2stedebouw & volkshuisvestingBeschermde stads- en dorpsgezichtenIn dit nummerDenkraamBeschermde stads- en dorpsgezichtenStedebouwkundige en historischmilieuTwijfelachtige keuze?Werken met kenmerkenInspraak rond de aanwijzingVoorbeschermingBestemmingsplan voor een oude kernSpijkDe JordaanKroniek en kommentaarMededelingensamsom februarl 1978Kent u die van de bouwnijverheiddie zichzelf steeds de dasprobeerde om te doen?Die bouwnijverheid, die bouwdedat het een lust was. Vooral in deRandstad viel er vreselijk veel te doen.Maar toch waren er een paar vreemdedingen aan de hand.Ondanks het feit dat de techno-logic voortschreed, ondanks het feit dater veel bouwvakkers noodgedwongenniets om handen hadden, ondanks hetfeit dat in een heleboel bedrijfstakkende efficiency steeg en de produktietijdper eenheid terugliep, ging dieproduktietijd in de bouw almaaromhoog.Wat ook omhoog ging, waren debouwkosten; maar wat zeker nietnavenant omhoog ging was de bouw-kwaliteit. Een heleboel deskundigenbraken zich het hoofd, regeringenpeinsden zich suf en stimuleerden dathet een lust was. Met een veel tebescheiden en veel te tijdelijk effekt.De goede oplossing zal dus welnet zo komplex zijn als het probleem.En bestaan uit een heleboel grote enkleine zaken.Laten we 's beginnen met een kleine.En in het vervolg alle ramen en deurenvan ALUMINIUM maken.Intal aluminium ramen endeuren: kleine zaken van groot belang.? Intal bouwt snel: de ramen en deurenkomen kompleet en afgewerkt op debouw. Wachttijd en droogtijd komenniet voor. En voor de montage zijngeen specialisten nodig.? Intal bouwt rationeel: komplete ramenen deuren zijn in 132 standaardmatenleverbaar (basismoduul M = 10 cm.)Daarnaast kunnen de standaard-konstrukties in elke gewenste maatworden gefabriceerd, mits het omaantallen van gelijke afmeting gaat.? Intal bouwt duurzaam: aluminumtrekt niet, werkt niet en vergaatevenmin. Intal aluminium vergt geenonderhoud, omdat het afdoende isgeanodiseerd.? Intal bouwt goedkoop; Intal aluminiumramen en deuren zijn doorgaans20 % goedkoper dan welk alternatiefook.?WATERDICHTHEID: NEN3660LUCHTDOORLATENDHEID: NEN 3661DOORBUIGING EN STERKTE: NEN 3850GLASDIKTE:VENTILATIE: NEN 1087OIKTE ANODISEERLAAG:(20 micron) EWAA KEURNEN 2608 TNO RAPPORT BESCHIKBAARALUMINIUM RAMEN EN DEURENIntal.Voordelig duurt't langst.ALUMINIUM RAMEN EN DEURENIntal B.V., Postbus 31, Geldermalsen, Tel. 03455 - 29 41AANNEMINGSBEDRUFEINDHOVEN-SONBOUWERS SINDS 1873telefoon 04990-4535Voor Uw -- Utiliteitswerken-- Renovatie-- OnderhoudswerkenDEELNEMERdeelnemer van deStichting BouwgarantieUtiliteitswerkensricHTiNaKuiper CompagnonsBureau voor ruimtelijke ordening en architectuur BVGuldenwaard 127 Groningensingel 1Postbus 9098 Postbus 40203007 AB Rotterdam 6803 EA ArnhemTelefoon 010 82 55 66 Telefoon 085 22 90 52In verband met sterke uitbreiding van werkzaam-heden in onze beide vestigingen, vragen wij voorspoedige indiensttredingstedebouwkundig ontwerpersDe werkzaamheden hebben zowel betrekking ophet geven van beleidsadviezen aan de opdracht-gevers als op het ontwerpen van plannen en hetleiding geven aan de uitvoering hiervan.Vereisten zijn:- afgestudeerd b.i.s.- enige jaren praktijkervaring.- goede kontaktuele eigenschappen.Het bureau is van multidisciplinaire opbouw enadviseert inzake planologisch beleid van middel-grote en kleine gemeenten in het gehele land.Het bureau telt ca. 140 medewerkers.Sollicitaties met volledige inlichtingen omtrentpersoon, opieiding en ervaring worden gaarnebinnen twee weken na verschijning van dezeadvertentie ingewacht bij het Bestuur van hetbureau.Nadere inlichtingen worden desgewenst gaarnetelefonisch verstrekt door de heer C.L. de Gelder(tel. 085-22 90 52).waterdichtventilerendkortom...i-^.:!:VENTIFOL bestaat uit banenDRAKATILEEN-folie die elkaaroverlappen en op regelmatigeafstanden aan elkaar zijn gelast,Hierdoor wordt een ventilerenddakpan-effect verkregen.VENTIFOL dient om het dakbeschotwaterdicht en toch ventilerend afte dekken.Het dakbeschot blijft dus vrij vanschimmelvorming en onderhoud,BOVENOIEN WERKTVENTIFOLVLAMVERTRAGEND!Vraag inlichtingen en documentatie bijSTOKVIS PLASTICSR S. Stokvis & Zonen B.V. - Postbus 426 - 3000 AK ROTTERDAMtel.: 010-333111 telex 22231Postbus 28 Hoorn tel. 02290 - 30324KATHOLIEKE UNIVERSITEIT NIJMEGENwetensch ? mede-^werker stads-geografieDe medewerker(m/v) zal worden be-last met onderwijs en onderzoek oppre- en postkandidaatsniveau,ver-zorgd door de vakgroep i.e. neder-zettings-en bevolkingsgeografie.Hierbij zal nauw worden samenge-werkt met het team van stads- enplattelandsgeografen.Vereisten: doctoraal examen socia-le geografie of planologie en on-derzoekservaring.Inlichtingen bij de voorzitter vande benoemingscommissie,prof.drsP.J.W.Kouwe,080-513050 of 080-233529(prive).Salaris tussen f2740,- en f6752,-bruto per raaand,afhankelijk vanopleiding en ervaring.Brieven binnen 14 dagen aan afde-ling Personeelszaken,Erasmuslaan16,Nijmegen, met vermelding vanvac.nr 77.151.interfaculteit deraardrijkskundeen prehistoriedirectoraata-faculteitenODE STAD GRONINGENDe Dienst Stadsontwikkeling enVolkshuisvestingvraagt voor spoedige indiensttreding eenstedebouwkundigedie zich zal bezig houden met de voorbereidingen het ontwerpen van bestemmingsplannenvoor nieuwe stadswijken en renovatieplannenvoordebinnenstad. Defunctionariszali.v.m.hetbovenstaande werkpakket zitting hebben inprojectgroepen die op dit terrein actief zijn.De gedactiten gaan uit naar eenbouwkundig ingenieurmet afstudeerriclnting stedebouw of in het bezitvan een diploma SHO of HBO, die bij voorkeurreeds over stadsvernieuwingservaring beschikt.Verdere inlichtingen worden graag verstrektdoor het hoofd van de afdeling StedebouwDhr. H, Eysbroek, tel. 050-172074.Vacaturenummer: 19.016.Aanstelling is voorshands mogelijk tot eenmaximumsalaris van / 4191,-bruto per maand.Overigens zijn de gebruikelijkerechtspositieregelingen van de gemeenteGroningen van toepassing.Belangstellenden wordt verzocht hun sollicitatie- onder vermelding van het vacaturenummer -binnen 10 dagen na verschijning van dit blad inte zenden aan burgemeesler en wethouders,Grote Markt 1 te Groningen.,v.ketelslthermogla?urboilerslluchwerwarmerslradlatorenB-VSII*JvENNOOTSCHAPHANDEUSVENNU ^^^.^ 42161Orgaan van hetNederlands Imtituut voorRuvmtelijhe Ordening en Volhshuisvesling^9'^ jaargang, nr. 4maandblad, april 1978Uitgave van Samsom UitgeverijAlphen aan den Rijnl?jRedactie Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H. van der CammenMr. J.H. EngelDrs. A. EvertsIr. G. J. KlerksDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen Van Speykstraat 25, DenTelefoon 070-4696^2"Postgironummer 29080Advertenties: opdrachten en materiaat warden voor Bureau Van Vliet b.v., Zandvoortde Ibe van de maand, voorajgaande aan de maand Burg, van Fenemaplein 19, Postbus 20van verschijning ingewacht bij: Telefoon 02507-474y~InhoudDenkraamArtihelen54 Beschermde stads- en dorpsgezichten, C. HarinckKroidek en hommentaarMededelingen555768788693100108120122125Beschermde stads- en dorpsgezichten, inleidingDe stedebouwkundige en het historisch milieu, ir. Rudger A. F. SmookEen twijfelachtige keuze? P. van Dun en F. W. van VoordenWerken met kenmerken, ir. H. de Vries b.i. en ir. J. Breedveld b.i.Inspraak rond de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht, mr. H. C. F. SmeetsVoorbescherming, Menno van der Werff en mr. Friso de ZeeuwHet bestemmingsplan voor een oude kern, mr. F. F. A. Bosscher, ir. R. A. F. Smook en mr.F. K. LaterSpijk, een Noordgronings dorp in vernieuwing en verandering, P. BergmanOver de Jordaan, H. LammersMaat en schaal, ir. J. Petri - '' ' 5S.P.O.; S.P.J.; Sectie Volkshuisvesting; Nationaal congres over Verkeersveiligheid van (brom)fiet-sers en voetgangersLosse nummers f 9,2553 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1978DenkraamBeschermde stads- en dorpsgezichtenEen stads- en dorpsgezicht kan zo vertrouwd raken voor degene,die er woont. Hij beleeft het, ondergaat het. Wellicht zonder hetbewust te zien. Het is zijn stad, zijn dorp.Die gracht, het kerkplein, het raadhuisje, de bomen, een vaart.Het is hem zo vertrouwd geraakt in de loop der jaren.Ik denk aan de kerk op de Kerkbrink in Hilversum. Helemaal geenmonument; geen fraai gebouw. Menigeen in Hilversum zei daarom:"Dat ding moet maar gesloopt worden."In gemeentelijke kring kwam dit zelfs in gesprek.Maar toen enkele jaren geleden de kerk afbrandde, toen was Hil-versum zich opeens bewust dat lets heel eigens uit het dorp ver-dwenen was! Ja, voor een Hilversummer is de stad nog altijd eendorp.Men besefte als het ware ineens dat die kerk met het oude raad-huis ernaast, lets heel vertrouwd was op de Kerkbrink. En toen.^. . . Toen bracht men in Hilversum geld bij elkaar en herbouwdedie oude kerk met zijn toren.In het boek "De bovenbazen" maakt heer OUie B. Bommel samenmet Tom Poes een ochtendwandeling in de omgeving:"Er gaat toch niets boven het leven van een Bommel," sprak heerOUie tevreden op huis toe stappend. "Heb je ooit zo'n fraaie omge-ving gezien.3 Ot een woning, die zo geschikt is voor een heer als slotBommelstein.^ Kijk eens naar die fiere bouwstijl. Zuiver gotiek!""Het is geen gotiek," zei Tom Poes. "Het is . . .""Het kan me niet schelen wat het is," onderbrak heer OUie metverhelfing van stem. "Het bevalt me en daarmee uit!"In wezen zegt heer Bommel hetzelfde als hetgeen een inwoner vanHilversum voelt, namelijk dat zijn slot (zijn kerk) voor hem ietsmoois, iets waardevols betekende.Zo is men in Nederland langzamerhand tot de ontdekking geko-men dat een stads- en dorpsgezicht meer is dan een bepaald aantalmonumenten bij elkaar.Met het verschijnen van het vaak geciteerde artikel "Holland op zijnsmalst" van Jhr. mr. V. E. L. de Stuers in 1873, kreeg de monumen-tenzorg een impuls, die er toe heeft bijgedragen, dat de overheid hetbelang daarvan is gaan onderkennen.+ 100 jaar later wordt in Amsterdam ter afsluiting van het monu-mentenjaar 1975 een Europees congres gehouden.Daar wordt de "Declaratie van Amsterdam" uitgegeven. De fun-damentele regels voor de monumentenzorg.De geschiedenis van deze honderd jaar is ongetwijfeld buitenge-woon interessant. Ups en downs hebben zich voor wat de monu-mentenzorg betreft voorgedaan. Aanvankelijk meer downs dan ups.Ergens is langzamerhand het begrip toch gegroeid. Meer mensenzagen de waarde van het behoud van monumenten in.Zo ontstaat ook de idee van de stads- en dorpsgezichten als eennieuw element dat aan de monumentenzorg wordt toegevoegd. Diekrijgt als het ware door de introductie van dit begrip een nieuwedimensie.Een dimensie zo ongemeen boeiend, dat men in dit opzicht als het, ware nog aan het begin staat.De ruimere kijk op het monument heeft al geleid tot de invoeringin de Monumentenwet van beschermde stads- en dorpsgezichten.In principe is het mogelijk dat in een dergelijk gezicht geen enkelmonument voorkomt. Maar veelal zal het zo zijn dat daarin be-schermde monumenten en niet beschermde monumenten naastelkaar staan.De laatste kunnen beeldbepalend of beeldondersteunend zijn.Het is altijd voor wie het zien wil, het vertrouwde, het eigene, hetkarakteristieke beeld.Men bedenke goed; er zijn veel meer waardevolle stads- en dorps-gezichten dan beschermde stads- en dorpsgezichten.Het is jammer dat het behoud van al deze zaken zo veel geld kost. Ofis dit wel waar: kost het wel zo veel geld om het goede, het eigene,het vertrouwde te behouden ?Is het veeleer niet zo, dat wij in ons land nog te weinig geld voordit soort zaken over hebben. In wezen is het een kwestie van priori-teitsstelling. En welke prioriteit kent de overheid (de Nederlandsebevolking) dan toe aan het behoud van waardevolle stads- en dorps-gezichten ?Stad, langs uw blinkend water liep ik voort,ik zag uw markten in het morgenlicht,ik heb van u gedronken en gedichten 't stromen in uw aderen gehoord.De toren met het trillend vergezicht,een schrale trambel, die de morgen stoort,- ;ik daal en wandel langs het water voorthet ruime land in, dat rondom u ligt. '' (A. Marja.)C. Harinck54 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1978Beschermde stads- en dorpsgezichtenIn 1929 publiceerde het NIROV tezamen met de VNG eenrapport, waarbij een proeve van een monumentenverorde-ning was gevoegd.Het duurde echter 32 jaar, voordat de Tweede Kamer derStaten-Generaal in 1961 de Monumentenwet aannam.Een der belangrijkste onderdelen van deze nieuwe wet was'de introductie van het begrip beschermde stads- en dorps-gezichten waardoor mogelijk werd, niet alleen individuelemonumenten te beschermen, maar tevens de omgevingervan. Het invoeren van dit begrip was iets als een avon-tuur, waarvan de inleiding, de wet, wehswaar werd geschre-ven, maar waarvan de afloop nog onbekend was.In de achterliggende jaren zijn steeds meer stads- en dorps-gezichten na een veelal lange periode van voorbereidingwettelijk beschermd.In deze periode is gaandeweg ervaring opgedaan en eniginzicht verkregen in de vele problemen, die verbonden zijnaan de bescherming van stads- en dorpsgezichten.Het groeiend aantal beschermde stads- en dorpsgezichtenstelt in steeds meer plaatsen randvoorwaarden aan de ruim-tehjke en functionele ontwikkehng van historisch waarde-volle bebouwde gebieden. Als follow-up op eerdere pu-blicaties over beschermde stads- en dorpsgezichten in Ste-debouw en Volkshuisvesting (no. 9. 1975) heeft de redac-tie dit nummer geheel gewijd aan het omgaan met histo-risch waardevolle milieus, vooral wat betreft beschermdestads- en dorpsgezichten. Hoewel gestreefd is naar een inte-gral aanpak zij vooraf gesteld, dat dit themanummer pri-mair gericht is op de procedurele, bestuurlijk-juridischeen stedebouwkundige aspecten: met name aan de finan-ciele, c.q. fmancieel-economische aspecten is slechts zijde-Hngs aandacht besteed, mede door een gebrek aan feitelijkinzicht. De redactie realiseert zich, dat b.v. de heersendesubsidieregelingen voor een belangrijk deel bepalen in wel-ke mate de met de aanwijzing beoogde bescherming vanstads- en dorpsgezichten ook daadwerkelijk kan wordengeeffectueerd: het aanbrengen van verbeteringen hierin isprimair een kwestie van politieke prioriteitsstelling.Ook wat betreft de aangeroerde aspecten wordt geenszinsvolledigheid gepretendeerd. Zo hebben de meeste bijdra-gen betrekking op de stedeUjke kernen, mede door hetaccent, dat deze in bestaande wettelijke en fmancieleregelingen hebben verkregen. De middelgrote en kleineresteden staan daarbij centraal, daar nog weinig aanwijzingenin de grotere steden hebben plaatsgevonden.In agrarische gemeenschappen blijkt echter evenzeer veelwaardevols geluidloos te verdwijnen, door de voortduren-de spanning tussen instandhouding van de vorm (b.v. eentraditioneel gebouwde boerderij) en de noodzaak, om dezeeconomisch rendabel te houden door een aanpassing aangewijzigde productieomstandigheden.De effectuering van een aanwijzing tot beschermd dorps-gezicht hangt overigens nauw samen met het gevoerde klei-ne-kernenbeleid in het algemeen.De samensteller, drs. P. Nijhof, verbonden aan het NIROVheeft met medewerking van ir. R. A. F. Smook, stedebouw-kundige, de procesgang van de voorbereiding van de aan-wijzing tot en met de daadwerkelijke efFectuering ervanals leidraad genomen.Ir. R. A. F. Smook geeft in een algemene inleiding zijn per-soonlijke visie weer op de bijdrage, die een stedebouwkun-dige als ontwerper op het terrein van historisch waardevol-le gebieden in het algemeen kan leveren en de eisen,die aan zijn inbreng kunnen worden gesteld.Ir. P. van Dun en ir. F. W. van Voorden verschaffen in hunbijdrage achtergrondinformatie over en geven een eigenvisie op een aantal problemen en geven aan, op welke wijzede procedure van selectie en aanwijzing van beschermdestads- en dorpsgezichten tot stand komt.Een bijlage geeft een overzicht van de ingeschreven en inprocedure zijnde beschermde stads- en dorpsgezichten.Mr. H. C. F. Smeets geeft aan, op welke wijze een gemeentehaar bevolking bij het beschermd stadsgezicht kan betrek-ken, door inspraak te verlenen bij de opstelling van het ad-vies, dat een gemeente over de voorgenomen aanwijzingmoet verstrekken.Mr. W. F. de Zeeuw en M. van der Werff werken uit, hoeeen gemeente na het officiele voornemen tot aanwijzingmiddels het nemen van een voorbereidingsbesluit met aan-legvoorschriften voor een effectieve bescherming kan zor-55 Stedebouw en Volkshuisvesting, februan 1978beschermde dads- en dorpsgezichtengen. Dit in de vaak lange periode tot de ter visie leggingvan het bestemmingsplan.Mr. F. F. A. Bosscher en mr. F. K. Later beschrijven metmedewerking van ir. R. A. F. Smook op welke wijze eengedetailleerd bestemmingsplan ex artikel 37, lid 5 zodanigkan worden ingericht, dat de doelstellingen van de aanwij-zing kunnen worden verwezenlijkt.Ir. H. de Vries en ir. J. Breedveld pleiten voor het uiteen-zetten van de ruimtelijke en architektonische kenmerkenvan het stads- of dorpsgezicht. Zij maken duidelijk, dat inde vele kernen met een (gedeeltelijk) waardevoUe histo-rische bebouwing door gemeentelijk initiatief zonder eenformele bescherming ingevolge de Monumentenwet weldegelijk grotere ensembles kunnen worden beschermd.Voorts worden enkele voorbeelden gegeven in de uitvoe-ringssfeer, n.l. het plegen van acceptabele nieuwbouw ineen historische omgeving.P. Bergman schetst in de enige specifiek aan dorpen gewijdebijdrage de vele uiteenlopende problemen, die bij de uit-voering van dorpsvernieuwing een rol spelen, als het omdorpen gaat, die een karakteristieke identiteit moeten be-houden, zonder dat de leefbaarheid in het gedrang komt.H. Lammers schetst vanuit de optiek van de bestuurderenkele problemen in de Jordaan, een beschermd stadsge-zicht in materiele zin in een der grote steden.Met deze inhoud draagt dit themanummer een evaluerendkarakter: het biedt een niet eens volledige momentopname,die een vervolg moet krijgen. Vervolg in de vorm van on-derzoek, vooral naar de oorzaken en gevolgen van de tragetotstandkoming van op behoud gerichte bestemmingsplan-nen voor de aangewezen beschermde stads- en dorpsge-zichten. Vervolg ook in de vorm van discussie in deze ko-lommen over de diverse in dit nummer gedane voorstellenen suggesties.Hierdoor hoopt de redactie te bevorderen, dat de histo-risch gegroeide karakteristiek van vele plaatsen in Neder-land wordt veiliggesteld, zonder dat de gebruiker, die erwoont of werkt het gevoel heett, onderdeel van eenmuseum-decor te vormen, voorzien van aangepaste kledingen collectebus.56 Stedebouw en Volhhuuvesling, februari 1978De stedebouwkundige en het historisch milieuir. Rudger A. F. Smook"INLEIDING EN SYNOPSISDit artikel wil in algemene termen eenbeeld geven van een voor de stede-bouwkundige apart werkterrein, na-melijk het gebied met sterke histori-sche kwaliteiten, en schetsen welke ei-sen dit specifieke werkterrein stelt aande stedebouwkundige en zijn activi-teiten.-In een eerste gedeelte wordt het speci-fieke van het werkterrein onder woor-den gebracht en worden de termen"ontwikkeling" en "beheer" onder-scheiden. Vervolgens wordt ingegaanop een vorm van beheer die in dezeartikelenserie centraal staat en dat ishet beheer van gebieden met een ster-ke historische waarde. In dit verbandlijkt het wenseHjk te omschrijven watdeze "historische waarde" is en hoeeen historisch milieu kan worden ge-waardeerd. In dit verband wordt naderingegaan op begrippen als identiteiten oorspronkehjke structuur, en wordtde "mate van oorspronkehjkheid" alsmin of meer objectieve wijze van waar-dering gei'ntroduceerd.In het middendeel en tegen het slotvolgt het eigenlijke kernpunt van hetartikel. De taakopvatting van de stede-bouwkundige, werkend in een histo-risch milieu, wordt belicht waarbij hetsubjectieve van het oordeel duidelijkwordt onderstreept.Om de plaats van degenen die aan deverandering van de bebouwde omge-ving gedurende eeuwen hebben mee-gewerkt te bepalen volgt een kort over-zicht van de verandering van de stede-bouwkundige structuur in Nederland.Onderscheiden wordt de periode tot*Architect/stedebouwkundige te Delft.het begin van de 19e eeuw en de perio-de van dit tijdstip tot heden.In het kader van dit artikel kan na-tuurlijk geen uitgebreide verhandelingworden verwacht.Door deze historische kanttekeningenwordt getracht vast te stellen welke dehouding zou kunnen zijn die de stede-bouwkundige ten aanzien van zijn spe-cifieke werkterrein zou moeten aan-nemen, daarbij verwijzend naar de eer-der geformuleerde taakopvatting.Als sluitstuk volgen enige notities hoede taakinvulling in het licht van bo-venstaande overwegingen zou kunnenHierbij komen enige suggesties aan-gaande de planvorming naar vorenom een beeld te schetsen van het soortontwerp dat past in het kader van deeerder ontvouwde gedachten.Een korte notitie over de inpassing vanhet stedebouwkundig werk en de uit-voering van een "beheersplan" via eenbegeleidingscommissie sluit de bijdra-ge af.Ik ben mij ervan bewust dat mijn per-soonlijke opstelling tegenover het vak-gebied op tal van plaatsen opduikt.Het zou echter niet goed mogelijk zijnin een bijdrage waar net zo als bijarchitectuurkritiek opvattingen overvormgeving centraal staan, persoon-lijke stellingnamen achterwege telaten.ONTWIKKELING EN BEHEER INDE STEDEBOUWDe stedebouwkunde heeft zich zelf,vooral door gerichtheid op de ont-wikkeling van nieuwe woon- en werk-milieus, als vakgebied inhoud gegeven.Dit is tot zo een vanzelfsprekendheidgeworden dat de stedebouwer altijd inrelatie wordt gezien met het ontwerpenvan nieuwe structuren') of het bege-leiden van toekomstige ontwikkelin-gen. In het licht van de maatschap-pelijke ontwikkeling van de 20ste eeuwen vooral van die na 1945 is dit ookheel begrijpelijk. Toch is het verwon-derlijk dat, pas nadat de stedebouwals aparte tak van wetenschap is ont-wikkeld, de bewustwording van eenuitgebreider werkveld doordringt.Het ligt immers voor de hand dat een"ontwikkeld" gebied na realisatie van-zelf een "te beheren" gebied wordt.Onder dit beheren dient dan te wor-den verstaan het in stedebouwkundigezin begeleiden van het functionerenvan de bebouwde en onbebouwdeomgeving.Ook heden ten dage, nu het ontwik-kelen en het beheren als twee gelijk-waardige activiteiten worden gezien,blijft vooral in het instrumentarium,o.a. in aard en inrichting van het be-stemmingsplan, een gerichtheid op deontwikkeling te herkennen. Daaromin dit artikel verder extra aandachtvoor beheersaspecten.BeheerHet kardinale verschil met "ontwikke-ling" zit hierin dat van beheer uit-sluitend sprake is in een reeds ge-bouwde en functionerende omgeving.De afweging van wensen, mogelijkhe-den, en belangen heeft reeds geresul-teerd in een bepaalde structuur in wel-ke zin dan ook. De stedebouwkundigemoet zich daarom richten op een be-staande situatie en zich in zijn activi-teiten terdege bewust zijn dat hijslechts op betrekkelijk kleine schaalwijzigingen kan aanbrengen, waarbij57 stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1978sledebonwkundige en hislorisch milieumoet worden aangetekend dat velekleine wijzigingen in de loop van dejaren belangrijke veranderingen totgevolg kunnen hebben.Het zal duidelijk zijn dat kwantitatiefhet beheer in de stedebouw een steedsbelangrijker plaats gaat innemen om-dat het bebouwde oppervlak ten op-zichte van het nog te bebouwen op-pervlak voortdurend groter wordt.Een onderstreping van het belang vanbeheersaspecten in de stedebouw isdus op zijn plaats.Binnen het gezichtsveld van de stede-bouwkundige zijn er veel beheersge-bieden. In het kader van dit thema-nummer zou ik op een ervan naderwillen ingaan, namelijk het beheer vangebieden die in sterke mate bepaaldworden door historische waarden.HISTORISCH MILIEUOnder historische waarden wordenverstaan de waarden die objecten ont-lenen aan het feit dat zij stammen uiteen voorbije tijd.De nu ingevoerde factor tijd is nietexact te bepalen. Het gaat erom dat deHistorisch milieu aan de Oude Delft te Delft.objecten zijn ontstaan onder omstan-digheden die verschillen van de huidi-ge. Het object draagt daarom een doorde tijd bepaald karakter.Dit specifieke karakter zouden wij kun-nen omschrijven met historische waar-de. Het zal duidelijk zijn dat alle zakenom ons heen dus in wezen een histo-rische waarde hebben. In veel gevallenzijn deze waarden echter pas na lange-re tijd herkenbaar. De wetgever han-teert, om een norm te stellen bijplaatsing op de Monumentenlijst, bij-voorbeeld een periode van 50 jaar.Wanneer in het werkterrein van destedebouwkundige gesproken wordtover historische waarden dan wordendaar veelal uitsluitend onder verstaande zaken die door de Monumenten-wet beschermd worden. Het is echteruiterst riskant historische waarden inzo'n enge begrenzing te erkennen. Inprincipe kan onze gehele omgeving,ons hele milieu in historisch opzichtvan waarde zijn.Niet alleen monumenten-pandenmaar ook andere gebouwen, straten,pleinen, stedebouwkundige structurenen ook landschappen.Om uitdrukkelijk het samenstel vanmogelijk historisch waardevolle zakente blijven beschouwen wordt verderde term "historisch milieu" gehan-teerd.In het kader van dit artikel wordt on-der historisch milieu gerekend:? De binnensteden of oude kernenvoorzover gelegen binnen hun oor-spronkelijke begrenzingen als stads-grachten, -muren of -wallen, enduidelijk onderscheiden van hun19de- en vroeg 20ste-eeuwse uitbrei-dingswijken.? De dorpen, voorzover reeds voor de19de eeuw ontstaan en? de landschappen waarin duidelijkoude verkavelingen of andere struc-tuurbepalende elementen herkenbaarzijn.BEOORDELING WAARDEHISTORISCH MILIEUAfweging van een groot aantal zakendie in strikte zin nauwelijks lets metelkaar te maken hebben behoort totde dagelijkse beroepspraktijk van destedebouwkundige bij de argumenta-tie bepaalde planologische beslissin-gen wel of niet te nemen.Bij dit afwegen moet aan de meestuiteenlopende zaken een waarde wor-den toegekend. Ook moet het histo-risch milieu beoordeeld en "gewogen"worden.Op het terrein van dergelijke waar-deringen zijn een groot aantal metho-dieken ontwikkeld.Vaak gaat het hierbij om techniekendie het gegeven eerst analyseren, dande losse onderdelen waarderen envervolgens via een synthese tot eeneindwaardering komen.Robert Venturi laat in zijn "Learningfrom Las Vegas" zien hoe ver menkan gaan bij deze analysen^).Subjectieve beoordelingMaar bij al deze technieken gaat heter om hoe de deskundige -- in dit gevalde stedebouwkundige -- hier en nueen bepaalde situatie beoordeelt. Om-dat de criteria zeer moeilijk "hard"gemaakt kunnen worden, iedere des-kundige er weer zijn interpretatie aangeeft, en ieder beoordelingstijdstipverschilt van het andere is het devraag of aan dergelijke beoordelingenvoldoende waarde kan worden ge-hecht.Dat dergelijke activiteiten een moeilijkgegeven kunnen helpen analyserenlijkt duidelijk. Het waarderen echter inde zin van het aan de analyse hechtenvan bepaalde (getals)waarden om hetdaarmee vergelijkbaar te maken metandere meetbare elementen komt alseen minder juiste handelwijze over.Hoe dan wel een historisch milieute "wegen" ?In dit kader kan misschien de in58 stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1978"historisch" aangeduide tijdsfactoruitkomst bieden.Identiteitleder historisch miheu heeft een langeontwikkeHngsgeschiedenis achter zich.Stuk voor stuk werden alle elementen,die wij nu herkennen als specifiekeelementen (bouwstenen) van een be-paald stedebouwkundig historischmiheu, door de beperkingen die dezesituatie stelde, gevormd en op deplaats gebracht. Als bijzonder ingewik-keld bouwwerk van invloeden, relatiesonderling, beperkingen enz. ontstondeen bepaalde stedelijke structuur alseen uniek gegeven met een eigen iden-titeit^).Oorspronkelijke structuurVoor veel Nederlandse steden geldtdat er een groeiproces te onderschei-den is dat doorloopt tot in het beginvan de 19de eeuw. Pas dan treedt eenaftakelingsproces op. Vanaf ? 1840spreken wij van een aftakeling omdater dan als het ware een oneigenlijk ge-bruik gaat optreden van structuur-elementen die in de tijd ervoor vormgekregen hadden. Zo worden vesting-werken geslecht en bebouwd, stads-poorten gesloopt enz. Een vestingwerkis te beschouwen als een evolutie vaneen stadsmuur maar het doen verval-len van zijn oorspronkelijke militairefunctie kan immers moeilijk als eenpositieve evolutie worden gezien.Voor historische binnensteden is duseen periode aan te wijzen waarin destedelijke structuur volgroeid, en hetaftakelingsproces nog niet begonnenis.Deze situade zouden wij de oorspron-kelijke structuur kunnen noemen.Hierin zijn alle specifieke kenmerkenvan de nederzetting in voile rijkdomaanwezig en is haar identiteit bepaald.Voor Nederland is dit tijdsdp te loka-liseren aan het begin van de l9deeeuw.In de periode van 1811 tot 1832 is ge-Idenhteit o a besloten m karaktenstieke inkaiehngspatronen en liggins ran de stad m ztjn om^eimg (SmekTopografische en Militaire Kaart 18^0-1864).heel Nederland kadastraal vastgelegdin de Kadastrale Minuten*). Het isook daarom dat de Kadastrale Minuutbij de bepaling van de oorspronke-lijke structuur van zo groot belang is.Mate van oorspronkelijkheidIn de hierboven aangeduide oor-spronkelijke structuur kan een echelongevonden worden tot een waarderingvan het historische miheu. Door deoorspronkelijke structuur van de ne-derzetdng (dus veelal weergegeven opde Kadastrale Minuutplans) te verge-lijken met de huidige structuur is demate van oorspronkelijkheid te bepa-len. Hiermee kan een waardering vanhet historische milieu worden gegevendie niet afhankelijk is van een subjec-tieve beschouwing.Toch lijkt de methode op het eerstegezicht enigzins ongenuanceerd. Ik wiler daarom nader op in gaan.Het ontwikkelingsproces van de struc-tuur sinds de als oorspronkelijk geken-schetste situade kan zeker bepaaldeposideve elementen hebben toege-voegd aan de structuur (zie verder bijde beschouwing over Woerden).Een nieuw ingericht gebied kan eeneigen, niet historisch, karakter gaandragen dat geanalyseerd naar bijvoor-beeld gebruikswaarde of visuele waar-de zeer posidef uit de bus kan komen.In de waarderingstechniek naar "matevan oorspronkelijkheid" wordt tocheen negatieve kwalificatie gegeven.Dat negadeve zou als volgt te verde-digen zijn.De oorspronkelijke structuur van eengebied is onder dezelfde invloeden ge-vormd als zijn omgeving en is daaromstructured zeer hecht hier mee ver-bonden. Bij de verandering van destructuur is in het gunstigste gevalgeprobeerd aansluiting te vinden bijde omgeving, echter geinterpreteerdaan de hand van de dan geldendenormen en aanwezige mogelijkheden.Een min of meer subjectieve interpre-tade op het gevaar af dat de aan-sluidng toch blijft "rammelen". Opdeze wijze kan een conflict tussen deoorspronkelijke structuur van de om-geving en de nieuwe structuur ont-staan. Dit spreekt des te sterker oppunten waar de invuller van de nieuwestructuur totaal andere ontwerpuit-gangspunten hanteert dan redelijker-wijze uit het gegeven zijn te desdlleren.Bijvoorbeeld zijn in Den Haag zeervele voorbeelden te zien hoe ongeluk-kig de theorie van de "stromenderuimte" is aan te sluiten op een beeldvan duidelijk gesloten gevelwanden.Het zal de lezer opvallen dat bij devoorgestelde kwaliteitsbepaling vanhet historisch miheu nog steeds uit-sluitend gesproken wordt over vor-59 Stedebouw en Volhhuisvesting, Jebruan 1978men: de structuur en de vorm vande structuurbepalende elementen.Bij de omschrijving van het histo-risch milieu dient natuurlijk ook ge-sproken te worden over functies. De"mate van oorspronkelijkheid" van defuncde is immers ook belangrijk. Den-ken wij in dit verband eens aan hetbeschermde dorp Orvelte in Drenthe.Het langzamerhand verdwijnen van deagrarische functie van het dorp heeftimmers het beeld (vorm!) grondigaangetast.Bij de waardering naar mate van oor-spronkehjkheid moet daarom naastde oorspronkeUjkheid van de vormook die van de functie onderzochtworden. Deze laatste kan echter ruimge'interpreteerd worden omdat defunctie in vrijwel alle gevallen tochanders is dan zij vroeger was. Zo ver-schik het boerenbedrijf anno 1850hemelsbreed van dat wat we nu ken-nen en is zelfs het wonen door tal vanoorzaken totaal veranderd.TAAKOPVATTING VAN DESTEDEBOUWKUNDIGEOntwikkelingsstedebouwkundeIndien de stedebouwkundige met ont-wikkeUngsvraagstukken bezig is wordtvan hem verwacht dat hij in staat isbepaalde maatschappeUjke of sociaal-3innenstad Stieek. Oorspronkelijke structuur: Kadastrale minuut ? 1 82i.economische processen en gegevens teonderzoeken veelal in samenwerkingmet andere discipUnes. Zijn specifieketaak is vervolgens de aldus aangereiktegegevens te vertalen in een ruimtelijkontwerp. Juist in het ontwerpen on-derscheidt de stedebouwkundige zichvan anderen op het terrein van de pla-Conjlict bloksgewijze structuur en "stromende ruimte" nabij het Westeinde te 's-Gravenhage.nologie. In het ontwerpproces is hijvooral als vormgever bezig: het gevenvan een vorm aan dingen die nog geenvorm hebben. Ondanks het feit dat hijbij dit vormgeven zeer beperkt wordtdoor de aangereikte gegevens en detechnische mogehjkheden bUjft vol-doende ruimte over voor een min ofmeer eigenzinnig ontwerpidee: zijnhoogst persoonHjke overtuiging vangoed, slecht, mooi of leUjk.BeheersstedebouwkundeHet werk van de stedebouwkundigedie werkt aan een beheersplan in eenhistorisch miheu verschilt slechts opeen punt van het hierboven gestelde.Juist daar waar de ontwikkehngs-stedebouwkundige zijn creadeve geestde vrijheid wil gunnen hggen in hetbeheerswerk enige extra beperkingen.Dit wil niet zeggen dat men, werkendin historische milieus, niet creatiefbezig zou mogen zijn. Integendeel: erwordt vereist extra creadef te werk te60Stedebouw en Volkshuisvesting, februan 1978SNEEK sduatie ?1975Binnenstad Sneek. Huidige structuur: situatie 1976.gaan om in het ontwerp ook tegemoette komen aan de bijkomende beper-kingen.Welke zijn deze beperkingen dan?Kort omschreven liggen deze beper-kingen vast in de bestaande histori-sche structuur en in de wenselijkheidde identiteit van het gebied niet aan tetasten en deze identiteit zelfs tot uit-gangspunt van het ontwerp te verhef-fen. Door op deze wijze zijn taak op tevatten stek de stedebouwkundige zijncreativiteit in dienst van de situatiewaarin hij werkt en wordt van hemverlangd om tijdens het vormgevenals analyticus te werk te gaan. Hetwerken in een gegeven historischmiHeu vereist immers een grondigestudie van dit miheu teneinde de iden-titeit te kunnen bepalen alvorens dezetot uitgangspunt van het ontwerp temaken.Op dit punt aangekomen is het wense-Ujk na te gaan hoe in het verleden methistorische structuren gewerkt en hoedaarin ontworpen werd. Het zal danduideHjk worden dat een strak om-Hjnde taakopvatting niet iets is datals uitholUng van "het vak" moet wor-den gezien. Veeleer toont het aan dateen ongebreidelde vrijheid van de ont-werper iets is dat van origine niet pastin het werk in binnensteden.ONTWIKKELING VAN STAD ENSTEDEBOUWKUNDEVeranderingen in binnensteden voor hetmidden van de 19de eeuwIn het aanpassingsproces van binnen-steden nemen de Lage Landen bij deZee een aparte plaats in. Het is name-Hjk opmerkehjk hoe hier in een afge-leide vorm gereageerd is op allerleiinternational cuhuurstromingen. Wijkennen de Renaissance slechts in hy-bride vorm en de Barok is vrijwel ge-heel aan ons voorbij gegaan. Ditgeldt niet op alle terreinen van de cul-tuur maar het is zeker wel toepasbaarin de architectuur (nauwehjks renais-sance-architectuur: wel Hollands klas-sicisme) en in sterke mate zelfs in destedebouw.In Italic, Frankrijk en Engeland zijnhele steden door de eeuwen been aan-gepast aan de een of andere "nieuwemode". Waarschijnlijk was zoiets mo-gelijk onder invloed van een zekeregeaardheid van de bevolking (tempe-rament) en de aanwezigheid van eensterke (over)heersende klasse (de adelal of niet gesteund door de kerk).In de Nederlanden niets of zeer weinigvan deze vernieuwingsdrang in bin-nensteden.Werd Nancy nog geheel omgeschof-feld en Parijs onder Haussmann nogvolledig aangepast aan de toen gel-dende ideeen van "grandeur", in Ne-derland staan de paleizen keurig ge-rangschikt in de middeleeuwse struc-tuur van het Voorhout in Den Haag.Veruit de meeste Nederlandse stedenzijn in de middeleeuwen ontstaan enhebben een structuur die in die tijdal volledig ontwikkeld is. In een vroegstadium van stedevorming waren demilitaire aspecten zo belangrijk dat desituering van een verdedigingswerk(een stadsmuur, een poort) is opgeno-men in, en geredeneerd lijkt vanuit,de mogelijkheden van het stratenpa-troon. Binnen de wallen zijn veelal nogduidelijk prestedelijke elementen als"dragers" van de stedelijke structuurherkenbaar. Structuurelementen alsverkavelingen zijn nog ondeend aanprestedelijke situaties als bijvoorbeeldoorspronkelijke polderverkavelingen,terwijl ook veelal oude dijktraces alshoofdrichting in de structuur en uit-gangspunt van een bepaalde verka-veling herkenbaar zijn.In hoeverre de middeleeuwse struc-tuur tot in deze tijd heeft kunnenstandhouden wordt aangetoond doorhet feit dat men met een plattegrondvan Van Deventer (? 1550) in de handnog erg goed zijn weg kan vinden inmenige stad.61 stedebouw en Volkihuisvesting, Jebruan 1978stedebouwkundige en historisch milieuWoudrichem: situatie ? 1640 over situatie ? 15^0(Van Deventer).Van Deventer is daarom zo interes-sant omdat even later in veel stedeneen rigoureuze verandering optreedt.Het is de tijd dat de oude stadsmurenter verdediging onvoldoende bleken tezijn en dat aarden wallen met bastionsen ravelijnen aangelegd moesten wor-den.Vaak zijn deze wallen zo aangelegddat de oude stadsmuur aan de binnen-kant ongeveer de teen van het taludvormt.In enkele gevallen werd echter ten be-hoeve van het maken van een goedverdedigbare vesting een niet onaan-zienlijk deel van de stad gesloopt.Zo verloor de stad Woudrichem 2/5van zijn bebouwbare oppervlakte bin-nen de veste.Onder de militaire druk van de 80-jarige oorlog werd echter in hoogtempo deze aanpassing van de stede-lijke structuur tot stand gebracht.Hierbij werd dus de structuur van debinnenstad nauwelijks aangetast, daar-entegen veranderde de relatie van destad met haar omgeving grondig.Tot aan + 1830 zijn geen wezenlijkeveranderingen van de structuur opge-treden. Wei veranderde het stadsbeeldenigszins. Houten huizen werden ver-vangen door stenen exemplaren (metbehoud van vele mengvormen) opdezelfde kavel. Soms werd een ruimtetussen de huizen in de vorm van eengang bij het hoofdgebouw getrokken.De gebieden buiten de hoofdstructuurkregen allengs ook meer te maken meteen verstedelijkingsproces waardooreen grotere agrarische verkavelingwerd onderverdeeld. De panden ble-ven echter veelal beperkt in maat tenopzichte van die aan de hoofdstruc-tuur gelegen panden.In de 18de eeuw trad ogenschijnlijkeen schaalvergroting op door het sa-mennemen van meerdere panden enhet ervoor bouwen van een gevel.Vergroting van de schaal betekendedit echter niet omdat de samenstellen-de delen dezelfde schaal behielden enook de nieuwe detaillering volledigvoortkwam uit oude vormen en ver-houdingen. De reden van het gelijk-blijven van maat en schaal is misschienwel gelegen in het feit dat het bouw-proces geen evolutie doormaakte. Degebruikte materialen en de mogelijk-heden ermee waren vanaf de middel-eeuwen niet veranderd.Het moge duidelijk zijn dat in de gehe-le beschouwde periode vanaf de mid-deleeuwen vanuit de kleinste bouw-steen van de stedelijke structuur (hetafzonderlijke pand) geen structuurver-anderende tendensen aanwezig waren.Ook vanuit de gebruiksaspecten van^ de stedelijke structuur waren de krach-ten niet groot genoeg om een veran-dering te bewerkstelligen. Wel werdenenige steden uitgelegd maar dan wasdit een proces van ontwikkeling van destructuur zoals dat ook in de middel-eeuwen zou hebben plaatsgehad.De Jordaan in Amsterdam werd in de17de eeuw, precies de polderverkave-ling volgend (als prestedelijk gegeven),tegen de grachtengordel aangeplaktdie op zijn beurt weer een logischevoortzetting was van de door de Sin-gel gevormde grens van de middel-eeuwse stad.Het zojuist beschreven proces van ste-delijke ontwikkeling in een notedop(met alle mogelijke overdrijving vandien) illustreert duidelijk de eerdergeponeerde stelling dat tot in de 19deeeuw van een zekere samenhangendeevolutie sprake is die leidt tot eenstadsplattegrond die als de "oorspron-kelijke" structuur zou kunnen wordenaangeduid.Veranderingen in binnemteden na hetmidden van de 19de eeuwIn de eerste helft van de 19de eeuw tre-den een aantal veranderingen op diehun sporen in onze binnensteden zul-len achterlaten.Men doet het hele complex van facto-ren geweld aan door een precies jaar-tal aan te geven waarop de veranderingnaar buiten gaat treden. Wij houdenons derhalve aan het midden van de19de eeuw als gedachtentenbepaling.Zonder het complex van veranderings-factoren precies te ontleden kan ge-steld worden dat een technologischeontwikkeling, met als gevolg daarvanhet ontstaan van een industriele maat-schappijstructuur in samenhang meteen vanaf het midden van de ISdeeeuw gestage groei van de bevolking,de stuwende krachten achter het ver-anderingsproces zijn.Door de technologische ontwikkelingis het mogelijk het transport in meeren grotere eenheden over grotere af-standen te doen plaats vinden waar-door een enorme schaalvergroting inde handel kon ontstaan. Door dezeontwikkeling is het ook mogelijk ommet oude en nieuwe producten eenveel grotere capaciteit te halen waar-door via schaalvergroting en samen-bundeling industrieen van de grondkomen. Tevens is het mogelijk ge-worden om materialen te ontwikkelendie in maat en schaal een totaal anderbouwen mogelijk maken. De door detechnologische ontwikkeling nog extraaangezette bevolkingsgroei maakt ookin aantallen op te richten bouwwerkeneen schaalvergroting noodzakelijk.Als gevolg van het veranderende beeldvan de samenleving in de 19de en 20steeeuw trad een duidelijke functiewijzi-ging in de binnenstad op.Om een beeld te geven van de belang-rijkste veranderingsfactoren die op een62 Stedebouw en Volkihuisvesting, Jebruari 1978stedebomukundige en historisch milieuof andere manier op de stedelijke sa-menleving gingen inwerken de vol-gende opsomming.? Door een versnelde groei van de be-volking liep de woningbouwproductieeen achterstand op. En omdat demaatschappij nog duidelijk geken-merkt werd door de aanwezigheid vanrangen en standen ontstonden vooralvoor de laagste bevolkingsklassen bar-re woonomstandigheden waaraan inhet kader van een proces van socialebewustwording gedurende het eindevan de eeuw maar vooral in de 20steeeuw iets moest worden gedaan.Een kridsche beschouwing van de19de-eeuwse binnenstad leert inder-daad dat de voorwaarden voor eenaanvaardbare huisvesting bijna tot hetnulpunt zijn gedaald^).? Door een verandering van het pro-ductieproces trad een schaalvergrotingvan productie-eenheden op die optal van plaatsen in binnensteden toteen verloren gaan van de oorspronke-hjke structuur leidde. Tegelijkertijdontstond een specialisatie waardoorhet aantal productie-eenheden nogsterker toenam en zo leidde tot een uit-elkaar rafeling van functies in de bin-nenstad.? Ontwikkelingen in de handel had-den tot gevolg dat een middenstandging ontstaan die ook sterk de neiginghad zich op bepaalde plaatsen te con-centreren.? In binnensteden is welhaast de be-langrijkste veranderingsfactor het ver-schijnen van het gemotoriseerde ver-voerniiddel geweest.Waar immers een funktiebeeld in eenbinnenstad sterk gepolariseerd raakteen de relaties tussen de functies steedsbelangrijker werden en ook kondenworden, nam de vervoersbehoeftesterk toe. Weldra werd de stedelijkestructuur als bedding voor de ver-voersrelaties te krap.In de 19de eeuw werden in dit verbandeerst de stadspoorten gesloopt en dewallen geslecht.Rond de eeuwwisseling lag het accentvooral op het creeren van ruimte doordemping van grachten. Pas de laatste10-tallen jaren ontstonden in veel bin-nensteden opvallende verminkingenvan de stedelijke structuur door dewens de auto ruim baan te geven.? De sterk op de funcde inspelendeveranderingsdrang kon door een ver-Afrekenen met een gevoelige maat en schaal in debinnenstad. Pnnsegracht 's-Gravenhage.ruiming van de mogelijkheden in debouwwereld in een maat en een schaalvertaald worden die afrekende met degevoelige maatvoering in binnenste-den.Het lijkt erop alsof de ontwikkelingsinds het midden van de 19de eeuw eruitsluitend een is geweest van achter-uitgang en van teloorgaan van fraaiestadsgezichten.Het werkelijke proces kan ook andersbenaderd worden. Om dit toe te lich-ten volgen wij de 19de-eeuwse ontwik-kelingsgeschiedenis van een doorsnee-HoUandse stad.De I9de-eeuiuse ontwikkeling van de stadWoerdenWoerden heeft altijd een belangrijkefunctie vervuld op de doorgaanderoute van Den Haag naar Utrecht.Veel verkeer langs de Oude Rijn kwamdoor de stad, hetgeen de plaatselijkeneringdoenden duidelijk ten goedekwam en de stad veel inkomsten be-zorgde uit geheven poorte-gelden. Te-gen het midden van de 19de eeuw,vlak voor de aanleg van het spoor-wegnet, namen de transportbehoefteen het verkeer te land zo toe dat de"capaciteit" van de stad weldra onvol-doende bleek. In het kader van de li-berale denkbeelden in het handels-verkeer waren belemmerende tolgel-den en poorte-gelden reeds afgeschaftwaardoor de twee poortgebouwen (te-gelijk tolgaarderskantoren) functielooswerden. Spoedig werd tot sloop be-sloten. In dezelfde tijd werd wegens hetvervallen van de vestingfunctie (Ves-tingwet 1874) het grootste deel van dewallen geslecht waardoor de stad vanalle kanten ontsloten kon worden.Reeds voor 1840 was echter al een eer-ste stap in de richdng van een betereontsluiting gezet door de ingewikkel-de route over twee ravelijnen met deaanleg van dammen (West- en Oost-dam) te verkorten.Door de verbeterde ontsluiting heeftde stad waarschijnlijk zijn economischepositie kunnen behouden en verderuit kunnen bouwen. Het niet "insla-Kadastrale minuut 1825 bijgewerkt tot 1845.63 Stedebouw en Volkshuisvesting, februan 1978stedebouwkundige en historisch milieuDoorbraak: verandering van stedelijke structuur.Flevoweg Kampen.pen" van de stad heeft op zijn beurtweer tot gevolg gehad dat de bestaan-de bebouwing in hoog tempo werdvervangen waardoor in veel gevalleneen schaalvergroting (samentrekkenvan meerdere percelen) optrad en zeerweinig oorspronkelijke bebouwingoverbleef.Door deze ontwikkeling zijn zeker veelfraaie stadsgezichten verloren gegaan,is echter een nieuw ruimtelijk beeldontstaan dat misschien op eigen wijzeweer waarden heeft toegevoegd en isin ieder geval het beeld van een be-drijvige plattelandsstad behouden.De begeleiders van het veranderingsprocesHet zal duidelijk zijn dat de taak waar-voor degenen gesteld waren die hetveranderingsproces moesten begelei-den bijzonder groot was.De problemen overziende is het zeerte billijken dat men de neiging hadradicaal met het oude te breken en deoplossing niet te vinden in een voor-zichtig aanpassingsproces.Eerst gaan architecten zich met de stadbezighouden en zoeken, zoals in hunaard ligt, naar vormen waarin denieuwe maatschappij gestalte kankrijgen.De aandacht wordt echter voor eenzeer lange periode opgeeist door denoodzaak nieuwe woongebieden alsuitbreiding van oude binnensteden tecreeren.Hierbij blijft echter in vrijwel alle ge-vallen de oude kern als centrum vanhet sociale, economische en cultureleleven functioneren. Dit gaat goed tot-dat door de omvang van de buiten-wijken in de verzorgende functie vande oude kern door de beperkingenvan de stedelijke structuur niet meerkan worden voorzien.Pas in de jaren '50 van deze eeuwkomt de planmatige aanpak van bin-nensteden echt op gang. De dan wer-kende stedebouwkundigen laten zichbij de planvorming vooral leiden dooronderzoek betreffende de functies enbenaderen de binnenstad vanuit eenjarenlange traditie van ontwikkelings-planologie. Het is verbijsterend nu naeen kwart eeuw te constateren dat in deplannen de eeuwenoude stedelijkestructuur slechts nog als karikatuur teherkennen is. De plankaarten toneneen treffende gelijkenis met toeris-tische stadsplattegronden waar terwilleTerugrooien. Broedentraat Kampenvan een leesbare belettering stratenflink breed zijn getekend en slechtseen beperkt aantal onontkoombare"monumenten van geschiedenis enkunst" in hun precieze situatie zijnweergegeven. In de jaren '60 wordeneen aantal van deze plannen daadwer-kelijk uitgevoerd waardoor iedereNederlandse stad wel zijn doorbraakkent. Het moet eerst tot uitvoeringvan plannen komen voordat men be-seft dat in een dergelijke opvatting deidentiteit van de stad totaal verlorengaat of verandert in een identiteitdie geen binding heeft met het speci-fieke karakter van iedere stad.Het resultaatHet beeld van de aldus gedurende delaatste anderhalve eeuw gehavendeoude kern kan er als volgt uitzien.? De natuurlijke begrenzingen van deoorspronkelijke oude kern zijn verwa-terd of geheel verdwenen door sloopvan de stadsmuur of slechting en dem-ping van de stadswal en door het di-?^64 Stedebouui en Volkshuisvesting, Jebruari 197SHet Spin, 's-Gravenhage. Door het verbeteren van verkeersrelaties is (onbewust?) een stap gezet naar verder verval van een oorspronkelijke slructuurrekt aanbouwen van buitenwijken.? De hoofdstructuur is op vele plaat-sen aangetast en doorgebroken van-wege eisen met betrekking tot de be-reikbaarheid.? De substructuur, daarmee bedoeldde kleinere achterstraatjes, is evenzoaangetast of geheel verdwenen ten be-hoeve van functies die in de hoofd-structuur gesitueerd zijn (parkeerplaat-sen of bouwmogelijkheden voorgrootschalige elementen).? De dragers van de structuur, de af-zonderlijke panden, zijn veelal sterkaangepast of technisch verwaarloosdomdat ze voor de oorspronkelijkeiunctie niet meer voldeden of omdatze in gebieden gelegen waren waarzich lange tijd de dreiging van een ge-heel nieuwe stedelijke structuur deedvoelen.? Vooruitlopend op straatverbredin-gen zijn op tal van plaatsen nieuw-gebouwde panden teruggerooid, daar-mee de overlevingskansen van deresterende panden niet bijster vergro-tend.? Elders zijn in maat volstrekt gevoel-loze elementen ingevoegd. Soms isbijv. de bouwhoogte wel redelijk inge-past maar is door toepassing van een-zelfde ritmiek in de gevelwand eenonaanvaardbaar beeld ontstaan.? In vrijwel alle gevallen is het fijn-schalige stedelijke detail van oorspron-kelijke elementen van townscape ge-heel verdwenen.Vooral zijn bomen het stadsbeeld inveel mindere mate gaan bepalen.DE TAAKINVULLING VAN DESTEDEBOUWKUNDIGEWe hebben reeds kennis gemaakt metde stedebouwkundige als creatieveanalyticus.Hoe gaat zo iemand te werk en waarmoet hij op letten?InventarisatiefaseIn de inventarisatiefase moeten tweeelementen met extra aandacht wordenbestudeerd.? In de eerste plaats de vorm en destructuur van het gegeven. Dit kan ge-beuren in een historisch-topografischonderzoek en in een onderzoek vanhet architectonische (en stedebouw-kundige) beeld.? In de tweede plaats is studie van desociaal-economische context waarinde oude kern nu functioneert en inhet verleden heeft gefunctioneerd, alsgevolg waarvan in de loop der tijd destedelijke structuur zich wijzigde, vaneminent belang. Het is vooral in debeheersingsmogelijkheden van de so-ciaal-economische context gelegen ofer van een verantwoord beheer vaneen oude kern sprake kan zijn.DoehtellingenfaseIn de doelstellingenfase moeten defunctionele aspecten van een verant-woord planologisch beleid in het ka-der van de ruimtelijke mogelijkhedenvan het gebied in kwestie worden af-gewogen.Dus niet, zoals in het verleden veelgebeurde, een bepaling van de wense-lijkheden in functioneel opzicht waar-na dan in de fase van de planvormingpas een inbouw in de bestaande situa-de plaatsvindt. Reeds in de doelstel-lingenfase moeten functionele wense-lijkheden getoetst worden aan hunruimtelijke mogelijkheden zodat bijde afweging de eventuele mate vanverstoring van de oorspronkelijkestructuur kan worden bepaald.De planvormingIn het plan en de planvorming dientde stedebouwkundige onverbloemd deoorspronkelijke structuur van de bin-nenstad als uitgangspunt van zijn werkte kiezen.Dat wil zeggen dat hij bij het inbou-wen van de eisen van de 20ste eeuw inde oude kern eerst probeert terug tegrijpen op het gegeven dat door hemin de historisch-topografische studieen het onderzoek van de oorspronke-lijke structuur is omschreven. Het be-houd of herstel van de oorspronkelijke65 Stedebouw en Votkshuisvesting, februari 1978sledebouwkundige en historisch milieustructuur is daarbij niet bindend voor-geschreven.Wei past deze in de regel goed in denu nog bestaande structuur en sluitzij er veelal zeer goed bij aan. Het zoudaarom best kunnen zijn dat het oor-spronkelijke gegeven een goede oplos-sing biedt. Past het huidige program-ma van eisen echter absoluut niet inhet oorspronkehjke gegeven dan kanoverwogen worden de structuur teveranderen.Bij de beschouwing van een verande-ring in de structuur kan echter ook devraag gesteld worden of het nodig isde structuur te wijzigen bij de aanpakvan zeker stadsgedeelte. Het kannoodzakehjk zijn technisch slechte ele-menten te vervangen maar is daarmeegezegd dat de oorspronkehjke struc-tuur "slecht" is? Ik zou hierbij zelfszover willen gaan door te poneren dathet niet aangaat een structuur te ver-anderen en dat de stad niet gebaat isbij een aanpassing van haar structuuraan ontwerpovertuigingen van welketijd ook.Nieuwe, zeer fraaie of functioned ver-antwoorde structuren kunnen beterdaar gerealiseerd worden waar het nietten koste van een andere structuurgaat. Deze misschien enigszins over-trokken stellingname komt voort uitde overtuiging dat de fundies aangepastdienen te worden aan de mogelijkheden vande stad (of structuur) en niet dat de stad(structuur) moet worden aangepast aande functies.Dit laatste wijst de stedebouwkundigede weg wanneer inderdaad toch eenaanpassing moet plaatsvinden. De rea-liteit gebiedt te stellen dat dit in eenmerendeel van de op te lossen proble-men in oude kernen het geval is.Bij het zoeken van de vorm van deverandering moet dus niet de nieuwefunctie als zodanig als uitgangspuntworden gekozen maar dient een com-promis-oplossing uit de bus te komen:de gewenste functie wordt z6 vertaalddat inpassing mogehjk is en de nieuwestructuur wordt zoveel mogehjk geentop de wezenhjke bestanddelen van deoorspronkehjke structuur.Ter illustratie hiervan enige suggestiesin welke richting dergelijke compro-missen kunnen worden gezocht.? Bij het ontwikkelen van een nieuwebouwvorm en vooral woonvorm in deoude kern zou uitgegaan moeten wor-den van een strooksgewijze bebou-wing aan naar verhouding smalle stra-ten. Zo dit woontechnische bezwarenmeebrengt dan ligt een orientatie vanhet wonen op het binnenterrein voorde hand.? Het gesloten houden van bouw-blokken is eveneens zeer gewenst enmet enige goede wil zeer goed moge-Door het verschil in ruimtelijke mo-gelijkheden binnen een gesloten bouw-blok hgt een welkome differentiatievan vormen voor de hand.? Nieuwe gebouwen in de binnenstadzouden in toepassing van bouwmetho-den of stramienmaat duidelijk geentmoeten zijn op de overheersende maaten schaal in de oude kern. Dit moetperse niet leiden tot zg. "historische"bouw, die te vaak het predicaat kitschniet kan ontlopen. Veeleer is "mo-derne" bouw gewenst echter wel meteen beperking in maat en schaal vanhedendaagse bouwmogelijkheden.Als basis voor de maatvoering zou debestaande parcellering kunnen wordengekozen.? In onze (oorspronkehjke) binnen-steden is de densiteit van bebouwingveelal zeer hoog in vergelijking methet buitenland.Stedelijke pleinen zoals de Markt inDelft behoren tot de uitzonderingenin een beeld waar de openbare ruimteover het algemeen zeer beperkt is.Uit oogpunt van nieuwe eisen te stellenaan de stedelijke structuur is een ver-groting van de openbare ruimte tenbehoeve van bijvoorbeeld parkeer-plaatsen gewenst. Bij het maken vanpleinen of misschien bredere straat-profielen is het noodzakehjk de maatvan dergelijke elementen in de gatente houden en is het bovenal gewenstdirekt de ruimten, geent op het histo-rische gegeven in te richten.Derhalve aandacht voor fijnschaligematerialen en vooral stedelijke be-plantingen.Het instrumentariumHet resultaat van activiteiten van destedebouwkundige in een binnenste-delijk gebied zou in een zo breed mo-gehjk kader moeten worden geplaatst.In een "beheersplan" zouden daarbijde volgende aspecten moeten wordenondergebracht:-- De structuurvisieDit is de globale afweging van wensenen mogelijkheden van het gebied.-- Het bestemmingsplanDit detailleert de gedachten neerge-legd in de structuurvisie. Dit plan isbindend voor burger en overheid endient de rechtszekerheid centraal testellen. Vanwege dit bijzondere karak-ter is het bestemmingsplan wel hetbelangrijkste onderdeel van een be-Hedendaags bouwen met begrip van een bestaandemaat en schaal. Harlingen.66 Sledebouw en Volkshmsvesting, Jebruari 1978heersplan. Elders in dit nummer is eenartikel ondergebracht waarin naderwordt ingegaan op de mogelijkhedenen onmogelijkheden van een dergelijkplan. (Bosscher, Smook, Later: "Hetbestemmingsplan voor een oudekern") -- Het stadsvernieuwingsplan.-- Het stadsvernieuwingsplan.Hierin het accent op de concrete actie.Een financiele doorrekening van de inhet bestemmingsplan beoogde doel-einden staat centraal. Tevens wordenorganisatorische aspecten betreffendede uitvoering van het beheersplan be-nadrukt.Beheer en uitvoeringDe hierboven genoemde plannen zijnvooralsnog slechts papieren ideeenwaarin een strategie van aanpak vande binnenstad is ontvouwd. Met deplannen in de hand moat concreetmet het werk gestart worden. Een planis en blijlt slechts een weergave vanhet werkelijke proces, waardoor, hoezorgvuldig het plan ook is voorbe-reid, een constante toetsing van planen werkelijkheid gewenst is.Het welslagen van het beheer schuiltdaarom in de begeleiding. Het is der-halve wenselijk ter uitvoering van hetbeheersplan een beheers- of bege-leidingscommissie in het leven te roe-pen. In deze commissie moeten alledisciplines en belangenvertegenwoor-digingen die ook hun aandeel haddenin de totstandkoming van het planvertegenwoordigd kunnen zijn. Omdatdit zou leiden tot een zeer grote com-missie, is het model van een romp-samenstelling met voor specifiek over-leg ad-hoc-leden in de praktijk hetbeste uitvoerbaar. In de rompsamen-stelling zou de commissie in ieder ge-val moeten omvatten een vertegen-woordiger van het beleid, een van detechnische dienst, iemand van de se-cretarie (toetsing bestemmingsplan-nen, behandeling bouwaanvragen) ende stedebouwkundige als ontwerpervan het beheersplan. Een werkgroepll4'|Verantwoorde inrichting van de woonomgeving werkte in Harlingen aan de Zoutsloot een versneld rehabilitatie-proces in de hand.uit deze commissie (alle genoemdeleden zonder de beleidsvertegenwoor-diger) zou de overlegkanalen metWelstandstoezicht, Provinciale en Cen-trale Direktie Volkshuisvesting, an-dere provinciale overleginstanties ende Rijksdienst voor de Monumenten-zorg moeten open houden.Tevens coordineert zij het overleg metde ad-hoc leden te weten: vertegen-woordigers van verschillende gemeen-telijke diensten, belangenverenigingenwaaronder bijvoorbeeld middenstan-ders, insprekers en particulieren.Het spreekt vanzelf dat dit geschetstemodel slechts een van de denkbarevormen is. Welke construcde ookwordt gekozen, de volgende puntenzijn belangrijk;? De commissie moet zo klein moge-lijk zijn (dus een beperkt aantal vasteleden met ad-hoc leden).? De werkgroep uit de commissiedient over, door het beleid gedekte,mandaten te beschikken.? Een verwevenheid van planvormen-de met planbeoordelende disciplinesmoet vermeden worden. Een en andersluit geen informeel overleg met Rijks-dienst of Provinciale Direktie uit, eenvaste vertegenwoordiging lijkt echterminder gewenst.De foto's bij dit artikel zijn van RudgerA. F. Smook. :,IMoten1(Stedelijke) Structuur: Ruimtelijke vorm van denederzetting bepaald door elementen als deplaatsing van gebouwen, de schakeling vangebouwen tot straatwanden, het stratenpatroonen het beloop van grachten, wallen, e.d.2Robert Venturi e.a.: "Learning from LasVegas" 1972 M.LT. Press3Identiteit: Bepaalde herkenbaarheid als gevolgvan de specifieke kenmerken van een stedelijkmilieu.4Kadastralc Minuut: Eerste kadastrale metingin de periode 1811-1832.5Een goed beeld van de Amsterdamse situariegeeft Egbert Ottens: "Ik moet naar een klei-nere woning omzien, want mijn gezin wordtte groot." 125 jaar sociale woningbouw inAmsterdam. 1975 Gemeentelijke Dienst Volks-huisvesting.67 Stedebouw en Volkshuhvesting, februari 1978Een twijfelachtige keuze?Beschermde monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichtenMP. van Dun" en F. W. van Voorden''InleidingIn Nederland heeft de Monumenten-wet van 1961 de begrippen "be-schermd monument" en "beschermdestads- en dorpsgezichten" geintrodu-ceerd.Bij een beschermd monument (archi-tectonisch object) voorziet de monu-mentenwet in een directe bescherming,hetgeen met name doelt op een veilig-stelling van onvervangbare historischeen architectonische waarden.Beschermde stads- en dorpsgezichten(stedebouwkundige monumenten)worden ingevolge de monumentenwetaangewezen, maar niet rechtstreeks be-schermd. Een stads- en dorpsgezichtbestaat veelal uit een combinatie van,-- cultuur-historisch gezien --, onver-vangbare waarden, zoals beschermdemonumenten, monumenten^) enopenbare ruimten, en eventueel ver-vangbare waarden, zoals parcellering,inrichting van de openbare ruimten enrooilijnen. Beschermende maatrege-len voor de totaliteit worden getrof-fen ingevolge de Wet op de Ruimtelij-ke Ordening, door middel van het be-stemmingsplan.De wettelijke regelingen kunnen even-wel in de toepassing aanleiding geventot een kwalitatief "mukiple choice"systeem, als door middel van het tech-nische instrumentarium de waarde-omschrijving wordt vastgelegd en debeschermenswaardigheid van situatieswordt bezien.Hoofdstuk 1 Utrecht, Herenstraat -- NieuweGracht: Een historisch waardevol* Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist.*?Del/shaven, (gem. Rotterdam), het Zakkendragershuisje. Een beschermd monument in een beschermd stadsge-zicht, 1968 (foto G.J. Dukker).stadsbeeld. Een moment-opname dierecht doet aan de historische vormge-ving, die maar gedeeltelijk recht doetaan het wezen van dit stukje stad. Water op straat en in de huizen beweegtis niet te zien. Elke ponging om de wer-kelijkheid volledig vast te leggen istevergeefs, hoe uiteenlopend de ge-hanteerde middelen ook zijn: Afbeel-dingen, beschrijvingen, een opsom-ming van administratieve gegevens, --het zegt allemaal lets, nooit genoeg. Zoblijft het de moeite waard er zelf eenste gaan kijken.Monumentenzorgers, -- gemakshalvegebruiken we deze verzamelnaam vooral die personen, die op een of anderemanier bezorgd zijn over ons monu-mentale gebouwenbestand en daar welof niet beroepshalve uiting aan ge-ven --, kortom: Monumentenzorgers,die wat minder stil staan bij alle vluch-tige veranderingen waaraan het stads-beeld onderhevig is, hebben tenminsteeen houvast als het gaat om het vast-leggen van hun werkelijkheid: De re-gisters van de Monumentenwet. Hetregister van beschermde monumentenbeschrijft het huis Nieuwe Gracht 29als volgt: "Huis uit de 18e eeuw metrechte kroonlijst. Op de hoek van deHamburgerstraat." De Toelichting^)bij het beschermde stadsgezichtUtrecht vermeldt voor dit stadsgedeel-te o.a.: "Gelegen in gesloten gevel-wanden is deze bebouwing (d.i. be-bouwing in zone A) ondanks afwisse-68 Sledebouw en Volkshuisvesting, februari 1978ling in stijl, karakter, afmedngen entijd van ontstaan, door schaal, ritme(verticale gevelindeling) en materiaal-gebruik (baksteen en pleisterwerk) vaneen homogeen karakter, gezien vanuitde totaliteit van de historisch-stede-bouwkundige structuur. De hoogtevan de bebouwing bedraagt doorgaanstwee of drie bouwlagen met kap, debreedte van de percelen kan varierenvan 6-7 meter (noordelijk gedeelte vande Oude Gracht) tot 15-20 meter(Drift -- Nieuwe Gracht)."Hiermee is de verschijningsvorm, zo-wel van de architectonische onderde-len als van het grotere geheel al aar-dig gevangen.Beschrijving en waardering staan nietop zichzelf Het gebeurt omdat "desamenleving" het zinvol vindt de ge-vonden waarden te beschermen. Daar-om een Monumentenwet, die behalvede definitie, selectie en registratie te-vens de beschermingsmethode aan-geeft. In veel steden en dorpen, enin beginsel in alle stads- en dorpsge-zichten, vullen de monumenten en hetstads- en dorpsbeeld elkaar in cukuur-Plattegrond Utrecht.^DTOHerenstraat Utrecht(Joto F. J. Lem).historische zin aan. Ze zijn elkaarscomplement. De samenstellende delenontlenen voor een deel hun betekenisaan de waarde van het geheel. In diegevallen is het zinvol de onderschei-den beschermingsmethoden z6 op el-kaar af te stemmqn dat daarmee eenintegrale bescherming wordt bena-derd. Helaas zijn er tal van voorbeel-den te noemen, waarbij geen comple-mentaire bescherming is toegepast. Zijvormen het beste bewijs dat een goe-de onderlinge afstemming noodzake-lijk is. In het Utrechtse voorbeeld is erwel degelijk sprake van een goede on-derlinge afstemming. We zullen eensnagaan wat het oogmerk van de be-scherming is en hoe deze kan wordenuitgewerkt.Het monument Nieuwe Gracht 29 iswettelijk beschermd. Als gevolg daar-van mogen wijzigingen pas wordenaangebracht nadat de minister vanC.R.M. hiertoe vergunning heeft ge-geven. Met dit vergunningenstelselwordt de historic gekoesterd.Zolang het gebruik of de constructievetoestand er geen aanleiding toe geeft,komt de beschermde waarde niet ingevaar.Als er wel gevaar dreigt, hangt hetvan veel factoren, -- waaronder finan-ciele --, af of de waarde geheel danwel gedeeltelijk in tact blijft. Het huismet gepleisterde onderbouw, kroon-lijst, vensterindeling en dakkapel isgefixeerd:69 Stedebouw en Volkshmsvesting, februari 1978H
Reacties