stedebouw & volkshuisvestingIn di-:Denkf -he keuii-iVleuvept:,-w.i...i van de Raad var,iSiieuwe boekerisarrisom Iri 1977Zo'n 10 a 15 jaargeleden een heel normaal beeld inde bouw. De Opperman. Stenen sjouwen, cementaandragen, hout slepen. Kortom, bouwen was voor-namelijk handwerk. Nu, 15 jaar later, is er heel watveranderd. Hele elementen tegelijk worden aange-leverd en ingezet. Ramen en deuren worden al inde fabriek kompleet gemaakt. Efficienter, snelleren met minder risiko en kosten dan vroeger.Kenmerkend voor deze tijd.Intal aluminium schuiframenen -deuren.Ook van deze tijd. Meer nog dan dat. Eigenlijkhun tijd vooruit. Van duurzaam geanodiseerdaluminium en ook zonder onderhoud mooi blijvendtot in de lengte van jareri. Meteen klaar, kompleet enbeglaasd geleverd in 132 standaardmaten of opbestelling in de maat die u wenst.Vergen geen verf- of droogtijd, en zijn reeds uitge-rust met hang- en sluitwerk. Meteen, blijvend wind-en waterdicht. Met een minimaal lichtverlies,schuivend en te voorzien van een regendichte, ver-grendelbare, ventilatiestand. Gebaseerd op debasismoduil M = 10 cm. en goedkoop in aanschafLogisch dat steeds meer aannemers Intal aluminiumschuiframen en -deuren toepassen.Uitgebreidere informatie, inklusief TNO-rapporten, is op aanvraag verkrijgbaar.iE3Bsnn^v.io (r-Intal B.V., Postbus 31, Geldermalsen. Tel: 03455-2941.Wij helpen monumenten behoudenVakmanschapuit een voorbeeldstad ...Meer en meer groeit het besef dat onze oude steden en dorpen met hun eigen karakter en sfeer eengroot en kostbaar goed vormen dat verdient om geconserveerd en zo nodig gerestaureerd te worden.Wij prijzen ons gelukkig om hieraan een bijdrage te kunnen leveren door 't feit dat wij beschikken overeen bedrijf waarin zowel nieuwbouw-, onderhouds- als restauratiewerken worden uitgevoerd doorruim 60 medewerkers.Naast afd. nieuwbouw kunnen wij een belangrijke bijdrage leveren in de totstandkoming van renovatieen restauratiewerken.De restauratieafdeling houdt zich bezig met tal van werkzaamlneden op het gebied van dakbedekkingen,n.l. koper-, lood- en leibedekkingen aan torens, kerkgebouwen etc., alsmede de vervaardiging van allevoorkomende koperen windvanen en constructiewerken in een goed geoutilleerde koperslagerij.Een belangrijk onderdeel vormt het leveringsprogramma van koperen lantaarnarmaturen weike indiverse modellen vervaardigd worden en compleet worden afgeleverd met bijpassende gietijzerenlantaarnpalen of muurarmen. Deze gezellige ornamenten in het straatbeeld, waarvan de vervaardigingin nauwe samenwerking met de Rijksdienst voor de monumentenzorg tot stand is gekomen, sierenreeds vela steden en dorpen door geheei Nederland.Een ideale toepassingsmogelijkheid vinden deze lantaarnarmaturen ook in wandel- en winkelprome-nades waar ze door hun bijzondere karakter een grote bijdrage leveren aan een gezellige sfeer.Alle inlichtingen worden u gaarne gegeven door toezending van ons leveringsprogramma of bij uwbezoek aan onze toonzaal afd. koperslagerij.QiFA. JOBSELoodgieters ? Koperslagers - LeidekkersONDERHOUD - NIEUWBOUW - RESTAURATIEKantoor en werkplaats:Breestraat 15, Middelburg, tel. 01180-28006*1785HIndustrielaan 6 Asten. Tel. 04936-2367Handelsondernemingim- en export van Marmer,Natuursteen en KeramiekLevering van alle mogelijke marmer- en natuursteenwerkeno.a.Binnen- en BuitendeurdorpelsGevelbekledingenPuibekledjngenVensterbankenOpen haarden (Ringlever dealer)Travertine VIoertegelsafm. 40 X 40; 50 x 50; 60 x 40 en banen verbandMarmervloertegels in de meest verschillendesoorten en afm.Marmer Kompositie tegelsItaliaanse keramische wand- en vioertegelsafm. 10 X 20; 15 X 30; 15 X 15; 20 x 20; 25 x 25Italiaanse gebakken plavuizenafm. 15 x 15; 20 X 20; 25 X 25; 30 x 30; 40 x 40Marmersplit in verschillende soorten en graderin-gen.AANNEMINGSBEDRIJFEINDHOVEN-SONBOUWERS SINDS 1873telefoon 04990-4535Voor Uw -- Utiliteitswerken-- Renovatie-- OnderhoudswerkenDEELNEMERdeelnemer van deStichting BouwgarantieUtiliteitswerkenPROVINCIE FRIESLANDBij de Provinciale Planoiogische Dienst is plaats voor eenJURIDISCH MEDEWERK(ST)ERbij de afdeling die is belast met het beoordeien en het adviseren over gemeentelijke structuur- en bestemmings-piannen.De weri^.- \^/iV r-%^^.///,.'1971van de bebouwde oppervlakte uitge-voerd.Uitgangspunt hiervoor vormen de aleerder genoemde topografische kaar-ten van het studiegebied. Een pro-bleem hierbij is dat, terwijl de kaar-ten van na de tweede wereldoorlogFiguur 2. De aaneengesloteiibebouunng in het studiegebied inde jaren 187=^. 1900. I9'2h 1946en 1971nieer de toestand van een momentweergeven, de verkenningen ten be-hoeve van de oudere kaarten somsgedurende langere perioden plaats-vonden. Omdat de verkenningen zichtoen juist richtten op de gebiedenwaarin zich veranderingen haddenvoorgedaan is de fout die hierdoorontstaat gering.Zoals in de inleiding is vermeldhebben we ons bij de meting van hetbebouwde gebied beperkt tot de aan-eengesloten bebouwing, inclusief detussenruimten tussen de gebouwen.Als criterium voor bebouwd gebied isgekozen: de totale oppervlakte van allegebieden waarin de onderHnge afstandtussen de gebouwen minder dan 100 mbedraagt, met als ondergrens eenoppervlakte van 0.5 ha. Complexenvan kassen en tuinhuisjes zijn nietals bebouwd gebied aangemerkt. Allestads- en dorpsuitbreidingen vallenechter binnen het gekozen criterium(atgezien van de parken en grotereplantsoenen). Bij een toenemendaantal bedrijfsgebouwen kwam veelalook vrijliggende agrarische bebouwingbinnen het criterium te vallen. Vrij-liggende wegen en spoorwegen, vlieg-velden en opgespoten terreinen zijnniet in de definitie opgenomen. Demeeste wegen en straten binnen de be-bouwde kom liggen dicht bij aaneen-gesloten bebouwing en maken daar-mee deel uit van het bebouwde gebied.Over vrijliggende wegen en spoor-wegen wordt een afzonderlijk onder-zoek gedaan.48 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 19771923 1946^^ ^4 v^,-Belangrijk is dat voor de gehelestudieperiode een zelfde criteriumgehanteerd wordt. Het kan daarbij eenprobleem vormen dat, door de toege-nomen schaalvergroting in stede-bouwkundige opzet, bepaalde be-bouwing o.i. ten onrechte niet meerwordt meegerekend als bebouwd ge-bied. Zo zouden sommige delen vande Bijlmermeer, bij de gekozen cri-teria, als open ruimte geklassifi-ceerd worden, doordat de flats meerdan 100 m van elkaar staan en de op-pervlakte van de flats afzonderlijkminder is dan 0.5 ha. Dergelijke pro-blemen deden zich in het door onsgekozen studiegebied niet voor. Weikomen bij de gekozen detlnitie binnende bebouwde kom gebieden voor, dieals onbebouwd worden aangemerkt(naast de a! genoemde parken ookkaalslagterreinen).De meting van de bebouwde opper-vlakte vond plaats met de zgn. pun-ten-teltechniek ("dot-grid-method"),waarbij over het te meten oppervlakeen raster van punten gelegd wordt.")Uit het aantal getelde punten is eenschatting al te leiden van de groottevan de oppervlakte. Een voordeel vandeze methode boven het meer gang-bare gebruik van de planimeter is datook zeer kleine, grillige oppervlaktennauwkeurig kunnen worden gemeten.De metingen van de afzonderlijkegemeenten zijn zo frequent herhaalddat voor de totale uitkomst voor hetgehele studiegebied er slechts 596 kansis op een atwijking van meer dan 1%van de werkelijke waarde.Daarnaast bleek uit de metingen ookeen font van maximaal \% te zijnontstaan door krimp en rek van dedoor ons samengestelde en gerepro-duceerde kaarten. De fouten, voor-zover naspeurbaar, zijn daarmee kleinvergeleken met de veranderingen diein de gemeten grootheid hebben plaatsgevonden. Zoals uit de resultaten zalblijken (zie Fig. 3a) is het door onsgemeten verloop van de bebouwdeoppervlakte veel regelmatiger dan kanworden afgeleid uit de gegevens vanbestaande bodemstatistieken. Het feitdat onze metingen gemiddeld lagerliggen dan de CBS-cijfers (ook dan demeer recente), ligt waarschijnlijk aanhet door ons vrij krap gekozen cri-terium voor bebouwd gebied.RESULTATENa. Absolute waardenIn Fig. 2 is voor een aantal jaren hetbebouwde gebied in het studiegebiedweergegeven. Naast de toename vande bebouwde oppervlakte valt daar-bij ook de spreiding van de be-bouwing in het oog die in 1923 isbegonnen. In Fig. 3a is de groeivan de bebouwde oppervlakte weer-gegeven (zie ook tabel I). Er blijktsprake te zijn van een zeer sterke10.000 ha. Beb.opp.1900Figuur 3a. De bebouwde oppervlakte van het studie-gebied (B) (in hectare en ais "D van de oppervlaktevan het studiegebied) in de loop van de studieperiode.Gestippelde lijn: waarden van het CBS:-- cirkels: archiej Ministerie van Landbouw en \'is-serij, tabel "L'itgestrektheid der gronden"-- vierkanten: gegevens van de Bodeinstatistieh vanhet CBS (opgaven van gemeenten)-- driehoeken: gegevens van de Bodemstatistiekenvan het CBS (metingen Topografische Dienst).49 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 1977afname open ruimteTabel I: B (de bebouwde oppervlakte), I (het aantal inwoners), W (het aantal wonmgenper inwoner) en R (hetmimtebeslag per luoning) in het gebied Leiden-Den Haag-Delft in de verschillende ondertochtejaren; de ge-middelde woningbezetting (I/W) en de gemiddelde bebouwingsdichtheid (I/R); vergelijkbare cijfers van hetCBS voor de bebouwde oppervlakte.gemiddelde gemiddelde CBS^B = 1 W R woning-bezettingbebouwings-dichtheidjaar bebouwdeoppervlakteha personenwoningen/ ha/ personen/ woningen/ haX 1000 persoon woning woning ha1875 1173 218 0,196 0,0274 5,09 36,47 1898 21101900 1801 363 0,183 0,0272 5,48 36,75 1909 23821923 3000 575 0,200 0,0261 5,00 38,34 1920 27391946 5123 807 0,242 0,0263 4,14 38,07 1930 41271957 6493 998 0,249 0,0261 4,02 38,26 1949 71071962 7729 1.050 0,268 0,0275 3,74 36,35 1956 82421966 8365 1.071 0,279 0,0280 3,59 35,69 1960 79751971 9302 1.068 0,311 0,0280 3,22 35,73 19661971873710541a van 1889-1930: archief ministerie van Landbouw en Visserij, tabel "Uitgestrektheid der gronden''van 1949-1956: gegevens van de Bodemstatisuek van het CBS, (opgaven van gemeenten)van 1960-1971: gegevens van de Bodemstaustiek van het CBS, (Metingen Topografische Dienst).toename, en wel vrij nauwkeurig vol-gens een exponentiele curve. Zoals ver-wacht bij een dergelijke curve is hetverloop bij een logarithmische weer-gave (vrijwel) lineair (zie Fig. 3b).De benadering met een exponentielecurve geeft, over de gehele periode be-zien, een jaarlijks groeipercentage van2,2% (zie Tabel II). Dit betekent eenverdubbelingstijd van ca. 32 jaar. Alsde groei van de bebouwde oppervlakte50V.40-/.Beb.opp, (log)Figuur }b. De bebouwde oppervlakte van het studie-gebied (in hectare en als".. van het studiegebied) in deloop van de studieperiode. logarithniisch iveergegeven.zich ongewijzigd zou voortzetten, watniet zeer aannenielijk lijkt, zou in hetjaar 2008 de helft van het studie-gebied bestaan uit aaneengesloten be-bouwing (en in 2040 het gehele ge-bied).In Fig. 4 zijn voorts voor het jaar1971, naast de aaneengesloten be-bouwing, ook de benaderde opper-vlakten weergegeven van andere vor-nien van bebouwing; deze blijken ze-ker niet te verwaarlozen.We willen nu ingaan op de analyse vande toename van B en weergevenhoe de grootheden I, W en R zich in deloop van de studieperiode hebben ont-wikkeld (zie Fig. 5a, b en c).Het aantal inwonersDe toename van de bevolking ver-toont, evenals die van de bebouwdeoppervlakte, een stormachtige ontwik-keling. De toename in de eerste helftvan de studieperiode hangt samen metde trek naar de steden in het westenvan het land in verband met de indus-triele revolutie. De toename in de pe-riode na de tweede wereldoorlog volgtopen onbebouwde ruimte 745 V.wegen 2.0 V.^?^ kassen 3.i 7.bebouwde oppervlakte 20.1 V.1971Figuur 4. Het beslag op de ruimte in het .studiege-bied door aaneengesloten beboitwing iBi. ka.ysen enwegen m het jaar 197 Lde landelijke trend. Opvallend zijnevenwel de recente ontwikkelingen: naeen vermindering van de groei na 1957is er vanaf 1966 zelfs sprake van eenlichte daling van het aantal inwoners.Deze daling is een gevolg van (zie ")):-- de afnemende natuurlijke aanwasen-- het toenemende vertrekoverschotuit het studiegebied (voornamelijk inde vorm van een suburbanisatie overde grenzen van het gebied been, engedeeltelijk gepaard gaand met veran-dering van werk-gemeente). Zonder deaan het einde van de studieperiodetoenemende buitenlandse immigratiezou de daling van het aantal inwonersnog groter geweest zijn.Tabel II: De groeipercentages b, t, w en r van degrootheden B, I, IV en R per waarnemingsperiodeen voor een drietal langere perioden (in procentenper jaar)b =nprocenten per jaar1. 1875/1900 1,72 2,04 -0,29 -0,032. 1900/1923 2,22 2,01 0,40 -0,193. 1923/1946 2,33 1,47 0,83 0,034. 1946/1957 2,15 1,94 0,26 -0,055. 1957/1962 3,49 1,01 1,46 1,026, 1962/1966 1,98 0,49 1,03 0,467. 1966/1971 2,12 -0,04 2,18 -0,021875/1923 1,96 2,02 0,04 -0,101923/1957 2,27 1,62 0,64 0,011957/1971 2,57 0,49 1,59 0,4950 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 1977ajname open ruimteFiguur '?'a. Hcl aantal inwonen ill m de loop vande studiepenodewWoningen/iFiguur ''b. Het genuddtide aantal uvningt-n per in-U'oner iWi (de reciproke ii'aarde lan de genuddeldewoningbeielting) in de loop van de studupenode.0.04--I ha. beb.opp./woningFiguur '('. Hel genuddelde ruimtehedag per woning(Ri in de loop van de studieperiode.Het gemiddelde aantal woningen perinwonerDeze variabele vormt de reciprokewaarde van de gemiddelde woning-bezetting.De woningbezetting blijkt tussen 1875en 1900 toegenomen van ca. 5 tot3V2 persoon per woning, waarschijn-lijk als gevolg van een trek naar desteden van een arme, kinderrijke be-volking. Na 1900 is de woningbezet-ting voortdurend afgenomen tot eenwaarde van 3.2 in 1971. Als mogelijkeoorzaken kunnen o.a. worden ge-noemd:'*)-- daling van het gemiddelde aantalkinderen per gezin-- afnemend aantal ongewenste sa-men- en inwoningen-- toenemende levensduur, waardooroudere echtparen of alleenstaandenlanger woonruimte in gebruik hebben-- vroeger het ouderlijk huis verlatendoor kinderen, o.a. samenhangendmet een verlaging van de huwelijks-leeftijd-- toenemend aantal echtscheidingen,en, hoewel hier waarschijnlijk vanminder betekenis:-- toename van leegstand-- toename van tweede woningenIn de periode 1946/1957 is de afnamevan de woningbezetting wat vertraagddoor de tijdelijke toename van het ge-boortenniveau na de oorlog.Het gemiddelde ruimtebeslag per woningHet gemiddeld aan een woning toe terekenen aaneengesloten bebouwd ge-bied heeft in de loop van de tijdslechts beperkte veranderingen onder-gaan. Van 1875/1923 is deze variabelelets afgenomen (d.w.z. een iets toege-nomen gemiddelde bebouwingsdicht-heid). In deze periode werden wijkenzoals de Schilderswijk in Den Haaggebouwd. Van 1923 tot 1957 bleef dezefactor constant; na 1957 neemt hetgemiddelde ruimtebeslag per woningtoe, samengaand met veranderdestedebouwkundige inzichten waarbij inlagere dichtheden en met een toe-nemende scheiding van functies ge-bouwd wordt. In deze periode wordenook delen van verschillende binnen-stadswijken gesloopt. Vanaf 1966 isdeze factor weer constant geworden,zij het nu op een hoger niveau(lagere dichtheid). In deze laatsteperiode werden hoogbouwwijken alsPalenstein in Zoetermeer gebouwd.Het is opvallend dat het gemiddeldruimtebeslag per woning in de loopvan de studieperiode relatief weinigis toegenomen. De oorzaak hiervanzal voor een belangrijk deel daarinliggen dat metingen zijn verricht vande totale open ruimte, dus inclusiefde sterk toegenomen open ruimtenbinnen de bebouwde kom. Bij hetverdere onderzoek lijkt in dit verbandeen opsplitsing zinvol tussen de ont-wikkeling van de open ruimte binnenen buiten de bebouwde kom.b. Relatieve betekenis van de verschil-lende variabelenHierboven zijn de veranderingen vanB, 1, W en R afzonderlijk nagegaan.De bebouwde oppervlakte blijkt in destudieperiode te zijn toegenomen metbijna een factor 8, de bevolking metbijna een factor 5 en het gemiddeldeaantal woningen per inwoner met eenfactor van ruim 1,5. Het gemiddelderuimtebeslag per woning vertoont,over de gehele periode genomen,slechts beperkte verschillen. De mini-mumwaarde bedraagt 0.026 ha perwoning in 1923 en de maximum-waarde 0.028 ha per woning in 1971.De vraag moet nu worden beantwoordhoe in de loop van de studieperiodeveranderingen in de bebouwde opper-vlakte zijn toe te schrijven aan ver-anderingen in 1, W en R. Eerder werdafgeleid:bn=in+Wn+i~niIn tabel 11 zijn de waarden van derelatieve groeifactoren weergegeven51 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 1977a/name open ruimtevoor de afzonderlijke waarnemings-perioden en voor de perioden 1875/1923, 1923/1975 en 1957/1971. Bij dekeuze van deze drie perioden speeldeeen rol dat vanaf 1923 naast de uit-groei van de steden ook een sterkegroei van de kleinere gemeenten in denabijheid van de steden gaat optreden(zie fig. 2) en voorts dat vanaf het mid-den der vijftiger jaren de sterke econo-mische groei is ingezet.De betekenis van de drie variabelenper onderscheiden periode wordtduidelijker wanneer we de groeifactorbj^per periode op 10096 stellen en ij^,Wj^ ci^ r^ uitdrukken als percentagevan bn- De resultaten hiervan zijnweergegeven in Tabel 111, opnieuwvoor de zeven afzonderlijke waarne-Figuiir 6. De male ivaarin de toename van de be-bouwde oppervlakte in het studiegebied in drie op-eenvolgende perioden is toe te ichrijven aan veran-deringen in het aantal imoonen. het gemiddelde aan-tal ivoningen per inwoner en het gemiddelde riamte-beslag per ivoning igegevens uit Tabel llli.ill = groeipercentage van het aantal inwoners i in den-de periode)w,, = groeipercentage van het gemiddelde aantalU'oningen per imvoner iin de n-de periode)r,,= groeipercentage van het gemiddelde ruimte-beslag per waning (in de n-de periode).De groeipercentages lijn uitgedrukt in procentenvan het groeipercentage van de bebouivde opper-vlakte b,,: d.w.z.: i,, + w,. + r,,= lOtJ'o.mingsperioden en daarnaast voor desamengevoegde perioden 1875/1923,1923/1957 en 1957/1971; Voor dezesamengevoegde perioden moet welbedacht worden dat de toegepastewiskundige benadering, gebaseerd opeen constante procentuele groei ge-durende de beschouwde periode, meervan de werkelijkheid af zal wijken danbij de kortere afzonderlijke periodenhet geval is.In Fig. 6 zijn de waarden uit Tabel 111weergegeven voor de drie samenge-voegde perioden. Over de betekenisvan de drie variabelen gedurende dezeperioden kan het volgende wordengezegd.De periode 1875/1923Gedurende deze periode heeft de toe-name van de bebouwde oppervlaktevrijwel geheel plaats gevonden ten be-hoeve van de toename van de be-volking. De dichtheid van de be-bouwing blijkt in deze periode zelfslets toe te nemen, gezien de negatievewaarde van r^^.De periode 1923/1957Ook in deze periode vindt de toenamevan de bebouwde oppervlakte voorna-melijk plaats ten behoeve van de toe-nemende bevolking. Nu speelt echterook de afnemende woningbezetting aleen aanzienlijke rol. Het gemiddelderuimtebeslag per waning blijft in dezeperiode constant.De periode 1957/1971In deze periode is de betekenis van debevolkingsgrootte verder afgenomen.De toename van de bebouwde opper-vlakte is nu voornamelijk gaan zitten ineen afname van de woningbezetting.Daarnaast zijn de toename van debevolking en het toenemende ruimte-beslag per woning allebei van eengelijke, toch niet geringe betekenis.In de periode 1957/1966 vond detoename van de bebouwde oppervlak-te voor 25-30% plaats ten behoeveTabel 111: De groeipercentages i, w en r in procentenvan het groeipercentage b per waarnemingsperiodeen voor een dnetal langere periodenb ='n + ^n + "nbn =1001. 1875/1900 100 118,6 -16,9 -1,72. 1900/1923 100 90,5 18,0 -8,53. 1923/1946 100 63,1 35,6 1,34. 1946/1957 100 90,2 12,1 -2,35. 1957/1962 100 29,0 41,8 29,26. 1962/1966 100 24,8 52,0 23,27. 1966/1971 100 -1,9 102,8 -0,91875/1923 100 103,1 2,0 -5,11923/1957 100 71,4 28,2 0,41957/1971 100 19,0 61,9 19,1van de toename van het gemiddelderuimtebeslag per woning. In de laatsteafzonderlijke waarnemingsperiode(1966/1971) nam dit ruimtebeslagechter niet verder toe.NADERE BESPREKING VAN DERESULTATENUit de beschrijving van de toenamevan de bebouwde oppervlakte in deloop van de laatste honderd jaar blijkt,beter dan uit recent statistisch ma-teriaal kon worden afgeleid, het expo-nentiele groei-karakter van de toe-name van het bebouwde gebied endaarmee van de afname van de openruimte. Het karakter van dit groei-proces van de bebouwde oppervlaktewordt o.i. onvoldoende onderkendwanneer alleen gedurende een betrek-kelijk korte periode waarnemingenworden gedaan (en wanneer op gronddaarvan de conclusie zou worden ge-trokken dat de afname van de opper-vlakte van de open ruimte in feitete verwaarlozen zou zijn). Een voort-zetting van de beschreven ontwik-keling op middellange termijn isminder denkbeeldig dan men wellichtzou denken, gezien bijv. de voorstellenvan de PPD Zuid-Holland tot een ver-dere verhoging van de bouwstroom indit gebied. (Het zou onjuist zijn debeleidsvoorstellen van de PPD in Zuid-52 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 1977ajname open ruimteHolland zonder meer te karakteriserenals voortzetting van bestaande trends.De bepleite vergroting van de bouw-stroom in het betrokken gebied berustnamelijk mede op de beleidskeuze deleegloop van de bevolking uit ditgebied tegen te gaan. Dit uitgangs-punt wordt door ons ook zeker onder-schreven. De vraag is dan echter inhoeverre deze beleidskeuze noodza-kelijkerwijs tot een verdere trendma-tige groei van de bebouwde opper-vlakte meet leiden.'*)) Een dergelijkevoortgezette ontwikkeling van de aan-eengesloten bebouwing mag boven-dien niet los worden gezien van eenmogelijke verdere toename van anderevormen van bebouwing in de openruimte, die in dit artikel buiten be-schouwing zijn gebleven (wegen, kas-sen, zomerhuisjes, e.a.; zie Fig. 4).Zonder vaste normen te kunnen (en tewillen) aangeven menen wij toch temoeten concluderen dat de afnamevan de oppervlakte van de open ruimtein het onderzochte stedelijke gebied opeen dergelijke schaal plaatsvindt, datde in de inleiding genoemde functiesalleen al hierdoor ernstig in het ge-drang dreigen te komen. Dit geldtzowel voor het behoud van de terechtgeprezen gelede stedelijke structuurvan de randstad, als voor het behoudvan de meer directe gebruiksfuncties,die de open ruimte voor de stedelijkesamenleving vervult. Het lijkt ons danook ten zeerste gewenst dat niet alleenaandacht wordt besteed aan hetlocatie-vraagstuk zoals bijv. in deMidden-Randstadstudie'^) of de studieover de Groene Ruimte Arnhem-Nijmegen,") maar dat ook de matevan verstening als zodanig ter discussiewordt gesteld.VERDER ONDERZOEKHet onderzoek was er vervolgens opgericht om met behulp van de geko-zen modelbeschrijving op kwantitatie-ve wijze vast te stellen ten behoevewaarvan in de loop van de studieperio-de de toename van de bebouwde op-pervalkte heeft plaatsgehad. Hierbijbleken zeer aanzienlijke verschillentussen de opeenvolgende gedeeltenvan de onderzochte studieperiode tebestaan. Gezien deze grote verschui-vingen in de betekenis van de drie on-derscheiden variabelen is het eens temeer verrassend dat de bebouwde op-pervlakte zelf met een vrijwel constan-te groeisnelheid is toegenomen gedu-rende de gehele onderzochte periode.Dit wijst er op dat de toename vande bebouwde oppervlakte zich als eenbetrekkelijk onbeheerst proces heeftafgespeeld; een proces waarbij moge-lijk juist ook aan de aanbodzijde ster-ke tendenties tot een continueringvan de steeds grotere productie be-staan.Het verdere onderzoek zal er in de eer-ste plaats op gericht kunnen wordenin hoeverre in andere stedelijke ge-bieden vergelijkbare verschuivingen in' de betekenis van de onderscheiden va-riabelen heeft plaatsgehad; en speciaalook de vraag of in andere stedelijkegebieden de toename van het ruimte-beslag per woning wellicht van gro-tere betekenis is geweest dan in hetonderhavige studiegebied. Eventueelzou hierbij de modelbeschrijving kun-nen worden vereenvoudigd, zodanigdat verder wordt gewerkt met het aan-tal inwoners per hectare i.p.v. met hetproduct van aantal woningen per in-woner (W) en ruimtebeslag per woning(R).Een volgend punt van onderzoek be-treft de vraag van welke achterliggen-de factoren de onderscheiden "policyvariables" op hun beurt afhankelijkzijn. Bij de bespreking van de resulta-ten werd in dit verband al een aantalfactoren genoemd. In aansluiting hier-aan kan dan worden onderzocht bin-nen welke marges en met welke in-strumenten een beleidsbeinvloedingvan de verschillende factoren mogelijkis. Aan de hand van de hier uitgewerk-te modelbeschrijving kunnen daarbijnader gespecificeerde toekomstprojec-ties voor de open ruimte in het ge-bied worden opgesteld. In de vormvan een gevoeligheidsanalyse kandaarbij worden getoetst wat de con-sequenties van diverse beleidsuitgangs-punten en maatregelen voor de openruimte zullen zijn. Hopelijk zal dateen aanzet kunnen vormen om tot eenbeheersing van het versteningsproceste komen.Bij dit verdere onderzoek lijkt het ompraktische redenen zinvol het studie-gebied uit te breiden tot het plan-gebied van het in voorbereiding zijn-de streekplan Zuid-HoUand-West.Bij het onderzoek naar de marges voorhet beleid mag uit de relatief kleinetoename van het gemiddelde ruimte-beslag per woning niet worden afge-leid dat deze factor voor de toekomstvan minder betekenis zou zijn. Inte-gendeel. Bij de beschrijving van deveranderingen per waarnemingsperio-de bleek al dat ook deze variabeleaanzienlijk verschillende waarden kanhebben. Wanneer het gehele bebouw-de gebied zou zijn bebouwd met eendichtheid als bij de nieuwbouw vande periode 1957/1966 is gerealiseerd,zou de bebouwde oppervlakte in 1971in totaal nog ca. een kwart groterzijn geweest. Een verdergaande toe-name van het gemiddelde ruimte-beslag per woning, zoals door velemiddelgrote en kleine gemeentenwordt gewenst, zou op langere termijndan ook ingrijpende gevolgen hebben.Het is dan ook van grote betekenis datde provincie Zuid-HoUand op hetpunt van de bebouwingsdichtheid vanbestemmingsplannen de laatste tijdeen meer stringent beleid is gaan voe-ren.Juist deze variabele biedt namelijkvoor het tot stand komen van een zui-niger ruimtegebruik aanzienlijke mo-gelijkheden. Richten we ons daartoevoor een moment op de bebouwings-dichtheid van verschillende bestem-mingsplannen. De netto bebouwings-53 Stedebouw en Volkshuisvesting februari 1977a/name open ruimtedichtheid (dc zgn. "buurtdichtheid",incl. buurtgroen, maar exclusief grote-re parken) van grote nieuwbouwplan-nen in het studiegebied bedroeg ge-durende de laatste tien jaar ongeveer50 woningen per ha (met een mini-mum van ca. 30 woningen per ha)'^).Deze plannen bestonden voor eengroot deel uit hoogbouw. Wanneernaar een compacte stedelijke bouwwij-ze gestreetd wordt blijkt het mogelijkom voor 100% eengezinshuizen (allemet eigen tuin) te bouwen in dezelf-de dichtheid (netto max. 45-50 wo-ningen per ha.)'*). Bij een gestapeldebouw van twee woningen boven el-kaar (50% van de woningen met eeneigen tuin) blijkt een dichtheid moge-hjk van ca. 80 woningen (van ver-schillende typen) per ha, terwij
Reacties