In dit nHmmer: Het StreekplanStedebouwVolkshuisvest'mgSummaryIISeptember 1962 \Uitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwIstedebouw & volkshuisvestingKOENE TEGELS\VAf^iS44KfTalafoen 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasd' verglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorstvrij materiaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOERENiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii^ModerneLIFTEN1NEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel. 865450 (070) |sN.V. ELECTROTECHNISCHTM" DEYAAN BOUW-&C0. KREDIETENEgelantiersgracht 36AMSTERDAM-C.Tel. 020 - 34179 en 34854Verzorgtalle:? UCHT-installaties+? KRACHT-installaties? ZWAKSTROOM-installaties? REGEL-installaties voor oliestook? PERSONENOPROEP- en NOOD'VEK-LICHTINGS-installaties? CJ!:WTRAAL ANTENNE-SYSTEMENvoor AM/FM en TVN.V. DE RENTEKASZouimanstraat 42's-GRAVENHAGE' Ingeschreven bij het G.E.B. te Amsterdam enlandeUjk erkend installateur.Telefoon 070 - 333860Nederlands' eerste 'Metro'wordt gebouwd metNederlands hoogovencementHet is daar bij uitstek geschikt voor omdat beton vanNederlands hoogovencement maximale weerstand bezittegen agressieve grondzuren. Een bijkomstig voordeel:op eike ton cement f 3,- besparing!""^-^S^,'^'"HCXKiOVENCEMENTnmmmmIn dit enorme enindrukwekkende project van hetondernemende Rotterdamworden tienduizenden en tienduizenden tonnenENCI Hofanorm en Cemij cement verwerkt.VERKOOPASSOCIATIE ENCI-CEMIJ N.V. - HERENGRACHT 507 - AMSTERDAM - TEL. 38531 (5 LIJNENJrr '^^.Bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan is te vervullende functie van:Hoofd van de afdeling OnderzoekDe afdeling Onderzoek is belast met:? programmeiring en voorbereiding van sociaal-weten-sohappelijk onderzoek ten belioeve van de ruimtelijkeordening.? uitvoering van eigen onderzoekingen op dit terrein.? begeleiding van onderzoekopdrachten aan derden.? het secretariaat van de Wetenschappelijke Commissie.? deelneming aan planstudies en verdere opdrachten vande Dienst.De afdeling teit momenteel 19 medewerkers, waarvan 9op academisch niveau.Gezocht wordt een academicus met brede belangstelluig,die door zijn persoon en ervaring in het toagepast weten-sohappelijk onderzoek het vermogen bezit om het werkvan deze groep te leiden en te stimuleren.Eigenh. geschr. soil, onder no. 2-1948/7852 (in linker bo-venhoek brief en env.) aan het bureau Personeelsvoor-ziening van de Rijksover'heiid, Prins Mauritslaan 1, DenHaag.^Bij de afdeling Stedebouw van de Centrale Directle vande Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid te 's-Graven-hage is plaats voor eenstedebouwkundig medewerkervoor studies inzake de inrichting van woonwijken eninzake stadsverbeteringsvraagstukken.Vereist: is een goed stedebouwkundig inzicht, hetzij dooropleiding (Delft of H.S.O.) of door meerjarige ervaringna technische vooropleiding; belangstelling voor onder-zoek.Salaris afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaring/ 693,- -- / 1036,- p.m.Schr. soil, onder no. 2-1875/7852 (in linker boveriihoek briefen env.) aan het bureau Personeelsvoorziening v.d. Rijks-overheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.v.. JJOPENBARE WERKEN - UTRECHTBij de afdeling grondbedrijf komt vacant de functie vanPlaatsvervangend chefDe te benoemen functionaris dient op de hoogte te zijnvan de materie, die op deze afdeling wordt behandeld,zoals aankopen, onteigeningen, exploitatieberekeningen,verkopen, verhuringen, ontruimingen enz.Gedacht wordt aan een ingienieur, die iinaicht heeft opjuridisch en eoonomisch terrein.AANSTELLINGAfhankelijk van ervaring en bekwaamheid zal aanstellinggeschieden in de rang van ingenieur A of hoofdingenieur,tarwijl de mogelijkheid van toekenning van de rang vanhoofdingenieur A aan een zeer goede kraoht niet uit-gesloten is.BEZOLDIGINGSalarisgrenzen:ingenieur Ahoofdingenieurhoofdingenieur A/ 10.542,-- tot / 14.430,-- p.j.f 11.502,-- tot / 15.486,-- p.j./ 11.898,-- tot / 16.698,-- p.j.(exelusief huurcompensatie)Sollicitanten moeten bereid zijn eventueel een psycho-logisch onderzoek te ondergaan.SOLLICITATIESUitvoerige eigenlhandig geschreven sollicitaties met re-oente pasfoto worden onder nr. 9207-D ingewacht bij dehoofddireoteur van Openbare Werken, Aohter Claren-burg 12, Utrecht.Bij de afdeling Stedebouw van de Centrale Directie vande Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid te 's-Graven-hage is plaats voor eenSOCIOLOOG ofSOCIAAL-PSYCHOLOOGvoor het verrichten van onderzoek inzake sociale aspec-ten van de stedebouw, in het bijzonder met betrekking tothet wonen in oude en nieuwe wijken.Salaris volgens het referendarisrangenstelsel c.q. het ran-genstelsel voor wetensehappelijk ambtenaar.Eigenh. geschr. soil, onder no. 2-1913/7852 (in linker boven-hoek brief en env.) aan het bureau Personeelsvootrziieningv.d. Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag..Jv..Bij de Directie van de Volkshuisvesting en de Bouw-nijverheid in de provincie Gelderland te Amhem kanworden geplaatst eenMEDEWERKER BIJ DEAFDELING STEDEBOUWStedebouwkundige of bouwkundige opleiding en/of er-varing strekt tot aanbeveling. Bij het ontbreken van be-doelde ervaring zal de gelegenheid tot opleiding in dierichtlng worden geboden. In verband met het opstellenvan rapporten is een goede schriftelijke uitdrukkings-vaardigbeid vereist.Salaris afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaringvolgens rijksregeling.Schr. soil, onder no. 2-1081/7852 (in linker bovenhoekbrief en env.) aan het bureau Personeelsvoorziening v.d.Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.&Uitgave van het MaandhladTT Nederlands InstituHt voor September 1962Volkshuisvesting en Stedehouw 43^ jaargang no. 9Redactie:MevroHW Prof. C. W. Visser Prof. Dr. S. O. van PoeljeMej. R. Hartstra Mr. Ir. M. M. van PraagProf. C. van Eesteren V17. ScheerensMr. C. A. van Gorcum Drs. W. ]. ValkenhurgH. }. A. Hovens Greve Drs. H. v. d. WeijdeProf. Mr. A. Kleijn Ir. W. WissingDrs. R. KokIr. P. K. van MeursAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 18422SAdvertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Dit nummerncht de aandacht van de lezers op het streekplan. De omstandigheid dat webinnen vrij korte tijd afscheid zullen moeten nemen van het streekplan volgensde oude regeling, terwijl juist in de laatste paar jaar vrij veel dergelijke plannenvoor uiteenlopende gebieden tot stand komen, gaf de Redactie aanleiding tetrachten van de huidige situatie een beeld te geven. Ze kon daarbij gebruikmaken van de tekst van een inleiding, die de Heer Ir. P. K. van Meurs onlangsvoor de Stedebouwkundige Raad heeft gehouden, waarin hij deels op grond vanzijn eigen langdurige en intensieve ervaring met het onderwerp, deels op grondvan^ opzettelijk voor dit doel verzamelde gegevens, tot een samenvattende,kritisch-vergelijkende, appreci'erende en constructieve beschowwing over hetstreekplanwerk in Nederland komt.Daarbij sluiten aan drie artikelen van hoofdzakelijk beschrijvend, informatiefkarakter over drie zeer recente streekplannen, resp. voor Noord-Oost Overijssel,de Oostelijke Mijnstreek en de Utrechtse Heuvelrug, elk geschreven door eenmedewerker van de provinciale planologische dienst, die het desbetreffendeplan voorbereidde. Enkele feitelijke gegevens over stand en voortgang van hetstreekplanwerk voltooien het beeld.Verder bevat het nummer de gewone rubrieken.193InhoudHet Streekplan, nu . . . en straks, Ir. P.K. van MeursHet Stredkplan voor Noord-Oost-Over-ijssel, Drs C. J. BosHet Streekplan de Oostelijke Mijn-streek, Drs. L. W. Haas ....Het Streekplan voor de Utredhtse Heu-velrug, J. S. C. Eweg, Soc. drs. .195201204210StedcbouwHet onderzoek van de migratie, J. Buit 219Stedebouiwkundiige Kroniek en Kom-mentaar 222De norm voor volkstuinen in de stede-lijke uitbreidingsplannen .... 225Binnenland 227Bukenilanid 230VolkshuisvestmgBoeklbespreking 231Binnenland 232Officiele MededelingenNederlands Instituut 232Rijksdienst voor ihet Nationale Plan . 232Summary 232Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestmg en Stedehouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het blad kosteloos.194Streekplan nu en straksHet Streekplan, nu ... en straksEen k'leine terugblik is gewenst, om dehuidige situatie lets beter te belichten.We kunnen dan, grofweg, tienjarigeperioden onderscheiden. Een eerste vande t w i n t i g e r jaren. Daarinwerd de streekplangedachte levend enbetrekkelijk rijp. Het streekplan werdgepropageerd en, in schetsen, gecon-cretiseerd. Verder kon het zeker nietkomen, omdat de wet het streekplanniet kende. Dit werd anders in 1931,toen het streekplan als een plan, waar-in gemeenten zioh gemeenschappelijkbonden, in de wet werd opgenomen.De jaren d e r t i g leverden slechtsde vaststelling op van een klein streek-plan. Er versdhenen vele, vaak dikkestreekplanstudies en ongeveer 12 grotevoorontwerpen van streekplannen.Twijfel rees aan de vruchtbaarheid entoereikendheid van de zelfbindendegemeensohappelijke regeling. Vrij on-verwacht verscheen in 1941, in de be-zettingstijd, de regeling van het vanboven af op- of alchans vastgestelde,de gemeenten bindende streekplan.De V e e r t i g e r jaren waren oor-logs- en naoorlogsjaren, de laatstedaarvan jaren van studie en overleg,van organisatie en opbouw van eenapparaat. Twee facetplannen werdenvastgesteld. Deze jaren zijn te beschou-wen als een nieuwe aanlooptijd. In1951 kon op basis van een bevestigde,wat herziene wetgeving worden door-gewer'kt.De jaren van 1951 tot 1961-- en lets meer dan dat -- zijn eigen-lijk de jaren van de eerste oogst aanvastgestelde streekplannen. De verde-ling over die jaren is echter allerminstgelijkmatig geweest. Telt men ,,nor-male" streekplannen als een, kleine offacetplannen en wezenlijke herzienin-gen van streekplannen als een half,dan leverden die jaren ca. 16 plannenop, als volgt verdeeld: 1951: 1, 1952:1, 1953: 3^, 1954: 3, 1955: 1, 1956:2H, 1957: 1^, 1958: 0, 1959: Y^,1960: 1, 1961: 4. Men kan die verde-ling wellicht z6 kenschetsen: de eerstezeven jaren waren nog een tijd vanpionieren in de praktijk, de daaropvolgende twee van het trekken vanconclusies uit die praktijk, de daaropvolgende die van het zaken doen. Hetstreeikplan is daarmede ten voile totrealiteit geworden. Het lopende jaarbelooft even produktief te zijn als hetdaaraan voorafgaande. Thans zijn ca.16 streekplannen nog in vrij verrestaat van voorbereiding.Het is moeilijk vorm, aard, inhouden kwaliteiten van de tot stand geko-men -- zo dan al nog niet alle goed-gekeurde -- streekplannen te overzien.Men moet daarbij wel grof blijven,wil men door de 'bomen het bos blijvenzien. Een dergelijk overzicht blijft ookuiteraard veel subjectiefs behouden.Het volgende is dan ook een persoon-lijke 'benadering, zij het met pogingentot objectiviteit.Streekplannen zijn, in en door hun we-zen, sterk verschillend. En datzelfdegeldt, door hun omstandigheden, ookvoor de provincies, die streekplannenvaststelden. In het volgende zullengeen afzonderlijke streekplannen wor-den vermeld. Getraoht wordt, te ver-algemenen en van de buitenkant af teontleden. Daarna kan dan een samen-vatting volgen.De omvang van streekplannen is klei-ner dan men vroeger beoogde. Ditblijkt o.a. uit het feit, dat de voor-bereidingsbesluiten op groter territoirbetrekking hadden dan daarmedeIr. P. K. van Meursovereenkomende vastgestelde plan-nen. Sommige streekplannen zijn, ge-durende de voorbereiding en zelfs debehandeling, kleiner van omvang ge-worden. Vrij nuchtere, zakelijke over-wegingen, zoals ondervonden contro-versen, leidden daartoe. Op de achter-grond ervan staat echter de moeilijk-heid, en technisch, en bestuurlijk, vanhet streekplanwerk. Er zijn echter,naast zeer bescheiden, ook zeker kloe-ke streekplannen vastgesteld.Vooral in het westen van het land zijnde gebieden, waarvoor streekplannenwerden en worden vastgesteld en voor-bereid, kleiner dan de gebieden, waar-over innig samenhangende ruimtelijkevraagstukken zidh doen gevoelen.Maar meer en meer is merkbaar, datmen daar werkt aan streekplannen-in-serie, al dan niet, en meer of minder,steunende op provinciale ruimtelijkestudies en zelfs provinciale structuur-plannen of sdhetsen daarvan.De hegrenzingen der streekplannenvallen dus lang niet altijd samen metdie van sociaal-geografische gehelenen benaderen zelfs niet altijd goed so-ciaal-geografisdh te onderscheiden de-len daarvan. Er wordt daarvan inopmerkelijke mate afgeweken. Meestalis dit een symptoom van een meerpraktische 'benadering. Hetzelfde geldtvoor het versohijnsel, dat meer en meerde igrenzen van streekplannen samenvallen met de grenzen van gemeenten.Urgentie was, in de regel, het belang-rijkste motief voor het vaststellen vanstreekplannen. Verscheidene kwamener bijna te laat, of op het nippertje.Ruimtelijke ordening is nu eenmaalmeestal een wedren met de tijd, te meerhalsbrekend naarmate het gaat overgrotere ruimtelijke eeniheden en om195Streekplan nu en straksoverkoepelenide plannen. Het is weleen gemeemplaats om te wijzen op dedynamiek van deze tijid, die wij nau-welijks bij kunnen 'houden. Maar hetis missdhien wel nodig op te merken,dat daar, waar grote overkoepelendeplannen in de vorm van streekplannenjuist het meest nodig waren en zijn,die plannen juist niet tot stand zijngekomen en, als zij er al zullen komen,aohter vele feiten aan zullen lopen.De moeilijkste ruimtelijke opgaven inons land zijn kennelijk die, welke menlangs de weg der formele ruimtelijkeordening (nog) niet kan aanpakken.Tot de moeilijkste stedebouwkundigeopgaven behoort, als uitvloeisel van deveelgenoemde dynamiek, de beperkingof beeindiging van een ruimtelijkeontwikkeling en de afleiding daarvannaar elders. Dit in het bizonder, wan-neer ze op regionale schaal, dus ookover voor ons land vrij grote afstan-den, zou moeten plaats hebben. Wevinden daarom wel streekplannen dieplaatselijke beperkingen beogen, onderafleiding naar elders binnen diezelfdeplannen, maar nog geen regionaalbeperkende plannen. En dat iswel begrijpelijk, ondanks het feit, datregionaal s t i m u 1 e r e n d e streek-plannen al wel zijn vastgesteld. Hiergaat het om behoeften aan en kansenop een nieuwe dynamiek. Dergelijkeplannen zijn echter nog vrij schaars,ook waar zij onmiskenbaar vrucht-baar zouden kunnen zijn. Is dit niet,omdat besturen nog te veel bijsturen,te weinig sturen is, omdat de bestuur-lljke organisatie nog te zwak is?De aard van het object van de streek-plannen loopt vrij ver uiteen. Er zijnplannen voor overwegend landelijkege^bieden, maar veel meer plannen vooroverwegend stedelijke gebieden en inhet bizonder voor stadsgewesten. Erzijn er maar weinig voor bizondereonderwerpen, zoals verkeerselementenen recreatieve ontwikkelingen. De ech-te facetplannen zijn ongebruikelijk ge-worden; pogingen daartoe hebbengefaald. De verschillende belangen, bijhet geibruik van de ruimte betrokken,hangen z6 nauw samen dat het nietraadzaam is gebleken maar een dierbelangen ruimtelijk te regelen. Demeeste streekplannen zijn dan ook al-gemene, die allerlei belangen tezamenen in onderlinge samenhang regelen.Een onderdeel wordt echter nog veelalbuiten die regeling gelaten, en dat zijnde bestaande grote be-b o u w d e k o m m e n van ge-meenten.Soms vallen deze buiten (eigenlijk bin-nen) de begrenzingen der streekplan-nen, soms worden zij door voorschrif-ten van de overige streeikplanvoor-schriften uitgezonderd. Bevredigend isdit niet, nu juist de toeikomstige struc-tuur van oude stadsdelen, ook ingroter verband gezien, de nodige aan-dacht gaat krijgen. De bestaande wet-telijke voorschriften zijn hieraan medesdhuildig.De duur, voor welke streekplannenvooruitzien of althans trachten te re-gelen, varieert, uiteraard. In de pio-niertijd zijn enkele plannen tot standgekomen, die niet meer dan 15 jaarvooruit zagen, of achteraf bleken tezien. Die termijn werd dan soms noglets korter ten tijde van de vaststelling,en merkbaar korter ten tijde van degoedkeuring. Ze is zeker te kort ge-bleken, ze noopt tot te spoedige her-ziening. Thans mikt men in de regelzeker op een toekomst van 20 jaar enproibeert ook meestal meer, maar ont-moet daarbij dan wel moeilijkheden.Men behelpt zich dan soms, en somsop verdienistelijke wijze, met illustra-tieve aanduidingen en aanbevelingenvoor een verdere toekomst. Men blijktechter, desgevraagd, in het algemeenweinig aan de termijnen, waarvoor deverwachtingen zijn opgesteld, te hech-ten en zegt: de tijd zal wel leren watwij moeilijk kunnen weten. Er zijnzelfs verscheidene, zeker niet onbe-langrijke streekplannen, waarbij, ookin de toelichting, niet over de termijn,waarvoor zij strekken, gesprokenwordt. Dit hangt soms samen met debeperkte omvang der plannen: hoekleiner gebied, en hoe meer samenhangmet andere, hoe moeilijker prognose.En dit wordt nog steeds meer het ge-vail.De capaciteit der streekplannen --naar bevolking, naar industriele ont-wikkeling e.a. terreinbeboeften -- is,het is hiervoor reeds aangestipt, nogal eens te klein gebleken. We kennenoveral dit welvaartsverschijnsel. Som-mige, de stimulerende plannen, hebbeneen ruime capaciteit -- tot bv. zeker25 jaar voorzover men nu kan oor-delen -- en dit geldt ook voor testimuleren delen van streekplannen.De beperkte capaciteit van andere de-len van streekplannen begint in be-paalde kernen langzamerhand voel-baar te worden, meestal later dan ge-wenst en nodig is om bestuurlijkemaatregelen daaraan aan te passen.Herziening van het streekplan -- zelfsontijdige -- ten ongunste kan hiervanhet gevolg worden.Met het voorgaande hangt het vrijwelaltijd ontbreken van bindende fasen-planning in de streekplannen samen.Men geeft, en nog maar betrekkelijkzelden, in de plaats daarvan soms aan-bevelingen in de toelichting, en zelfsnog zeldener in de vorm van kaarten.Verder traoht men terzake wat te be-reiken door middel van het toeziohtop de uitbreidingsplannen, met nameop de detaillering daarvan. Maar196Streekplan nu en straksmeestal komt dit neer op incidenteelen wat al te incidenteel handelen enbesluiten. Beide voorgaande opmerkin-gen komen er op neer, dat het streek-planwerk nog te weinig programmais, dat er weinig verband is tussen devaststelling van streekplannen enmaatregelen tot verwezenlijking vandie plannen. Daarover straks nog eenenkele opmerking. Dit is de alleszinsbegrijpelijke verklaring van dit ver-schijnsel. In het licht van de nieuwewetgeving, waarin het stredkplan veelmeer programma wordt en faseplan-nen nadrukkelijk worden aanvaard, is'het echter wel wat verontrustend.Het onderzoek dat de basis -- althansgrotendeels -- van streekplannen moetvormen, loopt naar omvang en opzetvrij ver uiteen. Eigenlijk is 'het nognergens voldoende diep. Fundamen-teel wetenschappelijk onderzoek is ooknog veel te schaars op dit gebied. Almag men zich afvragen, of ooit vol-doende wetenschappelijke kennis ver-kregen en aanvaard zal worden omstreekplanwerk goed te verantwoor-den, dan mag men toch stellen datmeer kennis en inzicht moeilijk gemistkunnen worden. Thans blijft het vaakbij betrekkelijk schematische studies engeijkte becijferingen. Nog meer opval-lend is de uiteenlopende mate, waarinonderzoekingen en de uitkomsten daar-van bij het presenteren van streekplan-ontwerpen worden geibruikt. Er wor-den zelfs ontwerpen gepubliceerd zon-der de vermelding van een enkelcijfer, al ware het maar van het be-volkingsaantal van een vrij normaalstreekplan even voor de indiening, ennog afgezien van het ontbreken vande vermelding van de bevolkingscapa-citeit dier plannen, zij het zelfs metruime marge. Daar staat soms wel eenadhtergrond van provinciale studiestegenover, vrij zelden gepubliceerd, enniet altijd in de Staten behandeld, ofeen aantal studies, alleen behandeldin commissies. Wij zijn wel zeer veraf van de dikke studies uit de dertigerjaren, en onbegrijpelijk is dit niet. Zijzijn, achteraf, soms wel veel te gede-tailleerd gebleken en door heel andereomstandigheden achterhaald.Oorzaak van de kortheid van veletoelichtingen tot streekplannen is hetverlangen, ja zelfs de noodzaak, omsnel resultaten te bereiken met eennog te beperkt apparaat. Men volstaatmet samenvattingen; grondmateriaalen wij'ze van hantering daarvan blijveneclhter in de la. Veel tabellen, en vooralkartogrammen, komt men in de meestetoelichtingen niet meer tegen. Het iseen symptoom van verzakelijking --met baar voor- en nadelen -- nu meneenmaal de praktisohe voortgang vanhet streekplanwerk heeft bereikt. Maardie verantwoording der plannen isdaarom -- behouidens in meerdere uit-zonderingsgevallen -- tegenover ho-gere en lagere overheden wat schriel,en ook tegenover de burgers -- alhebben die soms voor ter inzage ge-legde studienota's generlei belangstel-ling getoond. Veel streekplannen be-rusten, eenmaal vastgesteld, voor eengroot deel op vertrouwen, verscheideneop gezag. Dat is winst, voorzover hetalthans gerechtvaardigd is.De vorm, waarin de formele streek-plannen gegoten worden, loopt nietalleen wat de toelichtingen betreft vrijver uiteen. Haast elke provincie --elke Planologische Dienst -- heeft eeneigen vorm. Van een ontwikkelingdaarin is betrekkelijk weinig sprake;ook hierin vinden we de sfeer van hetsnel zaken doen terug. In het alge-meen is er sprake van versobering,soms zelfs van verarming, vrij weinigvan verbetering aan de hand van op-gedane ervaringen ook in de eigenprovincie.De mate van detaillering van destreekplannen liep vooral in den be-ginne nog al uiteen. Zij is sterk af-hankelijk van de aard van het object,dat er in wordt behandeld. Men is aan-vankelijk, vooral bij streekplannen dieungente maar moeilijke problemen voorde eerste maal van bovengemeenteiijkstandpunt moesten oplossen, noodge-dwongen wel wat ver gegaan in dedetaillering. Dit is minder gewordenen minder nodig geworden met degroei van de stedebouw in het alge-meen. Er wordt thans en meer terug-bouding betracht, en men kan meeraan gemeenten en toezicht over laten.De jurisprudentie van de Kroon heefthiertoe ook bijgedragen. Men kan ech-ter thans daartegenover opmerken, datde goedkeuringsbesluiten van deKroon nog wel eens kleine correctiesinlhouden, die aan nadere uitwerkinghadden 'kunnen worden overgelaten.Een grote lijn tonen die besluiten zel-den en dan nog meer in algemene ad-ministratief-rechtelijke dan in anderezakelijke, meer ru'imtelijke aangelegen-heden. Voor de provincies en voor devoortgang van het streekplanwerk isdit aangenaam resp. bevorderlijk, maarsoms wordt algemene leiding, tijdig enop andere wijze gegeven, toch wel zeergemist.De kaarten, waarin de streekplannenvoor een deel worden gegoten, hebbenmeestal de schaal van 1 :25.000 ensoms die van 1 : 50.000. De weergavevarieert, maar heeft in het algemeennog wat weinig beeldend vermogen.Ook bier is sprake van verzakelijking.Zij zijn over bet algemeen vrij precies,met veelal nodeloos scherpe bestem-'mingsgrenzen -- die dan alleen doorvoorschriften wat worden vervaagd.197Streekplan nu en straksDe bestaande toestand spreekt uit diekaarten -- in de vorm van ,,onder-grond" -- soms veel te weinig mede.Daardoor doen sommige streekplan-'kaarten wat illusionistisoh aan, ookzonder tot gave schema's te zijn ge-wonden. Ook documentatie in kaart-vorm is te zeldzaam; een overziohts-kaart, waarbij de streek in groter ver-band wordt gezien -- zowel nu alsin de toekomst -- ontbreekt veelvuldigen ten onredhte.Het aantal in de kaarten weergegevenhestemmingen is beperkt, veelal min-der dan tien, meestal iets meer, tot bv.achttien. Een deel dier bestemmingenis dan soms nog aanbevelend, als uit-gangspunt, illustratief of als aanwij-zing (men vergelijke bier met denieuwe wet) opgenomen. De vraag, ofeen illustratieve aanduiding nuttig is-- sommige gemeenten waarderen die,andere vrezen dat zij daaraan bij hettoezicht op de uitbreidingsplannen tezeer zullen blijken te worden ,,vast-genageld" -- wordt kennelijk zeerverschillend beantwoord.Uit de beperktheid van bet aantal bin-dende bestemmingen volgt reeds, datbepaalde bestemmingen weinig gedif-ferentieerd voorkomen. Dit betreft inhet bizonder de bebouwingsgebieden(soms onderscheiden In stad en dorp),de stedelijke werkgebieden en de ver-keersruimten. Veel meer differentiatietreft men aan in bestemmingen op degeibieden van natuurbehoud, land-ischapszorg en recreatie, en soms, maarmeestal in verband daarmede, in deagrarische werkgebieden. Men moetzich afvragen, of het achterwege latenvan diifferentiatie van de hestemmin-gen in de bebouwingsgebieden welvoldoende in overeenstemming is metde toch grote betekenis, die aard endichtheid van omvangrijke bebouwingvoor de ruimtelijke ontwikkeling enstructuur hebben en de bovengemeen-telijke belangen, die daarmede gemoeidzijn. Zo komen voorsdhriften inzakeeen maximale hoogte van bebouwingin die gebieden praktisch in streek-plannen niet meer voor. Dat is welbegrijpelijk, omdat hv. de bebouwings-wijze in steden en dorpen aan groteveranderingen onderhevig is, maar hetis toch de vraag of deze in zo grotemate aan het toezicht kan wordenovergelaten.De soepelheid, die men bijna niet vindtin de belijning der bestemmingsgren-zen -- het is goeddeels een zaak vanteken- en voordracht-techniek --vindt men ten voile in de voorschrif-ten.Gemiddeld tellen deze zo'n vijftienartikelen, soms tot over de twintig. Desoepelheid der streekplannen zit -- be-halve in de mogelijkheid tot herziening-- in g e m e n g d e bestemmingen(bv. landschappelijk aantrekkelijke ennatuurhistorisch belangwekkende enrecreatief te gebruiken ruimte), in dem o g e 1 ij k h e d e n tot a f w ij -king, in s o e p e 1 e o m s c h r ij -V i n g der bestemmingen, en in dereeds genoemde illustratievea a n d u i d i n g e n. Een deel is on-vermijdelijk in verband met vooralkwantitatief onbekende eisen der toe-komst, zoals op het gehied der meerpassieve recreatie of op dat van teverwachten omvang van bizonderebebouwingen en doeleinden van open-baar nut. Een ander deel dient omonmisbare vrijheid van invoeging vanbetrekkelijk ondergeschikte elementente behouden. Men mag vaststellen, datGedeputeerde Staten wel steeds eenvrij ruim crediet van de ProvincialeStaten verkrijgen, waar zo ruime af-wijkingen aan hun beleid zijn over-gelaten. Dit geldt ook voor de om-schriivingen der afzonderlijke bestem-mingen, die minder nauwkeurig zijngeworden. Men komt daarin termentegen als ,,voorzover nodig", ,,in hetalgemeen", ,,beperkte afwijkingen",,,indien noodzakelijk" e.d. Ook ditgeeft de nodige soepelheid.De overgangsbepalingen,die gevestigde belangen beschermen,zijn als gevolg van de jurisprudentievan de Kroon vrij stereotiep geworden.Men krijgt echter de indruk, dat hier-uit toch nog niet alles is gehaald, wat,,er in zit" en dat er wel bedenkelijkekanten zijn aan deze bescherming. Deovergangsbepalingen laten nl. vrijwelgeen mogelijikheden meer open tot hetstelseJmatig saner en van hetplatt eland, met name het ge-leidelijk wegsaneren (doen ,,uitster-ven") van aldaar misplaatste en mis-groeide bdbouwingen, zoals lintbebou-wingen e.d. En dat in een tijd, waarinjuistbet saneren van stede-1 ij k e b e b o u w i n g e n, terecht,meer en meer de aandacht heeft endoor vrij krasse middelen blijkt te kun-nen worden bevorderd! Het is doorbedoelde overgangsbepalingen, datstreekplankaarten soms de hier voorgenoemde illusionistische gedaante heb-ben. Zij worden te hoopvol, tot zelfsmisleidend, wanneer daarop vele bur-gerbobouwingen op het platteland metagrarische bestemmingen worden over-dekt, zonder dat enig uitzicht, laatstaan enige garantie wordt geboden,dat zij t.z.t. zullen verdwijnen, maarjuist de mogelijkheden van afwijkin-gen nog de vrees doet rijzen, dat diebestaande afwijkingen nog groter zul-len worden.Wegprofielen, als bindende aanwijzin-gen, sterven vrijwel uit. R o o i 1 ij n -afstanden langs verkeerswegenhebben een wat taaier leven. Voor-sdhriften inzake de uitvoering vanwerken, anders dan het198Streekplan nu en straksb o u w e n van g e b o u w e n, eninzake terrelngebruik worden slechtsaarzelenid toegepast, in afwachting vande nieuwe wetgeving. Men zal daar-door wellicht genoopt worden, streek-plannen te herzien wanneer de nieuwewetgeving van kracht is geworden enblijlkt, dat dergelijke voorschriften ookdoor middel van toezicht geen vol-doende ingang zullen vinden.De verbodsbepaling metstrafsanctie, gekoppeld aan hetstreekplan, is rijkelijk onge'bruikelijk.Schadevergoedingsrege-1 i n g e n, verbonden aan streekplan-nen, komen nogal schoorvoetend totstand.Na het voorgaande, dat een beetjeneerkomt op detailanaiyse der totstand gekomen streekplannen, volgtnu een overzicht van meer algemenekwaliteiten.Als eerste de vormgeving. Daarovervalt niet te juichen, daarover ver-neemt men van bevoeg^de zijde veelkritiek. De legkaart der afzonderlijkebestemmingen moge meestal reeel, ge-zond en praktiscih zijn, maar ze blijftvaak nuchter. Dit ligt wel voor eendeel in het wezen van het streekplan-werk, dat wel vrij ver verwijderd blijftvan een fraaie ruimtelijike conceptie,maar men vraagt zich twee dingen af:of er niet meer biereikbaar ware en ofvrijwel alle beeldend vermogen aan deuitwerking in gemeentelijke plannenkan worden overgelaten. In de streek-plannen spreekt de Nederlandse volks-aard al te duidelijk: veel aandachtvoor praktische dingen, afwezigheidvan de idee van elke monumentaliteit,maar ook gemis aan monumentaleideeen. Er is meestal geen sprake vaneen ,,grote greep op de ruimte", welvan aanbreien en afronden. Men voeltin de plannen de moeilijkheden, die ditwerk ontmoet, de tegemoetkomingen,die nodig werden geacht. De indruk is,dat men meer zou kunnen, maar min-der kan ,,halen". Mede door de ge-brekkige presentatie misten daardoorveel plannen de zo gewenste overtui-gingskracht. Nieuwe structuren komener maar weinig goed in tot uitdruk-king. Men zou wensen, dat vele Franseplannen hier tot voor^beeld werden ge-nomen.Deze zwakte vindt men niet alleen inde kaarten, maar ook in de toelichtin-gen. In bijna alle voorschriften komenmogehjkheden tot afwijking voor --bij gemeentelijk plan te gebruiken --mits de b e d o e 1 i n g e n van hetstreekplan geen geweld wordt aange-daan. Maar gaat men nu, bv. in detdkst van toelichtingen en voorschrif-ten, op zoek naar de bedoelingen vanhet onderhavige streekplan, dan vindtmen daarover dikwijls heel weinig.Lang niet altijd is de problema-t i e k van -de streeik scherp gesteld,evenmin de o p 1 o s s i n g daarvanduidelijk aangewezen, zoals een her-ontwikkeling in een bepaalde richting.Veel plannen overtuigen niet van der-gelijke mogelijkheden, weinige houdende nodige propaganda in. Al te vaak iser sprake van algemeenheden, wordende noodzaak van het plan en zijn in-houd geargumenteerd met motievenals: ,,aanpasising aan nieuwe omstan-digheden", ,,wensen" inzake bevol-kingsspreiding, ,,kansen" op andere be-staansmiddelen, ,,noodwendigfaeden"op het gebied van bet wegverkeer envooral de dooddoener van ,,eenevenwichtige of harmo-nise h e ontwikkeiling". Gelukkig iser ook veelal nog ,,de noodzaak vannatuur- en landschapsbescherming",maar zelden die van de ontwikkelingvan nieuwe natuur- en cultuurland-schappen en van passieve-recreatie-ruimten van bepaalde omvang en ca-paoiteit.De streekplannen zijn, dank zij dehuidige wettelijke regeling, zeker geensamenstellingen of compilaties van dewensen der gemeentebesturen. Somsopenen ze voor bepaalde gemeentennieuwe perspectieven, maarook beperken ze gemeentelijke toe-komstillusies en ambities. Er zijn heelwat streekplannen, die plaatselijkbedoelen ontwikkelingsmogelijkhedenvan gemeenten of kernen te beperkenen t.z.t. die ontwikkelingen te doenbeeindigen. Maar zelden is dit uit planen toelichting gemakkelijk af te lezen.Informeert men daarnaar, dan hoortmen: ja, dat is de bedoeling. Maarvaak zal die bedoeling pas duidelijkworden wanneer het plan is vastge-steld, goedgekeurd en er naar wordtgehandeld, d.i. bij het toezien op deuitbreidingsplannen. En soms hoortmen, dat de toekomst wel zal uitwijzenof handhaving van een dergelijkeplaatselijke beperking of beeindiging,,haalbaar" is. In een en ander zit eenge)brek aan openheid, dat onze maat-schappij meer aankleeft, en aan ver-trouwen in het streekplanwerk en inbestuurskracht. Wat men ter zake vande bedoelingen ook uit streekplannenafleest, dat is een naar de ogen zienvan economische krach-t e n, in het bizonder die van hetmeer industriele bedrijfsleven. Dit dic-teert vrij veeil, en dit dictaat wordtbijna altijd slaafs gevolgd. Daardoorworden eohter de grote problemen vanbevolkingsspreiding, welvaartssprei-ding en cultuurspreiding onvoldoendeonderkend en aangepakt. Men vindt teweinig het besef, dat economie maareen, zij het zeer belangrijk, middel isom mensen gelukkig te doen leven ineen goed milieu, maar geen doel opzichzelf.199Streekplan nu en straksOnis volk is er kennelijk nog weinigvan doordrongen, hoe hard bij onzebevolkingsgroei en ons toenemendruimtegebruik voor andere doeleindendan tot dusver ruimtelijke ordeningop grote sdhaal nodig is, hoe nuttig enzegenrijk en veelal ook voordelig zij is.En nog minder, hoezeer die ordeningeigenlijk in wezen discriiminerend is enmoet zijn in de zin van ongelijke be-handeling van oppervlakkig gezien ingelijke omstandigheden verkerendejustitiabeilen, bebouwingskernen enzelfs gemeenten. Want ieder terreinis nu eenmaal naar omstandighedenen ligging zeer verschillend. Men moetwel schijnbaar gelijke monniken onge-lijke kappen geven. Men mag zich ermee troosten, dat ook geen twee mon-niken gelijk zijn.Er is nog een vraag naast bet voor-gaande, die de aandacht verdient, endat is of men vertrouwen mag dat destreekplannen op bevredigende wijze,via gemeentelijke plannen, zullen wor-den gerealiseerd. Wanneer men de me-ningen hierover beluistert, blijken diezeer verdeeld. De aanpassing van ge-meentelijke plannen aan ook reedsgoedgekeurde streekplannen verlooptniet overal even vlot, vooral niet wan-neer herzieningen van die streekplan-nen nodig of spoedig op handen zijn.Hoe zal het dan gaan met de volledigeverwezenlijking? Stagneert die plaat-selijk, dan heeft dit soms reeds dadelijkbedenkelijke repercussies op andereplaatsen. Een streekplan kan dan welvolkomen juist zijn, maar niet te hand-haven. Hier wreekt zich bet feit, datde instantie, die de streekplannen op-en vaststelt, zij het ook in overleg metde gemeentebesturen, een zeer beperkteuitvoerende taak heeft, die immersgoeddeels bij de gemeenten ligt. Erontibreekt, na vaststelling en goedkeu-ring, een follow-up in de verwezenlij-king door dezelfde overheid die voorhet plan verantwoordelijk is. Ookgrote werken wier uitvoering op deweg dier hogere overheid zou lig-gen, en die eigenlijk voorinvesteringeneisen, kunnen in onvoldoende mate totstand worden gebraclht. Er ontbreektvaak good georganiseerde samenwer-king van gemeenten op dit punt. Her-zieningen van de gemeentelijke inde-ling, die hierin zouden kunnen voor-zien komen te laat of blijven achter-wege. Men zal dan wel over een over-koepdlend streekorgaan met financieleen uitvoerende bevoegdheden moetengaan denken. Is dat te optimistisch?Een streekplan moet toch wel optimis-tisoh zijn, en zonder optimisme zoudenze er vrijwel helemaal niet zijn. Maareen streekplan mag zeker geen pro-beersel zijn. Daarvoor zijn ze te be-langrijk.Nu rest de vraag, wat men uit hetvoorgaande zou kunnen leren voor hetstreekplan straks en onder de nieuwewet.Of de animo tot het vaststellen vanstreekplannen, die thans in het alge-meen groot is, onder de nieuwe wetgroot zal blijven, zal voornamelijkafhangen van de provinciale activiteitinzake aanwijzingen en deze vande vraag, of die aanwijzingen vanrijkswege gehonoreerd zullen wordenbij beroep daartegen.Het streekplan zal onder de nieuwewet meer pro gramma moetenworden. Dat betekent: meer aandachtvoor de t ij d s d u u r waarvoor dieplannen strekken, meer voor volgorde,tempo en fasen van verwezen-i ij k i n g en meer planning van uit-voering op lange termijn. Dat is: meer-jarenplannen voor woningbouw engrote werken, dus ook financieleplanning. Die programma's kunnenuiteraard niet star zijn, zij moeten uit-wijkmogelijkheden inhouden. Hetstreekplan moet dienovereenkomstigsoepeler zijn. Het moet meer een kadervoor de toekomstige ontwikkeling in-houden dan dat bet de v o r m vandie toekomstige ontwikkeling aangeeft.Van meer belang dan die vorm zijnr i c h t i n g en d o e 1 en tempovan de beoogde ontwikkeling.In dit verband zal een streekplan vooralles functioneel duidelijkmoeten zijn. De b e g i n s e 1 e n vanwat beoogd wordt moeten voorop ge-steld en duideilijk uitgesproken wor-den. In stede van aan goed na te metenbebouwingsoppervlakken voor woon-geibieden e.a. zal meer aandacht be-steed moeten worden aan de gedachteorde van grootte naar inwo-ners dier geibieden, zelfs aan de soortvan inwoners en de daarvoor passen-de woningtypen voor allochtonen,auto'chtonen, forensen, een- of meer-gezinshuizen, meer open of meer in-tensieve woonbebouwing om stedelijke,voorstedelijke of dorpsbebouwing en-karakter. Aangezien dit niet alles bin-dend geregeld kan worden, ware eenen ander neer te leggen in de toelich-ting. Het gaat eerder om de a a r dvan bedrijven op stedelijke werkgebie-den dan om de o m v a n g dier ge-bieden, meer om aantal der werkersdan der hectaren, om alleen plaatselijkverzorgend, regionaal verzorgend ennationaal verzorgende en stuwendebedrijven, en ook andere bestaansbron-nen. Een streekplan zal aldus een veeldiepere inhoud kunnen krijgen, meer :karakter, o.a. tot uiting komende ineen vooraf beoogde hierarchievan bebouwingskernen,de relatie daartussen, die , men moettrachten te bereiken, wil niet hier endaar een gelijkmatige brei van bebou-wingen zich -- verder -- over het landuitstrekken.200ZERONI ELECTRIC tel. 0 10 415 62 -12 86 63(Odifiex)armaiuren zijn geheel van perspexvervaardigd (ICI)CorrosiebestendigZijn bij uitstek geschikt voor:Chemische Industrie, Laboratoria, Slacht- enKoelhuizen, Hoogovens, ScheepsverlichtingZuivelfabrieken, WasserijenZwembaden, BenzineopslagplaatsenNed. fabrikaatLevering uitsluiiend via de Artiflex-grossiersArtiflex armaturen zijn tevens leverbaar metPHILIPS materiaalUitgebreide katalogus wordt u op aanvraaggaarne toegezonden.(Vervolg)IDe N.V. Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, eeninstelling die de mensen helpt bij het verkrijgenvan een eigen huis, zoekt voor haar kantorenZuthpen, Zwolie en Den Haag eenbouwkundig medewerker(HTS-opIeiding)AfwisseJend werk (deels in binnen- deels inbuitendienst) in team van enthousiaste mensen.Uitstekend salaris, hierboven vakantietoeslag entantieme.5-daagse werkweek, ambten.-pensioenreg.De taak zal beistaan uit het voorbereiden van debouw van BG-woningen; het verlenen van bouw-kiindige service aan de deelnemers; het voerenvan besprekingen met aannemers, architekten e.d.Soil.: eigenhandig gesohreven met voU. inl. overleeftijd, burgerl. staat, opleiding en praktijk,voorzien van reoente pasfoto binnen een weekaan BG-kantoor Zutphen, Deventerweg 44.(Van degenen, die op eerder geplaatste adv. heb-ben gereflekteerd, worden gaame opnieuw sol-licitaties ingewacht).N.V. BouwfondsNederlandse Gemeentende veilige weg naar het eigen huis^gemeente . .enschedeAls ohef van de aMeling Stedebouw van de Dienst vanOpenbare Werken en Volkshuisvesting kan geplaatst wor-den eenstedebouwkundigeVereist: diploma Technisahe Hogescihool te Delft, bij voor-keur voor bouwkundig ingenieur, of diploma H.B.O., als-mede een meerjarige en zeer ruime ervaring in het ver-richten van stedebouwkundig werk.Rangindellng en Solaris: naar gelang van bekwaamheiden eirvaring; salaris ingenieur le klas / 933,50' tot / 1216,50,hoofdinigenieur / 1144,50 tot / 1396,50, hoofdingenieur leklas / 1252,50 tot / 1512,50 per maand, inlbegirepen de coim-perusatie voor a.o.w., doeh omgeacht de oompensatie voorhuurverhaging; vakantietoeslag 4?/o vergoeding krachtensde itijdeiijke ziektekostenregeling en eventueel kinder-toelage.Woning enz. gehuwden: vlotte toewijzing van een wonimgzal zoveel mogelijk w^orden bevordeard. Reiskosten voorwekelijks gezinsbezoek en verihuiiskosten worden vergoed;vaste vergoeding inriohtingskostien 10"/o van de bezoldigingen tegeimoetkominig van 90?/o in pensionkosten,Aaiunelding: uitsluitend sahriftelijk met vermelding letterP bij de afdsling Personeelszaken van de Gemeentesecre-tarie. Een soUicitatieformulier zal daarna worden toe-gezonden.GEMEENTE TILiURGBij het bedrijf der Publieke Werken kan op de afdelingStadsontwikkeling worden geplaatst:een technisch administratieve krachtin de rang van technisch assistent C / 3.978.96 - / 5.537.64exclusief 4?/o huurcompensatie en 4?/o vacantietoeslag.In aanmerking komen soliicitanten in het bezilt van hetMulo-diploma of 3-jarige H.B.S. of L.T.S. met beiangstel-liing voor administratief-technische en archiefwerkzaam-heden op stedebouwkundig gebied.De Gemeente Tilburg is aangesloten bij het I.Z.A.De verplaatsingiskostenregeling van de Gemeente Tilburgis van toepasising.SoUicitaties te zenden aan de Directe'ur van PubliekeWerken, Lange Schijfstraat 66, binnen 10 dagen na hetverschijnen van dit blad.De Directeur van de Provinciale Planologische Dienst inZuid-Holland roept soliicitanten op voor een betrekkingvan ingenieur bij bovengenoemde dienst.Gezocht wordt een jongBOUWKUNDIG INGENIEURmet interesse voor streekplanwerk.Salarisgrenzen van / 8.544,-- tot / 12.444,--, exclusief dehuurcompensatie.Aanstelling boven het minimum is op grond van leeftijden ervaring mogelijk.Uitsluitend schriftelijke sollicitaties dienen te worden ge-richt tot de directeur voornoemd, Riouwstraat 178 te's-Gravenhage.J. J. NEDERSTIGTZILK/HILLEGOMTelefoon 02520-5929 en 5710VHandel inGRASZODENvoor sportvelden en gazons\Aanleg en onderhoud vanSPORTVELDEN enPLANTSOENENGratis adviezen\_Streekplan nu en straksStreekplan N.O. OverijsselHet opstellen van schematischevoorstellingen is daarvoor eente onzent nog veel te weinig gebruiktmiddel om streekplannen voor te be-relden. Maar apres-tout moet eenstreekplan in de eerste plaats een sche-ma van de toekomstige ontwikkelingzijn, slechts voorzover strikt nodig uit-gewerkt. Het is hopen, dat we naarzulke plannen onderweg zijn.Tot dusver belictiaamden versoheidenestreekplannen weinig anders dan hetgoed ruimtelijk opvangen van de ge-volgen van nieuwe ontwikkelingen opallerlei maatschappelijk gebied. Zijkunnen dienen om die ontwikkelingenook te bei'nvloeden, deels in anderebanen te leiden. De r u i m t e 1 ij k eordening is de krachtigste, meest effi-ciente en gedetailleerde vorm van or-dening, die wij in Nederland kennen.Daarbij blijft de economischeordening ver achter, en slechts tot gro-te lijnen beperkt. Daarnaast blijvensociale en culturele plan-ning volkomen incidenteel en fragmen-tarisch, is de f i n a n c i e 1 e planningnog primitief en ene op korte zicht.Voorzover er in Nederland geordendmoet worden, komt te veel alleen terusten op de schouders van die vormvan ordening, die het meest volgroeidis, en dat is de ruimtelijke. De zijde,waarvan deze in de eerste plaats steunnodig heeft, is die der b e s t u u r 1 ij k eordening. Dit wil vooral hier zeg-gen: herziening van de bestaandebestuurlijke orde. Die is het eerste no-dig voor een goede voortgang van hetstreekplanwerk.Het Streekplan voor Noord-Oost-Overijssel Drs. C. /. BosGedurende de laatste decennia leiddein N.O.-Overijssel de wanverhoudingtussen de groei van de werkgelegen-heid en de groei van de bevolking toteen zodanige structurele werkloosheiden relatief tot zulk een geringe wel-vaart, dat de Rijks- en de ProvincialeOverheid besloten door een doelgeriohtregionaal beleid te trachten de levens-omstandigheden voor de bevolkingvan deze streek te verbeteren. Aldusgeraakte men tot een economisah entot een sociaal ontwikkelingsplan voorhet z.g. ,,probleemgebied N.O.- Over-ijssel".Aangezien de beoogde economische ensociale maatregelen veelal ruimtelijkeconsequenties hadden, werd steedsmeer behoefte gevoeld aan een dui-delijk overzicht van de mogelijke ruim-telijke structuur van het gebied in hetalgemeen, en in het bizonder van defunctionele geleding van de streek ingebieden rond de toekomstige indus-trie- en verzorgingskernen.Bijgevolg werd aan de ProvincialePlanologische Dienst in 1956 opdrachtgegeven een streekplan voor N.O.-Overijssel voor te bereiden.Mede dank zij een -- weliswaar tijd-rovende doch vruohtbare -- ideeen-uitwisseling met een commissie vanvertegenwoordigers van de streekbe-volking en de werkzaamheid van dediverse P.P.D.-commissies, kon ten-slotte een plan worden opgesteld,waartegen betrekkelijk weinig be-zwaarschriften binnenkwamen. Hetstreekplan -- dat globaal het grond-gdbied van de tot het probleemgebiedN.O.-Overijssel behorende gemeentenAvereest, Gramsbergen, den Ham,Hardenberg, Ommen en Vriezenveenomvat -- werd op 31 december 1961door de Provinciale Staten vastgesteld.Na een analyse van de ontwikkelings-tendenties konden voor de te verwach-ten en gewenste ontwikkeling van destreck de volgende uitgangspuntenworden opgesteld:1. de toekomstige groei van de be-volking kan niet meer worden op-gevangen in de sector van land-bouw en veenderijen, doc'h is voor-al afhankelijk van de groei vande stuwende Industrie binnen destreek en van de groei van dezeIndustrie binnen een voor het fo-rensenverkeer redelijke afstand bui-ten de streek;2. het Z.O. deel van de streek valtbinnen het economisch krachten-veld van Twente, met name vanAlmelo; derhalve is het reeel teverwachten, dat de ontwikkelingvan de Twentse stuwende Indus-trie voor dit deel van de streekvan grote betekenis zal blijven.3. voor de bevolking van het noor-delijke deel van de streek is de af-stand tot de industriele brandpun-ten over het algemeen te groot voorforensenverkeer, hetgeen leidt totbeduidende vertrekoverschotten.Hier ware, zo mogelijk, althans eenindustriekern tot grotere ontwikke-ling te brengen (Hardenberg);4. voor de overgang van de agrari-sohe naar de industriele sfeer kande aanwezigheid van enkele kleine-re industriekernen (Dedemsvaart,Vriezenveen, Vroomshoop) van nutzijn voor de desbetreffende bevol-king;5. het is op grond van zowel eco-nomisdhe als sociale overwegingen201Streckplan N.O. OverijsselDe hierarchie van de kernen in het streek-plangebied N.O. Overijssel^Aa^rpgewenst in de toekomst een duide-lijike ruimtelijke structuur na testreven en een duidelijke functio-nele hierarchie van kernen.In verband met deze 5 punten houdthet opgezette plan rekening met:a. relatief zeer sterke vergroting vanhet stadsgebied en industrieterrei-nen van Hardenberg;b. relatief sterke vergroting van hetdorpsgebied van Dedemsvaart,Vriezenveen, Vroomshoop en --wegens haar uitgesproken woon-functie -- van Ommen;c. relatief geringe vergroting van deindustrieterreinen van Dedems-vaart, Vriezenveen en Vrooms-hoop, en -- althans in principe --geen aanleg van nieuwe industrie-terreinen elders, anders dan voorverzorgende en bodemgebonden be-drijven;d. ontwikkeling van Hardenberg, De-demsvaart, Vriezenveen, Vrooms-hoop, Ommen, Balkbrug, Grams-bergen, de Krim, den Ham, Slag-haren/Lutten, Bergentheim, Kloos-terhaar, Marienberg/Beerzerveld,Lemelerveld en Vriezenveensewijk/Westerfhaar tot relatief domineren-de verzorgingscentra voor de be-volking van de (? 80!) hen om-ringende buurtschappen en totwoonconcentraties van niet-agra-riers.202'Strcckplan N.O. OvcrijssdSmi^im NOORD.OOST OVERUSSELDe selectie van bovengenoemde domi-nerende verzorgingscentra berust opde volgende uitgangspunten:1. een voor N.O.-Overijssel -- optheoretische gronden 'berekende --voor de toekomst gewenste, onder-linge afstand van de verzorgings-centra van ongeveer 7 km;2. de reeds bestaande verzorgendefunctie der kernen;3. de wens, dat het toekomstige in-wonertal in de verzorgingskern enhet bijbehorende verzorgingsgebiedzodanig is, dat de daar bestaandelevensbeschouwelijke groeperingenvoor hun locale doelstellingen overeen voldoend bevolkingspotentieelbeschikken.Dit theoretische ideaal kan niet in allegevallen volledig worden bereikt, dochde opiossing, die na toetsing van deversohillende modellen met de thansbestaande situatie, tenslotte werd ge-kozen, is volgens de huidige inzichtenwaarschijnlijk wel de best mogelijke.Zij kan tevens dienen als houvast bijde plaatskeuze van ruimtevergendevoorzieningen die het sociaal ontwik-kelingsplan voor N.O.-Overijssel be-oogt (h.v. sociale en culturele centra).Bij de berekeningen van de arealen diein het streekplan voor de diverse be-stemmingen zijn gereserveerd, is uitge-gaan van de gedachte, dat tot het tijd-stip waarop het streekplan fundamen-teel zal moeten worden herzien, het in-wonertal van de streek niet meer zalbedragen dan het aantal dat volgensde natuurlijke bevolkingsaanwas in1980 zou zijn bereikt (102.500 inwo-ners). Dit aantal werd over de ver-sdhillende verzorgingsrayons verdeeld,terwijl vervolgens per rayon werd na-gegaan welk deel van de bevolking inde eigenlijke verzorgingskern zal wo-nen, rekening houdend met een ver-sterkte sanering van het agrarischebuitengebied (niet-agrariers zoveel mo-gelijk naar de kern).De begrenzing van de benodigde op-pervlakte dorpsgebied werd in overlegmet de gemeenten vastgesteld, terwijlde bestemmingsvoorschriften in dit op-zicht zo werden geformuleerd, dat eenzekere flexibiliteit van deze grenzenwerd verzekerd.Rond de dominante verzorgingskernenis ruimte gereserveerd voor voorzie-ningen die noch in de kern noch in hetzuiver agrarische gebied -- dat menzoveel mogelijk gaaf wil houden --thuishoren.N.O.-Overijssel omvat 13.000 hawaardevol recreatiegebied, waarvanvooral de omgeving van Ommen zeerin trek is bij de vakantiegangers. Re-kening houdend met een verviervou-diging van het aantal gasten (geendagtoeristen zijnde) en met de aard203Streekplan N.O. OverijsselStreekplan Oostelijke Mijnstreekvan de vakantiebesteding, moest in hetstreekplan voldoende extra ,,Recreatie-opvanggebied' worden gereserveerdvoor vakantie-oorden en zomerhuisjesmet gezamenlijk 5000 bedden, alsmedevoor enlge kampeerterreinen. ,,Uit-loopgebieden" worden in meer danvoldoende mate gevormd door het,,gemengd bos- en landbouwgebied".Uiteraard werd voorts zorgvuldig na-gegaan welke geibleden als natuurmo-nument moeten worden beschouwd, enhoe een voldoeninggevend net vantoeristische rijwielpaden kon wordenverkregen.Coordlnatie van de belangen van delandbouw, de recreatie en de natuur-bescherming was, hoewel niet eenvou-dig, toch gemakkelijker dan aanvan-kelijk werd gevreesd.In het streekplan zljn voorts opge-nomen de wegen die in de toekomsteen nationale/interregionale functievervullen en de wegen die als regio-nale/interlokale wegen de dominanteverzorgingskernen onderling dienen teveribinden.Qua toekomstige verkeersintensiteit iseen onderscheiding gemaakt in drieklassen:I: 4000-8000 motorrijtuigen per dagII: 1000-4000 motorrijtuigen per dagIII: 500-1000 motorrijtuigen per dag,waar'bij is uitgegaan van de veronder-stelling dat de gemiddelde verkeers-intensiteit in 1980 6 x die van 1955zal bedragen.Ten aanzien van de waterwegen isrekening gehouden met een verbeteringvan de Dedemsvaart en een verbredingvan het kanaal Almelo-Coevorden toteen 600-tons kanaal. Wat de spoor-wegen betreft houdt het streeikplan demogelijkheid open dat de enkelsporigebaanvakken dubbelsporig worden. Opnieuwe spoorlijnen wordt niet gere-kend.Bij de redactie van de bestemmings-voorschriften is er naar gestreefd vanhet streekplan een soepel hanteerbaargeheel te maken, zonder dat daarbijde doeleinden van het streekplan kun-nen worden aangetast. Binnen de doorhet plan gegeven richtlijnen houden degemeenten een zo groot mogelijke vrij-heid op het gebied van de ruimtelijkeordening.In het streekplan beschikt de bevol-king van N.O.-Overijssel nu over eenruimtelijk kader voor haar economi-sche en sociale ontwikkelingsplannen.Moge zij het als haar eigen plan kun-nen blijven beschouwen, conform debedoelingen waarmede het is ontwor-pen.Het Streekplan de Oostelijke Mijnstreek Drs. L. W. HaasMet de vaststelling van het streekplanvoor de Oostelijke Mijnstreek doorProvinciale Staten van Limburg op 8januari 1962 werd, zoals verschillendeStatenleden in hun algemene beschou-wingen naar voren brachten, een be-langrijke stap gezet op het gebied vande ruimtelijke ordening. Dit geldt metname waar het hier een gebied betreftwaarvan de ruimtelijke ontwikkelingvooral in het begin van deze eeuwzeer onbevredigend verliep. Juist hier-om werd algemeen uiting gegeven aangrote waardering voor bet thans op-gestelde, zper constructief geachte plan.Het gebied en zijn ontwikkelingHet streekplangeibied valt samen metbet economisch-geografische gebiedvan dezelfde naam, waarvan de om-grenzing indertijd werd gevonden opbasis van de hoofd-invloedsfeer vande Limburgse mijnen met uitzonderingvan Staatsmijn Maurits. Als zodanigomvat het gebied alle gemeenten waarandere mijnzetels dan de Maurits zijngevestigd en een aantal woongemeen-ten daaromheen.Het gebied als geheel heeft een storm-achtige groei doorgemaakt. De bevol-king groeide van ruim 30.000 in 1889tot meer dan 250.000 thans. Deze ont-wikkeling voltrok zich zeer onregel-matig. Na een periode van vestigings-overschotten van in totaal 66.000 per-sonen tot 1930, waarvan niet minderdan 20.000 tussen 1915 en 1920, kwamtengevolge van de economisohe crisisin de dertiger jaren een decennium meteen vertrekoverschot van 20.000 per-sonen. Kende het gebied voor 1900een relatief belangrijke uitgaande pen-del naar Duitsland, welke ten deleseizoenspendel was, na opkomst vande mijnen ontstond een omvangrijkeinkomende pendel, in de periode na delaatste wereldoorlog afkomstig uit demeeste Limburgse en zelfs enkele Bra-bantse gemeenten.De beroepsstructuur werd door de op-komst van de mijnen volledig omge-bogen. In de vorige eeuw vormde delandbouw de voornaamste bestaans-bron. Thans is de nijverheid toonaan-gevend. In 1956 was niet minder dandrie vierde deel van de daarin werk-zame mannen in dienst bij de mijnen.De kolencrisis van enkele jaren gele-den bracht het gebied vrij plotseling204Streekplan Oostelijke Mijnstrefkin een nieuwe situatle. Het was dezenieuwe toestand welke de directe aan-leiding was tot het opstellen van eenstreekplan.Huidige ruimtelijke problematiekDe spreiding der bevolking werd in deachter ons liggende ontwikkelingspe-riode sterk bepaald door de stichtingvan woningcomplexen, aanvankelijkvooral door de mijnen, doch reeds vrijspoedig voor het grootste deel doorwoningbouwverenigingen. Ten delegroeiden de bestaande kernen in meer-dere of mindere mate uit. Daarnaastkwamen nieuwe woongebieden totstand in de nabijheid van verschillendemijnzetels. Het gebrek aan inzicht inruimtelijke vraagstukken, doch vooralde in de opkomsttijd van de mijnennog slechts beperkte wettelijke regelin-gen op ruimtelijk gebied leidden op talvan plaatsen tot incidentele vestigingvan los gelegen zgn. ,,woninggroepen",welke evenals de nieuwe vestigingenbij de mijnzetels nagenoeg uitsluitenddoor mijnwerkersgezinnen werden be-woond. Lintbebouwing langs tussen dekernen gelegen verbindingswegen re-gen de grotere woonkernen in het ge-bied rond de mijnzetels aaneen. Hetbebouwingsbeeld is hierdoor met namein het oostelijke verstedelijkte deel vanhet streekplangebied, hierna verderaangeduid als ,,stadsgewest", uit ruim-telijk oogp'unt zeer onbevredigend.Ook het verkeerswegenstelsel is doordeze ontwikkeling ernstig in gedranggekomen.Alle wegen met doorgaande functie inhet stree'kplangebied lopen door woon-kernen. Ten dele zijn ze ook buiten deeigenlijke kernen aan weerszijden vol-gebouwd. Het wegennet is hierdoorreeds voor het huidige doorgaandeverkeer ten enen male onvoldoende enlaat slechts incidenteel voldoende ver-betering voor het toekomstige verkeertoe.De opkomst van de mijnen met hunbovengrondse gebouwen en steenber-gen, en de uitbreiding van de woon-gebieden leidden tot zeer omvangrijkeinbeslagneming van agrarische grond.Een speciaal voor het streekplan inge-steld agrarisch onderzoek leidde tot deconclusie, dat in het oostelijke deel vanhet streekplangebied vele gronden, ge-zien hun ligging tussen complexen be-bouwing en industrieterrein, uit alge-meen agrarisch oogpunt van weinigbetekenis meer kunnen worden geacht.De mechanisering van de ondergrondsekolenwinning, welke na de laatste we-reldoorlog een zeer snelle vlucht heeftgenomen, leidde tot versnelde uitbrei-ding van de steenbergen, waardoordeze ruimtelijk sterk hinderende ele-menten gaan vormen. Door de goedemogelijkheden van beplanting hoefthet algemeen landschappelijk aspectte zijner tijd evenwel niet onaantrekke-lijk te zijn. De ondergrondse kolen-winning leidt in de bovengrond totterreinstoringen welke zich met name inde beibouwing demonstreren. Voor devestiging van industriele bedrijvennaast de mijnen is dit ongetwijfeld eenfactor welke de mogelijkheden gevoe-lig kan beperken, al kunnen modernebouw- en funderingsmetihoden vele be-zwaren ondervangen.Naast steenkolen worden in het gebiedop verschillende plaatsen oppervlakte-delfstoffen gewonnen: zilverzand,grind, zand, klei. De lange duur vanvele afgravingen en het naast elkaarbestaan van groeven van meerdereexploitanten heeft op verschillendeplaatsen geleid tot sterke aantastingvan het landschap.TaakstellingIn Limburgs verband gezien is hetstreekplangeibied zeer dicht bevolkt.Het stadsgewest heeft zelfs een bevol-klngsdichtheid van 2000 personen perkm^. De functie van de mijnen, tot nutoe de hoofdbestaansbron, zal in detoekomst, met name tegen de achter-grond van de bevolkingstoeneming, re-latief geringer zijn dan in het verledenhet geval was. Deze beide elementenzouden kunnen pleiten voor een be-perkte ontwikkeling, eventueel zelfsvoor gestimuleerde vertrek-overschot-ten. Intussen zijn er ook argumentenwelke in tegengestelde richting wijzen.Het soheppen van nieuwe werkgele-genheid, door aantrekking van nijver-heid buiten de mijnen, zou voor de be-roepskeuze-mogelijkheden en de econo-mische weerstand van het gebied eenzeer welkome aanvulling betekenen.Indien de eigen bevolkingsgroei binnenhet gebied wordt opgevangen, betekentdit voor de toekomstige personeels-voorziening van de mijnen, die voor-alsnog voor de werkgelegenheid vanzeer grote betekenis zullen blijven, eenGraKck EZ&roeV
Reacties