extra nummerstedebouw & volkshuisvestingbodem en planologieExtra nummerUitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en VolkshuisvestingStedebouw en Volkshuisvesting51e jaargangextra nummeraugustus 1970Redactie Drs. R. KokMr. H. J. A. SchaapDrs. N. StreeflandDrs. H. van der WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Ahonnementen Javastraat 6, 's-GravenhageTelefoon 182761Postgironummer 29080Advenenties Nohelstraat 21, HeerlenTelefoon 04^-718100Postgironummer 1372665 t.n.v. AdvertentiesStedebouw en Volkshuisvesting HeerlenIn dit nummermoge de lezer het eerste resultaat zien van een hesluit van de Redactie, om,los van de gebruikelijke reeks van tot dusver 11, thans 12, maandelijkse ajleve-nngen per ]aar, nu en dan een extra-nummer te publiceren, waarin telkens eenonderwerp zal warden behandeld. Bij de keuze van de onderwerpen die op dezewijze met meer nadruk, grondiger en veelzijdiger uiteengezet kunnen wardendan aver het algemeen in een artikel of in een paar op elkaar aansluitendeartikelen in een gewoon nummer mogelijk is, denkt de Redactie vaaral aannieuwe uitkomsten van studie en heraad op bepaalde vakgebieden, aan taetsingvan eigen werk en herorientering van groepen vaklieden die op het grote ar-beidsveld van dit Tijdschrift in telkens andere groepering samen aan het werkmoeten en die dat niet doeltreffend kunnen doen zander met elkaars visie envarderingen goed bekend te zijn.Dit eerste extra-nummer is gewijd aan het onderwerp Badem en Planologie.De Redactie is zeer erkentelijk voor de gaede samenwerking met de Stichtingvoor Bodemkartering en vooral ook met de door de Stichting voor dit daelingestelde werkgraep, waaraan dit nummer zijn ontstaan en zijn inhoud dankt.Een lang verwaarloosd aspect van de ruimtelijke ordening wordt hier duidelijken overtuigend gepresenteerd.Zoals elders is meegedeeld zal het onderwerp van dit nummer op een Studiedagop 9 September a.s. met een excursie op de valgende dag, beide uitgaande vanhet Instituut samen met de Stichting voor Bodemkartering, in bespreking komen.InhoudTen geleide ^ Dr. Ir. F. Vi/. G. PijlsSamenstelling van de Werkgroep Bodemen Planologie 4Inleiding 5 Prof. Ir. W. ]. G. van Mourik1. Aanleiding tot de studie2. Onderwerp van de studie3. Studieg'ebied Hilversum-Utrecht4. Eerdere pogingenBodem en geologie 10 Drs. L. A. M. van Eerde en Ir. G. J. W. Westerveld1. Bodem, bodemkartering en bodemkaart2. Relatie bodemkartering-geologie3. Geologische opbouw van Nederland4. Bodem van NederlandBodem en bodemgebruik . . . . 19 Prof. Ir. M. J. Vroom1. Landschap2. Planologie3. Land- en tuinbouw4. Bosbouw5. Openluchtrecreatie6. Natuurbeheer7. Verstedelijking8. VerkeerBodem en bodemgeschiktheid . . . 29 1. De bodemkaart als basis voor de beoordeling van de bodemgeschiktheid, Ir. G. J. W.Westerveld2. Bodemgeschiktheid voor de aanleg van bosbeplantingen, J. A. van den Hurk Ing. enIr. G. J. W. Westerveld3. Bodemgeschiktheid voor openluchtrecreatie, Prof. Ir. M. J. Vroom en Ir. G. J. W. Wes-terveld4. Bodemgeschiktheid voor bouwwerken, J. A. van den Hurk Ing. en Ir. A. Lekkerkerker5. Bodemgeschiktheid voor wegen, J. A. van den Hurk Ing. en Ir. A. LekkerkerkerWaardering van de studieresultaten . 56 Prof. Ir. W. J. G. van Mourik en Prof Ir. M. J. Vroom1 Overzicht2. Toepassing van de verworven kennis3. Moderne planologie4. Resultaten van de studie voor planologische modellen5. De mogelijkheden in overgangsgebieden6. Voorbeelden van nederzettingen7. Problemen8. Basisgegevens9. AanbevelingenKaarthijlagen, schaal 1 : iO 000 1. Bodemkundige-landschappenkaart van het studiegebied Hilversum-Utrecht2. Bodemkaart van het studiegebied Hilversum-Utrecht; met toelichting op de achterzijdevan de kaart3. Bodemkaart met afgeleide kaarten en interpretatiekaarten van het gedeelte Maarssen-DenDolder uit het studiegebied Hilversum-Utrecht; met toelichting en tabel op de achterzijdevan de kaartBodem en planologieEen studie over de betekenis van de bodemkartering voor niet-agrarisch bodemgebruikTen geleide Hoewel de Stichting voor Bodemkartering als onderzoeksinstelling belast is metbodemkundig onderzoek ten behoeve van het agrarisch bodemgebruik en alszodanig onder het Ministerie van Landbouw en Visserij ressorteert, heefthaar werkterrein zich vrijwel vanaf de oprichting ook buiten de Landbouwuitgestrekt. Vooral voor streek- en uitbreidingsplannen en voor de grof-kera-mische Industrie zijn vanaf 1947-1948 nogal wat bodemkarteringen uitge-voerd. In het onderzoeksprogramma nemen echter vooral de laatste jaren pro-jecten voor niet-agrarisch bodemgebruik een steeds grotere plaats in. De bodem-kundige kennis ten behoeve van de Landbouw, die in de afgelopen 25 jaar isopgedaan, vormt voor dit onderzoek buiten de Landbouw een goed uitgangs-punt. Met name de bodemkaart is een objectieve basis voor vele toepassingendie met de bodem te maken hebben. Dank zij de groeiende samenwerking metinstellingen die zich met het niet-agrarisch bodemgebruik bezighouden, wordthet in toenemende mate mogelijk resultaten van het bodemkundig onderzoekvoor de Landbouw, door middel van aanvullende research, toepasbaar te makenvoor niet-agrarische bodemgebruiksvormen. Door dit team-work is er al veelkennis en ervaring beschikbaar.De studie Bodem en Planologie is tot stand gekomen door de samenwerking vanonderzoekers uit diverse vakgebieden, hetgeen moge blijken uit de samenstel-ling van de werkgroep die de studie heeft uitgevoerd. De werkgroep had totdoel na te gaan in hoeverre resultaten van bodemkundig en geologisch veld-onderzoek waardevol kunnen zijn voor bouwen, planten en aanleggen in eenoverwegend urbane samenleving.De resultaten van de studie, die dank zij de medewerking van het NederlandsInstituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting in dit extra-nummervan ,,Stedebouw en Volkshuisvesting" konden worden gepubliceerd, zullenop 9 en 10 September tijdens een studiebijeenkomst en een excursie nader wordentoegelicht. De Stichting voor Bodemkartering hoopt hiermee te bereiken, datde bodemkaart en de daarvan afgeleide kaarten meer bekendheid krijgen alsinformatiebron voor een verantwoord bodemgebruik. Bovendien kan deze publi-katie een basis vormen voor een verdere gedachtenwisseling tussen bodemkun-digen en deskundigen die zich met de inrichting van Nederland bezighouden.Uit deze gedachtenwisseling kan de Stichting voor Bodemkartering mede aan-wijzingen putten voor de richting waarin zij haar onderzoeksprogramma tenbehoeve van planologie, stedebouw, landschapsbouw, civieltechniek, enz. zalontwikkelen.Na een kwarteeuw bodemkartering in Nederland past niet alleen een terugblikop het verrichte werk, maar meer nog een bezinning op het werk in de naastetoekomst. Deze studie is een poging pm beide doeleinden ten aanzien van hetniet-agrarisch bodemgebruik te verwezenlijken. Zij wil tevens een bijdrage leve-ren aan de oplossing van de problemen die de inrichting van een leefbaar mi-lieu in Nederland met zich brengt.Gaarne spreek ik mijn dank en erkentelijkheid uit tegenover de leden van dewerkgroep Bodem en Planologie, die met enthousiasme deze studie hebbenaangevat en in betrekkelijk korte tijd tot dit resultaat zijn gekomen.Dr.Ir.F.W.G.Pijls,Directeur van de Stichting voor Bodemkartering, Wageningen.Samenstelling van de Werkgroep Op verzoek van de Directie van de Stichting voor Bodemkartering te Wage-Bodem en Planologie ningen vi^erd in het voorjaar van 1969 de Werkgroep Bodem en Planologiesamengesteld. Hierin hadden de volgende personen zitting:Drs. L. A. JE. van Eerde, geoloog, Rijks Geologische Dienst, HaarlemJ. A. van den Hurk Ing., bodemkundige, Stichting voor Bodemkartering, Wa-geningenIr. A. Lekkerkerker, civiel-ingenieur, Ingenleurs- en Architecten-Bureau VanHasselt en De Koning, NijmegenProf. Ir. W. J. G. van Mourik (voorzitter), architect-planoloog, Landbouw-hogeschool, WageningenIr. R. P. H. P. van der Schans, bodemkundige, adjunct-directeur van de Stich-ting voor Bodemkartering, WageningenProf. Ir. M. J. Vroom, landschapsarchitect, Landbouwhogeschool, WageningenIr. G. J. W. Westerveld (secretaris), bodemkundige, Stichting voor Bodemkar-tering, Wageningen.Incidenteel zijn bij de studie betrokken geweest:Ir. J. M. G. Damme, wetenschappelijk ambtenaar, Rijksdienst voor Drink-watervoorziening, 's-GravenhageIr. J. L. de Kievit, civiel-ingenieur, Grontmij N.V., De BiltIr. G. Krabbe (f 1969), hoofdinspecteur Grontmij N.V., De BiltT. Witlage, student bodemkunde, Landbouwhogeschool, Wageningen.De bodemkaart van het studiegebied Hilversum-Utrecht (bijlage 2) werd op-genomen en van een toelichting voorzien door D. A. Eilander, J. L. Klooster-huis Ing., Ir. G. G. L. Steur en Ir. J. C. Pape, alien medewerkers van de Stich-ting voor Bodemkartering.InleidingProf. Ir. W. ]. G. van MourikAanleiding tot de studieDe Stichting voor Bodemkartering teWageningen werd in augustus 1945opgericht door de toenmalige Minis-ter van Landbouw, Visserij en Voed-selvoorziening. Dit geschiedde omdatbehoefte bestond aan bundeling vande activiteiten die in de oorlogsjarenin de Bommelerwaard waren aange-vat door een aantal studenten van deLandbouwhogeschool onder leidingvan Prof. Dr. Ir. C. H. Edelman (f),hoogleraar in de bodemkunde.De doelstelling bij deze activiteiten,die het onderzoeken, in kaart brengenen op hun geschiktheid beoordelenvan de Nederlandse gronden inhiel-den, was zuiver landbouwkundig inruime zin, d.w.z. akker- en weide-bouw, tuinbouw en bosbouw omvat-tend. Herstelwerkzaamheden in degei'nundeerde gebieden van Zeelandzouden ervan profiteren, evenals devestiging van tuinbouw.Prof. Edelman was de eerste directeurvan de Stichting voor Bodemkarte-ring. Hij was de ziel van een groepjonge mensen, die zich met grote toe-wijding van hun taak hebben gekwe-ten. Onder zijn leiding kwam de bo-demkartering tot stand en werdeneen aantal hoofdprincipes geformu-leerd, die nu nog gelden (Edelman,1945). De voornaamste hiervan zijn:-- de bodemkartering gaat uit van deblijvende kenmerken van de bodem;snel veranderende, zoals de chemischevruchtbaarheid, worden buiten be-schouwing gelaten;-- een bodemtype, de kleinste bo-demeenheid op een bodemkaart, om-vat een verzameling bodemprofielen,die tot een bepaalde diepte (meestal? 1,20 m) een aantal kenmerken ge-meen hebben. Als indelingscriteriaworden zoveel mogelijk die kenmer-ken genomen, welke voor de planten-groei van belang zijn;-- bij de vaststelling der grenzen tus-7. Prof. Edelman (rechts) en Dr. Ch. E.Kellogg, destijds directeur van de U.S. SoilConservation Service bij de eerste modernebodemkaart van Nederland, schaal 1 : 400 000.De foto werd genomen in 1957inleidingsen de bodemtypen speelt het zicht-bare landschap een rol.Op basis van deze hoofdprincipeswerd geleidelijk de bodem van Ne-derland in kaart gebracht. De namender bodemtypen vertoonden verbandmet visuele kenmerken van het be-treffende landschap en met in destreek gangbare benamingen, zoalsmadeveengronden en essen. De onder-scheiden bodemkundige landschappenen de gehanteerde indehngscriteria enbenamingen waren echter niet exactomschreven en maakten een lande-lijke vergeHjking der gronden moei-lijk. Derhalve is omstreeks 1965 over-gegaan op een landeHjke indeling enbenaming der gronden. Dit landelijkesysteem is gebaseerd op de in het bo-demprofiel en het terrein duidelijkzichtbare en meetbare blijvende ken-merken (De Bakker en Schelhng,1966). De differentierende kenmerkenvan de bodemeenheden zijn nu exactvastgelegd, terwijl de bodemgrenzennauw gerelateerd blijven aan hetzichtbare landschap. Het landelijk in-delingssysteem betekent een aanzien-lijke vooruitgang, met name voor hetvergelijken van gronden uit verschil-lende gebieden en voor hun geschikt-heidsbeoordeling.Nu, na 25 jaar Stichting voor Bodem-kartering, is er een eerbiedwaardig,deels afgerond stuk werk gereed(Steur et al., 1967), waarbij de na-druk valt op de samenstelling en deinterpretatie van bodemkaarten. Ditmateriaal bestaat o.m. uit de volgen-de onderdelen:de bodemkaarten van Nederland,schaal 1 : 400.000 en 1 : 600.000;de bodemkaart van Nederland, schaal1 : 200.000;de zeer globale bodemgeschiktheids-kaart voor akker- en weidebouw vanNederland, schaal 1 : 200.000;nieuwe indeling en benaming der Ne-derlandse gronden met globale bo-demkaart van Nederland, schaal,1 : 1 000.000;de bodemkaart van Nederland, schaal1 : 50.000, waarvan thans 17 bladenverschenen zijn; de opname is voor40''/o gereed;de geomorfologische kaart van Ne-derland, schaal 1 : 50.000, die in sa-menwerking met de Rijks Geologi-sche Dienst te Haarlem wordt sa-mengesteld en waarvan 15 bladen ver-schenen zijn; de opname is voor 20''/ogereed;een aantal gedetailleerde regionale bo-demkundige studies van de verschil-lende bodemkundige landschappen;een groot aantal, meestal gedetailleer-de bodem- en bodemgeschiktheids-kaarten met bijbehorende rapportenen adviezen, samengesteld ten behoevevan opdrachtgevers, zowel op agra-risch als op niet-agrarisch terrein.Edelman besefte dat de studie van debodem niet alleen voor de landbouwvan grote betekenis zou zijn, maarevenzeer voor andere vormen van bo-demgebruik. In de loop der jaren zijndan ook vele gebieden in kaart ge-bracht en zijn waardevolle adviezengegeven met betrekking tot recrea-tieve bestemmingen, sportvelden,woongebieden, bouwterreinen, trace-ring van wegen en leidingen en win-ning van zand, klei en leem. Ook zijntalrijke onderzoekingen verricht tenbehoeve van ruilverkavelingswerken,tuinbouwvestiging, grondverbeteringenz. De meeste van deze adviezen zijnuitgebracht in opdracht van derden.Een volgende stap is de gegevens vande bodemkartering in een ruimer ka-der te plaatsen en te onderzoeken inhoeverre de bodemkaart en de daar-uit af te leiden bodemgeschiktheids-kaarten dienstbaar kunnen zijn aan deplanologie, waarvoor ze nu reeds in-cidenteel gebruikt worden.Onderwerp van de studieWanneer men uit de beschikbare ge-gevens omtrent de bodem en het wa-ter de graad van geschiktheid voorbepaalde planologische bestemmingenwil afleiden, moeten de door die be-stemmingen gestelde eisen vooraf wor-den geformuleerd. Daarnaast moetworden aangegeven welke invloedminder geschikte gronden op dezebestemmingen kunnen hebben, bijv.in economische zin. In deze studiezijn deze bewerkingen voor een aan-tal bestemmingen uitgevoerd, toege-licht en op kaart gebracht.De bodemkaart kan in de planologiedienen als basis voor de beoordelingvan de bodemgeschiktheid voor be-paalde bestemmingen, maar daarnaastkan zij ook een aantal elementen leve-ren die van belang zijn voor de ka-rakterisering van het landschap. Er iseen dergelijke bodemkundige land-schappenkaart in het kader van dezestudie samengesteld (bijlage 1), maardeze dient nog als discussiestuk teworden beschouwd.De bodemkaart kan ook informatiegeven over het voorkomen vanbouw-, aanleg-, en ophoogmateriaal,voornamelijk zand en grind, maarbijv. ook van klei en leem voor dekeramische Industrie. Het winnen vandeze grondstoffen gaat dikwijls sa-men met een omvorming van hetlandschap, waardoor werk met werkwordt gemaakt. In de publikatie "Wo-nen en Bos" (Grontmij, 1967) zijn dehierbij optredende problemen vanspeciewinning, water en waterbeheer-sing, reeds aan de orde gesteld.Het gebruik van bodemkaarten voorplanologische doeleinden zal op eenaantal onderdelen een aanvulling be-tekenen op de methodiek die tot nutoe is gevolgd bij de samenstelling vaninleidingdeze kaarten:aangezien veel van de tot nu toe ver-vaardigde bodemkaarten berusten opboringen tot een diepte van 1,20 m,maar ten behoeve van de planologieook diepere lagen in het bodemonder-zoek dienen te worden betrokken, zalsamenwerking van bodemkundigenmet o.a. geologen en grondmechanicinoodzakelijk zijn,in verband met voorgenomen ingre-pen dient de (grond)waterhuishoudinggrondig te worden bestudeerd, metname ten aanzien van te verwachtenkwel, wegzijging, klink e.d.de beschikbaar gestelde bodemkundi-ge gegevens dienen vergezeld te gaanvan aanwijzingen voor niet-bodem-kundigen, waardoor zij weten in hoe-verre hun beslissingen op deze gege-vens kunnen worden gebaseerd. Im-mers, juist de niet-bodemkundigenzullen de potentiele gebruikers vandeze gegevens zijn.Gezien haar samenstelling heeft dewerkgroep zich evenwel, wat het in-ventariserend gedeelte van de studiebetreft, beperkt tot de gegevens die dehuidige bodemkartering en de geolo-gische kartering opleveren. Aan degrondwaterhuishouding in de dieperelagen kon slechts in geringe mateaandacht worden besteed.Studiegebied Hilversum-UtrechtKaartfragment Maarssen - Den Dolder ( bijiage 3)2. Situatiekaart van het studiegebiedHilversum-UtrechtDe studie is in de eerste plaats alge-meen geweest en heeft dus niet be-trekking op een bepaald gedeelte vanNederland. Wei zijn de resultaten toe-gepast op een beperkt gebied. Dezebeperking heeft vele voordelen dieweinig toelichting behoeven. 2o kanter illustratie concreet kaartmateriaalworden getoond en kan de praktischetoepasbaarheid van de gevonden re-sultaten beter worden gecontroleerd.inleidingHet studiegebled omvat de omgevingvan de steden Utrecht en Hilversumalsmede delen van de Utrechtse heu-velrug. De begrenzing van het studie-gebled kan aldus worden omschreven:nocsrd- en zuidgrens vallen samen metkaartbladen 31 Oost en 32 West vande topografische kaart, schaal 1 :50.000;westgrens Is het Amsterdam-Rijnka-naal;oostgrens Is een noord-zuldlijn op?12 km van de Domtoren.De belangrljkste motleven voor dekeuze van dit gebled zljn:1. het Is een bijzonder veelzljdig eninteressant gebled, zowel wat bodem,hydj-ologie en landschap, als wat bo-demgebrulk betreft;2. het is bijzonder gemakkelijk te be-reiken;3. van dit gebled waren veel gege-vens beschikbaar en voor zover ditniet het geval was, waren ze gemak-kehjk aan te vullen.Van dit studiegebled zijn een bodem-kundlge-landschappenkaart en eenbodemkaart belde op schaal 1 : 50.000samengesteld, die als bijlagen 1 en 2In deze publlkatie zijn opgenomen.In de legenda en de beschrljving vande bodemkaart zijn voor de bodem-eenheden de oudere, landschappelijk-bodemkundige namen gebruikt. Deinhoud der kaartvlakken Is echter welduidelijk omschreven. Deze ouderenamen zijn toegepast omdat zij dege-nen die geen specialist op het terreinvan de bodemkunde zijn, beter aan-spreken, met name degenen die nogniet dikwijls met bodemkaarten zijngeconfronteerd. Bovendlen zou hetgebrulk van de moderne landelljke in-deling en benaming een ultvoerigetoellchting op dit systeem noodzake-lijk maken. Dit past niet in het kadervan deze artikelen. "Wel zijn in de le-genda de nieuwe namen van de be-langrljkste bodemeenheden vermeld.De mogelljkheden en beperkingenvoor een aantal bestemmingen zijngeillustreerd op enkele uit de bodem-kaart afgeleide bodemgeschiktheids-kaarten, die het gedeelte Maarssen-Den Dolder van het studiegebled om-vatten (bijlage 3). Nadere gegevensover het gebled Hilversum-Utrecht enover de afgeleide kaarten zijn op deachterzijde van de bijlagen 2 en 3vermeld.Eerdere pogingenVoor zover bekend, werd in ons landeen studie over het gebrulk van debodemkaart In de planologle niet eer-der ondernomen door een commissievan een soortgelljke samenstelllng.Wel zijn meer individuele studies ver-rlcht om verband te leggen tussen bo-demkartering en potentie van de bo-dem voor bepaalde bestemmingen, zo-wel agrarlsche als niet-agrarlsche. Indit verband werd Edelman reeds ge-noemd, die een aantal methoden heeftultgewerkt, zoals de "beste-bedrijven-methode", als aanwijzing voor de bo-demgeschlktheld voor tuinbouw enakker- en weldebouw; de mate vangeschlktheld zou later worden vast-gelegd In kaarten.Van Amerlkaanse zijde heeft ooksteeds belangstelling voor deze aspec-ten van de bodemkartering bestaan.Wellicht doordat er in Amerika eenminder duldelljke schelding is tussende opleidlngen tot landschapsarchitecten architect-stedebouwkundige, zijndaar diverse methoden ultgewerkt omverband te leggen tussen bodemken-merken en bouwen en aanleggen.HIerbij komt naast een Indeling in ge-schlktheldsgraden van de bodem ookeen Indeling In graden van belemme-ring of beperking voor. In dit ver-band dient onder meer te worden ver-wezen naar de publikaties vanMcHarg (1969), Lewis (1969) en Bar-telHetal. (1966).In het jongste verleden zijn enkelescripties door Wagenlngse ingenieurs-studenten in de bodemkunde aan ditonderwerp gewijd. De twee studiesdie in dit verband worden vermeld,hebben betrekking op een gedeeltevan de Provlncle Noord-Brabant. Inde studie van Oomen (1968) over hetland van Ravenstein zijn veel begrip-pen geordend en goede conclusles ge-formuleerd. De samenhang met de geo-logische ondergrond en de hydrolo-glsche toestand is, zeer begrijpelijkoverigens, niet ultgewerkt. Voortbou-wend op dit resultaat heeft Geenen(1970) het gebled rondom Oss bestu-deerd -- daarbij de geologlsche en hy-drologische toestand wel In zijn studiebetrekkend -- en enige duldelljke ad-vlezen geformuleerd.Op een aantal punten is voor de stu-die Bodem en Planologle geprofiteerdvan het werk van Oomen en Geenen.De resultaten van deze studie zijn Inde volgende artikelen weergegeven enzullen In September 1970 tijdens eentweetal studiedageh met excursle na-der worden toegelicht. Zij zijn voor-al bedoeld om in de planologischewereld aandacht te vragen voor debodemkaart als een der informatie- enInterpretatiebronnen voor een ver-antwoord bodemgebruik.Geraadpleegde literatuurBakker, H. de, en Schelling, J., 1966. Systeemvan bodemclassificatie voor Nederland. Dehogere niveaus. Wageningen. 217 pp.Bartelli, L. J. at al. 1966. Soil surveys andland use planning. Soil Science Society ofAmerica and American Society of Agronomy,Madison. 196 pp.inleidingEdelman, C. H., 1945. De bodemkarteringin Nederland. In: Publicatie no. 3, CentraleWerkcommissie voor Wageningse Studenten,1946.Edelman, C. H., 1949. Contraste entre lasedimentation fluviatile pleistocene et holo-cene dans les Pays-Bas. Overdruk uit: Comp-tes Rendus du Congres "Sedimentation etQuaternaire": 225-227.Edelman, C. H., 1963. Application of soilsurvey in land development in Europe, withspecial reference to experiences in the Ne-therlands. International Institute for LandReclamation and Improvement, Wageningen.43 pp.Edelman, C. H., en Edelman-Vlam, A. W.,1960. Een bijdrage tot de ontglnningsgeschie-denis van de zuidelijke zandgronden. In: Kul-tuur-histori'sche Verkenningen in de Kempen.I: 29-50.Geenen, H. G. M., 1970. De aanleg van eenstadswijk op een nat oud bouwlandcomplex;een bodemkundig-hydrologische studie voorhet plan Ussen te Oss. Scriptie Landbouw-hogeschool. Uitg. Regionale OpbouwstichtingMaaslands Welvaren, Oss. 77 pp.Grontmij, 1967. Wonen en Bos. lUusie ofperspectief. De Bilt, 54 pp.Lewis, Ph. H., 1969. Regional design forhuman impact; upper Mississippi-river, com-prehensive basis study. Thomas PublishingComp. Kaukauna Wiscounsin.McHarg, I. L., 1969. Design with natureThe Natural History Press Garden City,New York. 197 pp.Oomen, A. P. J. M., 1968. De bodemgeschikt-heid voor enige planologische bestemmingenin de gemeente Ravenstein. Scriptie Land-bouwhogeschool. Uitg. Regionale Opbouw-stichting Maaslands Welvaren, Oss. 94 pp.Steur, G. G. L., et al., 1967. Bodemkartering.Een kwarteeuw onderzoek met boor en spade.Stichting voor Bodemkartering, Wageningen.84 pp.Bodem en geologieDrs. L. A. /E. van Eerde en Ir. G. J. W. WesterveldBodem, bodemkartering en bodem-kaartMet de bodem wordt de 1-1,5 m dik-ke schil van het aardoppervlak aan-geduid, waarop en waarin zich delevensprocessen grotendeels afspelen.De bodem van Nederland bestaat inhoofdzaak uit vier grondsoorten: klei,leem, zand en veen. Deze zijn in ver-schillende geologische perioden aan-gevoerd (gesedimenteerd) door ijs, wa-ter en wind, of ter plaatse gevormd,zoals het veen. Door het afzettings-mechanisme is dikwijls in de sedimen-ten een gelaagdheid ontstaan, of lig-gen ze over elkaar heen, zoals klei opzand.Naast deze afzettingsgelaagdheid(geogenese) treden in de bovenste me-ters van de bodem veranderingen oponder invloed van klimaat, water-huishouding, flora en fauna, die alsbodemvorming (pedogenese) wordenaangeduid. Als gevolg van o.a. op-hoping, verplaatsing en uitspoelingvan zowel minerale als organischestoffen ontstaat in de bodem een ge-laagdheid die oorspronkelijk ontbrak.De mens is, sedert zijn verschijning,door ophoging, afgraving, ontginningenz. eveneens sterk bodemvormendbezig.Het resultaat van sedimentatie en bo-demvorming is in de bodem waar-neembaar aan een meer of minderduidelijke opeenvolging van horizon-tale lagen, de bodemhorizonten, diein samenstelling en eigenschappen ver-schillen en die samen het bodempro-fiel vormen.De opbouw van het profiel kan vanplaats tot plaats verschillen. Ditmaakt het mogelijk bodems met na-genoeg gelijke profielkenmerken alseen {hoAeva)eenheid te beschouwen enze te onderscheiden van bodems metdaarvan afwijkende kenmerken. Dui-delijke verschillen in grondwaterstandspelen hierbij tevens een rol.Bij een bodemkartering worden deprofielkenmerken door middel vanboringen vastgesteld; de horizontaleverbreiding der bodemeenheden wordtmet behulp van landschapskenmerkenbepaald. Er bestaat namelijk eennauwe correlatie tussen afzettingspa-troon, landschap en bodemopbouw.Voor een geoefend oog geeft het land-schap duidelijke aanwijzingen omtrentaard en verbreiding der bodemeenhe-den (fig. 1).Op een bodemkaart, die een topo-grafische ondergrond heeft, wordende bodemeenheden door middel vanbodemgrenzen afgegrensd en metkleuren en codes weergegeven. Hunbelangrijkste profielkenmerken, toteen diepte van meestal 1,20 m, wor-den in de kaartlegenda en in de kaart-beschrijving vermeld, zoals op bijla-ge 2.De kaartschaal van de bodemkaartbepaalt de gedetailleerdheid waarmeebodemverschillen betrouwbaar kun-1. Verschillen in bodemopbouw hangen vaaksamen met verschillen in landschap. De driebodemprofielen zijn ajkomstig uit het ver-ticaal gearceerde deel van de bovenste jiguur10hodem en geologicnen worden weergegeven. Naarmatede kaartschaal en het aantal uitge-voerde boringen groter zijn, geeft debodemkaart meer details. Bodemkaar-ten met kaartschaal 1 : 25.000 of klei-ner (1 : 25.000 is kleiner dan 1 :10.000) geven in Nederlandse omstan-digheden geen informatie omtrentbodemverschillen binnen een perceel,omdat bodemeenheden die een kleineoppervlakte beslaan, op dergelijkekaarten niet meer of niet voldoendenauwkeurig aangegeven kunnen wor-den.Relatie bodemkartering - geologieDoor Van Mourik is in par. 2 reedsaangegeven, dat het vervaardigen vanbodemkaarten ten behoeve van deplanologie o.a. tot een nauwe samen-werking tussen geologen en bodem-kundigen zal moeten leiden. De hui-dige bodemkaarten, die nog overwe-gend voor het agrarische bodemge-bruik zijn vervaardigd, geven de bo-demopbouw tot 1,20 m beneden maai-veld weer. De bodemkaart zal echterten behoeve van niet-agrarische toe-passingen letterlijk moeten wordenverdiept, hetgeen in verschillende ge-bieden reeds is gebeurd.Bodemgesteldheid en geologische op-bouw van elk gebied zijn steeds zeernauw verweven. Een bodemkundigekan zonder geologische kennis zijntaak niet naar behoren vervullen.Ter illustratie van deze relatie wor-den in de volgende paragrafen over-zichten gegeven van de geologische enbodemkundige opbouw van Neder-land.Geologische opbouw van NederlandNederland is van oudsher een da-lingsgebied. Het gevolg hiervan isgeweest dat zeeen en rivieren gedu-rende lange tijd dit steeds dalendegebied opvulden met zand en/of klei.De dikte van deze losse sedimentenkan in westelijk Nederland 600 m enmeer bedragen voor het vaste ge-steente wordt bereikt. Naar het oos-ten toe wordt de dikte geleidelijkminder, zodat in oostelijk Nederlandde dikte van de afdekkende losse se-dimenten soms minder dan 10 m be-draagt. In Zuid-Limburg reiken deoude vaste gesteenten tot aan of totdichtbij het oppervlak. Afgezien vandeze uitzonderingen werken, wonenen recreeren wij dus in een dalendekom, gevuld met zand en klei.Nadat zeer lange tijd zeesedimentenin deze kom tot afzetting waren ge-komen, waarbij vanaf de rand de ri-vierafzettingen geleidelijk toenamen,volgde een periode van opeenvolgen-de koude en warmere fasen. Dit tijd-vak heet nu Pleistoceen (vroeger Di-luvium). Gedurende de koude fasen(glacialen) breidde de ijskap zich van-uit het noorden uit, hetgeen zeespie-geldaling tot gevolg had, terwijl tij-dens de warmere interglacialen hogezeestanden optraden. Niet alleen haddeze wisselende zeestand invloed opde aard der afgezette sedimenten. Ookhet ijs dat ten minste eenmaal eengedeelte van ons land bedekte, be-invloedde de ondergrond door stu-wing, modelleerde het toenmaligerelief en liet sedimenten als keileemachter. Verder had tijdens de koudefasen, waarin het ijs ons land niet be-reikte, door de schaarse vegetatie dewind vrij spel, waardoor grote opper-vlakten door eolische afzettingen(dekzanden en loss) werden bedekt.Vooral de laatste twee koude fasenzijn van grote invloed geweest op desamenstelling en het relief van dehuidige bodem en de diepere lagen.In de op een na laatste fase, de Saale-of Riss-glaciatie, bedekte het ijs denoordelijke helft van ons land tot on-geveer de lijn Nijmegen-Haarlem. Dedrie noordelijke provincies hadden bijde nadering van het ijs een vrij vlakrelief. Het ijs ondervond hier dan ookrelatief weinig weerstand, waardoorde grondmorene zonder grote hoog-teverschillen werd afgezet.In Overijssel, Gelderland en Utrechtstroomde het ijs eerst de bestaanderivierdalen van het Rijn-Maassysteembinnen. Toen deze dalen waren opge-vuld en de toevoer aanhield, druktehet ijs de dalranden tot stuwwallenomhoog (fig. 2). De door de lateraledruk van het ijs gevormde stuwwal-len zijn samengesteld uit over elkaargeschoven scheef liggende ,,schubben",die de verschillende oorspronkelijkhorizontaal op elkaar liggende afzet-tingen bevatten (fig. 3). De oorspron-kelijke dalbodems zijn plaatselijk diepgeerodeerd. Daardoor is te verklarendat het grondmorene-materiaal in hethuidige IJsseldal op ruim 100 m --NAP voorkomt, terwijl dit op deVeluwe tot ca 100 m + NAP wordtaangetroffen.Op de Saale-tijd volgde de warmereinterglaciale Eemtijd. Door het af-smelten van het ijs steeg de zeespie-gel en werden een groot deel vanNoord-Holland, het voormalige Zui-derzeegebied en delen van Frieslanden Groningen overstroomd. De hierafgezette sedimenten bestaan veelaluit matig grove tot grove zanden, af-komstig uit afzettingen van de voor-afgaande ijstijd. Aan de rand van dezeEemzee kwam ook klei tot afzetting.In de gebieden waar de Eemzee nietof nog niet was binnengedrongen, be-staan de afzettingen van deze periodevoornamelijk uit klei en veen.De laatste koude fase, die Weichselienof Wiirm wordt genoemd, werd weer11bodem en geologiegekenmerkt door een lage zeestand eneen spaarzame vegetatie. Door kli-maatschommellngen kwamen in mil-dere perioden dennen- en berkenbos-sen voor. Het ijs bereikte ons landniet, maar de wind had vooral in hetbegin vat op de zandige kale vlaktenmet een ijle, toendra-achtige vegeta-tie. Grote delen werden met fijnerezanden, de zgn. dekzanden, bedekt.Op grotere afstand van het doorlandijs bedekte gebied kwamen defijnste korrels tot afzetting. Deze alsloss bekende afzetting wordt in Zuid-Limburg aan de oppervlakte gevon-den, terwijl zij in Noord-Brabant,Noord-Limburg en de Gelderse Val-lei plaatselijk op geringe diepte voor-komt.De tijd na het Pleistoceen tot hedenheet het Holoceen (vroeger Alluvium).Het sterk verbeterde klimaat had eenaanvankelijk snelle stijging van dezeespiegel tot gevolg, die later af-zwakte. Meer dan de helft van deoppervlakte van ons land is in hetHoloceen gevormd. De laagste delenvan het pleistocene landschap in hetnoorden en westen werden over-stroomd. Nederland is daardoor intwee delen te scheiden: het oosten enzuiden, waar de pleistocene afzettin-gen aan de oppervlakte liggen, en hetnoorden en westen, waar dit Pleisto-ceen bedekt wordt door jongereholocene afzettingen.Met de snel stijgende zeespiegel hielddie van het grondwater gelijke tred.Hierdoor en door het betere klimaat , . , , ,,. , ,,^uiiglaciale afzettingen aan of nabi)werden de voorwaarden geschapen j ::;1 de oppervlakte, plaatselijk bedektvoor een vegetatiekleed, dat op zijn door dekzandbeurt tot veenvorming aanleiding gaf.In de holocene gebieden wordt danook veelal een vecnlaag op de pleisto-cene afzettingen gevonden, aange-duid als Veen-op-grotere-diepte, Ba-sisveen of Holland-veen. In West-Ne-derland ligt deze veenlaag op 25-18 m=E=> (7Legenda'duinenholocene mariene afzettingendoor ijs gestuwde en geerodeerde'] pleistocene afzettingen, plaatselijkbedekt door dekzandholocene rivierafzettingendekzandloss2. Globule geologische overzichtskaart12bodem en geologicdiepte; in oostelijke rlchting volgtzij de stijgende bovenzijde van depleistocene sedimenten. Door devoortgaande zeespiegelrijzing warddit veenpalil^et later vanuit het wes-ten door de zee overstroomd. Be-staande riviermonden, zoals die vande Oude Rijn, gingen als getijdegeu-len fungeren en er ontstond een wad-dengebied. Hierin werden eerst fijne,met dunne kleibandjes doorspektezanden afgezet, die naar boven inkleiige afzettingen overgaan. Dezekleiige afzettingen konden ontstaandoordat strandwallen de open zeescheidden van de erachter liggendelagune. Op deze strandwallen vorm-den zich de duinen. Het oostelijkegedeelte van het holocene gebied,waar het Basisveen hoger ligt, werdniet meer door het zeewater over-spoeld. Daar ging de veenvormingdoor totdat hieraan bij het in cultuurnemen van deze gebieden een eindekwam.Aan de hand van dit globale histo-risch-geologische overzicht kan menin grove lijnen Nederland als volgtindelen: In het westen zijn de holo-cene afzettingen dik. Langs de kustbevindt zich een op strandwallen lig-gende duinstrook met een dik zand-pakket. Ten oosten daarvan liggenfijnzandige kleiige afzettingen die vande zandige pleistocene (= diluviale)ondergrond worden gescheiden doorhet Basisveen. Verder oostelijk volgteen dik veenpakket, dat uitwigt tegende aan de oppervlakte liggende pleis-tocene afzettingen.In het noorden ligt achter een gordelvan holocene sedimenten een tamelijkvlak gebied met pleistocene afzettin-gen aan of nabij de oppervlakte, be-staande uit morene-materiaal (kei-leem), dat grotendeels overdekt is metdekzand.In midden- en oostelijk Nederland be-3. De gevolgen van de stuwende werking vanhet ijs zijn in deze zandgroeve duidelijk zicht-haar aan de schuin gerichte lagen, die aj-wisselend uit zand, leem en grind bestaan13hodem en geologicvindt zich een door het Ijs gestuwd engeerodeerd pleistoceen landschap,waar vele oorspronkelijk horizontaalafgezette lagen nu verkneed en scheefin de ondergrond en tot dicht aan deoppervlakte voorkomen. Ook in ditgebied is veel dekzand afgezet.Het rivierengebied wordt gevormddoor het Rijn-Maassysteem, dat naarhet westen werd afgebogen door hetuit het noorden opdringende landijs.Het gebied van Noord-Brabant enNoord-Limburg werd niet door het ijsbereikt en is bedekt door fijnzandige,lemige dekzanden rustend op oudereafzettingen van leem en grof zand, allevan pleistocene ouderdom.Tenslotte is er het ZuidHmburgse land-schap dat sterk bei'nvloed is door tek-tonische bewegingen en fluviatiele ver-schijnselen. Zeer oude gesteenten, zoalskrijt, komen daar aan de oppervlakte.Dit gebied is grotendeels overstovendoor loss.Bodem van Nederland.""^^^ "?;ytV,|;'^'^iK^^-.^". .#*?' Jfef'' '%M.if:^t4. Twee duidelijk verschillende bodemprofie-len. In het jonge profiel A heeft nog vrijwelgeen bodemvorming plaatsgevonden; in hetveel oudere profiel B zijn duidelijke horizon-ten ontstaan (afmetingen van de projielenea. 100x50 cm)Het noorden, westen en een deel vanhet midden van ons land wordt inge-nomen door een laag gelegen, overwe-gend vlak polderlandschap. De bodembestaat uit holocene zee- en rivieraf-zettingen en uit veen. Het oostelijkeen zuidelijke deel ligt hoger en heefteen meer golvend relief. Hier treftmen overwegend pleistocene zand-,leem- en lossgronden aan, terwijl er inde beekdalen en op waterscheidingenook veen voorkomt.De zee- en rivierkleigronden zijn bo-demkundig gezien ,,jong", hetgeenblijkt uit de afwezigheid van duide-lijke bodemhorizonten. Dit in tegen-stelling tot de ,,oudere" zand-, leem-en lossgronden, waarin de bodemvor-ming wel duidelijke sporen heeft ach-tergelaten in een opeenvolging vanOude bouwlandgrondenOude cultuurgrondenVerveende grondenBoUengrondenTabel 1. Oppervlakte en percentagesvan de belangrijkste ,,man-made soils"in NederlandOppervlaktenin "/() van de totalein ha oppervlakte cultuurgrond+ 221 080+ 196 200? 236 000? 2 500+ 8,5''/o? 7 ?/o+ 9 ?/o+ 0,l?/o14bodem en geologicbodemhorizonten (fig. 4).Het grondwater speelt in onze bodemeen belangrijke rol. Ruim SO^/o van decultuurgronden heeft gedurende hetgehele jaar de grondwaterspiegel bin-nen 1,40 m beneden maaiveld. In dewinterperiode heeft de helft van decuhuurgronden de grondwaterspiegelop minder dan 0,40 m diepte. Slechtsin 6Vo van de oppervlakte staat hetgrondwater dan dieper dan 1,40 m.Dit is van grote invloed op het bodem-gebruik. De moderne bodemkaartengeven daarom behalve informatie om-trent de bodemopbouw ook het ver-loop van de grondwaterspiegel gedu-rende het jaar weer.De menseHjke invloed op de bodem isin ons land steeds groot geweest. Hier-door zijn grote oppervlakten nieuwegronden gevormd of bestaande sterkgewijzigd (tabel 1). Deze ,,man-madesoils" hebben deels een zo grote ge-bruikswaarde, dat ingrepen met degrootste zorgvuldigheid dienen te ge-schieden.Het bonte mozaiek dat de bodemkaartvan Nederland biedt, weerspiegelt hetresultaat van afzetting, bodemvormingen menselijke invloed. De bodemkaartvan figuur 5 geeft hiervan slechts eenzeer globaal beeld in de volgende ne-gen eenheden:Zeekleigronden (1)De zeeklei is afgezet vanuit geulenonder invloed van de getijdebewegingvan de zee. De afzettingen zijn nogalgelaagd en bestaan uit een afwisselingvan kleiige en zandige banden, vooralin de ondergrond. Naar hun land-schappelijke ligging en ouderdom vanafzetting zijn hierin te onderscheiden:buitendijkse gronden, Zuiderieebodem-gronden en jonge en oude zeekleigron-den.De buitendijkse gronden omvatten de/0^'^ (?Legenda^^^^ zeekleigronden (l)rivierkleigronden (2)veengronden (3)hoogveen - en dalgronden(4)zeezand - en bollengronden (6)hoge zandgronden (/)middelhoge en lage zandgronden (8)duinen en stuifzandgronden (5) [;-^^:HLi-i3 lossgronden en oude verweringsgronden (9)5. Globule bodemkaart15bodem en geologielage (zee)zandstranden en de hogeremeer klei bevattende aanwassen, be-kend als kwelders, gorzen of schorrenen begroeid met een zoutvegetatie.De Zulderzeehodemgronden zijn na1600 gevormd uit onderwaterafzettin-gen. Het materiaal is kalkrijk en zeerfijnzandig. Het kleigehalte neemt naarde kernen van de polders toe. DeWieringermeer vormt hierop een uit-zondering. Daar bestaat de bodem uitoude zeekleigronden in een zeer gril-lig bodempatroon van lage, kalkarmezware kleigronden, afgewisseld metkalkrijke lichte kleiruggen.De jonge zeekleigronden zijn sedert deBronstljd ontstaan en vanaf de Mid-deleeuwen tot in recente tijd bedijkt.Deze gronden bevatten weinig orga-nische stof met uitzondering van dedoor ophoging met duinzand en sloot-bagger ontstane gronden in het West-land en de zgn. woudgronden vanWest-Friesland die beide diep humus-houdend zijn.De gronden van de jonge polders inhet noorden en noordwesten bestaanoverwegend uit kalkrijke lichte klei enzavel; die in de oudere polders heb-ben een kalkarme bovenlaag. Meerlandinwaarts vindt men geheel kalk-arme zware kleigronden, die via eenstrook van klei-op-veen overgaan inveengronden.In Noord-HoUand komen zowel kalk-rijke als kalkarme zeezandgrondenvoor; in Zeeland hebben deze zand-gronden een kleiige bovenlaag, deplaatgronden. De zeezandgronden zijnmet de bollengronden als een afzon-derlijke kaarteenheid (6) weergegeven.De oude zeekleigronden vindt men inde droogmakerijen (drooggemalenplassen). Het zijn kalkrijke, ondiephumushoudende kleigronden, dieplaatselijk kalkarm zijn en een venigebovenlaag hebben, de zgn. meermolm.Deze meermolm vormt het restant vanin de plas bezonken organisch materi-aal. Waar het als turf onbruikbarerietveen bij de vervening is blijvenzitten, vindt men thans restveengron-den met een dikker veenpakket op eenondergrond van klei.In de droogmakerijen treft men plaat-selijk sterk zure, geel gevlekte klei-gronden aan. Deze zgn. katteklei is ineen rietmoeras afgezet en bevat veelpyriet (FeS2), waaruit na oxydatiezwavelzuur vrijkomt. Waar deze kat-teklei aan de oppervlakte ligt, isplantengroei uitgesloten.Rivierkleigronden (2)In een niet bedijkt landschap stroomteen rivier door een zich verplaatsen-de bedding of meander. Bij hoge wa-terafvoeren stroomt het water uit dezebedding over het aangrenzende gebied.Naarmate de afstand tot de beddingtoeneemt, neemt de stroomsnelheid afen daarmee tevens het transporterendvermogen van het water. Het grovere,zandige materiaal wordt aan weerszij-den van de bedding afgezet als hogeoeverwallen, die samen met de veelallater dichtgeslibde bedding een stroom-rug vormen. De gronden op dezestroomrug zijn meestal kalkrijk, heb-ben een kleibovenlaag en een zandigeondergrond. In de lage kommen ach-ter de oeverwallen bezinkt alleenhet fijnere materiaal en vormt daarzware, kalkarme kom(klei)gronden.Waar het rivierwater in het veenge-bied doordringt, wordt de komkleiover het veen afgezet.Een deel van de rivierklei in oostelijkNederland is ontstaan in een oudervlechtend riviersysteem. Deze ouderivierkleigronden hebben een sterkwisselende profielopbouw van zand- engrindlagen, afgedekt door een kalk-arme kleilaag. Ze zijn niet afzonder-lijk op de bodemkaart vermeld.Veengronden (3)Hiertoe behoren in hoofdzaak lage ennatte laagveengronden, opgebouwd uitverschillende veensoorten. Langs derivieren en in de beekdalen zijn ditmeestal bos- en broekveen met hout-resten. Op enige afstand van de riviergaan deze over in riet- en zeggeveenen nog verder weg in veenmosveen.Deze veensoorten worden vaak opelkaar aangetroffen in soms zeer dikkepakketten, waarin ook klei voorkomt.Voor zover het laagveen uit kleiarmveenmosveen bestaat, is het grotendeelsweggebaggerd of -gegraven ten behoe-ve van de turfwinning. Hierdoor zijnin West-Nederland en in de kop vanOverijssel uitgestrekte plassen ge-vormd. Het grootste deel hiervan isvanaf de zestiende eeuw ingepolderdtot droogmakerijen met de reeds ver-melde oude zeeklei- en restveen-gronden (eenheid 1). Een aantal vandeze plassen, zoals de Haarlemmer-meer was reeds voor de turfwinningals meren in het veengebied aan-wezig.Rondom de nog resterende veenplas-sen, o.a. de Westeinderplassen, Loos-drechtse plassen en ook in N.W.-Overijssel en in de Zaanstreek vindtmen grote gebieden met pet- of trek-gaten. Deze zijn een overblijfsel van deturfwinning. Ze bestaan uit langge-rekte geulen, waaruit veen is gebag-gerd of gegraven. Deze geulen zijngescheiden door stroken niet-vergravenveen, de ribben of zetwallen, waaropde turf werd gedroogd. De geulengroeien geleidelijk weer dicht,waardoor men petgaten in verschillen-de verlandingsstadia aantreft. Sommi-ge complexen zijn ontgonnen tot slechtgrasland en worden aangeduid alsaangemaakte petgaten.Het niet-vergraven deel van het laag-veen bestaat uit kalkarme kleigronden16hodem en geologicmet een venige bovenlaag of uit veen-gronden met een dun kleidek. Ze zijnontstaan door hat geleidelijk uitwiggenvan zee- en rivierklei over het veen.Het zijn dikwijls de overgangsstrokentussen de zee- of rivierkleigronden ende kleiarme laagveengronden.Hoogveen- en dalgronden (4)Hoogveen ligt hoog ten opzichte vande zandgronden in de omgeving. Hetbestaat overwegend uit kleiarm veen-mosveen. Onvergraven en gedeeltelijkvergraven hoogveen komt nog slechtsin kleine oppervlakten voor bij Em-men, Vriezenveen en in de Peel. Hetzijn de laatste resten van de eens zeeruitgestrekte hoogveengebieden in hetnoordoosten en zuiden van Neder-land. Na ontvt^atering is in deze ge-bieden het veen voor de turfwinninggestoken, waarna het restveen tot dal-grond is ontgonnen. De turf werdmeestal per schip via wijken afge-voerd. Deze kanalen dienden tevensvoor ontwatering en ontsluiting. Dejongere dalgronden zijn systematischafgeveend en tot cultuurland ontgon-nen. De bodemprofielen bestaan uiteen opgebracht humushoudend zand-dek, dat rust op 15-50 cm teruggezet,jong veenmosveen (bolster). Hieronderkomt meestal vast veen en soms eenlosgespit mengsel van zand en veenvoor.De oudere dalgronden zijn op over-eenkomstige wijze maar minder syste-matisch afgeveend en ontgonnen alsde jongere. In de bodem ontbreektdikwijls de voor de plantengroei be-langrijke bolsterlaag geheel of zij isdoor regelmatig aanploegen nagenoegverdwenen; dit zijn de zgn. versletendalgronden.De onregelmatig voorkomende vasteveenlagen belemmeren in ernstige matede waterbeweging in de dalgronden.Dmnen en stuifzandgronden (5)De duinen bestaan uit kalkarme enkalkrijke zeezandgronden, die door dewind tot heuvels zijn opgewaaid. Zijdateren waarschijnlijk uit de Middel-eeuwen, maar een gedeelte, de oudeduinen, is reeds veel eerder op destrandwallen ontstaan. Tot in vrij re-cente tijd is de duinvorming doorge-gaan evenals de afslag door de zee.Een en ander is tenslotte, o.a. doorkustbescherming en beplanting methelm, in de door de mens gewenstebanen geleid.Op de hoge pleistocene dekzandgron-den in het binnenland trad eveneensvanaf de Middeleeuwen verstuivingop. Daardoor zijn de stuifzandgron-den ontstaan. Ze worden gekenmerktdoor aanzienlijke hoogteverschillen opkorte afstand en het nagenoeg ont-breken van organische stof en bodem-horizonten in de profielen. De windkreeg vat op het dekzand nadat hetbeschermende vegetatiedek door mensen dier was vernietigd. Het grootstedeel van deze stuifzanden is door be-bossing weer vastgelegd; een aantal,o.a. bij Kootwijk en Hulshorst, wordtals ,,levende" stuifzanden in stand ge-houden. Schrale zandlagen in de aan-grenzende cultuurgronden en de hout-wallen rondom deze akkers getuigenvan de menselijke strijd (en nederlaag)tegen deze zandverstuivingen.Zeezand- en bollengronden (6)De zeezandgronden werden reeds bijde jonge zeeklei (eenheid 1) vermeld.De bollengronden, ook wel zanderij-of geestgronden genoemd, zijn even-eens zandgronden. Ze zijn ontstaandoor afgraving van de oorspronke-lijke strandwallen en een deel van deoudere duinen langs de Noordzeekust.Het aldus gewonnen zand bracht geldop en werd onder meer gebruikt terversteviging van veengraslanden, voorverschraling van zware kleigrondenen voor bouwkundige doeleinden. Het,,afgegeeste" gebied was geschikt voorde tuinbouw, vooral voor de bloem-bollenteelt die een gedurende het ge-hele jaar constante grondwaterstands-diepte van 50 a 60 cm vraagt.Later heeft deze teelt zich uitgebreidtot de zeezand- en de lichtere jongezeekleigronden, waarin door bemalingeen optimale grondwaterstand wordtgerealiseerd.Hoge zandgronden (7)Deze eenheid omvat de stuwwalcom-plexen met de aangrenzende smelt-waterafzettingen en een aantal hogeterrassen langs de Maas. De grootsteoppervlakte hoge zandgronden ligtechter op de ruggen in het dekzand-gebied. Hier komen ze zodanig ver-spreid temidden van de lage en mid-delhoge zandgronden voor dat een af-zonderlijke weergave op de kleinscha-lige bodemkaart (fig. 5) niet mogelijkis. Ze maken deel uit van eenheid 8,de middelhoge en lage zandgronden.De in eenheid 7 begrepen reliefrijkehoge zandgronden worden gekenmerktdoor een meerdere meters diepe grond-waterstand. Ze zijn grindhoudend envertonen grote verschillen in korrel-grootteverdeling, varierend van leemtot grof zand. Als gevolg van bodem-vorming is bijna overal een podzolpro-fiel aanwezig. Bij dit podzoleringspro-ces worden ijzer, aluminium en orga-nische stoffen uit de bovengrond ge-spoeld en gedeeltelijk dieper in hetprofiel neergeslagen. Hierdoor ontstaateen aantal typerende bodemhorizonten(fig. 4B).17bodem en geologicMiddelhoge en lage zandgronden (8)Hoewel deze gronden voor een grootdeel in dezelfde geologische afzetting,de dekzanden, voorkomen, treft mener bodemkundig aanzlenlijke verschil-len in aan. Ze vormen een complexvan hoge tot lage podzolgronden, oudebouwlandgronden (meestal hoog) enbeekdalgronden (middelhoog of laag).Het relief is golvend en het leemge-halte wisselt. Het zand heeft een nog-al fijne en uniforme korrelgrootte. Inde middelhoge zandgronden is degrondwaterstandsdiepte in de winterminder dan 80 cm, in de lage minderdan 40 cm.De oude bouwlandgronden, ook welenken of essen genaamd, behoren totde oudste cultuurgronden. Zij hebbeneen meer dan 50 cm dikke humus-houdende bovenlaag, ontstaan dooreeuwenlange bemesting met plaggen-mest, die steeds enig zand bevatte. Opeen aanzienlijk deel van de podzol-gronden en beekdalgronden is dezelf-de bemesting toegepast. De bovenlaagis echter dunner gebleven, omdat dezegronden later ontgonnen zijn. Het bo-demprofiel van de beekdalgronden,die overigens niet alleen in de beek-dalen voorkomen, bestaat uit een 20-40 cm dikke, humushoudende boven-grond, rustend op humusarm gebleektzand met veel oranjebruin gekleurdeijzervlekken.Landschappelijk en bodemkundig vor-men de podzolgronden met grondmo-rene (keileem) in de ondergrond eenafzonderlijke groep. Men treft ze o.a.in Drenthe en in de Friese Woudenaan op hoge koppen, maar ook invlakkere delen. Deze gronden zijn nat,onafhankelijk van hun hoogteligging.Lossgronden en oude verweringsgron-den (9)De lossgronden zijn in hoofdzaak totZuid-Limburg beperkt en komen ver-der over kleinere oppervlakten voorin Noord-Brabant en Gelderland (o.a.op de Posbank). Loss is een windaf-zetting met een zeer uniforme korrel-grootteverdeling en een hoog percen-tage leem. In deze gronden is doorinspoeling een kleihoudende horizontontstaan. De lossgronden zijn de oudsteakkerbouwgronden van ons land. Hetlandschap is sterk geaccidenteerd enonderhevig (geweest) aan watererosie.De oude verweringsgronden zijn be-perkt tot kleine oppervlakten in Zuid-Limburg. Ze komen voor op oude geo-logische formaties zoals krijt en vuur-steeneluvium. Deze gronden bevattenduidelijke sporen van verschillende bo-demvormingsprocessen.Geraadpleegde literatuurBodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50 000,kaanblad 26/32 West, Harderwijk/Amersfoort,met toelichting. Wageningen, 1966. 128 pp.Bodemkaart van Nederland, schaal 1 : 50 000,kaartblad 31 Oost, Utrecht, met toelichting.In voorbereiding.Edelman, C. H., 1950. Inleiding tot de bo-demkunde van Nederland. N.V. Noord-Hol-landsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam.178 pp.Edelman, C. H., 1952. Soils. Soil Science 74,1 : 15-21.Faber, F. J., 1960. Geologic van Nederland.Gorlnchem.Globale Bodemkaart, schaal 1:600 000. In:Atlas van Nederland, blad IV-12. Staats-uitgeverij, Den Haag.Hageman, B. P., 1969. Development of theWestern part of the Netherlands during theHolocene. Geologic en Mijnibouw 48, 4 : 373-388.Pannekoek, A. J., et al., 1956. HistorischeGeologie van Nederland. Den Haag.Steur, G. G. L., en Westerveld, G. J. W., 1965.Bodemkaart en kaartschaal. Cult.techn. Tijd-schr. 5, 2 : 55-74.18Bodem en bodemgebruikProf. Ir. M. ]. Vroom1LandschapVanaf het begin van de menselijkeoccupatie van Nederland is deze inhaar mogelijkheden afhankelijk ge-weest van de bodemgesteldheid envooral ook van de watertiuishouding.Toen aan het begin van de zestiendeeeuw de natuurlijke landschappen vanNederland voor een belangrijk deelwaren ontgonnen, waren de visuelekenmerken van de cultuurgronden,zoals die tot uiting kwamen in de ver-kavelingstypen, de mate van open-heid of geslotenheid, de plaats, vormen inrichting van de nederzettingen,in sterke mate gebonden aan het na-tuurhjke uitgangspunt, de bodem(fig- !)?In later eeuwen is de bevolking ge-leidelijk sneller gegroeid, de occupa-tie gei'ntensiveerd, waarbij de vormvan het landschap -- zich steeds ver-nieuwend -- geleidelijk meer gedomi-neerd wordt door kunstwerken, diegetuigen van de aanwezigheid van demens, zijn vernuft en kunnen, maarook van zijn onvermogen en falen.Meer recente technische ontwikkelin-gen maken het daarbij mogelijk nieu-we nederzettingspatronen te ontwik-kelen, waarvan de geografische liggingminder bepaald is door bodem en wa-terhuishouding, zodat andere facto-ren gaan overheersen. Het landschap1. De oude cultuurgronden, waarop de eer-ste nederzettingen waren geconcentreerd, lig-gen in het rivierkleilandschap hoofdzakelijkop de hogere delen van de stroomruggronden.LEGENDAstroomruggrondenkomgrondenoverslaggrondenpleistoceen zand4kmoude cultuurgrondenoude stroombeddinggrondenuiterwaarden19bodem en bodemgebruikverandert onder Invloed van techni-sche ingrepen zoals bemesten, inpol-deren, afdammen, overbruggen, be-malen, opspuiten, draineren, enz. Der-gelijke ingrepen brengen niet alleeneen grote verandering in schaal vande landschappen met zich mee, zijverminderen evenredig de verschei-denheid in occupatievormen en ten-deren dus tot afname van de diversi-teit. Desondanlis is de herkenbaarheidvan grote delen van ons land nogsteeds gebaseerd op de natuurlijkeverscheidenheid van bodem en bo-demgebruik.Onder grote gedeelten van dit over-wegend vlakke land met zijn ogen-schijnlijk geringe bodemverschillenschuilt een sterk gevarieerde bodem-opbouw, zowel in horizontale als invertikale richting, die van een water-rijke wordingsgeschiedenis getuigt.Ondergrondse zandruggen, uitwiggen-de kleiafzettingen, overstoven veen-resten, welvingen van mariene afzet-tingen zijn sporen van voormaligestromen, van landijs en zandstormen,van doorbraken en inundaties, vanvroegere klimaatfasen waarin land enzee afwisselend de overhand hadden(zie par. 3 en 4 van het artikel vanVan Eerde en Westerveld).De menselijke invloed is niet alleen tezien in bedijking, bemaling en ont-ginning, maar ook te herkennen inopgehoogde bewoningsterpen en oudecultuurgronden, in de stuifzanden dieontstaan zijn door vernietiging vanhet vegetatiedek, en in veenkolonialeontginningen en veenplassen, waarvaner vele letterlijk door mensenhandzijn gegraven en uitgediept.De geologische, de geomorfologischeen de bodemkaarten vormen een bronvan kennis van de opbouw van denatuurlijke landschappen van Neder-land. Zij bevatten gegevens over deontstaanswijze en de samenstelling,zowel van de zichtbare bovenlaag alsvan de dieper gelegen lagen. Uit dezekaarcen kunnen de actuele en poten-tiele gebruiksmogelijkheden wordenafgelezen.PlanologiePlanologie heeft te maken met ingre-pen in bestaande landschapsbeelden,soms ook met het behoud daarvan ofmet het scheppen van geheel nieuwe.Doelstelling van de planologie is deoptimale inrichting en herinrichtingvan de ruimte ten behoeve van devoortdurend veranderende behoeftenen wensen van de menselijke samen-leving.Uit de samenwerking tussen diverseberoepsbeoefenaars die gezamenlijkplanologisch onderzoek verrichten,vloeien plannen met daarbij behoren-de bestuurlijke maatregelen voort,betrekking hebbend op diverseaspecten van de inrichting van deruimte. De wet op de RuimtelijkeOrdening noemt provinciale streek-plannen en gemeentelijke structuur-en bestemmingsplannen. De Ruilver-kavelingswet richt zich op de recon-structie van agrarische gebieden.Daarnaast of daarop stoelend wordental van andere plannen voorbereid,die uit initiatieven in de publiekrech-telijke en privaatrechtelijke sfeerstammen. Regionale studies, facetplan-nen en objecten van kleinere schaalvallen hieronder.In al deze plannen spelen de factorenbodemopbouw en waterhuishoudingeen rol. Soms in bescheiden mate tus-sen andere veel belangrijker criteria,zoals in het geval van het zeehaven-beleid. In andere gevallen behoren zijtot de beslissende factoren die deinrichting van het gebied bepalen, bijvoorbeeld bij agrarische reconstructies.De mate waarin en de wijze waaropde invloed van bodemeigenschappentot zijn recht komt, wisselt ook metde inzichten van onderzoekers enontwerpers. Afhankelijk van de waar-dering van diverse inrichtingsfactorenworden sterk uiteenlopende ingrepenin de bodemgesteldheid gedaan. Teke-nend is bijvoorbeeld het contrast tus-sen het met een zandpakket opge-hoogde Amsterdamse Buitenvelderten de direct aangrenzende woonwijkin Amstelveen, die in het veen is ge-bouwd. Vrijwel identieke uitgangs-punten en dezelfde doelstellingenhebben hier blijkbaar op basis van uit-eenlopende inzichten tot geheel ver-schillende werkwijzen geleid.Naast de uiteenlopende waarderingvan de bodem temidden van eencomplex aantal andere factoren ishelaas ook de onbekendheid met demogelijkheden en beperkingen op re-gionaal, zowel als lokaal niveau evi-dent. 2o treden in de Nijmeegse wijkDuckenburg grote moeilijkheden opdoor te hoge grondwaterstanden.Deze zijn een rechtstreeks gevolg vaneen onvoldoende aanpassing van deontwateringsmiddelen aan de terplaatse sterk gevarieerde en voor dewaterbeweging ongunstige bodemop-bouw. Bodemkundig en geologischonderzoek had een groot deel van dezeproblemen kunnen voorkomen.In de provincie Utrecht zijn de stadNieuwegein en een aangrenzend re-creatiegebied ontworpen op een plaatswaar een ongunstige bodemgesteld-heid ingrijpende verbetering noodza-kelijk maakt, terwijl vlak ten oostenvan dit gebied een veel gunstiger bo-demopbouw aangetroffen wordt.In de navolgende paragrafen wordt inkort bestek de relatie tussen bodemen inrichting van de ruimte voor eenaantal vormen van bodemgebruikaangeduid.2Qhodem en bodemgebruikLand- en tuinbouwVoor land- en tuinbouw is de bodem-opbouw tevens de essentiele vesti-gingsfactor. De bodem is hier immersproduktiemiddel. Daarbij gaat hetniet zozeer om de chemische rijl^domvan de bodem, want die wordt gro-tendeels verkregen door de relatiefzeer hoge kunstmestgiften, maar omde fysische opbouw die in samenhangmet een goed beheerste waterhuishou-ding een hoog produktievermogenlevert.De bodemkaarten en bodemgeschikt-heidskaarten van de Stichting voorBodemkartering zijn aanvankelijkvooral voor land-, tuin- en bosbouw-kundige doeleinden vervaardigd. Indeze doelstelling van de bodemkarte-ring lag een zekere beperking beslo-ten, doordat met name die bodemken-merken en eigenschappen werden on-derzocht, die een relatie hebben metde groeivoorwaarden voor de plant,en met name voor het produktiege-was. Al spoedig bleek echter dat ookvoor niet-agrarische vormen van bo-demgebruik veel uit deze ,,agrarische"bodemkaarten kon worden afgeleid.De gebruikswaarde nam nog aanzien-lijk toe, toen ook ,,niet-agrarische"bodemeigenschappen bij de bodemkar-termg werden betrokken en bodem-geschiktheidskaarten voor deze doel-einden werden samengesteld.4BosbouwDe bosbouw is wellicht nog meer dande land- en tuinbouw gebonden aankwaliteiten van de bodem. Terwijl inde land- en tuinbouw een gebrek aanchemische rijkdom gecompenseerdkan worden door bemesting, is dit inde houtteelt, gezien de langere om-looptijd, economisch niet verant-woord. Deze aan de bodem te stellenkwaliteitseisen vallen in Nederlandniet zo erg op, omdat hier de bos-bouw reeds vele decennia geleden te-ruggedrongen is tot de overwegendarmste en droogste gronden, enkeleuitzonderingen daargelaten. Maar ookbinnen deze ,,armere" gronden ko-men grote verschillen in bodemop-bouw voor, die door het ontbrekenvan bemesting niet worden genivel-leerd en derhalve een sterke invloedop de boomgroei en op de houtsoor-tenkeuze uitoefenen.Reeds vanaf het begin van de bodem-kartering in Nederland zijn bodem-kaarten en bodemgeschlktheldskaar-ten ten behoeve van het beheer derStaatsbossen vervaardigd. Met behulpvan deze kaarten worden aan de bo-dem aangepaste houtsoorten geplant.Ook door verschillende andere instan-ties worden bodemgeschiktheidskaar-ten voor bosbouwkundige doeleindenbenut.Nu met de verstedelijking de behoef-te aan een meerzijdige doelstelling vande bossen groeit, en zelfs nieuwe bos-sen worden ingericht waarin houtpro-duktie van secundair belang is, terwijlook de sanering van de landbouw omalternatieve occupatievormen vraagt,is de bestudering van de mogelijkhe-den van bebossing op een uiteenlo-pend gamma van bodemeenheden eenonderwerp van intensieve studie vanmet name de Werkgroep BosbouwRandstad Holland.OpenluchtrecreatieIn het gedeelte van onze vrijetijdsbe-steding dat in de open lucht wordtdoorgebracht, is er een direct fysieken visueel contact met bodem en vege-tatie. Vanzelfsprekend is dit contactniet beperkt tot de vrije tijd maarstrekt het zich ook daarbuiten uit.Steeds wanneer wij in de open luchtverkeren, is het ondergaan, het bele-ven van dit buiten zijn aan de orde.Deze ervaring zijn wij ons het meestbewust wanneer we dit contact daad-werkelijk zoeken om het als een wel-dadige belevenis te ondergaan.Het bezoek aan -- en gebruik van --terreinen die bestemd zijn voor deopenluchtrecreatie, geschiedt op uit-eenlopende wijze en meer of minderfrequent. Daarbij is de bereikbaarheidvanuit de woning een belangrijke de-terminant.Binnen loopafstand van de stedelijkewoning zijn plantsoenen en parkeningericht op een dusdanige wijze dateen regelmatig druk bezoek verwerktkan worden zonder schade aan de om-geving of ongerief voor de bezoeker.De beperkte oppervlakte en het druk-ke gebruik maken het noodzakelijken mogelijk een zeer intensieve vormvan inrichting te effectueren. In dit,,kunstmatige" milieu wordt de bo-dem aangepast, het plantmateriaal vantevoren zorgvuldig gekweekt en ge-selecteerd op opvallende eigenschap-pen in groei en bloei. De grasmatwordt verstevigd en de bodem gedrai-neerd om weerstand te bieden aan in-tensieve betreding en bespeling. Hetontsluitingssysteem is intensief, en devorm en plaats van open ruimten enwaterpartijen worden zorgvuldig ge-kozen.In de buitenstedelijke recreatiegebie-den, de bossen, de nationale en regio-nale parken, de duinen, de oevers ende randen van open ruimten is sprakevan veel grotere oppervlakten terrein,en een weinig frequent, hoewel somsintensief bezoek. Hier is een lage in-vestering per oppervlakte-eenheidgeboden. Bovendien is de kwaliteitvan de omgeving veelal niet gebaat bij21bodem en hodemgebruikeen sterke ingreep in de bestaandetoestand.Bij de bepaling van de keuze zal demogelijkheid tot handhaven van debestaande bodemgesteldheid en water-hulshouding een belangrijke rol spe-len.Een bijzondere categorie van buiten-stedelijke recreatiegebieden wordt ge-vormd door parkgebieden, waarvanhet ontstaan en de situering samen-hangen met zandwinprojecten. Despecie uit deze zandwinningen geeftde mogelijkheid tot het maken vandraagkrachtige bodemprofielen enhoogteverschillen rondom een water-plas in een landschap dat daartoe vannature geen mogehjkheden bezit. In-dien bij de plaatsbepahng van derge-Hjke zandwinningen niet alleen geletwordt op de diepte en de winbaarheidvan het ophoogzand, maar ook op desamenstelling van de boven de zand-laag voorkomende specie, kan doormiddel van een zorgvuldig afgestem-de menging van bodembestanddeleneen grote hoeveelheid grond wordenverkregen, waarmee in de naaste om-geving van de door de zandwinningontstane plas gunstige voorwaardengeschapen kunnen worden voor deinrichting van parkbossen.In parkgebieden die niet direct samen-hangen met grote zandwinningen,worden ook meestal ondiepe water-partijen opgenomen (Spaarnwoude,Rottemeren). Wanneer bij de situe-ring en diepte van deze vijvers ookrekening wordt gehouden met de sa-menstelhng van de vrijkomende spe-cie, kan deze uitstekend worden ge-bruikt voor (selectieve) ophoging vande omgeving. Hierdoor wordt eenmeestal gewenst relief verkregen ennemen tevens de mogelijkheden voorbeplanting, voor de aanleg van speel-en sportvelden, enz. aanzienlijk toe.In veengebieden, zoals een deel vanSpaarnwoude, is deze ophoging zelfsnoodzakelijk om een opgaande bos-begroeiing te kunnen realiseren, ter-wijl ook een ruimere houtsoortenkeu-ze mogelijk wordt.In de klei- en veengebieden van Ne-derland is daarom een gedegen ken-nis nodig van de holocene lagen dieop het pleistocene zand zijn afgezet.De invloed van bodem en waterhuis-houding op de beleving van het niet-stedelijke landschap in het algemeenen van recreatiegebieden in het bij-zonder is tweeerlei. Die invloed is erin het directe contact tussen mens enbodem en in de vegetatie of eigenlijkin de gehele biotoop.Hoewel vele mensen dit zich wellichtniet zo sterk bewust zijn, worden vi-suele kwaliteiten en fysische eigen-schappen van de bodem zoals kleur,textuur, vochtgehalte en microrelief,zintuigelijk en in fysiek contact inwisselende mate ervaren. Daardoorkan de beleving van de omgeving inpositieve of negatieve zin worden be-invloed.Zo kan het bodemrelief ruimtebepa-lend zijn en het microklimaat in gun-stige zin bei'nvloeden (duinland-schap) of een landschap over grotereafstanden orientatiepunten verschaf-fen (Utrechtse Heuvelrug, Lemeler-berg), en omgekeerd uiteraard ook dezo gezochte uitzichtspunten (Posbank,Holterberg) bieden. Daarnaast wordtrelief ervaren in relatie met de zwaar-tekracht, die moet worden overwon-nen of waarvan gebruik gemaakt kanworden. De geomorfologische kaart ende bodemkundige-landschappenkaart(bijlage 1) vormen belangrijke hulp-bronnen bij het bepalen van de rela-tie tussen relief en bodemgenese.Het microrelief hangt nauw samenmet de opbouw en het vochtgehaltevan de bodem. Deze hebben invloedop de begaanbaarheid en de mogelijk-heid tot comfortabel zitten of liggen.Een harde effen bodem is goed be-gaanbaar, geploegde grond niet, maarhet verende bospad en het mulle zandgeven een welkome afwisseling voorde voetganger.Kleur en textuur van mineralen heb-ben invloed op herkenning van de bo-demeenheden en hun eigenschappen.Opvallende kleurschakeringen komenin Nederland nauwelijks voor; inwoenstijnachtige gebieden vormendeze op zichzelf een toeristische attrac-tie. De mate waarin bodemdeeltjes bijaanraking geadsorbeerd worden aanschoeisel, kleding of huid is een factorwelke de waardering van de omge-ving beinvloedt. Klei en bepaalde soor-ten organische stof hebben een ver-ontrein
Reacties