stedebouw & volkshuisvestingUitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en VolkshuisvestingIn dit nummer. Hoogbouw - LaagbouwRuimtelijke ordeningBevolkingsdistributie en grootte kernenVlaams-Nederlandse contactdagenBevolkingsprognose en stedelijke gebiedenTekort ruimtelijke ordeningKroniekBoekbesprekingBerichtenOfficiele mededelingenSummarydecember 1967Copyright K.L.M. Aarocarto N.V. Schlphol nr. 66273Streekziekenhuis ,3e''g2icht"te GoesArchitekt: K. L Sijmons Dzn te Amsterdam"PIPip sf-iI1Laat de hittegolfmaar over uwaanrecht komen..ooronblijf er ijskoud onder(en zo gemakkelijk in onderhoud)Twee jaar lang ben ik onbarmhartig getest. Twee jaar lang door een man gedragen en geplaatst. Vakmensen beweren,heb ik alle mogelijke plagerijen moeten doorstaan: zouten en dat ik, OCRON, een grote toekomst heb. Vast staat, dat ikzuren / schaven en schuren / buigen en strekken / drukken bij minimaal onderhoud als nieuw blijf, dat intens gebruiken trekken / vallende kogels / wat al niet meer / warmte en geen sporen achterlaat. Is het een wonder, dat ik, OCRON,koude / het deed mij geen zier. Daarom zie ik de toekomst iedereen met enthousiasme vervul? Het Ratiobouw-kenmerklicht in. Ik ben 66k licht in gewicht / als aanrecht wordt ik bewijst, dat ook anderen mijn kwaliteiten erkennen!ocr OCRIET FABRIEK NVBAARN, tel. 02154-3641 (6 lijnen)Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwHeijkamp N.Y.aannemers vanutiliteits- enwoningbouwvoorgespannen beton enarbeidsbesparende bouwAMSTERDAMKerkstraat 393EINDHOVENPiuslaan 130Gebouw AuroraOvertoom, AmsterdamArchitect:P. Zanstrate AmsterdamFlats en eengezins-woningenHeggeranklaanEindhovenArchitecten :Gebr. de Graafte 's-HertogenboschenJ. Luijtente EindhovenMANHATTANEen der 3 nieuwe d.essins*figuurglas,welke door Glaverbel uitgebracht worden.Manhattan, een speels motief,dat getuigt van de moderne tendens in de architektuur.Twist an Bottle werden eveneena voor U ontworpenMnnHtrrt^ zoudm wij U op aanvraag gaarno top.^^1 ^^^ML^^I^I Agent voor Nederland:\JllaV6rD6l n.v. Handelsonderneming REVO Nieuwe Parklaan, 9 - Den Haag - tel. 070t51.41.31*N.V. D. CORNELISSENaannemingsbedrijfvangrond-sloop- enwaterleidingwerkenAMSTERDAMLeidschekade 67 - Telefoon 020-237117ev. 02907-5518025184054BEJAARDENCENTRUMERASMUSHUISMAART 1967 :FUNDERING GEREEDNOV. 1967 :15 VERDIEPINGEN HOOG15.000 M^VLOEROPP.300 COMPARTIMENTENDIV. DiENSTRUlMTENBouwbedrijf M. DE WIT n.v.ZAANDAMTEL. 02980-23305heren budget-beheerders,praten kost niets en is in sommige gevailen zelfs verrassend nuttig...inderdaad - praten is vrijblijvend. En allicht krijgt u een geheel nieuwe kijk op uwonderhoudsschilderwerk. Want u ontmoet adviseurs die zich richten naar uwbudgetaire mogelijklieden.Aan de hand van een nuchtere rekensom (wellicht met een voordelige uitkomst)leggen ze de opiossing aan u voor. U wilt we! van een van de vooraanstaandeverffabrikanten van Europa aannemen, dat ze daarvoor de juiste produkten enverfsystemen hebben. |Wanneer heeft u tijd voor zo'n rustig gesprek, waarin wij u zinvollesuggesties geven?Mijne heren,wilt u met ondergetekende een afspraak maken voor een gesprekover onderhoudsschilderwerkNAAMADRESPLAATS_ _TEL.n gesloten envelop sturen aan Pieter Schoen Verfchemie te Zaandam, tel. 02980-26220.Pieter SchoeAannemers betrokken bij de moderne stedebouwWoonwijk ,,Vogelenhut"VenioArch. ,,Ons Limburg" - HeerlenUTILITEITSBOUWGEWAPENDBETONWERKWONINGBOUWAANNEMINGSMAATSCHAPPIJBRUNS EN BONKE N.V. - VENLOTel. 04700-12251 (3 lijnen)GezondheidszorgZiekenhuizenBejaardentehuizenOnderwijs :Scholen L.O., ULO, M.O.TechnischeVolkshuisvesting :WoningwetwoningenPremiewoningenVrije sectorwoningenAlgemeen nut:P.T.T.-gebouwenStationsgebouwenBank-instellingen^l^^jTWENTSEAANNEMINGS ^^^TM. J. BrunsMAATSCHAPPIJ N.V, H Th Bonke ALMELO Tel. 05490-8065 (3 lijnen)Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwI I edm. beugels & zoon n.v.aannemersbedrijf - gewapend beton - burger- en utiliteitsbouwoirsbeek dorpsstraat 12telefoon 0 4492 - 591Interieur R.K.Blijde Boodschap Kerkte Kerkraden.v. bouwbedrijfBIMOKantoor:OUDE TELGTERWEG 32Postbus 33ERMELOTelefoon (0 3417) 25 09Prive-adressen:E. J. Bilder, Engelserf 2, Harderwijk,Telefoon (0 3410) 29 38OK. H. Bilder, Oude Telgterweg 27,Ermelo, Telefoon (0 3417) 23 81J. Bilder, Hanengewei 66, Ermelo,Telefoon (0 3417) 20 50Regelmatig inaanbouw indiverse plaatsen BUNGALOWS, MIDDENSTANDSWONINGEN,PREMIE-HUURWONINGEN, WONINGWET-WONJNGEN, UTILITEITSBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebouwWoningobject van 1014 woningen te DelftMUlJS & DE WINTER'S BOUW- EN AANNEMINGSBEDRUF N.V. - ROTTERDAMi .^:i; "., - 11 ; -a G. W. van ENGELENAANNEMERSBEDRIJF N.V.Wolwevershaven 31 -- DordrechtTelefoon 01850-3.84.67/? WONINGBOUW? BETON- en? UTIUTEITSBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebouwN.V. BOUWMAATSCHAPPIJSCHRIJVER-ZONENWoningbouw(Bouwstromen Midden Zeeland)FabrieksbouwWinkekentraGOESTel.: 01100-5305MOESKOPS'BOUWBEDRIJFN.V.BERGEYKTEL. 04975 -1825Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwVAN LAAR'SBOUW-BEDRIJF N.VDEBILTWON IN G BOUW VOOR DE VERKOOPBautv^ enA^annemingsbedvijf ' V i .."V, :^ .P. KOOIJMANL. V. Egmondstraat 53KAMPENTelefoon 0 5292-4520Utiliteits-,, ?', ' en woningbouwAannemers betrokken bij de moderne stedebouw--_ -^^ .^"y^:^P^BOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJ F14- Utiliteitsbouw^ Woningbouw (hoog- en laagbouw)-j^ Betonwerken^ Onderhouds- en verbouwingswerken"w" TaxateursROTTERDAM 4 PROVENIERSSINGEL 1 M -- TELEFOON 010 - 249606BEYERRENSTRAAT 31 -- TELEFOON 152079UW ADRES' - J(SYSTEEMJVOOR ARBEIDSBESPARENDE BOUW TEGENCONCURRERENDE PRIJSMAKELAARw. MINNAARDTESSELSCHADELAAN 43 - MUIDERBERGTEL: (02942) 1582 b.g.g. (02952) 4674' -''--'" ~'^'-' "-"^ ' '^'Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwN.V.AANNEMERSBEDRIJFWOUDENBERGAMEIDETelefoon: Kantoor 01836-- 360na 18 u. 01836-- 410 enna 18 u. 03473--1561UTILITEITSBOUWRESTAURATIEWERKENA. SLOKKER N.V.BOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJFKON. WILHELMINASTRAAT 14HUIZEN (N.-H.)TEL 02952 - 3722? Systeembouw in hoog- en laagbouw metgrote arbeidsbesparing en de hoogstecontingentsfaciliteiten? traditioneie bouw? utiliteitsbouwAannemers betrokken bij (fe mocferne sfecfebouw1-_ - _ .^ 1^ ? B B. B .^K^ ^^. HK a aWUNINijBOUWN.V. AANNEMINGSBEORIJFv/h B. M. van HOUWELINGENHARDINXVELD - GIESSENDAMKantoor: Telefoon 01846-3087 -- Postbox 13n.r. aunnetningsbedrijfjp. frihlich & sn,idroogstraat 22 hisharlingen -- telefoon 05178/2782betanbaunvI .- , i , ,utiliteitshaMBMVAannemers betrokken bij de moderne stedebouwTRADITIONELEEN INDUSTRIELEWONINGBOUW METHODENbin?tie,>> DEVELUWEZQOMMVPARALLELWEG 7 - DIDAMTEL. (08362) 643, 644, 645utiliteitswerkenbetonwerkenonderhoudswerkenwoningbouwbouwbedrijf b & uh. oomkeswesterbroekTelefoon 05904 - 321Westerbroek5 km van Groningen,8 km van HoogezandAannemers betrokken bij de modferne stedebouwBauMvhedrijfEduard Schuurhes ff.r.TILBURGDross, van Wesepstraat 3Tel. 04250-70075SON & BREUGELTel. 04990-1785WONINGENUTILITEITSBOUWEXCLUSIEVEHOUTBOUWViliwag 1 - 's-Gravendeel - Tel. 01853-544denHartogAannemers betrokken bij de modeme stedebpjuwn.Y. bouwbedrijf ,,de delta" middelburgDam 1401180-5655*industriele bouwvolgens systeem baksteenmontagebouwtraditionele bouwutiliteitsbouwAannemersbedrijf Gebr. TREBBEtViBouw Gemeentelijke Geneeskundige DienstEnschedeArchitectenbureauIr. G. Treep, Amsterdamenschedepostbus 4UTILITEITS- EN WONINGBOUWAannemers betrokken bij de moderne stedebouwjpiimmiiuimiuiiiniiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii!uiiiiiHiiiiiiuHuiiiin?ininiiiiiii[Hiininiiiiiiiiiiiiii?AANNEMERSBEDRIJFW. B. STOLKERURANIUMWEG 13-15UTRECHTTelefoon (030) 40638burgerlijke,utiliteitS' en betonwerkenboerderijenbouwiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniHiniiiiiiiiinininiiininiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiniiiiiiiiiimiuiiiiiiiiiiiimniiiii^SET SCHOLENScholenbouw in SET-systeem biedt naast de snelle bouwvele mogelijkheden voor groepering en uitbreiding vanscholen, zowel in parterrebouw als in etagebouw.Architectonisch, onderwijskundig, financieel en economischzijn de SET-scholen volkomen verantwoord en als zodanigook reeds door de praktijk erkend.De SET-sporthallen en SET-gymnastieklokalen vol-doen aan dezelfde eisen als de SET-scholen.De grote bedrevenheid in de systeembouw steunt opde veeljarige ervaring in dewoningbouw en utiliteitsbouwvan dePromotor van de SET-scholen.AANNEMERSBEDRIJF NTETTEROO&zn LEIDSCHENDAMVeursestraatweg 71 -Tel. (01761) - 3245 en 3247.Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwVOORWONINGBOUWwoonhuizen(ook in grotere complexen)bedrijfswoningenverbouw van huizen en winkelpandenutiliteitsbouw - o.a. scholenen bedrijfsgebouwenKORTOMvoor alle soorten bouw enverbouwGARDIEN-OOSTERHOFF N.v.TELEFOON 01742 - 3341NOORDWEG 16WATERINGEN" ,,^'?iBiMChristelijk Lyceum Zandvliet aan het Bezuidenhout te Den HaagAannemingsbedrijf fa. Groen & B r e g m a n, uitgerust met demodernste middelen (bouwkraan, stalen steigers, stempels) kanelk soort betonwerk uitvoeren.SCHOLEN - KERKEN - ICANTOREN - WONINGENVoor alle werken op hetgebied van burgerlijkeen utiliteitsbouwFa. GROEN & BREGMANBOUW- EN AANNEMINGSBEDRIJFMolenstraat 28a - Benthuizen Z.H. - Telefoon (0 1790) 3609 - 3673 - 3698Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwn.v.aannemings-hedrijf//KAPELPLEINifDEN HAAGTel. (070) 541495N.V. MAVEMINDUSTRIELE SCHOLENBOUWDe belangsteiling bij het Ministerie van Onderwijsvoor de seriebouw volgens arbeidsbesparendemethoden blijft groeien.IJMUIDENJOONSTRAAT 1Tel.: 02550-5714Seriebouw van 7 scholen voorlager onderwijs in Den Helder, naar een ontwerp van hetinformatiecentrum voor Scholenbouw., M^iMrn^'^^h'^^Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwMEER DAN 90 JAAR BOUWEN WfJ UTILITEITSWERKENIN DE RANDSTAD HOLLAND EN GEHEEL MIDDEN-NEDERLANDGEREED KWAMEN O.A.:KANTOREN, MACHINEHAL ETC. VOOR EMBAHOOFDKANTOOR LISSONE-LINDEMANFABRIEKSGEBOUWEN BOEKBINDERIJ ,,ALBRACHT"LAGERE TECHNISCHE SCHOOLINDUSTRIE EN HUISHOUDSCHOOLINDUSTRIE EN HUISHOUDSCHOOLBELASTINGGEBOUWP.T.T. CENTRALEBEJAARDENTEHUISBEJAARDENTEHUISBEJAARDENTEHUISSCHOLENSCHOLENKERKKERKKERK ,,^KANTOORGEBOUW PHILIPS PENSIOENFONDSGARAGEBEDRIJFGARAGEBEDRIJFROTTERDAMDEN HAAGUTRECHTDELFTVLAARDINGENVOORBURGVLAARDINGENDE BILTROTTERDAMHEEMSTEDEVOORBURGZWIJNDRECHTHAARLEMMERMEERDUBBELDAMRIJSWIJKZWIJNDRECHTROTTERDAMROTTERDAMALPHEN a/d RUNALLES Nd DE WONINGBOUWAANNEMINGSBEDRIJFD. VERSLOOT n.v.NIEUWERBRUG a/d RUNTELEFOON 03488-345nbmN.V. VERENIGDE N.B.M. - BEDRIJVENDEN HAAG - Zonweg 23-25 - Telefoon : 070 - 814331Werkmaatschappijen:N.V. AANNEMINGSBEDRIJF N.B.M. ZAANDAM,Wegenbouw- en andere civiel-technische werkenKantoren te : Den Haag, Zaandam, Vught, Wageningen, HeerenveenN.V. NEDERLANDSE BOUW-MAATSCHAPPIJ N.B.M.,Woning- en utiliteitsbouwKantoren te : Den Haag en VlissingenN.V. BASALT EN BOUWSTOFPEN N.B.M.,Alle soorten bouwmaterialen met eigen betonfabhek, kunstmarmerfabriek, etc.Kantoren te : Zaandam, Harlingen, Lemmer, EnkhuizenN.V. ALGERA-WOLVEGA,Pijpleidingen voor gas, water, etc.Kantoren te : Wolvega en ArnhemAannemers betrokken bij de moderne stedebouwVoor al uw bouwkundige werken;aannemingsbedrijfFa. Gebrs. van SpijkerMeppelKantoor Sluisgracht 13 -- Telefoon 3646 (2 lijnen) en 1571Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwWONINGBOUWUTILITEITSBOUWN.V. BETON- EN AANNEMINGSBEDRIJF GEBR. KOUDIJSKANTOOR JUFFERSTRAAT 10 - ROTTERDAMTh. Kreuger&Zn.aannemersutiliteitsbouwbetonbouwrestauratiesonderhoudswerkenSCHIEDAM - RAAM 3 - Tel. (010) 267878Aannemers betrokken bij de moderne stedebouwObjekt: Flatbouw in de,,Vondelwijk" te Waddinxveen.(Bouwtempo: 2 won. p. werkdag).smwiJ. REIJM N VWoning- & utiliteitsbouwWADDINXVEEN tel. (01828) 2464Gietbouwsysteem m stolen tunnelbekisting1voor? Arbeidsbesparende woningbouw? Moderne aanpak o.a. gietbouw? BouwstromenN.V. Aannemersbedrijf v/h J. StamKortenaerstraat 3 - Zwijndrechttel. 01850-28663/28939Aannemers van grond- weg- en waterbouwkundige werkenn.v. J. PRINS van WIJNGAARDEN - Hattem (Gld.) - Tei. 05206-2044 (3 lunen)BAGGERWERKEN - HAVENWERKENOPHOGEN VAN TERREINEN voor woningbouw en IndustrieLEGGEN VAN KABELS EN ZINKERSBijkantoor:'s-HertogenboschKoningsweg 89Tel. 0 4100-36586Bijkantoor:RoermondRoermondsestraat 49Herten (L)Tel. 0 4750-2549Opslagplaats te Hasselt (Ov.)Tel. 0 5209-545Aanleg ,,Nieuwe Maashaven in de Stadsweide" met industrieterreinen voor Gemeente Roermond.N.V. AANNEMINGSBEDRIJFN.V. WONINGBOUWN.Y. UTILITEITSBOUWN.Y. ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJG. W. J. SANDERSG. W. J. SANDERSG. W. J. SANDERSG. W. J. SANDERSYelperweg 27, Arnhems&vVitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting48e jaargang no 12Maandbladdecember 1967Redactie :Mevrouw Prof. C. W. VisserMe']. R. HartstraPro}. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. J. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. van der WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en AbonnementenLange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225 ,Postgironummer 29080 i,Advertenties :Nobehtraat 21, HeerlenTelefoon 04440-18100Postgironummer 1035100t.n.v. N.V. Maatschappij tot Exploitatie vanhet Limburgs Dagblad-HeerlenDit nummeris in de eerste plaats gericht op het vraagstuk ,,HoogboK%v - Laagbouw", waar-aan juist een jaar geleden een nummer (december 1966) in zijn geheel gewijdwas. Wij publiceren nu een beknopte weergave van een gesprek met de auteursvan de artikelen in dat nummer.Verder bevat dit nummer enkele bijdragen die alle raken aan de ruimtelijkerdening in groot ver'oand. Drs. Kurstjens behandelt de hevolkingsverdelingnaar de grootte van de kernen. Een van de medewerkers van de Rijksplanolo-gische Dienst heeft het artikel van een kort commentaar voorzien.Het volgende artikel, van Drs. W. J. Bruijn, is een persoonlijk verslag van deVlaams-Nederlandse Contactdagen voor ruimtelijke ordening.Dr. Ir. A. Heimans komt in een kort artikel terug op zijn beschouwing overde inbeslagneming van grond voor stedelijke gebieden, waarbij hij gebruikmaakt van de nieuwste bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor deStatistiek.Drs. Th. M. I. Post behandelt onder de titel ,,het tekort bij de ruimtelijkeordening", de taak van de ruimtelijke ordening.De Kroniek, een boekbespreking en de gebruikelijke rubrieken besluiten hetnummer.413Een oudejaarsgroet van uw Kroniekschrijver die ervriendelijk aan moge herinneren dat het ook inde planologie en de stedebouwkunde thans vijfminuten voor twaalf is.InhoudGesprek over hoog (en laag) . . . 415Ruimtelijke ordeningBevolkingsdistributie naar de grootteder kernen, Drs. J. W. Kurstjens . . 424Naschrift, Drs. J. Koot .... 433De Vlaams-Nederlandse Contactdagenvoor ruimtelijke ordening te Antwer-pen, Drs. W. J. Bruijn .... 435De nieuwe bevolkingsprognose en deinbeslagneming van grond voor stede-lijke gebieden, Dr. Ir. A. Heimans . 441Het tekort bij de ruimtelijke ordening,Drs. Th. M. I. Post 443Kroniek en kommemaar .... 447Boekbespreking 453BerichtenBInnenland 455Officiele MededelingenNederlands Instituut 458Rijksplanologische Dienst .... 459Summary 461Abonnementsprijs f 24,--. Losse nummers f 2,50.De leden van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvestingontvangen het blad kosteloos.414Hooghouw-LaagboMWGESPREK OVER HOOG (EN LAAG)Precles een jaar geleden verscheen een geheel nummer van dit Tijdschrift gewijdaan de vraag: laag of hoog bouwen en wonen -- vandaag?, waarin een grootaantal sohrijvers uit versohlllende hoek zijn visie gaf.De opmerkelljke verscheidenheid van geluiden, die in dat nummer doorklonkenen de ervaring dat de ontwikkeling sinds de verschijming van het rapport ,,Hoogof Laag bouwen en wonen" in 1961 duiideliike veranderingen heeft ondergaan,vormden aanleiding de auteurs van de artikelen in dat Tijdschriftnummer uit tenodigen voor een openhartige discussie om te proberen tot een bepaalde objec-tivering en toetsing van de verschillende inzichten te komen. Dit gesprek hadin de afgelopen zomer plaats en ontwikkelde zich tot een uiterst levendig debat,waarin verschillende facetten van het vraagstuk op indringende wijze naarvoren kwamen. Vanwege het interessante karakter van de discussie laat deredactie hier een woordelijk, zij het enigszins bekort, verslag volgen. Dee'lnemersaan het gesprek, dat werd geleid door de heer H. J. A. Hovens Greve, waren:mevrouw ir. A. Kuiper-Struyk en de heren drs. G. J. van den Berg, E. F.Groosman, prof. mr. A. Kleijn, J. M. Meijssen, dr. N. C. Schouten, drs. L. Tas,ir. W. van Tijen en ir. W. Wissing.Het gesprek werd geopend met een toelichting van de heer Tas op een aan-vullende grafiek betreffende de toename van het percentage hoogbouw binnenhet totale kwantum meergezinshuizen in 1966. Deze grafiek die een vervolgvormt op die bij zijn artikel in het decembernummer van het vorig jaar drukkenwij hierbij af. De cijfers die betrekking hebben op ingediende en goedgekeurdeplannen wijzen op een ontwikkeling in een jaar van SC/o van alle meergezins-huizen in hoogbouw naar 66''/o, dus van de helft naar tweederde. Het totale%10075 _50252 + 3 bouwiagen 4 + 5 bouwiagen 6 en meer bouwiagen%100755025Woningen in meergezinshuizen naar het aan-tal bouwiagen van het pand waarin zij zijngelegen (in "/o van het totale aantal goed-gekeurde woningen in meergezinshuizen in hetdesbetrefjende jaar)415Hoogbouw-LaaghouwHooghouw ah tijdsverschijnselpercentage meergezinshuizen tegenover dat van de eengezinshuizen bleef ook in1966 vrijwel constant en beweegt zich even onder de 40%.Het opmerkelijke feit dat van alle meergezinshuizen die in ons land gebouwdworden zo'n sterk toenemend percentage in hooghouw wordt uitgevoerd wasaanleiding dat in het gesprek de hooghouw sterk centraal stond, zoals uitonderstaande fragmenten bhjkt.De heer Kleijn : In het artikel van deheer Wissing in het Tijdschriftnummerwordt gesteld dat hooghouw leidt totgevoelsmatige ruimteverkleining. Diegevoelsmatige ruimteverkleining achtik kenmerkend voor deze tijd. Eenslogan van een Amerikaanse vliegtuig-maatschappij is in dit verband onthul-lend; zij luidt: ,,Wij doen lets groots,wij maken de wereld kleiner voor U".Dat is op dit moment het type vandie gevoelsmatige ruimteverkleining,die men via de vliegerij en de wereld,via de ruilverkaveling en het land-schap en via hogere bouw en ook weerhet landschap, aantreft. Die zich ookoverigens in het bedrijfsleven voltrekt,in de regionale aspecten van het be-stuur en op allerlei andere terreinenvia schaalvergroting openbaart. Door-dat je in schaalvergroting leert denkenkrijg je -- hoe paradoxaal ook -- deindruk dat alles kleiner wordt. Hoog-houw symboliseert dan ook een gevoeldat bepalend is voor deze tijd. Menmoet de hooghouw niet zien als enkeleen technisch vraagstuk, maar als eensoort automatisme van schaalvergro-ting in onze wijze van bouwen.Allerlei maatschappelijke en economi-sche factoren werken -- op de aohter-grond -- aan zo een ontwikkeHngmee. Maar er zit vooral een gevoels-matige behoefte achter, en wanneermen dan zegt dat elke burgemeesterer naar streeft hoogbouw in zijn ge-meente te krijgen louter als statussym-booly dan is dat woord hier niet juistgebruikt. Zo een burgemeester intro-duceert een wijze van bouwen in zijngemeente die die gemeente van de enetijd in een nieuwe tijd overbrengt. Hetis dan niet een kwestie van status,maar een kwestie van schaalgevoel.Men moet overigens bedenken dat ditniet betekent dat men het bewonings-aspect nu verder uit het oog kan ver-liezen. Het woongenot moet mede inaanmerking worden genomen. Maarmen moet inzien dat de gesignaleerdeschaalvergroting een algemeen maat-schappelijk, cultured en economischverschijnsel is, waaraan je de belangenvan het wonen zo goad mogelijk hebtte conformeren.Hoogbouw uit noodDe heer Van Tijen: Die schaalvergro-ting is inderdaad een feit dat wij alle-maal ervaren. Maar we moeten tochwel verschrikkelijk voorzichtig zijn.Hoogbouw is zeker een efficient enwaardevol middel om de schaalvergro-ting aan te geven en om de duidelijk-heid van het levensmilieu te vergro-ten en te verhelderen. Heel iets andersis het echter als men de schaalvergro-ting helemaal primair gaat stellen. Mis-schien dat de gevoelsmatige kant, diede heer Kleijn benadrukte, er een roJbij speelt, maar in feite wordt de mo-tor van de hoogbouw thans gevormddoor nogal platvloerse noden en be-langen, die zeker niet de noden enbelangen zijn van het wonen en vande bewoners. Men is in een voortdu-rende veldslag gewikkeld om een be-paald woningbouwbeleid te handha-ven. Een van de grote fouten van dena-oorlogse economie is dat we het wo-nen hebben beschouwd als een sluit-post. Daardoor hebben we de auto ende sherry gekozen inplaats van de wo-ning, zegt prof. Pen. Maar dat is nietjuist, zegt prof. Hendriks: we hebbenniet gekozen, de goede woning was erniet en kon er door het overheidsbeleidniet komen; auto en sherry wel! Ennog steeds is die veldslag aan de gangom het aandeel van de kosten van hetwonen in het gezinshudget zo laagmogelijk te houden.Bij het vraagstuk van de hoogbouwligt het nog wat eenvoudiger en eigen-lijk nog wat meer banaal: de gemeen-tebesturen rkunnen niet aan een aan-vaardbare grondprijs per woning ko-men en weten geen andere uitweg dan:zet er maar een paar verdiepingen op.416Hoogbouw-LaagbouwOok in plannen die daar helemaal nietop berekend zijn. Dat leidt dan tot diestroken en die torens, die naar gevoelvan velen een ramp voor onze volks-liuisvesting worden.De sleutel van hat vraagstuk ligt bijhet rijkswoningbouwbeleid. Het is be-angstigend te zien dat een zo hoogpercentage van de meergezinswoning-bouw tot stand komt op een manierdie helemaal niet voldoet aan de eisendie aan hoogbouw gesteld moetenworden. Dit kan men alleen maarstoppen door de kwaliteitseisen voordie woningen aanzienlijk op te voeren,waarmee men de weg afsluit voor ditsoort hoogbouw die -- in schijn overi-gens -- de weg van de minste weer-stand volgt. Het is duidelijk dat eengemeente met woningen op de zeven-tiende etage zonder enige voorzieningtegen een huur van tussen de / 200.--en / 300.-- de grootste moeilijkhedenkrijgt. Men kan deze ontwikkeling al-leen maar tot staan brengen door inconcreto te stellen: woningwetwonin-gen met lift kunnen slechts gebouwdworden als B-woningen. Dan is meneen heel eind op de goede weg. Wantdan snijdt het mes aan twee kanten.Men krijgt aan de ene kant hoogbouw-woningen met behoorlijke vertrekop-pervlakten en o.m. een goede geluids-Lso'latie, en aan de andere kant ver-hoogt men de kostprijs van de hoog-bouw zodanig, dat die woonvorm nietmeer als de weg van de minste weer-stand kan worden toegepast. Dankrijgt men de situatie dat men wer-kelijk kan nagaan: wat moeten wijnu aan de hoogbouw hebben? Wanter moet zeker hoogbouw zijn, maarde mate en de aard moeten nauwgezetworden bepaald.Hoogbouw en beleggerVervolgens wordt aan de heer Meijsengevraagd hoe hij als belegger over hetvraagstuk oordeelt.De heer Meijsen: Het standpunt vande belegger tendeert sterk in de rich-ting, die door de heer Van Tijen zojuistis aangegeven. De belegger wordt na-melijk direct geconfronteerd met devraagzijde van de woningmarkt. Daarzien wij een algemene aversie tegenhoogbouw. Tegelijk nemen wij eensocialisering en een massificatie van diewoonvorm waar. Op dat punt gaat debelegger naar zijn eigen werkterreinkijken en maakt hij onderscheid tussenmassa-woningvoorziening, die in hetbijzonder in de woningwetsfeer ligt ende bouw in de particuliere sectorwaarop zijn belangstelling in het bij-zonder gericht is. In de particulierebouw zien wij bij de beleggers rela-tief zeer weinig hoogbouw tot standkomen. Het is niet zo dat de beleg-gers nu per se contra hoogbouw zijn.Men ziet hiervoor ook aan de vraag-zijde een zekere markt, maar het iseen beperkte markt. De belegger zietde hoogbouw graag als een ,,land-mark", zoals de vooroorlogse hoog-bouwflat van Van Tijen in Rotterdam,de torenflat in Gorcum, de Statenflatin Rotterdam e.d. Dit soort hoogbouwgeniet de belangstelling van de beleg-gers. Voor andere soorten van hoog-bouw, zoals b.v. die in de wijk Over-vecht in Utrecht, bestaat die belang-stelling niet en wel om twee redenen :ten eerste omdat de belegger de massi-ficatie in woonvorm en presentatie nietzoekt en ten tweede omdat hier geenunieke woonvorm geboden kan wor-den. De belegger zal zijn belangstel-ling richten op hoogbouw voorzoverhij dit gebouw een naam kan geven, ereen betekenis aan toe kan kennen enhet gebouw een karakter kan verto-nen.In de huidige ontwikkeling zal er voorgoede hoogbouw nog altijd een plaatszijn, juist omdat er zoveel slechtehoogbouw is.De heer Tas : De cijfers wijzen nietuit dat de belangstelling voor hoog-bouw in de particuliere sector zo veellager zou zijn. De vrije sector heeftjuist voorop gelopen voor wat hetpercentage hoogbouw binnen het totaleaantal meergezinshuizen in die sectorbetreft en de premiesector is gevolgd.Wel zijn de absolute aantallen lagerdan bij de woningwetbouw, omdat depremie- en vrije sector kleiner zijn enhet percentage eengezinshuizen er ho-ger ligt. Maar voorzover er meerge-zinshuizen gebouwd worden in de be-leggingssfeer (waartoe men beide sec-toren mag rekenen) is er nauwelijksverschil met het percentage in de wo-ningwetsector.De heer Meijsen : Je moet onderschei-den tussen wat mogelijk is in de parti-culiere bouw vandaag aan de dag, datwil zeggen : waarin kun je als beleg-ger deelnemen, en waar gaat je purebelangstelling naar uit. Het is de vraagof de belegger op het ogenblik kankrijgen wat hij wenst. Men kiest nuvaak automatisch voor hoogbouw, uit-sluitend om een bepaald aandeel in demarkt van het onroerend goed te kun-nen verwerven. De belegger die uit-sluitend hoogbouw kiest omdat hij datzo een goede belegging vindt, is er niet,tenzij het gaat om zulke gekwalifi-ceerde hoogbouw als in de genoemdevoorbeelden.417Hoogbouw-LaagbouwHoogbouw als noodzaakDe heer Groosman : ledereen wilgraag wonen op de Lijnbaan in eenbungalow met de auto voor de deur.Maar dat kan niet. Je kunt nog watverder weg gaan wonen, maar datwordt dan ook al moeilijk. Want voor-al in het westen van Nederland zijnzich geweldige maatschappelijke eneconomische concentraties aan het vol-trekken. En nu kunnen we prachtigestedebouwkundige en planologischeprojecten maken, die trachten dat naarelders af te leiden, maar ik ben ervanovertuigd dat die concentratie in hetwesten van Nederland zich nog veelsterker zal voltrekken dan in de laat-ste tien of vijftien jaar gebeurd is. Alsde geweldige investeringen van al dieInternationale bedrijven daar -- waarmi&schien wel 50"/o van het nationaleinkomen wordt verworven -- op delange duur effect moeten kunnen sor-teren, dan zul je er voor moeten zor-gen dat de mensen die daar werkenop niet te lange afstand ook goedkunnen wonen. En ik kan niet inziendat dat voor 70 of SC/o zou kunnengebeuren in eengezinshuisjes. Baren-drecht, Sliedrecht, Pendrecht, Dor-drecht, dat zit al allemaal aan elkaargegroeid met die lage huisjes. Daar ishet over 10 jaar natuurlijk helemaalvol en dan heb je eenvoudig niet meerde ruimte om de mensen die er moe-ten werken te huisvesten. Je hebt situa-ties genoeg in deze gebieden waarhoogbouw goed aan de kwantitatieve,maar ook aan de kwalitatieve vraagzou kunnen voldoen.Als je de problemen van de hoogbouwop een rij zet, is er in de eerste plaatsde sociale kant, in de tweede plaats detechnische kant en in de derde plaatszijn er de ruimtelijke consequenties.De sociale kant komt in hoofdzaak totuiting in de kwaliteit, die we allemaalte laag vinden, zo-wel ruimtelijk alstechnisch. Er is te weinig marge enmet de kwaliteit van de uitvoeringzullen we over 20 jaar nog wel eenslast krijgen. Maar in wezen is het nietzo verschrikkelijk. moeilijk om dieruimtelijke en technische kwaliteit goedte krijgen. De mogelijkheden om telaten zien wat zou kunnen, zijn erechter niet binnen het kader van hettot nu toe gevoerde regeringsbeleid.Het is praktisch niet doenlijk om hetwoonoppervlak 10 of ISVo groter temaken, noch om de technische kwali-teit beter te maken of om de marge-ruimte : de galerijen, de balkons, deverkeersruimten en al die andere za-ken die samenhangen met geconcen-treerde woonvormen, op het gewensteniveau te brengen.Al heb ik mijn artikel wat tendentieusgeschreven, we moeten natuurlijk welvoorzichtig zijn met uitlatingen als :alles moet in hoogbouw. Dat is hele-maal niet nodig en ook niet wenselijk.Zeker de gezinnen met jonge kinderenhoren in hoogbouw niet thuis.De heer Kleijn : En in etagebouw tocheigenlijk ook niet.De heer Groosman : Ik zou de etage-bouw er helemaal uit willen halen,maar dat is een ander vraagstuk.Naast die zeer jonge gezinnen metkleine kinderen zijn er de vervroegdteruglopende gezinnen (mensen die met50 jaar helemaal uit de kinderen zijn),de bejaarden, de alleenstaanden e.d.Dat zijn de categorieen die in de hoog-bouw thuis horen en daar tegen eenredelijke prijs al het comfort zullenkunnen vinden dat zij wensen. Daar-naast moet je de hoogbouw natuurlijkzodanig situeren dat het uitzicht en deruimtelijkheid optimaal zijn.Hoogbouw en bewonerMevrouw Kuiper-Struyk : Is het welhelemaal juist ook de hele woningbouwte gaan betrekken bij het algemeenmaatschappelijke verschijnsel van dieschaalvergroting, zonder daarbij tebedenken dat toch altijd de bewonervan eenzelfde schaal blijft, zijn heleleven lang ?Wanneer we hoogbouw toepassen heb-ben we ruimte nodig. We zijn er nogaltijd niet uit of het gebruik van degrond nu werkelijk zoveel intensieveris, wanneer wij de hoogte in gaan.Gelukkig heb ik uit de woorden vande heer Groosman begrepen -- in zijnartikel had ik dat niet bespeurd -- dathij bepaalde categorieen direct uitsluitvoor het wonen in hoogbouw. Maarik geloof dat wij toch nog altijd teweinig uitgaan van de consument zelf.We worden geleefd. Het wordt voorons klaargemaakt. Maar er is toch be-paald nooit een duideiijk geluid ge-komen van de kant van de bewoners.Er zijn wel enquetes hier en daar ge-houden, maar die moeten wel bijzon-der goed zijn : want je kunt bij eenenquete iedereen gemakkelijk latenzeggen wat je zelf wilt. We zijn er nognooit in geslaagd na te gaan welkecategorieen je nu werkelijk kunt toe-laten in de hoogbouw. Tot nu toe zijnwe ook nooit verder kunnen komendan te zeggen: het is een economische,een financiele kwestie dat stapelen vaneen bepaald huis tot in den treure,zonder dat we ons rekenschap hebbengegeven of dat nu wel verantwoord isuit medisch-hygieniisch oogpunt, dus418Hooghouw-Laaghowwult een oogpunt van volksgezondheid.Ik ken de situatie in Rotterdam veel tegoed om niet te weten, dat je op eengegeven moment met een gezin metkinderen een zeventiende of vieren-twintigste woonlaag eenvoudig moetaccepteren. Je kunt niet drie of vierkeer nee zeggen, want dan wordt je ge-schrapt van de lijst met urgente geval-len. Je moet het accepteren. Wat zijndaar nu de gevolgen van ? Het \s wel-licht bekend dat door het wonen opdie hoogste verdiepingen een bepaaldevorm van huidziekte opleeft, dat jeboven de zevende woonlaag nooit meerje was buiten kunt hangen, omdat diekapot waait. Dat zijn allemaal omstan-digheden waaraan onvoldoende aan-dacht wordt besteed. Je zou eigenlijk-- maar daar is het nu te laat voor --andcrsom moeten beginnen en eersrgoed moeten nagaan: wat is de grenswaarop vooral gezinnen met kinderennog redehjk kunnen leven. Maar alzou je dat doen en bijvoorbeeld tot deconckisie komen : die eerste en tweedewoonlaag reserveren we voor gezin-nen met jonge kinderen, dan nog staje voor het prohleem van de fluctua-tie. Want die gezinnen met kinderenzouden er op een gegeven moment ookweer uit moeten en anderen er in.De heer Groosman : Als we overhoogbouw spreken moeten we nietdenken aan de impressie die de hoog-bouw op het ogenblik op ons maakt.Ik geloof dat we veel meer moetendenken in de richting van hoe die zoukunnen en hoe die zou moeten zijn.Mevrouw Kuiper-Struyk : Dat haddenwe dan al twintig jaar geleden moetendoen.De heer Van Tijen : Als we gaan spre-ken over hoe die hoogbouw zou moe-ten worden, dan moeten we toch aller-eerst de hoogbouw, zoals die nu ver-wezenlijkt wordt, stoppen.De heer Kleijn : Dan moeten we alonze bouw stoppen ! Want er wordteen helebo-d rommel op de markt ge-bracht.Mevrouw Kuiper-Struyk : Neen, danhoef je niet alles te stoppen, je moetdat deel door laten gaan, dat aan rede-lijke eisen voldoet.De heer Kleijn : Goed, ik wil datgaarne onderschrijven, maar ik vindhet toch maar een vrome wens.De heer Van Tijen : Als je in hoog-bouw alleen nog maar B-woningen zoubouwen, was je er.Overigens heeft het mij getroffen tehoren dat de beleggers net zo minkunnen kiezen als de bewoners. Ookzij krijgen die hoogbouw zonder meervoorgeschoteld; zij moeten nu eenmaaleen aandeel onroerend goed verwervenen accepteren het dan maar. Maar debeleggers beginnen wakker te wordenen vragen zich af wat de toekomstigewaarde is van datgene, dat zij op hetogenblik kunnen kopen. Als je aan dehoogbouw eisen stelt, die die toekom-stige waarde waarborgen, dan zit erwel degelijk een haalbare kaart in.De heer Schouten : "Zou het niet zozijn, dat de mens juist in het woneneen compensatie zoekt voor die schaal-vergroting, die zich op allerlei terrei-nen voltrekt. Deze gedachte wordt ookgeuit in het boek Bouwen, Wonen, Le-ven, dat zojuist is verschenen en waar-in staat : wij leven in een grote uiteen-gelegde wereld (Tellegen) en in hetwoonmilieu proberen wij nu juist letsvan intimiteit, rust, etc. terug te vin-den, als een tegenwicht voor die over-al optredende schaalvergroting. Nuweet ik wel, je moet niet alles op eenkaart willen zetten : er zullen zekermensen zijn die die schaalvergrotingook in hun wonen willen beleven,maar daarnaast zijn er ook velen diegraag in milieus willen wonen als inhet boek Bouwen, Wonen, Leven, wor-den geschetst.Mijn tweede kanttekening heeft be-trekking op de uitlatingen : ,,er is teweinig geld voor" en ,,de mensen heb-ben eigenlijk geen keuze, want de Re-gering maakt uit wat er gebouwdwordt". Dat is tot op zekere hoogtewel waar, maar we moeten bedenkendat die regeringsbesllssingen langs de-mocratische wag tot stand komen. Alsde Kamer uit naam van het volkvraagt om veel woningbouw en erwordt anderzijds een beperkt budgetbeschikbaar gesteld, huurverhogingenworden tegengehouden en het hele fi-nancieel-economische beleid van onsland wordt er in betrokken, dan leg-gen we met al dit soort beslissingen enoverwegingen in het parlement dekeuze min of meer zelf vast. Als indi-viduele bewoner krijgen we inderdaadde woning voorgeschoteld, maar alsvolk bepalen we mede wat er ge-bouwd wordt.Hoogbouw als bedreigingDe heer Wissing : In de eerste plaatsmoeten wij duidelijk vaststellen dathet stedebouwkundige element van dekeuze hoog- of laagbouw niet andersis dan het volkshuisvestingselement.Die twee zijn exact hetzelfde. Wantde doelstelling van de stedebouw is ineerste instantie : het beter wonen vande mensen mogelijk te maken.419Hoogbouw-LaagbouuiVervolgens wil ik er op wijzen dat hetprimair de situatle is, die de keuze vanhoog- of laagbouw indiceert. In onzestedelijke agglomeraties of, zoals menook kan zeggen, in onze metropolitainemilieus, hebben wij in dat opzicht opsommige plaatsen goede ervaringenmet enkele hoogbouwobjecten in spe-ciale situaties, waar in collectieve,maar tegelijk voldoende gedifferenti-eerde woonvormen zo een honderdmensen bijeen wonen. Maar zodra jegaat denken in blokken en complexenwaar geen honderd, maar bij voor-beeld duizend gezinnen bij elkaar moe-ten wonen, is dat iets heel anders. Weweten het van een sohaalmodel vaneen sohip : als je de omrekeningsfor-mule niet kent van het model naar hetconcrete schip, dan heb je aan alleproeven die je met dat model doetniets. Zo is het hier ook mee. Alle er-varing die je hebt met een enkel ob-ject van honderd woningen \s onbruik-baar voor een object met duizend wo-ningen, als je de omwerkingsformuleniet kent. Wanneer het dan bovendienin zo een complex allemaal dezelfdewoningen zijn, terwille van de effi-ciente bouwm.ethode, dan is de kansdat men zich op die opgedane erva-ringen verkijkt nog groter.Een ander aspect is dat hoogbouw deomgeving in belangrijke mate bepaalt.Dat is dan wel de stedebouwkundigewerking daarvan, maar idie wordt er-varen door de mens, 'die er moet wo-nen en leven. Als je dus in een stedelijkgeheel zo een complex neerzet, is hetvan enorm belang het zo te -doen dater met de andere bebouwing een goederelatie ontstaat. Er zijn in ons landverschillende voorbeelden aan te wij-zen waar dat niet goed is opgelost.Dan is er nog het punt van de invloedop het landschap. Als je rondwandeiltin het toekomstige recreatiegebied vanMidden-Delfland en je ziet : de be-bouwing van na aan de noordrand vanKethel en van Holystad, die zich nog\]^ km verder naar het noorden zalgaan uitstrekken en je ziet de bebou-wing in de richting van Delft, die ooknog Ij/^ km naar het zuiden zal door-gaan en je loopt dat hele Delflanddoor, dan is er geen punt meer, waarje vrij bent van de bebouwing van hetWaterweggebied of van Delft. Moge-lijkerwijs kan er met beplanting nogenige correctie aangebracht worden,maar die 6 km, die daar nu nog aan-wezig is en die teruggebracht wordttot 3,7 km, is nu al te weinig om ereen gebied te maken waar je je vrijkunt wanen van de stad. Dat is deschuld van die hoogbouw ! In het ge-bied van het ontwerp-streekplan Rijnen Gouwe zie je precies hetzelfde bijAlphen aan de Rijn. De hoogbouv/van Alphen heeft de leefbaarheid vanhet gebied van de Nieuwkoopse plas-sen, de Mije en de Oude Rijn vernield.Dat is een argument dat veel en veelzwaarder telt. Want daarmee ver-knoeien wij de laatste ruimte. Het isgeen werking die zich uitstrekt tot 1of 13^ km, maar tot 10 km op zijnminst ! Dat is nu het laatste stukjeHolland, dat wij proberen te bescher-men. Dat is waarvoor het argumentgebruikt wordt : neem geen ruimte inbeslag m.et eengezinshuizen, maar bouwhoogbouw ! Het ruimtegebruik van dehoogbouw is het tienvoudige van diemet eengezinshuizen ! Het is preciesandersom dan de gebruikelijke verha-len vertellen.En wat komt er terecht van de groeneruimte in de wijk rond die hoge ge-bouwen ? Daar moeten al die auto'sstaan. Er is geen groen meer over, al-leen nog maar steen.Als je dat nu allemaal naast elkaarzet en je vergelijkt de werkelijkedichtheden van de Bijlmermeer en vanZoetermeer (hoogbouw inclusief al dievele extra verkeersvoorzieningen endergelijke) -- Zoetermeer haalt de13,8; de Bijlmermeer haalt de 12,5; elkwoongebied met eengezinshuizen in eengrootte tot 20.000 woningen haaltroyaal de 15 -- dan is er geen twijfelmogelijk, dat voor een behoorlijke op-vang uit een oogpunt van volkshuis-vesting, van de groei van onze bevol-king het eengezinshuis en ook de varia-tie met kleinere wooneenheden in mid-delhoge bouw de aangewezen weg vor-men. Die woningtypen bieden een op-lossing waarvan wij weten dat die uit-stekend bruikbaar en ruimtebesparendis. We moeten hoogbouw dan ook al-Icen gebruiken op plaatsen in het ste-delijk gebied waar unieke uitzicht-situaties en een zekere behoefte aandie woonvorm -- want die is er be-paald, maar dat betreft een beperktegroep -- de toepassing rechtvaardigen.Die hoogbouw moet dan gebouwdworden in complexen met een over-zichtelijke schaal waarvan we de maatmeester zijn.Ik vind het bijzonder beangstigend datin Nederland op het ogenblik op talvan plaatsen hoogbouw verrijst in si-tuaties waar het schandelijk is, ruimte-vernielend en waar bovendien nog nietgebleken is dat het goedkoper is. Alsmen alle kosten neemt van een hoog-bouwontsluiting en een ontsluitingvoor de bouw van eengezinshuizen,dan blijkt de eerste nu al aanmerke-lijk duurder te zijn door : bredere stra-ten, voorzieningen voor de reiniging,enorme parkeergelegenheden, aanvul-lend groen, parasitaire ruimte die no-dig is om beschaduwde oppervlakkenop een of andere manier te behande-len etc.Bovendien blijkt uit voorbeelden inEngeland dat bij een gezellige com-pacte verkaveling met eengezinshuizenen enkele kleine flats dichtheden tebereiken zijn, die nog hoger liggen danmet hoogbouw in de allerslechtstesituaties mogelijk is.420Hoe houden wijeen land met steedsmeer mensen en steedsminder ruimte bewoon-baar? Onder meer doorte zorgen dat landbouwen recreatie met elkaarin harmonie zijn.De Heidemaatschappijbiedt u een rijkeervaring op beidegebieden.KONINKLIJKENEDERLANDSCHEHEIDEMAATSCHAPPUVERENIGING TEN ALGEMENE NUTTEeen vooruitstrevend beleiddat is gericht opmoderne stadsontwikkelingvraagt een nieuwe aanpakmeer mensenmoeten in kortere tijdbeter wonendit te helpen verwezenlijkenis de opdraeht die NEDUCOzich gestetd heeft.NEDUCOINDUSTRIELEWONINGBOUWNV Systeem CoignetHoogbouw-LaagbouwVier kanttekenlngenDe heer Van den Berg : Ik wil vieropmerkingen maken over de hele dis-cussle, die wij tot nu toe gevoerd heb-ben. Ten eerste vind ik dat we onsmoeten afvragen of we wel allemaalop dezelfde golflengte uitzenden enontvangen. Wij spreken allemaal uittotaal versohillende referentiekaders.Zolang wij dat blijven doen komen wijook niet tot een communis opinio.Het tweede punt is : of het voldoendetot ons doordringt dat het wonen eencategorie is van het menselijk hande-len, dat duidelijk bezig is zich sociaalte verzelfstandigen, helemaal los vanwat er verder in de samenleving ge-beurt. Dat hebben wij mede -- nietuitsluitend -- te danken aan het ste-debouwkundige beginsel van de schei-ding van wonen en werken. En daar-bij komt het consumptiekarakter vanhet wonen voUedig naar voren. Daarkomt ook nog bij naar voren dat deconsumptie van het wonen een massa-verschijnsel is. En men kan dan v/elzeggen dat er niet gemassificeerd magworden, maar natuurlijk gebeurt het !Dat wil niet zeggen dat er geen indi-vidualiteit in overblijft. Maar in desector van het wonen is een socialise-ring in voile gang.De nadruk die wij leggen op het indi-viduele wonen, het eengezinshuis, komtvoort uit het feit dat wij het anderenauwelijks kennen. Er zijn ook heleandere wegen, door andere mensen ge-zocht om de volkshuisvesting in eenandere richting te sturen. Nu wil ikbepaald niet beweren dat het hogewoongebouw daarvoor de oplossing is.Maar ik vind het jammer dat de heerDe Gier hier niet aanwezig kan zijn,want als u van hem zoudt horen --wat in zijn artikel slechts heel kort isweergegeven -- welke de overwegin-gen (en niet de motieven) zijn waarophet Bijlmerplan berust, dan zoudt uvernemen dat daarbij een grote rolspeelt : de poging om aan het wonenandere vormen en andere mogelijkhe-den te geven, die -- en dat zal uvreemd in de oren klinken -- meer in-dividueel bestaan bieden in een eigenbinnen ten opzichte van het buitenwaarin men verkeert. Of dat nu lukten of dat model dat daarvoor ontwik-keld is, nu wel juist is, is een zaak dienader zal moeten worden bekeken.Het derde punt is : dat wat in werke-lijkheid op het gebied van het wonengerealiseerd wordt, berust op een zeergroot aantal beslissingen, die -- nietlogisch -- op elkaar volgen. Die, alsje dat concreet onderzoekt -- zoalsgebeurd is, voor wat de overwegingenbetreft -- zeer weinig met elkaar samenblijken te hangen. Het blijkt namelijkdat die beslissingen helemaal niet opbasis van een referentiekader wordengenomen. Maar nog belangrijker i.s dathet gaat om een zeer groot aantal,,decision makers". Het is niet zo datde regering de decision maker is, nochdat de overheid in al zijn geledingen,en dat zijn er velen, de decision makeris. Er is een zeer groot aantal decisionmakers en dat maakt het probleem zocomplex. Er zijn wel zeer veel manu-pulatiemogelijkheden in de woning-bouw, er zijn allerlei instanties diekunnen ingrijpen, maar het geheel isniet onder een noemer te brengen. Endat willen wij ook niet, want het isvan belang dat de keuzevrijheid in de'decision making' bewaard zal blijven.We moeten dan ook oppassen met al-lerlei vaste modellen die wij iedereenwillen opdringen. Of dat nu het een-gezinshuis is, dan wel het hoge woon-gebouw, maakt in wezen niet het min-ste verschil.Mijn vierde en laatste opmerking be-treft het feit, dat in het nummer vanStedebouw en Volkshuisvesting, even-min als in het rapport ,,Laag of Hoogbouwen en wonen", voldoende tot uit-drukking komt, dat wat nu gereali-seerd wordt aan woongebieden, eensociaal-experimenteel karakter heeft.We hebben veel te weinig in de gatendat het experimenten zijn die wij uit-halen. En daar trekken we ook nietde consequenties uit. Die consequen-ties zouden moeten zijn : dat er kon-stant begeleidend onderzoek nodig isen dat gebeurt nergens ! Dat er na-tuurlijk voortdurend verkeerde inves-teringen plaatsvinden, zowel van ener-gie als van geld, is zeker. Daar is nietaan te ontkomen. Alleen door schadeen schande zullen we leren hoe we ditmoeten doen, hoe we het modernewonen gestalte moeten geven, terwijlde materie onder de hand voortdurendverschuift. Voorts : begeleidend onder-zoek gevolgd door : hand aan de pols.voortdurende registratie van wat ertot stand gebraoht is en marktanalysevan v/at op korte termijn nodig is. Entenslotte zal dan wat daar uitkomtteruggekoppeld moeten worden op deprogramstelling. Een programstellingdie nu nog in de regel gebeurt doormensen die wel bij de woningbouwbetrokken zijn, maar geen geobjecti-veerde kennis hebben van het wonenals een sociaal-verzelfstandigd deelvan onze maatschappij met ten deleeen consumptiekarakter en ten deleook een cultureel karakter. Want bou-wen is een kunst, maar wonen is 66keen kunst, waar we nog erg weinigvan afweten.421.Hppgiouw-Laaghm*:^Klemmende urgentieDe heer Van Tijen : Ik heb met veelbelangstelling geluisterd naar diit be-toog en het treft mij hoe nodig hat is,dat wij als architecten en aJs huisves-ters nota krijgen van wat systema-tisch-wetenschappelijk denken is. Enik ben er ook van overtuigd dat wijhet vraagstuk, waar wij midden in zit-ten, alleen maar kunnen oplossen alswe die grote achtergrond er bij krij-gen. Maar ik wil toch nog eens wijzenop 'de benauwende urgentie van 'dezaak. Wij bouwen 100.000 woningenper jaar, die staan er manstens 50 jaaren worden elk bewoond door 4 men-sen. Dat is 20 miljoen woonjaren, dieje vastlegt. Dat maakt je zo dodelijkangstig om te zeggen : laten we nueerst gaan studeren. We kunnen zon-der meer stellen dat de geluidsisolatiein onze woningen absoluut onvoldoen-de is, dat die onvoldoende geluidsiso-latie vele malen erger is in de meer-gezins'huiz;en dan in de eengezinshuizenen dat het gezinsleven en het indivi-duele leven door dat gebrek ernstig ge-stoord worden. Ik ben het er mee eensdat wij, wanneer wij de problemenwillen oplossen, het in veel groter ver-band moeten zien 'dan wij, recht-streeks betrokkenen, kunnen raken.Maar er blijft staan : die klemmendeurgentie. Het zou anders zijn als wijdie woningen maar weer kwijt kon-den raken, dan zou je kunnen zeggen,goed, wij doen zo veel dingen fout.Maar wij komen van die slechte wo-ningen, die slechte wijken en dieslechte steden niet meer af !De heer Kleijn : Ik ben er niet voorom ons in een dergelijke paniekstem-ming te begeven. Tenslotte wordt erper jaar maar iVo van onze woning-voorraad gebouwd. Dat ene procentegaliseert zich naar de mode over eenaantal jaren. Dat ene procent is --maar dat is met alles wat wij verwer-ven -- beneden de norm die wij alsideaal graag willen stellen. Dat heb jete accepteren, vooral ook omdat jedaarmee een bepaald experiment aanhet uithalen bent.Nu is het mogelijk een experiment ge-heel langs wetenschappelijke weg tebecordelen, maar daarnaast is er eenhele andere weg in de vorm van eenproces dat altijd aan de gang is, name-lijk het uit de markt werken van za-ken die eigenlijk ,,sub standard" zijn.Het gaat er op den duur onherroepe-lijk uit. Dan wordt het verbouwd enwordt er lets anders van gemaakt.Mevrouw Kuiper: Die I'/o is nietjuist, het is veel meer dan l^/o.De heer Groosman : Het is ruim SVo.De heer Kleijn : Dat is wel waar, maardat is maar zeer betrekkelijk als je hetweer op de toekomst gaat projecteren.Van de voorraad van bijvoorbeeld hetjaar 2000 zijn wij waarschijnlijk nuslechts f/o aan het bouwen.De heer Groosman : Dan is het nogaltijd lM"/o.De heer Kleijn: Goed iH"/"; maardat verandert aan het probleemslechts gradueel lets.Over vijfentwintig jaar .De heer Kleijn : Nu kom ik tot eenheel ander punt : die kwestie van deruimtelijke opvatting, die de heer Wis-sing gloedvol, en ook naar mijn ideejuist, naar voren heeft gebracht. Daarvraag je je toch bij af of de jongemensen die gaan opgroeien in een der-gelijke sfeer over een vijfentwintigtaljaren, wanneer zij tot de leidende fi-guren zullen gaan behoren, dezelfderuimtelijke opvattingen zullen hebbendie wij op dit moment en in dit op-zicht hebben. En dan zeg ik : nee, datis positief niet het geval. Op allerleiterreinen zien wij juist bij de jongegeneratie duidelijke veranderingen tenopzic'hte van onze eigen opvattingen.Overal zien wij een verandering vande mentaliteit. Over vijfentwintig jaarzal men er over die ruimtelijke ver-houdingen een volledig anider idee opna houden dan wij nu hebben. Nietdat men dan vergoelijkend zal gaanpraten over ruimtelijke situaties dieecht slecht zijn. Maar men zal ze van-uit een andere gezichts'hoek beoorde-len. De hele sfeer waarin de mensenleven verandert met de omgevingwaarin zij terecht gekomen zijn.Wij moeten ons er geen illusies overmaken, dat wij op dit moment met zijnalien in staat zijn te bepalen hoe menover vijfentwintig jaar ruimtelijk overdeze zaken zal denken. Dat is er echtniet bij. Was het maar zo, dan kon jeprecies nagaan hoe je het moest op-zetten.Dan nog het punt van het agglomera-tleverband en de gemengde bebouwing.Hoe moeten wij nu proberen in de toe-komst voor die delen in Nederlandwaar dat nog mogelijk is -- in hetwesten is dat al niet meer mogelijk --in regionaal verband tot een redelijkeoplossing zien te ko^men ? Een oplos-sing waarvan we het gevoel hebben :hier vernielen wij niet te veel mee.Dan kom je inderdaad ook naar mijnidee in stedelijke regio's terecht, waarcentraal een hoeveelheid hogere bouw(middelhoog en hoog) bij elkaar ligt en422Hoogbouw-LaagboUu)waar rondomheen een aantal nederzet-tingen komt, waar je die vormen vanhogere bouw weinig of niet in tegen-komt. Ik hoop dat wij dat nog opbepaalde punten zullen kunnen berei-ken. Heel lang zal dat helaas niet du-ren. Want er zijn in Nederland niet zoheel veel plaatsen meer waar je ditexperiment kunt uithalen. Maar hetvvordt wel de hoogste tijd dat wij inNederland nagaan hoe wij goede re-gionale woonsteden kunnen opbouwen.Dat is het probleem waarvoor wij ge-steld worden, en dan regelt die hoog-en die laagbouw zich in de loop vande tijd wel naar de mode. "Want er ishier een enorme hoeveelheid mode bijin het geding. Die mode ontwikkeltzich automatisch weer naar nieuwe in-zichten, zoals dat met de mode altijdhet geval is.De heer Schouten : Ik ondersohrijf dewoorden van de heer Kleijn dat woon-behoeften en woongedrag in de ko-mende vijfentwintig of vijftig jaar be-duidende wijzigingen zullen onder-gaan. Maar wij moeten ervoor op-passen dat wij niet gaan denken datdat eenvoudig een doortrekken is vande lijn die wij tot nu toe hebben ge-zien. Het kan best zijn dat er eensoort reactie optreedt en dat er eenheel amder gedragspatroon ontstaat.Als wij toch niet kunnen voorspellenhoe de mensen in de toekomst zullengaan wonen, zullen wij ons dan maarniet in sterke mate beperken door wo-ningen te bouwen voor de mensen vannuHet mode-aspectDe heer Van den Berg : Natuurlijklieeft het wonen modeaspecten. Het isalleen zo kwalijk dat ,,altmodische"huizen op de markt blijven bestaan enniet zo gemakkelijk een andere bestem-ming krijgen. Het is voor monumentenal moeilijk er in deze tijd een bestem-ming voor te vinden. Er zit hier eenzodanig aspect aan van een materieelvoorwerp met lange gebruiksduur, datwij in de woningbouw waarborgenmoeten incalculeren dat de woningenop veel kortcre termijn kunnen wor-den afgeschreven, afgebroken en ver-vangen door iets anders dan tot nu toegebeurt.De heer Van Tijen : Over de kwestievan die mode zou ik willen vragen :besohouwen wij het als mode dat ermannen en vrouwen zijn die een gezinstichten en baby's, kleuters, schoolkin-deren en tieners in huis hebben endaarvoor dan een woonvorm wensenwaarin zij zich onbelemmerd kunnenontploolen ?Voorts zou ik in onze discussie cen-traal willen stellen de opmerking vanmevrouw Kuiper : dat bij al onzeschaalvergroting de mensen physiek enmentaal in zeer beiangrijke mate vandezelfde schaal blijven.Dan nog een derde punt en dat be-treft het feit dat ons denken primairgericht moet zijn op de urgente pun-ten. Als wij dat niet doen dan ver-waarlozen wij onze verantwoordelijk-heden. Daarnaast moeten wij natuur-lijk trachten het vraagstuk in groterverband in de hand te krijgen en dankijk ik vol hoop vanuit onze architec-tenonmacht naar de wetenschap, in hetvertrouwen dat vandaaruit een be-iangrijke bijdrage kan worden ge-leverd.Mogelijkheden voor laterDe heer Wissing : Ik acht de opvattingvan de heer Kleijn interessant, dat wijniet weten hoe de ontwikkeling verdergaat en welke ruimtelijke opvattingende jongeren van nu straks zullen heb-ben. Maar dan moet je toch zo bou-wen, dat je voor een ander de ge-legenheid laat iets anders te maken.En nu is die hoogbouw in Delft juistzo een geval waarin je het voor ande-ren onmogelijk maakt iets anders temaken. Dat geldt niet voor elke hoog-bouw. Je moet het plaats voor plaatsbekijken. Er zijn diverse hoogbouw-complexen aan de zuidrand van deVeluwe die je, wanneer je vanuit deBetuwe daar naar toe kijkt, nauwelijksof niet hinderen. Als je in Twente tenzuiden van Enschede rijdt, zie je nau-welijks iets van de bebouwing. Hetlandschap is daar, net als op veleplaatsen in Engeland en Frankrijk, zo-danig, dat het veel meer kan hebben.Dat geeft meer mogelijkheden omhoogbouw zo te situeren, dat je hetniet voor een ander -- dus voor onsnageslacht -- onmogelijk maakt omhet later anders te doen. Dat is vangroot gewicht en in dit opzicht moe-ten wij geen fouten maken. Daarom423Hoogbouw-LaagboumRuimtelijke ordeningBevolkingsdistributie en grootte kernenvormen de zuidrand van Delft en debebouwing bij Alphen een kardinalefont ! En dan kun je zeggen : goad, ikkan dat landschappelijk compenseren,en daarover zijn ook wel studies gaan-de, maar bomen groeien langzaam. Hetzou andersom moeten gebeuren : eersthet landschap creeren en dan de hoog-bouw er achter zetten. Dan doe je hetgoed. Nu kunnen wij slechts hopen dathet met een kunstmiddel over een jaarof twintig nog wel goed is, maar datis niet de juiste methode.Dan nog lets over die geluidshinderwaarover de heer Van Tijen sprak.Dat probleem is gezien vanuit hetvraagstuk van de stedebouwkundigesituering nog veel groter. Door hetgrotere aantal woningen als gevolgvan die schaalvergroting krijgt meneen heel andere verkeersbelasting opde wegen. In een laagbouwwijk kunje het verkeer in een moderne verkave-ling zodanig regelen, dat alleen hetwoonverkeer -- het bestemmingsver-keer voor de woningen -- nabij dewoningen komt, zodat er zeer weiniggeluidshinder van het verkeer wordtondervonden. Dat is bij een hoogbouw-wijk bijna niet mogelijk, omdat de hoe-veelheid verkeer die naar die hogewooribebouwing toe moat veel te grootis. De ,,residential" of ,,distributorroads" moet ja er dus altijd doorheenleiden, maar bovendien is de feitelijkasituatie bijna altijd zo dat zelfs destedelijke hoofdwegen langs die com-plexen lopan. Het is onmogelijk omhet anders te doan, tanzij je die wegenzeer royaal in hat groan gaat leggen,wat aanmerkelijk meer ruimte kost enin Engeland inderdaad gebeurt. Maarda mogelijkheiid om een dichtere be-bouwing te krijgan is dan vollediguitgesloten. Dan wordt de keuze --en dat zou dan da goede keuze zijn --alleen nog maar bepaald door eenzekere behoefta vanuit het woon-aspect. Als je ergens vanuit het woon-aspect in een goede situatie voor hoog-bouw kunt kiezan, dan moet je datdoan. Dan is het een goeda oplossing,maar je moat niet om aen andarereden hoogbouw neerzetten.ruimtelijke ordeningBEVOLKINGSDISTRIBUTIE NAAR DE GROOTTE DER KERNENDrs. J. W. KurstjensDeze bljdrage kwam gereed, juist voordat het nummer van dit Tijdschrift uit-kwam, waarin een wetenschappelijke verantwoording wordt gegeven van be-paalde onderdelen van de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening (September 1967,nr. 9).Bepaalde passages uit de inleidende paragrafen van deze bijdrage zijn aldus nietmeer relevant. Naar het oordeel van de schrijver is echter daardoor de kernvan zijn betoog niet achterhaald.InleidingMen mag wellicht aan de Tweede No-ta Ruimtelijke Ordening niet dazelfdeeisen stellen als aan een zuiver weten-schappelijke verhandeling. Da desbe-treffende nota is allereerst een beleids-stuk, dat de strekking heaft om op hetpunt van de ruimtelijke ordening ,,eenrichtinggevende visie op de toekomst"te formuleren om da ,,beleidslijnen teconcretiseren" i), welke deze visie zul-len moeten varwerkelijken. De notadoet mededeling van de ruimtelijkestructuurschets, die de regering als uit-gangspunt voor haar beleid heeft geko-zen. Bij een meer wetenschappelijkebenadering zou verslag zijn gedaan vanda wijze waarop ,,de verschillande mo-gelijkheden onder ogen (werden) ge-zien" 2). Da nota doet dit niet; zij ismeer afgestemd op het motiveren vanda genomen beleidsbeslissing dan ophat etaleren van de eventuala alterna-') Tweede Nota Ruimtelijke Ordening; pa-gina 1.^) Tweede Nota Ruimtelijke Ordening; pa-gina 165.424Ruimtelijke ordeningBevolkingsdistributle en grootte kernentieve mogelijkheden die warden on-derzocht.Alhoewel men begrip kan hebbenvoor de procedure die aldus werd ge-volgd, geheel bevredigen doet zij nieten wel om twee redenen.Op de eerste plaats omdat de landsre-gering, aldus doende, nalaat hetgeenzij aan lagere instanties m.i. terechtvooirschrijft, t.w. een onderzoek instel-len naar de ,,mogelijke en wenselijkeontwikkeling" van het desbetreffendegebied en verantwoording afleggen(o.m.) van dit onderzoek in de toe-lichting die het ontwerp vergezelt ^).Op de tweede plaats omdat moeilijk isin te zien hoe men op deze basis ,,inbrcde kring kan meedenken over deruimtelijke toekomst van ons land". ^)Prof. Steigenga, aan wie het voor-gaand'e citaat werd ontleend, voegt iro-nlserend hieraan toe, dat men Maar-blijkelijk de brede kring heeft willenbahoeden voor het verspillen van al teveel vrije tijd (waarvan de benuttingtoch al volop in de belangstellingstaat) aan het overwegen van de mo-gelijke varianten.Edoch het middel is erger dan dekwaal. Bij gebreke aan een selectie vanverschillende mogelijkheden en oplos-singen, dat hem een kader verschaftwaarin hij zijn fantasia kan uitleven,gaat de zichzelf respecterende onder-zoeker op eigen houtje aan het expe-rimenteren, nog niet eens omdat, ofvoorzover, hij zioh in bepaalde opzich-ten niet met het voorstel kan vereni-gen, maar desnoods vanuit de positieveinstelling de lacunes in de redeneringvoor zichzelf aan te vullen.Dit was althans de opzet van de on-derhavige bijdrage. Er zijn in de notatal van onderwerpen en uitspraken dienadere theoretische adstructie en uit-dieping meer dan waard zijn. De be-langstelling zal hier voornamelijk uit-gaan naar de eerste paragraaf vanhoofdstuk IV ,,De stedelijke gebiedten",welke getiteld is ,,Enige uitgangspun-ten voor de opbouw van het woon-gebied".GedachtengangIn het desbetreffende onderdeel wordteen visie ontwikkeld op de zgn. ,,ver-stedelijking" van ons land. Hierbijwordt als uitgangspunt aanvaard datde opbouw van het woongebied afge-stemd dient te zijn op de gedifferenti-eerdte woonwensen van verschillendebevolkingsgroepen in uiteenlopendestadia van gezinssamenstelling. Beidestellingen: de verstedelijking van Ne-derland en de heterogeniteit van ,,de"woonwensen, leiden, aldus de nota,,,tot een duidelijke trek naar de ste-delijke gebieden, waar de mens eenmaximum aan keuzemogelijkhedenvindt binnen bereikbare afstand". ^)Daaraan wordt dan terstond toege-voegd dat verstedelijking geen ,,stad-wording" meer is, dat gestreefd dientte worden ,,naar een rijk geschakeerdeversoheidenheid van woonvormen enwoonkernen", waarbij zich dan dade-lijk de conclusie voegt ,,dat in dezeverscheidenheid met name de moge-lijkheid tot het wonen in een eenge-zinshuis in een rustige omgeving bin-nen het bereik van de stedelijke in-vloedssfeer" een sterke aandacht ver-dient.Er zijn echter een drietal redenen,waarom aan de aldus globaal en kwa-litatief aangeduide woonwensen nietgeheel zou worden tegemoet gekomen.De massaliteit van het verschijnsel, debouw van gemiddeld plm. 125.000 wo-ningen per jaar, zal ,,ook in kwalita-tief opzicht gevolgen hebben". ,,Hetis geenszins denkbeeldig", aldus de no-ta ^) ,,idat de omvang waarin bepaaldewoonvormen zullen worden nage-streefd (bedoeld wordt vermoedelijkhet eengezinshuis; schr.) de aantrekke-lijkheid of zelfs de zin van die woon-vormen zal ontnemen". Een anderegroep van bezwaren vormt de ondoel-matigheid van de gespreide suburbani-satie op vrij grote afstand van de ste-den. De afstand tussen wonen en wer-ken wordt te groot, het voorzienings-apparaat in de woonplaats is dikwijlsontoereikend en ook verkeerstechni-sche en economische bezwaren wor-den tegen een te sterke spreiding aan-gevoerd. Als derde bezwaar wordt dangewezen op het grote beslag aan ruim-te waartoe een sterk gespreide suburba-nisatie leidit.Dit laatste bezwaar werd kennelljkvan zodanig groot gewicht geacht, dathet wordt ge'illustreerd aan de handvan een tweetal ,,sociaal-ruimtelijkemodellen". De modellen zijn gekwan-tificeerd op basis van een tiende vande Nederlandse bevolking en een tien-de van onze landoppervlakte. Trans-poneren wij de modellen tot hun wareproporties, dan ontstaat de volgendeconstructie.Bij een bevolking van 20 miljoen om-streeks de eeuwwisseling zal de bevol-kingsdlchtheid gemiddeld ongeveer 600inwoners per km^ bedragen. Neder-land zal dan plm. 3.750 kernen tellen.,,Met de huidige tendentie als gemid-delde zijn nu twee -- niet extreme --veronderstellingen in beeld gebrachtvoor de verdfere groei van de kernen:?') Besluit op de ruimtelijke ordening, art 2en 5, art. 7 en 9.'') Verslag van de vergadering van het Insti-tuut over de Tweede Nota inzake de Ruim-telijke Ordening in Nederland.Publikatie no. 73 van het Nederlands Insti-tuut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuis-vesting, Alphen aan de Rijn 1966, pagina 33.5) t.a.p. 77e) t.a.p. pagina 78425Jiuimtelijke ordeningBevolk'mgsdistributie en grootte kernen? Inwonercal( X 1000 )1 - 2 272 - 4 154 - 8 148-15 1015-30 730 - '>5 565-125 3125-250 2250 - 500 1? ??? ?? ?? ?? %' ? ??? ? ???? ?? ?? ? *??.;?;(1...? ??? ????? ??? < ? * ? ???'?l?? ?:?"?? . ? ? ?? ?? ??? i? ???? ?0 1 0 2 0 3 0 4CAantsI kernenInwoncrca(xlOOO)1-2 1612-4 814-8 408-15 2015 - 30 10.30-65 6125-250 1Afheelding 19 uit de ,,Tweede Nota" theore-tisch model hevolkingsspreiding.lichee niiite van concencratic ten opziclnev.an de huidipe lendencieliciue mate van dcconcentratie tetl opzichtcvan de huidige lendencieeen lichte mate van concentratie eneen liohte mate van deconcentratie."In het eerste geval kan het aantal ker-nen worden gesteld op 840 met meerdan 1.000 inwoners, in het tweede ge-val op 3.210 kernen boven deze groot-te. De twee modellen worden tenslotte(op basis van een tiende) uitgebeeld inafbeelding 19 ,,Theoretisch model be-volkingsspreiding", waarna als volgtwordt geconcludeerd. ,,Vergelijkingvan beide rechthoeken doet aanstondszien, dat bij een liclite mate van con-centratie nog ruimte aanwezig is, diebij een even lichte mate van decon-centratie verdwenen is. Ondanks hetfeit, dat in beide gevallen het niet be-bouwde gebied in feite even groot is,manifesteert het zich als zodanig in delinker rechthoek (met ^TT = 84 ker-nen; schr.) en is het in de rechter (met321010aanwezig'== 321 kernen; schr.) niet meerProhleemstellingBij het overwegen van deze redeneringdringen zich bij de onderzoeker tal vanvragen op. De argumentering van denoodzaak tot een zekere concentratieis weliswaar plausibel, maar bestaattoch veeleer uit een reeks van stellin-gen dan uit (in de nota of elders) ge-leverde bewijsvoering.Spitsen wij onze vraagstelling toe ophet laatste onderdeel, de verdeling vande bevolking over kernen van uiteen-lopende grootte, dan rijzen de volgen-de vragen:1. Wat is de plaats van het theore-tisch model bevolkingsspreiding in deargumentatie? Met andere woordenwelke stelling tracht men door middelvan dit model te bewijzen of te ad-strueren?2. Wat is het karakter van het theo-retisch model bevolkingsspreiding ?Heeft men te maken met een louterfictieve constructie afgestemd op deillustratie van het al dan niet aanwezigzijn van ruimte, of is het de bedoe-llng verwachtingen uit te spreken overde kernen-grootte-structuur waarmedeNederland in de toekomst reeel te ma-ken krijgt? Met andere woorden.wordt aan 'de modellen realiteitswaar-de toegedacht of niet?3. Indien de laatste vraag in positievezin wordt beantwoord, langs welkeweg is het model tot stand gekomenen mag daaraan inderdaad enig reali-teitsgehalte worden toegekend ?Ditmaal is het niet zo, dat de vragen,gesteld zijnde, meteen beantwoordzijn. Men zal wel degelijk, afgaande opde tekst van de nota, moeten trachtendeducerend en analyserend tot een be-antwoording te komen. Daaraan zullende verdere onderdelen van deze bijdra-ge worden gewijd.De plaats van het theoretisch modelbevolkingsspreiding in de gedachten-gang van de Tweede Nota Ruimte-lijke OrdeningZien wij het goed, dan is het model(in deze beleidsnota) in de eerste plaatscrop gericht een bijdrage te leveren totde ,,ruimtevrees" van de Nederlandse~') pagina 79426Ruimtelijke ordeningBevolkingsdistribtitie en grootte kernenbevolking. Weliswaar wordt in de des-betreffende afbedding 19 een l^wanti-tatief schema gegeven van de kernen-grootte-structuur van Nederland bijeen bevolking van plm. 20 miljoenomstreeks het jaar 2000, het accentvalt toch duidelijk op liet visuele beelden op het ,,ontbreken van ruimte" inhet ,,deconcentratie"-model. Het mo-del wordt ook verder in de nota nietmeer gehanteerd. De v
Reacties