke context en met de ontwik-telingen daarin naar voren.Uitgangspunt is dat onder invloed van deonder ,,hypothetische uitgangspunten" genoem-de krachten zowel de omvang (horizontaalen/of verticaal) van het centrum, als de vesti-gingsplaatsfactoren, als de interne structuuren de functies, als de standplaatsen, aan wij-zigingen ondetflievig zijn.Wat betreft de plaatsvindende ontwikkelingzouden de volgende vragen geformuleerd kun-nen worden:I Welke typen van welk soort instellingenvcrdwijnen uit het hoofdcentrum, welke ko-59Onderzoek stadscentrmen erbij; is dit een kwestie van verschuivingnaar nevencentra of naar verspreide plaatsen;walke verdrijvingen van functies treden hier-bij op?II Welke verplaa'tsings- of samenlballingsten-denties zijn er binneu het hoofdcentnim teconstateren?III Welke zijn de kenmerken van oude, resp.nieuwe lokalisaties?IV Welke randverschijnselen (bijv. verkrot-ting aan de land van een uitdijend centrumof binnen de ruimten tussen radiale toegangs-wegen tot het centrum, parkeerterreinen), tre-den op; zijn zij alleen maar randverschijnse-len in de ruimtelijke zin of duiden zij ook opdegeneratie?V In hoeverre treedt horizontale of verticaieuitdijing op, in welke vormen (bijv. door mid-del van bepaalde pionierfuncties, op welkewijze en onder welke invlocden?VI Waar treden verbouwingen op en vanwelke aard zijn deze?Tegen de achtergrond van de aan literatuur-studie en ervaringskennis ontleende inzichtenin de maatschappelijke ontwikkeling is voordeze analyse vooral de vergelijking tussenoude en nieuwste gegevens belangrijk. Tot demogelijkiheden -- voor zover geen oude func-tionele plattegronden aanwezig zijn -- behoorto.a. de kartering van de vroegere toestandmet behulp van oude adres- en (of) telefoon-boeken. Hierbij zou de spreidingstoestand opverschiUende tijdstippen van verschillendesoorten van bedrijven over de gehele stad(incl. de nevencentra) moeten worden nage-gaan. Misschien kunnen in de literatuur entijdens het proefonderzoek bepaalde ,,gids"-bedrijven, welke indicatief zijn voor gehelegroepen van min of meer overeenkomstigesoorten bedrijven, worden gevonden, met be-hulp waarvan de werkzaamheden mogelijk be-kort zouden kunnen worden.Voor de studie van de verbouwingen zal ge-bruik gemaaikt moeten worden van voorhan-den gegevens (als in Utrecht) en mogelijk vande lokale kennis van degenen, die belast zijnmet de registratie van de bouw-(verbouwings-)vergunningen.De optredende randverschijnselen zullen tevenster plaatse door waarneming (bijv. aard pan-den), verwerking van statistische gegevens(bijv. grondprijzen, huren etc.) en selectieveinterviews nader op hun aard en betekenismoeten worden onderzocht.4. Waardering van het centrum (en de ne-vencentra) door de mensen die er werken,wonen en/of gebruik van maken.Werkhypothese zou kunnen zijn dat op grondvan een reeks van te onderscbeiden ,,princi-pes" het centrum en zijn onderdelen door degebruikers op een bepaalde wijze worden ge-waardeerd. Nadere concretisering van dezeprincipes op basis van literatuurstudie en vanhet proefonderzoek zal gevolgd moeten wor-den door een onderzoek, dat hun betekenisvoor verschillende bevolkingsgroepen nader zaldienen te bepalen.Een dergelijk onderzoek kan leiden tot ver-heldering van de functies van het centrum envan zijn ruimtelijke structuur, alsmede bijdra-gen tot het opstellen van een ,,Leitbild" voorde toekomstige vormgeving van de ,,city".Ten dele zal gebruik kunnen worden gemaaktvan het materiaal verzameld in voorgaandeonderzoekingen, voor zover dit zich namelijktevens leent voor een zodaraige Interpretatieals licht kan werpen op het onderhavige vraag-punt (voetgangersdichtheden, ligging van com-plementaire functies, sociale en sociaal-psycho-logische factoren in verband met de vesti-gingsplaatskeuze van de bedrijven e.d.).Voor het overige wordt voorlopig voorgesteldtwee afzonderlijke wegen te bewandelen:a. Gedragswaarnemingen en waarneming vanhet gebruik dat van de verschillende functieswordt gemaaikt, beide in de centra zelve.b. Een theoretische benadering vanuit de cul-tuurpatronen, waardoor tevens het dynami-sche aspect aan de orde ikan komen (veran-deringen in leefgewoonten buitenshuis, in con-sumptieve behoeften etc.), resulterende in eenbeperkt aantal, zo goed mogelijk verdeeldediepte-interviews (of, zo men wil, typologischecase-studies).Het spreekt vanzelf dat bij de interviews ge-differentieerd zal moeten worden naar ver-schillende groepen, welke in sociaal-cultureelen in economisch opzicht, alsmede naar geo-grafische situering uiteenlopen. Volledige re-presentativiteit zal echter wel niet zijn te be-reiken.In wisselende groeperingen voor onderdelenen voor de centra als geheel zullen bijv. devolgende principes (nog nader te formulerenen in te delen) op hun aard en betekenis moe-ten worden getoetst ^):a. Gemakkelijke bereikbaarheid van het cen-trum.b. Grote communicatiemogelijkheden voormensen en zaken onderling.c. Het gemak van de vele en veelsoortige za-ken in klein bestek te kunnen afhandelen.d. De veelvuldige vergelijkingsmogelijikhedenmet mensen en met dingen (o.a. de grote mo-gelijkheden voor ,,comparison shopping").e. De sociaal-recreatieve mogelijkheden en demogelijkheden om samen te zijn met velen; demassale opeenhoping van mensen.f. De mogelijkheden van animering en stimu-lering; de ,,shock-functie".g. De culturele mogelijkheden.h. Esthetische beleving.i. Functie van organisatorisch centrum voorde stad als geheel.j. Functie als centrum van economische stu-wing en verzorging.k. Functie als specifick woongebied.1. Symbool-functie.E. Conclusies en mogelijke consequenties voorhet stedebouwkundige werkOp grond van de uit de onderzoekingen ver-worven inzichten zou onder andere geexperi-menteerd kunnen worden met een aantal ste-debouwkundige modellen, welke de mogelijk-^) De genoemde principes zijn voor een deelontleend aan een rapport betreffende eenvoorgesteld conurbatieonderzoek van de Pro-vinciale Planologische Dienst Noordholland.60Onderzock stadscentraProblemen volgehouwde stadheden en wenseli;kheden wac betreft kernop-bouw en kernfunctie incorporeren.Getracht zou tevens kunnen worden te gc-raken tot meer gefundeerde aanbevelinigen vooropenbare voorzieningen, bebouwingsdiohtheid,blokvormen, si-tuering van blokken en bouw-stroken, etc.Vooraf zou echter nagegaan dienen te wordenwclke ontwikkelingen te verwachten zijn opverschillende gebieden (technisch, economisch,sociaal, etc.) en welke daarvan de consequen-ties zuUen zijn voor omvang, i.'ihoud, struc-tuur en functies van centra en nevencentra.Als basis zou tevens kunnen dienen een em-pirische studie inzake de kwaliteit van be-paalde coniposlties, tijv. met betrekking totwinlkelcentra, culturele centra, vermaakcentraetc., voorzover niet onder D reeds uitgevoerd.Problemen van de volgebouwde stadVerslag van de tweedaagse BNS-SPO-conferentie, gehouden in September 1961in Elspeet.Evenals in het voorjaar van 1960 organiseerden de besturen van de Bond vanNederlandse Stedebouwkundigen en de Studiegroep voor Planologisch Onder-zoek van het Instituut in 1961 een gemeenschappelijke ledenvergadering. Eenveertigtal stedebouwkundige onderzoekers en ontwerpers gingen als het warein retraite; ver van de stad, het probleem, midden in de met herfsttinten over-goten bossen van Elspeet werden de gevolgen overdacht van een afremmingvan de bevolkingsgroei in een volgebouwde stad.Vier inleiders hadden zich bereid verklaard deze moeilijke materie vooraf tedoordenken, daarmede de basis leverende voor de gemeenschappelijke ge-dachtenwisselingen, deels groepsgewijze gevoerd, deels in een plenaire slotbij-eenkomst.Het leek ons waardevol de vier inleidingen in een samenvatting te publiceren,gevolgd door enkele notities over de discussies; de samenvatting van de con-ferentie-leider. Dr. W. Steigenga moet helaas ontbreken. Hem ontbrak detijd voor zijn vertrek naar het buitenland om het hem toege-zonden resume tecorrigeren; hij verzocht zijn samenvatting te vervangen door een verwijzingnaar zijn artikel in het Tijdschrift S & V no. 7l8 van 1961.Hier volgen nu de samenvattingen van de vier inleidingen.De gesloten stadDe groel van de Randstad Hollandvindt gedwongen bandvormig plaats,terwijl gewaakt wordt tegen een testerke verdikking van de band.De expansie van de steden op dezeband wordt langzamerhand belem-merd, daar zij in de lengterichting --behoudens bufferzones -- aan elkaarbeginnen te grenzen en groei in debreedterichting moet worden tegenge-Inleider Jhr. Ir. J. de Ranitzgaan. De Bandstad is een gezonde ge-dachte, omdat:-- daardoor een doelmatig transportmogelijk wordt,-- daardoor een betrekkelijk snelcontact met de niet-geurbaniseerdegebiede
Reacties