stedebouw & volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelyke Ordening en VolkshuisvestingIn dit nummer: StedebouwMonumentenzorg en ruimtelijke ordeningVerstedelijkingStationsvoorpleinLeven zander auto?VolkshuisvestingWoningbeleidjuni 1966reactor centrum Petten: Heras hekwerk.GRESRIOLERINGEEN VEILIGEBESTEDINGEenmaal gelegd kunt U op eenGresriolering volledig vertrouwen !Gresbuizen gaan generaties mee.Dichtheid, hardheid en bestendigheidvoorkomen dat Gresbuizen aangetast wordenof lekkages vertonen die drink- engrondwaterverontreiniging tot gevolg hebben.Gres goed voor 100 jaar!Gresbuizen in vele diameters, iengtenen ,,hulpstukken".Prospect! op aanvraag.Afdeling VoorlichtingVrijheidstraat 26Oosterhout - NB.Tel. (01620) 43 42Gres in de grond, riolering ,gezond"VERKOOPASSOCIATJE NEDERLANDS CEMENT ENCI-CEMIJ-ROBUR N.V. AMSTERDAMOQzo zingt de zonen zoemende libeUenvakantietijdAannemers betrokken bij de moderne stedebouwedm. beugels & zoon n.v.aannemersbedrijf - gewapend beton - burger- en utiliteitsbouwoirsbeek dorpsstraat 12telefoon 0 4492 - 591Interieur R.K.Blljde Boodschap Kerkte Kerkraden.v. bouwbedrijfBIMOKantoor:OUDETELGTERWEG32Postbus 33ERMELOTelefoon (0 3417) 25 09Prive-adressen:E. J. Bilder, Engelserf 2, Harderwijk,Telefoon (0 3410) 29 38OK. H. Bilder, Oude Telgterweg 27,Ermelo, Telefoon (0 3417) 23 81OJ. Bilder, Hanengewei 66, Ermelo,Telefoon (0 3417) 20 50Regelmatig inaanbouw indiverse plaatsen BUNGALOWS, MIDDENSTANDSWONINGEN,PREMIE-HUURWONINGEN, WONINGWET-WONINGEN, UTILITEITSBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebosjwGROOTELS BOUWMIJ. N.V.LIMBURGLAAN24EINDHOVENWONING- EN UTI LITEITS BO U WBOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJFJSA. Tbonkervoort HM""^^f.^ UtiliteitsbouwJV Woningbouw (hoog- en laagbouw)?ix Betonwerken?iX Onderhouds- en verbouwingswerkeniz TaxateursROTTERDAM 4 PROVENIERSSINGEL 1 M -- TELEFOON 010 - 249606Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwN.V. Aannemers- en Wegenbouwmijv.h. Firma J. HEIJMANSGRAAFSEBAAN 13 - TEL. 04192-741 - ROSMALEN* GRONDWERKEN* ASFALT-en BETONWERKEN* WEGEN- en WATERBOUWKUNDIGE WERKEN* VLIEGVELDBOUW* CONSTRUCTEX : WEGMARKERINGEN(Thermoplastic en wegenverf)VANGRAIL, ' :>G. W. van ENGELENAANNEMERSBEDRIJF N.V.Wolwevershaven 31 -- DordrechtTelefoon 01850-3.84.67., /m WONINGBOUW# BETON-en? UTILITEITSBOUW' ?Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwWONINGBOUWUTILITEITSBOUW^N.Y. BETON- EN AANNEMINGSBEDRIJF GEBR. KOUDIJSKANTOOR JUFFERSTRAAT 10 - ROTTERDAMn,v.aannemings-hedrijf//KAPELPLEINrrDEN HAAGTel. (070) 541495Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwVAN LAAR'SBOUWBEDRIJF N.VDE BILTWONINGBOUW VOOR DE VERKOOPWONINGBOUWN.V. AANNEMINGSBEDRIJFv/h B. M. van HOUWEilNGENHARDINXVELD - GIESSENDAMKantoor: Telefoon 01846-3087 -- Postbox 13Aannemers betrokken bij de moderne stedebouw/van LIER s BOUWBEDRIJF N.V.Spoorlaan 58! ' \.'0425T314Z3 TILBURG,' '; ',.'.? SYSTEEMBOUW? BURGERBOUW? UTILITEITSBOUWMOESKOPS'BOUWBEDRIJFN.V.*BERGEYKTEL. 04975-378Aannemers betrokken bij de moderne stedebouw''?-'':' ' ',N.V. BOUWMAATSCHAPPIJSCHRIJVER-ZONEN? Woningbouw(Bouwstromen Midden Zeeland) ,,- , ', .-? Fabrieksbouw? WinkelcentraGOES.. '?, ; ". - '/' . " r?-i ';- ' ;^bouwbedrijf b & uh. oomkeswesterbroekTelefoon 05904 - 321Westerbroek5 km van Groningen,8 km van Hoogezandutiliteitswerkenbetonwerkenonderhoudswerkenwoningbouwvooralgjas^j uw vragen over ^1^^onze specialiteiten zijnspiegelglas"SECURIT" .geheel glazen "SECURIT"-puiengeemailleerd glas "EMALIT""CLARlT"-deuren pantserglas - bulletproofdubbele beglazing "POLYGLASS"gevelpanelen "MURCOLOR"gevelpanelen "PANOROC"doorzichtige spiegelsdraadglasfiguurglasantlekglastuindersglasgegolfd glas "VERONDULIT"gepolijst draadglas"CHAUVEL"-splegelglas ;,glazen bouwstenenmassleve blokken voor glas in betonloodglas ,,"SUPERCONTRYX"loodglasblokkenmarmerglasvoor inlichtingen en documentatle:n.v. Algemeen GlasverkoopkantoorJoh. Vermeerstraat 7, Amsterdamtel. 020 - 733391 (7 lijnen)alglass&vUitgave van hetNederlunds Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting47e jaargang no. 6Maandblad]uni 1966Redactie :Mevrouw Prof. C. W. VisserMe]. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. ]. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. Kok .Ir. P. K. van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. van der WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen :Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225Postgironummer 29080Advertenties :Nobehtraat 21, HeerlenTelefoon 04440-2551Postgironummer 1035100t.n.v. N.V. Maatschappij tot Exploitatie vanhet Limhurgs Dagblad - HeerlenDit nummerbevat enkele onderling niet samenhangende artikelen over onderwerpen diestuk voor stuk van veel actueel helang zijn.Om te beginnen het eerste artikel, dat de relatie van de monumentenbescher-ming en de ruimtelijke ordening tot onderwerp heeft. Dit thema heeft stof totdiscussie opgeleverd sedert de monumentenzorg in Nederland daadwerkelijkter hand genomen is. Op de eerste van de bekende reeks Monumentendagenwas het al aan de. orde. Maar het komt in een ander licht te staan, de tegen-stellingen nemen scherper vormen aan en doen zich gelden in een snel aan-groeiend aantal steden en dorpen, nu enerzijds de monumentenbescherming opgrand van de nieuwe Monumentenwet op grote schaal en met grote vaart isaangepakt en anderzijds de stadsvernieuwing overal tot plannen en operatiesleidt, waar monumenten bij betrokken zijn. Het artikel van een van de hoofd-ambtenaren van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zal daarom zeker grotebelangstelling ondervinden.Het tweede artikel, over het begrip verstedelijking, is van meer theoretischeaard. De afstand tussen theorie en praktijk is intussen in de ruimtelijke ordening153met groot. De beschouwingen van Dr. Ir. Heimans over dit onderwerp zullenzeker ook de praktici aanspreken.Een volgend artikel behandelt een stedebouwkundig element van ogenschijnlijkbeperkte strekking, het stationsplein, dat toch ah verbindingsschakel tussen staden buitenwereld een goed overwogen verzorging zeer waard is.De laatste bijdrage onder ,,Stedebouw" ontwikkelt enkele gedachten over demotorisering en haar gevolgen voor de ruimtelijke ordening.Onder ,,Volkshuisvesting" levert een van de deelnemers aan de vergadering vanhet Instituut op 28 april, inzake enkele hoofdpunten van het huidige woning-beleid, een korte naheschouwing over hetgeen in die vergadering is behandeld.InhoudStedehouw VolkshuisvestingMonumentenzorg en ruimtelijke orde- Woningbeleid, Ir. P. Kessler . . . 184ning, Dr. C. A. van Swigchem . . 155 Buitenland 186Verstedelijking, sleutelbegrip voor deplanologie ?, Dr. Ir. A. Heimans . . 167 Officiele MededelingenHet stationsvoorplein, Ir. R. Dijkster- Nederlands Instituut 187huis 171 Rijksplanologische Dienst . . . . 187Leven in het jaar 1970: zonder auto?,Drs. R. van Waard 179 Summary . . .... . . 188Buitenland . . . . . . . 182Abonnementsprijs f 24,--. Losse nummers f 2,50.De leden van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvestingontvangen het Mad kosteloos.154StedebouwUonumentenzorgstedebouwM0NUMENTEN20RG EN RUIMTELIJKE ORDENING Dr. C. A. van SwigchemBeschermde stads- en dorpsgezichtenMonumentenzorg en de opmarsvan de nieuwe tijdWie het woord monumentenzorg hoort, zal allereerst geneigd zijn te denkenaan bemoeienis met individuele objecten. Dat is terecht. Wanneer wij dan devraag stellen: wat voor objecten? moet het antwoord luiden: de bouwwerkenvan bijzonder belang voor geschiedenis en kunst : onze oude kerken, de zozeerop de verbeelding werkende kastelen, de historische raadhuizen en stadsgebou-wen en ook menig oud huis, met gevel in renaissance-stijl of 18de eeuws, waar-aan de herinnering aan een roemrijk verleden voor altijd verbonden zal blijven.Daar is echter niet alles mee gezegd. De Monumentenzorg, die uit is op hetbewaren van het historische bouwwerk, staat zelve niet buiten de geschiedenis.Zij is aan verandering van opvattingen onderhevig en haar werkterrein onder-gaat wijziging naarmate de omstandigheden evolueren. Welnu, ieder, die desituatie kent waarin het Nederlandse wonen en bouwen zich thans bevindt,zal begrijpen dat wij juist de laatste tijd een zeer belangrijke ontwikkelingZierikzee, Korte NohelstraatDe htiisjes, die samen met de poort een char-mant stadsbeeld vormen, zijn zo goed als alleeerst in de 19de en de 20e eeuw naar deoude traditie gebouwd.155StedebouwMonumentenzorgAmsterdam, DamrakDoor city-vorming wordt een oud stadsbeelduit z'n voegen gelicht.meemaken, die voor het klimaat waarin de Monumentenzorg arbeidt van hetgrootste belang is.Tot aan de eerste wereldoorlog bouwde men in Nederland op veel plaatsennog zuiver traditioneel. Wij weten alien, dat over het algemeen de timmermanop het platteland renteniershuisjes of boerenhuizen zette volgens een vast, over-geleverd schema, waarbij van bewuste architectuur geen sprake was. Er mageen verschil in kwaliteit zijn tussen het ene huis, dat op die manier tot standkwam, en het andere, een onderscheid dat het gevolg is van het gebruik vanbetere of minder goede materialen of van de aanwezigheid van meer of minder^tijlgevoel; desalniettemin was er een verwantschap die de ons thans soms zo wel-dadig aandoende homogeniteit van de vroegere bebouwing als geheel ten ge-volge had. In de stad lag het niet erg verschillend, hoewel daar meer op de156StedebouwMonumentenzorgmode werd gelet. Ook hier hield men zich veelal aan bestaande hoofdvormenen vanouds bekende materialen, en vormden de meeste bijgebouwde of ver-bouwde huizen samen met die uit vroegere perioden voor ons moderne besefeen familie, gemakkelijk als zodanig te herkennen. De omwenteling, waarinwij sindsdien zijn terecht gekomen en die met versnelde beweging voortgaat,is in haar aard alles omvattend. Zij tast de oude kernen aan en is in staat dieuit hun voegen te lichten. Zij levert een stedebouw op met een nieuw gezicht,zoals wij kunnen waarnemen bij de aanleg van nieuwe wijken en soms zelfshele nieuwe plaatsen. Daarnaast echter laat zij ook de natuur niet ongemoeid,die op alle mogelijke manieren inbreuk ondervindt. Wij behoeven maar eenpaar woorden te noemen, en de constellatie waarop wordt gedoeld staat iederduidelijk voor ogen : de verkeersnood en het parkeerprobleem, de modernewinkelprincipes en huisvestingseisen; voor het platteland het snelverkeer, deruilverkaveling, de industriahsatie en de recreatie. Ontwikkeling en sanering,deze naam van een bekend landbouwfonds, kan als algemeen motto gelden.Hoe voelt de Monumentenzorg zich bij dit alles ? Aan de ene kant natuurlijkongerust en vervuld met de gedachte aan het sauve qui pent dat geldt wanneerde dijken breken en de polder onderloopt. Aan de andere kant toch ook welenigszins gelukkig te weten, dat ze, zo ooit, dan nu haar bestaansrecht bewijzenkan; beseffend dat ze in haar lange voorgeschiedenis in veel rustiger tijden deervaring heeft opgebouwd die haar nu bovenal te stade moet komen; bezieldmet de lust tot aanpakken die, als het goed is, steeds het gevolg is van deuitdaging die erin ligt als men in precaire situaties terecht komt; tenslotte, alklinkt het bijna paradoxaal, enigermate geboeid door de kansen die ook voorhaar in de moderne situatie, die van morgen misschien nog meer dan die vanvandaag, opgesloten liggen.Een aandeel in het overleg Wat moet in de praktijk de houding van de Monumentenzorg zijn? Dat isvandaag moeilijker te zeggen dan een halve eeuw geleden. Toen verschafte zijeen bijdrage in de vorm van het liefdevol restaureren van individuele objectenzonder dat een grotere structuur in het geding was. Zij kon haar arbeid rustigverrichten zonder dat zij zich moest afvragen : past mijn bijdrage in het ge-heel ? Kan zij gewaardeerd worden in het kader van het algemene schema datvoor een bepaalde buurt of streek wordt nagestreefd ? Vroeger ook, had haaroptreden lets vrijblijvends. Zij gold als een soort van luxe voor de gemeenschap.Tegenwoordig kan zij het zich vaak nauwelijks veroorloven af te wachtenen de kat uit de boom te kijken; immers, in vele gevallen zijn er situaties inde trant van : nu of nooit. De karakterverandering van stad en platteland gaat20 snel, dat we er gauw bij moeten zijn, willen we op sommige punten metvereende krachten het wezenlijke van het oude vasthouden. Daarbij is hetnieuwe vaak zo onbarmhartig jegens het overgeleverde, dat het meer dan eensgeldt : het een of het ander, maar niet allebei, althans niet in hun extremevorm, onaangepast. Er dient dan ook tijdig overleg te zijn over de vraag :welke kant gaan we op ?De Monumentenzorg had lange tijd geen juridische basis. Zij moest altijd metenige diplomatie en overreding te werk gaan om een meerderheid te over-tuigen van het nut van haar schoonheids- en oudheidsliefhebberij. Ook hierin157StedebouwMonumentenzorgLeiden, Korte MareEen typisch voorbeeld van gebrek aan tole-rantle. Deze gevel, die in een nieuwe wijkgoed 20U passen, brengt aan een mooie oudestraatwand een doodwond toe.is verandering gekomen, met name sedert in 1961 de Monumentenwet in wer-king is getreden. Nu heeft de Monumentenzorg een vast recht van meespreken,een duidelijke basis waarop zij staat als zij zich laat gelden.Een bescheiden aandeel in het overleg over de gedaante van onze dorpen ensteden en van het platteland vormt een van de taken, waarvoor de Monumen-tenzorg zich in de nieuwe situatie gesteld ziet. Zij kan die opgave vervullenop grond van haar juridische basis en zij moet dit doen, met spoed, op grondvan de maatschappehjke noodzaak.158StedebouwMonumentenzorgMet het spreken over deze taak en opgave van de Monumentenzorg komenwij in de sfeer van de ruimtelijke ordening. Wij mogen ons gelukkig prijzendat die in ons land bestaat. Waar zouden we heen gaan als de zaken niet ineen bepaalde richting konden worden geleid ? Laten we ons daarover geenillusies maken. Op een niet zo lang geleden te Gent gehouden congres zijn, alswe het krantenverslag geloven mogen, harde woorden gevallen over het aspectvan ons zuideUjke buurland. Een Belg, leerling van Le Corbusier, constateerdebij die gelegenheid : ,,ons land is het lelijkste land van de wereld". En MarnixGijsen zou o.a. hebben gezegd : ,,De geest van het land is verruimd, maar zijnuitzicht is verknoeid. Als je Vlaanderen na 25 jaar terug ziet is het om tekotsen". Wij mogen hopen dat de generaties van de toekomst dergelijke woor-den niet behoeven te spreken over het land, dat aan onze zorgen is toever-trouwd.Een bijdrage van de Monumentenzorg Wat zou de bijdrage van de Monumentenzorg in het gesprek en in het beleidkunnen zijn ? Wij kunnen denken aan invloed op de algemene denkwijze enaan specifieke bemoeiing in bepaalde gevallen.De taak en de belangstelling van de Monumentenzorg heeft een iets anderenuance dan bij instanties, die primair blijven ijveren voor de ,,welstand", deschoonheidsfactor in het algemeen. Van haar mag verwacht worden dat zijvoor alles aandacht heeft voor de historische structuren, niet alleen van ge-bouwen, maar ook van dorpen en steden en van het land. Ons kleine land kenteen grote variatie aan landschappen en dorps- en stadsbeelden. In de meestegevallen heeft het bewuste ingrijpen van de mens belangrijk tot het resultaatbijgedragen en verreweg de meeste van de natuur- en cultuur-,,landschappen"zijn in de loop van een lange historic tot stand gebracht. Onze tijd voegt ersoms geheel nieuwe aan toe, zoals bijv. in de IJsselmeerpolders, maar in verre-weg de meeste gevallen bouwen wij voort op het verleden. 'Bij het maken van plannen voor stad en land maakt het wat uit of de ont-werper bereid is uit te gaan van het bestaande, dan wel of hij een tabula rasatot uitgangspunt neemt. Dat laatste is het gemakkelijkste. Het tekent vlottermet de lineaal, recht toe recht aan. Het zal vaak ook wel nodig zijn. Maarwaar mogelijk zal men er naar moeten streven het karakter van een bestaandlandschap of een oude stadskern geen geweld aan te doen.Het eigen karakter van onze stads- en landsstructuren wordt in onze tijd steedsmeer ontdekt en in z'n bestanddelen ontleed. De analyse wordt in binnen- enbuitenland van verschillende gezichtspunten uit ondernomen. De Monumenten-zorg, die er zich mee bezig houdt, ontmoet op dit terrein stedebouwkundigenen sociologen. Het contact dat met hen ontstaat kan waardevol zijn voor beidepartijen. Nogmaals, het verdient aanbeveling dat de planologen en stedebouw-kundigen, waar dit pas geeft, ook als het niet direct economisch is, het his-torische stramien tot uitgangspunt nemen en daarvan wat mogelijk is in hetnieuwe opnemen, om zodoende zoveel als het kan de eigen individuele ge-aardheid van de streek of de plaats voor de verdere toekomst als geldendewaarde te behouden.159StedehouwMonumentenzorgDe fase waarin de aandacht alleen ultging naar het ,,grote" monument lijktvoorgoed gepasseerd. Eigenlijk zijn wij het stadium van het kleine monumental min of meer voorbij, in die zin, dat wij terecht zijn gekomen bij de nood-zaak althans in bepaalde gevallen ook aandacht te schenken aan het conglome-raat, d.w.z. het geheel, waarin groot en klein monument met hun entouragetezamen fungeren. Daarbij komt steeds duidehjker naar voren de onverbreke-lijke samenhang tussen de structuur van stad en landschap en de bouwkundigevormgeving.Nu is het duidelijk, dat ons land geen bewaarplaats kan worden alleen vanhistorische structuren die als zodanig worden geconserveerd. Daarvoor behoeftmen echter ook bepaald niet bang te zijn. Evenmin als gezegd zou kunnenworden dat ons vaderland een soort van openluchtmuseum is of zou moetenworden van historische bouwsels. Een zekere aandacht voor het historischeaspect betekent nog niet dat we meteen van ons land een museum maken. Omtwee redenen geloof ik, dat wij er voor moeten oppassen ons in dit opzichteen verkeerde voorstelling maken. In de eerste plaats zal het aantal beperktzijn van de structuren die wij door ingrijpende maatregelen zullen moetentrachten zo gaaf mogelijk te houden. In de tweede plaats zal zelfs in die ge-vallen een aanpassing aan de moderne situatie steeds nodig en mogelijk blijven,zodat van een soort van museale behandeling geen sprake kan of mag zijn.Ook al is de bouwkundige physionomie dermate historisch relevant, of somsde stedebouwkundige of landschappelijke structuur dermate historisch interes-sant, dat behoud daarvan als zodanig moet worden vooropgesteld. Juist alsbij een individueel historisch monument en nog veel sterker dan daar, geldt hierdat een aanpassing van het historische gegeven aan de huidige omstandighedenvoor het verdere voortbestaan een van de levensvoorwaarden is, waarvan de,,behouder" zich ten voile rekenschap dient te geven.Links: Deventer, Walstraat 16Het huis op zichzelf is zander meer monu-mentwaardig. Hoe is het met de omgeving?Zal het pand te redden zijn als hier eengrootscheeps saneringsplan moet worden uit-gevoerd? Wellicht moet het dan welhewustworden opgeofferd.Rechts: Leeuwarden, OldenhoveVroeger golden de bemoeiingen vooral der-gelijke belangrijke historische houwwerken opzichzelf, en niet in de eerste plaats een con-glomeraat van oude stads- of dorpsbebou-wing.162Onze toekomst: steedsmeer mensen, steedsmeer bedrijvigheid,steeds meer cijfers.Dus een steeds groei-ende stroom van tech-nische en administra-tieve informatie. HetRekencentrum van deHeidemaatschappijkan die snel enefficient voor uverwerken.KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJVERENIGING TEN ALGEMENE NUTTEeen vooruitstrevend beleiddat is gericht opmoderne stadsontwikkelingvraagt een nieuwe aanpakmeer mensenmoeten in kortere tijdbeter wonendit fp hp|npn yprwpTPrijjikenis de opdracht die NEDUCOzich gesteld heeft. i?i?ii.aia&a!JHmwv***XTX'^- "?t- >ii.?Cf*^'S-.'siA\r " -->.: -> r\X2iNEDUCOINDUSTRIELEWONINGBOUWNV Systeem CoignetStedehouwMonumentenzorgRhoon, ,,Reestein"Een object van landelijke bouwkunst dat dooreen nieuwe bestemming een tweede leven isbesonnen. . -Raakvlak Monumentenwet enWet Ruimtelijke OrdeningDe Monumentenwet is in zijn definitie van het stads- en dorpsgezicht ruimgenoeg : ,,groepen van onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen,straten, pleinen en bruggen, grachten, vaarten, sloten en andere wateren, welkemet een of meer tot de groep behorende monumenten een beeld vormen, datvan algemeen belang is wegens de schoonheid of het karakter van het geheel".Ten aanzien van het monument geldt het veihg stellen van een ,,gezicht" alseen miheu-bescherming, zorg cm ontwaarding of totale karakterveranderingte voorkomen waardoor het monument als zodanig niet meer tot zijn rechtzou komen. Men dient er echter van uit te gaan, dat een stads- en dorpsge-zicht meer is dan alleen een milieu rondom een monument. Het is daarnaasten daarbovenuit een zaak met een eigen karakter en een eigen waarde. Nietmonumentale onderdelen kunnen tot die waarde of dat karakter in minstenszo sterke mate of meer bijdragen als de monumenten. leder, die enigermateop de hoogte is van het streven allerwege in Europa, de belangrijkste ,,sites"veilig te stellen, zal blij zijn dat ook in ons land een mogelijkheid daartoe wordtgeboden. Juist in ons land, waar de snelle economische ontwikkeling en desterke bevolkingsgroei op een klein grondgebied leiden tot zulk een inten-sivering van het gebruik van de bodem en tot zo'n noodzakelijke moderni-sering van het gebruik daarvan, alsook tot het efficient en up to date houdenvan de opstallen, die voor bewoning en alle andere doeleinden ter beschikkingstaan. De grondgedachte, zoals die ook in de Wet Ruimtelijke Ordening totuitdrukking komt, is die van een doelmatige verdeling en een planmatige ont-wikkeling, door bestemmingen vast te leggen.Het beschermde stads- en dorpsgezicht past in dit algemene kader. Het heeft163StedehouwMonumentenzorg-*-%*>De//t, Grote MarktEen conglomeraat van oude bebouwing datals beschermd stadsgezicht. moet gelden, eneen stadsplan, dat op zichzelf monument is.niet de bedoeling eilandjes te vormen waar een ander recht zal gelden, bijwijze van spreken. Veeleer zit de gedachte voor dat zij een specimen zullenvormen van het genus bestemmingsplan, en wel een zodanig, waarbij in hetbijzonder rekening zal worden gehouden met het belang van het aspect vanschoonheid en historie.De Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordening geven samen aan een gemeente bij aan-schrijving kennis dat zij een regeling beschermd stads- (of dorps-)gezicht ver-langen ten aanzien van een door hen precies begrensd aangegeven gebied. Hetis hier niet de plaats in te gaan op de ingewikkelde voorbereidingsprocedureen op de mogelijkheid met name voor de belanghebbende gemeente haar stemte laten horen. Wat wel in ons verband interessant is, is dat de uitvoering vanhet plan, dat op grond van de aanwijzing zal worden gemaakt, in dezelfdehanden is gelegd, die ook ieder ander plan op grond van de Wet RuimtelijkeOrdening hebben te verwezenlijken. Deze taak is n.l. opgedragen aan de ge-meente en haar adviseurs, in casu haar stedebouwkundige of stedebouwkundigadviesbureau. Eerst indien de gemeente binnen de door de wet gestelde termijnvan twee jaar niet aan de ministeriele vraag voldoet, zullen GedeputeerdeStaten haar taak overnemen.Overigens zullen in sommige gevallen de gemeenten kunnen volstaan met eenbestaand plan door enige wijziging in de formules en de opzet om te smedentot een regeling beschermd stads- (of dorps-)gezicht. Ook zal er vaak reeds eenzeker vooroverleg zijn geweest tussen B. en W. en de Ministeries of een vande Ministeries, b.v. ook in het kader van de monumentenzorg, waardoor het164StedebouwMonumentemorgmogelijk is geweest zich van te voren al te beraden over het karakter van deregeling, en de nodige voorbereidende maatregelen te treffen.De wet voorziet in een soort van veiligheidsmaatregel die zal gelden in deovergangsfase tussen een aanwijzing en het van kracht worden van een rege-ling. In die periode moet het Ministerie worden ingeschakeld bij bouwaan-vragen teneinde te voorkomen dat juist nog door onbegrip of eventueel zelfskwade trouw het conglomeraat van onroerende zaken, dat het gezicht uitmaakt,zodanig zal worden aangetast dat een verder conserverend beleid geen zin meerzou hebben. De praktijk zal de weg moeten wijzen om te voorkomen dat dezebepaling zal voeren tot administratieve verstopping.Wat zal er geregeld worden? Al datgene wat ook in andere bestemmings-plannen geregeld kan worden, terwijl voorts in sommige gevallen aan eennadere detaillering van de bestemmingsvoorschriften niet zal kunnen wordenvoorbijgegaan. Rooilijnen en parcellering zullen daarbij aan de orde komen,maar ook beplanting, materiaalkeuze, hoogte van de bebouwing en anderebepalingen waardoor aan nieuwbouw of verbouw een bepaald karakter wordtopgelegd. Over deze kant van de zaak zijn in het rapport van de CommissieMonumentenwet, ingesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,,,De gemeente en de Monumentenzorg" (Blauwe Reeks nr. 36, biz. 120 e.v.)enige gedachten ontwikkeld, terwijl ook in de Publikatie nr. 69 van hetNederlandse Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (Hand-leiding voorschriften bestemmingsplannen) aan deze materie aandacht is be-steed (vgl. pag. 20 en 64).Overigens moet men in het algemeen niet denken aan een te rigoureuze preci-sering. Wanneer het de bedoeling is dat bouwkundige objecten, of belangrijkeonderdelen daarvan, in de bestaande vorm worden gehandhaafd en verderverzorgd uit historisch en artistiek oogpunt, moet dit doel bereikt worden doorde verklaring van deze objecten tot beschermd monument qua talis. Voor depanden in het stads- (en dorps-)gezicht die niet beschermd monument zijn,geldt niet een conservering in strikte zin, maar alleen het vastleggen van eensoort van algemeen patroon, waarbinnen allerlei variatie mogelijk zal zijn.Monument buiten beschermd stads- (of Tenslotte nog een enkel woord over het beschermde monument in de zin vandorps-)gezicht de Monumentenwet dat buiten de grens van een beschermd stads- of dorpsge-zicht is gelegen. Natuurlijk zal het bestemmingsplan, de ordening, hiertegenop kunnen lopen, in die zin dat een ontwikkeling wordt voorgesteld, waarinvoor het monument geen plaats meer zal zijn. In het voorgaande is er al opgeattendeerd, dat in het algemeen gehoopt mag worden, dat niet al te gauwtegen de belangen van bestaande oude en mooie objecten in gedacht zal wor-' den, maar natuurlijk zal dit toch vaak van de kant van de planologie niet tevermijden zijn. De bescherming van het monument zal nu met zich meebrengendat de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk -- zijn amb-tenaren -- in dit geval een woordje mee spreken. De mooiste gang van zakenzal zijn dat zij tijdig in het overleg rondom de gehele constellatie worden be-trokken, om in een vroeg stadium mee tot een oordeel te kunnen komen overde vraag welke kant het op moet. Immers, lang niet altijd zal de Minister165StedehouioMonumentenzorgZuilenEen uniek dotpsgezkbt, waarvan zowel detotaliteit als de samenstellende delen vangrote monumentale ivaarde zljn.a tort et a travers aan het belang van het monument blijven vasthouden. Deplaatsing op de lijst kan ongedaan gemaakt worden en dit zal in alle gevallennodig zijn waarin afdoende aantoonbaar is dat een geheel andersoortige ont-wikkeling dan die gaat in de richting van belioud van het oude karakter, nietis tegen te houden, of om bepaalde redenen ronduit wenselijk is.Conclusie Wij moeten onze beschouwingen beperken tot bovenstaande algemene opmer-kingen. Wie op het ogenblik spreekt of schrijft over monument en ruimtelijkeordening en in het bijzonder ook over het beschermde stads- en dorpsgezicht,moet noodgedwongen met algemene gezichtspunten volstaan. Er is nu eenmaalnog geen ervaring opgedaan en nog geen praktijk gekweekt op grond van denieuwe wet. Het valt nog niet te voorzien hoeveel aanwijzingen van te be-schermen ,,gezichten" uit de bus zuilen komen. Hoe de praktijk zal zijn alsMonumentenzorg moet worden ingeschakeld bij het bouwvergunningenbeleid.Hoe de regelingen zuilen worden die op grond van de aanwijzingen gemaaktzuilen worden en hoe ze in de praktijk zuilen werken. Daar staat tegenover,dat er al wel een aantal gevallen is, waarin de facto in een gemeente allangzo lets als een beschermd stadsgezicht fungeert, d.w.z. een regeling, diemet name rekening houdt met het monumentale karakter van een conglome-raat van bebouwing. Daarbij kunnen wij denken aan de Amsterdamse grachten,het Haagse Voorhout of de Markt te Gouda. In dergelijke gevallen zal er in166StedebouwMonumentenzorgVerstedelijkingde praktijk niet zo veel behoeven te veranderen, wanneer de nieuwe opzettot uitvoering komt. In andere gevallen zal een gemeente, die een dergelijkeregeling zich ai eens heeft voorgesteld, maar die nog niet aan de uitvoeringtoe is gekomen, haar winst kunnen doen met de ministeriele belangstelling voordaze materie, waardoor hetgeen men wil gaan ondernemen met meer steun inde rug kan geschieden. Moge in hat vervolg blijken dat het monument bijde ruimtelijke ordening geen sta in de weg zal zijn, geen blok aan het been, datde gemeentan moailijkheden oplavert die zij liever niet zouden hebben gehad.Veeleer is het te wensen, an dat zal toch mogelijk moaten zijn, dat hat monu-ment an de monumantenwetgeving een walkome bijdraga leveren voor een be-leid dat er op uit is een toekomst op te bouwen waarin datgene wat uit hatverleden aan waardevols aanwazig is, een verdiende plaats innaamt.VERSTEDELIJKING, SLEUTELBEGRIP VOOR DE PLANOLOGIE Dr. Ir. A. HeimansIn de wereld van da planologie be-staat aan bagrijpelijke -- en zelfs over-wegcad zinvolle -- neiging het te voa-rcn beleid inzake de ruimtelijke orde-ning te plaatsen tegen de achtergronden 7.0 mogelijk op da basis van kannisomirent bepaalda relevante alamentenin het maatschappelijke laven. Tenein-de deza elementen ,,hanteerbaar" tedoan zijn, heeft men bahoafta aanzekere maatschappelijk gefundaarda,,Laitbilder", die directa implicatiaskunnen leveren voor dit te voerenruimtelijke beleid. In dit verbandwordt door vale gezaghebbenda das-kundigen het zgn. ,,verstedelijkings-proces" als een der meast cantraleuitgangspunten voor de ruimtelijkeordening gezien. 'Qucne ^) citeart in aen varhandalingover ,,varstadalijking" kannalijk matinstemming ,,The Declaration of De-los" van een internationaal gezelschaponder leiding van Doxiadis, waarino.m. gesteld wordt: ,,Ean algemene ka-raktaristiek van da omwenteling diezich overal op de warald voltrekt, isde snel groeiende verstedelijkingIn de komende veertig jaar zal meerstadalijke laefruimte gebouwd wordandan in da gehela gaschiedenis dermansheid. Het is nu al duidelijk, datfouten in de planning van stedelijkeontwikkelingen leiden tot niet ta var-ontschuldigen verspillingen." 2) Queneverklaart daarbij nadrukkelijk, dat hijdeze verstedelijking ziet als ,,objectvan ruimtelijke ordening".Ook Kruijt brengt in zijn inaugurelerede te Delft de opgaven mat batrak-king tot de ruimtelijke ordening indirect verband met het ,,verstedelij-kingsproces". ^)In hun beschouwingen over ,,de sta-dalijke ontwikkeling in Nederland"laten Steigenga en De Ranitz er voortsgeen twijfel over bestaan, dat zij even-eens de doelstellingen bij de ruimtelijkeordening en het stedebouwkundigawerk primair plaatsen tegen de ach-tergrond van de ,,urbanisatia" vanNederland. 4)Het zou niet moeilijk zijn, deze voor-baelden mat vela andere aan ta vullan.Belangrijker is echtar da constatering,dat van aen scherpe en ondubbelzin-nige definitie van hetgeen onder ,,ver-stedelijking(-sproces)" dient te wordanverstaan, onvoldoende sprake is in de-ze beschouwingen. Veelal wordt hetverstedelijkingsproces niet meer dan^) Th. Quene, Verstedelijking; karakter enperspectief, in: Wetenschap en Samenleving,aug. 1964.'^) zie: Bulletin van de Int. Fed. for Housingand Planning no. 4-5, 1963.'') C. S. Kruijt, De verstedelijking van Neder-land, Assen 1961*) De Stedelijke Ontwikkeling in Nederland,Pre-adviezen voor de Algemene Vergade-ring van de Ned. Mij. voor Nijverheid enHandel te Nijmegen op 10 juni 1964167StedehouwVerstedelijkinggeillustreerd aan de hand van cijfersbetreffende de relatief snelle groei vangrotere gemeenten (b.v. met meer dan10 of 20.000 inwoners). Ook wordtwel verwezen naar de sterke groei vannederzettingen die men op grond vandiverse criteria als ,,stedelijk" aan-merkt.Zodra de zaken enigszins buiten diteenvoudige schema vallen, wordt hetechter minder duidelijk. Is b.v. de sub-urbanisatie een onderdeel van dit ver-stedelijkingsproces, of is hier juist vanont-stedelijking sprake zoals Steigengameent ?Het gesignaleerde ontbreken van eendefiniering van het begrip ,,verstede-lijking" kan gemakkehjk tot spraak-verwarring leiden.In de navolgende beschouwing zal eenpoging worden gedaan deze begrips-matige kant van de ,,verstedeHjking"nader onder de loep te nemen.Het begrip ,,verstedelijking"Wie omstreeks een halve eeuw gele-den het begrip ,,verstedelijking" zouhebben gebruikt, kon daarbij doelenop een duideHjk en ondubbelzinnig tedefinieren proces. De trek naar destad als gevolg van het afstoten vanagrariers en een toenemende ontwik-keling van Industrie en diensten inde steden, gepaard gaande met eensociaal proces van omschakeling derex-agrariers van een dorpssamenlevingnaar een stedelijk leefmilieu, was dui-delijk te zien als een samenhangendcomplex van verschijnselen, dat metde term ,,verstedelijking" zeer duide-lijk en relevant te typeren is. Het uit-eindelijk effect van dit complex vanverschijnselen was immers onontkoom-baar een groei van de steden en daar-mede van een absolute en relatievetoeneming van de ,,stedelijke" bevol-king.Ondanks de oorspronkelijke eendui-digheid en ondubbelzinnigheid van het,,verstedelijkingsproces" als sociaal-ruimtelijk fenomeen, zijn er nietteminduidelijk verschillende elementen inte onderscheiden. Verschillende auteurshebben hier overigens reeds op ge-wezen.Van Doom maakt b.v. onderscheidtussen de begrippen ,,versteding" en,,verstedelijking" ^). Met de eersteterm doelt hij op het ecologische engeografische proces van uitbreidingder stedelijke agglomeratievormen. Detweede term reserveert hij voor ,,hetsociale proces van cultuuroverdrachtvan stad naar land, waardoor deplattelandssamenleving stedelijke ken-merken krijgt".Constandse onderscheidt fysieke enmentale verstedelijking 2). De ,,fysie-ke verstedelijking" vindt volgens hemdaar plaats, waar niet-agrarischebouwwerken in het landschap verschij-nen en waar een gedeelte van de be-roepsbevolking niet meer in of tendienste van de landbouw werkt. De,,mentale verstedelijking" treedt op,daar waar de bevolking een ,,stedelijkementaliteit" bezit; deze kan z.i. ge-paard gaan met fysieke verstedelijkingdoch dit behoeft niet noodzakelijk zote zijn.Hazelhoff vermeldt als onderscheidingde ,,physical urbanization" en de ,,so-cio-economic urbanization", dat wilzeggen dat hij onderscheid maakt tus-sen het morfologische aspect en hetsociaal-economische aspect van de ver-stedelijking, ^).Elementen in het verstedelijkingsprocesIn overeenstemming met het voor-gaande kan men derhalve een drietalhoofdelementen in het verstedelijkings-proces onderscheiden:a. een sociaal-economisch element,dat wil zeggen een verschuivingin de beroepsstructuur van agra-rische naar niet-agrarische beroe-pen i.e. de Industrie en de dien-stensector, die in aanleg overwe-gend aan de stad gebonden zijn;b. een sociaal-cultureel element, datwil zeggen het overgaan van de,,plattelandscultuur" in een ,,ste-delijke cultuur" qua opvattingenen gedragingen van de bevolking;c. een morfologisch element, dat wilzeggen de groei van relatief ge-concentreerde nederzettingsvormen(,,steden" in traditionele zin), veel-al gepaard gaande met het in toe-nemende mate wonen van de be-volking in meer geconcentreerdewoonvormen, i.e. eengezinsrijen-huizen en veelal ook meergezins-huizen.Zoals gezegd: deze drie elementen wa-ren tot voor enkele decennia goed-deels zo nauw met elkaar verweven,dat er terecht van een proces mochtworden gesproken, dat met een ty-perende naam, i.e. ,,verstedelijking",kon worden aangeduid. Sindsdien heb-ben echter belangrijke ontwikkelingenin het maatschappelijk leven plaatsgevonden, die een herwaardering vandit begrip rechtvaardigen.Sociaal-economische en morfologischeelementenIs het nu nog zo, dat een verschuivingin de beroepsstructuur naar niet-agra-rische beroepen min of meer dwingend^) In: Het sociale leven deel III, Assen 1959,p. 1506 e.v.^) A. K. Constandse, Het dorp in de IJssel-meerpolders, Zwolle 1960, (biz. 27).?') D. Hazelhoff, Physical urbanization ofthe Netherlands, in; Tijdschr. voor Econ.en Soc. Geogr. aug./sept. 1964.168StedehouwVerstedelijkingzal leiden tot een verhuizen van hetplatteland naar de stad? De ontwik-kelingen t.a.v. het openbare, maarvooral het particuliere vervoer makende pendelbeweging mogelijk. Menwerkt dan wel in de stad, maar hetis niet meer voor iedere betrokkenevanzelfsprekend om het bekende envertrouwde plattelandsmilieu de rugtoe te keren en in de stad te gaanwonen. Dat hier niet alleen gehecht-heid een rol speelt, maar ook de voor-keur voor het vv'onen in een kwalitatiefaantrekkehjker geacht miheu, kan menmede afleiden uit het optreden van dependant van de pendelbeweging, nLhet verschijnsel van de suburbanisatie.Het samenvallen, althans het gekop-peld zijn, van sociaal-economische enmorfologische elementen in het ,,ver-stedehjkingsproces" wordt derhalveals gevolg van de mogelijkheden diede maatschappehjke en technische ont-wikkeHngen in toenemende mate gaanbieden, een steeds minder dwingendverschijnsel.Sociaal-structurele elementenDe ,,verstedelijking" in sociaal-cultu-reel opzicht, die op planologisch re-levante wijze tot uiting komt zowelt.a.v. de aard der sociale relaties alsmet betrekking tot de wensen die menheeft omtrent het niveau der voorzie-ningen, beperkt zich zeker niet meertot de bevolking in de traditioneel-stedelijke nederzettingen. Constandsestelt in dit verband: ,,Deze verstede-lijking, waarvan het mentale aspectin de IJsselmeerpolders een grote rolspeelt, heeft tot gevolg dat de boe-renbevolking een voorzieningenniveauwenst, dat hun een levenswijze moge-lijk maakt, die niet noemenswaardverschilt van de stedelingen waar menzich mee vergelijkt" ^).een complicerende begripsmatige moei-lijkheid, die mede met de geconsta-teerde verzelfstandiging der elemen-ten samenhangt.Dit betekent derhalve, dat wat menaanduidt met het begrip ,,mentaleverstedelijking" een proces is dat stel-lig niet slechts aan de ,,stad" in tra-ditionele zin gebonden is en zelfs nietaltijd gekoppeld is aan een verschui-ving in de werkgelegenheid van deagrarische naar de ,,stedelijke-beroe-pen"sector (Industrie en diensten).Verzelfstandiging der elementenMen kan het zo stellen: de sociaal-economische, de sociaal-culturele ende morfologische elementen in het,,verstedelijkingsproces" gaan zich intoenemende mate verzelfstandigen. Deaanvankelijk wel te onderscheiden,maar niet gescheiden optredende, ele-menten en processen maken zich thansduidelijk los van elkaar. De motorvan dit oorspronkelijke proces, nl. hetsociaal-economische element, leidt nietmeer noodzakelijk en onontkoombaartot de groei van geconcentreerde ne-derzettingen (,,steden") en de ,,menta-le" verstedelijking beperkt zich niettot het stedelijk gebied, terwijl heteen simplificatie is te noemen als menstelt, dat deze zich uit de stad overhet platteland verspreidt.Deze ontwikkeling onderstreept denoodzaak bij het spreken over de ,,ver-stedelijking" duidelijk te stipulerenwelke elementen en welke processenmen hierbij op het oog heeft. Wiemeent, dat het verstedelijkingsprocesvoldoende getypeerd is door te wijzenop het stijgende percentage van de be-volking dat in gemeenten met meerdan 20.000 inwoners woont, gaat aande essentiele punten van de onderha-vige materie voorbij.Beziet men de drie gesignaleerde ele-menten in het ,,verstedelijkingsproces", . j . 1) A. K. Constandse, Boer en Toekomstbeeld,wat nauwkeuriger, dan stuit men op ^9^4 \^^ jgSociaal-economische ,,verstedelijking"fIs het b.v. zinvol een verschuiving inde beroepsstructuur nog met de term,,verstedelijking" te verbinden? Menkan stellen, dat wellicht niet het ,,wo-nen" algemeen verstedelijkt, maar dattoch tenminste het ,,werken" in toe-nemende mate aan de stad gebondenwordt. Deels is dit zeker juist, maarin vele gevallen nemen ook bepaaldeindustrieen en diensten een zodanigzelfstandige locatie in, dat deze laat-ste weliswaar onderdeel is van eenagglomeratie, maar niet meer duidelijkonderdeel van een ,,stad" in traditio-nele zin. Met name kan men hierdenken aan de omvangrijke haven- enhandelsgebieden bij diverse steden enzeker ook aan de mijngebieden. Isb.v. een raffinaderij aan de NieuweWaterweg op Rozenburg nog stad of(gei'ndustrialiseerd) platteland? Werkteen arbeider op dit bedrijf in de stadof niet? Hoe men hierover wil denken,een ding lijkt zeker: er ontstaan gebie-den die met de begrippen stad enplatteland onvoldoende te typeren zijn,en die zelfs geen onderdeel van eencontinu overgangsgebied vormen.Omgekeerd ziet men op het plattelandsoortgelijke tendenties. Is b.v. een tuin-bouwgebied met kassen nog agrarischof industrieel? Ook hier blijkt de aan-wezigheid van moeilijk in de traditio-nele typeringen te vatten verschijnse-len.169StedebouwVerstedelijkingSociaal-culturele ,,verstedelijkmg"?Heeft het verblnden van de term ,,ver-stedelijking" aan het adjectief ,,soci-aal-economische" reeds problematischekanten, voor de verbinding met hetadjectief ,,sociaal-cultureel" geldt ditin nog sterker mate. Niet alleen hetreeds gesignaleerde mentale verstede-lijkingsproces in het plattelandsmilieumaakt hier de term ,,verstedelijking"betrekkelijk inadequaat. In wezen kanmen immers het cultuurpatroon van destedelingen beter omschrijven met determ ,,modern westers" dan met determ ,,stedelijk". Het feit dat een ver-schijnsel zich in een vroegere fase ineen bepaald ruimtehjk kader voordoet,is nog geen voldoende voorwaarde omdit verschijnsel begripsmatig aan ditkader te koppelen. Ook de opvattingdat hier toch sprake is van een ,,cul-tuuroverdracht" van stad naar platte-land, geeft een te eenvoudige voor-stelling van zaken. Het is b.v. opval-lend, dat juist grote steden bepaaldebuurten omvatten die duidehjk trekkenvan een ,,dorpse" samenleving verto-nen (met name de traditionele volks-buurt met zijn ,,open" gezin in een,,gesloten" samenleving), terwijl be-paalde plattelandsgebieden reeds de-cennia een bevolking herbergen met,,modern westerse" opvattingen.Morfologische ,,verstedelijking"?Ook in morfologisch (fysiek-ruimte-lijk) opzicht stuit men op moeilijk-heden, namelijk t.a.v. het begrip,,stad". Tot op heden is er nog nie-mand in geslaagd voor dit fenomeeneen andere dan een betrekkelijk ar-bitraire omschrijving te geven. Metname het suburbanisatieverschijnselmaakt (in tegenstelling tot vroeger)een scherpe tweedeling stad-platte-land steeds minder eenvoudig. Zietmen de ,,agglomeratie" in zijn ge-geheel als stedelijk gebied, dan laat devoorstad zich duidelijk onder 't hoofd,,stedelijk" voegen en de groei vanvoorsteden is dan ,,verstedelijking".Beperkt men het stadsbegrip slechts totde traditionele centrale nederzetting ineen agglomeratie, dan is het ontstaanen de groei van voorsteden niet meerals ,,verstedelijking" aan te merken.Kiest men een relatief bepaald uit-gangspunt voor het definieren van het,,verstedelijkingsproces" in plaats vaneen arbitrair vaststelbaar stadsbegrip,dan omzeilt men de moeilijkheid vaneen morfologische omschrijving^). Ver-stedelijking in fysieke zin wordt dan:het ontstaan van steeds grotere ge-bieden waarbinnen zich een relatiefdichte bebouwing manifesteert. Eennadeel van deze definiering is uiter-aard, dat hier de term ,,morfologisch"nog nauwelijks relevant is omdat iede-re aanduiding van de vorm waarindeze verdichting tot uiting komt, ont-breekt.Het dualisme in het verstedelijkings-pracesMaar ook de zo eenvoudige definieringvan ,,verstedelijking" als een verdich-tingsproces van de bebouwing, doetnog te kort aan een wezenlijk elementbinnen dit proces. Kenmerkend is nl.een simultaan optreden van een ver-groting van het gebied, dat bij deverdichting betrokken is, en een afne-mende woondichtheid binnen dit ge-bied. Dit verschijnsel doet zich ove-rigens niet slechts voor als gevolg vanhet sub-urbanisatieproces, maar even-zeer als gevolg van de verlaging vande woondichtheid binnen 't gebied vande stedelijke uitbreidingen. Dit is zo-wel een gevolg van de verlaging vande bebouwingsdichtheid in de nieuwestadswijken en saneringsgebieden alsvan de dalende gemiddelde woning-bezetting. De toenemende ruimtebe-hoefte van de niet-agrarische bevol-king speelt bij de uitbreiding van de,,stedelijke" gebieden een even be-langrijke rol als de bevolkingsgroei.Hiertegenover staat een zeker verdich-tingsproces, dat zich in de plattelands-nederzettingen manifesteert. De wensnaar bepaalde voorzieningen (b.v.aansluiting op openbare voorzieningenen de aanwezigheid van winkels, scho-len e.d. in de nabijheid) leidt tot eenzekere concentratie van de woonbe-bouwing in dorpen, vooral m.b.t. delandarbeiders. ;Zowel in de moderne ,,stedeling" alsin de m.oderne ,,plattelander" leeftkennelijk het verlangen naar een woon-milieu dat de voordelen van de tra-ditionele ,,stad" zoveel mogelijk metdie van een relatief landelijke woon-omgeving verbindt. In de verschij-ningsvorm der nederzettingen ont-staat daardoor een zekere nivellering:het nieuwe dorp in de IJsselmeerpol-ders en het voorstedelijk woonmilieuzijn uiterlijk steeds moeilijker van el-kaar te onderscheiden.ConclusieOverziet men de voorgaande beschou-wingen, dan blijkt het aanvankelijk zovoor de hand liggende begrip ,,ver-stedelijking" zowel in definiering alsbegripsmatig zodanige moeilijkhedenop te leveren, dat bantering ervan alstypering van het zich voltrekkendemaatschappelijk-ruimtelijk proces wei-nig aantrekkelijke kanten heeft. Ern-') Een soortgelijk Verschijnsel doet zich voort.a.v. de begrippen ,,city" en ,,cityvorming",waarbij het laatstgenoemde proces zich een-voudiger laat omschrijven dan het eerst-genoemde fenomenen, waaraan het zijnnaam ontleent.170in enschede komen iedere werkbaredag twee van deze woningen klaarNa een Krondige research van enkcle jaren is aannemersbedrijf en timmerfabriek B. J. Nijhuis & Zonen N.V. te Rijssen erin geslaagd een geheelnieiiw type eengezinswoningen te creeren, dat door de hoge snelheid waarmee het gebouwd kan worden, zijn stevige constructie en de voorde huidige bcgrippen lage huurprijs tot dc nicest gcschiktc boiiwsystemen voor stedelijkc tiilbreidingsplannen bchoort.MASSAAL TOEGEPAST IN ENSCHEDE'SNIEUWE WOONWIJKEN.Finschede, een van dc snelstgroeiende gcmeenten inons land, hccft bij de aanleg van de nieuwe woon-wijk "Wesselerbrink" dankbaar gebruik gemaakt vande nieuwe, opmerkelijkc boiiwwijze. Omdat dc ge-nicenlc met een vcrontriistend woningtekort kampte,vooral in dc sector middenslandswoningen, had menop korle termijn nodig: een solide woning, die tochin snel tempo te bouwen was; omdat dc grootstevraag juist naar dit type uitging; een economischbotiwplan om zodoende de beoogde relaticf lagc huur-prijs te kimnen vcrwezenlijken.HOE HEEFT NIJHUIS AL DEZE FACTORENKUNNEN VERENIGEN?Ontlcden wij eerst de samenstelling en de indelingvan dcze huizen, De totale ruimtc per woning van400 m3 is verdeeld in drie lagen. Op dc begane grondvinden we een zeer ruime bergruiinte met grotedcuren, dc entree en een ruime sped- of hobby kamer.De twecdc laag bevat dc woonkamcr en een ruimekeukeii. het toilet en een brede overloop. In de derdebouwlaag bevinden zich de douche en 3 slaapkamers,die evenals het woongcdccltc voorzicn zijn van eenbrede raampartij.Zover de indeling. Nu nicer over de bouwwijzeen de samenstelling van zo'n complex woningen.Het betonnen skelet wordt ter plaatsc opgetrokken.Allc houtwcrk komt van Nijhuis' timmerfabriek, zodatde bouwer alles in een hand hceft en niet afhankelijkB. J. NIJHUIS & ZONEN N.V.AANNEMERSBEDRIJF -TIMMERFABRIEK RIJSSEN.is van derden, waardoor stagnatie in de toelevering isuitgesloten, Het hout, zowel binnen als buiten, wordtmet een speciale houtveredelende olie geimpregneerden hocft dus niet meer geschilderd te worden.De borstweringen zijn van aluminium en krijgen eengarantie van tien jaar mee. Trappen, gang en over-lopen worden met flexorol bedekt, terwijl het groteaanrecht in de keukens in roestvrij staal is uitgevoerd.Allc woningen, die in blokken van elf of zeventiengegroepeerd zijn worden centraal verwarmd (eenstookhuis op 794 woningen). Er is een centraal an-tennesysteem, en elke woning hceft ccn telefoonaan-sluiting.NIET ALLEEN IN ENSCHEDE.Wij zijn ervan overtuigd dat er veel meer gemeentenen bouwverenigingen in Nederland zijn die juist indeze sector naar een dergelijke woning zoeken. Eenwoning die, door de doordachte constructie, benedende curveprijs kan worden opgetrokken; een woningdie gebouwd is om echt in te wonen; een economische,snelgebouwde, goed te onderhouden woning, econo-misch voor zijn bouwers en economisch voor zijnbewoners. Uiteraard zou dit alles niet mogelijk ge-weest zijn zonder de uitstekende samenwerking tussenopdrachtgever (de federatie van bouwverenigingen),de stedebouwkundige dienst, de architect, de gemeen-telijke diensten en de aannemer. Wij nodigen u graaguit om eens naar Enschede's Wesselerbrink te komenen daar te zien hoc een werkelijke woonwijk gebouwdwordt.Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwMEER DAN 90 JAAR BOUWEN WIJ UTILITEITSWERKENIN DE RANDSTAD HOLLAND EN GEHEEL MIDDEN-NEDERLANDGEREED KWAMEN O.A,:KANTOREN, MACHINEHAL ETC. VOOR EMBA ROTTERDAM ,.-/, ^ :/,,'HOOFDKANTOOR LISSONE-LINDEMAN DEN HAAGFABRIEKSGEBOUWEN BOEKBINDERIJ ,,ALBRACHT" UTRECHTLAGERE TECHNISCHE SCHOOL DELFT ALLES Nd DE WONINGBOUWINDUSTRIE EN HUISHOUDSCHOOL VLAARDINGENINDUSTRIE EN HUISHOUDSCHOOL VOORBURGBELASTINGGEBOUW - , ' VLAARDINGENP.T.T. CENTRALE DE BILTBEJAARDENTEHUIS ,.. ; ROTTERDAM ;'^;::,: ": y - .':; 'BEJAARDENTEHUIS HEEMSTEDEBEJAARDENTEHUIS VOORBURGSCHOLEN ZWIJNDRECHTSCHOLENKERKHAARLEMMERMEERDUBBELDAMAANNEMINGSBEDRIJFKERK ' :KERKRIJSWIJKZWIJNDRECHT _ D. VERSLOOT n.v.KANTOORGEBOUW PHILIPS PENSIOENFONDSGARAGEBEDRIJFROTTERDAMROTTERDAMN9EUWERBRUG a/d RUNGARAGEBEDRIJF ALPHEN a/d RUN TELEFOON 03488-345aannettuingsbedrijtspawujersbergp. v.d. Plasstraat 8WATERINGENTel. 01742-2304Utiliteitsbouw - betonbouw- woningbouwAannemers betrokken bij de moderne stedebouwN.V.AANNEMERSBEDRIJFWOUDENBERGAMEIDEUTILITEiTSBOUWRESTAURATIEWERKEN(Voor al uw bouwkundige werken:aannemingsbedrijfFa. Gebrs. van SpijkerMeppelKantoor Sluisgracht 13 -- Telefoon 2648-1571arbeids-besparendebouwir geheel traditioneel, doch sterk ge-rationaiiseerd, waardoor uitzonder-lijk goede kwaliteit en lage onder-houdskosten.lage loonpost bij gelijkblijvendematerialenpost, waardoor duizen-den guldens per woning bespaardworden ten opzichte van de tradi-tionele, systeem- en industrielewoningen en daarom voor:WONINGWETWONINGEN:geen probleem met curve-prijsPREMIEWONINGEN:aantrekkelijk rendementvoor institutionele beleggersVRIJE-SECTOR-WONINGEN:relatief lage koopsomn.v.bouwmaatschappij,,OOST"M. H. Tromplaan 9 -- Tel. 05420-17543ENSCHEDEby uitstek geschikt voor kleineregemeenten met klelne contingen-ten om door middel van 3-jaren-plan of combinatie toch een con-tlngentstoeslag te kunnen reall-seren.if uitgebrelde brochure op aanvraagStedebouwVerstedelijkingStationsvoorpleinstiger is voorts nog het bezwaar, datin de term bepaalde wezenlijke ken-merken van het verdiclitingsprocesniet tot uiting komen (met name devoortgaande ,,verdunning" van dewoonbebouwing in de ,,stedelijke" ge-bieden). Dit leidt tot een gevaarlijkebegripsverenging, die het creeren vanaanvullende termen als ontstedehjkingten gevolge heeft. In schijn wordtdaardoor immers een tegenstelling ge-suggereerd waaruit een keuze dient teworden gedaan, terwijl het in feiteom twee simultaan optredende ele-menten van eenzelfde verschijnsel gaat.Het bestrijden van het verschijnsel vande suburbanisatie op grond van hetfeit dat dit tegen het verstedehjkings-proces in gaat, vindt derhalve geensteun in de maatschappelijk-ruimtehjkeontwikkeHngen. De suburbanisatie inde vorm van tuindorp-achtige bebou-wing is slechts een der uitingen vanhet algemene verdunningsproces bin-nen het ,,verstedelijkende" en ,,verste-delijkte" gebied. Slechts op grond vanaprioristische normatieve uitgangspun-ten omtrent datgene wat als ,,stad"en ,,stedelijk" is aan te merken, kan desuburbanisatie als ,,ontstedelijking"worden afgewezen.Een soortgelijk normatief standpuntligt ten grondslag aan de opvatting,dat de maatschappelijke ,,verstedelij-king" morfologische consequenties be-hoort te hebben (i.e. de toepassing vangeconcentreerde woonvormen in hetkader van ,,stedelijke" nederzettingen).Ook hier dient men zich bewust tezijn van het ontbreken van een directen noodzakelijk verband tussen eensociaal en een ruimtelijk verschijnsel.Samenvattend kan men stellen, dat determ ,,verstedelijking" begripsmatig teveel appelleert aan bestaande voor-stellingen van stedelijke nederzettings-vormen, zoals wij die geerfd hebbenuit het verleden en die daardoor hettot stand komen van een nieuwe visieop zich ontwikkelende en tot ontwik-keling te brengen leefmilieus (wellichtonbewust) bemoeilijkt.HET STATIONSVOORPLEIN Ir. R. DijksterhuisDe relaties tussen het reizigersstation(spoorwegverkeer) en het verkeer opde openbare weg worden afgewikkeldop en rond het stationsvoorplein. lede-re soort wegverkeer eist daar zijn spe-ciale voorzieningen. Daar het hier hetverplaatsen van personen betreft, zijnde volgende verkeerssoorten te on-derscheiden:1. voetgangers,2. wielrijders en berijders van scootersbrom- en motorfietsen,3. personenauto's (waaronder taxi's),4. stadsbussen en/of -trams,5. interlokale autobussen.leder van deze verkeerssoorten kanworden onderzocht voor wat betrefthet gaan naar het station en het ver-trek van het station, terwijl boven-dien veelal voor de tijd daartussenvoorzieningen nodig zijn met betrek-king tot het stationnement van de ver-voermiddelen.1. VoetgangersTen behoeve van de voetgangers naaren van het station zullen op het sta-tionsvoorplein duidelijke looproutesworden nagestreefd. Dit weegt hetzwaarst ten aanzien van de meest ge-kozen richting, in de regel die van ennaar het stadscentrum. Zodra men,komende van dit centrum, het stations-gebouw kan zien, mag de looproutenaar de ingang slechts zo weinig mo-gelijk van de rechte lijn afwijken, an-ders zullen gehaaste reizigers foutiefoversteken. Oversteekplaatsen zijn inde voetgangersroutes zelden te vermij-den. Men laat ze qua richting niette veel afwijken van de hoofdrichtingvan de route en zonodig moeten zebeveiligd worden als zebrapad (De-venter fig. 1 en 2) en door middel vanverkeerslichten.In veel gevallen, nl. als de stations-in- en uitgang samenvallen of naastelkaar liggen, kunnen ook de aan- enafvoerroutes voor voetgangers over hetvoorplein dezelfde zijn.Voor de stationsuitgang moet een zoruim mogelijk trottoir aanwezig zijn,waar per trein aangekomen reizigerszich kunnen orienteren (plattegrond),waar afhalers ruimte vinden, begroe-tingen plaats hebben, gezelschappenzich kunnen formeren of ontbinden,enz. (Nijmegen, fig. 3).2. WielrijdersSlechts weinig wielrijders nemen hunvervoermiddel mee op reis. Wie zijnfiets meeneemt in de hal, om deze te171StedebouwStationsvoorpleinfig. 1bevrachten, kan gebruik maken vande voorrijgelegenheid voor personen-auto's om af te stappen.Hetzelfde geldt voor aankomende rei-zigers met fiets om op te stappen.Trappen op een voorplein of voor eenstationsgevei moeten voorzien zijn vanrijwielgoten of -hellingen ('s-Hertogen-bosch, Delft, Kampen).Over het algemeen laten treinreizigershun fiets bij het station achter, hetzijin een rijwielstalling, hetzij daarbuiten.De in- en uitgang van de rijwielstal-ling, c.q. een van de in- en uitgangenmag niet ver verwijderd zijn van dein- en uitgang van het stationsgebouw.Een rechtstreekse, overdekte verbin-ding voor voetgangers tussen de stal-lingsruimte en de stationshal (Utrecht,Schiedam, Almelo) is in dit opzichtuiteraard het beste. In ieder geval moetde looproute tussen beide, ook al isdeze niet overdekt, behalve zo kortmogelijk, ook veilig zijn, dat wil zeg-gen over een trottoir lopen, zo moge-lijk vrij van onderbrekingen (over-steekplaatsen). De rijwielstalling alsgeheel moet compact zijn met het oogop de bediening; de in- en uitgangs-controle dient zo mogelijk centraal teliggen en zichtbaar te zijn van destationsuitgang af (Amersfoort). Deeisen die verband houden met de be-diening (compact, centrale ingang) gel-den niet voor vrije stallingen, hetzijoverdekt of open. Stallen buiten daar-toe geplaatste blokken of klemmenmoet vanwege de ordeloze aanblikworden tegengegaan.Wielrijders, die zich van of naar derijwielstalling begeven, moeten niet ge-noodzaakt zijn het overige verkeerop een gevaarlijke wijze te kruisen ofgrote omwegen te maken (bijv. om hetplein been). Op- en afstappen voor destalling kan beter niet op het trottoirplaats hebben, maar ook niet op eenweggedeelte met doorgaand verkeer.Zo mogelijk moet een aparte op- en af-stapruimte (minimum afmeting 2 m)worden gevormd. Gunstig is een lig-ging van de rijwielstalling aan eenfietspad met verkeer in twee richtin-gen. Ter plaatse van de voorrijgelegen-heid voor het station zijn echter af-zonderlijke rijwielpaden te vermijden(Rotterdam CS, Venlo).Het verdient aanbeveling, voor kortebezoeken aan een station (afhalen,wegbrengen, kaartje kopen, informa-tics, bagage enz.) een speciale open,vrije stallingsgelegenheid met beperkteduur vlak bij de in- of uitgang te ma-ken (Deventer, fig. 1).Ten aanzien van bromfietsen, scoo-ters en motorfietsen gelden in het al-gemeen dezelfde overwegingen als voorgewone rijwielen, afgezien uiteraardvan hetgeen inzake rijwielpaden werd172StedehouwStationsvoorpleinopgemerkt, voorzover zij daarop nietzijn toegelaten.3. Personenauto'sHet is gewenst dat de personenauto,die van de stad uit naar het stationrijdt, dit op een overzichtelijke ma-nier kan bereiken. Als het stationsge-bouw in het zicht is, moeten geen in-rijverboden de weg er been comphce-ren, tenzij oni een niet bebouwd pleinmoet worden gereden. Grenst het sta-tionsvoorplein aan een drukke ver-keersweg, dan kunnen voorzieningennodig worden, die het hnks afslaanmogelijk maken, bijv. door ongehjk-vloerse kruisingen (Rotterdam CS,'s-Hertogenbosch), door middel vanverkeershchten (Tilburg, Roermond)of door een wegverdubbeling (Utrecht,Arnhem, Leiden, Eindhoven).Voorrijdende personenauto's zullen opeen goed voorplein een stopgelegen-heid vinden bij de stationsingang, dusaan het trottoir voor die ingang, datniet breder dient te zijn dan 8 a 10 m.De voorrijweg, die aan dit trottoirgrenst, moet bij voorkeur slechts in eenrichting worden bereden en wel zo,dat de voorrijdende automobihsten aande rechterhand het stationsgebouwzien. Daar de eerst aangekomen voor-rijder ter hoogte van de stationsingangstopt en de tweede en volgende steedsachter elkaar (zelden voorbij de eer-ste), moet de voorrijgelegenheid zichnaar die zijde (Hnks als men uit hetstation komt) uitstrekken over tenmin-ste 20 m. Bij drukke stations zal zoge-naamd dubbel voorrijden, dus de twee-de rij niet langs het trottoir maar opde rijweg, niet te voorkomen zijn enmoet dus de breedte van de voorrij-weg hierbij zijn aangepast.Het voorrijden geschiedt meestal omtreinreizigers naar het station te bren-gen (soms worden ook aangekomentreinreizigers per auto op de voorrij-strook afgehaald). Er wordt dus ge-stopt om uit te stappen, bagage uit teladen en afscheid te nemen. Voor taxi's,ten aanzien waarvan overigens dezelf-de normen gelden, komt hier nog bijhet afrekenen. Wachten van auto'smoet op de voorrijweg worden verbo-den. Voor vertrekkende personenau-to's is het van belang dat deze zichweer gemakkelijk in het stadsverkeerkunnen voegen (Maastricht, fig. 4).Wie zijn auto bij het station wil par-keren, teneinde per trein op reis tegaan, wil hiervoor op niet te grotefig. 2* D e ven I: cr ^173StedehouwStationsvoorpleinfig. 3afstand de nodige gelegenheid vin-den. De parkeerterreinen kunnen vrijzijn of bewaakt (en betaald) en moe-ten zo liggen, dat zij aantrekkelijk zijnvoor langparkerende treinreizigers.De parkeerbehoefte bij de stationsneemt hard toe; door er in te voorzienwordt het openbare vervoer aantrek-kelijker gemaakt en daarmee het par-ticuliere vervoer over de weg eendienst bewezen (Heemstede-Aerden-hoLit). Te grote parkeerterreinen ech-ter doen lange looproutes ontstaan vanen naar het station, vooral als de vormgerekt is (Tilburg).Het parkeerterrein maakt men zo mo-gelijk van de stationsuitgang af zicht-baar en gemakkeHjk bereikbaar, ookvoor de automobilist, die zijn passa-gier(s) bij de stationsingang heeft voor-gereden. Voor de inrichting van hetterrein zelf gelden de algemeen voorlang parkeren te stellen eisen, metdien verstande, dat bhjkens de erva-ring onder de auto's van treinreizi-gers zelden de grootste modellen voor-komen. Ongunstig is het de parkeerge-legenheid over diverse terreintjes teversnipperen (Amersfoort). Wei ver-dient het aanbeveUng, grotere parkeer-terreinen van een benzine-service-sta-tion te voorzien.Al deze eisen samen en daarbij de om-standigheid, dat veelal de omgevingvan een station weinig ruimte biedt,kunnen er toe leiden, dat parkeren inmeer dan een niveau noodzakelijkwordt. Parkeergarages kunnen geex-ploiteerd worden op de wijze van rij-wielstalHngen, doch ook automatisch(parkeermeters of -sloten).Naast gelegenheid tot lang parkerenzal men bij een station ook moetenvoorzien in de behoefte een (beperk-ter) aantal kortparkeerders onder tebrengen. Deze parkeergelegenheid metbeperkte duur Q/z, 1 of 2 uur) moetzich dicht bij de stationsin- en uit-gang bevinden, omdat het hier gaatom korte bezoeken aan de stationshal(kaartje kopen, informatie, bagage ha-len of brengen, afhalen of uitgeleidedoen met perronkaart) of om bij deuitgang de komst van een trein afte wachten. De korte parkeerduur kanmet parkeermeters of -schijven contro-leerbaar worden gemaakt (Utrecht).Tot de kortparkeerders, die aanko-mende treinreizigers afhalen, behorenin zekere zin ook de taxi's, die hunstandplaats bij het station hebben. De-ze behoeven echter een eigen opstelge-legenheid, bij voorkeur in een rij ach-ter elkaar en zodanig, dat de voorstetaxi zich direct bij de stationsuitgangbevindt. R.ijdt deze weg, dan schuivenalle taxi's een plaats op en komt auto-matisch no. 2 aan de beurt (Utrecht,Haarlem, Groningen, Deventer, fig. 1en 2). Het opstellen van taxi's naast174StedehouwStationsvoorpleinelkaar is onoverzichtelijk en geeftmoeilijkheden met betrekking tot devraag, voor wie de volgende passagieris. Het geeft echter voordelen, wan-neer het veel voorkomt dat bepaaldepassagiers bepaalde taxi's (of chauf-feurs) wensen (Hoogeveen, Weert).4. Stadsbussen en/of -tramsHet openbare lokale vervoer op hetstationsplein vergt halteplaatsen voorstadsbussen en -trams. Indien de tram-of buslijnen bij het station eindigen(beginnen) of hier een halte hebbenmet gefixeerde vertrektijden, zal iederelijn zijn vaste halteplaats nodig heb-ben (Haarlem, Eindhoven). Wordt bijhet station alleen een tussenhalte aan-gedaan, dan kunnen meerdere lijnenvan een of enkele halteplaats(en) ge-bruik maken. In alle gevallen ware tebevorderen, dat de halteplaatsen 20dicht mogelijk bij de in- en uitgangliggen en via zeer overzichtelijke loop-routes daarmee verbonden worden.Soms zal een lijn twee hakes bij hetstation hebben, nl. als de in- en uitgangbetrekkelijk ver van elkaar verwijderdzijn (Groningen). Het betreft hier danin de regel een uitstap- of eindhaltebij de stationsingang en een instap- ofbeginhalte van een stadslijn bij de sta-tionsuitgang.Stadstram- en bushaltes moet men zo-veel mogelijk concentreren (RotterdamCS), omdat een verspreide liging, veel-al ter weerszijden van een verkeers-weg, gevaarlijk is voor haastige over-stappers en steeds zeer onoverzichtelijk(Maastricht). Stadsbushaltes wordenmeestal achter elkaar langs een of en-kele trottoir-banden (Arnhem Utrecht)aangelegd. Zelden zal men genood-zaakt zijn, een zo groot aantal stads-bushaltes onder te brengen, dat eenvisgraatsysteem moet worden toege-past (Eindhoven). Nimmer mogenstadsbussen gedwongen worden ach-teruit rijdend een halteplaats te be-reiken of te verlaten.5. Interlokale autobussenTenslotte vragen de interlokale auto-busdiensten de aandacht. Betreft hetdoorgaande buslijnen, die op hun rou-te een (kleiner) station aandoen, dankan worden volstaan met halteplaatsenaan of dichtbij de doorgaande bus-route, zo dicht mogelijk bij het stati-on (Driebergen-Zeist). Meestal is erechter sprake van een station van eenstreekcentrum, waar meerdere inter-lokale buslijnen hun eind- en beginpun-ten hebben. Er zal steeds naar wordengestreefd, dat deze niet samenvallen,opdat aankomende bussen bij een eind-(aankomst)halte hun reizigers kunnenlaten uitstappen, om zich daarna leegnaar de begin(vertrek)haltes te bege-ven.De aankomsthalte(s) dien(t)(en) dichtbij de stationsingang te liggen, bij-voorbeeld aan een trottoir of trottoir-eiland voor (Zwolle) of naast (Arn-hem) het station. In de praktijk kun-L^J^ fig. 4175fig. 5fig. 6StedebouwStationsvoorplein* VENLO *176StedebouwStationsvoorpleinT^ 5tation5plelfig. 7o '^o Xo SoL U. lA. LLWrjlL l_LI_LiStadsbuskalbes! laxi,AtaQd_|?lQ.at?, jlanq* fcrottoiringanakelder SkabionsKairruirritrotboit-nen, afhankelijk van de aankomst-tijden, meerdere buslijnen van een ofenkele aankomsthalteplaatsen gebruikmaken, omdat na het uitstappen vande reizigers altijd direkt naar de ver-trekhaltes (of naar elders) wordt ge-reden.De noodzaak om naar de vertrekhal-tes door te rijden doet een voorkeurontstaan voor een llgging
Reacties