stedebouw & volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en VolkshuisvestingIn dit nummer: StedebouwBelasting bouwgrond EngelandBesluit en circulaireOpleidingAmbtelijke organisatieVolkshuisvestingModel-bouwverordeningOfficiele mededelingenSummaryjanuari 1966Als de Lauwerszee zai zijn drooggelegd. En dan zaiNederland er weerSOOO havruchtbare grond bij hebben.Maar dat is nog niet alles. Ook de afwatering van Fries-land en Groningen wordt aanzienlijl< beter. Er ontstaatn.l. een boezemmeer met een oppervlai^te van circa2000 ha. In de afsluitdijl< van deze nieuwe polder komendrie uitwateringssluizen. EIke sluis bestaat uit 4 kokers,breed 10 m en diep tot 5 m N.A.P.; de totale doorstoom-breedte bedraagt dus 120 m. Deze sluizen worden ge-bouwd met Nederlands lioogovencement. Ook voor debodemafdekking in fiet golfslaggebied wordt Nederiandshoogovencement gebruikt.VERKOOPASSOCIATIE NEDERLANDS CEMENT ENCI-CEMIJ-ROBUR N.V. AMSTERDAMN.V, CENTRAAL VERKOOPKANTOOR VOOR DE KALKZANDSTEENINDUSTRIE, POSTBUS 23. UTRECHTSEWEG 38. HILVERSUM. TEL. 02950-44951jSi'Kis^sRi;!::4,n>N.,.X.;'.:.; 11(5(5 J- ?^?'J^y;0 so?.14!;;ifi1718II)20'^\^i.-'Maatvastheid is een van de velegoede eigenschappen van de kalk-zandsteen waarop u altijd kunt re-kenen. Door de moderne produktie-methoden kunnen geen maatafwijkin-gen in lengte, breedte of iioogte meervoorkomen. Voor elk project van vrij-staande bungalow tot serieproduktievan v\/oningen en utiliteitsbouwkalkzandsteeni Met en op kalkzand-steen kunt u bouweniModerne bouw = bouw inkalk.zandsteen7 waarden van kalkzandsteen:? geluidwerend? duurzaam? druksterk? maatvast? warmte-isolerend? vocht-absorberend? brandveiligDE INVENTUM BOILER....UW DIENAAR!Ja, zo kunt u de Inventum-boiler noemen . . . uw dienaar. Jaar in jaaruit staat hij voor u klaar en schenkt u het komfort dat alleen een boileru schenken kan. Wat zijn zoal de voordelen van de boiler? Vele!? HiJ roet niet, zodat uw plafond schoon blijft.? Hij geeft direkt een krachtige straal heet (85?) water.? Hij bespaart u tijd, want uw afwasbakje, wasketel of badkuip issnel gevuld.? Hij vereist praktisch geen onderhoud, als hij eenmaal geplaatst is.? Hij warmt gedurende de nacht water op tegen speciaal laag nacht-tarief.? Hij wordt door Inventum in zoveel afmetingen gebouwd, dat ervoor ieder gezin het juiste type geleverd kan worden, hoe grootuw gezin ook is.Ziet u, daarom is de boiler de dienaar van de moderne huishouding.Inventum heeft jarenlange ervaring in het maken van boilers. Vraag? daarom uw installateur of uw elektriciteitsbedrijf eens cm de Inventum-^ boilerfolder.KONINKLIJKE FABRIEK INVENTUM - BILTHOVENGezond wonen in een huis meteen pannendak: door goede re-geling van temperatuur en voch-tigheidsgraad.RELLENDEVoordelig wonen in een huismet een pannendak: het pan-nendak iieeft een zeer largelevensduur en vraagt slechts mi-nimaal - en uiterst eenvoudig -onderhoud.Comfortabel wonen in een liuismet een pannendak; door degoedkope extra ruimte.die maker dat architecten enbouwers graag huizen met par-nerdaken bouwen.En dat mensen van deze tijd ergraag in wonen.Acht punten in het belang vanruimtelijk, rationeel bouwenstuk voor stuk getoetst aan depraktijk, gefest door deskundi-en. Hier zijn ze:Rationeel bouwen van een huismet een pannendak: door toe-passing van functie-splitsendedakconstructie: spanten engordingen dragen; beschot sluitaf tegen tocht en stof; dakpan-nen houden regen, zon en windtegen.Veilig wonen in een huis meteen pannendak: door flexibiliteitvan de kap geen scheuren in debouwmuren; goede beschermingtegen overslaande brand.Beschut wonen in een huismet een pannendak: de bestebescherming tegen alle klimaats-invloeden; snelle afvoer vanregenwater zonder gevaar vanlekkage.Droog wonen in een huis meteen pannendak: doordat het pan-nendak ,,ademt" kan overtolligbouw- en woonvocht .vanzelfverdwijnen.Efficient bouwen van een huismet een pannendak: door toe-passing van eenvoudig te ver-werken materialen, houten pan-nen, die onder alle weersom-standigheden kunnen wordenaangebracht.PUBLICATIE VAN DE VERENIGING VAN DAKPANNENFABRIKANTEN NEDACO |NISecretariaat: Parklaan 25, Bussum, tel. 02959-14188Afd. Techn. Voorl.: Dorpsstraat 52, Loenen/Vecht,tel. 02943-1577VM 07/P4onder de blote hemel...Reeds langer dan tien jaar leveren deze gekombineerde bushalte- en verlichtingszuilen vannikkelhoudend 18/8 roestvrij staal onberispelijke dienst in de hoofdstad van Schotland.Het gemeentebestuur van Edinburgh Net tot op heden 900 van die iichtzuilen plaatsen. De resultaten zijnzo schitterend dat ook de nieuwe autobuslijnen er zuilen worden mee uitgerust. Lichtzuilen van18/8 roestvrij staal bieden maximale weerstand aan korrosle, invreting en roest -- zelfs in bezoedeldeindustrielucht. Ze behouden hun glans, blijven jareniang onverminderd mooi en estetisch.Met hun licht gewicht en makkeiijke instaliatie, met hun uiterst eenvoudig onderhoud kunnen ze inkostprijs wedijveren met ander materiaal dat veel minder mooi is, minder weerstand biedt enminder kwaliteit bezit.NIKKEL - bijdrage tot KWALITEITVoor alle Inlichtingen : INTERNATIONAL NICKEL BENELUX N.V.Nikkei Voorllchtingsbureau - Ravensteinstraat, 36 - Brussel 1INTERNATIONAL NICKELINTERNATIONAL NICKEL BENELUX N.V. Nikkei Voorllchtingsbureaus&vUitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting47e jaargang no.Maandhladjanuari 1966Redactie :Mevrouw Prof. C. W. VisserMe]. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. ]. A. Havens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. van der WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen :Lange Voorhotit 19, 's-GravenhageTelefoon 18422SPostgironummer 29080Advertenties :Nohelstraat 21, HeerlenTelefoon. 04440-2^Postgironummer 1035100t.n.v. N.V. Maatschappij tot Exploitatie vanhet Limburgs Dagblad - HeerlenDit nummerhevat enige kleine artikelen over uiteenlopende onderwerpen. Onder Stedebouwwarden behandeld: de Engelse voorstellen voor een nieuwe waardevermeerde-ringsbelasting, het Besluit op de ruimtelijke ordening, een ministeriele circulaireover de nieuwe wet en de opleiding voor de ruimtelijke ordening.Onder Volkshuisvesting komen aan de orde: de model-bouwverordening van deVereniging van Nederlandse Gemeenten in haar betekenis voor de volkshuis-vesting en een recente intreerede van een bizonder hoogleraar in de bouweco-nomie aan de Universiteit van Amsterdam.InhoudStedebouwDe invoering van een waardevermeerde-ringsbelasting op bouwgrond en het in-stellen van een ,,Land Commission" inEngeland, Drs. B. Kruyt 3Besluit en circulaire, H. v.d. W. ... 6De opleiding voor de ruimtelijke ordening,Drs. H. van der Weijde 9Adres inzake de ambtelijke organisatie . 12Binnenland 14Buitenland 15VolkshuisvestingDe model-bouwverordening, Ir. J. F. A.AlozeriJ 15Boekbespreking, H. v.d. W 17Binnenland 19Offkiele MededelingenNederlands Instituut 22Rijksplanologische Dienst 22Summary 24Ahonnementsprijs f 24,--. Losse nummers f 2,^0.De leden van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting en deleden van de Nationale Woningraad ontvangen het hlad kosteloos.StedebouwBelasting bouwgrond EngelandstedebouwDE INVOERING VAN EEN WAARDEVERMEERDERINGSBELASTING OP BOUWGROND EN HET INSTEL-LEN VAN EEN ,,LAND COMMISSION" IN ENGELANDDrs. B. KruijtDe Labour-regering publiceerde Sep-tember j.l. een Witboek, waarin voor-stellen worden gedaan om een belas-ting op waardevermeerdering vanbouwgrond te heffen. Tevens ligt hetin de bedoeling een Land Commissionin te stellen, die grondaankopen kanverrichten en waaraan onteigenings-bevoegdheid wordt verleend.DoehtellingenEr liggen twee gedachten aan het voor-stel ten grondslag:le. Men wil de waardevermeerderingvan de grond, die een nieuwe bestem-ming krijgt -- doorgaans van land-bouwgrond tot bouwgrond -- voor eenbelangrijk deel aan de gemeenschapdoen toekomen en zo de grondkostenvoor publieke doeleinden verminderen.2e. Men wil zich door het instellenvan een Land Commission er vanverzekeren, dat tijdig en in voldoendemate bouwgrond beschikbaar komtvoor de uitvoering van nationale,regionale en lokale plannen.De voorgestelde maatregelen vloeienvoort uit de klacht, dat de hoge ver-wervingskosten de overheid verhinde-ren gewenste projecten uit te voeren.Thans wordt veel grond door grond-eigenaars niet ten verkoop aangebodenin de hoop er op een later tijdstip eenhogere prijs voor te kunnen bedingen.Een zo laag mogelijke grondprijs is vanbelang om nieuw te bouwen woningenzo goedkoop mogelijk te leveren.De benedengrens voor de kosten vanbouwgrond is de agrarische gebruiks-waarde, vermeerderd met de kostenvan het bouwrijpmaken. De boven-grens wordt bepaald door de maximalewaarde die de gebruiker voor hetbouwterrein over heeft.Tussen deze grenzen bestaat in de regeleen ruime marge. De prijs van destedelijke bouwgrond ligt als regeltussen beide grenzen.MaatregelenDoor het instellen van een Land Com-mission wil de regering komen tot eengrondpolitiek, waarblj het mogelijk isgrond te onteigenen voor een bedraggelijk aan de gebruikswaarde van degrond in zijn huidige bestemming(meestal agrarisch), plus een gedeeltevan de te verwachten toekomstigewaardevermeerdering.Daarnaast wil de regering op alletransacties in bouwgrond een waarde-vermeerderingsbelasting heffen.Deze belasting dient door de verkoperte worden betaald.In geval geen grondtransacties (en dusgeen belastingheffingen) hebben plaats-gevonden, en de grond door de eige-naar zelf in ontwikkeling wordt ge-bracht, dan moet, voordat de bouwder opstallen wordt aangevangen,eveneens een waardevermeerderings-belasting worden betaald. Hierbij zaleen uitzondering worden gemaakt voorde eigenaar, die zijn grond bestemtvoor het bouwen van een huis voorzelfbewoning.De heffing, die door de Land Com-mission wordt geheven, zal aanvanke-lijk 40''/o van de waardevermeerderingvan de bouwgrond bedragen. Het ligtin de bedoeling dit percentage daarnatot 45 en tenslotte tot 50 te latenstijgen.Als waardevermeerdering ("develop-ment value") wordt beschouwd hetverschil tussen de waarde als bouw-grond en de waarde als landbouw-grond. Is een stuk grond, waarvoor noggeen bouwvergunning was afgegeven,reeds verkocht voor een hogere waardedan de agrarische waarde, dan wordtde waardevermeerderingsbelasting ge-heven over het verschil tussen dewaarde als bouwgrond en de prijs diede laatste verkoper voor de bouw-grond heeft betaald.Het belang van de voorstellen schuilthierin dat de regering als het ware eensynthese wil bewerkstelligen tussen deonteigeningsprljs en de verkoopprijs opde vrije markt. Het ligt in de bedoelingbij onteigening een uitkering aan deeigenaar te geven, die even hoog is alswanneer de grond op de vrije marktzou zijn verkocht, minus de te heffenwaardevermeerderingsbelasting, om al-dus een prijsdiscriminatie te voorkomen.Historische achtergrondVoor de beoordeling van de voorstel-len, die in het Witboek zijn gedaan,is het nodig na te gaan welke grond-politiek in het verleden is gevoerd.StedeboHWBelasting houwgrond EngelandIn Engeland is men, evenals overlgensIn vele andere landen, er blijkbaar totnu toe niet in geslaagd een bevredi-gende oplossing te vinden om eenonverantwoorde prijsstijging van degrond tegen te gaan.De waarderingsnorm bij onteigeningwerd een aantal keren in deze eeuwgewijzigd.Bij de Town en Country Planning Actvan 1947 werd een Central Land Boardingesteld, die belast werd met aankoopen onteigening van gronden en hetinnen van een belasting op waarde-vermeerdering van grond.Op alle grond, waarop men gebouwenging plaatsen, werd een waardever-meerderingsbelasting van lOOVo ge-heven, die door de koper van de grondof door de grondeigenaar betaaldmoest worden.Men noemde dit de ,,nationalisatie vande waardevermeerdering". De grond-eigenaar moest, wanneer hij zijn grondwilde bebouwen, als het ware eenbouwvergunning met de belasting-gelden kopen.De Central Land Board had echter tebeperkte bevoegdheden. 2ij kon bijv.slechts gronden onteigenen, indien eeneigenaar grond ten verkoop had aan-geboden voor een hogere prijs dan debij de wet van 1947 vastgesteldegebruikswaarde, die als norm vooronteigening gold.Het systeem van onteigening en ver-koop op basis van de gebruikswaardevan de grond, waarbij de waardever-meerdering ten voile aan de gemeen-schap toeviel, voldeed in de praktijkniet. Het bleek namelijk dat het aantalvrijwillige verkopen van land met eenpotentiele waardevermeerdering vooreen prijs gelijk aan de gebruikswaarde,meer uitzondering dan regel was.Bovendien werd er veel land verkochtvoor een hogere prijs dan de gebruiks-waarde. Dit in tegenstelling tot hetgeende Central Land Board veronderstelde,die er van uitging dat de bouwer nietbereid zou zijn meer dan de gebruiks-waarde te betalen. Men had er echtergeen rekening mee gehouden, dat in depraktijk de bouwer de waardever-meerderingsbelasting plus het extrabetaalde bedrag boven de gebruiks-waarde om de grondeigenaar te be-wegen de grond te verkopen, kon af-wentelen op de toekomstige huiseige-naar. Grond met een bouwvergunningis namelijk schaars zodat de toekom-stige huiseigenaar graag lets meerbetaalt om in het bezit te komen vaneen huis, waarover hij de vrijebeschikking heeft.In 1954 werd de waardevermeerde-ringsbelasting opgeheven, zodat trans-acties voortaan op basis van de markt-waarde konden plaatsvinden.Doch hierbij ontstond een anderemoeilijkheid: de prijzen die op demarkt betaald werden, waren door-gaans hoger dan die voor land datontelgend werd voor publieke doel-einden. Onteigening vond namelijk nogwel plaats voor een prijs gelijk aan degebruikswaarde. Degene die onteigendwerd, moest genoegen nemen met eenlagere prijs dan bij vrije verkoop be-dongen kon worden. Aangrenzendeeigendommen, die niet onteigend wer-den, konden voor een hogere prijsworden verkocht. Zo ontstond door dit,,twee-prijzen" systeem een discriml-natie tussen de grondeigenaars.Teneinde deze discriminatie op te hef-fen, ging men er in 1959 toe over ookvoor onteigening de marktwaarde alsnorm te gebruiken, waarmee men inprincipe terugkeerde tot het systeemvan voor 1919, toen de gemeenteneveneens gronden tegen marktwaardeverwierven. Echter met dit verschil.dat er, in tegenstelling tot voor 1919,nu een ,,planning control" is, hetgeenaanleiding geeft tot tal van complica-ties. De waarde van de grond wordtnamelijk bei'nvloed door de bestemmingdie de overheid aan de grond geeft.Door de planning ontstaan, zolanguitbreidingsplannen nog niet definitiefvastgelegd zijn, onzekerheden, die hetbuitengewoon moeilijk maken in be-paalde omstandigheden de markt-waarde te schatten.Beoordeling der voorstellen en conse-quenties ten aanzien van de grond-prijzenMet de voorstellen die de regeringthans in het Witboek doet, spreekt zijzich uit voor een systeem, waarbij demarktwaarde weliswaar gehandhaafdblijft, doch waarbij een deel van dewaardevermeerdering van de grondwordt afgeroomd.De voorstellen, zoals deze in het Wit-boek zijn vastgelegd, zullen binnenkortworden uitgewerkt in een wetsontwerp.Hoewel de voorstellen dus nog nietzijn aangenomen, staat bij de Labour-regering de gedachte voorop eventuelewaardestljgingen van de grond aan degemeenschap ten goede te laten komenen niet aan de toevalllge eigenaar.Voor de Invoering van de waarde-vermeerderlngsbelastlng is dit een voor-naam argument.De baten voortvloelende uit de waarde-vermeerdering van de grond, kunnendoor de overheid onder meer gebrulktworden voor de financiering van infra-structurele werken.De voorstellen zijn in het kader van dedoelstellingen van de Engelse grond-politiek acceptabel, hoewel een aantaltechnische bezwaren zijn aan te voeren.De bezwaren vloelen voort uit het feltdat de regering enerzljds de prijs vande bouwgrond In zekere zin wilStedebouwBelastin^ bouw^rond Engelandfixeren, terwijl men anderzijds trachtvast te houden aan de werking vanhet marktmechanisme.Een eerste moeilijkheid hierbij schuiltin het feit dat het bedrag dat deverkoper bij vrije verkoop, na aftrekvan de belasting ontvangt, gelijk moetzijn aan de prijs die hij in geval vanonteigening zou moeten ontvangen. Bijde heffing van de waardevermeerde-ringsbelasting gaat men uit van de bijverkoop gerealiseerde winst, terwijlmen bij onteigening uitgaat van degeschatte of veronderstelde winst.In de praktijk zal het waarschijnlijkzeer moeilijk zijn het zo geduchte,,twee-prijzen" systeem te vermijden.Bij onteigening moet men naast demarktwaarde ook de gebruikswaardeals agrarische grond vaststellen om de,,development vakie" te kunnen be-palen, waarbij het de vraag zal zijn ofin geval van vrije verkoop niet eenhoger (of lager) bedrag gerealiseerdzou worden.Een tweede bezwaar: de in het Wit-boek vervatte voorstellen behelzenalleen een waardevermeerderingsbelas-ting op bouwgrond en niet op andereonroerende goederen zoals woningen engebouwen. Wanneer de vraag naarwoningen en/of gebouwen groter is danhet aanbod, dan zullen de bouwers,die de grond voor marktwaardemoeten kopen (niet de koper, maar deverkoper betaalt de belasting) dezeprijs doorberekenen in de verkoopprijsen/of in de huur.Genoemde waardevermeerderingsbe-lasting heeft dus geen prijsverlagendeffect op de grondprijzen in de privatesector.In geval de bouwer de grond reeds ineigendom heeft, moet hij op het mo-ment dat hij de grond wil bebouwen,eveneens een waardevermeerderings-belasting betalen, evenals bij de wet-geving van 1947 het geval was.Deze belasting kan hij doorberekenenin de verkoopprijs van het gebouwde,waarbij het niet onwaarschijnlijk is, dathij zo mogelijk de gederfde winst alsgrondexploitant nog eens extra in reke-ning zal brengen. In dat geval zou eengrondprijsverhogende werking uit devoorgestelde maatregelen kunnen voort-vloeien.Samenvattend kan men stellen dat ge-noemde voorstellen geen prijsverlagingvan de grond voor private doeleindenten gevolge zullen hebben. Veeleermoet men rekenen op een prijsverho-ging van de grond, omdat afwentelingvan de verhoogde grondprijs op ge-bouwde onroerende goederen niet on-mogelijk is.De maatregelen zullen alleen gunstigegevolgen hebben voor de koop- en ont-eigeningsprijzen voor publieke doel-einden, voorzover hierbij geen doorver-koop aan particulieren plaatsvindt.Wil men voorkomen dat de grond-eigenaar-bouwer zijn gederfde winst inde verkoopprijs van het gebouwdeonroerend goed doorberekent, dan ver-dient het aanbeveling ook op de ge-bouwen een waardevermeerderings-belasting te heffen.Men moet er namelijk op bedacht zijn,dat de ene kunstmatigheid de andereuitlokt.De toepassingsmogelijkheid van eenbelasting op waardevermeerdering vanbouwgrond in NederlandVooropgesteld moet worden, dat indienmen zou overwegen in Nederlandeen waardevermeerderingsbelasting opbouwgrond te heffen, dit weinig effectzou sorteren, indien niet tegelijkertijddeze belasting van toepassing werdverklaard op alle transacties in onroe-rende goederen en met name opwoningen.In de Regeringsverklaring van 27 april1965 van het Kabinet-Cals is aange-kondigd dat voorstellen zullen wordeningediend voor het belasten van specu-latiewinsten. Deze belastingheffing zalbetrekking hebben op gerealiseerdewaardestijgingen en -dalingen van tothet persoonlijk vermogen behorendegebouwen, gronden en effecten.In tegenstelling tot de Engelse voor-stellen zullen alle onroerende goederenworden belast.Als speculatiewinst zullen alleen wor-den aangemerkt de winsten die gereali-seerd worden binnen een nader tebepalen termijn. Hiermee verschilt despeculatiewinstbelasting in opzet vande Engelse belastingheffing, waarbij dewaardestijging bij realisering niet aaneen bepaalde termijn wordt gekoppeld.Enerzijds strekken de Nederlandsevoorstellen verder dan de Engelse,omdat alle onroerende goederen onderde belastingheffing vallen.Anderzijds strekken de voorstellenminder ver dan de Engelse omdat nietalle transacties -- zowel speculatieveals niet-speculatieve -- aan de belas-ting zijn onderworpen.Beide voorstellen betekenen een eerstestap op weg naar de afroming van dewaardevermeerdering.Indien de Nederlandse regering zoubesluiten maatregelen te nemen om dewaardevermeerdering van onroerendegoederen aan de gemeenschap te latentoevloeien, zou het wellicht de voor-keur verdienen genoemde aspecten vanbeide voorstellen te combineren.Dit zou betekenen een belastingheffingop de waardevermeerdering (i.p.v. eenspeculatiewinstbelasting) op alle on-roerende goederen. Slechts dan zal deoverheid de baten uit de waardever-meerdering van grond kunnen incas-seren zonder dat deze op de woning-markt worden afgewenteld.StedebouwBeslult en circulaireBESLUIT EN CIRCULAIREDe nieuwe wet op de ruimtelijke orde-ning is nu ongeveer een half jaar inwerking. Die werking is intussen nogonvolledig. Voorlopig gelden nog destreekplannen, uitbreidingsplannen enz.die onder de oude wet tot stand kwa-men, wat de streekplannen aangaatmet het effect van nieuwe plannen enwat de gemeentelijke maatregelen be-treft met behoud van het oude rechts-gevolg.Uitbreidingsplannen en andere stede-bouwkundige maatregelen, die nogvoor 1 augustus 1965 ter visie warengelegd, kunnen bovendien nog op deoude voet worden vastgesteld en goed-gekeurd.Maar men is overal ijverig bezig zichin de nieuwe wet te verdiepen en datmoet ook wel, want maatregelen dienu in ontwerp gereed komen, volgende procedure van de nieuwe wet enverder loopt nu ook sinds 1 augustus1.1. de termijn van vijf jaar die de wetvoor de aanpassing van de oude plan-nen aan de eisen van de nieuwe wetstelt.Dat de eerste orientering omtrent eisenen mogelijkheden van de wet vooralin gemeentelijke kring tot veel vragenleidt, blijkt o.a. uit hetgeen al aanhan-gig is gemaakt bij de dezer dagengei'nstalleerde Commissie voor de juri-dische vraagpunten van de wet op deruimtelijke ordening. Intussen beschik-ken wij nu als leidraad,, behalve overhet besluit op de ruimtelijke ordeningvan 24 juli 1.1., over een ministerielecirculaire van 7 december 1.1. De in-houd van deze circulaire wordt in hetvolgende nummer in gecomprimeerdevorm weergegeven. Bij deze beidestukken in hun onderling verband be-zien wil ik enkele aantekeningen ma-ken. Aantekeningen; geen aangescha-keld kritisch kommentaar. Ik meen dathet weinig zin heeft met name hetbesluit op de ruimtelijke ordeningartikel voor artikel te gaan besprekenen kritiseren. Redactionele muggen-zifterij over kwesties die voor de toe-passing van weinig belang zijn, heeftgeen reele betekenis.Bij het besluit moet met waarderingworden vermeld dat het stuk voorzienis van een toelichting, waardoor destellers de gelegenheid hebben hun be-doelingen te verduidelijken.Bizonder scherp treedt in het besluitaan de dag dat het onderzoek alsgrondslag van de plannen bij provincieen gemeente wordt erkend. Gedepu-teerde Staten worden belast met eenvoortdurend onderzoek, dat naderwordt gespecificeerd en voor Burge-meester en Wethouders geldt een zelfdeverplichting. Wie zich het langzameproces voor ogen stelt dat het onder-zoek In de ruimtelijke ordening heeftdoorgemaakt op zijn weg naar erken-ning, zal deze duidelijke eisen als eenmijlpaal van verstrekkende betekenissignaleren.In provinciaal verband consolideert deeis van voortdurend onderzoek watsedert lang regel is. In gemeentelijkverband is dat anders. Afgezien vande grote en middelgrote gemeenten enenkele combinaties van kleinere, dieover een gemeenschappelijk onderzoek-apparaat beschikken, wordt er in degemeenten op zijn best incidenteel enmet beperkte doelstelling onderzoek-werk verricht. Aan de nu gestelde eiskan niet ogenblikkelijk over de voilelinie worden voldaan. Onderzoekersvan academisch en middelbaar niveauzijn schaars en men zal bovendien debureaus met behoorlijke bezetting enervaring, die dat werk kunnen doen,niet uit de grond kunnen stampen. Devraag hoe deze zaak organisatorischhet beste kan worden opgevangen isechter in studie genomen. i) En onder-wijl zullen de gemeentebesturen bij elkplan dat op grond van de nieuwe wetwordt vastgesteld en ter goedkeuringaangeboden verslag moeten uitbrengenvan het onderzoek, waarop het berust.Men mag aannemen dat deze bepalingaanvankelijk soepel zal worden ultge-legd. Maar men moet er evenzeer oprekenen dat men er van het begin afaan zonder onderzoek, al is het be-knopt en globaal, niet komt enverder dat de eis geleidelijk strengerzal worden gehanteerd. Die eis openteen perspectief van veel beter gefun-deerde en verantwoorde plannen danwij tot dusver in vele gemeenten heb-ben kunnen bereiken.Is bij alle plannen een verslag van hetonderzoek een voorgeschreven bestand-deel van de toelichting, er is een op-merkelijk verschil tussen streekplan enstructuurplan aan de ene en het be-stemmingsplan aan de andere kant. Bijde eerstgenoemde plannen staat debeschrijving voorop en komt de kaartpas in de tweede plaats, bij het be-stemmingsplan is de volgorde anders-om. Dit houdt kennelijk verband methet verschil in karakter. Steekplan enstructuurplan regelen volgens wet enbesluit niet de bestemming, zij gevenalleen de ontwikkeling in hoofdlijnenaan.De vraag is hoe men zich dit in depraktijk denkt. Kan men op een kaartde ontwikkeling in hoofdlijnen aan-geven zonder tot bestemmingen tekomen? Op een plaats wordt in de wettrouwens gesteld dat een structuurplanaanwijzingen zou kunnen geven voorde bestemming (art. 21, zevende Hd).Deze onderscheiding maakt een enigs-^) Door_ een commissie uit de Sectie voorPlanologisch Onderzoek van het InstituutStedehouvfBesluit en circulairezins kunstmatige indruk, evenals descherpe scheiding die het besluit toonttussen de bestemming en het gebruik.In de plaats van de oude bebouwings-voorschriften komen nu voorschriftenvoor het gebruik. De bebouwing wordtin het besluit (art. 10, vierde Hd) alseen vorm van gebruik genoemd, naastander gebruik van de grond en gebruikvan de opstallen. Men komt hier totde vi^onderlijke constructie dat debebouwing een vorm van gebruik vande grond zou zijn. De voorschrifteninzake de bebouwing zijn uiteraardnodig voor een behoorlijke toetsing vande bouwaanvragen aan het bestem-mingsplan. Een overeenkomstige rege-ling met betrekking tot de werken enwerkzaamheden, waarvoor aanleg-vergunning kan worden geeist, bestaatechter niet. Hier eist het besluit alleenmaar: ,,de aanwijzing van de gebieden,waarin en van de werken en werk-zaamheden, waarvoor ingevolge hel,plan een aanlegvergunning is vereist.(art. 10, vierde lid, onder d). Is hetvoor de rechtszekerheid en voor eenredelijke toetsing van die werken enwerkzaamheden ook niet gewenst uitte gaan van voorschriften, waarmeeeen aanvrage kan worden geconfron-teerd, precies als bij de bebouwing ?Een belangrijk onderdeel van hetBesluit op de Ruimtelijke Ordeningregelt de planologische organen. Daar-onder verschijnt niet ten onrechte alseerste de Rijksplanologische commissie,niet ten onrechte, omdat dit het hoogsteRijksorgaan is waar de strijd van be-langen zich zal afspelen en naar wemogen hopen, het evenwicht van be-langen zal worden gevonden, afgezienvan het terugspelen van onbeslistegeschillen op de Ministerraad. De om-schrijving van de taak van deze com-missie (art. 26, eerste lid) is niet opalle punten duidelijk. ,,Het doen vanvoorstellen betreffende streekplannen.structuurplannen, bestemmingsplannenen andere maatregelen op planologischgebied, voorzover van algemene aardof strekking" is een deel van die taak.Wat voor voorstellen dit kunnen zijn,is noch uit de tekst noch uit de toe-lichting af te leiden. Heeft men ge-dacht aan de interne voorbereiding vanaanwijzingen? Enigszins geheimzinnigzijn ook de ,,andere maatregelen opplanologisch gebied". Hier komt ookde gedachte aan de aanwijzingen op.Uit de circulaire weten wij dat deMinister het voornemen heeft destreekplannen die aan hem ter kennis-geving worden aangeboden, aan deRijksplanologische commissie voor teleggen, die daarover advies zal moetenuitbrengen. Dit kan naderen tot deoude figuur van de goedkeuring. Ditvoornemen en trouwens de hele passa-ge over het streekplan in de circulaireverraadt duidelijk dat de Minister aanhet streekplan als instrument van ruim-telijke ordening grote waarde hecht.Een volgend onderdeel van de taakvan de Rijksplanologische commissie is,,het ontwerpen van richtlijnen voorliet planologische werk". De toelich-ting helpt ons niet aan aanwijzingenomtrent de aard van die richtlijnen.Ziet men de circulaire van 7 decemberals een dergelijke richtlijn? Enige na-dere opheldering is hier wel nodig.In hetzelfde artikel worden de colle-ges met name genoemd, die als cen-tra van coordinatie gelden voor maat-regelen en plannen, met de consequen-tie dat alles wat daar behandeld wordtbuiten de Rijksplanologische commis-sie kan blijven. Deze colleges zijn:de Raad van de Waterstaat, de Zui-derzeeraad en de Centrale Cultuur-technische Commissie. De toelichtingwijdt aan deze regeling een uitvoe-rige beschouwing, waarbij herinnerdwordt aan de bij de behandelingvan het ontwerp in de Tweede Kameraan deze nevencentra van ruimtelijkecoordinatie gestelde eisen.De Minister meent dat de thans aan-vaarde regeling voldoende waarborgeninhoudt dat een effectieve coordinatiezal plaats vinden. Wel zuUen de Raadvan de Waterstaat en de Zuiderzee-raad nog moeten worden aangepast bijde nieuwe situatie. In elk geval,blijkt verder uit de toelichting, zalhet Rijkswegenplan behalve in de Raadvoor de Waterstaat ook in de Rijks-planologische commissie moeten wor-den behandeld. En tenslotte kan iedereMinister die in de RijkplanologischeCommissies vertegenwoordigd is, tegeneen maatregel of plan dat elders be-handeld wordt, bezwaar maken opgrond van het Regeringsbeleid inzakede ruimtelijke ordening, met het ge-volg dat dan toch nog behandelingin de Rijksplanologische Commissiemoet plaats vinden. Binnen het doorde wet getrokken kader is deze rege-ling redelijk te noemen. Het hoofdbe-zwaar richt zich tegen dat kader zelf.Kan de Rijksplanologische Commissiehaar taak behoorlijk vervullen, als zijvan grote plannen die in de ruimtelijkeindeling van ons land diep ingrijpen,geen kennis krijgt? De figuur die voorhet Rijkswegenplan is gekozen zou uit-breiding moeten ondergaan; grote cul-tuurtechnische plannen, plannen voorde IJsselmeerpolders e.d., zouden ookeen dergelijke dubbele behandelingmoeten krijgen.Onder de Rijksplanologische organenworden met name de inspecteurs vande ruimtelijke ordening genoemd, maarde bepaling, die hierop betrekkingheeft, helpt ons niet uit de moeilijk-heid, die de wet zelf al heeft opge-roepen, namelijk de vraag hoe menzich de taakverdeling van deze in-specteurs ten opzichte van de provin-ciale planologische diensten moet den-ken. Zij helpt ons evenmin uit eenStedebottiDBesluit en circulaireandere moellijkheid, die de lezer vande wet misschlen niet bespeurt, maardie in feite toch bestaat, namelijk detaakverdeling van deze inspecteur endie van de volkshuisvesting. De circu-laire geeft zich van deze laatste moei-lijkheid wel rekenschap. De Ministerdoet daarin een beroep op de mede-werking van de besturen van provin-cies en gemeenten om te bereiken datde inspecteur van de ruimtelijke orde-ning bij de integratie van het beleid opde verschillende bestuursniveaus eencoordinerende rol kan spelen.Verder bevat de circulaire het verzoekdeze inspecteur van elk vastgesteld be-stemmingsplan een exemplaar toe tezenden. Dan volgt merkwaardigerwijs:,,ook de inspecteur van de volkshuis-vestiging zal daarop prijs stellen". Ishet alleen een toevallige zinswendingdat hier de wens van de inspecteurwordt overgebracht en niet de wensvan de Minister uitgesproken? En moetdit inderdaad voor elk bestemmings-plan gelden, voor het plan voor een in-dustriegebied, voor een recreatiege-bied? De beide inspecteurs komen inde circulaire opnieuw ter sprake bijde kwestie wie moet worden gehoordover de bezwaren tegen een voorlopiggoedgekeurd onteigeningsplan. Volgensde circulaire moet dat bij de onteige-nlng voor de bekende doeleinden vanvolkshuisvesting de inspecteur van devolkshuisvesting zijn, terwijl B en Woverigens moeten beslissen naar de aardvan de bestemming die men wil rea-liseren en verder geleid door de vraagof er bovengemeentelijke belangen bijzijn betrokken. Voor het horen vanbeide inspecteurs in sommige gevallenwordt ruimte gelaten.Wat de Minister hier aanbeveelt, lijktwel redelijk, maar er schuilt in hetoverlaten van de keuze tussen de bei-de inspecteurs toch een element vanonzekerheid, dat blijkbaar het gehelegebied op dit punt voorlopig nog door-trekt.Nog een enkele opmerking over hetdeel van de circulaire dat enige vraag-punten bespreekt die de onteigeningdoet rijzen. Onteigening op grond vaneen verordening ex art. 43 van deWoningwet is volgens de Minister ooknu nog niet mogelljk. 2o een veror-dening geldt wel als een bestemmings-plan in de zin van de nieuwe wet,maar met de restrictie, dat zij hetrechtsgevolg behoudt dat zij bij het in-werkingtreden van deze wet had.Dit moet volgens de Minister als eenlimitatieve bepaling worden gezien.Belangrijker lijkt mij dat deze ver-ordeningen niet als grondslag voor ont-eigening zijn opgezet. Voor stads- endorpsvernieuwing kan men het betreu-ren dat deze onteigening niet mogelljkwordt geacht. De enige uitweg, alsrooilijnen en bouwverboden ter plaatseniet een voldoende grondslag voor ont-eigening opleveren, is de omzetting vande oude maatregelen in een bestem-mingsplan volgens de nieuwe wet.De toepassing van de exploitatie-verordeningen en van de nieuwe be-lasting op grond van art. 282 Ge-meentewet ziet de Minister als eenmiddel om tot verhaal van kosten tekomen zonder de noodzaak om allegrond te verwerven. Hij acht het nietuitgesloten dat daardoor de kans opspeculatie in gronden zal verminderen.,,Bij deze speculatie immers laat menzich veelal leiden door de tot dusverregebruikelijke praktijk dat de gemeen-ten uiteindelijk al die gronden zal ver-werven". Dit betoog kondigt in geenenkel opzicht een wijziging van hetonteigeningsbeleid aan. Dit wordt uit-drukkelijk vooropgesteld. Mij lijkt desuggestie van de Minister niet sterkgefundeerd. De onteigening van gron-den door gemeenten gebeurt toch nietin de eerste plaats om tot een goedverhaal van kosten te komen, maaromdat aldus de grond dikwijls hetmeest doelmatig bouwrijp kan wordengemaakt en ook omdat zo het in ex-ploitatie brengen op een tijdstip en ineen omvang die in het gehele gemeen-telijk beleid passen verzekerd is.Wordt de speculatie -- bedoeld is ken-nelijk een prijsstijging, die buiten ver-houding staat tot reele gebruiksmoge-lijkheden van de grond -- inderdaadbeheerst door het vooruitzicht van ont-eigening van gemeentewege? Waar degemeente stelselmatig en op lange ter-mijn pleegt te onteigenen -- ik denkaan Amsterdam -- doet zich dezeprijsstijging niet scherp gevoelen. Enwaar de prijsstijging op het ogenblikzich zeer geprononceerd vertoont, inrecreatlegebieden buiten de sfeer vanstads- en dorpsuitbreiding, speelt dekans op onteigening helemaal geen rol.Trouwens als de prijsstijging vooruit-loopt op de onteigening, dan betekentdit dat men rekent op een onteigenings-rechter die speculatieve prijsverhogin-gen gemakkelijk honoreert. Daarmeekomen wij weer terecht bij de in deRegeringsverklaring ontwikkelde denk-beelden tot het uitschakelen van deprijsverhogende werking van het be-stemmingsplan.Ik hoop dat wij binnenkort van de uit-werking van die denkbeelden meerzullen horen.H. V. d. W.StedehouufOpleiding ruimtelijke ordeningDE OPLEIDING VOOR DE RUIMTELIJKE ORDENING i) Drs. H. van der WeijdeHet is hoog tijd dat wij ons in Neder-land ernstig en systematisch in het helevraagstuk van de opleiding voor deruimtelijke ordening gaan verdiepen.Totnutoe is dit alleen incidenteel en bijgedeelten gebeurd. Wij hebben weinigof niets dat wij kunnen stellen tegen-over de vele recente publicaties overdit onderwerp uit het buitenland, bijv.internationaal de verzameHng feitehjkegegevens, door de International Fede-ration in 1952 gepubliceerd onder detitel ,,Education in Town Planning", enhet verslag van het door de VerenigdeNaties in 1956 over dit onderwerp inPuerto-Rico gehouden seminarium; uitEngeland het bekende Schuster-rap-port; uit Duitsland een aantal pu-blicaties, beginnend met de brochurevan Goderitz tot de jongste publica-ties van de Deutsche Akademie in deMitteilungen van die organisatie; uitde Verenigde Staten in het bizonderhet rapport van Frederick Adams vanhet Massachusetts Institute of Techno-logy.Wij staan inderdaad ook in ons landvoor een ernstig probleem, dat snelin intensiteit en urgentie toeneemt. Hetis in de eerste plaats kwantitatief. Inde vergadering van de Stedebouwkun-dlge Raad van 1957 over dit onder-werp zijn al gegevens verstrekt overaanbod en behoefte. Het staat te vre-zen dat de wanverhouding tussen bei-de snel zal toenemen. De nieuwe wetzal veel extra-werk meebrengen, deaanpassing in kort tijdsbestek van degeldende plannen, terwijl het lopendewerk voortgang moet hebben; boven-dien zal de wet het stedebouwkundigewerk in de bebouwde kernen op groterschaal mogelijk maken en in de handwerken. Het streekplanwerk mogeogenschijnlijk simpeler worden doorhet wegvallen van de rechtskracht vande plannen, waardoor de voorberei-ding misschien minder omslag eist,daartegenover staat dat de ruimtelijkeordening in regionaal en provinciaalverband door de voortgaande verstede-lijking, de cultuurtechnische werken,de Delta-plannen enz. in vele gebie-den onder de aandrang van nijpendeproblemen pas goed op gang zal ko-men. Op het Rijksniveau moet wordenbedacht dat de Rijksdienst door denieuwe wet een vaste wettelijke grond-slag krijgt en dat hij steeds meer ge-ruggesteund door de openbare belang-stelling en door die van Regering enParlement zich eerst nu goed zal kun-nen ontplooien. De door de wet ge-eiste benoeming van inspecteurs van deruimtelijke ordening zal de behoefteaan gekwalificeerde vaklieden nog ver-groten.Hiernaast staat het kwalitatieve pio-bleem. Wij horen nu al sinds jarenklachten uit de praktijk over een te-kort aan deskundigheid, over onvol-doende wederzijds begrip van onder-zoekers en ontwerpers, over onvol-doende ,,doelgerichtheid" van het on-derzoek en over pogingen om auto-noom -- d.w.z. zonder onderzoek --tot een ontwerp te komen. Angenotheeft deze grieven al in zijn inleidingvoor de Stedebouwkundige Raad in1957 gesignaleerd.Een nadere analyse van deze klachtenzou van groot belang zijn, maar ookzonder dat moeten wij wel aanvaardendat zij voor een aanmerkelijk deel ge-grond zijn, omdat ze vrij algemeendoor insiders worden onderschreven.Ze worden beangstigend als wij beden-ken dat onze planners niet slechtsmoeten voldoen aan de kwalitatieveeisen van het ogenblik, maar dat zij --het woord is van Angenot -- toe-komstwaarde moeten hebben, d.w.z.in de komende ruimtelijke ordeninghun plaats moeten innemen en dieplaats doeltreffend en waardig moetenbekleden, en die komende ruimtelijkeordening zal in vele opzichten anderszijn dan de huidige en zwaardere eisenstellen.Prof, van Poelje Sr heeft in zijn redeop de Wereldstedebouwdag 1962 dehuidige fase van de ruimtelijke orde-ning geiioemd de fase van de sociaal-culturele gerichtheid. Dit kenmerk zalstellig nog veel duidelijker gaan spre-ken. De ruimtelijke ordening zal steedsmeer worden opgenomen in een econo-mische, sociale en culturele planning,zal van daaruit opdrachten krijgen, zalomgekeerd daaraan haar impulsengeven en zal voor de verwezenlijkingvan haar plannen veelvuldig de steunnodig hebben en krijgen van die anderevormen van ordening.In de publicatie ,,Training for Townand Country Planning", het verslagvan het seminarium van Puerto-Rico,wordt bij de karakteristiek van deruimtelijke ordening, waarvoor deopleiding bedoeld is, de ,,comprehen-sive planning" sterk op de voorgrondgesteld.Degenen die de ruimtelijke ordeningbeoefenen, zullen zich van de groeien-de relaties met de planning op andergebied goed bewust moeten zijn.Maar ook op hun eigen vertrouwdeterrein ontmoeten zij diep ingrijpendeveranderingen, die omwentelingen te-weeg zullen brengen in hun werk. Ikkan ze hier alleen maar aanstippen.^) Tekst van een in 1963 voor de Stede-bouwkundige Raad gehouden inleiding. Dezetekst is onveranderd gelaten, ook waar hijterugslaat op omstandigheden die inmiddelswijziging hebben ondergaan.StedehouwOpleiding mimtelijke ordeningDe verstedelijking. De ruimtelijke orde-nlng staat hier voor de taak voor degrote ruimtelijke eenheden, die zichsteeds duidelijker gaan aftekenen -- ikdenk aan de scala, die van den Bergin zijn praeadvies over de nieuwesteden heeft ontwikkeld -- tot zelfs ininternationaal kader, de meest passendevormen te vinden. Dit betekent eengrotendeels nieuwe taak van een veelgroter schaal dan totnutoe gebruikelijkwas.De motorisering. Velen zullen met mijonder de indruk zijn gekomen van hetartikel van Prof. Klaassen in een vande laatste nummers van E.S.B., waarinhij voor Nederland tot een prognosekomt van het aantal auto's in het jaar2000, en wel tot het 20-voud van hettegenwoordige cijfer.i) Als dit cijferjuist is -- en trouwens ook al bij eenveel lager cijfer -- ontstaan diep ingrij-pende consequenties voor alle onder-delen van de ruimtelijke ordening.Prof. Klaassen begint al met enkelesuggesties op te werpen in zijn artikel,maar de ruimtelijke ordening zal dieconsequenties zelf moeten doordenkenen uitwerken, voor de woonwijk metde daarin nodige garage- en parkeer-ruimte, voor de binnenstad met haarverveelvoudigde verkeers- en parkeer-problemen, voor het wegenstelsel ende vorm van de gehele nederzetting,voor de recreatiegebieden op kleine engrote afstand en de daaruit voort-vloeiende eisen enz.De kernenergie en de automatisering.De gevolgen hiervan voor het gebruikvan de ruimte zijn nog nauwelijksvoorstelbaar. Maar ze worden in hetverband van ons onderwerp al telkensen terecht genoemd. Ernst Weissmann,de leider van de stedebouwkundigeafdeling van het Hoofdkwartier vande Verenigde Naties, spreekt in zijn^) Van 20 februari 1963.praeadvies voor Puerto-Rico van,,Planning for the atomic age".Dit alles tezamen betekent dat eenvolledige omschakeling van de plannersnodig zal zijn. Zij komen niet meeruit -- minder dan ooit -- met kennisvan onderzoektechniek, van stede-bouwkundige vuistregels of planologi-sche kengetallen, met ontwerptechnieken ontwerpvaardigheid. Zij hebbenweinig meer aan de inspirerende voor-beelden van verkavelingen en woon-wijken of zelfs van plannen voorgehele steden van vroeger. Zij zullenmoeten afsteken naar de diepte en vandaaruit een grotendeels nieuwe theorlevan de ruimtelijke ordening opbouwen,die vast is in haar grondbeginselen ensoepel in haar uitwerking, waardoorzij berekend is op de nog onoverzich-telijke dynamiek van de komende tijd.Met het denken over een dergelijketheorie wordt hier en daar een begingemaakt.Sir William Holford, de man op wiena de dood van Patrick Abercrombieen Pepler de profetenmantel van deEngelse stedebouw is gevallen, noemtin zijn rapport voor Puerto-Rico, alshij de leemten van de tegenwoordigesituatie bespreekt, als eerste: ,,lack of amoral principle". Daarmee bedoelt hijniet het ontbreken van een erecode,maar het gemis van een of enkeleleidende zedelijke beginselen, die hetdoel van de ruimtelijke ordening moe-ten bepalen en het afwegen van strij-dige belangen mogelijk maken. Belang-wekkende pogingen worden gedaan omhierover tot klaarheid te komen. Ikwijs op het recente geschrift van ErichDittrich ,,Raumordnung und Leitbild",waarin hij ,,Freiheit", ,,Sozialer Aus-gleich" en ,,Sicherheit" als leidendebeginselen stelt.Deze summiere schets van hetgeen deruimtelijke ordening in de naaste toe-komst te wachten staat, leidt tot enkeleeisen t.a.v. de opleiding.1. De opleiding zal veel meer eeneigen karakter en een eigen gezichtmoeten krijgen, waardoor de wer-vende kracht groter zal worden.2. Zij zal veel meer nog gericht moe-ten zijn op onderling begrip enonderlinge samenwerking van on-derzoekers, ontwerpers, juristen,bestuurders en anderen.3. Bij de opleiding zal centraal moe-ten worden gesteld de theorie vande ruimtelijke ordening, in het groteverband van de gehele planning,waarbij in het bizonder ook watvan Oyen (inleiding Stedebouw-kundige Raad 1957) genoemd heeftde filosofie van de planning, aan-dacht zal moeten vinden.Hoe kan dit worden verwezenlijkt? Erzijn verschillende mogelijkheden.A. De opleiding blijft opgenomen ineen bestaand doctoraal- of inge-nieursexamen. In elk geval zal erdan veel meer tijd voor dit vakbeschikbaar moeten zijn. Rondomde theorie van de ruimtelijke orde-ning in de bovenaangegeven zinzouden moeten worden gedoceerden beoefend: onderzoek, ontwerpen de juridische-bestuurlijke aspec-ten van de ruimtelijke ordening.leder, ongeacht zijn vooropleidingen latere bestemming in de ruimte-lijke ordening, zou zich met dezevakken moeten bezighouden. Al-leen zou het onderdeel, dat aanopleiding en bestemming beant-woordt, meer accent moeten krijgen.In elk geval zou de onderzoeker indeze opzet ook met het ontwerpgrondig kennis maken, evenals deontwerper met het onderzoek, ende jurist met beide onderwerpen.Of dit binnen het kader van degebruikelijke doctoraal-, resp. inge-10StedehouwOpleiding ruimtelijke ordeningnieursexamens mogelijk is, Is devraag. Dit vak zou dan in elkgeval hoofdvak moeten worden ophet examen.B. Een post-doctorale opleldlng, naarhet voorbeeld van de studie voorarts, apCtheker en accountant. Depost-graduate opleiding, die in En-geland en de Verenigde Staten demeest-voorkomende is, lijkt hierop,maar begint toch op een lager ni-veau met de speciale opleiding voorde planning. Het grote bezwaar vande post-doctorale studie is de ver-lenging van de toch al lange studie-tijd.C. Een eigen opleiding direct gerichtop de planning, dus zonder degrondslag van een algemene weten-schappelijke of technische studie.In Engeland bestaat deze opleidingthans op drie plaatsen (Durham,Manchester, Birmingham"). De me-nlngen hierover zijn ook in Enge-land nog verdeeld. Het Schuster-rapport nam een afwachtende, ge-reserveerde bonding aan. Een voor-stander Is L. B. Keeble, de schrljvervan een van de meest recente En-gelse handboeken over ,,Town andCountry Planning".Het komt mij voor dat wlj op hetogenbllk moeilljk een deflnitieve keuzetussen deze drie mogelijkheden kunnenmaken, ook al niet omdat die keuzenauw samenhangt met algemene pro-blemen van het hoger onderwijs. Maarpersoonlijk ben Ik er sterk voor dat wljbeglnnen met tot het ulterste te pro-beren de gemoderniseerde verbredeopleiding voor de ruimtelijke ordeningin het kader van de bestaande docto-rale of ingenieursexamens te verwezen-lijken, omdat dit het makkelijkst haal-baar Is en de verlenging van de studievermijdt.Naast deze opleiding staat die voormensen, die in de praktijk werkzaamzijn, verbonden aan de Academie vanBouwkunst te Amsterdam. Deze oplei-ding zal zeker behouden moeten blij-ven, zlj het ook misschien met enigeaanpassing aan de nieuwe ontwikke-ling van de academische opleiding.Van groot belang is de nascholing vande velen, die hun opleiding in hetverleden hebben genoten en de blj-schollng van alien, die In hun dage-lljkse werk moeite hebben de nieuweliteratuur, de ontwikkeling van theorieen praktijk in binnen- en bultenland,bij te houden. Voor deze nascholing enbijscholing kan aan drie voorbeeldenworden gedacht.1. De Engelse Town Planning SummerSchool. Dit is een meerdaagse con-ferentie, die elk jaar in Engelandwordt gehouden over actuele on-derwerpen, met discussie In studie-groepen. De berichten over karak-ter en pell van deze conferentieszijn gunstlg.2. De cursussen, die de DeutscheAkademie fiir Stadtebau und Lan-desplanung sedert kort op tweeplaatsen in de Bondsrepubliek or-ganlseert. Deze cursussen duren eenweek. Er verschljnt dus elke weekweer een andere groep deelnemers.Dit heeft dus veel meer het karak-ter van onderwijs dan het even-genoemde Engelse voorbeeld.3. De in Nederland op verschillendgebled bekende cursussen van eendag per week gedurende een aantalweken. Blljkbaar wordt het In Ne-derland veelal In ambtelijk verbandmogelijk geacht iemand een dag perweek te missen, als hij een voorzijn dagelljkse werk nuttlge cursusvolgt. Deze ervaring zou er opkunnen wijzen dat ook voor deruimtelijke ordening dit type vancursus de beste oplossing zou zijn.Tenslotte nog een enkel woord over deopleiding van middelbare krachten.Sedert enige jaren bestaat voor demiddelbare krachten bij het onderzoekhet door het Instltuut afgenomenexamen voor MIddelbaar PlanologlschOnderzoeker, dat zeer In een behoefteblijkt te voorzien. Er is nu een oplei-ding In het leven geroepen voor ditexamen. Aanleiding tot bepaalde voor-stellen in deze sector is er niet.Verder moet worden genoemd destedebouwkundige nacursus aan deHTS te Tllburg. Het Is wenselijk datandere Hogere Technische Scholen demogelijkheid overwegen om voor dege-nen, die In de praktijk bijv. als stede-bouwkundig tekenaar werkzaam zijn,in hun omgeving dergelijke cursussente organiseren. Dit zou tot een ver-sterklng van het middelbare niveau bijhet ontwerp kunnen leiden.11StedebouwAdresADRES INZAKE DE AMBTELIJKE ORGANISATIEHet dagelijks hestuur van het Instituut heeft het volgende adres tot de Ministervan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting gericht.Excellentle,De toepassing van de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening stelt, naar uitde eerste ervaringen blijkt, in het bizonder de gemeentebesturen en hun advi-seurs voor moeilijke vragen. Voor een deal vloeien die vragen voort uit onvol-doende bekendheid met stelsel en inhoud van de wet en met de inhoud vanhet besluit op de ruimteHjke ordening. Het kost enige tijd voor men zichhiermee vertrouwd heeft gemaakt en ook dan bHjven er, naar telkens blijkt,vragen van interpretatie over, die moeilijk met zekerheid kunnen wordenbeantwoord zolang er nog geen jurisprudentie op de grondslag van denieuwe wet is.Het bestuur van het Instituut is in overleg met de Directie van de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten bezig een centrum van informatie te vormen,dat enig licht over deze onderwerpen zal kunnen verschaffen.Belangrijker zijn intussen nog de vragen, waarvoor de gemeentebesturen komente staan bij hun beslissingen omtrent de inhoud van hun structuur- enbestemmingsplannen. Dit geldt vooral voor hetgeen van invloed kan zijn opde ruimtelijke ontwikkeling in groter verband, regionaal, provinciaal ennationaal. Deze samenhang in groot verband wordt steeds duidelijker en meer-omvattend, waardoor een redelijk gemeentelijk beleid inzake de ruimtelijkeordening niet meer denkbaar is zonder dat van meet af rekening is gehoudenmet de eis dat de ontwikkeling van de grote gebiedseenheden, waarin degemeente is opgenomen, zich ordelijk voltrekt. Bindende streekplannen, dieeen min of meer vast kader opleverden, waarbinnen de gemeentebesturen hunruimtelijke plannen konden opstellen, zullen nu echter niet meer tot standkunnen komen, terwijl de onder de oude regeling goedgekeurde plannen hunrechtskracht hebben verloren. Meer nog dan vroeger zullen de gemeenten endegenen die zij met de voorbereiding van structuur- en bestemmingsplannenhebben belast, er dan ook behoefte aan hebben zich in een vroeg stadium vanhet beleid van hoger gezag op de hoogte te stellen. Verzuimen de gemeente-besturen dit, dan lopen zij trouwens de kans dat zij van Gedeputeerde Statenof door hun tussenkomst van de Minister bindende aanwijzingen krijgen om-trent de inhoud van hun bestemmingsplannen.Als van ouds kunnen de gemeenten zich voor de bedoelde informatie wendentot de provinciale planologische diensten. Maar daarnaast zijn nu ingevolgede nieuwe wet de Inspecteurs van de ruimtelijke ordening verschenen. Dithoudt in beginsel het gevaar in dat de gemeenten in een fase van de voorbe-reiding van hun plannen met tweeerlei advies te maken krijgen. Een nauwesamenwerking en een goede persoonlijke verstandhouding tussen de provincialeplanologische diensten en de inspectie kan er zeker toe bijdragen dat ditgevaar wordt beperkt. Wij nemen graag aan dat hiernaar met kracht wordtgestreefd, en dat omtrent de taakverdeling tussen beide organen afspraken zijn12Deze lift past natuurlijk niet in uw besteiclMaar de komplete liftinstallaties die deNederlandsche Standard Electric Mij. leverten installeert passen letterlijk altijd. Ukunt nl. zelf de kooi-maten bepalen! Eengreet voordeel, 66k bij verbouwingen, entyperend voor de haast ambachtelijketoewijding, waarmee deze liften met hunkomplete besturingsapparatuur zijn ent-wikkeld. Levensduurtesten met 1.000.000schakelproeven bewijzen het - hier heeftu de modernste en meest betrouwbare(iftinstallatie!Want Standard Electric, lid van het ITT-concern - de wereldemvattende organi-satie met 185.000 medewerkers in 51landen - heeft een belangrijk aandeel in deontwikkeling veer nieuwe besturingstech-nieken veer Zaiser liftinstallaties. Gene-raties ervaring zijn in deze liften verwerktlMet grote precisie zijn de elektrische ende mechanische componenten op elkaarafgestemd en is een volmaakte beveiligingbereikt. Standard Electric plaatst en onder-houdt eike liftinstallatie als een perfektfunktionerend geheel. De hypermodernebesturingsapparatuur elimineert dat einde-loze "pendelen" tussen de drukst bezetteverdiepingen. Het heeft een "geheugen",dat op vele manieren kan worden ingestelden meerdere commando's in een zelf tekiezen volgorde afwerkt. Korte wachttijdenen een grote vervoerscapaciteit zijn hetresultaat.Alle kanten kunt u met deze liften ult!Kooien op maat - voor personen- envrachtvervoer - veer woning- en utiliteits-bouw - met zelfsluitende draaideuren envolautomatische schuifdeuren - vrijweliedere gewenste hefsnelheld - magnifiekeafwerking - diverse verzamelsystemen -groeperingen van meerdere liften - be-trouwbare service. Deze liften passen inelk epzicht het beste in uw bestek!Standard Electric levert en installeert e.a.:elk type lift voor woning- en utiliteitsbeuw;roltrappen veer warenhuizen en veet-gangerstunnels; dokumententransport sy-stemen, zeals buispost- en transportband-installaties, paternosterliften e.d.Vraag vrijblijvend uitvoerige documentatieaanNederlandsche Standard Electric Mij. N.V.Den HaagPostbus 1013 - Telefoon 070-85 21 03NEDERLANDSCHE STANDARD ELECTRIC MIJ. N.V. ITTPERIODIEK SC//.'
Reacties