11stedebouw & volkshuisvestingIn dit nummerDenkraamWijziging Wet op de R.O.Struktuurplan ReeshofOprichting NIROVDe komende 25 jaarRegiodagen B.N.S. 1978IngezondenNieuwe boekenMededelingensamsom november 1978-i-i.r^^-f'f^?'1AAfsprook is ofspraQk(ookols hetom betrouwbore service goot loten we u niet in de l^ou stoon)Een tevreden glimlach op't gezicht van eenWant is voor ons een belangrijke doelstelling.Niet alleen bij het resultaat na isoleren, ook vooren gedurende het werkproces.En dat is slechts mogelijk door betrouwbareservice te bieden, die al begint met een uitgebreiddokunnentatiepakket. Voor alle produkten oftoepassingen, of het nu onn de bouw of deindustrie gaat, zijn produkt-, konstruktie- enverwerkingsbladen beschikbaar. Voor elk isolatie-probleem biedt Rockwool Lapinus deskundigetechnische en kommerciele ondersteuning.En wie nnet Rockwool Lapinus in zee gaat,zai nnerken dat leveringen akkuraat en zo nodigbinnen 24 uur worden uitgevoerd.Ook weer iets waar u van op aan kunt.En dan hebben we het nog niet eens over deprodukten zelf.Hoogwaardige kwaliteitsprodukten,gemaakt van natuursteen. Door haar samen-stelling en struktuur geschikt voor thermische,akoestische en brandwerende toepassingen.Daarbij is Rockwool maatvast, krimpt niet en isgemaakt om gemakkelijk en prettig te verwerken.Een welluidend bewijs van Rockwool'sbetrouwbaarheid is de spouwplaat 427, een derbelangrijkste produkten. Hiervoor verwierfRockwool zowel het KOMO-certificaat als hetKOMO/Bouwcentrum-attest.Kortom, van Rockwool kunt u op aan.En nogmaals, het gaat ons om die tevredenglimlach op uw gezicht!Voor inlichtingen kunt u schrijven of bellen naar:Rockwool Lapinus Antwoordnummer 101Tel.. 010-136432 LJ^p|||y5Rockwool:wij houden klonten groog tevreden.mdhmbureau voor ruimtelijke ordening en architectuur f.w. van droffelaar b.v.Als stedebouwkundig adviesbureau (? 20 medewerkers), zijn wij aktiefbezig met de stedebouwkundige en planologische planvoorbereiding zo-mede beleidsadvisering van een relatief groot aantal kleine en middelgrotegemeenten. Om de steeds toenemende werkzaamheden op adequate wijzete kunnen blijven verrichten, vragen wij enigeStedebouwkundige tekenaars (m./v.)Zij zullen zorgdragen voor alle voorkomende tekenwerkzaamheden metname het uitwerken van bestemmingsplannen, uitwerkings- en struktuur-plannen.Aan gegadigden voor deze funktie vragen wij:? enige jaren ervaring als stedebouwkundig tekenaar? diploma stedebouwkundig tekenaar of studerend daarvoor strekt totaanbeveling (v.t.s., p.b.n.a., I.o.i.)BELANGSTELLENDEN VOOR DEZE GEVARIEERDE, DYNAMISCHE FUNKTIE,KUNNEN HUN SOLLICITATIE RICHTEN AAN ONS BUREAU,JOLLESSTRAAT 5, 6814 JE ARNHEM, TELEFOON 085-42 33 42Zojuist verschenen:Prof dr J BuitDOELSTELLINGENENRUIMTELIJKE VOORSTELLENPlanologische beschouwingen over eenongemakkelijke' relatie.1978. 250 biz , ing. f 35,-.ISBN 90 232 1613 XEen boek voor hen die werkzaam zijn op het gebied van de ruimtelijkeordening en voor diegenen die nauw betrokken zijn bij de besluit-vorming op dit terrein. Voorts voor studenten die zich in hun studiemede richten op de planologie, sociale geografie, stedebouwkundeen andere ruimteli|k georienteerde wetenschappen.Verkriigbaar in de boekhandel of rechtstreeks bij de uitgever.VAN GORCUMPostbus 43, 9400 AA, Assen --.^cL.-m1Fabriek:Vogelsancklaan 2 50^^ ^^ ^^ ^^ 3540-Zolder. (Belgiei)RADIATOREN-- a! meer dan 10 jaar een begrip!ALUTHERM C.V. KETELS& RVS BOILERS-- de ketel met het aluminium 'hart'-- anders dan alle andere-- voor BLIJVEND hoog rendementEEN-PIJP-SYSTEEM-- voor snelle, fraale en vooral technlschverantwoorde montage.Verkoopleider Ned.: F. A. M. HendrikxKapellerlaan 181. 6045 AD RoermondTelefoon 04750-17357.Gewest 's-Gravenhage ?sGIn het Gewest's-Gravenhage werken degemeenten 's-Gravenhage, Leidschendam,Nootdorp, Rijswijk, Voorburg en Zoeternneer samen, ondermeer op het terrein vande volkshuisvesting.Voor de beleidsafdeling Volkshuisvesting van het Gewestbureau wordt gevraagdeenbeleidsmedewerkermet belangstelling voor de regionale aspecten van de volkshuisvesting.Deze afdeling houdt zich naast het vervullen van een aantal secretariaten vanoverlegorganen bezig met het beleidsondersteunende werk betreffende woning-bouw en woonruimteverdeling en betreffende de coordinatie en integratie van hetvolkshuisvestingsbeleid van de zes gewestgemeenten.Kandidaten voor bovengenoemde functie dienen te beschikken over:-- een academische of daarmee gelijk te stellen opieiding;-- praktijkervaring met een grondige kennis van regionale bouwprogrammering,woningdifferentiatie, bevolkingssamenstelling en woningmarkt in verstedelijktegebieden, verhuisbewegingen bij stadsvernieuwing en nieuwe bouwiocaties;-- het vermogen om tot snelle en gerichte beleidsadvisering te komen;-- redactionele vaardigheid en goede contactuele eigenschappen;-- een ruime belangstelling voor aan het eigen vakgebied verwante terreinen.Ervaring in overheidsdienst strekt tot aanbeveling.Het aanvangssalaris zai, afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring, liggentussen j 4.039,-- en j 5.103,-- bruto per maand.De gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toepassing.Uitvoerige sollicitaties kunnen binnen 2 weken na verschijning van dit blad gerichtworden aan het Dagelijks Bestuur van het Gewest 's-Gravenhage, Kerkplein 3,Postbus 66, 's-Gravenhage.vrije universiteitamsterdamDe vakgroep Planologie van de subfaculteit Sociale Geografie en Planologiezoekteenwetenschappelijk (hoofd-)niedewerker (m/v)De gedachten gaan daarbij uit naar een afgestudeerde in de planologie of een derandere sociale wetenschappen met praktische ervaring in of aanwijsbare interessevoor planvormingsprocessen.Van betrokkene wordt mede vanuit bovenstaand kennisveld, een bijdrage verwacht infiet onderwijsprogramma planologie voor doctoraalstudenten.De onderzoektaak zai voorshands betrekking fiebben op de tweede fase van eenplanologischevaluatie-onderzoek.Onderwijs- en onderzoekervaring strekttot aanbeveling.Nadere informatie wordt gaarneverstrekt door prof.dr. J. Buit, tel. 020 - 548 36 08 ofthuis tel. 030 - 71 75 80 of drs. E.F. Nozeman, tel. 020 - 548 36 07 of thuistel. 02518-5 46 69.Instemming met de doelstelling van de Vrije Universiteit als christelijke instelling wordtverwachit.Schriftelijke sollicitaties. onder vermelding van vacaturenummer 711-2578binnen 3 weken na tiet versctiijnen van deze advertentie te richten aan dedienst Personeelszaken, postbus 7161, 1007 MC Amsterdam.De Vrije Universiteit isgelegen aan deDe Boelelaan 1105, Amsterdam-Buitenveldert.mZo bespaartInteigas eneigie.Alleen Intergas heefteen CV-ketel,gecombineerd met eenonbeperkt warmwater-systeem, met maar liefstzeven belangrijkeenergiespaarders.De een na de andere fabrikantvan CV-ketels schermt met dezulnigfieid van z n apparaten.Intergas nu heeft een ketelwaarin maar liefst zeven belangrijkeenergiespaarders zijn ingebouwd.Weer zo n bewering?Nee, Intergas voegt de daad bijhet woord.De 7 belangrijkeenergiespaarders vanIntergas.Xa Conventionele CV-ketels zijngemaakt van zwaar, log materiaal.Intergas heeft, gebruik makende vande ervaringen opgedaan in de ruimte-vaart, een uniek precede ontwikkeld.Het ketelmateriaa! wordt hier-doorgaszljdlg 100% beschermd.Dit resulteert in een supersnelreagerend binnenwerk. En dat spaartZf Demateriaalbeschermingiseen - bij 900?C opgebracht - echtgesloten staal-inbrand-emaille. Dit ishitte-, corrosie- en zuurbestendig envolkomen glad.Vervuiling van het binnenwerkwordt daardoor voorkomen. En datbetekent een blijvend hoog rendement.tj9 De capaciteitsaanpassingenvoor zowel de Intergasketel als voorhet tapwatersysteem geschiedenautomatisch. Daardoor meer comfort.En een zeer hoog rendementvan de hele CV-installatie.4? Intergas past al jarenlang eenspaarregeling toe op het warmwater-systeem.Deze schakelt het systeem uit ophet moment, dat er geen warm waternodig is, b.v. s nachts of bij langeafwezigheid.*?? Voor het tapwater wordt deIntergasketel laag gestookt. Dit heeftgeringe stilstandsverliezen tot gevolg.0? Door het laag stoken van deketel ontstaat er minder kalkaanslagopdetapspiraal.Dit resulteert in een blijvendsnelle warmte-overdracht en bliivendminder gasverbruik.7. Het unieke Intergas regelsysteemzet automatisch de circulatiepomp afwanneer het ketelwater is afgekoeld.Dat spaart heel wat electriciteit.Diverse instellingen hebben deIntergas Combi uitvoerig getest.Rapporten van T.N.O., VW.O. en V.E.G.liggen ter inzage.Verdere documentatie eninlichtingen kunt u krijgen via uwgrossier of bij de producent:Gebr. van de WeteringMetaalwarenfabriek B.V., de Holwert 1,Coevorden, tel. 05240-2345, telex 42355.Intergas.De daadwerkelijkeenergiespaarder.HANDBOEK HINDERWETIn een kiein en dichtbevolkt land als Nederlandzijn waterverontreiniging, luchtverontreiniging,geluidhinder, etc, ten gevolge van de produktiein Industrie, zaken die de nodige aandacht ver-dienen en zeker de laatste jaren ook krijgen. De-ze toenemende bewustwording ten aanzlen vanvraagstukken op het terrein van de mllieuver-ontreiniging brengt een verhoogde aandrang totstrenger toezicht op het naleven van de voor-schriften krachtens de HInderwet met zlch mee.De hinderwetaanvraag en de normaalvoorwaar-den vormen immers een belangrljk onderdeelvan de instrumenten die ons ten dienste staanbij de aanpak van de milleuproblemen.Met de steeds stringenter wordende milleu-eisenis het daarom erg belangrljk over deze onder-werpen voortdurend goed geinformeerd te zijn.Daarvan bent u verzekerd met de ultgave:HANDBOEK HINDERWET? DIt handboek Is losbladlg. Door middel vanaanvullingen wordt u op de hoogte gehoudenvan de nieuwste ontwikkelingen. Deze aanvul-ANTWOORDCOUPONZendtumij: ISBN 65002154ex. 'HANDBOEK HINDERWET'en noteert u mij voor een abonnementop de aanvullingen tot wederopzeggingook verkrijgbaar via de boekhandelNaam:T.a.v.:Straat:Plaats:.Deze antwoordcoupon ongefrankeerd Ingesloten enveloppe zendenaan:Samsom Ultgeverij b.v.Antwoordnummer 2000Alphen aan den RijnCO00CMCOllngen worden toegezonden tegen de gelden-de paglnaprijs (ca. 39 ct.l.De inhoud van uw handboek blijft hierdoor al-tljd volledig en betrouwbaar.Handboek Hinderwet telt ca. 925 paglna's,samengevat In 2 banden met ringmechaniek.De prijs van hot hoofdwerk Is f 72, --.Genoemde prijzen zijn Incl. btwen excl. ver-zend- en adminlstratiekostenINHOUDHANDBOEKHINDERWETA. Tekst van de HInderwetCIrculalresAlfabetisch registerB. Tekst van het HInderbeslultAmbtenaren en officierenC. Het begrip inrlchtingD. HinderwetminlmaE. De hinderwetaanvraagF. Voorwaarden van algemeneaard:? Radio- en televisiestoring? Werktijdbeperking? Goede en zindelljke staat vanonderhoud? Geluld-en trillinghlnder? Beperken brandgevaar? Verwarming? Luchtverontreiniging? Meldlngsplicht? AfvalwaterVoorwaarden en minima te hanterenbij verschillende soorten inrlchtlngen,gegroepeerd volgens het Hinderbe-slult.? Motoren en stoomketels? Samengeperste en brandbare gas-sen? Ontplofbare stoffen? Nitraathoudende stoffen, peroxy-den, bestrijdingsmlddelen? Chemische produkten en kunst-stoffen? Brandbare vioelstoffen? Destlllatie-lnrichtlngen enz.? Verwerken olien en vetten- Harsen, olien of vetten- Bakken van voedings- en genot-middelen in olien en vetten? Afval, bloeddrogerijen enz.? Brouwerijen, branderljen enz.? Verwerken van aardappelen, sui-ker, melk, enz.? Melkuitglftestatlons? Impregneerketels? Brood-en banketbakkerijen? Slachterijen, verwerken van vieesen vis enz.Steenbakkerljen, glasfabriekenenz.Metaalbewerking, herstelinrich-tingen enz.Droogovens, moffelovens enz.Maierijen, brekerljen en zeverijenTextlelbewerkingKlopperljenSteenhouwerijen, betonberaidingenz.Houtbewerking enz.SchietinrichtlngenVerglftige, corrosleve of sterk prlk-kelende gassen en rubbersSkelterbanenGasdrukregel- en meetstatlonsDe GEMEENTELIJKE DIENST VOOR DE STADSONTWIKKELINGvraagt ten behoeve van de Hoofdafdeling Stedebouwkundig Onderzoek een Iplanoloogals stafmedewerk(st)er van de afdeling Prognostiek.De belangrijkste taak van de afdeling Prognostiek is liet verrichten van onderzoek tenbehoeve van het structuurplan (en de periodieke bijstelling van dit plan).Dit onderzoek omvat het aangeven van mogelijke ontwikkelingen op de lange termijnop het gebied van de bevolking en de woningbehoefte en het bestuderen van ruimtelijkevoorwaarden en consequenties van ontwikkelingen op het terrein van werkgelegenheiden voorzieningen. Het leggen van verbanden tussen daze verschillende ontwikkelingenkrijgt daarbij veel aandacht.Taak:De aan te trekken planoloog zai in teamverband, met behoud van een grote mate vanzelfstandigheid, onderzoek verrichten op het vlak van de voorzieningen: onderzoeknaar de behoefte aan en de wenselijk te achten spreiding van structuurbepalendevoorzieningen. De planoloog zaI hieromtrent rapporteren, resp. schriftelijk en/of monde-ling adviseren.Vereisten:Doctoraal examen in een der sociale wetenschappen bij voorkeur in de SocialeGeografie, cq. Planologie.Practische onderzoekervaring en redactionele bekwaamheid strekken tot aanbeveling.De candida(a)t(e) meet na een inwerkperiode in staat zijn de onderzoeksresultaten inoverlegsituaties (zowel ambtelijk als niet-ambtelijk) duidelijk te maken.Het salaris zaI afhankelijk van opleiding en ervaring maximaal / 5103,-- p/m bedragen.Vakantietoelage 8% van het salaris.Welvaartsvaste pensioenvoorziening.Gunstige regeling met betrekking tot verlof, verplaatsings- en ziektekosten.Van gegadigden wordt de bereidheid tot medewerking aan een psychologisch onderzoekverwacht. Het resultaat hiervan wordt zo mogelijk direct na afloop -- door de psycholoogmet de sollicitant besproken. Rapport zaI slechts worden uitgebracht na toestemmingvan de candidaat.Uitvoerige sollicitaties met vermelding van volledige personalia, opleiding enreferenties binnen 14 dagen onder no. S.O. 67 te zenden aan de Directeur van deGemeentelijke Dienst voor de Stadsontwikkeling, Burgemeester de Monchyplein 9,'s-Gravenhage.Gemeente 's-GravenhageIntal'^Standaard'^ramen kentu.Maarin'Thermodeuren'^zijnweminstensevensterk!(Twee-, drie- of vierdelig. In nature! en bronskleurig.)De voordeien van geanodiseerd aluminium: Onderhoudsvrij.Maatvast.Blijvend mooi.IVIateriaal garantie.Desterke extra'svan Intal 'Thermodeuren^.Robuuste profielen. Isolerend glas met Komo keur. Lichtschuivende konstruktie. Wind- enwaterdicht (TN0-B50).Regelbare insektenvrije ventilatie.Verbeterde en verzwaarde handgreep.Nastelbaredubbelewielkonstruktie. Naclitvergrendeling beschikbaar.Verkrijgbaar in 26 standaard deurmaten.In de uitvoering "Robust" ramen: 12 standaard maten. Andere maten op aanvraag. Eenvoudige montage.Intal is een betrouwbare partner.Op bouw afgestemde levertijden. Bouwtechnische adviezen.Bouwbegeleiding.YaakisIntal beterenvoordeligeKi\WATERDICHTHEIDEN NEN 3660LUCHTDOORLATENDHEID NEN 3661DOOnBUIGING EN STERKTE NEN 3850GLASDIKTE: NEN 2608VENTILATIE NEN 1087DIKTE ANOOISEERLAAGiEWAA KEu2". Postgironummer 29080DoikrddinA rtiketenIiigezondenNieuwe boekenMededelingenAdvertenties: opdrachten en materiaal worden voor Bureau Van Vliet b.v.,de ne van de maand, voorajgaande aan de maand Po.stbus 20, 2040 A A '/andvoortvan verschijmng ingeivachl bij: Telefoon 02'>07-474y'518519528541553557564566567569570571572572573574InhoudVoor de goede vorm, ir. F. R. KleinHet ontwerp tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, prof. dr. S. O. van PoeljeHet landschap als drager voor de stedebouwkundige struktuur van Reeshof (Tilburg), ir. J. J. vanOverbeeke en ir. F. V. VrijDe oprichting van het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, P. deRuijterDe komende vijfentwintig jaar, een toekomstverkenning voor Nederland, drs. K. VijlbriefSteun aan de centrale stad; verslag van de Regiodagen B.N.S. 1978, B. Bach s.h.o.Reactie op de briefwisseling tussen ir. W. Wissing en jhr. ir. J. de Ranitz, H. J. A. Hovens GreveNaschrift, jhr. ir. J. de Ranitz en ir. W. WissingPlanologie: Noodzaak tot interdisciplinair teamwerk, reactie medewerkers Stad en LandschapNaschrift, ir. W. Wissing en jhr. ir. J. de RanitzJaarverslag 1977 Rijksplanologische Dienst, drs. H. van der CammenHPLAN + O: De Achtertuin - De leefbaarheid van kleinc dorpen in Drenthe, A. Dekker en F.ThissenNaar een nieuw gemeentelijk beleid op het vlak van de ruimtelijke ordening, ir. W. WissingDr. Ch. Vermeersch: De structuurplanning als type ruimtelijke planning: een geldig alternatief, ir. W.WissingTrefwoordenregister Ruimtelijke Ordening zojuist verschenenPublikatie Monumenten van Bedrijf en Techniek; Uitreiking Hudig-medaille; Sectie van PlanologischeOnderzoekers: Model-renovatiekontrakt: Rectificatie575 Werkcongres "De toekomst van het welstandstoezicht" 19 december 1978Losse nummers f 9,2i517 Stedebuuw en Volhhuisvesting, november 1978DenkraamVoor de goede vorm:Een dertigtal stedebouwkundigen bracht een "verklaring" uit (zieelders in dit nummer): Een stuk in de taal van technici, met een accentop elementen van managing. Klare taal voor bestuurders en politi-ci!Ik vraag mij af of in de woorden van de "verklaring" voldoendedoorklinkt, dat hij ontstaan is vanuit de gevoeligheid van vormgevers.Juist die gevoeligheid was de drijfveer achter het beraad van de groepstedebouwkundigen over de positie van Amsterdam! Het begrip "ste-debouwkundig vormgever" verdient in dit verband nadere aan-dacht.Het woord "vormgever" wordt gebruikt in de sfeer van de gebondenkunsten, voor een specifieke esthetische bijdrage in het ontwerp vooroverigens praktische en nodige zaken; b.v. door een industrieel vorm-gever, een architect.Zo wordt stedebouwkundig vormgeven ook makkelijk gezien als eenvooral esthetische activiteit, gericht op de compositie van stedelijkeruimtes, op de fraaie groepering van bouwmassa's, op de inrichtingvan pleinen e.d.Dat is inderdaad een aspect van stedebouwkundige vormgeving. Debeschrijving roept echter te zeer het beeld op van actief vormgevenaan nieuwe ontwikkelingen. In het stedebouwkundig werk verschuifthet accent intussen juist naar de zorg voor bestaande situaties inverandering. Stedebouwkundig vormgeven wordt daardoor steedsmeer vormgeven vanuit het bestaande.Dat is geen zaak van zwferige lijnen op kaarten zetten, doch veel meereen zaak van zorgvuldig kijken, analyseren, potentiele waarden naarboven halen. Het is geen zaak van in een keer een maximale kwaliteitrealiseren, doch een zaak van begeleiden, zodat op den duur eenzinvolle, herkenbare kwaliteit wordt behouden of ontwikkeld.Zowel in het ontwerpen voor nieuwe ontwikkelingen als in het beheervan bestaande situaties spelen esthetische overwegingen een belang-rijke rol. De beleving van een situatie berust echter op veel meerindrukken, zoals b.v. de waarneming van het druktebeeld (vanmensen en hun activiteiten), het heersend geluid, het klimaat (wind,bezonning), de kwaliteit van de lucht (stank?) en de mate vanverzorgdheid (gecultiveerd of aan de ontwikkeling overgelaten).Stedebouwkundig vormgeven is in dat verband de opgave, om metalle middelen (waarnemingen), tot uitdrukking te brengen wat depositie of kwaliteit is van een bepaald gebied; het stadscentrum of eenstadswoonwijk, een buitenwijk, het stadspark of een natuurgebied.Een stadscentrum zonder drukte of een stadspark onder verkeergeraasof een buitenwijk in de stank van chemische Industrie zijn stedebouw-kundig misvormd.Stedebouwkundig vormgeven vindt o.a. plaats op grote tot zeer groteschaal. Het maken van een structuurplan of een streekplan is ten deleook vormgeving. Een stedebouwkundige gaat er van uit dat de struc-tuur van een stad niet alleen een beeld op papier hoeft te zijn, maar datdie structuur ook voor de stedelingen zichtbaar en voelbaar kan zijn.Hij streeft naar een zodanige rangschikking en afwisseling van deelge-bieden met specifieke kwaliteiten (woonwijken, parkzones, werkgebie-den, voorzieningencentra), dat de stedeling de totaliteit van de stadkan overzien en dat hij zich daarin kan orienteren en thuis voelen.De lobben-structuur van Amsterdam is een duidelijk voorbeeld van debedoeling om zelfs aan een grote stad een duidelijke structuur tegeven. Er is alle reden om aan te nemen dat die vormgeving door debewoners goed wordt aangevoeld.Het voorbeeld van "vormgeving aan het bestaande" en dan wel opzeer grote schaal is het beeld van de "Randstad" met zijn "GroeneHart"; het beeld van een immense binnentuin waar een kring vanmiljoenen stedelingen op uitkijkt. Door dat beeld kreeg dat binnen-gebied iets unieks, een bijna geheiligde status. Dat unieke is groten-deels een fictie, maar de vorm-idee heeft gewerkt. Wat was er van datbinnengebied geworden, als niet 20 jaar lang lieden gei'nspireerdwaren geworden om al bergafgaand toch aan de rem te blijvenhangen! ?Het denken in de ruimtelijke ordening is de laatste decennia erggericht geweest op de bescherming van resterend buitengebied en ophet beteugelen van de steden. De Wet op de Ruimtelijke Ordening, zosterk gericht op regelingen voor buitengebieden en zo passief tenaanzien van regelingen voor bebouwde kommen, is daarvan eensprekend voorbeeld.Geleidelijk groeit het inzicht dat de steden meer patient zijn danmonster. Zij verdienen een uiterste zorg en begeleiding. De groei naarregionale verbanden met voorsteden en groeikernen, de spreiding vanfuncties en de functieverschuiving in de hoofdcentra roepen om eennieuwe beeldvorming over het verschijnsel stad. In hoeverre en inwelke vorm blijft de stad b.v. het brandpunt van uitwisseling enrelaties, de exponent van cultured leven, de markt voor allerleispecialisaties, de verzamelplaats van tal van voorzieningen etc.? En inwelke structuur kan het gecompliceerde geheel van een tot stadsgewestuitdijende stad nog overzichtelijk en herbergzaam blijven voor zijnbewoners? Voor de Amsterdamse ontwikkeling bieden de bekendebeelden van lobbenstad en randstad niet meer voldoende houvastvoor vormgeving.Ziedaar de reden dat stedebouwkundigen in hun kwaliteit van vorm-gever bezorgd zoeken naar een nieuwe koers.ir. F. R. Klein518 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1978Het ontwerp tot wijziging van de Wet op deRuimtelijke Ordeningprof. dr. S. 0. van PoeljeInleidingOndanks alle dynamiek van de tegen-woordige tijd blijven de molens van dewetgeving meestal langzaam malen. Ditgeldt zeker voor het terrein van de ruim-telijke ordening.Het rapport van de staatscommissie-Vanden Bergh voor de grondige na-oorlogseiierziening van de Woningwet versciieenin 1950. Het mede op dit rapport geba-seerde ontwerp voor de Wet op de Ruim-telijke Ordening werd in 1956 bij deTweede Kamer ingediend. Deze wet is in1962 tot stand gekomen. Het duurde tot1965 voor tot in werking stelling werdovergegaan. Er vonden enkele herzienin-gen plaats, die echter geen betrekkinghadden op belangrijke beleidsproblemeninzake de ruimtelijke ordening. Tochkwamen dergelijke beleidsproblemenspoedig na het in werking treden van dewet aan de orde.Een duidelijk voorbeeld is het ruimtelijkbeleid op rijksniveau. De wet van 1962bevat op dit punt slechts voorzichtigebepalingen van organisatorische en ad-ministratieve aard over het nationaleruimtelijke beleid. Deze bepalingen kun-nen maar in beperkte mate leiden tot inde wet vastgelegde rechtsgevolgen.In de periode 1968/69 werden velen - enzeker de planologisch gei'nteresseerden --opgeschrikt door de regeringsbeslissingom over te gaan tot de vestiging van Shellte Moerdijk. Deze beslissing week af vanhet beleid, dat in de Tweede nota inzakede ruimtelijke ordening voor dit gebiedwas aangekondigd. Een memorandumvan het kamerlid E. Nypels stelde dezezaak - in meer algemene zin -- in deTweede Kamer aan de orde bij de behan-deling van de rijksbegroting voor 1970.De Raad van Advies voor de RuimtelijkeOrdening (R.A.R.O.) bracht in 1970over deze problematiek verschillende ad-viezen uit. In 1972 kwam er een rege-ringsnota over de openbaarheid bij devoorbereiding van het ruimtelijk beleid.In 1976 publiceerde de R.A.R.O. nogeens een advies over de planologischebesluitvorming op rijksniveau. In decem-ber 1977 tenslotte wordt een wetsontwerpingediend, dat o.a. beoogt het rijksplano-logische beleid uitvoeriger te regelen dande wet van 1962. Overigens is er -- voor-uitlopend op deze regeling-- al sinds 1972een omvangrijke praktijk (volgens som-migen: wildgroei) met betrekking tot deplanologische kernbeslissingen ontstaan.Van wildgroei gesproken: een ander ver-ontrustend verschijnsel, dat zich spoedigna 1965 openbaarde, was het overmatiggebruik van de door artikel 19 van de Wetop de Ruimtelijke Ordening gebodenmogelijkheid om bij het verlenen vanvergunningen te ontsnappen aan de toet-sing aan vastgestelde bestemmingsplan-nen.In zijn oratie "Onrecht in de ruimtelijkeordening" sloeg R. Crince le Roy mede inverband met dit naar misbruik neigendegebruik in 1972 groot alarm. Hij hiefdaarbij vooral een beschuldigende vingerop naar de besturen van provincies engemeenten. Het alarm was terecht; debeschuldiging minder: voor de tussen weten praktische noodzaak klem gezette la-gere bestuursorganen was er immers geenalternatief!Niet alleen over onr^c^toiatigheid werdgeklaagd, maar - van de kant van debestuurders -- ook over onfifo(?/matigheid.De wet geeft aan "een ieder" de moge-lijkheid om tot de Kroon toe bezwaren inte dienen, c.q. beroep in te stellen, tegenelke vaststelling of wijziging van een be-stemming. Na 1970 wordt steeds luider,zowel van de kant van het bestuur als vandie van belanghebbenden bij het bouwenen het uitvoeren van werken, de klachtgehoord, dat de lange duur van de afhan-deling van beroepen door de Kroon eenuit maatschappelijk oogpunt niet te aan-vaarden toestand veroorzaakt.Het ontwerp van wetHet ontwerp van wet, dat eind 1977 doorde ministers van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening en van Binnen-landse Zaken op de valreep van de kabi-netsperiode werd ingediend en door denieuwe minister werd overgenomen, be-vat vier hoofdpunten:-- de planologische kernbeslissing-- een versterking van de ministerieleaanwijzingsbevoegdheid-- de regeling van de inspraak en deverkorting van de bestemmingsplanpro-cedure (grotendeels afschaffing van hetKroonberoep!)-- een strakkere regeling van de bevoegd-heid tot afwijken van bestaande of voor-uitlopen op nieuwe bestemmingen.Verder wordt in het ontwerp nog wat"klein goed" meegenomen, zoals o.a.:-- een - minimale! -- versterking van depositie van de provinciale planologischecommissies (het vooraf horen wordt nuuitdrukkelijk voorgeschreven)-- een -- eveneens minimale -- versterkingvan de verbindendheid van het streek-plan (het gaat hier om de "interne" ver-bindendheid ten opzichte van Gedepu-teerde Staten, niet om de "externe" ver-bindendheid ten opzichte van gemeente-besturen en burgers; de eigenlijk onlogi-sche bevoegdheid tot "afwijken" van een519 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1978wijziging wet r.o.naar buiten niet verbindend plan blijftgehandhaafd)- het invoeren van de mogelijkheid, datniet alleen burgemeester en wethoudersmaar ook de gemeenteraad bestemmings-plannen kunnen, c.q. moeten uitwerken(hierdoor kan de totstandkoming vanglobale plannen aantrekkelijker wor-den)- het voorschrijven van de gelegenheidom bezwaren tegenover de gemeenteraad"nader toe te lichten" (aangenomen moetworden, dat het hier gaat om een monde-linge toelichting, te geven in een zittingvan de -- voile? -- raad).In de Memorie van Toelichting wordtcrop gewezen, dat dit ontwerp niet ge-richt is op een fundamentele herzieningvan de wet. Bij zo'n herziening, zo wordtbetoogd, moet rekening gehouden wor-den met het rapport van de Werkgroepcoordinatie wetgeving onroerend goed(Werkgroep-De Haan) en met het algenoemde rapport van de R.A.R.O. overde planologische besluitvorming opRijksniveau. Deze rapporten zuUen"bouwstenen vormen voor het verdereonderzoek naar een herziening ten gron-de van de Wet op de Ruimtelijke Orde-ning".Dit klinkt vertrouwenwekkend uit eenoogpunt van degelijke voorbereiding,maar stemt somber voor wat betreft hettempo. Het rapport Coordinatie wetge-ving onroerend goed is een indrukwek-kend werkstuk, maar het richt zich vooralop het analyseren van problemen en geeftgeen uitgewerkte oplossingen. Het verta-len van de aanbevelingen van het rapportin termen van mankracht, tijd en geld zouwaarschijnlijk schrikwekkende cijfers tezien geven, nog afgezien van de politiekeen emotionele weerstanden, die optredenbij het grondig omspitten van diep gewor-telde wettelijke en administratieve stel-sels.Bovendien zijn er, los van coordinatiepro-blemen, bij de toepassing van de Wet opde Ruimtelijke Ordening verschillendeandere knelpunten aan het licht geko-men, die zo spoedig mogelijk opgelostmoeten worden. Men denke bijv. aan:-- de bindendheid van het streekplan (ev.bepaalde streekplannen) naar buiten-- de tijdige bijstelling van streekplan-nen-- het loskoppelen -- onder bepaalde om-standigheden en voorzover een meer be-vredigende toetsingsnorm kan worden ge-vonden -- van bestemmingsplan en bouw-, c.q. aanlegvergunning-- het leggen -- in daarvoor in aanmerkingkomende gevallen -- van een nauwer ver-band tussen bestemming, uitvoering enbeheer (operationele gebiedsaanwijzing)-- het treffen ten behoeve van de gemeen-ten (ev. ook van de provincies) van ruime-re financieringsregelingen in verbandmet de hogere kosten van planologischwerk, dat niet altijd tot lokale en regiona-le belangen beperkt blijft-- een regeling van de schadevergoeding,krachtens welke werkelijk geleden schadevolledig kan worden vergoed.Het valt te vrezen, dat door de voorgeno-men grondige studies het wegnemen vanknelpunten van deze aard op de langebaan raakt. Wij beschikken tegenwoordigover een bewonderenswaardig systeemvan informatie en raadpleging. leder rap-port en ieder advies wordt bestudeerd.ledere instelling en iedere commissie kandoor zorgvuldige raadpleging volledig totzijn recht komen. Maar ten aanzien vanvele dringend om oplossing vragende pro-blemen van ruimtelijk beleid ontstaat deklassieke situatie: terwijl de senaat be-raadslaagt gaat Rome ten onder.Ten aanzien van de Memorie van Toe-lichting kan nog het volgende wordenopgemerkt. Over het algemeen is eenvoUedige toelichting welkom, maar in ditgeval rijst de vraag of deze door woor-denrijkdom uitblinkende beschouwingeneen volwaardige tegenhanger vinden inde concrete bepalingen van het ontwerpvan wet.Nu volgt een nadere bespreking van devier onderdelen, die de indieners van hetontwerp als hoofdpunten beschouwen.Daarbij zal extra aandacht worden be-steed aan het Kroonberoep, omdat diezaak tot de scherpste tegenstellingen heeftgeleid.De planologische kernbeslissingHet voorgestelde nieuwe artikel 2a, han-delend over de planologische kernbeslis-sing, is een voorbeeld van wetgeving, diegeen nieuwe ontwikkeling in het levenroept, maar poogt te bevestigen wat al isontstaan.Sinds het verschijnen van de bovenver-melde regeringsnota uit 1972 is immersmet de voorbereiding van planologischekernbeslissingen een krachtig begin ge-maakt. Men denke slechts aan: de verste-delijkingsnota, de nota landelijk gebied,de structuurschema's inzake de drink- enindustriewatervoorziening en de electrici-teitsvoorziening, de volkshuisvestingsno-ta, de nota inzake de Waddenzee, etc.In feite is de rijksplanologische praktijk alverder uitgewerkt dan het ontwerp vanwet doet vermoeden. In het ontwerpwordt alleen gesproken over de planolo-gische kernbeslissing, maar de praktijkkent ook al: de (facetmatige) structuur-schetsen, de (sectoraal georienteerde)structuurschema's, de middellange ter-mijnplannen (naar de tijd gezien rijkste-genhangers van de provinciale streek-plannen) en de korte termijn- of project-plannen (naar de tijd gezien rijkstegen-hangers van de gemeentelijke bestem-mingsplannen).De hoofdelementen van de voorgesteldewettelijke regeling zijn:-- een aanduiding van het begrip plano-logische kernbeslissing (t.w.: in de eersteplaats hoofdlijnen en beginselen, van al-gemeen belang voor het nationale ruim-telijke beleid en in de tweede plaats con-crete beleidsplannen voor dit beleid, diehetzij afwijken van hetzij vooruitlopen opdie hoofdlijnen en beginselen-- de regeling van de inspraak, die voor-ziet in tervisielegging van de ontwerpen,overleg met de lagere organen (een ele-ment van complementariteit!) en de mo-520 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1978wijzigmg wet r.u.gelijkheid voor een ieder (hier wel, andersdan bij het Kroonberoep!) om schriftelijken veelal mondeling opvattingen over deontwerpen kenbaar te maken- inschakeling van de Tweede Kamer(de Eerste Kamer is buiten spel gelaten)door toezending van de vastgestelde be-slissing ter goedkeuring, waarbij de Ka-mer gebonden wordt aan een (in het voor-deel van de regering werkende!) fataletermijn van zes maanden.Een juridisch ingestelde beoordelaar zalzoeken naar de rechtsgevolgen van eenplanologische kernbeslissing, die alle sta-dia van de procedure heeft doorlopen. Ditzoeken levert - beoordeeld naar juridi-sche en bestuurlijke maatstaven -- eenmager resultaat op. In de voorgesteldenieuwe redacties van art. 6, lid 5, en art.39, lid 1, wordt bepaald, dat tegen aan-wijzingen van de minister inzake streek-plannen, structuurplannen en bestem-mingsplannen geen beroep bij de Kroonkan worden ingesteld, als de aanwijzingberust op een planologische kernbeslis-sing. Verder staat in de Memorie vanToelichting (p.23), dat de bewindslieden"zich gehouden zullen weten aan een inwerking getreden planologische kernbe-slissing" en dat deze bewindslieden -speciaal tegenover de lagere overheidsor-ganen - "geen wezenlijk ander beleid"dan vervat in zo'n beslissing zullen gaanvoeren. Van de lagere organen mag"worden verwacht", dat zij met een be-slissing "ernstige rekening zullen hou-den".Het verdient bij wetgeving natuurlijkaanbeveling om niet te veel te regelen enom een redelijke mate van vertrouwen invrijwillige wetsnaleving op te brengen. Indit geval zullen echter dikwijls grote be-langen in het geding zijn, die tot felletegenstellingen kunnen leiden. Boven-dien zullen, wanneer men let op de vorm,inhoud en strekking, vele kernbeslissin-gen geen duidelijke en ondubbelzinnigeaanwijzingen over de te volgen gedrags-lijn bevatten (vgl. het betoog van D. W. P.Ruiter over de normerende functie - ofliever: het ontbreken van die functie -van de planologische kernbeslissingen inBestuurswetenschappen, 1978, p. 1 e.v.).Men moet zich daarom afvragen of bijdeze beperkte rechtsgevolgen de grenstussen redelijk vertrouwen en een weiniggefundeerd vaag optimisme niet in be-denkelijke mate in de richting van hetlaatste is overschreden.De ervaringen, die tot nu toe met de opgang gebrachte kernbeslissingen zijn op-gedaan, geven aanleiding tot de volgendevoorlopige conclusie. Dit instrument isvan groot belang voor het onderzoek, destudie, het overleg en de voorlichting ophet gebied van de nationale ruimtelijkeordening. Ongetwijfeld is dit een belang-rijke vooruitgang ten opzichte van hetrecente verleden. Het inzicht in de inge-wikkeldheid en de omvangrijkheid van denationale ruimtelijke problematiek isdoor de voorbereiding van de kernbeslis-singen sterk verhelderd. De gedachte uitde jaren voor 1960, volgens welke mendeze problematiek in een enkele nota zoukunnen samenvatten (de eerste nota inza-ke de ruimtelijke ordening) doet thansnaief aan.Daartegenover moet echter gesteld wor-den, dat de ontwerpen wettelijke rege-ling, in combinatie met de toelichting, deongerechtvaardigde verwachting wektvan een juridisch vastgelegd rijksbeleid,waaraan lagere bestuursorganen en bur-gers zekerheid kunnen ontlenen. Die ze-kerheid valt echter ernstig te betwijfelen,wanneer men ziet hoeveel vaagheden,tegenstrijdigheden en mogelijkhedenvoor uiteenlopende interpretaties de totnu toe uitgewerkte kernbeslissingen be-vatten. Wat de feitelijke kracht betreft isterecht de aanduiding "papieren tijger"gebruikt. Bovendien dreigt het gevaar,dat in het onoverzichtelijke en niet altijdsportief gevoerde bestuurlijke steekspel dekernbeslissingen als bindend beleidsin-strument op ongewenste wijze zullen wor-den gebruikt als kapstok, afschuifmoge-lijkheid, zoethouder, uitstelmotief, argu-ment voor het terugkomen op toezeggin-gen, etc.Wij komen terug op de bijna vergetenaanleiding tot het oniwikkelen van degedachte van de planologische kernbe-slissing: Shell-Moerdijk. Zbu het niet devoorkeur verdienen om te bepalen, dathet verrichten van werkzaamheden, c.q.het uitvoeren van werken, in verband methet nationale ruimtelijke beleid slechtskan plaats vinden krachtens een afzon-derlijke wet, indien die werken of werk-zaamheden strijdig zijn met rechtsgeldigestreek-, structuur- of bestemmingsplan-nen en indien de mogelijkheden tot aan-passing van die plannen langs de normaleweg ontbreken? Tegenover de terugtredvan de wetgever, waar het algemene rege-len betreft, misstaat niet een toenemingvan de macht van de wetgever, wanneerhoogst belangrijke concrete projecten inhet geding zijn. De rol van de planologi-sche kernbeslissing kan dan beperkt blij-ven tot het gebied, waar de met zo'nbeslissing samenhangende activiteitenthuis horen en nuttig zijn: het gebied vanonderzoek en voorbereiding. Het woord"beslissing" zou dan vermeden moetenworden. Eerder in aanmerking komt:kernbeleid.De versterking van de aanwijzings-bevoegdheidIn beginsel past een ministeriele aanwij-zingsbevoegdheid, hetzij zwak hetzijsterk, niet in het stelsel van de Wet op deRuimtelijke Ordening. Volgens dit stelselworden bindende bestemmingsplannen,waaraan aanvragen om bouwvergun-ning, c.q. aanlegvergunning, moetenworden getoetst, vastgesteld op het lokaleniveau door de gemeenteraden. De alsprogramma bedoelde provinciale streek-plannen en de beleidsuitspraken van derijksoverheid strekken de gemeenteradentot leidraad, maar zijn niet (juridisch)bindend. Het toezicht van GedeputeerdeStaten en een soort (feitelijk) oppertoe-zicht van de Kroon moeten ontsporingenin de gemeentelijke sfeer voorkomen.Nu kent de wet zelf al inbreukep op ditsysteem: in de eerste plaats de gebruike-lijke bepalingen bij in gebreke blijven van521 Siedebouw en Volkshuisvesting, novemher 1978wijziging wet r.u.de gemeenten; in de tweede plaats eeumogelijkheid voor Gedeputeerde Statenom door aanwijzingen op grondslag vanstreekplannen het gemeentelijke beleid tebeinvloeden anders dan door het goed-keuringsrecht; en tenslotte de bevoegd-heid van de minister van Volkshuisves-ting en Ruimtelijke Ordening om -- vol-gens een zowel in staatsrechtelijk-hierar-chisch als in planningtechniscli opziciitlogische gedachtengang - invloed uit teoefenen op streekplannen en langs dieweg (dus met inschakeling van Gedepu-teerde Staten) ook op gemeentelijke be-stemmingsplannen.Volgens de Memorie van Toelichting zijndeze bevoegdheden voor de centrale over-.heid niet meer voldoende om een slag-vaardig beleid te voeren. De toelichtingberoept zich hierbij op het rapport van deCommissie-Van Veen inzake de interde-partementale taakverdeling en coordina-tie uit 1971 en op het standpunt van deR.A.R.O. Een afwijzend advies van hetInterprovinciaal Overleg voor Ruimtelij-ke Ordening wordt zonder verdere moti-vering als "bevreemdend" terzijde ge-schoven.Teneinde de slagvaardigheid te bevorde-ren wordt thans voorgesteld:-- de bevoegdheid om "voorzover eenjuiste uitvoering van het Regeringsbeleiddat vordert" Provincale Staten, c.q. degemeenteraad te verplichten een streek-plan, c.q. structuurplan of bestemmings-plan vast te stellen of te herzien-- de mogelijkheid om bij het opleggenvan zo'n verplichting aanwijzingen tegeven over de inhoud van het plan-- de bevoegdheid van de minister om,nadat een aanwijzing over de inhoudgegeven is, burgemeester en wethouders"uit te nodigen" (een vriendelijke termvoor "bevelen") om vooruitlopend op deopgelegde wijziging van het plan alvastvergunning te verlenen voor de uitvoeringvan werken of werkzaamheden.Het is opvallend, dat de minister bij hethanteren van deze vergaande bevoegdhe-den slechts gebonden is aan een vaagcriterium: de "juiste uitvoering van hetregeringsbeleid". Men zou verwacht'en,dat juist hier een verband gelegd zouworden met de zo plechtstatig gei'ntrodu-ceerde planologische kernbeslissing. Ditzou des te meer voor de hand liggen, nuvan de aanwijzingen van GedeputeerdeStaten aan de gemeentebesturen wordtgezegd: zij "moeten hun grondslag vin-den in of redelijkerwijs voortvloeien uiteen streekplan of het provinciaal ruimte-lijk beleid, voorzover dit is neergelegd ineen besluit van Provinciale Staten". Dezelaatste formulering zal gekozen zijn, om-dat er geen provinciale planologischekernbeslissingen bestaan (waarom eigen-lijk niet?)De (rijks)planologische kernbeslissingkomt bij deze regeling overigens wel tersprake, maar -- zoals vermeld -- alleen omde beroepsmogelijkheden van gemeentenen provincies te kortwieken.Een voorlopig oordeel over de ontwerp-regeling inzake de versterking van deaanwijzingsbevoegdheid kan (afgezienvan de hierboven uitgesproken voorkeurvoor wetten ad hoc in verband met wer-ken of werkzaamheden van nationaalruimtelijk belang in strijd met streek- ofbestemmingsplannen) luiden als volgt.Gezien de toenemende verstrengeling vanlokale, regionale en nationale ruimtelijkevraagstukken ligt een rechtstreekse in-vloed van het rijk op streek- en bestem-mingsplannen voor de hand. Maar be-langrijke wijzigingen van de voorgestelderegeling zouden noodzakelijk zijn, nl.:- het binden van de aanwijzingen om-trent de inhoud aan een van krachtgeworden planologische kernbeslissing- de zekerheid, dat de rijksaanwijzingenworden getoetst aan en aangepast bij hetstreekplan en pas daarna worden doorge-geven aan de gemeenteraad- het handhaven in voile omvang vanhet beroep tegen aanwijzingen, omdat,zoals gezegd, planologische kernbeslissin-gen dikwijls voor velerlei uitleg vatbaarzuUen zijn.De wijziging van de vrijstellingsmogelijk-hedenDe voorstellen op dit punt beogen - kortsamengevat -- het tegengaan van het onei-genlijke gebruik van de vrijstellingsmoge-lijkheid, vervat in het tegenwoordige be-faamde art. 19. Op zichzelf hoeft onei-genlijk gebruik geen "misbruik" te zijn enniet tot misstanden aanleiding te geven.De praktijk rond art. 19 gaf echter steedsmeer aanleiding tot onvrede, zowel bijbestuurders (die liever een rechtstreekseweg zouden bewandelen) als bij burgers(die zich sommige beroepsmogelijkhedenzagen ontgaan).Het is de bedoeling van het wetsontwerpom art. 19 flink te amputeren:-- het voorbereidingsbesluit voor een be-stemmingsplan komt als anticipatiegrondte vervallen-- de gemeenteraad kan de beslissing overde vrijstelling aan zich trekken, indien ersprake is van een herziening van eenbestemmingsplan, die nog niet is vastge-steld-- de inspecteur van de ruimtelijke orde-ning krijgt een formeel beroepsrecht bijde Kroon tegen de goedkeuring (verkla-ring van geen bezwaar) van vrijstellingendoor Gedeputeerde Staten-- er komt een algemene maatregel vanbestuur, waarbij de mogelijkheid tot hetindienen van bezwaren tegen aange-vraagde vrijstellingen uniform zal wor-den geregeld.Een andere wijziging betreft het volgen-de. In de praktijk was gebleken, dat onderde werking van art. 19 een onhanteerbarehoeveelheid verklaringen van geen be-zwaar aan Gedeputeerde Staten werdgevraagd. De meeste colleges zijn daaromovergegaan tot het verlenen van "algeme-ne verklaringen" -- een gedragslijn waar-van het praktisch nut wordt geevenaarddoor het op gespannen voet staan met dewet. Dit laatste is prompt gebleken toende wet A.R.O.B. in werking trad en opgrond van die wet toetsing mogelijkwerd.Thans wordt voorgesteld een nieuw art.522 Stedehouw en Volkshuisvesting, november 1978wijzigtng met r.o.18a, waardoor het praktisch nut blijftgehandhaafd, doch het bezwaar van on-wettigheid wordt weggenomen. Ingevol-ge dit artikel wordt de bevoegdheid tothet geven van een algemene verklaringvan geen bezwaar - daar komt het in feiteop neer -- door de Kroon aan zich getrok-ken. Er wordt een algemene maatregelvan bestuur in uitzicht gesteld met be-trekking tot het verlenen van vrijstellin-gen van bestemmingsplannen. Bovendienwordt vastgesteld, dat deze vrijstellingenslechts betrekking mogen hebben op "ge-vallen van ondergeschikte betekenis".Het is jammer, dat uit de Memorie vanToelichting niet blijkt of en in hoeverrevan departementswege "in het veld",d.w.z. bij de provincies en bij de gemeen-ten (die in eerste linie met deze regelingmoeten werken) een onderzoek is verrichtnaar de beste wijze, waarop de moeilijk-heden met de vrijstelling kunnen wordenopgelost.Op het eerste gezicht schijnt het latenvervallen van het voorbereidingsbesluitals anticipatiegrond een te rigoureuzemaatregel. In dit verband is gesuggereerdom oneigenlijk gebruik van deze antici-patiegrond tegen te gaan door te eisen,dat alleen voorbereidingsbesluiten inaanmerking komen, ten aanzien waarvande inspraakprocedure, bedoeld in hetvoorgestelde nieuwe art. 22a, is begonnenof eventueel voltooid (J. W. Weerkamp inde bijeenkomst van de Sectie Planologi-sche Juristen van het N.I.R.O.V. op 21maart 1978). Verder kan begrip wordenopgebracht voor het verlangen van deVereniging van Nederlandse Gemeentenom de algemene maatregel van bestuur,bedoeld in het voorgestelde nieuwe art.18a, niet verplicht te stellen en in iedergeval geen "betuttelend" karakter te ge-ven (Adres van 25 mei 1978, De Neder-landse Gemeente, 23 juni 1978, Supple-ment, p. 73 e.v.).Het KroonberoepOnder de titel "regeling van de inspraaken van de verkorting van de procedurevan totstandkoming van het bestem-mingsplan" wordt de meest geruchtma-kende wijziging voorgesteld. Het gaathier -- kort gezegd - om de afschaffing vanhet beroep bij de Kroon tegen bestem-mingsplannen in een groot aantal geval-len.De filosofie achter het voorstel is de vol-gende. De thans geldende regeling geeftaan "een ieder" de mogelijkheid om tegeneen bestemmingsplan driemaal verzetaan te tekenen: bij de gemeenteraad, bijGedeputeerde Staten en bij de Kroon.Wanneer van al deze mogelijkheden ge-bruik wordt gemaakt, kan het lang (driejaren en soms veel meer) duren, voordatover een bestemmingsplan de eindbeslis-sing valt. Gedurende die tijd kan er (tenzijer op correcte of incorrecte wijze gebruikwordt gemaakt van vrijstellingsbepalin-gen) niets gebeuren: geen bouwvergun-ningen en geen aanlegvergunningen. Ditleidt volgens velen, vooral in de kringenvan het actieve bestuur, tot onaanvaard-bare vertragingen, waarvan vooral devolkshuisvesting en de werkgelegenheidde dupe worden. Daarom wil het ontwerpvan wet de laatste, zeer tijdrovend geach-te, fase bekorten door het Kroonberoepdrastisch te beperken. Als vergoedinghiervoor moet de burger in de beginfase --bij de voorbereiding van het bestem-mingsplan -- verzekerd zijn van een wette-lijk verplicht gestelde inspraakmogelijk-heid. In termen van wetswijziging komthet voorstel hierop neer:- door een nieuw art. 22a worden allegemeenteraden verplicht een "inspraak-verordening" vast te stellen; die verorde-ning moet in ieder geval regelen: debekendmaking van voornemens, de mo-gelijkheid voor de bevolking om schrifte-lijk en mondeling te reageren en eenverslaglegging; de inspraakverordening isonderworpen aan de goedkeuring vanGedeputeerde Staten; ^onodig kan een enander door een algemene maatregel vanbestuur van rijkswege gestroomlijnd wor-den- uit het thans geldende art. 29 wordtgeschrapt de algemene mogelijkheid omtegen alle beslissingen van GedeputeerdeStaten inzake bestemmingsplannen (duszowel goedkeuring als niet-goedkeuring)bij de Kroon beroep in te stellen- krachtens het voorgestelde nieuwe art.29 kan tegen de goedkeuring door de Gede-puteerde Staten van bestemmingsplan-nen alleen de inspecteur van de ruimte-lijke ordening beroep instellen bij deKroon; tegen onthouding van zo'n goed-keuring kan echter, net als op het ogen-blik, een ieder beroep instellen.Het beroepsrecht heeft een lange geschie-denis. Die geschiedenis begint, wat dewetgeving betreft, met de Woningwet1901. Krachtens die wet kregen de ge-meenten de bevoegdheid om door ver-schillende maatregelen (uitbreidings-plan, bouwverbod, etc.) het particuliereeigendomsrecht van onroerend goed tebeperken. Het toezicht op die gemeente-lijke activiteiten werd opgedragen aanGedeputeerde Staten, die moesten lettenzowel op de doelmatigheid (goede plan-nen) als op de rechtmatigheid (aan deburgers geen ontoelaatbare schade toe-brengen). Deze combinatie van twee ta-ken was in de eerste helft van deze eeuwpraktisch. Er was minder ruimtegebreken men kon dikwijs door bijv. wijzigingvan een wegtrace of verplaatsing van eengeplande bebouwing schade van particu-lieren voorkomen. Krachtens het gebrui-kelijke publiekrechtelijke patroon kon-den zowel de gemeente als de burgers vande beslissing van Gedeputeerde Statenberoep instellen bij de Kroon.Dit beroep was echter wel beperkt tot de"belanghebbenden". Bovendien werd ditbegrip gedurende lange tijd beperkt uit-gelegd. Belanghebbende was uitsluitendde zakelijk gerechtigde op onroerendgoed, gelegen binnen het gebied van deplanologische maatregel. Zelfs beroepenvan huurders en van aangrenzende eige-naren werden niet in behandeling geno-men. Over een speciale invloed van deburger op het beleid, los van zijn eigenmateriele belangen, maakte men zich indie tijd weinig zorgen. Het plan of demaatregel werd vastgesteld door de ge-523 Skdeboutv en Volkshmsiiesting, nonemher 1978wijziging wet r.o.meenteraad, die geacht werd de geheleburgerij te vertegenwoordigen.Toen na de tweede wereldoorlog de wet-gevingsmachine weer op gang kwam,heerste ten opzichte van de belangen vande burger - en met name ten aanzien vande niet-materiele belangen -- een milderklimaat. De al genoemde staatscommis-sie-Van den Bergh, stelde in 1950 voorom "een ieder'' het recht te geven bezwa-ren tegen planologische maatregelen in tedienen ("actio popularis"). In de Weder-opbouwwet, die in 1950 in werking trad,gold dit recht voor wederopbouwplan-nen. Bij het indienen van de Wet op deRuimtelijke Ordening in 1956 werd het-zelfde standpunt ingenomen. De motive-ring was: niet alleen economische belan-gen behoren een rol te spelen; niet-ontvankelijkverklaring op formele gron-den is ongewenst; de praktijk van deWederopbouwwet heeft niet tot moeilijk-heden geleid.Die moeilijkheden zijn er in de praktijkvan de Wet op de Ruimtelijke Ordeningwel degelijk gekomen. In de periode na1965, toen deze wet in werking trad,waren herstel en wederopbouw voltooid;de noodzaak tot eensgezindheid, onont-beerlijk voor die gezamenlijke krachtsin-spanning, werd minder urgent. Na hetherstel begon de expansie en daarmedeeen toenemende concurrentiestrijd om debeschikking over de in ons dichtbevolkteland schaarse grond. Het geestelijk kli-maat begon zich snel te wijzigen. De "cul-turele revolutie" van omstreeks 1968 ver-spreidde zich vanuit Amsterdam en deacademische wereld naar vroeger meertechnisch dan politick geintcresseerdeprovinciale en gemeentelijke samenlevin-gen. De overheid ging zich verantwoorde-lijk voelen voor uitvoerige en integraleplanning. De burgers daarentegen gingenmet groter zelfbewustzijn en met toegeno-men "contra-deskundigheid" hun eigenbelangen en hun persoonlijke visie op hetalgemene bclang verdedigen. Het eensper vier jaar stemmen voor een vertegen-woordigend college werd niet meer be-schouwd als een voldoende burgerschaps-beleving. Tegen deze achtergrondenheeft zich een controverse ontwikkeldover de vraag of het Kroonberoep voor"een ieder" gehandhaafd moet blijven.Uit de vele geschriften (een literatuurlijstover dit onderwerp omvat een kleineveertig publikaties) kunnen een aantalargumenten" pro en contra worden afge-leid.turele evolutie" van omstreeks 1968 ver-De tegenstanders van het beroepsrecht(vooral actieve bestuurders en politici, diezich verantwoordelijk voelen voor volks-huisvesting, werkgelegenheid, industriali-satie, verbetering van infrastructuur, ver-keersvoorzieningen, projektontwikkeling,etc.) voeren o.a. als bezwaren aan:- een beroepsrecht voor "een ieder" isoneigenlijk; daardoor wordt het onmoge-lijk om iemand, die objectief bezien nietsmet de maatregelen te maken heeft, niet-ontvankelijk te verklaren- er kunnen te gemakkelijk beroepenworden ingediend; met een briefkaartvan 45 cent kan men de bouw van 1000woningen drie jaar of langer vertragen- de behandeling bij de Kroon duurt telang (soms tot 7 jaren toe!)- de beroepen worden soms gebruikt omonduidelijke belangen of belangen vanondergeschikte aard te verdedigen- de beroepen worden soms gebruikt alschantagemiddel tegenover de (dagelijk-se) besturen, die willen opschieten; somsworden beroepen ingesteld uit rancuneu-ze overwegingen, nl. uit wraak en omdwars te liggen- het beroep is ondemocratisch, omdatbeslissingen van gekozen vertegenwoordi-gers aan de basis (de gemeenteraden)overstemd kunnen worden door eerst eensemitechnisch georienteerd college alsGedeputeerde Staten en vervolgens dooreen ambtelijke instantie als de Kroon- afschaffing van het Kroonberoep isnodig, als de toepassing van art. 19 aanbanden gelegd wordt; het huidige stelselheeft alleen kunnen werken door de ont-snappingsmogelijkheden van dit artikel- het A.R.O.B.-beroep kan - wanneermen let op de vrijmoedige benaderingdoor de Afdeling Rechtspraak van deRaad van State - voldoende rechtsbe-scherming geven.De voorstanders van handhaving van hetberoepsrecht (komend uit de kring vanbeschermers van natuur, landschap,stadsschoon en milieu, actiegroepen, e.d.,en uit de wereld van hen, die een heelstrikte en ruime rechts- en belangenbe-scherming tegenover de overheid beplei-ten) gebruiken o.a. de volgende argumen-ten:- het beroepsrecht van "een ieder" is eendemocratische verworvenheid, liggend inde lijn van een ontwikkeling, die men nietmag terugdraaien- het lagere bestuur - met name degemeentebesturen -- kan niet voldoendeaandacht geven aan de effecten voorgrotere gebieden en op langere termijn;hun verantwoordelijkheid is te veel ge-bonden aan de oplossing van directe loka-len noden- de Kroon is meestal minder direct bijregionale en lokale zaken betrokken enkan zich daardoor een objectieverstandpunt veroorloven- de rechts- en belangenbescherming isbij de Kroon in betere handen dan bij hetlagere bestuur, o.a. door de zorgvuldigebehandeling (bezoek ter plaatse, overlegmet bezwaarden) door de adviseur van deRaad van State- de Kroonjurisprudentie werkt unifor-merend- het A.R.O.B.-beroep is beperkt tot derechtmatigheid (zij het met enige verrui-ming) en kan daardoor alleen excessentegengaan; het schiet tekort voor eenvolledige bescherming van publieke enparticuliere rechten en belangen.Van vele kanten zijn oplossingen, c.q.tussenoplossingen, voor dit vraagstukaangedragen. Hiervan verdienen metname de aandacht de pogingen van hetN.I.R.O.V. (in het bijzonder de Sectievan Planologische Juristen) en van deR.A.R.O.De R.A.R.O. bracht in november 1975524 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1978wijzigmg wet r.o.een advies uit over de bestemmingsplan-procedure (advies no. 36). Dit adviesbevat - mede in navolging van publika-ties van het N.I.R.O.V. - een groot aantalaanbevelingen ter verbetering van de in-terne procedure en de interne organisatie,zoals:-- beter functioneren van de inspecteursvan de ruimtelijke ordening-- een einde maken aan liet tijdrovendgesol met ambtsberichten, die nietsnieuws aan bekende feiten toevoegen-- summiere, c.q. collectieve beantwoor-ding van georganiseerde bezwarenlawi-nes-- niet omstreden gedeelten van plannenterstond van kracht laten worden-- afzien van ambtshalve toetsing door deKroon-- het overbrengen van het bureau van deadviseur van het ministerie van Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordeningnaar de Raad van State-- de totstandkoming bevorderen vanmodel-bebouwingsvoorschriften, die bijaanvaarding door ontwerpers en gemeen-ten het risico van vernietiging op grondvan vormgebreken sterk verminderen.Verder bevatte het advies - in aansluitingop destijds bij het ministerie van Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordening le-vende gedachten - de volgende aanbeve-lingen van zeer principiele aard:-- betere regeling van de inspraak in degemeentelijke fase-- t.z.t. vervanging van het beroep voor"een ieder" door het A.R.O.B.-beroep,waarbij het bestemmingsplan door eenuitdrukkelijke wetsbepaling de status van"beschikking" zou moeten krijgen-- voor een overgangsperiode het Kroon-beroep handhaven, maar alleen voor dezakelijk gerechtigden en hen, die daar-mee gelijkgesteld kunnen worden (huur-ders en pachters); dit komt dus neer opvoorlopige handhaving van het beroepvoor de "financieel-bezwaarden" en opdirecte afschaffing van het beroep voor"beleids- of ideeelbezwaarden".Het R.A.R.O.-voorstel veroorzaakte eenstorm van protesten, vooral uit de hoekvan de reeds genoemde natuur- en mi-lieubeschermers en de voorstanders vanmaximale rechtsbescherming.Dit protest vond zijn weg naar de alge-mene pers en de overige media. Het voor-stel verwierf bijval in een meer beperktekring van uitvoerende bestuurders en po-litici, die echter voor deze mening minderpubliciteit konden verwerven.In mei 1978 bracht de R.A.R.O. eennieuw advies uit over het Kroonberoep,o.a. inhoudende:-- geen afschaffing van dat beroep; hier-bij werd teruggekomen op het standpuntuit 1975-- het bevorderen van het veelvuldiger totstand komen van globale bestemmings-plannen-- het binden van de Kroon aan eentermijn van 6 maanden, onder bepaaldeomstandigheden tweemaal te verlengenmet 3 maanden-- bij overschrijding van die termijn zoutegenover het rijk een wettelijk vastgeleg-de schadeclaim moeten ontstaan voor ie-dere instelling of persoon, die kan aanto-nen, dat hij door de termijnoverschrijdingschade lijdt; een dergelijke claim zouvooral van belang kunnen zijn voor ge-meenten (in verband met renteverlies opbouwgronden), voor projektontwikke-laars, voor particulieren met bouwplan-nen, etc.-- de kring van gerechtigden tot het be-roep aanduiden met de omschrijving, dieook in de wet A.R.O.B. voorkomt, t.w.:"ieder, die rechtstreeks in zijn belang isgetroffen"; deze omschrijving wordt in dejurisprudentie ruim uitgelegd, zodat bijv.ook verenigingen, die een ideeel doel na-streven, als belanghebbenden worden be-schouwd, voorzover dit doel in het gedingis-- een herhaling van de aanbevelingen opprocedureel en organisatorisch gebied,gedaan in het advies van 1975.Vooral het voorstel tot het binden van deKroon aan een termijn, gekoppeld aaneen schadeclaim bij overschrijding, ver-dient nadere toelichting. De R.A.R.O.stond voor het volgende dilemma: of eentermijn voor de Kroon met een sanctie ofeen termijn van orde zonder sanctie. Inhet eerste geval (fatale termijn) zou desanctie kunnen zijn: hetzij het plan is vande baan en men moet weer van voren afaan bij de gemeente beginnen, hetzij hetplan wordt van rechtswege geldig, on-danks de ingediende en niet afgehandeldebezwaren. Beide gevolgen zijn zowel uiteen oogpunt van practisch bestuursbeleidals wat de rechtsbescherming betreft on-aanvaardbaar. In het tweede geval (ter-mijn van orde) zou er waarschijnlijk nietveel veranderen. Bij een overvloed vanwerk of bij ingewikkelde zaken wordentermijnen van orde regelmatig overschre-den, zonder dat veel gewetenswroegingwordt getoond. De R.A.R.O. heeft daar-om door het voorstellen van de schade-claim gezocht naar een indirectie sanctie.Theoretisch kan dit niet als een geslaagdeoplossing worden beschouwd. Als deoverheid nalatig is bestaat er altijd eenrecht op schadevergoeding. Dit recht isechter in de praktijk (o.a. door hogeproceskosten en door een zekere terug-houdendheid van de burgerlijke rechter)in vele gevallen moeilijk te verwezenlij-ken. De R.A.R.O. hoopt, dat door eenspeciale regeling in de Wet op de Ruim-telijke Ordening in het geval van termijn-overschrijding de schadevergoedings-drempel zal worden verlaagd. Ook wordtverwacht, dat men, door die drempelver-laging, op centraal niveau met meer dangebruikelijke zorgvuldigheid de voorge-stelde termijn van orde in acht zal nemen.Die verwachting schijnt, uit praktijk-oogpunt gezien, niet onredelijk. De erva-ring leert, dat overheidsorganen aller-gisch zijn voor schade-aanspraken en veelmdeite doen om die te vermijden.Tussen het eerste en het tweedeR.A.R.O.-advies bestaat op het princi-piele punt van het Kroonberoep een op-vallend verschil. Het eerste advies zegt:op den duur afschaffen en vervangen525 Sledebouw en Volkshmsvesling, nuvember 1978wijziging wet r.o.door A.R.O.B.-beroep, doch voorlopighandhaven, maar alleen voor financieelbezwaarden. Het tweede advies zegt:handhaven, zij het onder zeer striktevoorwaarden van termijnbinding en ver-betering van de administratieve organisa-tie. De "omzwaai" van de R.A.R.O. moetvoor een belangrijk deel het gevolg zijnvan de betere gegevens, die sinds 1975door de openbare discussie en door weten-schappelijk onderzoek bekend zijn ge-worden. Kort voor de publikatie van hetR.A.R.O.-adv^es van 1975 (toen echterhet standpunt al bepaald was) verscheenhet verslag van een onderzoek van deLeidse Juridische Faculteit (A. V. vanden Berg en L. Pronk, De effecten van hetberoep op de Kroon bij bestemmingplan-nen, Bouwrecht 1975, p. 644 e.v.). In ditverslag zijn op grond van de interpretatievan kwantitatieve gegevens de volgendestellingen opgenomen:-- de lange duur van het tot stand komenvan bestemmingsplannen in het alge-meen is niet in hoofdzaak een gevolg vanhet Kroonberoep-- het Kroonberoep vervult een reele enwaardevolle functie bij een objectieverechts- en belangenbescherming.Deze conclusies worden herhaald in hetverslag van een uitvoerig Leids onderzoekin de provincie Zuid-Holland (A. V. vanden Berg en M. B. Ph. Bouwman-Gee-raedts, Zuid-Hollandse bestemmings-plannen, publikatie no 3 van de Sectievan Planologische Juristen van hetN.I.R.O.V., Den Haag, maart 1978).Met betrekking tot het Kroonberoep con-cludeert dit onderzoek o.a.:-- bij de Kroon valt de nadruk op rechts-bescherming; pas daarna komt de kwali-teitscontrole-- het "rendement" van het Kroonberoepis voor de appellanten hoog: een op detwee beroepschriften wordt geheel of tendele gegrond verklaard-- de Kroon let vooral op bezwaren vanjuridische en algemene aard-- de Kroon gebruikt weinig standaard-overwegingen- het inzenden van ambtsberichtenduurt onnodig lang- ambtshalve toetsing komt voor bij V3van de Kroonuitspraken.In beide onderzoeken komt het Kroonbe-roep er heel goed af. Men krijgt wel deindruk, dat dit ook de hypothese was, diede onderzoekers wilden bewijzen. Uit dekring van de Vereniging van NederlandseGemeenten is op het laatste verslagscherpe kritiek uitgeoefend; de cijfersworden niet bestreden, maar wel wordtde interpretatie van die cijfers aange-vochten (W. M. P. M. Weerdesteijn,Cijfers steunen V.N.G. in visie Kroonbe-roep, De Nederlandse Gemeente, 18 aug.1978, p. 379 e.v.) Een eerste indruk vandeze discussie is, dat gestreden wordt overtwee verschillende stellingen: de onder-zoekers concluderen dat het Kroonbe-roep in de eerste plaats niet bijzondervertragend werkt en in de tweede plaatsaan de appellanten een niet te verwaar-lozen kans op succes geeft; Weerdesteijnmeent, dat de provincies en vooral degemeenten in de grote meerderheid dergevallen hun werk, ook wat de rechtsbe-scherming betreft, goed doen en dat daar-om de hier in het geding zijnde eindcon-trole van de Kroon kan vervallen. Delaatste gevolgtrekking kan echter alleenmaar aanvaard worden, als aangetoondwordt, dat het Kroonberoep funeste ge-volgen heeft. Dit is tot nu toe niet opwetenschappelijke en overtuigende wijzegebeurd. Overigens is het jammer, dat deonderzoekers niet voldoende gegevenshadden om na te gaan of sinds 1974 hetaantal Kroonberoepen gelijk gebleven,gestegen of gedaald is (p. 35 van hetrapport). Verder geeft het onderzoekgeen inzicht omtrent de inhoudelijke kantvan het Kroonbeleid. Het wordt nietduidelijk, of de Kroon meer dan de lagereoverheden begrip heeft voor de bescher-ming van ideele waarden, zoals natuur,stadsschoon en milieu dan wel juist demateriele belangen extra beschermt. Opdit ogenblik moet nog afgewacht worden,wat de verdere discussie over het onder-zoek en de publieke opinie aan het lichtzullen brengen. Het is wel opvallend, dat- in afwijking van het standpunt van deVereniging van Nederlandse Gemeenten-- 11 organisaties uit zeer uiteenlopendekring (natuurbescherming, bedrijfsleven,landbouw, vakbeweging, volkshuisves-ting en welzijn) zich tegenover de vasteCommissie voor de Volkshuisvesting ende Ruimtelijke Ordening van de TweedeKamer tegen afschaffing van het Kroon-beroep hebben verklaard.Samenvattend kunnen wij het volgendecommentaar geven op het ontwerp vanwet, zoals dit aan de Tweede Kamer isaangeboden.In de eerste plaats moet vastgesteld wor-den, dat er ten aanzien van een zo belang-rijk onderwerp als het Kroonberoep nietvoldoende onderzoek heeft plaats gevon-den. Men kan natuurlijk niet voor iederewijziging van de wetgeving uitvoerigestudies laten verrichten. Dikwijls zijn designalen uit de samenleving duidelijk ge-noeg.Blijkt echter, dat die signalen niet duide-lijk zijn of zelfs lijnrecht tegenstrijdig, danis nader onderzoek zeker nodig. Laat mendit na, dan dreigt het gevaar van wetge-ving op grond van uitlatingen uit beperk-te kring, waarbij de meer algemene over-tuigingen worden onderschat of gene-geerd.In de tweede plaats valt het op, dat vanregeringswege nauwelijks melding wordtgemaakt va
Reacties