1stedebouw & volkshuisvestingIn dit nummerDenkraamBestemmingspian buitengebiedKentekenonderzoekWonen in AimereNota selectieve groeiSnterimnota LandinrichtingswetIngezondenKroniek en kommentaarNieuwe boekenMededeiingensamsom januari 1977PHILIPS PAALTOPARMATURENGoedlicht^fijnesfeerDe verlichting van woon-wijken, winkelcentra, parkenen parkeerruimten is meerdan zo maar een rijlantaarns. Verlichting maakteen integrerend onderdeeluit bij de ontwerpen vanplanoloog en architekt.Fraaie vormgeving enplezierig licht zijn hiergekombineerd met eensolide uitvoering eneenvoudige installatie.Vanuit die visie zijn Philipspaaltoparmaturen ont-worpen en geconstrueerd.Philips paaltoparmaturen vallen opdoor:- eenvoud in montage en installatie.- dubbel geisoleerd.- eenvoudige verwisseling van lampen.- slechts enkele onderdelen: opzet-stuk en lichtkap, evt. reflectorkap- voor o.a. HPLN 80 of 125 W voorgloeilamp max. 150 W, MLL 160 W.- grote flexibiliteit: meeste kappenonderling verwisselbaar.slagvaste opaal-kunststoflichtkappen.Voorverdere informatie:Philips Nederland B.V.Afd. Openbare VerlichtingTel.: 040-78 26 80 ofAntwoordnummer 500 Eindhoven.PHILIPSIr. W.M. van Dael en Ir. F.J.C. RuysArchitekten en StedebouwkundigenUlvenhoutselaan 7 -- Bredavragen een stedebouwkundig tekenaarvoor de afdeling ,,buitengebieden"funktie-vereisten: opieiding stedebouwkundig tekenaarliefst ervaring met plannen voor hat buitengebiedGEMEENTE GENDTIn de gemeente Gendt, gelegen in de Over-Betuwe en aangesloten bij het Gewest Arnhem, is te vervullen de funktie vanhoofd gemeentewerken enbouw- en woningtoezichtGedacht wordt aan een funktionarls met tenminste H.T.S.-opieiding bouwkunde en met ervaring op het gebied van weg- enwaterbouw.Wordt van de funktionaris belangstelling in planologische aangelegenheden verwacht, hij dient in staat te zijn-- beleidsadviezen te formuleren-- besprekingen te voeren met bestuurlijke instanties-- goede kontakten te leggen.Geboden wordt een interessante werkkring binnen een bestuurlijk apparaat, waar sterk het accent wordt gelegd op het samen-werken in teamverband.Geboden salaris: max. / 3.819- per maand, exclusief / 30- toeslag per 1 juli 1976. De gebruikelijke rechtspositieregelen zijnvan toepassing. Vergoeding voor gebruik eigen auto.Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de benoemingsprocedure.Eigenhandig geschreven sollicitaties binnen 10 dagen na verschijnen van dit blad aan burgemeester en wethouders.Ir. W.M. van Dael en Ir. F.J.C. RuysArchitekten en StedebouwkundigenUlvenhoutselaan 7 -- Bredavragen een assistent stedebouwkundigefunktie-vereisten: -- H.T.S.-opieiding-- applikatiekursus stedebouwkundige techniek-- het vermogen een plan in juridische zin vorm te geven-- organisatlevermogenHet Stichtingsbestuur van de WerkgemeenschapRaadgevend Ingenieursburo ir. R. Hajema enPartners, Vaart 48-50 te Assen, zoekt, i.v.m.vertrek van medewerkers en uitbreiding van dewerkzaamheden, op korte termijn:a. Jurist (m/vr)Taakomschrijving:-- Leiding geven aan de juridische afdeling;-- redigeren van voorschriften en toelichtingen bijbestemmingsplannen;-- bijhouden van vakliteratuur en' onderzoekinzake nieuwe ontwikkelingen;-- algemene advisering betreffende de ruimtelijkeordening en daarmede verwante zaken.Gevraagde kwaliteiten:-- Voltooide opleiding in de rechten:hoofdvakken: publiek- en privaatrecht;bijvakken: recht ruimtelijke ordening en pla-nologie;-- eventueei GA 1 en 2 en M.O. Staatsinrichting;-- ervaring bij partikulier buro, c.q. overheids-instelling;-- goede leidinggevende en kontaktuele eigen-schappen.b. tuin- en landschapsarchitekt{m/vr)Taakomschrijving:-- Meedenken in de opzet van bestemmings-plannen, i.s.m. de overige disciplines binnenhet buro;-- uitwerken van bestemmingsplannen: ontwerpenvan detailleringen (beplantingen, bestratingenenz.);-- ontwerpen van plannen voor rekreatieve voor-zieningen, sportvelden, begraafplaatsen ed.Gevraagde kwaliteiten:-- R.H.S.T.L.-A Boskoop (liefst met vervolg-opleiding Amsterdam);-- eventueei L.H. Wageningen (mikro-richting ofvergelijkbare (buitenlandse) opleiding;-- ervaring in soortgelijke werkkring is gewenst.hpartc. stedebouwkundig ontwerper(m/vr)Taakomschrijving:-- Het mede verzorgen van het vormgevendaandeel bij struktuurplannen;-- het leveren van een aktieve bijdrage aan deverdere uitwerking van struktuurplannen totbestemmingsplannen.Gevraagde kwaliteiten:-- T.H. Delft (bi-s), S.H.O. Amsterdam ofvergelijkbare opleiding;-- een gedegen kennis van de huidige plannings-technieken (o.a. modelplanning);-- ontwerpervaring is vereist.Voor alle nieuwe medewerkers geldt dat ze op eenaangename wijze moeten kunnen samenwerkenmet alle partners binnen onze werkgemeenschap,waarbij ze zich hierbinnen voldoende dienstbaarmoeten kunnen opstellen.Terinformatie:Wij zijn werkzaam sinds 1960 op het gebied van deruimtelijke ordening in de meest uitgebreide zin(plannen maken en kennisoverdracht) voorname-lijk in noord- en oost-Nederland. Onze burosterkteomvat momenteel circa 55 medewerkers, diegezamenlijk via een Stichtingsvorm het eigendombezitten van ons buro.Nadere informatics over de vakatures kunnenworden verkregen via J. Vos, stichtingssekretaris/chef de buro (05920-16206).Schriftelijke soUicitaties te richten aan:Stichting Werkgemeenschap Raadgevend Ingeni-eursburo ir. R. Hajema en Partners, postbus 274,Assen.Orgaan van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting^8e jaargang, no. 1maandblad, januari 1977Uitgave van Samsom UitgeverijAlphen aan den RijnIsjRedactie Mr.J.H. EngelDrs. A. EvertsIT. GJ. KlerksDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen van Speykstraal 2^, Den HaagTetefoon 070-J90121Postgironummer 29080Advertenties Bureau Van Vliet b.v., ZandvoortBurg, van Fenemaplein 19, Postbus 20Telefoon 02307-4745"InhoudDenhraamArtikelenIngezondenKroniek en KommentaarNieuwe boehenMededelingen2314202628293132343940Ontwikkelingen en visie, C. Harinck.Het bestemmingsplan Buitengebied als beleidsinstrument, mr. Th.M.M. Thurlings en mr. J. SmitHet kentekenonderzoek en het stedebouwkundige plan, ir. R.G.M. van RooijWonen in Almere -- toekomstbeeld voor velen, HJ. van Haperen en J.J.P. ScheekNota inzake de selectieve groei, prof. dr. M. de SmidtSamenvatting commentaar NIROV op de Interimnota LandinrichtingswetReaktie op "Purmerend: de groei van groeikern", J.B. van Poorten, G.M. Christis en W. StokkinkWeerwoord, E.J.A. Riegen en H.A. de GansCultuurpessimisme, ir. Jan PetriCoordinatie Administratieve Wetgeving Onroerend Goed, Rapport van de WerkgroepCoordinatie Wetgeving Onroerend Goed, mr. W. KuizingaHet jaarverslag 1975 van de Rijks Planologische Dienst, ir. R.A. TjalkensH.F.L. Ottens: Het groene hart binnen de randstad (een beeld van de suburbanisatie inWest-Nederland), N.C. SchoutenS.P.J. Publicatie 2 zojuist verschenen; Studiedag Werkgroep Onderzoek en BeleidVerkeer en Vervoer T.H. DelftLosse nummers f8,50Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1977DenkraamOntwikkelingen en visieMet bijzonder veel genoegen denk ik terug aan de verslagen vande Rijksplanologische Dienst van vroeger jaren. Niet dat dezeverslagen de laatste jaren geen waardevoUe gegevens zouden be-vatten, maar het is toch anders. De verslagen zijn zakelijker gewor-den: het is een zuiver terugblikken naar hetgeen in een jaar gebeurdis en waarmede die dienst te maken kreeg. En dat is bij deze uitge-breide dienst niet weinig.Vroeger getuigden de verslagen naar mijn mening veel meer vaneen visie. Van durf en vooruitzien. Met als het ware rode oortjeslas ik de algemene beschouwingen, waarmede de verslagen begon-nen. Die waren meestal baanbrekend. Ik denk aan 1967 toen eenalgemene beschouwing over het streekplan ten beste werd gegeven,die nu nog zeer lezenswaard is. Duidelijkheid, kernpunten, proble-matisch karakter, omvang streekplangebieden, de periode, structu-rerende en indicatieve elementen. Wie het least, begrijpt dat deschrijver in wezen voor nu, voor 1977, schreef. Of komen wijer pas zo laat achter wat hij bedoelde.'Ik denk aan de algemene beschouwing over stadsvernieuwing inhet jaarverslag over 1968 en wat daarover werd geschreven. Notabene in 1968. Negen jaar-geleden.Verkeer en Vervoer in 1970. De landelijke gebieden in 1971. Devoor mij onvergetelijke algemene beschouwing over "Planning enonderzoek op het gebied van de ruimtelijke ordening", waarinhet systeem en de waarde van ruimtelijke planning eens duidelijkuiteengezet werd.Daarin ontmoette ik het eerst de omschrijving: "Ruimtelijke or-dening is het zoeken naar en het totstand brengen van de best denk-bare wederkerige aanpassing van ruimte en samenleving, zulks terwille van die samenleving." Met genoegen denk ik aan dit ver-slag over 1972 terug.En dan is het afgelopen. Geen algemene beschouwingen meer. Al-leen een inleiding van twee, drie bladzijden, die ook nog terug-blikt. Jammer, de verslagen hebben naar mijn mening aan waardeingeboet.Ik zou die dienst willen aanraden: keer op uw schreden terug! Eris toch nog wel visie op de dienst. Wat hebben we nou!Daarom was ik des te meer verheugd dat de Vereniging voor Ad-ministratiel Recht -- een zuiver juridisch gezelschap zal menigeendenken -- voor zijn algemene vergadering op 26 november jl. alsonderwerp koos; "Nieuwe juridisch-bestuurlijke ontwikkelingenin de ruimtelijke ordening" en als pre-adviseurs uitkoos mr. W.Brussaard, hoofd van de afdeling Bestuursaangelegenheden van deRijksplanologische Dienst en J. Rothuizen, hoofd van de afdelingOpcnbare Werken van het stadhuis Amsterdam.Brussaard heeft het onderwerp benaderd vanuit in het bijzonderde relatie tussen de verschillende bestuursniveau's. Rothuizen voorwat betreft het gemeentelijk instrumentarium.Het zijn beide werkstukken geworden met een zeer gedegen enboeiende inhoud. Niemand die lets meent te weten op het gebiedvan de ruimtelijke ordening kan zich veroorloven deze pre-advie-zen ongclezen te laten.Voor het eerst in jaren is hedendaagse ruimtelijke ordening metzijn ontwikkelingen weer eens beschreven en elk onderdeel opzijn plaats gezet. En er is -- zoals een ieder weet -- wat aan de handde laatste tijd.Niet voor niets spreekt Rothuizen, in de inleiding op zijn pre-ad-vies, over grote ongerustheid over de gang van zaken bij de ruimte-lijke ordening. Over onzekerheid, door tal van oorzaken. Hij con-stateert, dat over zeer veel zaken de discussie is losgebarsten.Brussaard spreekt in zijn inleiding over zeer boeiende dingen die ophet ogenblik in het ruimtelijk bestuursrecht gebeuren. Zijn denk-beelden zijn ontstaan uit een voortdurende confrontatie van eigenideeen met die van anderen.Een herbezinning op de drie bestuursniveau's, het juridischinstrumentarium, het integratieniveau, centralisme of decentralis-me, de toenemende invloed van het rijk, de planologische kernbe-slissing, structuurschetsen en structuurschema's, coordinatie vanbestuur en wetgeving, enz., het komt bij Brussaard keurig op zijnplaats ter sprake. Een verademing bij alle verwarring die er op hetogenblik bij zeer velen over deze zaken is.Rothuizen benadert zijn materie vanuit de gemeente. Het is eenander gezichtspunt. Maar niet minder waardevol. Hier is de man dietTiidden in de dagelijkse praktijk staat bij een gemeente van groteomvang, aan het woord. En met gezag. Wat hij schrijft over sprei-ding van macht, planproces en procesplanning bij het rijk, provincieen gemeente, over bestemmingslijn en inrichtingslijn, over procesen eindbeeld, over de partijen in dat proces, over openbaarheiden openheid, over de inspraak, over plan en uitvoering, over proce-dure-exces, laat ons zien dat we nog midden in de moeilijkhedenzitten. Dat we worstelen om een oplossing voor een toenemend aan-tal problemen. Hij draagt ook oplossingen aan. Beziet ze, bediscus-sieert ze als het ware en worstelt mede aan het vinden van wat ikzou willen noemen: "De steen der wijzen".Waar ik mee zou willen eindigen is: leest u -- als u het al niet gedaanhebt -- deze pre-adviezen eens rustig door. Laat ze eens goed op uinwerken.U zult er plezier aan beleven. Het is een verrijking van uw kennis.Doe ze niet af met de voorbarige conclusie: "Saaie juridische lec-tuur". Niets is minder waar. Ze zijn uit de bestuurspraktijk gebo-ren. Ik zou willen zeggen: "Het is uit het leven gegrepen."C. HarinckStedebouw en Volkshuisvesting, januari 1977Het bestemmingsplan Buitengebiedals beleidsinstrumentmr. Th. M. M. Thurlings en mr. J. M. Smit"1. INLEIDINGIn dit artikel wordt het bestemmings-plan gezien als een middel voor hetruimtelijk beleid. Een van de aspektenbij het ontwerpen van een bestem-mingsplan voor het buitengebied is deregeling van de plaats waar agrarischebedrijven zich mogen vestigen.Het is de bedoeling van dit artikel aante geven hoe het beleid om tot zo'nplaatsbepaling in het bestemmings-plan te komen gestalte zou kunnenkrijgen.Daartoe is het nodig om enerzijdsinzicht te hebben in de eisen die aanhet beleid gesteld kunnen worden enanderzijds de verwarring, die er nogaleens ten aanzien van allerlei aspektenvan het bestemmen van agrarischebebouwing blijkt te bestaan, op teruimen.Dit heeft ertoe geleid dat in paragraaf2 het begrip beleid en de daaraan testellen eisen worden behandeld en datin paragraaf 3 een aantal bestem-mings-technische problemen aan deorde worden gesteld. In de paragrafen4 en 5 wordt dan het resultaat vanparagraaf 2 toegepast op het resultaatvan paragraaf 3, anders gezegd: wordteen poging gedaan weer te geven hoeeen beleid met betrekking tot deregeling van de plaats waar agrarischebedrijven zich mogen vestigen, eruitziet als het voldoet aan de eisen vanparagraaf 2. Deze opzet heeft totgevolg dat de paragrafen 2 en 3 en inbeperktere mate paragraaf 4 als af-zonderlijke verhalen kunnen worden" Medewerkers Ir. W. C. A. van Heesewijk,Bureau voor Ruimtelijke Ordening B.V. teVught.gelezen. Paragraaf 5 kan niet goed ge-lezen worden zonder raadpleging vande voorgaande paragrafen.2. DE BETEKENIS VAN HETBESTEMMINGSPLAN VOOR HETBELEIDIn navolging van HoogerwerP) enAquina^) kan beleid omschreven wor-den als een min of meer weloverwo-gen streven om bepaalde doeleindenmet bepaalde middelen in een bepaal-de tijdsvolgorde te bereiken. Ondereen doel kan worden verstaan: eenwens, die een persoon of groep heeftbesloten te verwezenlijken. Een middelis alles wat een persoon of groep ge-bruikt of kan gebruiken om het be-reiken van een of meer bepaalde doel-einden te bevorderen. Men realiserezich dat ieder middel op zich weer sub-doel kan zijn.Artikel 10 van de Wet op de Ruimte-lijke Ordening stelt een bestemmings-plan voor het buitengebied verplicht.De Memorie van Toelichting op arti-kel 10 zegt dat het doel van een be-stemmingsplan is een goede ruimtelij-ke ordening te verkrijgen door het ko-ordineren van de verschillende belan-gen, die bij het gebruik van de in hetplan begrepen grond zijn betrokken,tot een zo harmonisch mogelijk ge-heel. Dit geheel dient een groterewaarde te vertegenwoordigen dan bijhet dienen van elk der belangen af-zonderlijk te bereiken ware geweest.Rekening dient te worden gehoudenmet de inzichten van hoger gezag. Degemeenteraad, aldus vervolgt de Me-morie van Toelichting, zal door mid-del van het bestemmingsplan geenlandbouwpolitiek mogen bedrijven,maar anderzijds ook niet de belang-hebbenden nodeloos in hun vrijheidmogen beknotten.Onder landbouwpolitiek moet -- zoblijkt uit de Memorie van Antwoordle Kamer -- worden verstaan het in-voeren van een bepaalde vestigings-regeling met betrekking tot de bedrijfs-grootte. Dat wil zeggen dat het bestem-mingsplan wel betrekking mag hebbenop de vorm van bodemkultuur en desoort van agrarische bedrijven, zealsweide-, landbouw- of tuinbouwbe-drijfIn de jurisprudentie komt dit uit-gangspunt geregeld terug: KB 19 ok-tober 1974 Bouwrecht 1975, biz. 31(Woubrugge) "dat, mede gelet op degeschiedenis van de totstandkomingvan ardkel 10 van de Wet op de Ruim-telijke Ordening, dit artikel onverletlaat de regulering door de ruimtelij-ke ordening van de vorm van bodem-kultuur en van de soort van agrari-sche bedrijven".Besluiten van gelijke strekking:KB 4 december 1974 Bouwrecht 1975biz. 147 (Vlagtwedde);KB 25 februari 1973 Bouwrecht 1975biz. 467 (Rheden);KB 22 September 1975 Bouwrecht1976 biz. 32 (Berghem).Tenslotte bepaalt ardkel 33 van deWet op de Ruimtelijke Ordening, dateen bestemmingsplan ten minste een-maal in de tien jaar moet worden her-zien, hetgeen betekent dat het planeen visie behoort te geven voor deeerstkomende tien jaar.Uit het voorgaande kan een aantalSkdebouw en Volkshuisvesting, januan 1977bestemmingsptan buitengebiedkonklusies worden getrokken:Het bestemmingsplan is in de termi-nologie van Hoogerwerf en Aquina:-- een belangrijk beleidsbepalendraadsbesluit (middel);-- voor middellange termijn (tijdsvolg-orde);-- gericht op koordinatie van belan-gen met ruimtelijke aspekten (doel vanhet beleid);-- rekening houdend met inzichtenvan hoger gezag.Aldus komt duidelijk naar voren dathet bestemmingsplan geen doel opzich is. Het is een instrument, waar-mee een beleid gevoerd kan worden.Zoals we zagen is het beleid een stre-ven. Dit streven uit zich in de hande-lingen en in de voorkeuren van de be-leidsvoerder ^).Deze handelingen en voorkeuren moe-ten zowel demokratisch als rationeelzijn*).Het belangrijkste kenmerk van de ra-tionaliteit is, dat de voorkeuren metbetrekking tot doel, middelen en tijdondubbelzinnig zijn.Daartoe is het nodig dat de beleids-voerder de problemen ten aanzien vandoel, middelen en tijd objektief analy-seert en de keuze die hij doet moti-veert. Rationaliteit in het handelenblijkt uit de mate, waarin die hande-lingen gekoordineerd verlopen. Ditwordt bijvoorbeeld mede be'invloeddoor de organisatie van de ambtelij-ke diensten. Demokratische beleids-.beslissingen en -voorkeuren kenmer-ken zich door de ruime mate van over-eenstemming met de voorkeuren vande meerderheid van degenen die bijhet beleid betrokken zijn en het reke-ning houden met de voorkeuren vande minderheid. Demokratisch hande-len kenmerkt zich daardoor dat het inruime mate een verdeling van machtten aanzien van het beleid beoogt.Deze verdeling van macht kan ondermeer plaatsvinden in de vorm van in-spraak.Welnu, naarmate een beleid meer de-mokratisch en meer rationeel is, spre-ken we van een meer ontwikkeld be-leid. Aquina stelt overigens tevens nogde eis dat het beleid steeds demokra-tischer en rationeler moet worden. Ditprocesmatige aspekt van het beleidwordt verder buiten beschouwing ge-laten.ledere beleidsvoerder zou er dus naarmoeten streven een zo hoog mogelijkontwikkeld beleid te bereiken. Tochblijkt het meestal niet mogelijk eenvolledig demokratisch en rationeel be-leid te ontwikkelen. Zolang de oorzaakdaarvan is gelegen in externe faktoren,dus faktoren die niet door de beleids-voerder kunnen worden beinvloed, isdat niet van invloed op de waarderingvan het beleid.Dergelijke externe faktoren noemenwe randvoorwaarden. Een belangrijkerandvoorwaarde voor het beleid metbetrekking tot het buitengebied zijnwe reeds tegengekomen. De wet ver-biedt immers bij de vestiging van nieu-we bedrijven beperkingen op te leggenten aanzien van de bedrijfsgrootte.Een andere randvoorwaarde wordtdoor de Memorie van Toelichting ge-noemd. Daarin wordt gezegd dat re-kening moet worden gehouden metinzichten van hoger gezag. Als deze in-zichten zijn vastgelegd in bindenderichtlijnen moet de lagere overheidze aksepteren en zijn ze te beschouwenals randvoorwaarden. Zijn ze niet bin-dend vastgelegd, dan kan de lagereoverheid er zoveel rekening mee hou-den als past in een demokratische be-langenafweging.Het rekening houden met die inzich-ten is dan een element van demokra-tisch beleid.De belangrijkste elementen van het be-leidsmodel van Aquina zijn hiermeebesproken.In het hiernavolgende willen wij pro-beren dit model toe te passen op hetbeleid ten aanzien van de agrarischebebouwing in het buitengebied. Inhet laatste stuk (5. De koordinatie vanbelangen) wordt daarvoor een opzetvoorgesteld. Omdat de inzichten vanhogere overheden randvoorwaardenkunnen zijn, is daaraan speciale aan-dacht besteed (4. De inzichten van ho-gere overheden).Allereerst moet echter duidelijkheidbestaan over wat onder bepaalde be-stemmingssystemen moet worden ver-staan. Daarbij is aandacht besteed aaneen aantal direkt daarmee samenhan-gende problemen zoals het begripagrarische bebouwing(3. De bestem-mingssystemen voor agrarische be-bouwing in het buitengebied).3. DE BESTEMMINGSSYSTEMENVOOR AGRARISCHE BEBOUWINGIN HET BUITENGEBIED3.1. ProbleemanalyseBij het ontwerpen van een bestem-mingsplan voor het buitengebied vra-gen, door het toegenomen aantalfunkties van het buitengebied, veelbelangen een adekwate regeling. Deproblematiek van de agrarische be-bouwing is er daarvan slechts een. De-ze problematiek kan niet worden aan-gepakt zolang niet duidelijk is watonder agrarische bebouwing wordtverstaan.Vervolgens dient men zich te realise-ren dat voortdurend onderscheid ge-maakt moet worden tussen bestaandebebouwing en toekomstige bebou-wing. Immers voor nieuwe bebouwingstaat de vraag centraal waar deze wordtgesitueerd, terwijl voor bestaande be-drijfsbebouwing de vraag voorop staatwelke uitbreidingsmogelijkheden nogworden gegeven. Zowel voor bestaan-de als voor nieuwe bedrijfskomplexenmag worden gesteld dat zij aan zekerekoncentratie- en maatvereisten moetenvoldoen.Tenslotte moeten bij de bestemmings-regeling zelf onderscheiden worden:a. De aan de juridische regeling tengrondslag gelegde beginselen. Andersgezegd: de direkt met de juridischeStedebouu) en Volkshuisvesting, januari 1977bestemmingsplan buitengebiedmiddelen nagestreefde doeleinden, teweten de mate van vrijheid bij deplaatskeuze van nieuwe bedrijven. De-ze doeleinden zijn bekend onder debenamingen "vrije vesdging", "bouw-zones", "bouwstroken" en "bouw-blokken". Hierop wordt onder 3.4.nog nader ingegaan.b. De juridische methoden (middelen),dat wil zeggen die methoden, die (i.e.)op de Wet op de Ruimtelijke Ordeningzijn gebaseerd en als zodanig rechts-gevolg hebben.Bijvoorbeeld: gedetailleerde bestem-ming, globale bestemming met uit-werking, de wijzigings- en vrijstel-lingsbevoegdheid.Het voorgaande noopt nu tot de be-antwoording van drie vragen:1. Wanneer kan worden gesprokenvan agrarische bebouwing?2. Hoe verhoudt zich bestaande be-bouwing tot toekomstige bebouwing.^3. Wat wordt verstaan onder "vrijevestiging", "bouwzones", "bouwstro-ken" en "bouwblokken";hoe verhouden zij zich tot de juridi-sche middelen van de WRO; wat zijnde voor- en nadelen.^Deze vragen zullen hieronder wordenbeantwoord.3.2. Het begrip agrarische bebouwingIn het buitengebied worden bouwmo-gelijkheden gekreeerd voor agrarischebebouwing; burgerbouw wordt in hetalgemeen niet toegelaten. Om een der-gelijk beleidsdoel te bereiken moetengeschikte middelen worden gevonden.Dat middel hebben we, indien we instaat zijn het begrip "agrarische be-bouwing" hard te maken in de voor-schriften van het bestemmingsplan.Agrarische bebouwing is bebouwingdie op een of andere wijze recht-streeks verband houdt met het agrari-sche bedrijf. Daarom koncentreren wijons op de vraag wat onder een agra-risch bedrijf moet worden verstaan.Bij het ontwerpen van een begripsbe-paling moet steeds in het oog wordengehouden voor welk doel ze gebruiktgaat worden. De eerste aanleiding omduidelijk te omschrijven wat onder eenagrarisch bedrijf wordt verstaan, is ge-legen in artikel 10 WRO. Dit artikelverbiedt het stellen van eisen met be-trekking tot de struktuur van agrari-sche bedrijven. Volgens de Memorievan Antwoord le Kamer heeft dit ver-bod vooral het invoeren van een ves-tigingsregeling met betrekking tot debedrijfsgrootte op het oog.Omdat het gaat om de bedrijfsgrootteen gezien ook de parlementaire behan-deling^) kan daaruit naar onze meningworden afgeleid, dat het amendementBrouwer met name het oog heeft ophet agrarische bedrijf als ekonomischegrootheid, namelijk als bestaande uitde produktiefaktoren grond, arbeid enkapitaal. Juist omdat een van die eko-nomische faktoren namelijk de grond,de faktor is die centraal staat in deruimtelijke ordening, is het amende-ment Brouwer ons inziens nodig ge-acht om te voorkomen dat de WROeen gezonde landbouwekonomischeontwikkeling in de weg zou staan. Ditbetekent, dat de begripsbepaling inlandbouwekonomische zin duidelijkmoet maken wat onder agrarisch be-drijf moet worden verstaan. Op andereaktiviteiten dan die, welke vallen onderhet begrip agrarisch bedrijf in land-bouwekonomische zin, slaat het in hetamendement Brouwer vervatte verbodniet zozeer.Een aktiviteit kan omschreven wordenals een agrarisch bedrijf in landbouw-ekonomische zin als het een agrarischeaktiviteit, met in ekonomische zin eenbedrijfsmatig karakter betreft.De vraag of een aktiviteit aangemerktkan worden als een bedrijf in ekono-mische zin, betekent dat de elementengrond, arbeid en kapitaal als zodanigin een zekere hoedanigheid aanwezigmoeten zijn en dat zij samen een vol-doende aantal SBE^) moeten waarbor-gen.Een van de elementen is de arbeid. Ditelement arbeid moet dus in een zekerehoedanigheid aanwezig zijn. Die hoe-danigheid wordt bepaald door fakto-ren als hoofd- en nevenberoep, leef-tijd, opleiding en vakbekwaamheidvan de ondernemer, gezinssituatie, be-drijfsopvolgingssituatie en sociaal-me-dische omstandigheden, zoals de vali-diteit van de ondernemer. De hoeda-nigheid van het element grond wordtonder meer bepaald door de grond-oppervlakte en de ligging van het be-drijf. De hoedanigheid van de produk-tiefaktor kapitaal wordt bepaald doorde kapitaalgoederen zelf (machines,gebouwen enz.) en de vermogenswaar-de van deze goederen.Voor de vraag of een aktiviteit eenagrarisch bedrijf is, worden dus medefaktoren als hoofd- en nevenberoepenz. in het oordeel betrokken. Dezegegevens zijn goeddeels van de aanvra-ger zelf afkomstig en de vraag of dezegegevens naar waarheid zijn verschaft,is een kwestie van bonafiditeit. Daar-mee is de bonafiditeit element bij debeoordeling van de vraag of een aktivi-teit een agrarisch bedrijf is.De SBE is gebaseerd op de verhoudingvan grond, arbeid en kapitaal en kandaarom dienen als maatstaf voor debeoordeling van de vraag of een agra-rische aktiviteit een bedrijfsmatig ka-rakter heeft. In het verleden is echtergebleken dat een vaste minimum SBE-norm niet voldoet, met name niet inde gevallen waarin van een aanvraag,die niet aan de norm voldoet, toch ver-wacht wordt of mag worden dat de ak-tiviteit zich tot een reele bedrijfsaktivi-teit zal ontplooien.Wij vragen ons daarom af of een agra-risch bedrijf niet aldus kan worden ge-typeerd, dat de elementen grond, ar-beid en kapitaal als zodanig in een ze-kere hoedanigheid aanwezig moetenzijn, dat zij samen ten minste een mini-mum aantal SBE (bijvoorbeeld 10SBE, zoals bij CBS-tellingen wordt ge-Stedehouw en Volkshuisvesting, januari 1977bestemmingiplan buitengebiedhanteerd) moeten vertegenwoordigenen dat zij tevens in hun samenstellingeen zekere realiteitswaarde moeten be-zitten. Deze realiteitswaarde zou om-schreven kunnen worden als de ver-wachting dat de agrarische aktiviteitzich binnen een zeker aantal jaren toteen zekere produktie-omvang zal ont-plooien. Op het moment van de aan-vraag hoeft de aktiviteit dus nog geenreeel agrarisch bedrijf te zijn. Wellichtis dat ook de bedoeling van de formu-lering zoals die in het KB Maurik, 30juni 1975, Staatsblad 1975, nr. 426 inde voorschriften was gebezigd, waargesproken werd van een "reeel agra-risch bedrijf. Deze formulering werddoor de Kroon geaksepteerd.Er is echter een belangrijk verschiltussen de wijze waarop wij het begriprealiteit hanteren en de wijze waaropdat in het KB Maurik gebeurt. In hetKB Maurik, zo hebben wij begrepen,wordt als kriterium voor de toelatingvan een agrarische vestiging gestelddat het een reeel agrarisch bedrijf moetbetreffen, terwijl wij stellen dat heteen agrarische aktiviteit met in be-drijfs-ekonomisch opzicht realiteits-waarde moet betreffen.Het kriterium van het KB Maurik be-tekent dat agrarische bedrijven, dieniet reeel zijn, niet mogen worden ge-bouwd. Maar ook niet-reele agrarischebedrijven zijn en blijven agrarische be-drijven ten aanzien waarvan een bouw-verbod naar onze mening dan een(verboden) struktuurbeleid zou kun-nen zijn.In onze redenering is er echter geensprake van een agrarisch bedrijf als deagrarische aktiviteit realiteitswaardemist.Tot nu toe is alleen over de beneden-grens van een agrarisch bedrijf gespro-ken. Ook een bovengrens moet onsinziens worden bepaald. Deze kan wor-den gelegd bij een produktie-omvangvan driemaal de grootte van een ge-specialiseerd eenmansbedrijf. Dezenorm wordt ook in de landbouw-wereld gehanteerd''^).In dit geval betreft het namelijk in-dustrieen met een agrarisch karakteren spreekt men niet meer van agra-rische bedrijven.De aldus getypeerde agrarische be-drijven zijn echter tevens die bedrijvendie in beginsel grondgebonden zijn endaarom a priori in het buitengebiedthuishoren. Daarom is deze typeringook aanvaardbaar als algemene bepa-ling van het begrip agrarisch bedrijfin de voorschriften van het bestem-mingsplan.Konkreet zou de begripsbepaling dankunnen luiden: "een akkerbouw-, wei-debouw-, fruitteelt-, tuinbouw-,boomkwekerij-, bloemen- en sierteelt-bedrijf, alsmede een pluimveebedrijf,rundveehouderij, varkenshouderij,kalverhouderij en champignonkweke-rij (nertsen- en paardenfokkerijen der-halve niet inbegrepen), dan wel eenuit twee of meer van genoemde be-drijfstakken samengesteld bedrijf, aldan niet met vee.Van een agrarisch bedrijf wordt nietgesproken indien de produktie-om-vang minder dan 10 SBE bedraagt,hetzij meer dan 10 SBE en geen reali-teitswaarde bezit, of een produktie-omvang heeft van meer dan driemaalde produktie-omvang van een gespe-cialiseerd eenmansbedrijf. Evenminwordt van een agrarisch bedrijf ge-sproken indien geen verkoop aan demarkt plaatsvindt."Het laatste kriterium is ingevoerdenerzijds ter afbakening van bijvoor-beeld hier en daar nog voorkomendekloostergemeenschappen, die vooreigen behoefte een agrarische aktivi-teit uitoefenen, anderzijds ter afbake-ning van hobbyisme. Het kriteriumis opgenomen, omdat het niet is on-dergebracht onder de begrippengrond, arbeid en kapitaal, terwijl hetin ekonomische zin wel een belang-rijke faktor is ter bepaling van hetbegrip bedrijf.Hoewel het eigenlijk buiten het di-rekte onderwerp van dit betoog valt,willen wij nog enige opmerkingen ma-ken over de toelating van een agra-rische dienstwoning. Dit zal een wo-ning moeten zijn, die in verband metde agrarische bedrijfsvoering ter plaat-se noodzakelijk is. Dit zal veelal be-tekenen dat de bewoner zijn hoofd-beroep op het bedrijf uitoefent.Uitdrukkelijk zij nog gesteld dat bijde vraag of een aktiviteit een agrarischbedrijf is bij de beoordeling van hetelement arbeid de vraag van hoofd-of nevenberoep in aanmerking wordtgenomen en niet de vraag wat dehoofdinkomstenbron van de onder-nemer is. Hoofdberoep en hoofd-inkomstenbron lopen naar onze me-ning niet parallel.Met het voorgaande zijn ons inziensde volgende KB's in overeenstem-ming:KB Oosterhout 2 april 1975 Stb.nr.16: het begrip "agrarisch bedrijfmag niet afhankelijk worden gesteldvan de hoofdinkomstenbron van debedrijfsvoerder.KB Halsteren 27 mei 1975 Stb.nr.380: geen bouwvergunning voor debouw van een "landarbeiderswoning"want de aanvrager oefent geen agra-risch beroep uit.KB Kedichem 20 november 1975 Stb.-nr. 664: geen bouwvergunning voorde bouw van een stal voor schapen enjong vee, op gronden bestemd vooragrarische doeleinden, want de aan-vrager is van beroep onderwijzer enbeoefent het houden van enig klein-vee als liefhebberij.KB Harderwijk 30 juli 1975 Stb.nr.133: onder termen als "uitsluitendstrekkend ten dienste van een agrarischbedrijf kan worden verstaan dat dewoning bewoond moet worden doordegene die in hoofdzaak het bedrijfuitoefent.Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1977bestemmingsplan buitengebiedTerzijde kan nog worden opgemerktdat uit het KB Diepenveen 5 april 1973Stb.nr. 38 afgeleid zou kunnen wor-den dat de bewijslast dat de bewoninguitsluitend strekt ten dienste van eenagrarisch bedrijf op de aanvrager rust.3.3. Bestaande bedrijven en de vestigingvan nieuive bedrijvenBij het ontwerpen van bestemmings-systemen voor agrarische bebouwingdient men zich steeds rekenschap tegeven van het onderscheid tussen hetbestemmen van bestaande bedrijven enhet bestemmen van nieuw te vestigenbedrijven. Hoewel beide uiteraard veelprobleemsoorten gemeen hebben,staan toch in beide gevallen verschil-lende vraagstukken en uitgangspuntencentraal:a. alle bestaande bedrijven krijgen inbeginsel reele uitbreidingsmogehjkhe-den;b. voor nieuwe bedrijven staat devraag centraal waar zij zich kunnenvestigen.In nauwe samenhang hiermee staan debestemmingssystemen, die gekozenkunnen worden voor de agrarischebebouwing.GemeenschappeHjk voor bestaande ennieuwe bedrijven is het uitgangspuntdat op ieder bedrijf de bedrijfsbebou-wing binnen bepaalde marges (1-1,5ha.) gekoncentreerd dient te zijn, metuitzondering van veldschuren e.d.3.4. De bestemmingssystemen voor agrari-sche bebouwing in het buitengebied3.4.1. Typering van de systemenIn de praktijk van de ruimtelijke orde-ning wordt veelvuldig gewerkt met debegrippen "vrije vestiging", "bouw-zones", "bouwstroken" en "bouw-blokken", terwijl de indruk wordtgewekt dat deze begrippen bepaaldevastgestelde bestemmingssystemenzouden dekken. Niets is echter min-der waar en men hoede zich er danook voor zich in gedachtenwisselin-gen te begeven zonder vooraf duide-lijk te hebben gemaakt wat men kon-kreet met de gehanteerde begrippenbedoelt.Hiervoor hebben wij reeds gesteld(3.1.) dat onderscheid moet wordengemaakt tussen de aan de bestem-mingsregeling ten grondslag gelegdebeginselen en de juridische middelenter realisering van die beginselen. Te-samen vormen zij het bestemmings-systeem. Omdat aan een bepaald be-ginsel, bijvoorbeeld de "bouwzone",niet in alle gevallen dezelfde juridi-sche uitwerking zal worden gegeven,kunnen twee bestemmingssystemen,die beide aangeduid worden met determ "bouwzonesysteem" heel goedeen verschillende inhoud hebben.Het is van belang vast te stellen wat debegrippen "vrije vestiging", "bouw-zone", "bouwstrook" en "bouwblok"als beginsel voor een bestemmingssys-teem inhouden.Allereerst verdient het dan opmerkingdat deze beginselen alleen betrekkinghebben op de plaatsbepaling van agra-rische bebouwing.Vrije vestiging houdt dan in dat in eengebied van ruime omvang geen exaktelokatie voor de bebouwing wordt aan-gegeven.De bouwzone houdt in dat aaneen-gesloten gebieden van enige omvangworden aangewezen, waarbinnen debebouwing moet worden gesitueerd.De bouwstrook houdt in dat langs be-paalde wegen stroken met een dieptevan ongeveer 100-200 m worden ge-projekteerd, waarbinnen de bebou-wing moet worden gesitueerd. Hetbouwblok houdt in dat konkreet deplaats wordt bepaald waar de be-bouwing van een bedrijf moet wordengesitueerd. Daartoe worden danbouwpercelen met een oppervlaktevan ongeveer 1-1,5 ha. geprojekteerd.Deze beginsels worden pas systemenals zij in een juridische bestemmings-regeling worden uitgewerkt. De begin-sels krijgen dan een juridische inhoud.Deze inhoud beoogt een verfijning vanhet beginsel toegesneden op de kon-krete problematiek van het betrokkengebied. Terwijl bijvoorbeeld voor hetene gebied volstaan zou kunnen wor-den met konkrete voorschriften, kanvoor een ander gebied een procedureex art. 11 WRO wenselijk zijn, terwijltoch beide gebieden onderworpen zijnaan hetzelfde beginsel (bijv. bouw-zone). Uit de aard van de verschillen-de beginsels vloeit wel voort dat hetene beginsel zich gemakkelijker leentvoor een bepaalde juridische inhouddan het andere beginsel. Zo zuUen bijvrije vestiging veelal alleen konkretevoorschriften ten aanzien van de maat-voering worden gegeven. Bij bouw-zones en bouwstroken zal vaak artikel11 WRO worden toegepast om aan dehand van een konkrete bouwaanvraagde plaats van de vestiging te bepalen.Bij een bouwblok zal men veelal kon-krete voorschriften aantreffen.Juist omdat de keuze van het juridischeinstrumentarium vrij is, is het mogelijkeen zeer vloeiende overgang van hetene beginsel naar het andere te berei-ken. Een strak genormeerd bouwzone-systeem kan daardoor bijvoorbeeldveel weg hebben van een bouwblok-systeem.Uit het voorgaande blijkt dat de ver-schillen in de bestemmingssystemenzijn gelegen in:1. de omvang van het gebied waar-voor een bepaald systeem geldt (bouw-zone groter dan bouwblok);2. de ligging van het gebied (bouw-strook altijd langs een weg);3. het juridisch instrumentarium,waarvan een systeem zich veelal be-dient. Uitdrukkelijk wordt gesteld"veelal" want de keuze van het juri-dische instrumentarium is vrij.3.4.2. Voor- en nadelen van de diversesystemenVrije vestigingHet beginsel van vrije vestiging bete-kent dat voor een vrij groot gebiedStedebouw en Volhhuisvesting, januari J977bestemmingiplan buitengebiedde lokatie van nieuwe vestigingen nietwordt vastgelegd, de plaatskeuze isvrij. De juridische uitwerking van ditbeginsel bestaat veelal slechts uit kon-krete maatvoorschriften.Met een dergelijk systeem is een af-weging van belangen niet mogelijk.Dat is ook niet nodig en dus aanvaard-baar indien er geen belangen aanwezigzijn die een zekere afweging wenselijkmaken. Als die belangen er wel zijn,dient men zich af te vragen of eendergelijke extreme vorm van vrije ves-tiging wel enig belang dient, nietalleen in ruimtelijk/planologisch op-zicht, maar zelfs ook in agrarisch op-zicht, daarbij gelet op de visies op deagrarische ontwikkelingen, die o.a. eenafname van het aantal bedrijven enschaalvergroting voorzien en beplei-ten; mede gezien de toch al geringegrondmobiliteit is het niet in het be-lang van de landbouw de vrijkomendegrond te versnipperen door plaats enaantal van de nieuwe vestigingen vrijte laten'**'").In het geval dat men in beginsel deplaatskeuze vrij wil laten voor eengroot gebied, maar toch een zekereafweging mogelijk wil houden, zoudan het systeem gekozen kunnen wor-den waarbij de konkrete plaatskeuzewordt gebonden aan een uitwerkingdoor B. en W. ex artikel 11 WRO. Inde uitwerkingsregels kunnen normenvoor de afweging worden opgenomen.Aldus verkrijgt men een wat genuan-ceerder systeem van vrije vestiging. Indat geval is echter eveneens een inven-tarisatie, als hieronder (Bouwzones)omschreven, nodig.BouwzonesHet bouwzonebeginsel betekent datgebieden van enige omvang wordenaangewezen, waarbinnen nieuwe be-drijven zich moeten vestigen. De kon-krete plaatsbepaling wordt veelal ge-bonden aan een uitwerkingsprocedureex artikel 11 WRO.Ten behoeve van een evenwichtige op-zet van de uitwerkingsregels is een in-ventarisatie van het aantal aanwezigeen in verband daarmee nog toe telaten agrarische bedrijven nodig. Alsvoordeel is te noemen dat door middelvan uitwerkings-, wijzigings- en vrij-stellingsmogelijkheden een redelijksoepel systeem opgezet kan wordenvoor gebieden waar meerdere belan-gen een rol spelen.BouwstrokenHet bouwstrokenbeginsel betekent datparallel aan de as van een weg op eenafstand van 100-200 m een grens ge-trokken wordt, waarbinnen gebouwdmag worden. Deze grens houdt geenrekening met eigendomsgrenzen. Hetgevolg daarvan is dat de ene boer totop 200 m diep kan bouwen, omdat dediepte van zijn perceel zo groot is,terwijl zijn buurman bijvoorbeeldmaar 50 m diep kan bouwen, omdathij een minder gelukkige kavelvormheeft.Het bouwzonesysteem heeft dat na-deel niet, omdat het gebied zo wordtgekozen -- meestal een gebied omge-ven door wegen -- dat alle bedrijvendie onder de bouwzoneregeling beho-ren te vallen, ook werkelijk binnen dezone vallen. Een uitwerkingsbevoegd-heid van Burgemeester en Wethouderskan eventueel binnen dat gebied rij-zende problemen met betrekking toteigendommen adekwaat opvangen.Ook het bouwbloksysteem kent niethet bezwaar dat het geen rekeninghoudt met eigendomsverhoudingen,omdat juist per bedrijf het bouwblokwordt vastgesteld.Voor het bouwstrokensysteem geldttevens het nadeel van een noodzake-lijke inventarisatie van de bestaandebebouwing om binnen de strook reke-ning te houden met de eigendomsver-houdingen. Voor nieuwe vestigingen ishet systeem veel te strak. Het bouw-strokensysteem wordt overigens doorweinigen nog voorgestaan in verbandmet de hier voor gesignaleerde pro-blemen.BouwblokkenPer bedrijf zal de gewenste en moge-lijke ontwikkeling moeten worden be-keken, hetgeen inventarisatie van debestaande bebouwing noodzakelijkmaakt.Voordeel is dat per bedrijf bepaaldkan worden wat de meest wenselijkeontwikkelingen zijn. Daarop kan ge-nuanceerd worden ingespeeld. Met be-hulp van uitwerkings-, wijzigings- envrijstellingsbevoegdheden kan een soe-pele regeling, zo nodig zelfs per be-drijf, worden getroffen.4. DE INZICHTEN VAN HOGEREOVERHEDEN4.1. AlgemeenWe hebben reeds gezien dat het eenelement van demokratisch beleid kanzijn om rekening te houden met deinzichten van hoger gezag, maar ookdat het bijvoorbeeld ter verkrijgingvan goedkeuring een noodzaak kanzijn om die inzichten te volgen.In het laatste geval spreken we van eenrandvoorwaarde voor het beleid. Eenduidelijk voorbeeld van een dergelij-ke randvoorwaarde is de aanwijzingvan artikel 37 lid 3 en 38 WRO.Een voorkeur voor een bepaald stand-punt zoals G.S. die wel uiten in hetkader van het vooroverleg is te be-schouwen als een element, waarmee inhet kader van een demokratische be-langenafweging rekening moet wordengehouden.Hetzij als element bij een demokra-tische belangenafweging, hetzij alsrandvoorwaarde, dient dus rekening teworden gehouden met de opvattingenvan Rijk, Provincie en eventueel Ge-west.4.2. RijkIn de Orienteringsnota RuimtelijkeOrdening") stelt de regering uitdruk-kelijk dat een integrale visie op deStedebouw en Volhshuisvesting, januari 1977bestemmingsplan buitengebiedontwikkelingen gebaseerd zal moetenzijn op alle faktoren, die in het lan-delijk gebied een rol spelen. Gestreefdwordt naar een indeling van het lan-delijk gebied op basis van een veelzij-dige benadering, en wel zodanig datmeer recht wordt gedaan aan een af-weging tussen milieugegevens, land-schapsbeleving, ekonomie van hetgrondgebruik, behoud van het leef-klimaat van de plattelandsbevolkingen de wensen en behoeften van de ste-delijke bevolking met betrekking totde inrichting van open ruimten. Voor-alsnog is geen instrumentarium voor-handen om deze integratie voUedigen geobjektiveerd te doen plaatsvin-den.Aldus wordt een basisdoel ontworpenen tevens gekonstateerd dat dit doelwegens het ontbreken van een goedmiddel niet kan worden bereikt. Ditleidt tot een belangrijk subdoel name-Hjk de bevordering van het tot standkomen van een landinrichtingswet'^).Meerdere subdoeleinden wordenoverigens ontworpen en vastgesteld'*).Deze zijn in de inmiddels verschenenInterimnota Landinrichtingswet over-zichteHjk bij elkaar gezet'*) en hier,ondanks hun algemene strekking,weergegeven vanwege hun grote be-lang voor de lagere overheden, zekerook bij het bestemmen van agrarischebebouwing.De subdoeleinden zijn:ten aanzien van het natuurlijk milieu:1. verbeteren en handhaven van dekwaliteit van het natuurlijk milieu;2. veilig stellen van natuurgebieden,kultuurlandschappen en kultuurmo-numenten; het ontstaan van nieuwevormen daarvan bevorderen,ten aanzien van het landschapsbeelden stadsbeeld:1. bevorderen van een landschaps- enstadsbeeld, dat de kultuur-historischebetekenis en de visuele aantrekkelijk-heid waarborgt c.q. dient;2. veilig stellen van kultuurlandschap-pen en kultuurmonumenten,ten aanzien van het landelijk gebied:1. in stand houden van open ruim-ten:-- handhaven van open ruimten tus-sen de stedelijke zones (centrale openruimte) en tussen de stadsgewesten enbinnen de stadsgewesten (bufFerzones);-- tegengaan van suburbanisatie bui-ten de stadsgewesten en stedelijke zo-nes;2. bevorderen van de bestaansmoge-lijkheden van de agrarische bevolking:-- in stand houden en bevorderen vanrendabele vormen van agrarische be-drijfsvoering;3. bevorderen en in stand houden vanhet leefklimaat van de plattelandsbe-volking:-- in stand houden van kleine kernen;-- in stand houden van voorzieningen,die essentieel zijn voor het funktione-ren van de plaatselijke leefgemeen-schap;4. handhaven en bevorderen van dediversiteit aan rekreatiemogelijkhe-den:-- bevorderen van de totstandkomingen instandhouding van voorzieningenvoor openluchtrekreatie, in het bij-zonder dichtbij en in woongebieden.Een verdere uitwerking hiervan zal inde struktuurschets voor de ontwikke-ling van het landelijk gebied geschie-den. Deze struktuurschets maakt deeluit van de Derde Nota Ruimtelijke Or-dening en zal dit jaar verschijnen'^).In dit verband is nog van belang datde regering ten aanzien van de situe-ring en uitbreiding van de intensie-ve veehouderij en ligboxenstallen gro-te terughoudendheid wenst te betrach-ten in de meest waardevoUe en kwets-bare kultuurlandschappen, met namedie welke voor reservaatvorming inaanmerking komen'^).Ook in de Nota Intensieve Veehou-derij wordt gesteld dat de plaatsbe-paling van grote intensieve veehou-dersbedrijven zeer zorgvuldig en opbasis van verricht onderzoek dient tegeschieden, waardoor de ontwikkelin-gen in de landbouw (schaalvergrotingen intensivering van de produktie) opzo verantwoord mogelijke wijze in hetlandschap worden gebracht").Koncentraties van deze bedrijven wor-den uit landbouwkundige, veterinaireen ekonomische overwegingen afgera-den's).4.3. ProvincieBlijft het Rijk noodzakelijk algemeenin haar doelstellingen, de Provincieheeft de mogelijkheid met name doormiddel van streekplannen doeleindente stellen voor vrij nauwkeurig be-grensde gebieden. Waar streekplannenontbreken geven cirkulaires wel eensinzicht in de opvattingen van de Pro-vincie. Zo heeft de provincie Noord-Brabant reeds in 1973, met een aan-vuUing in 1975, het licht doen zien aaneen nota "Uitgangspunten ten dien-ste van de regeling van agrarischebebouwing in bestemmingsplannenvoor gebieden met een agrarischefunktie". (Inmiddels is wederom eenherziene versie verschenen. Deze wijktvoor zover hier ter zake doende niet afvan de voorgaande nota's.)Daarin formuleren gedeputeerde sta-ten hun voorkeur voor bepaalde be-stemmingssystemen en die voorkeurenzijn afhankelijk van de agrarische,landschappelijke, natuurwetenschap-pelijke en rekreatieve waardering vanhet betrefFende gebiedsdeel. Bij na-vraag bij de Provinciale PlanologischeDiensten is gebleken dat slechts in en-kele gevallen beleidsnota's zijn uitge-gaan waarin expliciet voorkeuren voorbepaalde systemen zijn neergelegd.Omdat de provincie Brabant het meestuitgebreid en genuanceerd haar voop-keuren tot uitdrukking heeft gebracht,waardoor ze meer algemene aandachtverdienen, worden deze hierbij sche-matisch weergegeven.Stedebouw en Volhhuisvesting, januari 1977bestemmingsplan buitengebiedI. A. B. C. D.Gebied, waarin de agrari- vrije vestiging bouwzones bouwpercelen (bouwblok- Buiten bouwzones en bouw-sche belangen en functies (2e circ.) ken) blokken bebouwing moce-domineren voorkeur (2e circ.) lijk.P? niet opgenomen in fa- ? slechts voorschriften geen bezwaar, mitscetstreekplan voor na- t.a.v. inhoud, hoogte,breedte, oppervlakte.-- uitgangspunt blijft datminimale beperltingenHierover doen de circulai-tuurschoon- en recrea- res geen uitspraak.tiegebieden. burgerbebouwing, af- worden opgelegd Aannemelijk;stand tot openbare weg -- uitwerking ex art. 11 -- uitgangspunt blijft daten perceelsgrens. Ver- WRO slechts minimale beper-der geen strange eisen. ? t.b.v. bouwplan dat kingen worden opge-(voorkeur, mede omdat voldoet aan in het legd.bouwblok methode nauw- plan opgesomde re-gezette inventarisatie eist. gelskost veel tijd) ? uitwerking binnenbepaalde termijn? beroep op raac? advies agr. aspectenII. (2e circ.) (2e circ.) (le circ.) noodzakelijk:Gebied, waarin naast eventueel, mits voorkeur, mits -- vrijstelling voor? bedrijfsgehouvien (geenagrarische, ook land- -- zones op de planhaart -- uitwerking ex art. 11schappelijke, natuurwe- -- uitwerking ex art. 11 WRO woningen)tenschappelijke, en/of re-creatieve belangen enWRO ? t.b.v. bouv^lan dat ? met name te noemen? max. aantal bedrijven voldoet aan in best. ? ter plaatse noodzake-functies van betekenis zijn. per zone plan opgenomen re- lijk uit doelmatige? facetstreekplan natuur- gels agrarische bedrijfsvoe-schoon en recr.gebie- ? uitwerking binnen ring.den: "landschappelijkwaardevol agrariscn ge-bepaalde termijn? beroep op de raad? beperkte max. hoogte? opp. < 50 m^bied". -- vrijstelling -i- verklaringvan geen bezwaar GS +Advies agr. adviesinstan-ties voor:? opp. > 50 m^-- wijzigingsbevoegdheidvoor de gevallen waarin:? niet agrarische belan-gen zich niet tegenvestiging verzetten en? concrete behoefte nietvoorzienbaar t.t.v.vaststelling plan.III. (le circ.) (le circ.) eventueel:Gebied, waarin land- voorkeur -- Wijzigingsbevoegdheidschappelijke natuurweten- - beperking tot bestaan- t.b.v.schappelijke en/of recrea-tieve belangen en functiesde bedrijven? reele begrenzingen? nieuwe vestigingen, in-dienoverwegen boven agrari- -- wijzigingsbevoegdheid ? niet-agrarische belan-sche belangen ? vergroting bouwper- gen zich niet verzetten? facetstreekpl. natuur- ceel i.v.m. evt. latere ? concrete behoefte nietschoon en recreatiege- behoefte voorzienbaar was t.t.v. vbieden: -- vrijheid situering bin- stelling best. plan."natuurschoon- en recrea- nen bouwperceeltiegebieden I, II of III" noodzakelijk:' 'natuurmonument'' -- Vrijstellmgen"natuurwetenschappelijk ? als hierboven (II d.)waardevol agrarisch ge- ? altijd verklaring vanbied" geen bezwaar G.S.IV. (le circ.)Gebied, dat binnen afzien- -- Plan in uitvoering bin-bare tijd in aanmerking nen tien jaar:zal komen voor de ver- ? adequate bestemmingwerkelijking van niet-agra-rische bestemming.leggen? toetsing economischeuitvoerbaarheid bijverwerving bedrijven? overgangsrecht:uitbreidingsmogelijk-heden relateren aantermijn voor uitvoe-ring plan-- Plan in uitvoering tussen10-15 jaar.10 Stedebouw en Votkshuisvesting, januari 1977bestemmingsplan buitengebied5. DE KOORDINATIE VANBELANGEN5.1. AlgemeenIn paragraaf 4 is gekonstateerd datbeleid kan worden beschouwd als eenstreven om bepaalde doeleinden metbepaalde middelen in een bepaaldetijdsvolgorde te bereiken. Dat strevenuit zich in voorkeuren en handelingenen deze moeten rationeel en demo-kratisch zijn. Naarmate een beleidmeer rationeel en demokratisch is,spreken we van een meer ontwikkeldbeleid. Wanneer de verhoging van derationaliteit en demokratie wordt ver-hinderd door externe faktoren (rand-voorwaarden) is dat niet van invloedop de beoordeling van het beleid.Op de betekenis van de inzichten vanhogere overheden voor een beleid is inhet vorige hoofdstuk reeds ingegaan.Deze zijn te beschouwen hetzij alsrandvoorwaarde voor het beleid, hetzijals een mening, waarmee in het kadervan een demokratische belangenafWe-ging rekening moet worden gehouden.In het hiernavolgende wordt getrachtaan te geven wanneer een beleid metbetrekking tot de regeling van deplaats waar agrarische bedrijven zichmogen vestigen beschouwd mag wor-den als een ontwikkeld beleid. Datbeleid zal rationeel en demokratischmoeten zijn.5.2. Een rationeel beleidEen beleid is rationeel als zowel devoorkeuren als de handelingen van debeleidsvoerder ten aanzien van zijn be-leid (= doel, middelen, tijdsvolgorde)rationeel zijn.5.2.1. Rationele voorkeurenWe zagen dat voorkeuren rationeel ge-acht worden als ze ondubbelzinnigzijn. Daartoe is het nodig de betrokkenproblematiek met betrekking tot dedoeleinden, middelen en tijdsvolgordevan het beleid uiteen te rafelen totoverzichtelijke deelproblemen (diffe-rentiatie) en de oplossingen daarvoordusdanig te integreren dat de schade-lijke gevolgen van ieder zoveel moge-lijk zijn geelimineerd (integratie). Daar-mee is een beleidsvoerder er nog niet.Zijn (ondubbelzinnige) voorkeurenmoeten kenbaar zijn. Een wezenlijkstuk differentiatie en integratie metbetrekking tot de middelen voor hetbuitengebiedbeleid heeft in paragraaf3 plaatsgevonden door duidelijkheidte brengen in een aantal begrippen.Met behulp daarvan wordt hierondereen poging gedaan aan te geven hoevoor een bepaald gebiedsdeel ratio-neel tot een keuze van een bestem-mingssysteem kan worden gekomen.5.2.1.1. Rationele voorkeuren ten aanzienvan de doeleindenPer gebiedsdeel zal vastgesteld moetenworden welke doeleinden aan hetgebied met het oog op agrarische be-bouwing worden gesteld.Allereerst moet daarom een degelijkeinventarisatie plaatsvinden van allefunkties van het betrokken gebieds-deel, welke van voldoende belang zijnom van invloed te kunnen zijn op dekeuze van een bestemmingssysteem.Onderzocht moet worden uit welkebouwelementen in zijn algemeenheideen waardering van een bepaaldefunktie kan zijn opgebouwd.Bijvoorbeeld: als bouwelementen vanhet landschap kunnen worden aan-gemerkt de hoogteverschillen, de be-plantingssoort, de bebouwing, het bo-demgebruik, de verkavelingsvorm, dewegenstruktuur, de aanwezigheid vanwater en andere faktoren, zoals hoog-spanningsleidingen, dijken enz.Als bouwelementen van de agrarischefunktie kunnen worden genoemd on-der meer de geschiktheid van de bo-dem voor een bepaald agrarisch ge-bruik, de kultuur-technische gesteld-heid, zoals de waterhuishouding en deverkeersontsluiting, de verkavelingssi-tuatie.Vervolgens moet de funktionele karak-teristiek van een bepaald gebiedsdeelworden bepaald. De funktionele ka-rakteristiek kan omschreven wordenals de voor een bepaald gebiedsdeelkenmerkende samenhang of verhou-dingen, waarin de bouwelementen vaneen funktie voorkomen.Deze funktionele karakteristiek leverteen funktionele hoofdindeling van hetbetrokken buitengebied op. Aan iederdaarmee gevonden gebiedsdeel kun-nen nu, vanuit de betreffende funktie,doelstellingen ten aanzien van de agra-rische bebouwing worden toegekend.Kriterium voor die doelstellingen is deaanvaardbare aantasting van de funk-tionele karakteristiek bezien vanuit hetfunktionele belang.Het funktionele belang kan omschre-ven worden als het belang dat uitoogpunt van de funktie (bijvoorbeeldde zeldzaamheid van de betreffendekarakteristiek) gehecht moet wordenaan de aanwezigheid van een of meerbouwelementen of van een bepaaldefunktionele karakteristiek.Bijvoorbeeld; van een typologischehoofdindeling van een bepaald land-schap maken boskomplexen deel uitdie op een bijzondere wijze zijn ont-staan en een frappante afwisseling bie-den ten opzichte van aansluitendegronden. Hieraan zou de doelstellingverbonden kunnen worden "behouden/of herstel van de landschappelijkewaarden met name de overgang vanbos naar open gebied. De sfeer vanrust dient te worden gehandhaafd.Bij voorkeur geen agrarische vesti-gingen tegen de bosranden".Voor hetzelfde gebied zou het mogelijkkunnen zijn, dat vanuit de agrarischefunktie gekonkludeerd moet wordendat het vanwege de uitstekende kwali-teit van de gronden, de gunstige ver-kavelingssituatie en goede kultuur-technische kwaliteiten dit gebied bijuitstek geschikt is voor de vestigingvan een agrarisch bedrijf, en datwegens het ontbreken van meer vandergelijke gebieden de vestigingsmo-gelijkheid van nieuwe agrarische be-ll Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1977histemmingsplan buitengebieddrijven ter plaatse dringend gewenst is.Deze werkwijze moet voor iedere funk-tie worden herhaald. Aldus wordenvoor iedere funktie doeleinden metbetrekking tot de toelaatbaarheid c.q.wenselijkheid van agrarische bebou-wing geformuleerd per gebiedsdeel.Tenslotte moet dan voor het gebieds-deel het uiteindelijke bestemmingsdoelworden gekozen, dat aan alle belangenzoveel mogelijk recht doet.Daartoe is het nodig dat de waardevan de funkties t.o.v. elkaar wordtbepaald. Door afweging van de waar-den van de funktionele belangen on-derling kan dan worden bepaald hoe-ver de aantasting van iedere funktio-nele karakteristiek kan gaan. Daarmeestaat dan tevens de mate van vrijheidvoor de vestiging van agrarische be-drijven vast, zodat een daarmee over-eenkomstig bestemmingsbeginsel kanworden gekozen.5.2.1.2. Rationele voorkeuren ten aanzienvan de middelenDe middelen waarover het hier gaatzijn de bestemmingssystemen. Hetvastgestelde bestemmingsbeginselmoet een juridische inhoud krijgen. Inparagraaf 3 zagen we reeds dat deze in-houd bepaald moet worden naar dekonkrete situatie. Na hetgeen daaroveraldaar reeds is gezegd, valt er hier inzijn algemeenheid niets meer aan toete voegen.5.2.1.3. Rationele voorkeuren ten aanzienvan de tijdsvolgordeBeleid vraagt planning. Dit geldt uiter-aard ook voor het beleid met be-trekking tot de keuze van bestem-mingssystemen voor agrarische be-bouwing. Een inventarisatie van te ver-richten aktiviteiten, hun tijdsduur eneventuele vertragende faktoren, alsme-de van eventuele formele procedures(bijvoorbeeld voorbereidingsbesluit enbezwarenprocedures) zal moeten wor-den verricht. Op grond daarvan kun-nen voorkeuren worden uitgesproken.5.2.2. Rationele handelingenDe handelingen met betrekking tot hetdoel, de middelen en de tijdsvolgor-de van het beleid worden geachtrationeel te zijn indien, waar nodig,taakverdeling en koordinatie van dehandelingen plaatsvindt. Daarbij valtbijvoorbeeld te denken aan de orga-nisatie van de betrokken ambtelijkediensten. Omdat het beleid met be-trekking tot agrarische bebouwinggeen bijzondere eisen ten aanzien vande taakverdeling en koordinatie stelt,gaan we er niet verder op in.5.3. Een demokratisch beleidOver het demokratisch aspekt van hetbeleid willen wij kort zijn. Gesteld is'')jdat een beleid demokratischer is naar-jmate de voorkeuren en handelingenten aanzien van doeleinden, middelenen tijdsvolgorde van de beleidsvoer-der meer in overeenstemming zou-den zijn met de opvatting van be-trokkenen. Hiertegen kan wordenaangevoerd dat geen enkel beleid de-mokratisch is als het geen rekeninghoudt met de opvatting van de min-derheid. Ook die opvatting maakt deeluit van de betrokken belangen.Een beleid is demokratisch als zowelde voorkeuren als de handelingen vande beleidsvoerder, ten aanzien van zijnbeleid (= doel, middelen, tijdsvolgor-de) demokratisch zijn.5.3.1. Demokratische voorkeurenWe zagen reeds dat beleidsbeslissingenen -voorkeuren demokratisch ge-noemd kunnen worden als zij in rui-me mate in overeenstemming zijn metde voorkeuren van de meerderheidder betrokkenen en dat deze beleids-beslissingen en -voorkeuren rekeningmoeten houden met de voorkeurenvan de minderheid.Hierbij rijst de vraag wie die betrokke-nen zijn als het gaat om het bestem-men van agrarische bebouwing in hetbuitengebied. Gesteld kan worden datde kring van betrokkenen primairwordt bepaald door de funkties dieeen konkreet buitengebied heeft. Daar-bij dient zich onmiddellijk het pro-bleem van de representativiteit aan.Wie representeert een bepaalde funk-tie. In het buitengebied wordt hetlandbouwbelang verwoord door deagrariers en hun organisaties, terwijlvele andere belangen geen "recht-streekse woordvoerders hebben.Enerzijds zal bepaald moeten wordenof een organisatie die zich opwerkt alsbehoedster van een bepaald belang,zoals die bijvoorbeeld ter beschermingvan het milieu veelvuldig optreden,ook werkelijk de funktie, zoals die zichkonkreet in het buitengebied aandient,in haar funktionele belang vertegen-woordigt. Dit kan getoetst worden aande uitkomsten van de inventarisatievan het buitengebied, immers deze in-ventarisatie geeft een inzicht in de aan-wezige funkties en hun funktionele be-lang. Daarbij zal men zich in dit ka-der moeten realiseren dat als betrok-ken belangenorganisatie slechts kanworden aangemerkt, die organisatiedie belangen vertegenwoordigt diedoor agrarische bebouwing worden ofkunnen worden bedreigd.Tot slot moet hier nog herinnerd wor-den aan hetgeen in paragraaf 4 is ge-steld.Zolang de opvattingen van hogereoverheden niet als harde richtlijnenvoor goedkeuringsbeleid, subsidiesenz. worden gehanteerd, moeten zijmin of meer op gelijke voet behandeldworden als de mening van ieder an-der. Zij zijn dan element bij de demo-kratische belangenafweging.5.3.2. Demokratische handelingenDe handelingen met betrekking tothet doel, de middelen en de tijdsvolg-orde van het beleid worden geachtdemokratisch te zijn, indien zij in rui-me mate een verdeling van de machtten aanzien van het beleid beogen.Verdeling van macht betekent verde-12 Stedebouw en Volhhuisvesting, januari 1977bestemmingsplanling van bevoegdheden en verant-woordelijkheden. Inspraak kan daar-van een vorm zijn, mits daarmeebeoogd wordt een verschuiving tedoen optreden in de bevoegdhedenen verantwoordelijkheden bij de tot-standkoming van beleidsbeslissingen.De kring van insprekers is aan de be-perkingen onderhevig die in de vorigeparagraaf zijn geschetst.Voor de wijze waarop inspraak geor-ganiseerd kan worden, mogen wij ver-wijzen naar het advies van de RARO^?)en naar de literatuur^').6. KONKLUSIEUit het voorgaande kan naar onze me-ning een aantal konklusies worden ge-trokken. De belangrijkste daarvan isdat een beleid ten aanzien van een zokomplexe materie als de buitengebied-problematiek volgens strakke hjnenmoet worden opgezet, wil het niet bijvoorbaat reeds te snel tot mislukkenzijn gedoemd. Daarbij moet voort-durend gestreefd worden naar ratio-nahteit en demokratie, waarbij reke-ning wordt gehouden met randvoor-waarden. Onderscheid moet wordengemaakt tussen algemene grondslagen,die aan een bestemmingssysteem wor-den toegekend en de juridische uit-werking daarvan.Ten aanzien van de agrarische bebou-wing kan worden gesteld dat het be-grip "agrarisch bedrijf' kan wordengedefmieerd en dat daaraan de pro-blematiek omtrent de burgerbouw kanworden gerelateerd.Tenslotte moet worden gekonkludeerddat geen van de uitgangspunten "vrijevestiging", "bouwzones" of "bouw-blokken" bij voorbaat, zoals weleenswordt gesuggereerd, verworpen moetworden. Afhankehjk van de aan eengebiedsdeel te stellen doeleinden moeteen grondslag met juridische uitwer-king daarvan worden gekozen.Literatuur1Hoogerwerf, A.Beleid belicht. Alphen aan den Rijn, 1972(1972-1) p. 84, p. 7.2Aquina, H. J.Beleidswetenschap en wetenschapsbeleid. Nij-megen 1974. p. 333Idem,p. 344Idem,p. 54 e.v.5Tweede Kamer.Handelingen Tweede Kamer Deel III, zitting1960-1961 biz. 4151 e.v.6De Veer, J.Publikatie 's-Gravenhage Landbouw Ekono-misch Insdtuut, december 1967, "Standaard-bedrijfseenheden (S.B.E.) als grondslag voor debedrijfstypering".De standaardbedrijfseenheid (S.B.E.) is eenverhoudingsgetal gebaseerd op de produktievebijdrage van de produktiefaktoren grond,arbeid en kapitaal, gebaseerd op de verhoudingtussen grond, arbeid en kapitaal die in eenbepaald basisjaar op modern gevoerde be-drijven van toepassing is.De produktieve bijdrage is gelijkgesteld aan dewaarde van de presentaties van arbeid, kapitaalen grond, die per eenheid (ha., dier) benodigdzijn.7Provinciale Raad voor de Bedrijfsontwikkeling.Struktuurnota van de Brabantse land- en tuin-bouw, D.O.E.L. 1980, p. 29.8Minister van Landbouw en Visserij.Nota intensieve veehouderij, p. 9.Tweede Kamer, zitting 1974-1975, 133227nrs. 1-2.9RegeringsnotaNota betreffende de relatie landbouw ennatuur- en landschapsbehoud, 's-Gravenhage1975, p. 3.10Minister van Landbouw en Visserij.Nota intensieve veehouderij, p. 9, 10.Tweede Kamer, zitting 1974-1975 133227 nr. 1.11Derde Nota over de ruimtelijke ordening,eerste deel.Orienteringsnota ruimtelijke ordening, 's-Gra-venhage 1974, p. 60, 61.12Idem,p. 70.13Idem.Orienteringsnota ruimtelijke ordening, deel Ic:regeringsbeslissing nr. 6, p. 3 e.v.14Ministers van Landbouw en Visserij en Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordening.Interimnota Landinrichtingswet 's-Gravenha-ge 1976, p. 6, 7.15Idem,p. 1.16Regeringsnota.Nota betreffende de relatie landbouw ennatuur- en landschapsbehoud 's-Gravenhage1975, p. 35.17Minister van Landbouw en Visserij.Nota Intensieve veehouderij p. 11.Tweede Kamer zitting 1974-1975 133227 nrs.1-2.18Idem,p. 10, 11.19Aquina, H. J.Beleidswetenschap en wetenschapsbeleid, Nij-megen 1974, p. 58.20Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening.Advies inzake het betrekken van de bevolkingbij de vorming van het ruimtelijk beleid,8 juli 1970 (Kamerstukken, zitting 1969-1970-10773).21Van Zundert, J. W.Inspraak in veranderend ruimtelijk planproces,Deventer 1975.13 Stedebouw en Volkshuisvesling, januari 1977Het kentekenonderzoek en het stedebouwkundige planir. R. G. M. van Rooif1. InleidingHet idee, om verkeer waar te nemendoor het registreren van de kentekensvan passerende voertuigen, is nietnieuw. De laatste jaren is deze onder-zoekmethode weer in zwang gekomenals tegenwicht tegen de omvangrijkeverkeersonderzoeken, waarmee veelkosten en tijd zijn gemoeid. Het ken-tekenonderzoek levert snelle informa-tie, zij het dat deze wel beperktbUjft tot het autoverkeer.Vroeger werden kentekenonderzoekenalleen toegepast bij de verkeerstelhn-gen in een beperkt gebied, b.v. on-overzichteUjke kruispunten, rotondesof bij dicht bij elkaar hggende krui-singen. De moderne opname-technie-ken met tape-recorders, filmcamera'sen video-apparatuur laten ook akku-rate waarnemingen bij snel passerendeauto's toe en maken zo toepassingop grotere schaal mogeHjk. In feiteis het kentekenonderzoek nu zo opge-zet, dat het uitvoerige informatie ver-strekt over het autoverkeer in onder-zoekgebieden, die zo gedetailleerd ennauwkeurig is, dat het onderzoekbouwstenen levert voor een verkeers-plan, dat deal uitmaakt van het stede-bouwkundige plan. Wij hebben dezemethode toegepast bij gemeenten tot25.000 inwoners.Wij laten hier een korte historischebeschrijving van de methode volgen.Bij het verzamelen van gegevens bijeen enkelvoudig, d.w.z. niet-onderver-deeld onderzoekgebied, is het gebrui-kelijk rond dit gebied een kordon teslaan. Op alle punten, waar wegen hetkordon kruisen, worden kentekens op-genomen. Bij de analyse zijn dan de* Verkeerskundige bij Ingenieursburo VanDijk-verkeersadviseu
Reacties