7/8stedebouw & volkshuisvesting^Orgaan van hetNederlands tnstituut voorRuimtelijke Ordeningen VolkshuisvestingIn dit nummerDenkraamOpenluchtrekreatie buiten en stedelijkmilieuParkeren in centra van kleine kernenHierarchic van kernen in de provincieUtrechtWoonervenVerkorting procedures bestemmingsplannenVervoersptanologisch speurwerk 1976Nieuws van de R.A.R.O.Mededelingensamsom juli/augustus 1976=\Het provinciaal bestuur vanNoord-Brabant staat eenambtelijk apparaat terbeschikking, bestaande uitdrie onderdelen, n.l. griffie,waterstaat en planologischedienst.De planologische dienst isbelast met het adviseren vanhet provinciaal bestuur overalle aangelegenheden, die deruimtelijke ordening en plano-logie van en in de provinciebetreffen, zowel bij de voor-bereidmg als bij de uitvoeringvan beleidsbeslissmgen.De planologische dienst isonderverdeeld in vierafdelmgen: algemeneplanologie, gemeentelijkeplannen, onderzoek, algemenezaken. De dienst teltmomenteel 1 1 0 medewerkers.a c^propiocHet provinciaal bestuur van Noord-Brabant wenst incontact te komen met kandidaten voor defunctievandirecteur van deprovincialeplanologische dienstDe functie komt vacant in verband met het bereikenvan de pensioengerechtigde leeftijd van de huidigedirecteur in mei 1 978.De dIrecteursfunetlevereist managementkwaIiteiten.Dete benoemen persoon dientook hetvakgebied vande dienst, althans op essentiele onderdelen, grondigte beheersen. Dit is nodig om- een eigen bijdrage te kunnen leveren in de diversecommissies, overleggroepen, stuurgroepen e.d.,waarin hij ambtshalve zitting heeft- stimulerend en coordinerend met medewerkersvan diverse vakgebieden samen te werken.Vereist:? opieiding op academisch niveau? managementkwaliteiten die in vorige functiesgebleken moeten zijn? ruime ervaring op het terrein van ruimtelijkeordening en planologie,Een psychologisch onderzoek kan dee! uitmaken vande selectieprocedure. Een inspraakprocedurebeoogt het personeel van de dienst bij devoorzieningin de vacature te betrekken.Het niveau van de functie vindt zijn weerspiegelmgin het daaraan verbonden salaris.Belangstellenden voor deze functie kunnenmlichtmgen inwinnen bij de directeur van deprovinciale planologische dienst, de heerir. J.P.J. Margry, tel. 073 - 125454 toestel 2418.Kandidaten voor deze functie kunnen zich binnenzesweken schnftelijk richten tot de commissaris derkoningin in de provmcie Noord-Brabant, Provmcie-huis, Guido Gezellelaan 70, 's-Hertogenbosch ondervermeldmg van de letters "ppd" op de envelop.naard'brabantAl GEMEENTE VLISSINGENWegens pensionering per 1 april 1977 van de huidige funktionaris wordt tegen 1 maart 1977 ge-vraagd eenDirekteur van gemeentewerkentevens direkteur van de gemeentelijkereinigingsdienstHet bedrijf gemeentewerken omvat de volgende afdelingen:-- Weg- en waterbouwkundige werken.-- Bouw- en restauratiewerken.-- Ruimtelijke ordening en landmeetkunde.-- Bouw- en woningtoezicht.-- Plantsoendienst.-- Onderhoudsdienst.-- Administratie en boekhouding.Van de te benoemen funktionaris wordt verwacht, dat inij-- goede organisatorische inziclnten heeft;-- bekend is met stadsvernieuwingsplannen en daarin een coordinerende funktiekan vervullen;-- bij voorkeur op de hoogte is van de problematiek van het overheidsbedrijf endaarin een hoger leidinggevende funktie heeft vervuld;-- in teamverband met andere overheidsdiensten kan samenwerken;-- positief is ingesteld ten opzichte van de huidige ontwikkelingen in de samen-leving, zoals medezeggenschap en inspraak van personeel en burgers.De gedachten gaan uit naar een civiel ingenieur of iemand met een vergelijkbareopieiding.Met de benoemingsprocedure zulien ongeveer 3 maanden zijn gemoeid.Salarisgrenzen /" 64.656,- tot f 77.316,--per jaar, aanstelling boven het minimumis mogelijk. Vakantietoelage 7,8'v.De bij de overheid gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toepassing.Schriftelijke sollicitaties richten aan Burgemeester en Wethouders van Vlissingen, p/a Stadhuis,binnen 3 weken na verschijning van deze oproep.De dienst openbare werken zoekt voor de afdelingstedebouw een stedebouwkundige die de volgende takenkrijgt te verrichten:het opstellen van algemene beleidsadviezen overstedebouwkundige zakenhet ontwerpen van bestemmingsplannen voor oude ennieuwe buurten, recreatiegebieden enz.het onderzoeken van de gebruiksmogeUjkheden vanincidenteel vrijkomende terreinen en gebouwenhet zonodig vervangen van het hoofd van de afdeUng.Het werkterrein van de afdehng stedebouw strektzich uit van het maken van gedetailleerde plannen voor deinrichting van de openbare ruimte in oude en nieuwebuurten - de zgn. woonerfinrichting - tot het adviserenover de stedebouwkundige aspekten van het binnenkort opte stellen struktuurplan voor Delft; voor bestaande buurtenmoeten (nieuwe) bestemmingsplannen worden gemaakt,vaak in het kader van de op gang komende stads-vernieuwing. Daarnaast moet de ontwikkeling van debouwplannen in de nieuwe wijk Tanthof worden begeleid.Bouwaanvragen en plannen voor vrijkomende gebouwen enterreinen moeten op hun stedebouwkundige kanten wordenbezien.stedebouvii^kundigeVan gegadigden voor deze vacature worden begripvoor het procesmatige karakter van stedebouwkundigeontwikkelingen en inzicht en belangstelling voor problemenop het gebied van de vormgeving verwacht. Daarnaastzullen zij in staat moeten zijn de redaktie van adviezen enbestemmingsregelingen met de nodige zorgvuldigheidzelfstandig te verzorgen.Een vooropleiding op academisch niveau (b.i., b.i.s.,s.h.o., h.b.o, of gelijkwaardig) en ervaring in overeen-komstige werkzaamheden strekken tot aanbeveling. Eenpsychologisch onderzoek kan deel uitmaken van deselectieprocedure.Het salaris is, afhankelijk van opleiding en ervaring,nader overeen te komen. Voor iemand, die volledig aan deeisen voldoet, is t.z.t. een salaris van / 4.910,- per maandbereikbaar.De gebruikelijke rechtspositieregelingen van deoverheid zijn uiteraard van toepassing.Inlichtingen over de funktie zijn te verkrijgen bij deheer de Kruijff, tel. (015) 133111 - toestel 382.Sollicitaties onder nr. 1510, kunnen binnentwee weken na verschijnen van deze publikatie wordengezonden aan burgemeester en wethouders, postbus78 teDelft.EMEENTEDELFTVerschenen in de Actua-reeks: Woonnood = welzijnsnoodonder redactie van dr. CD. SaalKsamsamSamsom UitgeverijAlphen aan den RijnTel. (01720) 6 21 20Deze uitgave bevat een vijftal bewerkte en geactualiseerde teksten van voordrachten over het onderw/erp: woningbouw enstedebouw.Behandeld worden achtereenvolgens: de gewijzigde architectonische inzichten die voortvloeien uit de verandering in struc-tuur, functie en psychisch klimaat van het huidige gezin; de vorm en behoefte aan burenrelaties; het psychologisch onder-zoek naar de belevingsvormen van de ruimtelijke omgeving; de renovatie en rehabilitatie van bestaande woonbuurten en deleefbaarheid van de stad.Kortom, een boek dat een schat aan nuttige informatie biedt voor ieder die te maken heeft met facetten uit de woning- enstedebouw.ISBN 90 14 02409 6. Prijs; f 23,50, 156 pagina's.Woonnood = welzijnsnood is bij uw boekhandel verkrijgbaar.provinciezuid-hoHandGedeputeerde Staten van Zuid-Holland roepen sollicitanten op voor defunctie vandirecteurvan de Provinciale Planologische Dienst.Belangstellenden kunnen zich voor nadere informatie wenden tot de chefvan de Centrale Afdeling Personeelszaken en Documentatie, Koningskade 1.'s-Gravenhage (tel. 070-264111/tst. 2355).Sollicitaties met vermelding van volledlge personalia en referenties binneneen maand na het verschijnen van dit blad te zenden aan: GedeputeerdeStaten van Zuid-Holland, Koningskade 1 te 's-Gravenhage. In de linker-bovenhoek van zowel de enveloppe als de sollicitatiebrief vermeldenC.A.P.D./SV.Technische Hogeschool DelftBij de Afdeling der Bouwkunde, Vakgroep Planologie en Stedebouwkunde kan worden geplaatst eenwetenschappelijk meclewerk(st)erin de Sectie Stedebouwkundig Onderzoek voor vier dagen per week.Zijn/haar taak zai bestaan uit het geven van onderwijs en het verrichten van onderzoek op het terrein van het onderzoek van plan-ning en inrichting van gebieden op lokaal tot en met regionaal niveau, met name wat betreft de moderne mathematische methodenen technieken.Voor de onderwijstaak is een goede beheersing van de desbetreffende literatuur een vereiste, terwiji voor de onderzoektaak uit-bouw en operationalisering van in ontwikkeling zijnde methoden en technieken centraal zullen staan. Hij/zij zaI tevens bereid dienente zijn enigermate te participeren in de organisatorische taken van de vakgroep.De gedachten gaan uit in eerst instantie naar een (stede)bouwkundig ingenieur of een universiatir planoloog. Praktijkervaring isgewenst.Aanstelling en bezoldiging volgens Rijksregeling in het wetenschappelijk rangenstelsel. Directe opneming in het welvaartsvastpensioenfonds.Nadere inlichtingen kunt U telefonisch verkrijgen bij Ir. E.E. Berkhout tel. 03438-5652, na 29 mei.Schriftelijke sollicitaties te richten aan het Hoofd van de Centrale Personeelsdienst, Julianalaan 134 te Delft, onder vermeldingvan nr. BK 7622 in de rechterbovenhoek van de brief.de GEO-meetdienst maakt het Umogelijk, Uw stedebouwkundig ont-werp, goed te beginnen, en dat be-tekend, dat U Uw ontwerp maaktop een gekaarteerde maatvaste teke-ning, weike is gemaakt, vanuit inhet terrain opgenomen landmeet-kundige gegevens.gegevens over bijvoorbeeld onze ta-rieven staan in een handig boekjeover ons landmeetkundig bureau,wij sturen U dit boekje graag toe.GEO-MEETDIENST b.v.Postbus15 Spakenburg Tel. 03499-1966bijkantoor: Oosterhoutstraat 11 Assen Tel. 05920-13400STEENHOUWERIJD[Nieuwstraat 26MIDDELBURGTel. (01180) 1 25 79natuursteen voor:? restauratie? renovatie? nieuwbouwook gespecialiseerd in het boren inbeton met diamant gaten van 15 tot300 mnnGebr. Simons B.V.AannemingsbedrijfDonze Visserstraat 2TerneuzenTel. 1150-2885* WoningbouwH^ Utiliteitsbouw* Verbouwingen? OnderhoudMet onze jarenlange ervaring zijn wij U gaarnevan dienst voor de realisering van Uw bouw-plannen.amm' KATHOLIEKE UNIVERSITEIT NUMEGEN"W??PWiPPPPPPi?P!!B??BSlector planologieten behoeve van de vakqroep plano-logie.De lector moet een belangrijke bij-drage leveren aan onderwijs en on-derzoek van de vakgroep planologie.Hij zal zowel de hoogleraar moetenkunnen vervangen, als leidingmoeten geven aan een onderdeelvan de vakgroep (i.e. de subgroepmethoden en technieken of de sub-groep theorie van de planning).De volgende bekwaamheden worden inhet bijzonder van belang geacht:ruime ervaring op het gebied vande planologie,een maatschappij-wetenschappelijkeorientatie,bewezen wetenschappelijke kwali-teiten, bij voorkeur op het ge-bied van methoden en techniekenen/of de theorie van de planning(n.b. een voltooide of vrijwelgereed zijnde dissertatie iseen nagenoeg onontkoombare eis),didactische bekwaamheden,bestuurlijke en organisatorischebekwaamheden.interfaculteit derZowel zij, die belangstelling heb-ben, als ook degenen die de aan-dacht willen vestigen op mogelij-ke kandidaten, kunnen zich voornadere inlichtingen richten totde voorzitter van de benoemings-commissie Prof.dr. G.A.Wissink,p/a Geografisch en PlanologischInstituut, Berg en Dalseweg 122,Nijmegen, telefoon 080-512720.Sollicitaties, vergezeld vaneen curriculum vitae en een lijstvan publicaties, binnen drie we-ken na het verschijnen van dezeadvertentie te richten aan devoorzitter van de benoemingscom-missie op bovengenoemd adres.aardrijkskunde en prehistorieapon van den berg terbraak tromp archrtel y, zie schema 1). Derepresentatieve steekproef bestond uit2962 respondenten tussen 15 en7 5 jaar.3. KommentaarIn Nederland bestaat er een historischgegroeide, nauwe samenhang tussenbeleid en rekreatie-onderzoek. Tochkomt het nog al eens voor, dat deresultaten van rekreatie-onderzoek on-juist door het beleid worden gei'nter-preteerd en op een oneigenlijke ma-nier in de praktijk worden gebruikt.Dat gevaar is ook zeer reeel bij ditonderzoek en daarom is het goed omdoor middel van een aantal kritischekanttekeningen de gebruiksmogelijk-heden in de juiste proporties te plaat-sen.a. Men kan zich met alle waarderingvoor de kwaliteit van het verzameldemateriaal en van de analyse afvragenof het startpunt al niet belangrijke be-perkingen met zich heeft meege-260 Stedebouw en Volkshuisvcsting, juli/augustus 1976openluchtrekreatieSchema 1 Schematische weergave van de onderzoeksvariabelenAANBOD van openlucht-rekreatieve voorzieningenbinnen de woonkernGEBRUIKvanopenlucht-rekreatieve voorzieningenbuiten de woonkernX c^nuancering van deze relatie naarPERSOONSKENIVIERKEN? kenmerken m.b.t.de persoon zelf? kennnerken m.b.t.het liuishouden? kenmerken m.b.t.de woonsituatie? kenmerken m.b.t.de werksituatieHET REKREATIEGEDRAG BINNENDE WOONKERN? parkbezoek? gebruik van voor-zieningen in dewijk? gebruik van overigevoorzieningenbinnen de woonkern(TYPE) PLAATS= aanbod buitende woonkern)HOUDINGEN? m.b.t. voorzienin-gen? m.b.t. het rekreatie-gedrag? wat betreft binnenen buiten de woon-kernbracht. Met andere woorden: is dejuistc methode gcvolgd om het cen-trale probleem op te lessen? Als mende relatie x -> y wil meten kan meneen aantal wegen volgen. Zo kan mensituaties vergelijken waarvan menwcet, dat x ongelijk is en nagaan wel-ke verschillen dat tot gevolg heeftvoor y. Daarbij neemt men aan, dat degevonden verschillen het gevolg zijnvan een ongelijke x en niet van eenonbckende andere variabele. Dezemethode is door het ITS gcvolgd.Er is ook een meer experimentelemethode mogelijk. Hierbij gaat menuit van slechts een situatie x, waarbin-nen men een aantal kondities kan ver-andercn.Door middcl van kmgitudinaal onder-zoek stelt men vast wclke effekten dievcrandering heeft gehad voor y, in ver-gelijking met een andere situatie x, diekonstant gehouden is. Het praktischebezwaar van een langere duur weegtniet op tegen een grotere betrouw-baarheid en een beter inzicht in deproblematiek. Men heeft dan minderte maken met een anonieme onper-soonlijke respondent, maar kan ge-dragsveranderingen analyseren op hetindividuele en primaire groepsniveau.Hier geldt wat Wilbur la Page in hetalgemeen heeft opgemerkt over de be-tekenis van het rekreatieonderzoekvoor de planologie: "For soundresearch planning I would gladly swapall the highly significant correlationcoefficients of the past 10 years for ahandful of good case studies thatyielded some solid conceptual insightstobuildon'"^).b. Het onderzoek van het ITS is eenuitstekend voorbeeld van de domi-nerende werkwijze in de Nederlandseempirische sociologie, de funktionalis-tische. Dit funktionalisme ziet in feiteaf van het causaliteitsprincipe enonderzoekt de werking van verschijn-selen en niet hun wezen of oorzaak.Het gaat daarbij om een mathema-tische korrelatie, een afhankelijksver-houding tussen twee variabelen. Bijverandering van de ene variabele ver-andert de andere evenredig mee.Zijderveld heeft er op gewezen dat hetfunktionalisme per definitie on-histo-risch is, dat wil zeggen, dat slechtsgetracht wordt om via hypothese-vor-ming en empirisch onderzoek eenstatistisch signifikante korrelatie vastte stellen tussen twee variabelen endat een historische verklaring van diekorrelatie wordt vermeden *' ).Het ITS-onderzoek kan vanuit dezefunktionalistische traditie dan ookniet verklaren waarom de centralehypothese moest worden verworpen.Men heeft slechts vast kunnen stellendat er geen statistisch signifikante re-latie bestaat tussen x en y. Het is danook beslist onjuist als de Verstede-lijkingsnota veronderstelt dat dit on-derzoek heeft aangetoond dat er geenoorzakelijk vcrband bestaat tussenwoonkwaliteiten van de stad en detrek naar buiten.Dit causaHteitsprincipe is immers nietaan de orde in het funktionalisme.Wetenschappelijk gezien is het ITS-on-derzoek een belangrijk voorwerk voormeer analytisch gerichte vervolg-studies. Daarin zal moeten wordenafgezien van een te eenzijdig behavio-ristische "stimulus-response" opvat-ting, die in dit onderzoek nog wel aan-wezig was.c. De resultaten van het onderzoekmogen beslist niet worden gegenerali-seerd voor heel Nederland. In feite gel-den ze slechts voor 30 wijken in11 steden.Ook de wijze waarop de onafhanke-lijke variabele x is geoperationaliseerd261 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1976openluchtrekreatielevert de nodige beperkingen op. Menis er aan voorbij gegaan, dat nogal watrekreatief gedrag zich afspeelt buitenspecifieke voorzieningen. Dat geldtbijvoorbeeld voor kinderen. Daardooris niet het totale aanbod van rekrea-tieve mogelijkheden binnen de stad inhet onderzoek betrokken. Ook desportvoorzieningen bleven buitenbeschouwing, evenals volkstuinkom-plexen.Anderzijds is lang niet al het groenrekreatief bruikbaar. De gehanteerdegrenswaarden zijn uiteraard arbitrairen zouden op hun beurt onderzochtmoeten worden. Geen rekening isgehouden met het kwalitatieve aspektvan het stedehjk rekreatiemiHeu, degebruiks- en belevingswaarde, desituering, de aanwezigheid van bar-rieres, enz. WaarschijnHjk spelen dezefaktoren een belangrijker rol binnende centrale probleemstelling dan demeer kwantitatieve aspekten als hoe-veelheid groen en speelruimte per in-woner.De Verstedelijkingsnota gaat er aanvoorbij dat in het onderzoek niet destedelijke woonkwahteit als variabeleis gehanteerd. Slechts een beperktfacet daarvan is gemeten, namehjk hetaanbod van groen, speelruimte en par-ken.4. De trek naar buitenDat een belangrijk beleidsuitgangspuntuit de Orienteringsnota niet bevestigdwerd door de uitkomsten van het ITS-onderzoek, heeft nogal wat teweeggebracht in beleidskringen. Het ant-woord op de centrale probleemstellingheeft daar een kortstondige illusie ver-stoord, dat door een beter stedelijkrekreatiemiHeu de zo noodzakelijkevermindering van de druk op hetbuitengebied automatisch kan wordenbereikt. Maar het onderzoek heeft nogveel meer voor beleid en planning be-langwekkende resultaten opgeleverd.Op twee daarvan wil ik in het kadervan mijn thema nog wat uitvoerigeringaan. In de zestiger jaren is er eenvooruitgangsfilosofie ontstaan ten aan-zien van de toekomstige omvang vande rekreatieve trek naar buiten. Prak-tisch unaniem is er in talloze studies,rapporten en basisplannen uitgegaanvan een konstante, soms zelfs versnel-de, groei van dag- en verblijfsrekreatiein het buitengebied.In de prognoses werden cijfers ge-hanteerd als 40% dagrekreatieve trekuit de stad op "een mooie zondag" in1985 en 50% in 2000. De laatste jarenbegint men zich echter te bezinnen opde realiteitswaarde en de wenselijk-heid van die voorspelde groei. Datmen zich afvraagt waar de grenzen lig-gen van de omvang en de richting vande rekreatieve groei hangt samen meteen aantal faktoren.a. het rekreatieverkeer zorgt op piek-dagen en piekuren voor grote pro-blemen;b. de schaarse ruimte laat geen on-gebreidelde groei van de openlucht-rekreatie toe;c. steeds duidelijker wordt men zichbewust van de schadelijke effekten opnatuur en landschap;d. de leefbaarheid van plattelands-kernen is in een aantal gebieden reedsaangetast. De rekreatie brengt de stadnaar buiten;e. het maatschappelijk rendementvan openluchtrekreatieve voorzienin-gen in het buitengebied is beperktdoor de sterke koncentratie in de tijdTabel 1. Het bewegingspatroon op zondagen door de sociaal ongelijke partici-patie;f. er is een groeiende weerstand tegengrootschalige, planmatige en niet-gein-tegreerde rekreatieprojekten;g. de overheid ziet zich geplaatstvoor snel toenemende kosten van aan-leg, inrichting en beheer van rekrea-tieve ruimten.In de realiteit blijft de groei van detrek naar buiten achter bij de voor-spellingen, ondanks het sinds 1965 ge-reed komen van allerlei rekreatie-projekten en de voortgaande verstede-lijking. Het percentage thuisblijvers opzondag neemt eerder toe dan af. Datblijkt uit een vergelijking van eenC.B.S.-onderzoek uit 1963^") met hetI.T.S.-onderzoek uit 1974^^) en 1975(zie tabel 1).Uit deze cijfers kan een verschuivingworden afgeleid van openluchtrekre-atie binnen de woonkern naar buitende woonkern. Maar de trek naar bui-ten is minder snel toegenomen dan totvoor kort nog algemeen werd ver-wacht. De toegenomen welvaart enhet daarmee gepaard gaande bezit vanrekreatiegoederen lijkt te leiden toteen vermindering van het familie-bezoek en tot een zekere dwangmatiggebruik van die goederen.De minder snelle groei van de treknaar buiten noodzaakt het beleid toteen aanpassing en herwaardering. Metin procenten C.B.S. 1963 I.T.S. 1974 I.T.S. 1975de gehele zondag thuisopenluchtrekreatie binnen woonplaats,inkl. familiebezoek e.d.openluchtrekreatie binnen woonplaats,exkl. familiebezoek e.d.openluchtrekreatie buiten woonplaats,inkl. familiebezoek e.d.openluchtrekreatie buiten woonplaats,exkl. familiebezoek e.d.familie-, kennissen-, kerkbezoek20 3245 222735 46183531112730262 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1976openluchtrekreatiebehulp van het instrumentarium vande projektontwikkeling is er mededank zij financiele steun van C.R.M.sinds het einde der zestiger jarenongeveer 15.000 ha. toegevoegd aande Nederlandse buitenstedehjke re-kreatieruimte. De huidige plankapa-citeit is naar schatting nog drie keer zogroot. Het is zeer de vraag of hetnoodzakeUjk en verantwoord is omdeze kapaciteit nog geheel te rea-liseren.De herbezinning heeft er in de provin-cie Zuid-HoUand toe geleid, dat thansvan een veel lagere prognose wordtuitgegaan dan een aantal jaren ge-leden'^).Voor 1975 raamt men daar de treknaar buiten op 18% bij mooi weer enop 15% bij redelijk weer. Voor 1985zijn die cijfers respektievehjk 20 en17%. Men gaat dus nagenoeg uit vanstabilisatie op een niveau, dat minderis dan de helft van het percentage, dateen klein aantal jaren geleden nogwerd aangenomen.Kompensatie-theorie en "opportunity-theory" zijn niet zo eenvoudig terugte vinden in het feitelijk rekreatie-gedrag. De verklaring van de trek naarbuiten moet minstens voor een deelgezocht worden in processen, die zichafspelen binnen individu en groep.Deze keuzeprocessen hangen samenmet de sociale struktuur, die geken-merkt wordt door differentiatie. Dif-ferentiatie in waarden, maar ook on-gelijkheid in bezit van (rekreatie)goederen en (rekreatie)mogeUjkheden.5. Sociale ongelijkheidKatteler komt tot de konklusie, dat erbinnen het vrijetijdsgedrag sprake Hjktte zijn van een sociaal verankerd on-derscheid tussen het rekreeren bin-nenshuis en het rekreeren in de openlucht. Tussen de verschillende vormenvan openluchtrekreatie onderling be-staat een dergehjk onderscheid nauwe-lijks. Personen die uitsluitend meerhuiselijke vormen van rekreatie be-oefenen treft men vooral aan onder devolgende kategorieen: de leeftijds-groep boven 50jaar, vrouwen, niet-autobezitters, lage inkomens, zij dieop zondag weinig vrije tijd hebben '^^).Het Sociaal en Cultureel Planbureau isna analyse van het Leefsituatiesurvey1974 van mening, dat op het terreinvan de vrijetijdsvoorzieningen eensystematisch lager gebruik van delaagstgeklasseerden valt op te merken,hoewel deze groep anderzijds in relatiefslechte woonomstandigheden verkeerten de woning weinig speelruimte voorkinderen biedt '^^). Deze overigens watvage en heterogene groep doet bijvoor-beeld minder aan sport, maakt mindergebruik van stadsparken en bezoektminder natuurgebieden. De rekreatielijkt gekenmerkt te worden doorkumulatie ^'). Dit uit zich dan zowelin de omvang van de rekreatieve uit-rusting als in het aantal rekreatievor-men dat per persoon wordt uitge-oefend. Personen die veel gebruikmaken van rekreatiemogelijkheden inde woonomgeving trekken er ookvaker op uit. Personen die vaak voor-zieningen voor de openluchtrekreatiebezoeken maken ook veel gebruikvan sportieve en kulturele akkommo-daties.Bij het zoeken naar een verklaring vande sociale ongelijkheid binnen derekreatie en het daarmee samenhan-gende kumulatieve karakter zal moe-ten worden nagegaan welke interne enexterne faktoren een rol spelen. Bijexterne faktoren wordt gedacht aanfaktoren, die buiten het vrijetijds-gedrag liggen, zoals algemene maat-schappelijke strukturen, verschillen inwaarde-orientaties. Bij interne fak-toren wordt met name gedacht aanhet generatieve aspekt, dat wil zeggende vraag of in het geheel van rekrea-tieve aktiviteiten bepaalde aspektenvoorkomen, die leiden tot een aantalandere aktiviteiten. Hier is een funk-tioneel verband mogelijk, doordat bij-voorbeeld het bezit van bepaalde goe-deren (T.V., auto, caravan, etc.) leidttot een aantal samenhangende gedra-gingen in de vrije tijd. Het generatieveaspekt speelt ook een rol bij de uit-breiding van de interessesfeer en desociale kontakten als gevolg van eenbepaald rekreatiegedrag.Onderzoek haaft aangetoond, dat departicipatie in de verschillende vormenvan openluchtrekreatie varieert naareen aantal kenmerken. Algemeenwordt aangenomen, dat met het stij-gen van de leeftijd en met het dalenvan inkomen en opleidings- en be-roepsniveau die participatie afneemt.Sommige auteurs menen vanuit de"opportunity-theory", dat niet het in-komen de lagere participatie verklaart,maar de afwezigheid van rekreatievemogelijkheden in de woonmilieus vande lage inkomensgroepen.Ook een recent Westduits onderzoek,waarin de vluchtthese is getoetst enverworpen, komt tot de slotsom, datrekreatievoorzieningen in het buiten-gebied niet door alle sociale lagen indezelfde mate worden gebruikt. "In-vestitionen in solche Naherholungs-gebiete kamen also Teilgruppen derGesellschaft zugute. Wahrscheinlichwiirde man, ohnc es zu woUen, sichbei diesen Investitionsentscheidungenrelativ einseitig zum Anwalt dersowieso schon priviligierten gesell-schaftHchen Gruppen machen"^*). Ofom met Clawson te spreken: "Elk ge-bruik van landelijke open ruimte rela-tief dicht bij de stad als vervangings-middel of aanvulling voor open ruimtebinnen de stad, is minder gelukkig, alswe kijken naar de deelname van de in-komensklassen. Werkelijk arme men-sen hebben de kans niet op het land tewonen en als forens naar hun werk tereizen, noch om ergens op het platte-land golf te spelen" ^^). In het West-duitse onderzoek worden bejaarden,kinderrijke gezinnen en buitenlandsearbeiders als de meest gedepriveerdegroepen genoemd.Toch dient men zich voorafgaande aan263 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1976openluchtrekreatiede diskussie over de gekonstateerdesociale differentiatie in participatie afte vragen in hoeverre hier sprake is vaneen probleem. In hoeverre deze diffe-rentiatie leidt tot deprivatie en achter-stand.Daarbij kan men drie benaderingenonderscheiden:a. het beleidsprobleem; voor de rijks-overheid is er inderdaad sprake vaneen probleem. In het MeerjarenplanOpenluchtrekreatie 1975-1979^*)wordt immers prioriteit gegeven aandie personen en groepen in de samen-leving die om welke reden dan ookzijn achtergebleven en niet op gelijkewijze deelhebben aan de vrijetijds-kultuur;b. het individueel probleem; hoe er-varen individu of gezin het rekreatieveaanbod? Men kan zich afvragen of denormen en waarden ten aanzien vanwat goed en gewenst is in de rekrea-tieve sfeer niet te eenzijdig afkomstigzijn van een beperkte groep, die poli-tiek en bestuurlijk relatief veel invloedheeft. Meer inzicht is nodig in dewaarden en normen van specifiekegroepen. "The continued no responseof low-income persons on their leisurebehavior may not be so much a func-tion of no activity as of the wrongactivities listed by the research-ers"^');c. het sociologisch probleem; nage-gaan zal moeten worden of en in wel-ke mate er sprake is van anomie, in dedefinitie van Merton. De vraag dus ofer een diskrepantie bestaat tussen denadrukkelijk voor iedereen ingesteldedoeleinden (kultuur) en de beperktemiddelen, die sommigen binnen demaatschappij (struktuur) hebben omdie doeleinden te realiseren.IV. Rekreatie en de stad:overwegingen1. De rekreatie brengt de stad naarbuiten. In het voorgaande was devraag aan de orde in hoeverre de stadde rekreatie naar buiten brengt. Dui-delijk is geworden, dat de huidige ken-nis van openluchtrekreatie, gevoegdbij de dominerende werkwijze binnende sociologie, geen eenduidig ant-woord op deze vraag toelaat. De inparagraaf II genoemde theorieen zijnwaarschijnlijk alle drie geldig, afhanke-lijk van de situatie.Vrij veel aandacht is besteed aan hetITS-onderzoek. Dit gedegen rapportkan en vA\ geen uitsluitsel geven overde geldigheid van de vluchtthese dievoortkomt uit de kompensatie-theo-rie. Men heeft zich beperkt tot slechtseen aspekt van het stedelijk milieu,namelijk het rekreatieve voorzienin-genniveau, dat op arbitraire wijze isgeoperationaliseerd.Het onderzoek, op funktionalistischeleest geschoeid, heeft uitgewezen, dater geen statistisch verband bestaat tus-sen dat voorzieningenniveau en detrek naar buiten. Daarbij was hetcausaliteitsprobleem niet aan de orde.Zoals dat bij de meeste rekreatie-onderzoeken het geval is, werd ookdoor het ITS geanalyseerd via socialeaggregatie, statistische groepen vananonieme, niet-interacterende respon-denten, die geacht worden representa-tief te zijn. Deze benadering is nuttigmaar beperkt.Men kan zich bijvoorbeeld afvragen ofhet niet beter is om de sociale groepwaar binnen de rekreatie zich afspeeltte nemen als basis voor de analyse enlater ook voor planning en inrichtingvan rekreatieruimten. Deze groepenwijken onder andere door de aan-wezigheid van interactie af van de ag-gregaten.Studie van deze gToepen (gezin, buurt,campingbevolking, etc.) geeft meer in-zicht in die interactie, maar ook in dekeuzeprocessen, die vooraf gaan aanrekreatief gedrag, in de gehanteerdewaarden en motieven, in veranderin-gen in rekreatief gedrag, in kumulatie-verschijnselen, in socialisatieprocessen.Het is voor de toekomstige planningvan zeer groot belang, dat er meer in-zicht ontstaat in de veranderingen inhet rekreatiepatroon op mikro-niveau,met name in de substitutie-waarde vande diverse rekreatievormen. Een derge-lijke, minder makro-gerichte, genera-liserende aanpak zou wel eens kunnenuitwijzen, dat het scheppen van meeren betere rekreatiemogelijkheden inde direkte woonomgeving wel degelijkgedragsverandering met zich mee-brengt op het individuele en primairegroepsniveau. Dat de trek naar buitenwel minder wordt of van karakter ver-andert. Tenslotte is elk individu ge-bonden aan een maximale rekreatie-tijd per dag, week of jaar. En ook hetrekreatief besteedbare inkomen is ein-dig.2. Daar staat anderzijds tegenover,dat een aantal vormen van rekreatiefgedrag van nature gebonden is aan hetbuitengebied. Ik denk hier bijvoor-beeld aan kamperen, grote watersport,driving for pleasure, enz. Wanneerdeze rekreatievormen dan bovendiennog behoren tot de dalende kultuur-goederen zal de druk op het buiten-gebied weer worden versterkt. Doorde inmiddels in sommige delen van hetland ontstane schaarste-situatie in hetaanbod van rekreatickapaciteit, zullende problemen van verdeling en socialeongelijkheid nog verder aktueel wor-den.Het beleid zou er verstandig aan doenom nog niet al te zeer uit te gaan vaneen afname van de openluchtrekreatiein het buitengebied. Het effekt vaneen beter rekreatiemilieu in de stad isonzeker en in ieder geval pas merkbaarop langere termijn. Zelfs zou men uithet I.T.S.-onderzoek kunnen afleiden,dat zo'n beter milieu de trek naar bui-ten stimuleert, doordat een positieveattitude ontstaat ten opzichte vanrekreatieve voorzieningen in de open-lucht. In een aantal gebieden zijn degrenzen van rekreatieve groei bereiktof al overschreden. Alleen al daarom is264 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1976openluchtrekreatiehet dringcnd noodzakelijk, dat de uit-gangspunten van de rekreatieve plan-ning in het landelijk gebied, zoals dieal sinds het begin van de zestiger jarenworden gehanteerd, opnieuw wordenvastgesteld. Daarbij zouden de volgen-de aspekten overwogen kunnen wor-den:a. een betere benutting van de be-staande rekreatiekapaciteit moet prio-riteit hebben boven een verdere uit-breiding,b. het streven naar grootschahge,autonome rekreatieprojekten moetworden vervangen door een beleid, datis gcricht op kleinschalige, meer gein-tegreerde projekten,c. de draagkracht van het natuurlijkmiHeu en het sociale miheu in platte-landskernen dienen randvoorwaarde tezijn bij rekreatieve planning,d. beleidsproces en beleidsstruktuurmoeten worden aangepast aan de ver-anderde inzichten. Dit houdt in dat deprojektontwdkkehng, zoals die sinds1969 door C.R.M. wordt voorgeschre-ven, wordt ai'gerond en de rekreatiewordt opgenomen in een meer inte-grate planning. Bovendien moet detaak van de rekreatieschappen wordenovergenomen door de provincies-nieuwe-stijl.3. Ook al heeft het I.T.S.-onderzoekgcen statistische of kausale relatiekunnen en willen aantonen tussen hetstedelijk rekreatiemilieu en de treknaar buiten, toch blijft de noodzaak be-staan van: rekreatie terug naar de stad.De laatste zin van het I.T.S.-rapport isvolkomen terecht. "De bevindingenvan deze studie tasten geenszins dewcnsclijkheid aan van een volwaardigwoonmilieu met daarin een afgewo-gen rekreatief voorzieningenapparaat.Deze studie wijst er nochtans wel op,dat de rekreatieve trek naar buiten dewoonkern een te autonome gedrags-wijze is om te kunnen bei'nvloedendoor middel van de aanleg van rekrea-tieve voorzieningen binnen de woon-ker
Reacties