extra nummerstedebouw & volkshuisvestingGrote en kleine wegen in het landschapextra nummer Uitgave van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting53e jaargang extra nummervoorjaar 1972^Redactie Drs. R. KokMr. H. ]. A. SchaapDr. N. C. SchoutenDrs. H. van der WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Ahonnementen Javastraat 6, 's-GravenhageTelefoon 182761Postgironummer 29080AdvertentiesLid van de Ned.Organisatie vanTijdschrift-UitgeversTarieven en inlichtingen over advertentiesuitsluitend bij PubliciteitshureauSpoor & Van den Berg N.V., Postbus 143,Casper Fagellaan 10, Heemstede.Telefoon (023) 286354*.Opdrachten en materiaal warden voorde le van de maand op dit adres ingewacht(pers.adv. 6e van de maand).Dit extra nummerbevat de tekst van de vier inleidingen die gehouden zijn op de studiedag van hetInstituut over Grote en kleine wegen in ket Landschap op 25 novemher 1971. Hetwas de vierde landschapsstudiedag in de reeks door de Werkgroep OntwikkelingLandschap van het Instituut voorhereide vergaderingen.De tekst van de inleidingen is in hoofdzaak gebleven zoals die op de studiedagis uitgesproken, behoudens in een enkel geval enige verwerking van hetgeen bij degedachtenwisseling naar voren is gehracht. Uit het grote aantal dia's die ter toe-lichting en ondersteuning van het gesproken woord zijn vertoond, moest uiteraardeen vrij beperkte keuze worden gemaakt.Het geheel van de artikelen geejt een goed beeld van het huidige denken over we-gen en wegaanleg, van de moderne methodieken waarvan men bij de voorberei-ding van wegenplannen gebruik kan maken en van de wijze waarop in Nederlandbij het traceren van nieuwe wegen te werk wordt gegaan.Degene die het onderwerp benadert uit de hoek van de ruimtelijke ordening zalmet voldoening kunnen vaststellen dat de zorg voor het landschap of voor hetoekosysteem, de zin voor invoeging in grote ruimtelijke structuren en het begripvoor de prioriteit van de ruimtelijke planning in de wereld van de wegenbouwerssnel aan kracht en aanhang hebben gewonnen. Oude tegenstellingen gaan hierdoorvervagen of krijgen betere kansen om in vroege stadia van voorbereiding goed tewarden verwerkt.Men kan dit 2ien ah een optimistische toekomstvisie, waarvan de praktijk van de-ze tijd nog vrij ver afstaat, maar voor ieder die kennis neemt van dit nummerwordt het een toekomstvisie met een harde realiteitskern.Inhoud3 Dr. E. van der Maarel: De invloed van het zich ontwikkelende hoofdwegennet op natuur enlandschap19 Ir. D. W. Tuijten: De totstandkoming van een hoofdwegennet26 Prof. Ir. M. J. Vroom: De weg in het landschap36 Ir. A. Oosterbroek: Plattelandswegen -- toegangen tot het landschapLosse exemplaren van dit 'extra nummer / 4,50.De leden van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting ontvangenhet blad kosteloos. invloed hoofdwegennetDe invloed van het zich ontwikkelendehoofdwegennet op natuur en landschapDr. E. van der Maarel1. InleidingWanneer een oecoloog zou zijn gevraagdiiaar zijn mening over de doortrekkingvan RW 80 via Hilversum over deUtrechtse heuvelrug, zou hij een ,,vol-strekt onaanvaardbaar" laten horen, opgrond van natuurwetenschappelijke enlandschappelijke argumenten. Hoewelde vraag niet aan de oecoloog werd ge-steld -- dat gebeurt nog niet vaak, maardaarover straks -- is het antwoord tochgegeven en wel door De Soet (37) diein een 'goed gedocumenteerd rapport deargumenten contra heeft behandeld. Ge-lukkig is ook bij Rijkswaterstaat dit in-zidht gevormd. Deze weg was in deStructuursdhets Hoofdwegennet 1966gei'ntroduceerd en o.m. in het UtrechtseProvinciale Wegenplan 1968 opgeno-men. In het Rijkswegenplan 1968 isechter geen spoor van deze weg te vin-den, hetgeen uitstel en waarschijnHjkafstel betdkent.De doortrekking van RW 6 van Em-meloord over Steenwijk en Oosterwoldenaar Groningen vindt bij de oecoloog alevenmin genade, gezien het fijnkorre-lige landschapspatroon van vele te door-snijden landschappen en de nabijheidvan uiterst belangrijke natuurgebiedenals het moerasgebied van Weerribben ende Wieden In Noordwest-Overijssel enhet Fochteloer Veen in Drente. Ookt.a.v. deze weg is een kentering te be-speuren: in het jaarverslag 1970 van deRPD (p. 125) wordt voor uitstel vande aanleg gepleit en de bezwaarlijkheidvan de weg uit lamdsdhappelijk oogpuntgenoemd.De perikelen rondom traces van opzich reeds volledig definitieve planwe-gen, bv. RW 27 door Amelisweerd,RW 1 (de E8), bij Markelo, de zgn.omleiding voor de paddestoelen, zijnvia de pers wel tot alien doorgedron-gen. Ook hier een veelheid van contra-argumenten en een snel veranderendeinstelling van de overheid. Het blijktuit deze voorbeelden dat langzamer-hand de oecoilogie in staat is om aan tegeven wat oecologisch belangrijk is enwaarom, en dat anderzijds de overheiddie belangen ook begrijpt en ernaar wilhandelen. Via de voorbeelden van dePW 1 in Zuid-Holland door de duinenvan Wassenaar en PW 18 en 19 in Zuid-Kennemerland, waar we hetzelfde beeldzien, realiseren we ons dat het begriphoofdweg tamelijk ruim moet wordengenomen. Lang niet al deze provincialehoo'fdwegen staan op het structuursche-ma 1966, terwijl hun invloed van gelijkegrootte-orde is. Het valt bij deze voor-beelden op dat de overlegprocedure bijde totstandkoming van wegp'lannen enwegtraces klaarblijkelijk onbevredigendis. Men kan zidh niet aan de indruk ont-trekken dat op het allerlaatste momentzeer belangrijke overheidsbeslissingent.a.v. de ruimtelijke ordening van deinfrastructuur worden herroepen opgrond van nauwelijks georganiseerdemaar wel krachtige protesten uit demaatsdhappij. De invloed op deze be-sluitvorming van buitenparlementaire,vedlal lokale aktiegroepen is evident !Zonder ook maar lets af te doen aanhet belangrijke werk van deze groepen-- ik ben daarmee zelf trouwens al tevaak ,,gecompromitteerd" -- mag mentoch wel opmei^ken dat deze procedureeen aanzienlijke verbetering behoeft.Wat betreft de bestuurlijke kant zal ikslechts een enkele suggestie doen in dezerichting. Het gaat er nu vooral om al-gemene oecologisdhe gezichtspunten naarvoren te brengen en op basis daarvanoecologische aotiviteiten te ontwikkelenom aan de kenndlijk nog onevenwidh-tige opzet van hoofdwegplannen eenmeer evenwichtige grondslag te kunnengeven.De neutrale titel van mijn voordrachtgeeft als het ware de aanloop tot heteigenlijke probleem, dat kan wordenomsdhreven als: de betrekkelijke onver-draagzaamheid van de tegengesteldewelzijnsbelangen van het hoofdwegen-net enerzijds en die van natuur enlandschap anderzijds.2. Natuur en landschap, oecosystemenen milieucompartimentenDe dubbelterm natuur en landschapheeft betrekking op die landschappen,invloed hoofdwegennetdie geheel of ten dele zijn opgebouwdu'k min of meer natuurlijke oecosyste-men. Een oecosysteem is een functioneelgdheel van een levensgemeensdhap enhet daarmee in wisselwerking verkeren-de milieu. Dit begrip wordt onder in-vloed van de anglo-amerikaanse litera-tuur steeds meer in ons land gebruikt,vaak in de schrijfwijze ecosysteem, opplaatsen waar wij vroeger levensge-meensdhap schreven. Bij het gebruikvan laatstgenoemde term ging men ervan uit dat de gebondenheid aan hetmilieu dermate hecht en ook dermategoed bekend was, dat dit niet uitdruk-kelijk in de naam tot uitdrukking be-hoefde te worden gebracht. Thans ge-bruiken we het begrip oecosysteem ooknog om een andere reden: er wordt meeuitgedrukt dat de levensgemeenschapzjicih als een systeem gedraagt en dus, opbasis van de moderne discij^Iines alssysteemtheorie en cybernetica, ook alseen systeem kan worden bestudeerd engemanipuleerd (een goede orientatiebieden het verslag van de oecosysteem-dag van de Oecologische Kring (2), envoorts de artikelen van Nelissen inIntermediair, (30) en (31).Een min of meer natuurlijk oecosysteemis gekenmerkt door een grotendeelsspontane flora en fauna. Het merendedlvan dergelijke systemen staat, of stondnog kort geleden, onder invloed van demens, waarbij een deel van de flora enfauna door de mens is aangevoerd danwel juist verdrongen, of waarbij hetvegetatiebeel'd is gewijzigd. Door despontaan aanwezige organismen heefteen dergelijk oecosysteem toch een na-tuurlijk karakter (zie bv. Westhoff, 39).We komen daarop terug in par. 6.Het verschil tussen natuur en landschapis dan als volgt te omschrijven: ,,natuur"omvat de natuuriandsdhappen, die over-wegend uit min of meer natuurlijkeoecosystemen zijn opgebouwd, ,,land-schap" is het geheel van die cultuur-landschappen waarin ,,natuurelementen"voorkomen. AHe niet-stedelijk-industri-ele landschappen heten samen het lan-delijk gebied (,,platteland"). Het lande-lijk gebied bestaat dus uit agrarischecultuurlandschappen = landibouwgebiedin engere zin = ,,productief milieu", uitcultuurlahdsdhappen met natuurlijkeelementen = ,,multiple use milieu" enuit natuurlandschappen = ,,bescher-mend milieu". De tussen aanhalingste-kens vermelde termen zijn ontleend aaneen door Odum (32) gegeven schemavan milieucompartimenten, waarin derelajtie tussen de verschiliende deelmi-lieus is weergegeven. Dit schema is inenigszins gewijzigde vorm weergegevenin fig. 1. We zien daaruit dat het mul-tiple use milieu a.h.w. een compromls-milieu vormt tussen het urbaan-indus-triele, het productieve en het bescher-mende milieu. Beide laatste categorieenjig. 1. Schema van milieu-compartimenten, gewijzignaar Odum,van landschappen, die dus natuur enlandschap uitmaken, bezitten oecologi-sdhe welzijnsfunccies die door het we-gennet, als uitstraling van het urbaan-industriele milieu, nadelig worden be-invl'oed. In het schema is door middelvan pijlen aangegeven in welke richtin-gen de beinyloedingen van de verschil-iende milieus onderling vooral gaan.Het is goed er nog eens op te wijzenhoezeer de mens in de Nederlandse na-tuur heeft ingegrepen en hoe weinig on-gerepte natuur er hier nog over is. Datons land vroeger biologisch zo waarde-vol was, werd veroorzaakt door het be-scheiden kara;kter van de menselijke in-grepen die als het ware in harmonie metde natuur werden uitgevoerd. Het wa-ren voor een belangrijk deel de halfna-tuurlijke landschappen als de heiden,de veeriderijen, de wilde hooilanden(blauwgraslaniden) en hagen en houtwal-invloed hoofdwegennetlen die ons land oecologische betekenisgaven. Ons land had dus een groot are-aal aan optimaa'l multiple use milieu. Debesc'houwingen van Westhoff (o.a. 39,40, 41) en Van Leeuwen (19, 20, 21),aan wie wij dit inzicht voor een belang-rijk deel danken, zijn kort geleden nogeens uitvoerig gepresenteerd in het boek,,Wilde Planten", deel I (43).3. Functies en functiebepalende ken-merken van natuur en landschapOp basis van recente overzichten en in-delingen (o.a. 22, 23, 27, 35, 41 en 42)kunnen acht welzijnsfuncties van na-tuur en landsdhap worden onderschei-den: milieuzuiveringsfunctie, open-luchtrecreatiefunctie, natuurrecreatie-functie, ethisoh-esthetische functie, cul-tuur^historisdhe functie, wetenschaps-functie, reservoirfunctie, regdlatiefunc-tie. Deze functionele benadering is van-uit de vroegere natuurbesoherming totontwikkeliing gebradht, vooral door hetvoormalige Rijksinstituut voor VeWbio-logisch Onderzoek ten behoeve van hetNatuurbehoud, RIVON, thans onder-deel van het R.I.N., het Rijksinstituutvoor Natuurb^heer (21,27,42). Demees-te functies zijn direkt afgeleid uit devroegere motieven voor natuurbescher-ming. Het gebruik van het begrip func-tie accentueert de zakelijke, op de mensgeriohte instelling in het hedendaagsenatuur- en milieubeheer. Deze instellinglaat weinig ruimte voor de ,,klassieke"esChecische en ethische motieven zoalsdie o.m. door Hofstra (17) zo goed on-der woorden zijn gebradht. Natuurge-voel en eerbied voor de natuur zijn alszodanig natuurli|k niet verdwenen uit denatuurbeschermingsgedachte, doch in debelangenafweging van de hedendaagseruimtelijke ordening kan men ze alseigen, van de mens onafhankelijke,waarden niet ,,hard" genoeg opvoeren.Vanuit de godachtengang dat de menstegelijkertijd vrij van en gdbonden aande natuur is, kan men evenwel de bo-vengenoemde op de mens betrokkenfuncties, inclusief een ethisch-esthetischefunctie, in natuur en landschap onder-sdheiden en vervolgens inbrengen in deruimtdijke oi^denlng.A'lvorens deze functies nader wordenbesproken zullen nu eerst de oecologi-sdhe kenmerken worden besproken diebepalend worden geacht voor de func-ties. Deze in principe aan oecosystemente beschrijven kenmerken worden be-trokken op bepaaMe gebieden, in hetbijzonder landelijke gebieden. Deze lan-delijke gebieden kunnen zijn natuurge-bieden die overwegend uit natuurland-schappen bestaan ofwel cultuurgebie-den die zijn opgebouwd uit cultuur-landsdhappen waarbinnen zich nog na-tuurelementen kunnen voordoen. Devolgende kenmerken worden wel onder-sdhaiden (3, 5, 23, 25, 34).1.Soortdiversiteit, d.w.z. de rijkdom aansoorten betrokken op die van eenstandaardoppervlakte.2.Oecosysteemdiversiteit, d.w.z. de varia-tie aan oecosysteemtypen.3.Zeldzaamheid van soorten en oecosys-teemtypen.4.Optimaliteit, d.w.z. de mate waarinbepaalde soorten en/of oecosystemenoptimaal in een gebied tot ontwikkelingkomen. Deze vier kenmerken betreffenhet ruimtelijke karakter van de oeco-systemen, hun ,,patroon"-karakter.5.Volgroeidheid van de oecosystemen,d.w.z. de tijdsduur waarin de oecosys-temen van een gebied zich van een hoog-gestructureerd oecosysteem hebben kun-nen ontwikkelen tot een stabiele eind-fase. Dit kenmerk drukt het temporeleaspect van de oecosystemen uit, hun,,proces"-karakter.Uniciteit, d.w.z. de mate waarin eengdbied afwijkt van alle andere gebieden.Die afwijking kan t.a.v. bovengenoemdekenmerken worden bepaald, zodat ditkenmerk uit de vorige als een soort syn-thetisch kenmerk te herleiden moet zijn.Aan deze kenmerken zouden we er nogtwee kunnen toevoegen:7.Grootte van het gebied. Dit kenmerkgaat eigenlijk pas meespelen wanneerde bovengenoemde kenmerken zeer hooggewaardeerd worden. Men kan ookstellen dat de omvang van het gebied isterug te vinden in een der voornoemdekenmerken.8.Natuurlijke isolatie. Hieronder wordtverstaan de mate waarin een gebied vanandere gebieden is geschei'den door na-tuurlijke barrieres; men denke hier aaneilandsituaties, gei'soleerde ligging vanbergtoppen e.d. Ook hier gdldt dat deisolatie tot uiting zal komen in een ofmeer van de eerste zes kenmerken --bv. het optreden van endemen, dat zijntot een klein gebied beperkte soorten.Vervolgens kunnen nog drie kenmerkenworden onderscheiden die aan het men-selijk beheer zijn gerelateerd:9.Natuurlijkheid, de mate waarin deoecosystemen zich ongestoord (hebben)kunnen ontwikkelen, d.w.z. zonder ofslechts met een ondergeschikte periodie-ke beinvloeding door de mens. Natuur-lijkheid en volgroeidheid hangen aldusmet elkaar samen, in die zin dat hoog-volgroeid tevens hoog-natuurlijk moetzijn. Omgekeerd echter kan een onvol-groeid oecosysteem in een nieuwe en/ofsterk dynamische situatie behalve ,,cul-tuurlijk" ook volkomen natuurilijk zijn.10.Milieuzuiverheid d.w.z. de mate waar-in een gebied is geisoleerd van invloe-den vanuit het omringende urbaan-in-invloed hoofdwegennetdustriele en het produktieve milieu. Mendenke bier aan geringe occupatiedicht-heid, infrastructuur en verontreiniging.Dit kenmerk is ten dele bepaald door denatuurlijke isOlatie, terwijl het tevensnauw samen'hangt met de natuurlijk-heid. Het zal duidelijk zijn dat uitbrei-ding van het hoofdwegennet in de eer-ste plaats een vermindering van cul-tuurlijke isolacie zal betekenen ! De ef-fecten op de overige kenmerken komenin par. 4 ter sprake.11.Onvervangbaarheid, d.w.z. de moeilijk-heid om de oecosystemen van een be-paald gebied te herscheppen. In de eer-ste plaats wordt hier gedacht aan debiologisch-oecologische onvervangfbaar-heid, die men misschien beter (ir-)repro-duceerbaarheid kan noemen. Daarnaastis er (vdlgens een suggestie van Prof.Westhoff) een fysiografische en eenplanologische onvervangbaarheid teonderscheiden (,,is er nog een geschiktuitgangssubstraat" resp. ,,laat de omge-ving het nog toe", vragen die vooral temiken hdbben met de uniciteit resp. demilieuzuivefheid).Het behoeft geen betoog dat de opge-somde kenmerken behalve de reeds ge-signaleerde direkte afhan'kelijkheidsbe-trekkingen nog vele, meer indirekte re-laties bezitten. Ons la^boratorium doetdaarnaar thans een cheoretisoh en sta-tistisch onderzoek. Tot nu toe zijn bijevaluatiestudies (zie par. 5) vooral dekenmerken soorodiversiteit, zeldzaam-heid, natuurlijkheid en/of onvervang-baarheid onderzocht, meestal voor watbetreft de hogere planten, vogels enzoogdieren.Thans zullen de functies kort wordenbesproken waarbij steeds de voornaam-ste functiebepalende kenmerken wordengenoemd. Dit zal geschieden in de reedsgegeven volgorde, waarbij het aandeelvan de natuur in de relatie mens-natuurtoeneemt.De milieuzuiverende functie bestaat o.m.uit de zuurstofproduktie door de groe-ne planten tijdens hun fotosynthese, d.i.de vastlegging van zonneenergie in uitwater en koolzuur opgebouwde kooThy-draten. Lokaal is deze functie stel'ligvan betekenis, al twijfelt men thans aanhet gevaar van een mondiale daling vanhet zuurstofgfihalte, zoals die enkele ja-ren geleden werd voorspeld. De goed-ontwikkelde loofbossen zijn met hungroot bladoppervlak in dit opzicht hetbelangrijkst. Dit geldt ook voor de fil-tering van stofdeeltjes en de absorptievan geluid. De kenmerken volgroeid-heid en grootte zijn bepalend voor dezefunctie. Het lijkt mogelijk deze functiegoeddeels te laten verrichten door opde meest urgente plaatsen aan te bren-gen schermbeplantingen.De openluchtrecreatie is voor onze be-nadering van belang voorzover het aanhet landschap gebonden vormen daar-van betreft. Wat men zou kunnen noe-men: aan het substraat gebonden vor-men, zoals zonnen en zwemmen, of ver-sdhijnselen als bermtoerisme, zijn voorde oecologische functiebepaling nauwe-lijks interessant. De zorg voor dergelijkefuncties hoort meer op het terrein vande mi'lieuhygiene en dat van de stadsin-richting. Wei zijn hier aan de orde spelen sport ,,in de vrije natuur" van vis-sen tot golfen, voorts via wandelen,fietsen en autorijden ,,van de natuurgenieten". De rust die de natuur onsverschaft zou men hierbij nog afzon-derlijk kunnen noemen. Naast specifie-ke kenmerken (viswater e.d.) is hiervooral de afwisseling, de oecosysteem-diversiteit een belangrijk natuurlijk ken-merk.De natuurrecreatie omvat de activitei-ten die een beroep doen op algemenestructuui^kenmerken van het natuurlijkmilieu, zoals afwisseling en beschutting,soortenrijkdom en indrukwekkendheid.In deze categorie horen dauwtrappen enwadiopen zo goed als natuurstudie enzondagsschilderen. Hier vinden wevooral in terug de kenmeI^ken soort- enoecosysteemdiversiteit, zeMzaamheid als-mede de grootte en isolatie.Een nadere typologie van de recreatieen een gedifferentieerde functiebesdhrij-ving van natuur en landschap zijndringend gewenst, ook al in verbandmet indirecte gevolgen van de aanlegvan hoofdverkeerswegen. Met het Bu-reau Smiith-Romeyn dat pionierswerkverricht op het gebied van recreatie-capaciteitsbepaling (zie het rapport overde Westelijke Mijnstreek (36)), bestaatdaaromtrent overleg.De ethisch-esthetische functie valt enigs-zins buiten het schema, zoals uit de in-leiding tot de functiebeschrijving reedsgebleken is. Wanneer we de eerbied-waardigheid en schooriheid van de na-tuur functioneel bezien, dan kunnen wehet vo'lgende opmerken: Echisch en etho-logisch zijn met elkaar verwant (nietalleen taalkundig !) ofwel veel intui'tie-ve en religieuze ethiek is terug te vindenin de huidige algemene gedragscode,,spaar de natuur". Het esthetische mo-tief kan a.h.w. hard worden gemaaktdoor te wijzen op de betekenis vannatuur en landschap voor de psychischebeleving van recreanten (zie eerder)maar vooral ook van kunstenaars enwetenschappers. Vrijwel alle kenmer-ken dragen tot deze functie bij.De cultuurhistorische betekenis van na-tuur en landschap wordt naar mijn oor-deel, na een aanvankelijke erkenning,bv. door F. W. van Eeden, thans onvol-doende beseft. -- Van Eeden voerde hetbegrip natuurmonument in. -- Daaromgaan we er relatief uitvoerig op in. Hetzij toegegeven, dat het gaat om een rela-tief zeer moeilijk te kwantificeren, laatstaan te kapitaliseren functie. Toch be-treft deze essentiele zaken als onze ge-bondenheid aan een uit de jeugd behou-den vertrouwd landschap, aan onze ver-invloed hoojdwegennetbondenheld met het verleden, aan onsbesef van de continuiteit, kortom aanonze beschaving. Om het enigszins grofuit te drukken: n^Iskenning of bagatel-lisering van de culturele waarde is eenvorm van cultuur-barbarij. Met ietsmeer beschaafde woorden verdedigdeDoing (15) het binnenduin-Jlandschapals een bakermat van de Nederlandseoultuur:,,De namen van Willebrord, de gravenvan Egmond en de heren van Bergen enBrederode, Jacoba van Beieren, Descar-tes en Spinoza, Ruysdael, Vondel, Catsen Huygens, Linnaeus, Jacob van Len-nep, Nurks en de Kleine Johannes, Jac.P. Thijsse, Herman Gorter, de Bergenseschilders, Adriaan Roland Hoist enLucebert zijn onverbre'kelijk verbon'denaan deze streek en zijn bossen, vv'aar zijinspiratie vonden voor hun daden. Hetis niet meer dan een daad van ze'lfbe-houd, indien wij elke boom en elke vier-kante meter onbebouwd en onversnip-perd bosterrein hier sparen, zodat de nogoveral te vinden weldadige en typischHollandse sfeer van deze streek gehand-haafd blijft".Men kan opmerken dat de verstarrendeprocedure die Doing hier voorstelt nietin overeenstemming is met de menselijkebeinvloeding van dit landschap waar-aan het juist zijn waarde voor een grootdeel ontleent. Maar tien jaar geledenmoest de natuurbeschermer zich vaaknog star opstelien tegenover starre be-ginselen van natuuraantasting. In iedergeval geeft het citaat go^d weer waarhet om gaat. Er zou dan ook op kortetermijn een landsdhapstypologie op cul-tuurhistorische basis moeten komen, ge-volgd door een evaluatie.De voor deze functie bepalende kenmer-ken zijn vooral oecosysteemdiversiteit,volgroeidheid en milieuzuiverheid.De wetenschapsfunctie behoeft nauwe-lijks toelichting. Het is duidelijk datde veldwetenschappen, in het bijzonderde oecologie, voor hun ontwikkelingvolstrekt zijn aangewezen op natuurge-bieden en -elementen. De vele prakti-sohe, toegepaste belangen die daarmeezijn gemoeid zijn veelvuldig besproken,in ons land vooral door Wes-thoff (39,42) en Morzer Bruijns (27, 29).Het bdang van natuurbehoud blijkt al-leen reeds uit het vdlgende: in dezeeeuw is reeds 4''/o van de inheemse floravan 1400 soorten uitgestorven, terwijlnog eens ruim 40''/o van de Nederlandsesoorten zeldzaam tot zeer zeldzaam isgeworden. Deze soorten, die de onmis-bare objecten voor biologisch onderzoeikvormen, zijn in hun huidige versprei-ding in Nederland vrijwel geheel be-perkt tot besdhermde gebieden, die nietmeer dan S^/o van Nederlands grondge-bied uitmaken.Een overzicht van de grote omvang diehet biologisch onderzoek in zeer vt^aar-devolie natuurreservaten heeft aangeno-men is te vinden in ,,Voorne in de Bran-ding" (10).Een interessant nieuw^ aspect daarbij ishet vo'lgende: In UNESCO-conferentiesover de biosfeer is reeds naar voren ge-braoht dat Nederland een belangrijkerol zou kunnen spelen bij de opleidingvan oecologen die in ontwlkkelingslan-den ikunnen werken (1).De wetenschappelijke bet^kenis wordtdoor vrijwel alle genoemde kenmerkenbepaald; in ons land zijn in het bijzon-der van belang de diversiteit, de zeld-zaamheid en de onvervangbaarheid.De reservoirfunctie komt neer op de be-schikbaarheid van organismen voor ve-lerlei welzijnsdoeleinden. Men denkeaan wilde verwanten van cultuurgewas-sen en huisdieren, waarmee door krui-sing nieuwe vormen kunnen wordenverkregen; aan genees- en prikkelmidde-len, bv. penicilline; aan populaties vangrate hoefdieren die in natuurlijke mi-lieus optimaad kunnen worden geexploi-teerd voor eiwitvoorziening.Nederlandse natuurreservaten zijn reedsherhaaldelijk ingeschaikeld bij de verwer-ving van materiaal voor kruisingen e.d.De kenmerken soortdiversiteit en opti-maliteit zullen vooral meespelen bij debepaling van een reservoirwaarde.De regulatiefunctie is, mondiaal gezien,stellig een der voornaamste functies, zoniet de belangrijkste oecologische faktorin het welzijn van de mens. We moetendit als volgt zien: voor de verwerkelij-king van de primaire levensvoorwaar-den moet een deel van de aardse biosfeertot urbaan-industrieel milieu en een an-der deel tot produktief, agrarisch milieuveranderen. In deze soortenarme uni-forme milieus heerst een geringe bio'lo-gisdhe stabiliteit (men denke slechts aanhet voortdurend optreden van plagen enplantenziekten). De relatief soortenrijkeen stabiele natuurlijke oecosystemen, inhet bijzonder de bossen, kunnen de oeco-logische dynamiek van het cultuurland-schap voor een deel dempen, vandaarspreekt Odum in zijn hierboven vermel-de schema van beschermend milieu.Deze reguierende functie neemt uiter-aard voortdurend af naarmate men deandere milieus laat groeien. Daarbijkomt nog dat de stabiele oecosystemenweliswaar stabiliserend op hun omge-ving kunnen werken, doch uitermategevoelig zijn voor directe en indirecteingrepen van de mens zoals ontwatering,ontbo'ssing en vaak daarop volgendebodemerosie, eutrofiering (d.i. verho-ging van het gehaite aan primaire voe-dingsstoffen als nitraten en fosfaten) envele vormen van water- en luchtveront-reiniging.Niemand kan thans reeds voorspellenop welke wijze en wanneer het mondialebiologische evenwicht fataal zal wordenverstoord, noch hoe en waar en wan-neer dit in delen van de biosfeer zalgeschieden.Voor het kleine Nederland lijkt de grensnog niet bereikt en lijken andere func-invloed hoofdwegennetties meer urgent te worden aangetast.Toch zou hier de gedragscode kunnenworden gevolgd dat bij onwetendheidover de uiteindelij'ke verstoring van hetevenwiaht zo min mogeli|k inkrimpingen zoved mogelijk compenserende uit-breiding van de natuurlijke oecosyste-men moet worden nagestreefd.Evenals de funcciebepalende kenmerkenzijn de functies, die trouwens onderlingniet alle gelijkwaardig zijn, op een in-gewikkelde wijze met elkaar gecorre-leerd, d.w.z. afhankelijk van dezelfdekenmerken die hen bepalen. Het ont-breeikt ons nog aan relatiesohema's vanfuncties en kenmerken waarin we dezeonderlinge betrekkingen kunnen verdui-delijken.Deze zullen edhter in de naaste toe-komst gereedkomen. Wei kunnen weal tot de conclusie komen dat voor onsland als geheel de wetenschappelijke ende cultuurhistorische betekenis van na-tuur en landschap het grootst zijn,waarbij lokaal en regionaal de recrea-tieve betekenis zich aansluit. Het zijnook deze functies die het sterkst doorwegaanleg worden aangetast. Daaroverhandelt de volgende paragraaf, dieeerst aan de orde kan komen na dezevrij uitvoerige besprekingen van func-ties en kenmeAen.4. De invloed van hoofdwegen op defuncties van natuur en landschapZoals gezegd lijken voornameUjk dewetenschappeHjke en cuhuurhistorischefuncties door uitbreiding van het hoofd-wegennet te worden bedreigd. Thans zalworden nagegaan hoe we ons deze be-dreiging moeten voorstellen als moge-lijke achteruitgang in de verschilleridebesprOken kenmerken. Daarbij gaan weuit van een driedelig effect van elkehoofdweg op het daardoor beroerdemilieu: de weg zdf, het vefkeer op dieweg en de secundaire gevoJgen van deaanwezigheid van de weg. Dat we onsbeperken tot hoofdwegen houdt ver-band met het opgegeven kader van dezebijdrage. Voor wegen van secundair oftertiair niveau gelden dezelfde effecten,zij het in het algemeen van een gerin-gere omvang. Het nu volgende over-zicht is voor een deel gebaseerd op deliteratuurstuidie van De Soet (37); dedaarin vermelde specifieke literatuurzal hier niet worden opgesomd.Effecten van de weg1.Direct terreinverliesHet verlies aan terrein bedraagt circa10 ha per km weg. Het StructuurschemaHoofdwegennet idat bij de Tweede Notaover de ruimtelijke ordening is gepre-senteerd, omvat bijna 4000 km nieuwewegen (zie voor dit en andere teohni-sche details noot 13). Dit betekent eenverlies aan grond van 40.000 ha. Dit isniet gering, het is bv. bijna de helft vanhet totaal oppervlak aan natuurreser-vaten in ons land. Wanneer de wegwordt aangelegd in agrarisch g^biedza;l het direkte verlies aan natuurterreinuiteraard gering zijn. Aan de anderekant kan een klein natuurgebied als eenven er volledig door verdwijnen. Eenvoorbeeld daarvan is het wiel bij Ewijkdat grotendee^ls in het trace van RW 75ligt, als gevolg waarvan de daar aan-wezige laatste grote populatie in onsland van het Genadekruid, Gratiola of-ficinalis verdwijnt. Pogingen om hiereen tracewijziging te verkrijgen hebbengefaald. De nu nog resterende tweekleine en achteruitlopende populatiesvan de soort zullen waarschijrilijk nietstandhouden, zodat we bijna mogenstellen dat deze weg ons een soort heeftgekost.2.Veranderingen in de bodem langs de wegDe strook grond aan weerszijden vande weg zal afhankelijk van het van na-ture aanwezige substraat in meerdere ofmindere mate veranderen. Mogelijkeveranderingen zijn o.m.: ontwateringals gevolg van de aanleg van bermslo-ten, chemische veranderingen als gevolgvan na zandopspuiting weglopend wa-ter, plaatselijke ontzandingen langs deweg (vooral in veengebieden) en bodem-veriharding als gevolg van de aanleg eneventueel het veranderde waterregime.Deze invloeden zullen in het algemeenniet ver strekken, maar kunnen wel de-gelijk sterk inwerken op een oligotroof(= voedselarm) vochtig milieu, bv. ineen heidegebied. In het zojuist versche-nen ,,Paarsboek Strabrechtse heide/E 9"van de Werkgroep voor Natuurbehouden Milieubeheer Stadsgewest Eindhovenwordt dit voor een concreet geval naderuitgewerkt.Voor dit waardevolle natuurreservaatkan een doorsnijding door RW 75 ern-stige hydrologische gevolgen hebben --deze weg, die we reeds moesten noemenbij de bijna-uitroeiing van het Genade-kruid en die voorts o.m. nog het dal vande Heelsumse beek emstig aantast enhet natuurmonument Deelerwoud door-snljdt, zal zonder twijfel een grote be-ruchtheid krijgen als voorbeeld van eenvoor de functies van natuur en land-schap wel uitermate ongelukkig gesi-tueerde weg.3.Barrieres hinnen een gebiedDe weg vormt met zijn afwijkend mi-crdklimaat en zijn vaak t.o.v. deomgeving hogere ligging een barrieretussen 'de aan weerszijden gelegen gebie-den. Deze isolatie kan voor vele dier-soorten tot een zodanige opdeling vande popudatie leiden dat de soort uit hetgebied verdwijnt omdat de deelpopula-ties zich niet kunnen handhaven. Voor-beel'den zijn o.m. dagvlinders en grotezoogdieren.invloed hoofdwegennetVerbreking van natuurlijke isolatietussen natuurgehiedenDit gel'dt in het bijzonder voor eilandendie door dammen met elkaar of met hetvasteland worden verbonden. -- Wan-neer een dam niet of niet in de eersteplaats ten be'hoeve van het wegverkeerwordt aangelegd blijft deze beschou-wing van kracht, doch past dan uiter-aard niet meer in het kader van dezebijdrage --.Door deze verbinding treedt uitwisse-ling van organismen op -- zowel vanplanten, via zaden e.d. als van dierene.d. -- wat op den duur leidt tot ver-dringing van soorten en afname van dediversiteit in beide voorheen geisoleer-de gebieden. (Hierover heeft Preston(33) een uitvoerige theoretische studiegesohreven).Effecten van het wegverkeer1.Verlies aan faunaelementen als gevolgvan botsingenVooral grotere zoogdieren en insectenwor'den in grote aantallen gedood opwegen in natuurgehieden. Op deUtredhtse heuvelrug wordt bijv. reedsin de huidige hoofdwegstructuur insommige jaren 25''/o van de reeenpopu-latie gedood door het verkeer. Klein (18)vermd'dt de sterfte van tienduizendenrendieren per jaar in Scandinavie alsgevolg van botsingen. Ook het railver-voer eist daarbij een tol, doch leent zichbeter voor afscherming en onderdoor-gang ter vermindering van het gevaar.In sommige gevallen kan de ligging vaneen weg juist op de overgang tussenverschillende miHeus funest zijn van-wege de binding aan uiteenlopende mi-lieus voor bv. rusten resp. fourageren.Dit heeft o.m. de das teruiggedrongen.Ook vak hier te denken aan het samen-vallen of juist het kruisen van verkeers-wegen en vogeltrekbanen.2.Verontreiniging van de bodemHet gemotoriseerde verkeer veroor-zaakt een verontreiniging van de om-geving van de weg, in het bijzonderbodem en bodemwater. Belangrijke ver-ontreinigende stoffen zijn olie en lood.Volgens Duitse schattingen (zie 37) kanper km autoweg per jaar niet minderdan 2500 kg olie in de bodem terechtkomen, hetgeen gezien de langzame af-braak tot ernstige verstoring van de le-vensgemeenschappen in de bodem kanlei'den. Adriani (9) geeft informatieover de veranderingen in de microflorain de bodem als gevolg van olieveront-reiniging.Lood komt via de uitlaatgassen in ver-schiillende verbindingen in de bodem enkan in onmaddellijk langs de weg voor-komende vegetaties in concentratiesworden aangetroffen die 100 x zo hoogals normaal zijn. Deze concentraties zijnzeer giftig voor plantenetende zoogdie-ren. Op den duur zullen de meeste plan-tensoorten bij dergelijke en nog hogereconcentraties geen stand kunnen hou-den, doch t!hans zijn daarvoor nog geenconcrete aanwijzingen gevonden.Daarnaast vormen stof en afval eenduidelijke verontreiniging, die vooral invochtige, voedselarme gebieden op denduur tot biologisdhe verarming zal lei-den. Ook komen verontreinigingen in deomgeving van wegen via het beheer.Te noemen zijn zout bij de gladheidsbe-strijding en overtollige kunstmest enherbiciden (onkruiddodende stoffen) bijhet beheer van wegbermen. Over dezoutbelasting vermeldt De Soet reedswaarden van 1500 kg zout per km auto-weg per strooibeurt ! In totaal werd inde winter van 1969/1970 500.000 tonzout gestrooid, hoofdzakelijk Natrium-chloride. Schade aan langs de wegenaang^bradhte beplantingen is reeds opvele plaatsen geconstateerd. (Men zieo.m. Guldemond (16). Veranderingen inde flora langs de wegen zullen steoptreden. Tot nu toe zijn daarvoor nogsledhts incidentele aanwijzingen gevon-den.Van het gebruik van herbiciden is doorZonderwijk (44) een uitstekende evalua-te gegeven. Zijn besohouwingen hebbenallereerst betrekking op de flora van debermen en tonen de adhteruitgang daar-van duidelijk aan.In het algemeen kan van deze veront-reinigingen worden gezegd dat hun in-vloed geleidelijk groter wordt en vaaknog moeilijk kan worden aangetoond.Het rapport over de Strabrechtse heidegeeft in een interessante berekening aanhoe in een concrete hydrologisch gevoe-lige situatie binnen enige tientallen jareneen biologische verstoring kan optreden.Tenslotte moet hier nog worden vermelddat ook luchtverontreiniging optreedt,als gevolg waarvan schade aan plantenoptreedt, in het bijzonder aan korstmos-sen. Afgezien van de landelijke achter-uitgang die op indrukwekkende wijzedoor Barkman (12) is aangetoond kanop vele plaatsen een lokale achteruit-gang, vooral in gebieden met eiken-berkenbos worden verwacht.VoUedigheidshalve vermelden we nogdat de genoemde verontreinigingen na-tuurlijk niet alleen in natuurgehiedendodh ook elders optreden en dat dezebelasting milieuhygienisch gezien over-al bezwaarlijk is. Aan de andere kantzijn technisch de mogelijkheden aanwe-zig de milieuverontreiniging door ver-keerswegen stenk terug te dringen.3.Versterking van de barrieres binnen eengebiedDe door de wegen zelf reeds aange-brachte barrieres worden door het weg-verkeer aanzienlijk versterkt. De sterfteonder het overstekend wild vermindertde kansen op de voor vele soorten zobelangrijke uitwisseling tussen deelpopu-laties. Voor grotere roofvogels is zeerinvloed hoojdwegennetwaarschijnlijk gemaakt dat zij een zekerminimum-areaal aan rustgebied behoe-ven. Veelal wordt door versnippering ende onrust van wegen in een bepaaldgebied hieraan niet meer voldaan. Voorde provincie Utrecht heeft Alleyn (11)aangetoond hoe zeer ,,de vrije ruimteeen schaars goed" geworden is. Tussen1950 en 1967 nam in deze provincie hettotaaloppervlak aan op meer dan 1 kmvan een verharde weg of spoorweg ge-legen gebied af van ll,5"/o tot 2,3''/o.4.Vermindering aan stiltegebiedenIn aansluiting op het voorgaande moetde drastische vermindering aan stiltege-bieden worden genoemd als een van degevolgen van de steeds verdergaandedoorsnijding van ons land en zijn laatstegrote natuurgebieden. Behalve funestvoor het voortbestaan van bepaaldezeldzame rustzoekers onder de dierenis deze verontrusting een bedreiging voorstiltezoekende rustbehoevende mensen,die eveneens zeldzaam zijn, maar daar-om niet verwaarloosbaar.Indirekte efjectenIn het algemeen betekent een nieuweverkeersweg in een gebied een verbeter-de ,,ontsluiting" daarvan. Dit kan be-tekenen dat allerlei cultuurtechnischemaatregelen in de wijdere omgeving vande weg mogelijk of aantrekkelijk wor-den -- meer intensieve terreinbeharide-ling, ontwatering, rationalisatie van bos-bouw enz. --. Ook de recreatiedruk opbepaalde daarvoor minder geschikte ge-bieden kan erdoor vergroten. Aanlegvan benzinestations, parkeerplaatsen,kampeerterreinen, recreatieoorden enz.versterkt deze tendentie veelal. Dit zalminder gelden naarmate de verkeers-weg meer het karakter heeft van eendoorgaande hoofdweg. In dat gevaldreigt evenwel het effect van suburbani-satie en subindustrialisatie. De plannenvoor een hoofdverkeersweg in een ge-bied brengen de lokale bestuurders, wo-ningbouwers en industrielen vaak in eenzekere staat van opwinding. Men heeftdit weer eens goed kunnen merken toende plannen voor RW 3 van Amsterdamnaar Rotterdam kort geleden opnieuwin de publiciteit kwamen. Hier ligt hetGroene Hart van Holland -- oecolo-gisch gezien is het meer een GroeneLong, zo niet een Groene Nier ! --. Degemeenten in de buurt van het tracepopelen reeds bewoners uit de metropo-len aan te trekken die nog maar eenluttel aantal ,,autominuten" van hunwenk zouden komen te wonen. Het ne-gatieve effect van de weg zou door ditsoort ontwikkelingen vcle malen ver-sterkt worden.Effecten op het landschap als geheelIn het voorgaande kwamen de verschil-lende bedreigingen van de wetenschap-pelijke functie door wegaanleg naar vo-ren. Behalve de tot nu toe genoemde ef-fecten op de levensgemeenschappen moe-ten de effecten op het landschap als ge-heel worden genoemd.Hier is vooral de cultuurhistorischefunctie in het geding.Voor zover het zich thans laat aanzienis de door wegen toegebrachte schadeaan het landschap en aan de belevings-waarde ervan in vele gevallen even ern-stig als de schade aan natuurweten-schappelijke waarden. Wegen hebbenzowel in de breedte als vaak ook in dehoogte een afmeting die het aanwezigestructuurpatroon in het landschap vol-ledig verstoort en tevens de visuele re-latie en de biDdingsmogelijkheden voorde mens uit de omgeving verbreekt. Ditaspect heeft vanouds onder de noemer,,vernieling van natuur- en landschaps-sdhoon" meegespeeld in de protesten,doch het lijkt in een aantal gevallen tenonrechte in de schaduw van het weten-schappelijke motief te zijn geraakt.Het cultuurhistorisch aspect is in zo-verre ook in het nadeel dat het moeilijkkwantitatief te waarderen is. Dit mager evenwel niet toe leiden dat men er bijhet overleg minder rekening mee houdt.Een typologie en evaluatie van land-sdhappen naar dit gezichtspunt is gege-ven deze situatie een urgente opgavevoor de landschapsdisciplines!ConclusieDe hoofdverkeerswegen hebben naasteen eventuele gunstige invloed op deopenluchtrecreatie een negatief effectop de wetensohappelijke en de cultuur-historische functie en in aansluitingdaarop de natuurrecreatie en de ethisch-esthetische functie. Van de genoemdefunctiebepalende kenmerken van doorwegen doorsneden gebieden wordenvooral in negatieve zin bei'nvloed de di-versiteit en de optimaliteit van soortenen levensgemeenschappen, de uniciteit,de natuurlijke isolatie, alsmede de groot-te en milieuzuiverheid van de gebieden.In concreto komt dit neer op eliminatievan kleine natuurgebieden, versnippe-ring, verontrusting en verontreinigingvan grote natuurgebieden en verstoringvan het harmonische structuurpatroonvan oude cultuurlandschappen.5. Evaluatie van natuur en landschapHet negatieve effect van hoofdwegenop bepaalde natuur- en landschapsgebie-den zal des te groter zijn naarmate eenof meer functies in die gebieden meeruitzonderlijk zijn ontwikkeld. Het isdus zaak de functie-bepalende kenmer-ken zodanig op basis van vergelijkendonderzodk op hun regionale of nationalebetdkenis te sohatten dat een waardebe-paling ofwel evaluatie van een gebiedmogelijk wordt. In ,,Voorne in de Bran-ding" is met ideze meer kwantitatieveaanpak een begin gemaakt. Zoals reedsin par. 3 werd opgemerkt zijn tot nutoe vooral de soortdiversiteit, de zeld-zaamheid van soorten en gemeenschap-10invloed hoofdwcgcnnetpen, de natuurlijkheid en/of de onver-vangbaarheid beschreven.Aan de soortdiversiteit is tot nu toe demeeste aandacht besteed. Enerzijdswordt dit in de hand gewerkt door debetr^kkelijk gemakkelijke bepaling er-van, anderzijds door de theoretische be-tekenis van de diversiteit. Variatie aanorganismen betekent inwendige stabili-teit, gaat samen met zeldzaamheid vaneen deel der soorten en houdt een hogegraad van natuurlijkheid, uniciteit enonvervangbaarheid in. Behoud van ge-bieden met een hoge diversiteit is daar-om een der hoofdprincipes van het na-tuurbehoud. Westhoff vervatte dit reedsin 1955 op modern-informatietheoreti-sche wijze in zijn omschrijving van na-tuurbehoud: ,,de wljsgerige achtergrondvan het natuurbeschermingsstreven isderhalve het streven naar behoud vaneen maximale differentiatie in de na-tuur, naar een zo groot mogeHjke ,,ek-tropie", dus naar een tegengaan van deriivellering die haar urtdrukking vindtin de tweede hoofdwet der Thermody-namica". Van Leeuwen (19-21) heeftdit later uitgewerkt tot een systeemtheo-retische natuurbesdhermingsleer.De zeldzaamheid van bepaalde miheu-typen, die in bepaalde gevallen nietsoortenrijk zijn, doch wel een hoge graadvan natuurlijkheid bezitten en zeldzamesoorten bevatten en daarmee een hogeunioiteit bezitten, betekent een tweedebelangrijke mogelijkheid voor een hogewaardescore van een bepaald gebied.De overige genoemde kenmerken wor-den wel direct globaal geschat. Zoalsreeds werd vermdd, is nog veel onder-zoek nodig om de onderlinge afhanke-lijkheid en belangrijkheid van de ken-merken vast te stellen.In afwadhting daarvan moeten evalua-ties een sterk vergelijkend karakter dra-gen. Dit is in de praktijk ook het geval,veelal wordt een soort regionaal of lan-delijk gemiddelde als norm genomen eneen aantal klassen van oplopende meerdan normale waarden onderscheiden.(Men zie hiervoor o.m. 3, 5, 10, 23, 25,38).Bij de evaluatie van gebieden wordt al-dus de actuele betekenis gemeten. Voorveel overleg t.a.v. de ruimtelijke orde-ning van een gebied en de bestemmingvan gebiedsdelen is het gewenst een ideete verkrijgen over de potentielc oecolo-giscjhe betekenis van gebieden. Een zgn.milieupotentie'kaart kan een oecologi-sohe grondslag vormen voor natuur'bouwen landschapsontwikkeling in reedsstefk genivelleerde gebieden (38).Bij confrontatie van het oecologlschwaardepatroon van een bepaald gebiedmet een bepaalde ingreep dient a.h.w.een devailuatiepatroon te worden opge-steld teneinde de oecologische gevolgenvan de ingreep zo exact mogelijk tekunnen aangeven. Dit is o.m. gebeurdin de studies over de gevolgen van deafsluiting van de estuarien In Z.W.-Nederland en van de eventuele Waal-bochtverlegglng bij Nijmegen (3,5).6. Toetsing van het hoofdwegennet inZ.W.-Nederland resp. Overijssel enDrente met een oecologische evaluatievan natuur en landschapa.Z.W.-NederlandDe reeds meer genoemde studle over deblologische rijkdommen van Z.W.-Ne-derland, die binnenkort als deel van eenuitvoerige puHicatie over de toekomstvan dit gebied zal verschijnen, geeft Ineen aantal kaarten de biologische enlandsohappelijke waarden weer. Opgrond van vegetatiekundige, floristlscheen diverse faunistlsche gegevens vooralt.a.v. diversiteit, zeldzaamheid en optl-malltelt Is een geintegreerde waardebe-paling uitgevoerd. Daarbij is de toe-stand van voor de uitvoering van deDekawenken, ,,1970-", resp. erna.,,2000 + ", weergegeven. (Deze beidekaarten zijn tevens opgenomen In hetJaarverslag van de RPD over 1970 (4).Fig. 2 (zie volgende biz.) geeft daarvande situatie 1970-- met betrekking tot delandgebieden tezamen met het corres-ponderende gedeelte van het Structuur-sohema Hoofdwegennet. De geinte-greerde biologische waarden zijn onder-gebracht in vier (klassen: A: waarde zeergroot, B: waarde groot, C: waarde ta-melijk groot en D (wit op de kaart):waarde geringer.Voor grote agrarlsche gebieden metdaarblnnen belangrijke natuurlijke ele-menten zijn de categorieen B en C ge-arceerd weergegeven. Men merke daarbijop dat, bv. in het Europoortgebied, desituatie 1970-- door die van ,,1970 + "volledig achteAaald is! We zien dat demeeste zeer waardevolle gebieden ge-legen zijn aan de kust (Voorne, Goeree,Walcheren) of juist aan de oostzijde(Biesbosch, Verdronken Land van Saaf-tinge).Bezien we nu het wegennet van hetstructuursdhema, dan blijken In totaalvijf grote Noord-Zuid-verblndingen enzes grote Oost-West-verblndingen (waar-van twee op Voorne-Putten) te zijn ge-projecteerd. Het Rijkswegenplan 1968vermeldt slechts drie N-Z-verbindingen,RW 57, de dammenweg, RW 17, Rot-terdam-Moerdijk-Bergen op Zoom enRW 19 van Den Haag over het Helle-gatspleln naar Roosendaal die gereed isvoor wat betreft het traject aan weers-zijden van het Haringvliet; van deO-W-vefbindlngen vinden we terug dereeds voor een deel voltooide RW 58door Zuid-Beveland en Walcheren, RW18 over Flakkee en Schouwen-Duive-land die grotendeels als tweestrooksweggereed is, alsmede RW 15 op Voorne-Putten die In aanleg Is.In de nota ,,De ontwikkeling van Zuld-west-Nederland" (6) wordt de situatie11invloed hoofdwegennetvan de N-Z-verbindingen als volgt ge-interpreteerd: Volgens het vigerende uit-voeriingsprogramma dat tot 1976 Joopt,voorziet, afgezien van de reeds functio-nerende RW 17, in een N-Z-veribindingde Zeelandroute, die opgebouwd is uitde eigenlij'ke meer O-W-verlopendeRW 18 en RW 19 en RW 29 aan denoordzijde en de secundaire weg 11 vanSchouwen naar Zuid-Beveland. De dam-menweg zal eerst na 1975 tot een hoofd-verbinding worden. Hoe is nu de rela-tie tussen de verschiilende wegstructuur-sohema's op kortere en langere termijnenerzijds en de huidige oecologiscliestructuur anderzijds ?Het structuuurschema als geheel laatvrijwel geen enkel hoogwaardig natuur-gebied ongemoeid -- bv. VerdronkenLand van Saaftinge, Beninger en Koren-dijkse Siikken, Biesbosch --. De dam-menweg doorsnijdt op aile eilanden dezeer waardevolle duingebieden, zij hetaan de rand, al kan dit op zich reedsfig. 2. Biologische waarden en het Structuur-schemu Hoofdwegennet in Zuidwest-Nederland.12invloed hoojdwegenneternstige gevolgen hebben. Van deze wegmag evenwel een sterke secundaire wer-king worden verwacht, in het bijzonderwat betreft recreatle-'ontwikkeling. Opgrond van oecologische gezichtspuntent.a.v. zowel de huidige duing^bieden alsde te verwadhten natuurgebieden in deVoordelta moet de dammenweg alshoofdverkeersweg dan ook worden af-gewezen. Uiteraard is het dammenstel-sel op zich niet meer weg te denken, hetgaat om de insdhakeHng van deze routebij het doorgaand verkeer Randstad-Waldheren en bij de aanvoer van recre-anten.De Nota Ontwikkeling Z.W.-Nederlandmemoreert wel de uitzonderlijke bete-kenis van de kuststreek, doch signaleertmiet deze negatieve invloed van de dam-menweg. Wel wordt in de nota gepleitvoor een open gebied in de Middendelta.Voor de handhaving daarvan is de oos-telijk van de dammenweg geplande ver-binding Maassluis-Zierikzee weinig aan-vaardbaar. In feite is de enige huidigeN-Z-verbinding ook de enige oecologi-sch aanvaardbare, althans tot aan RW58 !Van de O-W-verbindingen zijn de mees-te reeds in ontwikkeling en relatief wei-nig bezwaarlijk. De verbinding doorZeeuws-Vlaanderen is evenwel zeer on-gelukkig gesitueerd.Het blijkt aldus dat een confrontatie vanhet Structuurschema Hoofdwegennetmet het ,,structuurschema" van de mi-lieuwaarden versdheidene conflictsitua-cies oplevert. Afgezien van detailproble-men die bij een zo gunstig mogelijke lo-kale tracering nog kunnen worden op-gdost, levert uitvoering van het gehelestructuurschema ernstige bezwaren op,die via het kaartbeeld van fig. 2 gemak-kelijk zijn op te sporen.Tevens blijkt dat de huidige ontwikke-lingsfase in de wegaanleg nog zo weinigver gevorderd is dat nog allerlei oeco-logisch ongelu'k'kige uitbreidingen kun-nen worden afgewend. Het zou te vervoeren het ,,of" en ,,hoe" van alterna-tieve routes hier te bespreken.b.Overijssel-DrenteIn het kader van een studie van deactuele natuurwaarden en de milieupo-tenties in de provincie Overijssel en wij-dere omgeving door de Provinciale Pla-noiogische Dienst van Overijssel, waar-bij ik als adviseur betrokken ben, werdeen globale kartering van de natuurlijk-heidsgraad in O.- en N.-Nederland uit-gevoerd. Over deze kartering zal bin-nenkort een rapport van de PPD Over-ijssel en de afd. Geobotanie te Nijme-gen versohijnen. Voor details over demethode en de resultaten zij naar ditrapport verwezen. In fig. 3 (zie volgen-de biz.) is het resultaat van de karteringvoor een deel van het studlegefbied,voornamelijk de provincies Overijssel enDrente omvattend, weergegeven. We-derom is het betreffende gedeelte vanhet Structuurschema Hoofdwegennet in-getekend. Eerst volgt nu een 'korte toe-liohting op de kaart: de natuurlijkheids-graad van een oecosysteem geeft aan inwelke mate dat oecosysteem een onge-stoorde, d.w.z. niet door de mens be-invloede ontwikke'ling heeft doorge-maakt dan wel zich heeft ingesteld opeen relatief geringe op gezette tijdenterugkerende menselijke ingreep, bv.jaarlijks maaien.Op grond van deze overweging is eentiendelige schaal opgesteld lopend van1, volledig gestoord tot 10, volstrektonberoerd door de mens. Om een recen-te term van Van Leeuwen (in publica-tie) te gebruiken: de hoeveelheid aanhet oecosysteem anthropogeen toege-voegde dynamiek neemt van 10 naar 1steeds meer toe.In klasse 2 zijn o.m. geplaatst de akkers;in 3 o.m. de cultuurgraslanden; in 4 o.m.de vochtige gras'landen; in 5 o.m. deheggen, oude dijken, jong naaldbos; in6 o.m. de heiden, houtwallen, jongeloofbossen, oude naaldbossen; in 7 o.m.de moerassen, duinstruwelen; in 8 o.m.de kwelders, hoogvenen, oude loofbos-sen; in 9 o.m. de slik'ken, bronbossen.In deze reeks vindt men de veel ge-bruikte globale schaal van Westhoff(23, 38, 41) zonder moeite terug: deklassen 2 t/m 4 komen overeen met decultuurlandschappen (flora- en vegeta-tiestructuur verregaand door de mensbepaald), de klassen 5, 6 en 7 met dehalfnatuurlijke landschappen (vegeta-tiestructuur door de mens bepaald, dochflora grotendeels spontaan), de klassen8 en 9 met de nagenoeg natuurlijkelandschappen (flora en vegetatiebeeldgrotendeels spontaan tot ontwikkelinggekomen).Op grond van de bodemkaart 1:200.000,een fysiognomische landschapskaart inontwerp door H. F. Smit (Utrecht) ende topografisohe kaarten 1:50.000 werdhet studiegdbied verdeeld in landschap-pelijk homogene eenheden -- gemiddel-de grootte 50 ikm2 --. Vervolgens wer-den de oeoosystemen per gebied op detopografische kaart geinventariseerd enwerd per gebied een natuurlijkheids-waarde berekend op basis van het aan-deel dat de verschillende oecosystemendaarin hebben.Uit Nijmeegs onderzoek, dat nog niet isgepiibliceerd, werd de voorlopige con-clusie getrdkken dat deze natuurlijk-heidswaarde een redelijke schatting vande ge'integreerde oecologische waardevan de gebieden mogelijk maakt. De al-dus verkregen natuurlijkheidswaardenper gebied zijn ondergebracht in eenvijfdelige schaal volgens dit schema:categoric natuurlijkheidswaardeA ^ 3,5B 3,6 - 4,5C 4,6 - 5,5D 5,6 - 6,5E > 6,51314invlocd hoofdwegennet^-- jig. 3. Natuurlijkheidswaarden en het Struc-tuurschema Hoofdwegennet in Overijssel-Drente.In de figuur zijn alle op de oorspronke-lijke kaart aaneensluitende gebiedenvan dezelfde waardeklasse samenge-voegd. Gezien de bovenvermelde om-schrijving van de natuurlijkiheldscijfersen gegeven de omstandigheid dat na-tuurrijke cultuurlandschappen een ge-middeld lagere waarde bezitten dan dedaarin gelegen natuurgebieden, kunnende natuurlijkheidscategorieen C, D en Eals waardevol tot zeer waardevol wor-den aangemerkt. Binnen de gebiedenvan categorle C en D zijn de niet afzon-deriij'k in te tekenen natuurgebieden(i.h.a. met een opp. van meer dan 20ha) met een waarde > 6,5 als ster opde kaart aangegeven.Het kaartbeeld toont de ligging van devoornaamste waardevolle gebieden: hetFriese Merengebie'd, vrijwel geheelDrente, in het bijzorider ewkele uitge-strekte heide-, ven- en/of hoogveen-complexen zoals Fochteloer Veen enDwingelose Heide, het moerasgebiedvan N.W.-Overijssel, de OverijsselseVecht en omgeving, de uiterwaardenvan de IJssel, de Veluwe, de stuwwalmet Lemeler- en Holterberg en last butnot least Twente, i.h.b. Z.- enO.-Twente.Bezien we nu het wegennet: In Drenteligt de situatie zeer moeilijk. De huidi-ge verbinding Meppel-Hoogeveen-As-sen, RW 3, zou zo lang mogelijk als eni-ge doorgaande route moeten worden ge-handhaafd. De geprojecteerde RW 6over Emmeloord naar Groningen die inde inleiding al werd genoemd, door-kruist eerst het zeer waardevolle moe-rasgebied van N.W.-Overijssel en maakteen eventuele (zeer wenselijke) ,,natuur-lijke" hereniging van de beide grote re-servaten de Wieden en de Weerribbenonmogelijk. Vervolgens doorkruist dezeweg over de voile lengte het overgangs-gebied tussen het Drents Plateau en Ze-venwouden, waarbij het FodhteloerVeen rakelings wordt gepasseerd. Zoalsde RPD in het jaarverslag 1970 reedsnaar voren heeft gebracht zou RW 6beter niet vender dan tot Emmeloordkunnen lopen. Vandaar is een verbin-ding met Groningen denkbaar via RW50 en 43 (het trace van RW 50 tussenLemmer en Heerenveen zou lets meerwestelijk duidelijk beter liggen).De verbinding Kampen-Coevorden-Emmen, die trouwens niet op het rijks-wegenpian 1968 voortkomt, ligt weiniggelukkig en zou voorshands kunnenworden ,,opgevangen" door RW 34. Hetstructuurschema geeft voor laatstge-noemde weg westelijk van Ommen eenzuidelijk van de Vecht verlopend on-gunstig trace aan. In wefkelijkheid ligtde weg hier echter ten noorden van deVeclht! Een onge'lukkige verbinding isook die van Twente langs Zwolle naarSteenwijk die o.m. aan het moerasge-bied raalkt. Laatstgenoemde verbindin-gen zijn overigens ondertussen reedsweer van de kaart! Het hele Twentsegebied, maar vooral het oostelijk decl isoecologisch gezien zeer gevoelig. Mettraceversdhuivingen valt hier weinig tebeginnen. De enige duidelijke verbete-ring in oecologisch opzicht zou hier eenverkleining van het aantal wegen zijnmet een zo effectief mogelijke tracering.Vooral de uitlopen van RW 1, 15 en 35oostelijk van de Twentse steden zoudenzorgvuldig moeten worden getraceerd.Op deze wijze kunnen we aan de handvan globale milieukarteringen een glo-bale visie over de oecologische inpassingvan het hoofdwegennet geven. Meer daneen globa'le visie kao dat niet zijn.Voor meer gedetailleerde beschouwin-gen waarbij odk het provinciale wegen-net onder de tloep genomen moet wor-den zijn meer gedetailleerde karteringennodig. Hoe gewenst die zijn blijkt inOverij'ssel alleen al uit de perikelen omde S 23 door het landgoed Twiokel. Ge-lukkig spant de PPD van deze provinciemet voortvarendheid dergdijke karte-ringen aan in samenwerking met biolo-gen. Een studie van het streckplange-bied IJssdlval'lei werd ondertussen reedsvokooid.7. BesluitUit het voorgaande is duidelijk gewor-den dat hoofdwegen een grote invloedhebben op de betdkenis, vooral in we-tensdhappelijke en cultuur'historischezin, van natuur en landsdhap. Even dui-delijk is het dat deze invloed uitermatecomplex is en grotendedls indirect enbijna steeds zeer moeilijk exact is aante geven. Wei is het mogelijk verschil-len in oecologische bezwaarlijkheid vansituering en tracering van wegen aan tegeven op gromd van een evaluatie vannatuur en landschap. Het is mdde indat opzicht dringend gewenst dat eenglobale landschapsoecologische evalua-tie tot stand komt. Gelukkig is thans deRijksplanologische Dienst toe aan hetopnemen van een dergelijke evaluatiein zijn ,,Werkproces Ruimtelijke Orde-ning Nederland" en zal op instigatievan deze dienst in 1972 het bedoeldeonderzoek onder auspicien van hetRijksinstituut voor Natuurbdheer vanstart gaan.Ook op provinciaal niveau zal d.m.v.evaluaties en milieukarterinigen een ge-detailleerde onderbouw moeten komenvoor een meer evenwichtig beleid t.a.v.verkeerswegen. Het werk van de PPDOverijssel in deze richting mag hier metwaardering worden genoemd.Hoe nodig en nuttig dergelijke oecolo-gische studies kunnen zijn wordt nogeens goed duidelijk wanneer men hetdoor Bos (14) opgestelde kaartje (ziefig. 4) van de totale vervoersinfrastruc-tuur van Nederland in het jaar 200015invloed hoofdwegennetfig, 4. Het door Ir. P. Bos opgestelde kaartjevan de totale vervoersinfrastructuur van Neder-land in het ]aar 2000.liM16invloed hoojdwegennetbeziet. Tegenover dit ,,schrik"beeld zaleen oecologisch beeid moeten wordenopgebouwd dat ons kan behoeden vooreen volledig versnipperd, verontrust enverarmd Nederland.Vooruitlopend op meer gedetailleerdeoecologische beschouwingen over wegenvoi'gen hier alvast vijf stellingen:1. De maaswijdte van het hoofdwegen-net dient zo groot mogelijk te blijven.Dit boudt o.m. In: uitbreiding van decapaciteit van bepaaide bestaande we-gen en ontlasting van andere reedsbestaande maaswijdte-verkleinende we-gen. Dit is een wegenplanprobleem,waarmee o.m. samen'hangt de vraagnaar de beste ontsluiting binnen de (ver-)gro'te mazen (zie o.m. 24).2. De macrogradlenten in ons land-schap dienen voorzover zij nog oecolo-gisdhe betekenis bezitten te worden ge-spaard bij de aanleg van nieuwe hoofd-wegen. Dit Is zowel een wegenplan- alseen traceringsprobleem.3. Natuur- en landschapsgebieden meteen hoge oecologische en/of cultuurhis-torische waarde moeten worden ontzien.Dit zijn vooral traceringsproblemen.4. Voor een oecologische toetsing vanwegenplannen Is een landelljke karte-rlng van de natuurwaafden dringendgewenst (schaal 1:200.000 a 600.000).Voor toetsing van loka^le traces dienenlokaie karterlngen te worden ultgevoerd(schaal 1:10.000 a 50.000).5. Vooral bij het overleg over plannenen traces van hoofdwegen op provin-claal niveau dienen, bij voofkeur bij dePPD's aan te stellen oecologen stelsel-matig te worden betrokken.U hebt uit dit korte en enlgszins ge-comprimeerde betoog in leder geval welbegrepen, dat de oecologle, i.h.b. delandsdhapsoecologie nog veel methodischen nog veel meer praktisch werk voor deboeg heeft. De samenleving zal dit werkedhter wel met voile kracht moetensteunen, want op de huldlge gebrekkigepersonele en materlele grondslag kunnenwlj welnig beglnnen. Daarnaast zal deoecoloog waar hij kan In discussie moe-ten treden met vertegenwoordigers vanandere belangen en zlch moeten wagenin een voor hem vreemde infrastructuur,zoals het NIROV. Dit laatste is dan bijdeze geschied.Literatuur1Anon., 1968. Wereldwijde zorg over envoor de blosfeer. Verslag van de Neder-landse delegatle naar de Intergouverne-mentele Conferentie te Parljs. DenHaag, Ministerie CRM, 31 pp.2Anon., 1970. Het oecosysteem. Verslagvan de Oecologendag op 10 dec. 1969,gewljd aan het oecosysteem. Contactbl.Oecologen 6-1, pp. 1-70.3Anon., 1970. Biologische rljkdommen inZ.W.-Nederland. Rapport WerkgroepMilieukaart Z.W.-Nederland. Oost-voorne.4Anon., 1971. Jaarverslag 1970 Rljks-planologische DIenst. StaatsultgeverljDen Haag, 267 pp.5Anon., 1971. Oecologische evaluatie. Bij-lage afd. Geobotamie bij het rapportStadsgewestelijke evaluatie van alterna-tieve Waalbochtafsnijdingen. Plan. Inst.Nijmegen, 30 pp.6Anon., 1971. De ontwikkeling van Zuld-west-Nederland. Rapport Rijksplanol.Comm. Staatsultgeverlj Den Haag, 152pp.7Anon., 1971. Weg en Landschap. Con-gresdag 1971 Ver. Ned. Wegencongres,84 pp.Anon., 1972. Paarsboek StrabrechtseHelde. Werlkgroep Natuurbehoud Mi-lleubeheer Stadsgewest Eindhoven, 60pp.9Adriani, M. J. 1970. Bodem en bodem-verontreinlglng. In: J. C. van de Kamer(Red.) Het verstoorde evenwidht.Utrecht, pp. 49--59.10Adriani, M. J. en E. van der Maarel.1968. Voorne in de branding. Oost-voorne, Sticht. Wet. Duinond., 104 pp.11Alleyn, F. 1970. De vrije ruimte, eensdhaars goed. Natuur en Landschap,24-1, pp. 124--139.12Bar'kman, J. J. 1969. The influence ofair pollution on bryophytes and lichens.In: ,,Air Pollution", Wageningen PU-DOC, pp. 197--209.13Beukers, B. 1966. Het StructuurschemaHoofdwegennet 1966. In: Het Lande-lijk Wegennet in de toekomst. DenHaag, pp. 39--71.14Bos, P. 1972. Mens-ekologle en ruimte-lljke ordenlng: een hypothese. In: L. H.Klaassen (Red.) Ruimitelljke Econo-mle. Woikers-Noordhoff, Groningen(1972).15Doing, H. 1963. De buitenplaatsen enbossen langs de binnenduinrand vanNoord- en Zuid-Holland. Natuur- enLandschap 16, pp. 261--281.16Guldemond, J. L. 1971. Gladheidsbe-strljding en beplantingen. Rapport stu-dlebljeenkomst Ned. ver. van Hoofdenvan Gem. Beplantingen.17Hofstra, S. 1945. De houding van denMensch tegenover de Natuur. Arnhem,van Loghem Slaterus, 93 pp.17invloed hoofdwegennet18Klein, D.R. 1971. Reaction of reindeerto obstructions and disturbances. Science173, pp. 393--398.19Leeuwen, C. G. van. 1965. Het verbandtussen natuurlijike en anthropogene land-schapsvormen bezien vanuit de betrek-kingen in grensmilieus. Gorteria 2, pp.93--105.20Leeuwen, C. G. van. 1966. Het bota-nische beheer van natuurreservaten opstructuur-oecologisdhe gron'dslag. Gor-teria 3, pp. 16--28.21Leeuwen, C. G. van. 1967. Tussen ob-servatie en conservatie. Li: 10 jarenRIVON. Zeist, pp. 38--58.22Maarel, E. van der. 1970a. De functievan Zuid-Kennemerland voor het alge-meen welzijn, in het bijzonder voorwetenschap en cultuur. Voordracht Nat.besch. Commissie Zuid-Kennemerland.stencil, 15 pp.23Maarel, E. van der. 1970b. Biologischeevaluatie van natuur en landschap tendienste van natuurbehoud en milieube-heer. In: Groeten uit Holland. Weten-schap en samenleving 24-7, pp. 10--20.24Maarel, E. van der. 1970c. De Ooypol-der, biologische evaluatie van natuur enlandschap. Natuur en Laridschap 3,pp. 201--223.25Maarel, E. van der. 1971. Florastatis-tieken als bijdrage tot de evaluatie vannatuurgebieden. Gorteria 5, pp. 176--188.26Meel, W.A.S. van. 1966. Het landelijkwegennet en de provincies. In: Hetlandelijk wegennet in de toekomst.Den Haag p. 72--91.27Morzer Bruijns, M. F. 1965. Natuurbe-houd als gemeenschapsbelang. RedeWageningen. 20 pp.28Morzer Bruijn, M. F. 1970. Zoologischonderzoek als grond'slag voor de keuzevan natuurreservaten. In: J. C. van deKamer (Red.) Het verstoorde evenwichtpp. 150--162.29Morzer Bruijns, M. F. 1970. Natuurbe-houd voor onderzoek. In: Groeten uitHollan'd. Wetenschap en Samenleving24--7, pp. 4--9.30Nelissen, N. J. M. 1971. Ecosysteemen milieuproblematiek. Intermediair 7,nr. 31, pp. 17--19.31Nelissen, N. J. M. 1971. Ecologie eneco-systeem. Intermediair, 7 nr. 30, pp.13--17.32Odum, E. P. 1969. The strategy of eco-system development. Science 164, pp.262--270.33Preston, F. W. 1962. The canonical dis-tribution of commonness and rarity.Ecology 43, pp. 185--215, 410--432.34Schroevers, P. J. 1969. Biologisch waar-deoordeel. R.I.N. Zeist. Stencil, 16 pp.35Smidt, J. T. de. 1970. De leefbaarheiden het biologische milieu. Utrechtse Uni-versitaire Reflexen 1--28, pp. 1--4.36Smitih-Romeyn. Mijnstreek-Basisplanvoor de openluchtrecreatie. Eindhoven.Bureau voor landschapsarchitektuur enrekreatie Elna Smith-Romeyn. 78 pp.+ ibijl.37Soet, F. de. 1969. Gevolgen van eeneventuele aanleg van een autosnelwegdoor de Utrechtse Heuvelrug voor denatuurlijke rijkdommen van deze na-tuurstreek. R. I. N. Zeist. Stencil, 37 pp.38Soet, F. de. 1971. Milieukartering. Land-bouwkundig tijdschrift 83, pp. 367--370.39Westhoff, V. 1952. De betekenis vannatuurgebieden voor wetenschap enpraktijk. Brochure Contactcie. Natuuren Landschapsbesch. Amsterdam, 36 pp.40Westhoff, V. 1955. Hedendaagse aspec-ten der natuurbescherming. Wetenschapen Samenleving 9, pp. 25--34.41Westhoff, V. 1970. Oecologische grond-slagen van natuurbehoud en natuurbe-heer. In: Het milieu van onze samen-leving. Annalen Thijmgenootschap. 58--2, pp. 5--23.42Westhoff, V. Natuurbehoud en samen-leving. Natuur en Landschap 24, pp.185--200.43Westhoff, V. e.a. 1970. Wilde Plantendeel I. Ver. t. Behoud v. Natuurmonu-menten, Amsterdam. 320 pp.44Zonderwijk, P. Evaluatie van het ge-bruik van herbiciden langs wegen. In:De weg naar en door de natuur. We-tensdh. Med. KNNV 81, pp. 27--37.Dankwoord , Graag dank ik voor informatie, discus-sie en/of dooriezen van het manuscript:De staf van de P.P.D. Overijsel, in hetbijzonder Ir. S. C. Buys, Ir. B. Faber,Ir. R. Geerling en Drs. M. J. M. Ter-lingen; C. G. van Leeuwen, Dr. F. deSoet en Dr. A. van Wijngaarden (R.I.N.Leersum); Ir. A. Ddkker en Drs. K. Vel-lema (R.P.D.); Prof. F.M. Maas (T.H.Delft); Prof. V. Westhoff (Nijmegen)en P. Nijhoff (Doom).18totstandkoming hoofdwegennetDe totstandkoming van een hoofdwegennet/r. D. W. Tuijten1. De ontwikkeling van het wegver-keerNederland beschikt van oudsher overeen wijd vertakt net van waterwegenen sinds de vorige eeuw over een goedgeoutilleerd spoorwegnet. De landwe-gen vervulden tot in deze eeuw slechtseen bescheiden rol in het transportsys-teem. Daarin is drastisch veranderinggekomen. De toegenomen welvaart heeftin de laatste decennia geleid tot eenenorme groei van de verplaatsingsbe-hoefte zowel van personen als van goe-deren. De uitvinding van de verbran-dingsmotor en de verbetering van deindustriele produktiemethoden maak-ten een massale produktie van auto'smogelijk. Daarmede kwam een vervoer-middel dat aan zeer uiteenlopende be-hoeften kan voldoen binnen het finan-ciele bereik van velen. De groei van hetaantal auto's en van het vervoersaan-dee\ van het wegverkeer wordt in ne-venstaande tab
Reacties