stedebouw & volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorRmmtelijke Ordening en VolkshuisvestingUliAG OF HOOG BOUWEN EN WONEIYANDAAG?december 1966Nederlands hoogovencement Is geschlkt voor eike betonconstructieGedurfde constructies Ingewapend beton en invoorgespannen beton, waar hogedruk- en buigtreksterktenworden vereist, vragen een goedcement en een deskundigsamengesteide betonspecie.De kwaliteit van Enci, Cemij enRobur hoogovencementenbiedt alle mogelijkheden tot eenconstant hoge betonsterkte -en daar komt het tenslotte op aan!VERKOOPASSOCIATIE NEDERLANDS CEMENT ENCI-CEMIJ-ROBUR N.V, AMSTERDAMAannemers betrokken bij de moderne stedebouwHeijkamp N.Y.aannemers vanutiliteits- enwoningbouwvoorgespannen beton enarbeidsbesparende bouwAMSTERDAMKerkstraat 393ErNDHOVENPiuslaan 130Gebouw AuroraOvertoom, AmsterdamArchitect:P. Zanstrate Amsterdam ;Flats en eengezins-woningenHeggeranklaanEindhovenArchitecten :Gebr. de Graafte 's-HertogenboschenJ. Luijtente EindhovenDEINVENTUM BOILER.... UW DIENAAR!Ja, zo kunt u de Inventum-boiler noemen . .. uw dienaar. Jaar in Jaaruit staat hij voor u klaar en schenkt u het komfort dat alleen een boileru schenken kan. Wat zijn zoai de voordelen van de boiler? Vele!? Hij roet niet, zodat uw plafond schoon blijft.? Hij geeft direkt een krachtige straal heet (85?) water.? Hij bespaart u tijd, want uw afwasbakje, wasketel of badkuip issnel gevuld.? Hij vereist praktisch geen onderhoud, als hij eenmaal geplaatst is.? Hij warmt gedurende de nacht water op tegen speciaal laag nacht-tarief.? Hij wordt door Inventum in zoveel afmetingen gebouwd, dat ervoor ieder gezin het juiste type geleverd kan worden, hoe grootuw gezin ook is.Ziet u, daarom is de boiler de dienaar van de moderne huishouding.Inventum heeft jarenlange ervaring in het maken van boilers. Vraag? daarom uw installateur of uw elektriciteitsbedrijf eens om de Inventum-boilerfolder.iDl'ii'hlLM KONINKLIJKE FABRIEK INVENTUM - BILTHOVENPannendaken hebbenallesvoor:Ook estetisch: Het uiterlijk van eenhuis wint zichtbaar bij een pannen-dak. Ook economisch: Pannen vormenonbetwist de goedkoopste dak-constructie - en door het schieronverwoestbare materiaal en doorde iage onderhoudskosten.Uit deze belangrijke besparing re-SLilteert maximaal wooncomfortbij mininiale woonkosten.onder een KMSfl 'iGeen wonder dat moderne mensen een pannendak prefe-reren! Pannendaken zijn zowel isolerend als ventilerend;gezonder wonen.De dakruimte vergroot de marginale woonruimte: ruimerwonen.Deze ruimtewinst schept meer uitwijkmogelijkheden:comfortabeler wonen.Pannendaken hebben alles voor.Publicatie van de Veteniging van Dakpannenfabrikanten NEDACOSecretariaat; Parklaan 25, Bussum,tel, 02959-14188Afd. Techn. Voorl. Oud-Over 76Loenen/Vecht, tel. 02943-1602GRESBUIZENDOOR SINTERINGGEPANTSERDGresbuizen worden volgens een gecompiiceerdbakprocede - gecontroleerd door modernemeet- en regeltechniekenonder temperaturen van 1100 tot 1250? C. -volledig dichtgesinterd.Hierdoor worden de specifieke Gres-eigenschappenals hardheid, dichtheid en bestendigheid verkregen.Bovendien geeft de glazuurlaag een extragladde wand, waardoor aanslag verhinderd wordten jarenlang viotte doorstroming is verzekerd.Gresbuizen in vele diameters, lengtenen ,,huipstukken".Prospect! , op aanvraag.Afdeling VoorlichtingVrijheidstraat 26Oosterhout-NB.Tel. (01620) 43 42Gres in de grond, riolering ,,gezond"Aannemers betrokken bij de moderne stedebouw&n.v. bouw- en aannemingsbedrijfvan straalenvan der haveVERZAMELGEBOUW STREVELSWEG 700 TEL. 010-279580 ROTTERDAMN.V. MAVEMINDUSTRIELE SCHOLENBOUWDe belangstelling bij het Ministerle van Onderwijsvoor de seriebouw volgens arbeidsbesparendemethoden blijft groe!en.IJMUIDENJOONSTRAAT 1Tel.: 02550-5714Seriebouw van 7 scholen voorlager onderwijs in Den Helder, naar een ontwerp van hetInformatiecentrum voor Scholenbouw.Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwREKA LuchtkanalenAsbest - Aluminium - Plaatstaal -Fiberglass - KunststoffenVervaardigd met de nieuwste Amerikaanse machines.APPINGEDAM - Molenhorn 35.37.39 - Tel. 0 5960-3129BauMV" enA.annentingshedrijfP. KOOIJMANL. V. Egmondstraat 53KAMPENTelefoon 0 5292-4520Utiliteits-en woningbouwAannemers betrokken bij de moderne stedebouwI I edm. beugels & zoon n.v.aannemersbedrijf - gewapend beton - burger- en utiliteitsbouwoirsbeek dorpsstraat 12telefoon 0 4492-591Interieur R.K.Blijde Boodschap Kerkte Kerkraden.v. bouwbedrijfBIMOKantoor:OUDE TELGTERWEG 32Postbus 33ERMELOTelefoon (0 3417) 25 09Prive-adressen:E. J. Bilder, Engelserf 2, Harderwijk,Telefoon (0 3410) 29 38OK. H. Bilder, Oude Telgterweg 27,Ermelo, Telefoon (0 3417) 23 81J. Bilder, Hanengewei 66, Ermelo,Telefoon (0 3417) 20 50Regelmatig inaanbouw indiverse plaatsen BUNGALOWS, MIDDENSTANDSWONINGEN,PREMIE-HUURWONINGEN, WONINGWET-WONINGEN, UTILITEITSBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebouwKERKRADEAANNEMERSBEDRIJFGERH.JO&RUITERS? BETONWERKEN? UTIUTEITSBOUW?HOL2STRAAT23P0STBUS7KERKRADEn.r. aannewningshedrijip. fralich A stB,Droogstraat 22 bisharlingen -- telefoon 05178/2782hetanbaunvutiiiteitshaunvWfiijjaHi?t!!IIHI!liii!ll|g|_?ki..ii.,iiii???--fa...iinB.miliaM*F';^'^?"yf'? '!?-'1f.- iVOORWONINGBOUWwoonhuizen(ook in grotere complexen)bedrijfswoningenverbouw van huizen en winkelpandenutiliteitsbouw-o.a. scholenen bedrijfsgebouwenKORTOMvoor alle soorten bouw enverbouwGARDIEN-OOSTERHOFF N.V.TELEFOON 01742 - 3341NOORDWEG 16WATERINGENG. W. van ENGELENAANNEMERSBEDRIJF N.V.Wolwevershaven 31 -- DordrechtTelefoon 01850-3.84.67? WONINGBOUW? BETON-en? UTILITEITSBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebouwVAN LAAR'SBOUWBEDRIJF N.VDE BILTWONINGBOUWVOOR DEVERKOOP'-;.. , ^...?'. .;.., . - ,WONINGBOUW -N.V. AANNEMINGSBEDRIJFv/h B. M. van HOUWEUrHARDINXVELD - GIESSENDAMKantoor: Telefoon 01846-3087 --4GENPostbox 13Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwN.V. Aannemers- en Wegenbouwmijv.h. Firma J. HEIJMANSGRAAFSEBAAN 13 - TEL 04192-741 - ROSMALEN* GRONDWERKEN* ASFALT-en BETONWERKEN* WEGEN- en WATERBOUWKUNDIGE WERKEN* VLIEGVELDBOUW* CONSTRUCTEX : WEGMARKERINGEN(Thermoplastic en wegenverf)VANGRAILn.v.aannemings-hedrijfKAPELPLEINDEN HAAGTel. (070) 541495Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwFirma C. v. d. YORSTENBOSCHAANNEMER VANGROND- EN KABELWERKENUitvoering vanOPENBARE VERLICHTING en TERREINVERUCHTINGLEENDE DORPSSTRAAT 13 -- TELEFOON (0 4996) 45 3Voor al uw bouwkundige werken:aannemingsbedrijfFa. Gebrs. van SpijkerMeppelKantoor Sluisgracht 13 -- Telefoon 3646 (2 lijnen)Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwTh. Kreuger6LZn.aannemersutiliteitsbouwbetonbouwrestauratiesonderhoudswerkenSCHIEDAM - RAAM 3 - Tel. (010) 267878Objekt: Flatbouw in de,,Vondelwijk" te Waddinxveen.(Bouwtempo: 2 won. p. werkdag).-.O---P.'-.?J*jsfJ. REIJM NvWoning- & utiliteitsbouwWADDINXVEEN tel. (01828) 2464Gietbouwsysteem in stalen tunnelbekistingAannemers betrokken bij de moderne stedebouw.-../"'"' - " " ii . . . .N.V. BOUWMAATSCHAPPIJSCHRIJVER-ZONEN ':-. ;/.'? '^ '--i ' ? ' -' ' '-?'? Woningbouw(Bouwstromen Midden Zealand)? Fabrieksbouw? WinkelcentraGOES1voor? Arbeidsbesparende woningbouw? Moderne aanpak o.a. gietbouw? BouwstromenN.V. Aannemersbedrijf v/h J. StamKortenaerstraat 3 - Zwijndrechttel. 01850-28663/28939Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwGROOTEL S BOUWMIJ. N.V.LIMBURGLAAN 24EINDHOVENWONING- EN UTILITEITSBOUWBOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJFi^ Utiliteitsbouw-vV Woningbouw (hoog- en laagbouw)?^ Betonwerkenit Onderhouds- en verbouwingswerken-^ TaxateursROTTERDAM 4 -- PROVENIERSSINGEL 1 M -- TELEFOON 010 - 249606Luma aluminium ramen. Klasseramen die inieder budget passen. Ook in dat van dewoningbouw. i^roduct van een unieke com-binatie: de grootste en meest ervaren alu-minium-producent ter wereld, ALCOA, ende meest progressieve ramenfabriek vanons land, gespecialiseerd in Internationaletopmerken, Ramenfabriek LEERDAM.ramenfcibpi(Ramenfabriel< Leerdam - "Varsseveld" Houthandel enIndustrie N.V. - Leerdam - tei. (03451) - 2947*.Vraaginlichtingen onder no. L 30.nnnDDDnnnk LEERDAMnnns&vUitgave van het 47e jaargang no. 12Nederlands Instituut voor MaandhladRuimlelijke Ordening en Volkshuisvesting december 1966Redactie :Mevrouw Prof. C. W. Visser Prof. Dr. S. O. van PoeljeMe]. R. Hartstra Drs. W. J. ValkenburgProf. C. van Eesteren Drs. H. van der WeijdeMr. C. A. van Gorcum ir. W. WissingH. J. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursAdres voor Redactie en Abonnementen :Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225Postgironummer 29080Advertenties :Nobehtraat 21, HeerlenTelefoon 04440-2551Postgironummer 1035100t.n.v. N.V. Maatschappij tot Exploitatie vanhet Limburgs Dagblad - HeerlenTwee Nederlandse stedebouwkundigenwaren onlangs in gesprek over het vraagstuk ,,Hoogbouw-Laagbouw". Beidenwaren vaklieden van lange en veelzijdige ervaring en van gezag. Toch stondenhun meningen lijnrecht tegenover elkaar. De ene verklaarde dat hoogbouwsteeds meer de onvermijdelijke en ook wel aanvaardbare oplossing wordt vanonze ruimtenood. De andere stelde dat de grondwinst die de hoogbouw kan op-leveren, steeds geringer gewicht in de schaal werpt, doordat onze grote stede-lijke eenheden -- agglomeraties, stadsgewesten, stedelijke zones -- voor eensteeds kleiner percentage uit woonwijken bestaan. Een bescheiden terreinwinstbij de aanleg van de woonwijken zou buiten verhouding staan tot de snel stij-gende eisen, die velerlei belangen bij de verdeling van het terrein hinnen diegrote stedelijke gebieden dringend stellen.Het gesprek zette zich verder voort, zander dat het tot toenadering leidde. Be-gin en afloop van deze conversatie zijn kenmerkend voor de huidige stand vanhet vraagstuk, in de gedachten en in de realiteit van het bouwen.In de gedachtenwereld hebben nog steeds, in weerwil van het rapport ,,Hoogof Laag bouwen en wonen" van vijf jaar geleden, twee verschijnselen de over-hand: de vernauwing van bet bewustzijn en de tweespalt van de deskundigen.De essentie van het rapport was tweeledig. Het legde de voile klemtoon op denoodzaak om bij het bepalen van de keuze van de woonvorm naar het aantalwoonlagen te letten op de veelheid van factoren die van deze keuze afhanke-lijk zijn. En het streefde naar een zo exact mogelijke kwantitatieve benaderingvan die elementen, die zich daarvoor lenen.Ah wij de discussies volgen die zich over dit onderwerp tot in het oneindigevoortzetten, blijkt duidelijk dat in de vorming van het oordeel gewoonlijk Senfactor overheerst, de bouwkosten of de besparing op de grand of het stadsbeeldenz. En evenzeer blijkt dat ook degenen die aan dezelfde vernauwing van be-wustzijn lijden, en die het dus eens zijn over de keuze van de beslissende factor,toch dikwijls zeer van mening verschillen, zelfs als die factor zich leent vooreen kwantitatieve benadering. De ervaringen zijn blijkbaar ongelijk en er heerstvoortdurend verschil van opvatting over bebouwingsdichtheden en toerekeningvan grondkosten.De realiteit van het bouwen is van deze verwarring de afspiegeling. Het nieu-we is hier echter dat er in de laatste tijd plannen verschijnen en al tot een be-gin van uitvoering komen, waarin de echte hoogbouw een plaats inneemt alsnooit te voren. Het zijn grote beangstigende experimenten met een wijze vanwonen en een woonomgeving, die beide voor Nederland nieuw zijn. Het expe-riment zal zich voltrekken in het leven van vele duizenden gezinnen, over ver-scheidene generaties verdeeld. En bij de voorbereiding van nieuwe plannen kun-nen wij niet wachten op de afloop van het experiment. Bevolkingsgroei en ver-stedelijking jagen ons voort van experiment tot experiment, zonder dat er tijdschijnt over te schieten voor rustig overleg, voor overweging van alternatieven,voor verzameling en toetsing van ervaringen.Dit alles heeft de Redactie ertoe gebracht dit nummer te bestemmen voor eennieuwe verkenning van het onderwerp ,,Hoog of Laag bouwen en wonen". Hetis niet meer dan een verkenning. Behalve een enkele statistische studie bevattende volgende artikelen niet meer dan een visie van een aantal vaklieden, die inhun praktijk telkens met dit vraagstuk te doen hebben, op de tegenwoordigestand van zaken. Het rapport wordt daarbij herhaaldelijk genoemd. De ver-schillen met de feitelijke achtergrond van het rapport, die sinds 1961 zijn ont-staan, worden telkens gesignaleerd. Dit houdt een duidelijke aanwijzing in dater ruimte is voor een hernieuwd onderzoek. En ,,ruimte" betekent hier ,,drin-gende verplichting" omdat de menselijke betekenis van het onderwerp onvoor-stelbaar groot is. Het Instituut is van plan dat onderzoek ter hand te nemen,niet over het wijde veld waarop de Commissie Ribbius Peletier zich bewoog enzich bewegen moest, omdat er te voren nog weinig veelzijdig onderzoek was ge-daan, maar nu gericht op die vragen, die er door de ontwikkeling van delaatste jaren anders zijn gaan uitzien dan destijds.Onlangs heeft de Nederlandse Huisraadraad op een vergadering in Rotterdamdie ook voor de leden van het Instituut toegankelijk was, hetzelfde onderwerpvanuit de gezichtshoek van de bewoner ter discussie gesteld. Het is de bedoelingom in samenwerking met de Nederlandse Huisraadraad bij het beoogde onder-zoek aan de visie van de bewoner en zijn van de keuze van de woonvorm af-hankelijke belangen een ruime plaats toe te kennen.310Dit nummer houdt in een heredeneerde vorm de opdracht in voor dat onder-zoek. Het rapport van 1961 is intussen in zijn wezen niet achterhaald. Wijlouden er veel bij winnen ah het nog eens door velen ZOH worden herlezen enah het begrip voor de complexiteit van het onderwerp en het streven tot kwan-titatieve benadering die het rapport beheersen, meer vat kregen op degenen dieleiding moeten geven aan aanleg en opbouw van de grote stedelijke gebiedenvan het jaar 2000.Gaarne vermelden wij ten slotte dat dit nummer is voorbereid door een kleinewerkgroep, bestaande uit de HerenH. J. A. Hovens GreveD. C. van der PoelIr. W. Wissing enMr. H. ]. A. Schaap, secretaris.De samenstelling van deze werkgroep, waarvan de beide eerstgenoemde leden alsrapporteurs en de Heer Wissing als lid deel hebben uitgemaakt van de Commis-sie Hoogbouw-laagbouw, waarborgde een goed verband met het werk van dezecommissie.InhoudLaag of hoog bouwen als aspect vande ruimtelijke ordening, Ir. H. M. Bus-kens 312De productie van een- en meergcEins-huizen sinds de oorlog in cijfers, DrsL. Tas 315Voorzichtig met hoogbouw, Ir. W. vanTijen 320Bouwen voor een veranderende samen-leving, E. F. Groosman .... 323Het vraagstuk hoogbouw-laagbouw inde grote stad, Ir. A. de Gier . . . 328Op zoek naar optimaal woongenot, Mr.C. J. F. Thieme 331Hoog in de stad of laag buiten, Ir. W.Wissing 332Indrukken uit de bestuurlijke praktijk,Prof. Mr. A. Kleijn 336Hoogbouw stelt speciale eisen, T. Har-teveld 338Enkele economische en sociale beschou-wingen, Mr. C. M. van den Hoff . . 340Laag of hoog beleggen -- vandaag,J. M. Meijsen 344Is hoogbouw de oplossing? H. J. A.Hovens Greve 346Laag of hoog bouwen en wonen (Resu-me van de voornaamste bevindingenvan de Commissie Hoogbouw-Laag-bouw in 1961) 353De waardering voor het eengezinshuisin Frankrijk (boekbespreking) . . . 357StedeboHWBinnenland 359Buitenland 362Summary 364Abonnementsprijs f 24,--. Losse nummers f 2,^0.De leden van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvestingontvangen het blad kosteloos.311Hoogbouw - LaagbouwLAAG OF HOOG BOUWEN ALS ASPECT VAN DE RUIMTELIJKE ORDENINGh. H. M. Buskens, Directeur-Generaal vande Volkshuisvesting en de BouwnijverheidZeer kort nadat door de regering de rulmtelijke ordening van ons land in hetbrandpunt van de publieke belangstelling is geplaatst en daarover vele pennenen tongen in beweging zijn gekomen, heeft de redactie van Stedebouw en Volks-huisvesting een aspect daarvan opnieuw naar voren willen halen, namelijk dekeuze van de woonvormen in onze stads- en dorpsuitbreidingen.En zulks terecht!In de Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederland kon deze keuzevraagslechts terloops aan de orde komen. Gesteld werd met name, dat -- wat debestemming en inbeslagneming van ruimte betreft -- het mogelijk zal zijn meereengezinshuizen te bouwen dan in de laatste jaren gebruikelijk was en dat deregering het in beginsel wenselijk acht dit te doen.Het uitwerken van deze mogelijkheid en de realisering van dit beginsel zijn Inons land, met zijn gedecentraliseerde stedebouwkundige bevoegdheden, primaireen zaak van de gemeentebesturen, daarin bijgestaan door hun adviseurs. In hetverleden is het niet gebruikelijk geweest van hogerhand gedetailleerde aanwij-zingen te geven omtrent de inrichting van uitbreidingsplannen, en het ligt be-paald niet in de bedoeling in de toekomst van de mogelijkheid daartoe (via decolleges van GS) een zodanig gebruik te maken, dat de gemeentelijke verant-woordelijkheid daardoor zou verroinderen. Geldt dit voor de ruimtelijke orde-ning, het geldt in niet mindere mate voor het volkshuisvestingsbeleid. In Voor-sohriften en Wenken en in financiele regelingen voor de gesubsidieerde woning-bouw is steeds vermeden zodanige regelingen in het leven te roepen, dat dekeuze of de toepassingsmogelijkheid van bepaalde woonvormen eenzijdig be-invloed zou worden. Primair zijn deze regelingen steeds gericht geweest --en dat zijn ze nog -- op het in evenwicht houden van het streven naar kwa-liteit enerzijds en behoud van een aanvaardbaar kostenniveau (en daarmeevoldoende produktiemogelijkheid) binnen gegeven financiele verhoudingen an-derzijds.In de praktijk heeft gedurende een aantal jaren in feite wel een kwaliteitsverschiltussen een- en meergezinshuizen bestaan, onder meer wat betreft de in de wo-ning beschikbare ruimte en wat de geluidsisolatie aangaat. Dit was evenweleerder een rest uit een vroegere ontwikkeling dan een kwestie van discriminatievan de ene woonvorm t.o.v. de andere. Eerst de gewijzigde regelingen met be-trekking tot de geluidsisolatie en daarna -- wat de ruimte betreft -- de nieuweVoorschriften en Wenken van 1965, hebben het bedoelde verschil weggeno-men en ook overigens heeft het kwaliteitsbeleid van de laatste jaren in belang-rijke mate beantwoord aan suggesties van de Commissie Hoogbouw Laagbouwom de door haar gesignaleerde discrepantie weg te nemen:de ruimte in en om de woning is in het algemeen toegenomen; centrale ver-warming -- waardoor meer vertrekken gedurende het gehele jaar bruikbaar zijn312Hoogbouw - Laagbouw-- heeft vooral bij meergezinshuizen meer en meer toepassing gevonden; grotebalkons en voorzieningen voor het overbruggen van de afstand tussen de be-gane grond en de toegangsdeur van de woning (lift, huistelefoon) vonden meertoepassing.De kosten blijven bij dit alles -- ondanks de gestegen welvaart van de bewo-ners, die zich nu eenmaal ook uit in een hoger kostenniveau -- een beperken-de rol spelen. Met name de stijging van de grondkosten vormt bij voortduringen in toenemende mate een bron van zorg. In een aantal gevallen moge dit eender oorzaken zijn van het streven naar meer geconcentreerde woonvormen,namelijk hoogbouw. Het zou echter onjuist zijn aan te nemen dat dit de enigeof zelfs maar voornaamste factor zou zijn, waardoor vele gemeenten in zosterke mate ais dit thans het geval blijkt te zijn ,,grijpen" naar hoogbouw alsbelangrijke, soms als enige woonvorm. Integendeel! Het niveau van de totalerealisatiekosten -- om van exploitatiekosten nog maar niet eens te spreken --ligt voor deze woonvorm relatief hoog; zeker indien men haar wil ontwikkelenals algemene woonvorm voor gezinnen met (jonge) kinderen en wanneer men vanhet hoge wonen meer wil maken dan alleen maar een hogere stapeling van ge-lijke wooncellen.De Commissie Hoogbouw Laagbouw kwam 5 jaar geleden op grond van uit-voerige studies en overwegingen tot de conclusie, dat de keuze van woon-vormen niet resulteert uit een rechtlijnige redenering, maar uit een onover-zichtelijk complex van overwegingen waarbij naast persoonlijkc opvattingenomstandigheden van plaats en tijd een belangrijke rol spelen.Een ,,recept" was toen en is ook nu niet mogelijk.Dat betekent, dat men zich steeds opnieuw rekenschap moet geven van devoor- en nadelen en de consequenties van de ene of de andere keuze en nietzonder bedenken moet voortgaan op een eenmaal ingeslagen weg.Wei zeer in afwijking van wat de Commissie destijds wenselijk oordeelde, lijktdeze weg thans voor vele gemeenten (respectievelijk volgens een aantal ste-debouwkundigen) welhaast onvermijdelijk te voeren naar steeds meer ensteeds hogere hoogbouw.Blijkens een statistische analyse -- elders in dit nummer afgedrukt -- is hetaantal eengezinshuizen waarvoor jaarlijks plannen worden ingediend en goed-gekeurd vrij constant. De geconstateerde verschuiving van middelhoog naarhoog heeft echter in vele kleine en middelgrote gemeenten die tot voor kortnog uitsluitend eengezinswoningen kenden, een sterke verschuiving van hetvertrouwde beeld ten gevolge. Dit zal nog meer het geval zijn naarmate eenaantal recente bestemmingsplannen tot uitvoering komen die nu alleen nogop papier bestaan.Deze wijziging van het vertrouwde fceeld heeft niet alleen betrekking op dewoningbouw en daarmede op het wonen. Dat zou op zich zelf al voldoendereden kunnen zijn om deze ontwikkeling van overheidszijde met meer danoppervlakkige aandacht te volgen. Het geldt ook voor de verschijningsvormwaarmee de betreffende nederzettingen zich in de totale ruimte van Neder-land manifesteren.Ik ben daarmede teruggekeerd tot het uitgangspunt van deze beschouwing:de ruimtelijke ordening in Nederland. De daarover gepubliceerde Nota heeftzich vooral beziggehouden met de orde in twee dimensies: het horizontale313Hoogbouw - Laagbouwvlak, en in de vierde dimensie: de ontwikkeling in de tijd. De ontwikkelingin de derde dimensie is daarnaast van niet geringe betekenis voor de feitelijkeruimte-beleving. Steeds zijn de verticale elementen en hun onderlinge relatie,,bepalend" voor onze omgeving. Vroeger waren het kerktorens aan deneinder die aan ons land maat en schaal gaven. Momenteel is er een hausse inhoge elementen, en niet alleen in en bij de grote steden waar zij de eeuwen doorsymbool geweest zijn van concentratie. Thans zijn er fabrieken, elektrischecentrales, silogebouwen, zendmasten voor telecommunicatie en vele andereexponenten waarmee onze moderne samenleving zich overal over grote af-standen kenbaar maakt. De Nota over de Ruimtelijke Ordening in Nederlandheeft geleerd, dat er geen directe reden is tot bezorgdheid voor gebrek aanruimte in horizontale zin. Het is niet zo, dat wij in 1980 of in 2000 niet vol-doende ruimte zouden hebben om te leven, te werken en te recreeren. Hethoeft althans niet zo te worden. Zij die menen dat hoogbouw nodig zou zijnom bovenbedoeld ,,schrikbeeld" te ontgaan, dienen wel te beseffen dat juisthoog bouwen, ,,bouwen boven de boomtop-grens", de grootste aanslag be-tekent op onze ruimte-beleving. Zij die hoogbouw voorstaan, of voor zichzelfprefereren vanwege het weidse uitzicht, dienen te bedenken dat de zichtlijnenwederkerig zijn en dat ver kijken tevens betekent: van verre gezien worden.Hier keert de wal het schip pas als het reeds te laat is: wanneer voor degeendie uitkijkt de einder versperd wordt door de coulissenwerking van vele hogegebouwen naast en adhter elkaar op middellange of zelfs op grote afstand, danis een der voornaamste aantrekkelijkheden dezer woonvorm illusoir geworden.Blijft niet het voordeel binnen kleiner bestek?Daarbij valt eveneens het accent op visuele aantrekkelijkheden: grotere -- zomen wil grootse -- ruimtewerking voor wie zich tussen de goed geplaatstehoge gebouwen bevindt; ,,inkijk-vrijheid", d.w.z. bevrijding van het gevoeldat overburen op tafel kunnen kijken; uitzicht op ,,groen". De overtuigdevoorstanders van hoogbouw -- zij die in beginsel de meest aangewezenen zijnom deze woonvorm verder te ontwikkelen -- zullen erop wijzen, dat de openruimte tussen hoge woongebouwen ingericht kan en moet worden voor velesoorten van gezamenlijke en individuele aktiviteit in een toekomst waarinsprake zal zijn van meer vrije tijd en meer welvaart dan wij ons nu nog kunnenvoorstellen. Maar de sceptici -- waarvan ik mij in deze beschouwing voor eenpoos tolk gemaakt heb -- vragen zich af, of in feite die inrichting zal en kanbeantwoorden aan de nog niet gekende behoefte van de mens die dan leeft;of deze mens niet juist meer behoefte zal hebben aan ,,individuatie", aan eenmilieu waarop hij zijn eigen stempel kan drukken, waar hij zichzelf kan zijnen daaraan uitdrukking kan geven.Deze vragen zijn niet met een enkelvoudig antwoord af te doen.Maar daarom juist is er aanleiding tot bezinning en vooral tot een strevennaar verscheidenheid van woonmilieus, gevormd door en met een verscheiden-heid van woonvormen.Om alle in deze beschouwing aangeraakte redenen -- economisch, ruimtelijken sociaal -- ware het wenselijk dat de vindingrijkheid van ontwerpers enbouwers zich veel meer dan dit de laatste tijd het geval blijkt te zijn, zou rich-ten op milieuvorming met lage en middelhoge woonvormen. Het stedebouw-kundige palet van de ontwerpers van de lage bebouwing is soms zo arm ge-314Hoogbouw - Laagbouwworden, dat men tracht een nieuwe toets aan te brengen door de introductievan de woontoren of hat hoge woongebouw. Dit procede is te simpel omwaardevol te zijn.Het verder ontwikkelen van hoogbouw met bijkomende elementen tot eenkwalitatief niveau dat werkelijk op bevredigende wijze beantwoordt aan detoekomstige behoeften van een meerderheid, zal leiden tot een kostenniveauwaarbij realisatle thans nog illusoir is. Mocht dat kostenniveau in de komendejaren wel aanvaard worden, dan kan men er zeker van zijn dat tegen die kos-ten bij lagere bouw ook veel goeds te bereiken valt.Een van de doelstellingen welke de regering in de Nota over de RuimtelijkeOrdening in Nederland heeft gesteld is: het creeren van woon- en werkmilieusvan een zo groot mogelijke verscheidenheid, om daarmee een zo groot moge-lijke vrijheid van levenskeuze mogelijk te maken.De keuze van de toe te passen woonvormen is in dit verband van zeer veelbetekenis.Dat de redactie van Stedebouw en Volkshuisvesting dit onderwerp op dit mo-ment opnieuw onder de aandacht heeft willen brengen Hjkt mij een gelukkigegedachte. Dit nummer -- waarin naar het zich laat aanzien uiteenlopende op-vattingen naar voren gebracht zullen worden -- moge voor velen de stootgeven tot een hernieuwde bezinning op dit belangrijke vraagstuk. De Centra-le Directie van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid zal van haar kant,voor zover het in haar vermogen ligt, gaarne tot deze bezinning bijdragen.DE PRODUCTIE VAN EEN- EN MEERGEZINSHUIZEN SINDS DE OORLOG IN CIJFERSDrs. L. Tas, wetenschappelijk medewerker van de CentraleDirectie van de Volkshuisvesting en de BouwnijverheidIn ons land leeft algemeen de over-tuiging, dat er sinds de oorlog belang-rijk meer woningen in meergezinshui-zen (flats e.d.) en veel minder eenge-zinshuizen worden gebouwd dan daar-voor het geval was.Daarbij is natuurlijk niet iedereen evennaief als de journaliste die mij enigetijd geleden opbelde om wat cijfers. Zijwilde die gebruiken in een serie ar-tikelen over de wijze, waarop men zichzo goed mogelijk aan het wonen in eenflat kon aanpassen omdat, zoals zij hetstelde ,,wij binnenkort toch allemaal ineen flat zullen moeten wonen". Datnog steeds ruim 60''/o van de nieuw-bouw uit eengezinshuizen bestaat wasvoor haar een openbaring.Hoe lag dit percentage nu voor deoorlog en hoe is de na-oorlogse ontwik-keling?Vooroorlogse cijfers zijn er op dit puntin het geheel niet, zodat de eerstevraag niet exact te beantwoorden valt.Wel echter zijn er cijfers beschikbaarin de Algemene Woningtelling van1947, die zijn opgenomen op een mo-ment waarop (sinds de oorlog) nogvrijwel niets gebouwd was. Het blijktdat toen ZP/o van de woningen een-gezinshuizen waren, zodat mag wordenaangenomen dat dit percentage in 1940ook ongeveer zo lag.Bij de Woningtelling van 1966 blijktdit percentage te zijn gedaald tot 69,wat er op duidt dat de nieuwbouw re-latief minder eengezinshuizen bevattedan de bestaande voorraad.De omtrent de nieuwbouw na de oor-315Hoogbouw - LaagboHwlog beschikbare cijfers zijn enigszlnsonvolledig, omdat zij tot 1962 slechtsbetrekking hebben op de gesubsidieer-de bouw (woningwet- en premiewo-ningen); zij zouden dus misleidendkunnen zijn, omdat de ongesubsidieerdewoningen ontbreken. Deze laatstewerden echter eerst in de jaren 1960en 1961 van belang. In 1962, toen ookde ongesubsidieerde bouw in de betref-fende statistiek werd opgenomen, bleekslechts S/o/o van de nieuwbouw waar-voor dat jaar rijksgoedkeuring e.d. wasverleend, uit eengezinshuizen te be-staan. De volgende jaren steeg dit per-centage echter tot boven de 60 {ziegrafiek 1).Het verschil tussen ? 60 en ? ZO^/oeengezinshuizen is natuurlijk niet onbe-langrijk. Het is echter veel te klein omte kunnen spreken van een sterke toe-neming van het toepassen van meer-gezinshuizen in de jaren na de oorlog1940-1945, zoals het voorwoord vanhet rapport Hoogbouw - Laagbouwdoet. ^)Wanneer er niet ook nog lets andersaan de hand was, zou dit verschil nl.,,met het blote oog" nauwelijks waar-neembaar zijn.Tahel 1. Geografische verdeling van de woningvoorraad en de nieuwbouwWoningvoorraad 1956 Nieuwbouwgebouwd voor gebouwd in 1962 t/m 19651946 1946-1956Gebied: PercentagesNoord- en Zuid-HollandUtrecht en Zeeland 56 45 45Groningen, FrieslandDrente en Overijssel 29 31 32Noord-Brabant enLimburg 15 24 23Nederland 100 100 100Gemeenten naar inwonertal:meer dan 300.00 inw. 26 14 9100.000-300.000 inw. 12 11 1350.000-100.000 inw. 12 15 1520.000- 50.000 inw. 13 18 19minder dan 20.000 inw. 37 42 45Nederland 100 100 100Hoe kan nu deze algemene indruk vaneen zeer sterke toeneming van de bouwvan meergezinshuizen, die dus niet al-leen bij de hierboven geciteerde jour-naliste, maar 66k bij de deskundigen inons land blijkt te bestaan, worden ver-klaard?Het zou mogelijk zijn dat in de pe-riode v66r 1962, een periode dus waar-over geen volledige cijfers ter beschik-king staan, het percentage eengezins-huizen veel lager zou hebben gelegendan in de laatste vier jaren. Dit is ech-ter zeer onwaarschijnlijk. De percen-tages eengezinshuizen voor de jaren1954 t/m 1961 kunnen nl. ruw geschatwordtn uit de cijfers voor de gesubsi-dieerde bouw (die wel bekend zijn),aangevuld met een schatting omtrentde aantallen eengezinshuizen en wonin-gen in meergezinshuizen in de ongesub-sidieerde sector. En ook deze (geschat-te) percentages eengezinshuizen schom-melen rond de 60. De verklaring vanonze ,,algemene indruk" moet dan ookergens anders worden gezocht. Vergisik mij niet, dan spelen hierbij vooral devolgende factoren een rol.In de eerste plaats kwam na de oorlogde nieuwbouw in mindere mate dandaarvoor tot stand in het westen deslands. Het duidelijkst doet dit ver-schijnsel zich voor in de grote steden,wier aandeel in de na-oorlogse nieuw-bouw opvallend klein is (zie label 1).En dit waren juist de gebieden waarmen reeds voor de oorlog etagebouw opgrote schaal gewend was.^) ,,De aanleiding tot dit verzoek" (nl. hetverzoek van de Minister tot het instellen vande Commissie Hoogbouw-Laagbouw) ,,was on-der meer gelegen in het verschijnsel van eensterke toeneming van het toepassen van meer-gezinshuizen in de jaren na de oorlog 1940-1945. Een toepassing, die niet beperkt bleeftot de grote steden, maar die zich ook uit-strekte over gemeentegroepen, waar het meer-gezinshuis voor de oorlog niet of nauwelijksvoorkwam." (Rapport Commissie Hoogbouw-Laagbouw, biz. 13).316Hoogbouw - Laagbouw2elfs bij een (voor het land als geheel)gelijkblijvend percentage eengezinshui-zen zou een dergelijke verschuiving vanhet zwaartepunt van de nieuwbouwbetekend hebben, dat etagewoningenwarden gebouwd op plaatsen waar dezeeen novum vormden. Des te meer wasdit het geval, nu dit percentage in feitemet circa 10 punten gedaald blijkt tezijn. Daar komt nog bij, dat de aantal-len Jaarhjks gebouwde woningen onge-veer tweemaal zo hoog waren als voorde oorlog, hetgeen de ,,zichtbaarheid"van het verschijnsel nog vergrootte.De gecombineerde gevolgen van de da-ling van het landelijke percentage een-gezinshuizen en van de veranderde geo-grafische verdeling van de nieuwbouwzijn in tabel 2 wel zeer duidelijk tezien. Behalve in de gemeenten metmeer dan 300.000 inwoners (d.i. inAmsterdam, Rotterdam en Den Haagwaar voor een verdere daling van hetpercentage eengezinshuizen t.o.v. devooroorlogse bouw nauwelijks ruimtewas) zijn voor alle gemeentegroepen dena-oorlogse percentages belangrijk la-ger dan die voor de in 1956 aanwezigewoningvoorraad. ^)Hierbij spannen de gemeenten met eeninwonertal tussen 50 en 100.000 wel dekroon: het percentage eengezinshuizenis daar vrijwel gehalveerd. Een derge-lijke ontwikkeling moet natuurlijk welopvallen.Behalve de hierboven aangetoonde ont-wikkeling hebben m.i. echter nog an-dere punten een rol gespeeld bij hetontstaan van de ,,algemene indruk".Vele van deze punten werden overigensreeds in het rapport Hoogbouw-Laag-bouw uitvoerig vermeld, evenals datmet het optreden van etagebouw inkleinere gemeenten het geval was. '')Volledigheidshalve meen ik daar echternog even op in te moeten gaan, te meerdaar het beschikbare cijfermateriaalg r a r I c k )Percentages eengezinshuizen9 ra fle h 2100w 0,,,, 9 l.Uing.n Nicuwbouw- t iz i-IPercentages vrijstaande eengezinshuizenC in "U van het aantal eengezinshuizen )'/. 'U ./.100 ,00 I- JiooWonlngtdllngen Nieuwbouv- 75 7526Tabel 2. Percentages eengezinshuizen naar gemeentegrootteWoning- Nieuwbouwtellingen1947 1956 1962 1963 1964 1965Nederland 71 69 57 62 65 61Gemeenten naar aantal inwoners:meer dan 300.000 inwoners -- 11 10 16 17 8100.000--300.000 -- 65 48 58 47 4850.000--100.000 -- 73 39 34 38 3420.000-- 50.000 -- 87 51 57 60 60minder dan 20.000 -- 97 83 83 86 83Tabel 3. Percentages vrijstaande eengezinshuizen (in "/o van het totale aantaleengezinshuizen)Woning- Nieuw'bouwtellingen1947 1956 1962 1963 1964 1965Nederland 38 33 18 16 19 22Gemeenten naar aantal inwoners:meer dan 300.000 inwoners 7 9 6 2 8100.000--300.000 -- 6 6 3 5 550.000--100.000 -- 16 8 11 8 1020.000-- 50.000 -- 26 16 11 15 17minder dan 20.000 ,, -- 48 23 22 24 28317Hoogbouw - Laaghouw1009 r a r I c k 3Woningzn in nieuwe me e rgez j n sh u i z en naar hetaantal bouwlagen van het pand waarin zij zijngele g e n( in Ve van het totale aantal wonJngen rnmeergezinshuizen )100g ra f1e k 675Woningen in nieuwe meergezinshuizen met 9ofmeerbouwlagen( in Vs van het totale aantal woningen in meergezins-huizen in de betreffende gemeentegroep )Gemeenten met een aantal inwoners vanMccrdan 100,000 SO. 000300.000 -300.000 -20.00020,000 Minder di 50,000 20.000Ji\Ned t r t a n d100toelaat enige van deze verschijnselennader toe te lichten.Als tweede oorzaak van onze ,,algeme-ne indruk" mag geloof ik de veel grote-re massaliteit (waarop hierboven reedswerd gewezen) en de daarmede ver-bonden uniformiteit van de na-oorlog-se bouw worden genoemd. Het woord,,woning in een meergezinshuis" is im-mers slechts een verzamelnaam die infeite alies dekt wat geen eengezinshuisis, van de (apart verhuurbare) woningboven een winkel en de boven- en be-nedenwoning tot de wooncel in eenwolkenkrabber. Daaronder vallen dusook andere in onze steden en masseaanwezige typen, zoals de Haagse por-tiekwoning, de etagewoningen met eenaigen ingang aan de straat, de twee-op-een, enz. enz. De meeste van dezewoonvormen zijn na de oorlog vrijwelniet meer gebouwd. Zij zijn verdron-gen door de portiek-etagewoning en dewoning-aan-de-galerij, beide bouw-vormen die vrijwel onvermijdelijk eenveel massaler indruk wekken, vooralals zij op enige schaal worden toege-past.Helaas bestaan op dit punt geen voor-oorlogse cijfers. Wei wordt de indrukomtrent de huidige toestand bevestigddoor de mensen, die bij het samenstel-len van de statistiek van de nieuw-bouw, waaruit in dit artikel is geput,de tekeningen van een groot deel vande Nederlandse nieuwbouw door hunhanden krijgen: vrijwel alleen de beidelaatstgenoemde typen komen nog voor.De bouwvorm van het eengezinshuisvertoont mogelijk lets meer variatie danvoor de oorlog door de toepassingvan bungalows en -- op het ogenblik-- van patiowoningen, maar deze typenhebben slechts in bijzonder geringe ma-te invloed op het stadsbeeld.Omtrent een derde verschijnsel, de toe-passing van meer ,,geconcentreerde"woonvormen, is lets meer te zeggen.Onder dit ,concentratieverschijnsel"zou ik willen verstaan het toenemendgebruik van bouwvormen, die de bewo-ners van verschillende woningen fysiekdicht in elkanders nabijheid brengen.Ook dit verschijnsel kan hier slechtsgedeeltelijk worden belicht, omdat opessentiele punten, zoals het aantal wo-ningen in een bouwblok en de afstandtussen deze bouwblokken, systematischverzamelde gegevens ontbreken. Duide-lijk is op dit punt slechts, dat de af-stand tussen de gevels der blokken inde steden belangrijk groter is gewordendan voor de oorlog gebruikelijk was.Omtrent twee punten is echter wel in-formatie beschikbaar, nl. omtrent hetvoorkomen van het vrijstaande eenge-zinshuis en omtrent de ontwikkelingvan het aantal bouwlagen van meer-gezinshuizen in de nieuwbouw.De beschikbare cijfers omtrent de vrij-staande eengezinshuizen zijn samenge-vat in grafiek 2 en label 3. Hieruitblijkt wel, dat het percentage vrij-staande eengezinshuizen sinds de oor-log sterk is teruggelopen. Op dit puntis de nieuwbouw dus duidelijk meer,,geconcentreerd".De woningtellingen bevatten geen ge-gevens omtrent de als ,,twee onder eenkap" gebouwde eengezinshuizen. Daarechter uit de beschikbaare cijfers om-trent de nieuwbouw blijkt, dat in hetalgemeen deze bouwvorm minder voor-^) Voor 1947 zijn geen cijfers naar gemeente-grootte beschikbaar.'') Zie ook noot 1.318Hoogbouw - Laakomt naarmate hec vrijstaande eenge-zinshuis minder wordt toegepast, magworden aangenomen dat ook dezebouwvorm sinds de oorlog aan belangheeft ingeboet.Omtrent het aspect van de ,,stape-ling" van de woningen in meergezins-huizen zijn slechts na-oorlogse cijfersaanwezig. De Commissie Hoogbouw-Laagbouw heeft echter in haar rapportduidelijk aangetoond dat echte hoog-bouw -- waaronder hier woningbouwin 6 of meer bouwlagen zal wordenverstaan -- voor de oorlog slechts spo-radisch voorkwam. Des te opmerke-lijker is de ontwikkeling die zich op ditpunt de laatste jaren voordoet (tahel4 en grafiek 3).Tabel 4. Hoogbouw (woningen in nieuwe meergezinshuizen in panden m.et6 of meer bouwlagen, in Vn van het totale aantal wo-ningen in meergezinshuizen in de betreffende gemeente-groep) ,1962 1963 1964 1965Nederland 21 28 34 47Gemeenten naar aantal inwoners:meer dan 300.000 inwoners 38 49 40 60. 100.000--300.000 21 26 46 3850.000--100.000 25 32 51 6320.000-- 50.000 6 23 15 39minder dan 20.000 10 5 14 31Tabel 5. Woningen In nieuwe meergezinshuizen in panden met 9 of rneerbouwlagen (in "/o van het totale aantal woningen in meergezinshui-zen in de betreffende gemeentegroep). ?-. .-.,"1963 1962 1964 1965Nederland 11 16 21 31Gemeenten naar aantal inwoners:meer dan 300.000 inwoners 22 29 27 48100.000--300.000 8 18 36 25, " 50.000--100.000 15 16 30 40'";'; 20.000-- 50.000 ,, ' 3 14 9 22minder dan 20.000 1 2 3 17Uit deze gegevens blijkt, dat de hoog-bouw de laatste jaren een zeer belang-rijk deel van de etagebouw uitmaakt,het laatste jaar zelfs bijna de helft.Nog opvallender is misschien, dat de,,hoogbouwgolf" de laatste jaren zelfskleine gemeenten heeft bereikt, zodatin de gemeenten met minder dan 20.000inwoners In 1965 zelfs ruim 30"/o vande etagewoningen in blokken met 6 ofmeer bouwlagen werd ontworpen.De ontwikkeling staat trouwens bij 6bouwlagen niet stil. Terwijl een jaarof vier geleden nog slechts lets meerdan de helft van de woningen in hoog-bouw in blokken met 9 of meer lagenwerden gesitueerd, blijkt dit in 1965reeds met bijna 3/4 van deze wonin-gen het geval (tabel 5). Een ontwikke-ling dus die alle aandacht verdient.Tot slot nog een enkele opmerking.Het bovenstaande zou misschien de In-druk kunnen wekken, dat Ik de ver-mindering van het percentage eenge-zinshuizen in de na-oorlogse periodezou willen bagatelliseren, of -- aan deandere kant -- het aangetoonde ,,con-centratieverschijnsel" in de woning-bouw zonder meer ongunstig zou ach-ten. Dit is geenszins het geval. Ik zoumij liever, op deze plaats, van eenwaardeoordeel over de aangetoondeontwikkeling willen onthouden en datoverlaten aan de deskundlgen, diedaartoe elders in dit nummer de gele-ganheid zullen krijgen.BronvermeldingTabel 1; Woningvoorraad: AlgemeneWonlngtelling van 30 juni 1956, Cen-traal Bureau voor de Statistiek; de cij-fers omtrent de woningvoorraad naargemeentegrootte zijn afkomstig uit desteekproef 1 : 30 uit deze telling.Nieuwbouw 1962 t/m 1965: Kwallta-319Hoogbouw - Laagbouwtieve Woningdocumentatie van de Cen- betreffende jaar door de rijksoverheid 1947: 12e Volkstelling, 31 mei 1947,trale Directie voor de Volkshuisvesting toestemming tot gunning werd gegeven, annex woningtelling, Centraal Bureauen de Bouwnijverheid. De cijfers zijn een premie werd toegezegd, of een voor de Statistiek; overige bronnen alste vinden in de diverse jaarverslagen vergunning tot bouwen werd verleend. boven.van deze Directie. Zij hebben betrek- Tabel 3, 4 en 5, grafiek 2, 3 en 4; alsking op de woningen waarvoor in het Tabel 2 en grafiek 1; Woningvoorraad boven.VOORZICHTIG MET HOOGBOUWIr. W. van Tijen, particulier architectHet is zeer welkom, dat het Neder-lands Instituut voor Ruimtelijke Or-dening en Volkshuisvesting de kwestievan de juiste of onjuiste benutting vanhet hoge woongebouw nog eens aan deorde stelt. In het rapport van de com-missie ,,Laag of hoog bouwen en wo-nen" is deze vraag wel reeds uitvoerigbehandeld, maar vele recente ontwik-kelingen vragen nog eens dringendaandacht voor dit probleem.Gesteld kan m.i. worden, dat inzakede werkelijke behoefte aan ,,hoogbouw"in de woningbouw -- ik gebruik ditwoord kortheidshalve voor woonbe-bouwingen met meer dan vier bouw-lagen, waarbij liften noodzakelijk zijn-- gezien vanuit de belangen van devolkshuisvesting een belangrijke matevan overeenstemming bestaat.Ik meen, dat men het in de Neder-landse volkshuisvesting en stedebouwer vrijwel over eens is, dat het hogewoongebouw een van de welkome ennoodzakelijke elementen is, die aan deruimtelijke vormgeving van ons wonenten dienste staan. De hoeveelhedennoodzakelijke woningen en daardoor deuitgebreidheid van de woongebiedenzijn z6 groot, dat verticale elementenvan belangrijke schaal welhaast onmis-baar zijn om de ruimtelijke duidelijk-heid -- een van de factoren voor deleefbaarheid -- voldoende te handha-ven.Tegenover de grote ruimten, die demoderne sport, het moderne verkeer ende moderne recreatie vereisen, is deverticale schaal van het eengezinshuisen zelfs van de middelhoge etagebouwte klein voor het bereiken van eenruimtelijke duidelijkheid en afleesbaar-heid in de woongebieden.Het hoge gebouw is daarvoor nood-zakelijk en alleen bij hoge uitzonderingzijn voor deze ruimtelijke functie an-dere hoge bebouwingen zoals kantoor-flats beschikbaar.Het hoge woongebouw is echter ge-lukkig niet alleen een ruimtelijk schaal-middel. Voor de daarvoor in aanmer-king komende categorie bewoners ishet ook een welkome verrijking vande scala van woonmogelijkheden. Eengoed ontworpen en goed gesitueerdhoog woongebouw kan aan de bewo-ners ervan een bevrijdend contact metgrote ruimten rondom geven, die zekerin een vlak land binnen de verstede-lijking op geen enkele andere wijze kanworden verschaft. Zo is het hoge woon-gebouw zowel terwille van de stede-bouwkundige ruimtevorming als ter-wille van zijn eigen woonmogelijkhe-den een van de welkome en noodza-kelijke elementen van onze woonmi-lieus.Daar staan echter wel enkele dingentegenover.In de eerste plaats moet gesteld wor-den, dat het wonen in het hoge woon-gebouw van ongewenst tot funest isvoor het kleine kind, meer precies voorde kleuter van een tot zes jaar. Debaby kan bij goede verzorging zeer welzijn noodzakelijke contacten met frisselucht, ruimte en groen vinden op eengoed balcon of met de moeder in eenrustige groene omgeving. Het school-kind boven zes jaar zal op zijn dage-lijkse gang van en naar school min ofmeer van zelf zijn ruimtelijke en socialecontacten beleven, al is de altljd moei-lijke bereikbaarheid van straat en groenvanuit de woning in het hoge woonge-bouw zeker ook voor hem een be-langrijke rem.Onoplosbaar wordt dit punt echtervoor de kleuter. De kleuterleeftijdwordt door de psychologen een vande belangrijkste fasen in de menselijkeontwikkeling geacht. Men meent datmet het vierde jaar de menselijke per-soonlijkheid feitelijk reeds gevormdis, Nu weet iedereen, die kinderenkent, dat de fundamentele behoeftevan deze jaren is het spontaan kunnenreageren op een opkomende behoefteof impuls. Wanneer een kleuter letswenst te doen of te laten moet dat320Hoogbouw - Laagbouwvoor hem spontaan kunnnen gebeuren.Uitstel van het voldoen aan een impulsbetekent voor hem vrijwel steeds afstelen daarmee veelal verdringing, die totbeschadiging kan leiden. Dit geldtvoor de behoeften aan spel en activi-teit binnenshuis en te sterker naarmatehet kind jonger is. Dit geldt ook en; vooral voor zijn behoefte aan buiten-\ ruimte en aan klelne maar fundamen-i teel belangrijke contacten met tuinen straat en met groan en met leef-tijdgenootjes aldaar.Deze kunnen praktisch alleen door heti eengezinshuis geboden worden. lederdie het wonen in wijken met eengezins-huizen met voldoende veilige stratenen veel groen kent, weet wat dit juistvoor de talrijke kleuters daar betekent.Het spelen op galerijen van hoogbouwis een armehjk en vaak gevaarlijk sur-rogaat voor wat het eengezinshuis indit opzicht kan bieden, zelfs wanneermen tot speelgelegenheden op deze ga-lerijen zou kunnen komen, die tochaltijd weer toezicht vereisen. Eenspeeltuin op het dak als in het woon-gebouw in Marseille is architectonischmooi, maar mist het contact met debodem en de noodzakelijke spontanebereikbaarheid. Grote balcons per wo-ning zouden spontaan bereikbaar kun-nen zijn, maar zijn geen ,,bodem" enmissen het contact met de buurtge-nootjes.Hoogbouw is en blijft voor de kleuter,,kind-feindlich" en de rekening voorwat deze in de hoogbouw nood-l zakelijk mist en voor wat daarvoorwordt verdrongen, zal vroeger of la-ter persoonlijk en maatschappelijk wor-i den gepresenteerd.Wanneer echter het wonen van kleu-; ters in hoge woongebouwen vermedenI wordt, zijn zoals reeds gezegd deze ge-J bouwen een welkome en noodzake-lijke aanvulling van de scala van woon-mogelijkheden. Op het ogenblik dreigener echter internationaal andere enenorme gevaren bij de toepassing vandeze woonvorm.De toepassing daarvan wordt immersniet beperkt tot die van ruimtever-duidelijkende elementen van groteschaal en tot een mogelijkheid om ookvoor stedelijke bewoners aan de be-hoeften aan overzicht en vergezicht tekunnen voldoen.Terwille van het drukken van degrondkosten en het opvoeren van debebouwingsdichtheid zonder zorg voorde daarbij noodzakelijke ruimtelijkheid,wordt de hoogbouw steeds meer inovermatige omvang toegepast.Het streven naar een gemakkelijkdrukken van de bouwkosten leidteveneens tot een alleen daaruit voort-komende opvoering van het aantalwoonlagen. Ten slotte misbruikenmeerdere architecten, in een behoefteaan expressie van verstedelijking en terwille van een zeker verlangen naar mo-numentaliteit, steeds vaker de woon-hoogbouw tot een element van schaal-bederf in een ruime omtrek.Nu heeft het proefschrift van Dr. Ir.A. Heimans nog eens duidelijk hetook wel reeds bekende feit aangetoonddat bij goed ruimtelijk beleid ook inNederland een overmatige toepassingvan hoogbouw ter wille van ruimte-besparing stellig niet noodzakelijk is,zelfs niet in het westen van het land.Het opvoeren van het aantal woon-lagen Is echter voor de stedelijke over-heden en voor de bouwbedrijven vaakde weg van de minste weerstand enwaar deze weerstand niet gebodenwordt, ontstaan in groten getale ont-stellende en schokkende voorbeeldenvan massificatie en schaalbederf.Er zijn in binnen- en buitenland talrij-ke voorbeelden van complexen hoog-^'inRoehampton, Londenbouw, waarbij de functie daarvan nietprimair is, om de schaalvergroting ende structuur van woongebieden te ver-duidelijken. In Engeland, in Zweden,in Belgie, in Frankrijk en vrijwel over-al elders kan men complexen hogewoongebouwen aantreffen wier ken-nelijk doel is het opvoeren van debebouwingsdichtheid. Hun aantallenzijn dan zo groot, dat er van het voor-komen van het wonen met kleutersin dergelijke gebouwen geen sprakekan zijn. Zelfs wanneer men van ditbezwaar afziet en zich beperkt totoverlgens geslaagde voorbeelden, ont-staat er op deze wijze toch geen wer-kelijk woonmilieu.Ik neem naast andere complexen ophoog niveau In Stockholm, Denemar-ken en elders als voorbeeld de woon-wijk Roehampton in Londen bij hetRichmondpark, en wel het nieuwsteof westelijke deel daarvan. Hier zijnde torens en ,,slabs" uitstekend ge-groepeerd op mooi geaccidenteerd ter-rein en tussen prachtige bomen. Bo-vendlen is de architektuur buitenge-321Hooghouw - LaagboHWDelft, Poptahof Rotterdam, Alexanderpolder Delft, Voorhofwoon goed, sterk en eenvoudig. Des-ondanks ontstaat er geen werkelijkwoonmilieu. Er is te veel afstand zo-wel in maten als in karakter tussende woontorens en hat omringendegroen. Een kind dat op deze grasvel-den zou spelen, zou zich onbewustvanuit de hoogte bedreigd voelen. Ookvoor de volwassene is er geen vrijheidvan buiten zijn. De schaal van de om-geving is te groot.Is dit reeds zo in een complex dat alseen voorbeeld van ruimtebeheersingmag gelden, hoeveel meer is dit het ge-val in complexen van alle graden vanruimtelijke armzaligheid en massifica-tie, zoals men deze alom en in steedsdreigender frequentie tot stand zietkomen. In Glasgow zag ik een com-plex van zeven a acht torens van 26woonlagen temidden van de armelijksteEngelse rommelbebouwing. Naast dezetorens zal wel weer hier en daar eenvertrapt stukje groen komen met mo-gelijk een enkel steriel speeltuig endaaromheen woestijnen van al dan nietbezette parkeerterreinen.Men behoeft hiervoor helaas echteral lang niet meer naar het buitenlandte gaan. Zo treft men in Osdorp, Am-sterdam-West grote ,,haken" galerij-bouw aan in tien of twaalf bouwlagen.Aan de binnenterreinen is veel zorgbesteed en het groen begint zich teontwikkelen, maar de op zichzelfruime maten worden vernietigd doorde veel te grote verticale schaal, en eentrieste massificatie is helaas niet teontkennen. < ?En dit zijn nog de gunstige en verzorg-de voorbeelden.Op talrijke plaatsen in binnen- en bui-tenland komt men aan een min ofmeer verzorgde ruimtelijkheid in hetgeheel niet meer toe. In een soort vanpaniekstemming wordt steeds hoger ensteeds langer gebouwd. Een bouwbe-drijf zeide onlangs tegen schrijver de-zes: ,,Achttien lang en zestien hoog isvoor ons wel aantrekkelijk." Het be-drijf zai deze aantallen waarschijnlijkhelaas wel krijgen. Men behoeft niet tezoeken. Zeventien hoog in Zwolle enEnschede ! Schaal en silhouet wordenin wijde omtrek verkracht. Men ziet dearmzalige ruimtelijkheden in Alexan-derpolder, Rotterdam, en in Delft,Voorhof. Nooit zal daar een bevredi-gend woonmilieu kunnen ontstaan.Massificatie en liefdeloos schaalbederfzullen hier altijd overheersen, ook wan-neer later het groen zich zou willenontwikkelen. Hiervoor is immers geenwerkelijke plaats door de enorme be-hoefte aan verhard parkeervlak, diedeze dichtheidsopvoering met zichbrengt.322Onze toekomst:steeds meer mensen,steeds minderruimte. Hoe houdenwij ons land bewoon-baar? Door de ruimtebeter te benutten. DeHeidemaatschappijkan u daarbij %'helpen. 'KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ%VER6NIGING TEN ALGEMENE NUTTEfil''.'"een vooruitstrevend beleiddat is gericht opmoderne stadsontwikkelingvraagt een nieuwe aanpakmeer mensenmoeten in kortere tijdbeter wonendit te nelpen verwezifflijkenIS de opdracfit die NEDfJCOzich gesteld heeft. ]NEDUCOINDUSTRIELEWONINGBOUWNV Systeem CoignetHooghouw - LaagbouwHelaas staan deze voorbeelden aller-minst alleen. De te hoge bebouwingendreigen in tegendeel de woonmilieus teoverwoekeren, zowel in de grote alsin de middelgrote steden en zij vor-men daarvoor een niet meer te her-stellen bedreiging.Hot is daarom welkom en dringendnoodzakelijk, dat over deze dingendoor het Instituut en ook door de Ne-derlandse Huishoudraad alarm wordtgeslagen. Met behulp van enkele hoog-bouwen en een goed gebruik vanmiddelhoge bouw is stellig een over-eenkomstige bebouwingsdichtheid tebereiken en is de schaal, vooral wan-neer het bomengroen zich ontwikkelt,veel geschikter voor de vorming vaneen echt woonmilieu. Van alle bescha-digingen, die tijdelijke moeilijkhedenaan ons wonen hebben berokkend,dreigt het huidige de schadehjkste enonherstelbaarste gevolgen te hebben.Alleen een krachtig en snel ingrijpenvan de rijksoverheid zou hier verdereschade kunnen beperken.BOUWEN VOOR EEN VERANDERENDE SAMENLEVINGE. F. Groosman, particulier architectHet ,,Instituut" dat het initiatief namtot de samenstelling van dit nummer,heeft aan de uitgenodigde schrijverster orientering nog eens toegestuurd eensamenvatting van het rapport ,,Laagof hoog bouwen en wonen".Het initiatief tot dat rapport (een ove-rigens zeer waardevolle studie) werdgenomen in 1955, het werd gepubli-ceerd in 1962. ,,Vandaag" is december1966, meer dan 10 jaar later.Hoeveel is er in die tien jaren op hetterrein van de volkshuisvesting ver-anderd in het denken, in de apprecia-tie en in het doen? Zijn de mogelijk-heden vergroot, de minima verhoogd,de marges in ontwerp en uitvoerings-kwaliteit verruimd?Om het tijdsbeeld duidelijk te maken:10 jaar geleden het eerste schot neteven buiten de dampkring -- nu op demaan; toen het grootste schip 70.000ton, nu 225.000; o ja, de revolutie inHongarije en de Suez-crisis voor dedeur. Tien jaar geleden zei iemand inZeeland tegen me, dat de Oosterschel-debrug niet nodig was; dezelfde man,wat vergeetachtig blijkbaar, beweerdedrie maanden geleden, dat die brug bijZierikzee veel te smal was!Het woordje ,,Slochteren" was onbe-kend; nu staat in de Internationalevakliteratuur Nederland met zijn gas-bel van meer dan 1.000 miljard m'^bovenaan de lijst, en ons ondergrondsedistributienet van meer dan 1.000 km ispraktisch klaar.Wie tien jaren geleden durfde beweren,dat in z6 korte tijdsspanne de koel-techniek, de computer, de straaltelefo-nie, het straalverkeersvliegtuig, de auto,de vijfdaagse werkweek, het 48-weeksewerkjaar, de televisie en, last but notleast, de moderne distributietechnieken,het wereldbeeld, het levenspatroon(het Westerse wel te verstaan), volledigzouden veranderen, werd nauwelijksvoor vol aangezien.En welke sprongen hebben bouwtech-niek en volkshuisvesting gemaakt?Laten we ook dit eens analyseren eninvemariseren. In 1955 toen het initia-tief tot bovengenoemd rapport werdgenomen, werd er eigenlijk alleen nogmaar gestapeld.Het beeld van de Nederlandse volks-huisvesting vooral in de omgeving vande grote steden werd hoofdzakelijk be-paald door drie- en vierhoog etage-bouw, al of niet op onderhuis, zonderliften, zonder cv, dikwijls ook zondercentrale tv, zonder vuilafvoer, enz. Omzogenaamde sluitende exploitaties tekrijgen, moest voor het laatste dubbel-tje worden gevochten, een strijd die alshet gebouw na 3 jaar gereed was, ach-teraf volkomen absurd bleek, omdatelk jaar de gulden meer dan 2*'/o de-valueerde. ' ::De Nederlandse bouwwereld heeft zelfpraktisch weinig nieuwe technische mo-gelijkheden ingebracht. Wat nieuw is,kwam, behalve het ERA-systeem, uithet buitenland. De grote elementen-bouwsystemen Coignet en Larssen &Nielsen, werden geimporteerd uitFrankrijk en Denemarken. Het jack-blocksysteem uit Engeland, Bitcon uitOostenrijk, de liftslabprincipes uitAmerika en Engeland. Nieuwe metho-den om staalskeletten te monteren(Porte de Lilas) uit Frankrijk. HBC-systeem voor scholen uit Engeland.Hangconstructies en glijbekistingen zijnook niet hier bedacht. De nieuwe in-323Hooebouw - LaatbouwWOOHKAHEK It.n ITW00MVE1HHEMIn het Delftse uitbreidingsplan Voorhof war-den thans meerdere hoge woongebouwen ge-realiseerd door de NV Staalproject.Netto woonoppervlak (zie plattegrond) 100ml. Het skelet biedt een grate interne flexi-biliteit.zichten in de houtbouwtechniek kwa-men uit Canada en de kunststofzakenkomen ulterst moeizaam ook praktischalle uit het buitenland.We zijn zelf niet zo verschrikkelijkinventief!Waarom deze wat cynische technischeuitweiding bij de bespiegelingen overlaag en hoog bouwen en wonen? Omdater altijd vooral op ons werkterrein eenzeer nauwe band bestaat tussen hetsociaal wenselijke, het technisch moge-lijke en het zogenaamd betaalbare.Er is een voorcdurende wisselwerkingtussen wat we graag zouden willen(hebben of huren), datgene wat de pro-ductiebedrijven ons kunnen leveren enhet financiele offer dat wij bereid zijnte brengen. Zijn het niet de grote assu-rantiemaatschappijen in de Angelsaksi-sche landen die de kreet slaken ,,Hou-sing does not pay"?Er wordt weleens gezegd, alles is eenkwestie van keuze.Is dat zo?Kunnen we kiezen tussen 130 dagenvrij per jaar of een fijn huis?Kunnen we kiezen tussen of een autoof een mooie, goede flat ?Kunnen we werkelijk kiezen tussen enradio en tv en ijskast en wasmachine enonze kinderen op de brommer naarschool tot 18 jaar, of een beter huis?Laten we eerlijk zijn en deze vraagontkennend beantwoorden. Want, voormen aan dat betere huis, aan dat gro-tere woongenot, enz. in gedachten toeis, is de keuze allang gevallen op aldie andere zaken.Is het dan gerechtvaardigd, dat menzijn neus ophaalt, of zich critisch uit-laat over de algemene indruk die deNederlandse stedebouw en volkshuis-vesting oproept. Ook deze vraag zouik in eerste instantie ontkennend willenbeantwoorden.Er zijn echter enkele maar-en.Er zijn op bouwtechnisch gebied zeerveel nieuwe mogelijkheden ge'introdu-ceerd. Er is ook op het gebied van demaatsystematiek en een werkelijk ge-disciplineerde benadering der vraag-stukken veel waardevols gepresteerd inde Stichting Architecten Research. Eris in de overheidsbepalingen (Voor-schriften en Wenken) meer ruimte ge-komen. Er is ook bouworganisatorisch(bouwstromen, goede planning, etc.)verbetering te bespeuren. Maar heeftdit alles nu relatief de zaak, onze zaakvan de volkshuisvesting, werkelijk eenbelangrijke stap vooruitgebracht? Alser al een stap is gezet, is dat naar mijnmening een uiterst klein stapje.En waarom? Omdat in het voor-bije decennium (Parkinson) het aantalinstanties -- individuen -- en ook welincompetenten, dat zich op het tot-standkomingsproces heeft gestort, mis-schien wel is verdubbeld of verdrie-voudigd.Omdat de verantwoordelijkheden in deverschillende fasen van de besluitvor-ming steeds onduidelijker zijn ge-worden, het aantal bepalingen waaraanhet werk moet voldoen is uitgegroeidtot een onleesbare bibliotheek, en voor-al omdat we gezamenlijk nog steedsniet in staat blijken te zijn de verschil-lende aspecten van n'importe welkproject te ,,evalueren".Ik bedoel hiermee dit. Er worden nogdagelijks stedebouwkundige plannenontworpen, waarin het wegenbeloop,de hoeveelheid verhard oppervlak ende stelsels van rioleringen, buizen enkabels eenvoudig spotten met de meestelementaire beginselen van efficiency.En dan klagen B. en W. en de raad, datde grondprijs per woning zo hoog moetzijn. In vele gevallen is dat helemaalniet nodig. Die hoge grondprijs is eenfactor die made de huur bepaalt. Danmoeten de woningbouwplannen het be-324Hooghouw - Laagbouwzuren, of er moeten meer woningenop dan oorspronkelijk was gedacht, ofde woon-, of bouwtechnische kwalitei-ten van het project moeten eronderlijden. Meestal is het niet 6f-6f, maaren-en.Laten we voorts aanemen, dat de nieu-we Voorschriften en Wenken voor dehuizen ,,sec" voorlopig althans een re-delijk sociaal peil garanderen, danblijkt in de praktijk, dat om het projecthaalbaar te maken de bouwtechnischekwah'teit bij voortduring het kind vande rekening wordt.Er is in ons land nog vrijwel niets ge-daan aan de bestudering van de con-sequenties van zoveel mogehjk onder-houdsvrije constructies. Van een ma-cro-economische en wetenschappelijkebenadering van alle financiele aspectenvan een groot project: investeringen ingrond, infrastructuur, in bouwmate-rieel - bouwsnelheden en de enormerenteverhezen in onze dirigistischemaatschappij is geen sprake. Gewoondilettantenwerk, zeggen de directeurenvan grote concerns.ten, maar het gebruik daarvan wijst inandere richtingen.Als onze energie dan zo beperkt is,zijn wij verplicht daarmee zuinig omte gaan.Een andere, niet minder belangrijkeconstante is de beschikbare ruimte inhet platte vlak. Het is toch wel dui-delijk aan het worden, dat de toene-mende industrialisatie, het groeiendeverkeer, de grote behoefte aan recreatieen de enorme onderwijsvoorzieningenons zullen nopen ook met dat plattevlak bijzonder zuinig om te springen.En last but not least zullen wij der-halve waar het de vervulling van eenvan onze meest elementaire behoeften,het wonen, betreft met de beschikbareenergie en de beschikbare ruimte en(zolang met onze gezamenlijke spaar-centen wordt gesubsldieerd) met de be-schikbare geldmiddelen, eveneens bij-zonder efficient moeten omspringen.U zult zich afvragen: was deze inlei-ding nu nodig om het vraagstuk ,,hoog -laag - bouwen - wonen - vandaag(1966)" dichter tot een oplossing tebrengen? Deze vraag moet bevestigendworden beantwoord, want we zullen bijde stijgende welvaart in de randstadecht niet allemaal in onze auto, op on-ze wegen kunnen rijden (of stilstaan!)en tevens in een droombungalow kun-nen wonen.Wij zullen m.i., kost wat kost, zelfs oponze slappe grond veel en veel hogermoeten gaan bouwen, niet alleen onzefabrieken, universiteiten en kantoren,maar ook onze woningen.Wij moeten daarbij vooropstellen dathet optimaal wonen in hoge gebouwennooit op bevredigende wijze zal wor-den bereikt, als daarbij het totale be-hoeftenprogramma van de ,,gemetropo-liseerde" mens uit het oog wordt ver-loren. Waarbij wij dan tevens uiterstbedachtzaam moeten zijn voor het feit,dat de leefgewoonten in de nabije toe-komst weleens fundamenteel zullenkunnen veranderen. Vijf dagen werkenBouwen - construeren, is het gebruiken,het verbruiken van de ons ter beschik-king staande energie. Ik weet niet ofsinds mijn middelbare-schooltijd de in-zichten zijn gewijzigd, maar behalvede toevoer van zonnewarmte is de ener-gie op onze aarde constant en beperkt.We hebben wel nieuwe methoden ge-vonden om beschikbare energie vrij temaken, het gas en de nucleaire krach-In Capelle a/d IJssel is in uitbreidingsplan,,Oostgaarde" door Stad en Landschap in sa-menwerking met bureau Groosman een pro-ject in voorbereiding van 1200 woningen, ge-situeerd in grote geknikte woonwanden, 10etages hoog.325Hoogbouw - Laaghouw,'^V^Vtr.Jii?-^***?S^.'?*!?%&??.,;'Een theoretische studie die op 10 September jl.in de Telegraaf is gepubliceerd ter illustratievan de noodzakelijkheid dat de schaalvergro-ting die onie maatschappij kenmerkt, ook inde bebouwingshoogte moet en kan warden be-antwoord.en twee dagen vrij, straks vier dagenwerken en drie dagen vrij, kondenweleens tot gevolg hebben dat we, inde geautomatiseerde bedrijven althans,een systeem krijgen van 14 dagen wer-ken in ploegen, daar ook logeren, endan een week met verlof gaan, net alsin de scheepvaart. Als de vervoersver-bindingen maar goed zijn, kan hetwonen heel wat beter gespreid wordenen zullen de problemen van lucht-, wa-terverontreiniging en vuilafvoer ge-makkelijker kunnen worden opgelost.Het woord ,,verstedelijking" is tochbijna synoniem geworden met ,,ver-vuiling"?De nieuwe Nota Ruimtelijke Ordeninggeeft in grote trekken de beleidslijnenaan waarlangs de komende decenniazou moeten worden gewerkt. Een moe-dig stuk werk waarvan ook verwachtwordt, dat de komende kabinetten zicherachter zullen scharen, het een na hetander.Tijdens mijn voordracht voor de jubi-lerende woningbouwvereniging ,,Volks-huisvesting" op 7 oktober jl. in Delft,heb ik gezegd dat het met die Nota inde hand nu gaat om de bepaling vande kwaliteit van de vlekken die op hetbijbehorende kaartmateriaal zijn ge-schilderd.326HoogboWelnu-- de thans voorhanden bouwtechnie-ken maken in principe alles mo-gelijk;-- de bestudeerde maatmethodiekenvan de Stichting Architecten Re-search liggen klaar om de zo nood-zakelijke discipline in program -project - productie daadwerkelijk terealiseren,de industrieen efficient te doenproduceren,de bouwtijd drastisch te bekorten ende kwaliteit aanmerkelijk te ver-beteren;-- sociologen en demografen hebbenvoldoende bouwstenen voorhandenom een goed gefundeerd nationaalprogramma op lange termijn tekunnen opstellen;-- er staan ook voldoende bekwamearchitecten (met een overigens on-beschermde titel) en goed geoutil-leerde bureaus klaar om die pro-gramma's vorm te geven.U vraagt een schets van dat program-ma?1) Opdrachten voldoende groot om devoordelen van een grote organisatie inalle opzichten tot hun recht te latenkomen, gekoppeld aan bepaalde ga-ranties voor een zekere continu'iteit.2) Een programma, waarin de keuze-mogelijkheden van elk jong of gevor-derd gezin voldoende ruim kunnen zijn(die keuze is er niet of in onvoldoendemate in Bijlmer of Ommoord).3) Het integreren van stedebouwkun-dige, woontechnische en architectoni-sche ontwerpwerkzaamheden.4) Een zo groot mogelijke concentratievan wonen, maar dan met kwalitatiefgoede verkeers- en ontmoetingsruimtenen voldoende marges voor nu nog on-bekende activiteiten.5) Een studie van de mogelijkheden totintegratie van de nu uiteengerafeldebouwprogramma's (met daarbij beho-rende financieringsmogelijkheden) voorgewone gezinnen, bejaarden en onvol-ledige gezinnen. (Is het etiket ,,bejaardof alleenstaand of onvolledig" in 1966eigenli
Reacties