7/8stedebouw & volkshuisvestingIn dit nummerDenkraamMilieuwaardering en -karxeringKommentpar op nadere standpunt-bepaling inzake de stadsvernieuwingVolkshuisvesting als verdelings-probleemWaardering van de woningExamen D.P.O. 1977Nieuwe boekenMededelingensamsom jull/augustus 1978Kent u die van die aannemerdie dacht dat hijniet sentimenteel was?Die aannemer mocht op eengegeven moment zelf weten, wat hij zoulaten komen aan ramen en deuren.Nou, die man dacht niet lang enbestelde wat hij altijd bestelde.Hetzelfde wat hij al tientallen jarengebruikte, hetzelfde wat altijd wel goedvoldeed en hetzelfde waar nooit meerdan de normale klachten op kwamen.Niet dat hij er vaak bij stil stond, maarhij vond het nog wel mooi ook.Hij merkte het verlies aanmanuren en bouwtijd niet op, omdathij ook daar aan gewend was.Hij sputterde wel wat tegen de kostenvan uitbesteding, maar gaf daar-van gewoontegetrouw de schuld aande regering en de vakbonden.Om alles in eigen hand te houden hadhij ook te weinig echte vaklieden.Die aannemer had aan hetzelfdeprojekt best wat meer kunnen over-houden zonder iemand het vel over deoren te halen.De architect had wat tevredener kunnenzijn en de eigenaar wat optimistischerover de toekomst; met name wat z'nonderhoudskosten betreft.Maar kun je iemand die gewoonte-getrouw en met wat sentiment werkt,verwijten dat hij nooit aanALUMINIUM heeft gedacht?Intal aluminium ramen endeuren: de nuchterheid zelve.? Intal is goedkoop: ramen en deurenvan aluminium kosten doorgaans 20%minder dan welk alternatief ook.? Intal werkt goedkoop: Intal ramenen deuren komen kompleet enafgewerkt op de bouw.Geen wachttijd, geen droogtijd envoor het inzetten zijn ook geen durevaklieden nodig.? Intal bouwt rationeel: er zijn 132standaardmaten leverbaar.Daarnaast kunnen de standaard-konstrukties in elke gewenste maatworden gefabriceerd, mits het omaantallen van gelijke afmeting gaat.? Intal geeft het beste resultaat:aluminium is mooi en Intal aluminiumblijft (ook zonder onderhoud) mooi.Want het is afdoende geanodiseerd.Bovendien werkt, trekt en vergaataluminium niet.WATERDICHTHEID: NEN 3660LUCHTDOORLATENDHEID: NEN 3661DOORBUIGING EN STERKTE; NEN 3850NEN 2608VENTILATIE: NEN 1087DIKTE ANODISEERLAAG'(20 micron) EWAA KEURTNO RAPPORT BESCHIKBAARALUMINIUM RAMEN EN DEURENIntal.Voordellg duurt't langst.ALUMINIUM RAMEN EN DEURENIntal B.V., Postbus 31, Geldermalsen, Tel. 03455 - 29 41Amsterdam vraagtVoor de DIENST DER PUBLIEKE WERKEN bij de afdeling Stadsontwikkeling (StedebouwkundigeBeheerszaken, districten zuid/oost en west/havens) enige(hoofd)architecten m/v vacaturenummer 51316 TAAK zelfstandig werkenaan het stedebouwkundig be-heer van de stad in de distric-ten; verrichten van buurtge-richt onderzoek van de stad;maken van studies en evalua-ties voor het district; opstellenvan stedebouwkundige be-heerplannen; vdorbereidenvan voorstellen aan het ge-meentebestuur met betrekkingtot de te treffen stedebouw-kundige beheermaatregelen;voorbereiden en begeleidenvan de uitvoering van stede-bouwkundige maatregelen;voeren van overleg met de be-volking en met instanties;deelnemen aan enkele pro-jectgroepen stadsvernieuwing(o.a. Oosterparkbuurt enStaatsliedenbuurt).Bij district noord een(hoofd)architect vacaturenummer 51416 TAAK zelfstandig werkenaan het stedebouwkundig be-heer in het district AmsterdamNoord, met inbegrip van hetlandelijk gebied (Waterland);buurtgericht onderzoek; voor-stellen doen tot en het vormgeven aan ruimtelijke maatre-gelen tot verbetering van hetstedelijk en landelijk gebied;voorbereiden van voorstellenaan het gemeentebestuur metbetrekking tot de te treffen ste-debouwkundige beheermaat-regelen; maken van studies enevaluaties van het district;voorbereiden en begeleidenvan de uitvoering van stede-bouwkundige maatregelen;begeleiden van initiatievenmet stedebouwkundige con-sequentiesvan derden; voerenvan overleg met de bevolkingen met instanties. VEREISTEN VOOR VACA-TURENUMMER 51316 EN51416 TH of gelijkwaardigeopieiding met stedebouwkun-dige belangstelling.Ervaring in soortgelijke werk-zaamheden en vormgevendeervaring strekken tot aan beve-ling. SALARIS VOOR BEIDEFUNCTIES afhankelijk vanleeftijd en ervaring, maximaal/ 5829,- bruto per maand. INLICHTINGEN VOOR VA-CATURENUMMER 51416 ir. J.J. van Leeuwen, telefoon (020)596.4538. INLICHTINGEN VOOR VA-CATURENUMMER 51316 Ir.K. F. Zaunbrecher en drs. W.Nieuwenhuis, telefoon (020)respectievelijk 596.1320 en596.4572.Vakantieultkering 8 procent,de rechtspositieregeling vande gemeente Amsterdam isvan toepassing.Een psychologisch onderzoekzai deel uitmaken van de selec-tieprocedure.Schrlftelijke sollicitaties bin-nen 14 dagen te richten aan deAfdeling Personeelszaken,Oudezijds Voorburgwal 274,1012 GL Amsterdam, ondervermelding van het genoemdevacaturenummer. gemeente amsterdamGEMEENTEAMSTELVEENOp de afdeling STEDEBOUW van de DIENST GEMEENTE-WERKEN wordt wegens uitbreiding van de werkzaamhedenuitgezien naar:A.eenstedebouwkundigontwerpervacaturenummer GeWe-188-1Tot de taak van deze functionaris behoort onder meer:-- het in teamverband vervaardigen van bestem-mingsplannen.De gedachten gaan uit naar een functionaris metHTS- of S.H.O.-opleiding, die tevens beschikt overeen ruime ontwerpervaring.Het salaris is nader overeen te komen, afhankelijkvan opieiding, bekwaamheid en ervaring tot/ 3.820,-- per maand.Een uitloop tot / 4.275-- is bij een goede dienstver-vulling mogelijk.B.tweestedebouwkundigetekenaarsvacaturenummer GeWe-189-1Deze medewerkers zullen worden belast met:-- Iiet verrichten van voorkomende stedebouwkun-dige werkzaamheden, in het bijzonder het uitwer-ken van revisieplannen.Voor deze functle wordt het diploma stedebouwkun-dig tekenaar noodzakelijk geacht, aangevuid metenige ervaring op het gebied van stedebouwkundigtekenwerk.Het bezit van het M.T.S.-diploma strekt tot aanbeve-ling.Salaris is nader overeen te komen, afhankelijk vanopieiding, bekwaamheid en ervaring tot een maxi-mum van / 2.628,-- bruto per maand.De gebruikelijke gemeentelijke rechtspositieregelingen zijnvan toepassing. ,,Nadere informaties kunnen worden Ingewonnen bij hethoofd van de afdeling Stedebouw, de heer G. van Schevi-cbven, tel. 020-415451, toestel 20.Sollicitaties kunnen worden gericht aan het hoofd van deafdeling Organisatie en Personeelszaken, Raadhuis, Post-bus 4, 1180 BA Amstelveen, onder vermelding van hetbetreffende vacaturenummer in de linkerbovenhoek vande brief en de enveloppe.gemeenteH E LMON DOp de hoofdafdeling Ruimtelijke Ordening van de dienst Pu-blieke Werken te Helmond kan worden geplaatst:een assistent-ontwerper/sterTaak:-- alia werkzaamheden van organisatorische, administratieve enhuishoudelijke aard binnen de ontwerpgroep Centrum;-- het voorbereiden en voorbewerken van uit te brengen adviezen,besprekingen, Informatie-avonden;-- het voorbereiden en uitwerken van kleine stedebouwkundigeplannen.Vereist:-- H.T.S.-opleiding;-- applicatie cursus stedebouwkundige techniek, dan wei studerendhiervoor;-- goede schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid;-- zelfstandigheid bij het organiseren eigen werk.Salariering afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring tot maxi-maal / 2.901,-- bruto per maand (exclusief 8% vakantietoelage).De gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toepassing.Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selectie-procedure.Sollicitaties onder nr. 634 binnen 10 dagen te zenden aan hethoofd van de hoofdafdeling Personeel en Organisatie, stadhuisHelmond.GEMEENTE DIEMENBij de hoofdafdeling bouwkunde van de dienst ge-meentewerlfen kan worden geplaatst eeneerste medewerkerafdeling stedebouwdie in het bezit is van een H.T.S.-diploma en een op hetvakgebied gerichte aanvullende cursus heeft gevolgd.Ervaring is vereist.Taait:-- stedebouwkundig teken- en onderzoekwerk;-- begeleiding bij de totstandkoming van bestemmings-plannen e.d.;-- deelname in diverse overlegorganen.Geboden wordt een salaris tot maximaal / 3.597,-- brutoper maand.De gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toepas-sing.Voor het verkrijgen van woonruimte zai alle medewerkingworden verleend.Sollicitaties, gericht aan burgemeester en wethouders, wor-den gaarne zo spoedig mogelijk tegemoetgezien op de afde-ling Personeelszaken, gemeentehuis, postbus 191, Diemen.GEMEEIMTE TILBURGWegens pensionering van de tegenwoordige funktionaris komt per 1 augustus 1979ter SEKRETARIE de funktie vakant vanHoofd van de afdelingonderzoek en statistiekOnder deze afdeling vallen drie bureaus, t.w.:-- Bureau Onderzoek. Aan dit bureau is opgedragen liet verriciiten van onder-zoek op sociaal-wetensctiappeiijk (demografiscli, pianologiscli, socioiogiscli,sociaai-economiscii en sociaal kultureel) gebied ten dienste van liet gemeente-lijk beleid. Het aantal medewerkers (onderzoekers) bedraagt 8.-- Bureau Statistiek is belast met de ver^ameiing en bewerking van statistischegegevens op velerlei terrein en met de statistische informatieverwerking.Het bureau lieeft het beheer van de geautomatiseerde pandenkartotheek enhet gemeentelijke (mogelijk tot stadsgewestelijk uit te bouwen) bedrijvenregister.Aan het bureau zljn 10 medewerkers verbonden.-- Bureau Geintegreerde Beleidsvoorbereiding heeft als taak de planning enkoordinatie van de geintegreerde beleidsvoorbereiding (integrale beleidsplanning).Aan dit bureau zijn 3 medewerkers verbonden.Voor de funktie wordt vereist:-- voltooide unlversitaire studie in een der op de taak van de afdeling gerichtesociale wetenschappen of daarmee gelijk te stellen opieiding;-- ruime ervaring in een vergelijkbare funktie;-- goede kontaktuele eigenschappen;-- het vermogen om op eigentijdse wijze leiding aan de afdeling te geven.Bij de selektie zullen medewerkers van de afdeling betrokken worden. Nadereinformatie met betrekking tot deze funktie kan worden ingewonnen bij de ge-meentesekretaris (013-328911).Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selektieprocedure.Salaris, afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring, maximaal / 6.397,-- brutoper maand.8% Vakantietoelage.IZA-ziektekostenverzekering.Sollicitaties, met vermelding van S 25, binnen 10 dagen te zenden aan dedirekteur van de dienst Personeelszaken en Organisatie, Stadhuisplein 130,5038 TC Tilburg.j.v.ketelsl ..ern,o.?azuur^-^*"^*^""warmerslradiatorenWlEPPELteiefoon 05220 5042161Ibureau voorarchitektuur enstedebouwmargry b.v.delpratsingel 24-25 bredatel. 076-143650-143651Bij ons buro, dat op het terrein van de Ruimtelijke Ordeningvoor verschillende gemeenten werkzaam is, kan worden ge-plaatst:A. een ervarenstedebouwkundigontwerpermet als taak het vormgevend ontwerpen van struk-tuur- en bestemmingsplannen voor middelgrote enkleine woonkernen en het maken van plannen voor dedirekte woonomgeving bij de uitwerking van plannen,alsmede het begeleiden van de juridische uitwerking.Vereist: een ruime praktijkervaring en een vermogenontwerpen op een sprekende wijze te visualiseren eneen gerichte belangstelling voor de problemen van dedirekte woonomgeving.Het schriftelijk kunnen begeleiden van plannen wordtop prijs gesteld.B. een ervarenstedebouwkundigtekenaardie zich vooral zai bezighouden met alle tekenwerk-zaamheden van bestemmingsplannen Buitengebied,als lid van een werkteam, zoals zelfstandig verwer-ken van inventarisatlegegevens, het vervaardigen vantoelichtende kaarten en de juridische uitwerking vande plankaart.Vereist: diploma stedebouwkundig tekenaar, ruimeervaring en opgave van referenties.Salaris is afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring.Inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij de heer ir.N. H. IVI. Gerritsma b.i. Tel. 076-143650.Belangstellenden worden verzocht hun schriftelijke sollici-taties zo spoedig mogelijk na het verschijnen van deze ad-vertentie te zenden aan bovengenoemd buro.ministerie van landbouw en visserijstaatsbosbeheerTer Centrals Directie te Utrecht bij de InspectieLandschapsbouw kan worden geplaatst een:hoofd van de afdelinglandschapsarchitectuur (m/v)De afdeling Landschapsarchitectuur bestaat uitongeveer 10 medewerkers en heeft tot taak bijte dragen tot de landschapsplanning en -vorm-geving, zowel ten behoeve van het Staatsbos-beheer als van andere instanties.Het Hoofd zaI worden belast met de leiding vande afdeling. Daarbij behoort tot zijn/haar taakin het bijzonder het verzorgen van contacten,zowel intern bij het Staatsbosbeheer als externmet andere diensten, instellingen en personen.Taakomschrijving:? bevorderen van de ontwikkeling van de land-schapsarchitectuur binnen en vanuit hetStaatsbosbeheer.? formuleren van uitgangspunten voor de land-schapsbouw? formuleren van onderzoeksvragen? geven van beleidsadviezen ten behoeve vande inspectie Landschapsbouw.De voorkeur gaat uit naar iemand met leiding-gevende kwaliteiten, die over ruime kennis enervaring beschikt op het terrein van de land-schapsarchitectuur, met name wat betreft hetontwikkelen van ideeen en plannen t.a.v. be-stemming, inrichting en beheer van het lande-lijk gebied.Een academische opieiding en mondelinge enschriftelijke uitdrukkingsvaardigheid zijn vereist.Salaris afhankelijk van leeftijd, opieiding en er-varing maximaal / 5.828,-- bruto per maand.Vakantie-toelage: 8%.Voorts zijn de gebruikelijke rechtspositieregelin-gen van toepassing.Nadere inlichtingen over de inhoud van de functie zijn ver-krijgbaar bij het waarnemend hoofd van de afdeling Land-schapsarchitectuur (ir. B. C. Kijistra: telefoon: 030-852575).Kandidaten worden uitgenodigd hun schriftelijke sollicitatie -- bin-nen 10 dagen na verschijning van dit blad -- te richten aan hetHoofd van de afdeling Personeelszaken en Vorming & Opiei-ding, Postbus 20020 te Utrecht.Orgaan van hetNederlands Instiluut voorRuimtelijke Ordening en VotkshuisvestingUitgave van Samsom UitgeverijAlphen aan den Rijn'>9'jaargang, nr. 7/8maandblad, juli/augustus 1978IsJRedactieAdres voor Redactie en AbonnementenIr. R.M.Th. AdriaansensDrs. HJ.M. van AlphenDrs. H. van der CammenMr. J.H. EngelDrs. A. EvertsIr. G. J. KlerksDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingVan Speyhstraat 25, 2518 EV Den HaagTelefoon 070-469652". Postgironummer 29080Advertenties: opdrachten en materiaal worden voor Bureau Van Vliet b.v.,de lie van de maand, voorafgaande aan de maand Postbus 20, 2040 AA Zandvoortvan verschijnmg ingewacht bij: Telefoon 02507-4745"InhoudDenkraamArtikelenNieuwe boekenKrumek en kommentaar346 Wonen, een wijze van zijn, mr. C. M. van den Hoff347 Omtrent milieuwaardering en -kartering en de deontologie van de planoloog, W. Tips enH. Gysels351 Kommentaar op nadere standpuntbepaling inzake de stadsvernieuwing, ir. D. H. Frieling360 Volksliuisvesting als verdelingsprobleem, deel 2: Invloed van de overheid, prof. dr. ir. H. Priemus372 De waardering van de woning, prof. mr. A. Kleijn381 Examen voor het diploma planologisch onderzoek 1977385 Robert Fishman: Urban Utopias in the Twentieth century, W. Wissing386 Marc Benoun en Michel Biroules: La distribution, une nouvelle Industrie, ir. S. D. J. Bottema387 Parkeersymposium op 27 September 1978 in de Jaarbeurs Congreszaal te Utrecht; CursusAlgemene Planologie; S.P.J.-excursie Valkenswaard; Studiedag "Van intensieve naar extensieverekreatie.^"Losse nummers f 9,25345 Sledebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978DenkraamWonen, een xvijze van zijn .Het laatste boek van Erich Fromm -- in Nederlandse vertalingis het nog niet verschenen -- heeft de aan duidelijkheid nietste gissen overlatende titel "To have or to be?"; hebben ofzijn!Fromm roept daarin de mensen uit de vvresterse cultuur op zich"te bekeren ' van het jagen naar meer en meer. Het pad van het"stapel op, stapel op' te verlaten en te zoeken naar het vi^ezen-lijke van het taestaan, het zijn. Duidehjk zal zijn, dat bij datteruggaan naar het meest eigene van jezelf het wonen wel eenheel bijzondere functie heeft.Dat thema heb ik in mijn vorig denkraam "Vluchten kan nietmeer . . ." al aangesneden. Het kan geen kwaad daar in de schaduwvan de profetenmantel van Fromm nog eens bij stil te staan.Hoe kan dit: "Bekeert u" voor het wonen worden verstaan.'Wanneer wonen een wijze van zijn gaat worden dan houdt datvoor de Westeuropese mens, die zo zeer is opgevoed in het "voorzichzelf opkomen ', in dat hi] een beslissende stem krijgt overhet waar en het hoe hij zal wonen. Dan verandert mspraakbij nieuwbouw en vernieuwbouw in de heel wat minder vrijblij-vende medezeggenschap. Dat moet er toe kunnen leiden, dat mhet wonen de levenshouding van het passief consument zijnvan woondiensten, plaats gaat maken voor die van aktief meevorm en inhoud geven aan eigen huis en woonomgeving. MensenzuUen als de meeste andere levende soorten in de letterlijkezin ruimte moeten krijgen "het eigen nest" te bouwen!Er is een enkele aanwijzing dat deze ontwikkeling, zij het aarzelend,op gang komt. Niet in de eerste plaats heb ik hierbij het oogop de vooral sinds de Mei-revolude van '68 om zich been grijpendeinspraakmode. Wel op de toenemende behoefte van bewoners dewoning waarin zij wonen te gaan "opknappen". Met veel vin-dingrijkheid worden vaak oude woningen die soms zelfs al op dekrottenlijst hebben gestaan door de bewoners omgetoverd* totkleine paleisjes (my house is my castle) waarin zij zichzelf terugkunnen vinden, omdat het "een werk van eigen handen" is gewor-den. Polidci, die een fijne neus plegen te hebben voor wat er leeft,hebben dit opgepakt en "de bevordering van het eigen woning-bezit" tot hoogste wijsheid verheven. Zo zelfs dat grote aan-drang ontstaat om ook het sociale woningbezit van de corporatiesop grotere schaal dan thans gebeurt over te dragen aan de bewo-ners. Voor Staatssecretaris Brokx is deze politieke ontwikkelingdan weer aanleiding bij nadere regelingen voor de verkoop vansociale woningen te spelen met de gedachte in de overdrachtsomeen stukje marktprijs te verdisconteren.De bevorderaars van het eigen woningbezit hebben ongetwijfeldeen groot stuk gelijk aan hun zijde wanneer zij daarbij inspelenop behoefte van een steeds toenemend aantal bewoners de ruimtete krijgen de woning en haar omgeving naar "eigen beeld en gelij-kenis ' om te vormen tot een houvast, zekerheid en veiligheidbiedend identificatiekader. Zij hebben ook gelijk wanneer zijstellen, dat huren -- zelfs van sociale instellingen als woning-corporaties -- door de afhankelijkheidsrelatie die de huurover-eenkomst nu eenmaal met zich meebrengt een ernstig obstakelkan vormen voor een echte identificatie van de bewoner met zijnwoning. Het is toch nooit helemaal z'n eigen nest hoe groot zijnvrijheid als huurder ook mag zijn.Op zich is het verhaal van de bevordering van eigen woningbezitmaar een kant van de medaille. Het eigen wonen behoeft nietnoodzakelijkerwijs op zijn uit te lopen, het kan ook een vorm vanhebben worden.De te zwaar gefmancierde bungalow, villa of herenhuis, maar ookde eigen woning in de beschutte sfeer, die eigenlijk te duur is voorde koper, en de woningwetwoning tegen ongeveer marktprijs overte dragen en mogelijk ook te duur voor de inkomenscategorieen,die als kopers kunnen optreden, staan dan op een lijn met degefinancierde motorcruiser, auto en wat voor aantrekkelijke ge-bruiksgoederen er verder al niet zijn om "de dans met hetgouden kalf voor te wagen.Te zware financiele lasten dwingen de mens tot een felle competi-tie in de maatschappij gericht op ten minste behoud maar zomogelijk uitbreiding van inkomen. Er bestaat een filosofie die de-ze competitie, die dan zou werken als stimulans voor de verho-ging van het algemeen welzijn, positief waardeert.Het is niet mijn filosofie. Dat hangt samen met mijn persoon-lijke mensbeschouwing. Ik sluit daarbij aan bij A. de Froe diede menselijke situatie wel heel pregnant geformuleerd heeft toen hijop een jubileumbijeenkomst van het Nederlands Gesprek Centrumonze soort aanduidde als een "sociaal levend roofaier". Welnu,het zwaar gefinancierde huis als mode of statusobjekt zal nietonaanzienlijk het roofdier in ons kunnen stimuleren. Fair play,coUegialiteit, verdraagzaamheid tegenover collega's is bij te groteafhankelijkheid van de hoogte van het inkomensniveau veelalver te zoeken. En dan zwijg ik nog maar over het toenemendetekort aan werk in dit verband. Zou het toenemend aantal arbeids-conflicten in bedrijven en andere arbeidsorganisaties met de nood-zaak tot verscherpte concurrentie kunnen samenhangen.'In ieder geval wanneer wonen een financieel blok aan het beenwordt verkeert het van een wijze van zijn, zijn wezenlijkste functie,maar al te gemakkelijk in een jungle-achtig gevecht om hetbehoud van bezit. Sterker zelfs dan bij de gefinancierde anderegebruiksgoederen, omdat hier de verstoring van het veiligheid enbeschutting biedende "eigen nest" direkt dreigt!Is afremmen van eigen woningbezit uit angst voor deze nevenver-schijnselen het antwoord op de toenemende druk op particulierenen woningcorporaties om woningen aan de bewoners te verkopen ?In feite worden dan de bestaande structuren te hulp geroepenvoor een bedenkelijke zaak: het afdempen van een reele behoefteaan nieuwe relaties tussen bewoner en woning die het mogelijkmoeten maken beter dan in het bestaande huurarsenaal het gevalis, de woning en haar omgeving voor hem te laten uitgroeientot een echt identificatiekader. Er zal op de gesignaleerde behoefteniet ontwijkend doch creatief moeten worden ingespeeld. Dat isin de eerste plaats de taak voor de sociale woningvoorzieners, decorporaties. Zij toch zijn de instellingen, die wettelijk en statutairmaar een primaire doelstelling hebben, het wonen. Van hen magverwacht worden dat zij bij het inspelen op de zich ontwikkelendenieuwe woonbehoeften een voortrekkersrol zullen vervuUen. Indeze sociale sector zullen in de eerste plaats de instellingen -- engelukkig is in de kring van de bij het NCIV aangesloten woning-corporaties deze discussie al meer dan een jaar aan de gang -- ge-vonden moeten worden, die aangesproken moeten kunnen wordenop het aandragen van suggesties en gedachten voor nieuwe eigen-doms- en beheersverhoudingen waarbij het wonen niet tot een tezware last wordt maar er wel alle ruimte wordt gegeven echtte zijn in de eigen woning!mr. CM. van den Hoff346 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978Omtrent milieuwaardering en -kartering en dedeontologie van de planoloogW. Tips en H. Gysels"InleidingNaar aanleiding van een aantal kri-tieken m.b.t. milieuwaardering, gefor-muleerd door diverse auteurs (Meelis& Ter Keurs, 1976; Dekker, 1976; Vander Weijden, 1976; Brussaard, 1976;Kuyken, 1974; e.a.) en het weder-woord van anderen (Nijhoff et al.,1976), leek het ons nuttig de posidevan de planologisch medewerker be-last met opmaak en inbreng van hetekologisch facet in de planning, eensnader te bekijken. Een en ander werdreeds hier en daar, impliciet of expli-ciet en bij fragmenten aangehaald inde Nederlandse vakliteratuur (NijhofFet al., 1976; Zonneveld, 1976; Hessel,1976; RPD, 1977 e.a.). In de Belgischevakliteratuur, als men tenminste m.b.t.milieuwaardering deze term mag ge-bruiken, is ons echter niets bekend dater op wijst dat de faktor milieu ennatuur een volwaardige plaats krijgtin het planologisch proces dat maat-schappelijke ontwikkelingen begeleidt.Ter stimulering van de diskussie vat-ten wij hier onze visie samen. Deze isniet de defmitieve, zeker ook niet deenig goede of valabele. Dat kan trou-wens niet in een zo jonge wetenschapals de planologie. Uiteraard staan wijdan ook open voor elke nieuwe in-breng en verder meedenken.ProbleemstellingHet toenemend ruimtegebruik voormaatschappelijke ontwikkelingen, wel-ke echter niet overal onverdeeld gun-stig onthaald werden, heeft ontstaans-'' Instituut voor Dierkunde, R.U.G. -- HogerInsdtuut voor Stedebouw, Ruimtelijke Orde-ning en Ontwikkeling, R.U. Gent.recht gegeven aan aktiviteiten die menmilieukartering en -waardering is gaannoemen (Smittenberg, 1976). Voorzo-ver milieuwaardering dan ook een ak-tiviteit is die de ruimte kompartimen-teert en daardoor sociaal-ekonomi-sche keuzen inhoudt, moet zij door deganse gemeenschap gedragen worden(zie verder o.a. Tips, 1977). M.a.w. ineen (parlementaire) vertegenwoordi-gingsdemokratie zijn beleidsdragersverantwoordelijk voor hun politick ende gemaakte keuzen tegenover hunkiezers. Meer recente tendensen wij-zen er echter op dat vertegenwoordi-ging hier alleen niet meer volstaat. Metname de doelstellingen van de poli-tieke vertegenwoordigers zijn niet al-tijd die van de gemeenschap (Chad-wick, 1971). Dit niet het minst omdatbij deze vertegenwoordigers bepaaldekorte-termijn-objektieven op socio-ekonomisch vlak wel eens durvendoorwegen i.p.v. het lange-termijn-welzijn en de stabiliteit van de maat-schappij als ekologisch gefundeerd ge-heel. Dit is overigens een eigenschapdie inherent is aan de korte termijnwaarin men beleid kan voeren, alvo-rens men zich opnieuw expliciet moetverantwoorden in een verkiezingspro-gramma (Anselin, 1976; Chadwick,1971; Dimitriou, 1973). Als gevolgdaarvan zijn, als een soort tegenkop-pelingsmechanisme van het goedesoort, aktiegroepen, inspraakbewegin-gen, participatie . . . ontstaan. Natuur-bescherming is ook zo'n terugkoppe-lingsmechanisme (Van Leeuwen,1967), specifiek gericht op bescher-ming van de natuur tegen kortzichti-ge beslissingen (alleen op korte ter-mijn gunstige keuzen) van het beleid.Met Dimitriou (1973) zijn wij dan ookvan mening dat deze konflikten moe-ten opgelost worden in een arena openvoor de inbreng van elke burger.Het erkennen van het belang van na-tuur en milieu voor de stabiliteit vande maatschappij heeft ertoe geleid dathet ekologisch facet een volwaardigeplaats veroverd heeft (of ten dele nogzou moeten veroveren, zie Belgie) inhet beslissingsveld van de beleidsmen-sen. De zaken bleken echter al even,zo niet nog meer, gekompliceerd tezijn als het voor de andere facettenvan het beleid reeds het geval was.De planoloog was ook hier nodig omde zaken overzichtelijk te maken en debeleidsmensen in een positie te bren-gen die hen in staat moet stellen hunkeuze doelbewust en met overzien enbegrijpen van alle konsekwenties temaken. Dit sluit o.m. in dat zij tegen-over hun kiezers, die dan toch als vol-waardige meedenkende burgers moe-ten beschouwd worden, verantwoor-ding kunnen afleggen.Onderhand hebben ook anderen, diebehalve van hun kiesrecht ook van hunrecht op inspraak gebruik maken endie wij participanten zuUen noemen,recht op deelname aan de beleids-vorming. De planoloog heeft als taakook deze inbreng te begeleiden, zo-dat hij in de best mogelijke omstan-digheden in de keuzevorming inge-schakeld wordt. Dit alles kan voorals-nog op kunst- en vliegwerk lijken,gezien de nieuwheid van de vereisten,maar vooruitgang wordt hiermee weldegelijk geboekt (zie bv. Smith, 1973).347 stedebouw en Volkshuisvesting, juli/auguitus 1978milieuwaardering en -karteringDeontologie van de planoloogEr bestaat ons inziens geen betwistingover het technisch-wetenschappelijkkarakter van de taak van de plano-loog. Dimitriou (1973) zegt het zo:"The planners would take a repre-sentative role in meaningfully re-presenting the logic and methodologyof planning within the political are-na." Voorts is zijn taak: ". . . comple-menting the deductive logic of plan-ning, by representing political issuesand logic in the arena of planning it-self" De planoloog dient dan ookgeen (impliciete) keuzen te maken. Hijkan derhalve ook niet ter verantwoor-ding geroepen worden aangaande dekeuzen zelf Wei staat hij bloot aankritiek i.v.m. de aangewende tech-nieken, meer bepaald wat betreft dewaardevrijheid en de keuze t.o.v. derelevantie voor het gestelde probleemen ook i.v.m. de voortgang van hetbeslissingsproces.De waardevrijheid van technieken,vooral in jonge wetenschappen zoalsde planologie, is dikwijls niet zo van-zelfsprekend. Vooral inherente waar-deoordelen, die maatschappelijk zotraditioneel waren dat zij nauwelijks invraag gesteld werden, kunnen onbe-wuste keuzen van de planoloog in-houden. Als voorbeeld volstaat het dediskonteringsvoet in de kosten-baten-analyse te vernoemen, en zelfs hetbeleidsmodel zelf is niet waardevrij(Helliwell, 1975, 1977; Bouma &; Vander Ploeg, 1975). In deze gevallen lijkthet gunstiger verschillende techniekentegelijkertijd toe te passen of varian-ten in de berekening door te voeren.De weging zelf blijft dan de zaak vanhet beleid, na participatie uiteraard.De planoloog moet dus wel een over-zicht geven van de technieken en dekonsekwenties bij toepassing aange-ven.Milieuwaardering en -kartering endeontologieMilieuwaardering en -kartering zijnvan zeer recente datum en nog zekerniet ontdaan van allerlei subjektieveelementen, die zulke technieken in eenbeginfase kenmerken. Wij hoevenhierover zeker niet meer uit te weiden,gezien de hiervoor geciteerde auteursdit reeds uitvoerig hebben gedaan.Het gebruik van milieu-evaluaties inhet planologisch proces, voor bepaal-de beleidskeuzen, moet dan ook metde nodige omzichtigheid gehanteerdworden. Er moet vermeden wordendat onbewuste keuzen gemaakt wor-den door de opsteller van een milieu-evaluatie. Degene die het waarde-oordeel opmaakt is weliswaar de eko-logisch geschoolde planologisch me-dewerker, maar de wijze waarop hetgebeurt is een politieke keuze, even-als het waarom van de uitspraak.Deze keuze is onderhevig aan verant-woording t.o.v. de maatschappij: meerbepaald de toetsingspunten zijn nietdie van het individu, wel die van demaatschappij.Om een en ander te illustreren werdhet bijgevoegde schema opgesteld,waarover volgende opmerkingen, omnodeloze verwarring en diskussie uitte sluiten:1. Het schema gaat ervan uit dat deingreep, via een aan het schema ge-lijkwaardig beslissingsproces binneneen socio-ekonomische, technische enmaatschappelijke kontekst, waarin hetmilieu natuurlijk ook weer meespeelt,als onvermijdelijk aanvaard moet wor-den. M.a.w. het gaat over een kon-kreet lokalisatievraagstuk van een niette vermijden ingreep.2. Het schema geeft alleen hoofdlij-nen en is sterk vereenvoudigd omwil-le van de verstaanbaarheid. Zo bij-voorbeeld het gehele participatiepro-ces, dat op zichzelf een hele technisch-'wetenschappelijke kluif is voor eenplanoloog, is hier vereenvoudigd toteen eensluidende inbreng.3. Onder participanten verstaan wijdan ook elke niet demokratisch ver-kozen persoon met inbreng van argu-menten in het beleid, het zij als indi-vidu of als lid van een aktiegroep.De ekologisch-maatschappelijke waar-dering, die een zeer groot gewicht inde schaal legt (Tips, 1977), is de wijzevan kompartimenteren van de ruimtezoals de meerderheid ze wil zien ge-beuren. Bescherming van minderhe-den dringt zich evenwel op, bijvoor-beeld de minderheid die volstrekt on-gerepte natuurreservaten wil behou-den, teneinde ze alleen voor zuiverwetenschappelijk onderzoek te gebrui-ken.Tot zover de opmerkingen betreffendehet schema.Volgens Mc Loughlin (1969), en wijonderschrijven dit voor milieuwaar-dering, moet de beleidsdrager als in-leiding tot zijn keuzetaak een diep-gaande diskussie aangaan met het be-trokken planologenteam, in casu om-trent de funkties van de natuur.Dit omdat uit de huidige literatuurzeer duidelijk blijkt dat geen eensge-zindheid bestaat omtrent de funktiesvan de natuur als behoeftenbevredi-ger. Men konsultere bv. het literatuur-overzicht bij Bouma en Van der Ploeg(1975), het GEM (RPD, 1977), HelH-well (1973) en Zonneveld (1976). Dedoelstellingen dienen dus vooreerstduidelijk geformuleerd, ook t.a.v. denatuur. Voor een uitgebreide argu-mentatie aangaande doelstellingen-formulering raadplege men Buit(1977). Zo'n formulering van doelstel-lingen is uiteraard essentieel een poli-tick vraagstuk, dat wel voordeel kanhalen uit de planninglogika (Dimi-triou, 1973).Ook bewuste uitsluiting van funktieskan mogelijk zijn. Zo kan het beleidbv. bewust verkiezen een grotere be-lasting aan verplaatsingen van studen-ten te dragen i.p.v. bij ingrepen eenvoor edukatie regionaal belangrijknatuurgebied te sparen. De ontken-ning van het belang van de edukatie-ve funktie (zoals bv. gedefinieerd in hetGEM, RPD, 1977) is dan ook een po-348 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978^VERJEGENWOORDICEND BEIEID PLANOLOGEN TEAMlitieke keuze en kan natuurlijk door-gaan, maar dan mits verantwoording.De planologisch medewerker zelf kanniet bepalen dat evaluadekriteria, diede edukadeve funkdevervuUing na-gaan, zuUen gebruikt worden bij demilieuwaardering. Nochtans zou ditkunnen gebeuren wanneer een kant-en-klare milieuwaardering zou voor-gelegd worden aan het beleid.De planoloog of ekologisch gespecia-liseerde planologisch medewerkerheeft als taak alle informatie te ver-schaffen die leidt tot een bewustekeuze van de funkties door de beleids-mensen. Overigens geen gemakkelijketaak, aangezien uit recent onderzoek(Elkington en Roberts, 1977a) blijktdat de input van ekologen niet altijddie is, die door beslissers kan gehan-teerd worden bij hun keuzen. Eeneerste impakt-analyse, zoals zij uit het"ja dan neen kiezen" voor de ingreepnaar voren kwam, kan hier herhaaldworden, eventueel aangerijkt met li-teratuur en ervaringen uit analoge in-grepen. Ondertussen moet een waar-devrije inventaris opgemaakt worden,of bijgestuurd, indien deze er reedswas uit vroegere beslissingsprocedu-res. Participatie is hierbij mogelijk inzoverre dat de waardevrijheid ervangegarandeerd is (zie verder voor hetwaarom van participatie; Tips, 1977).De methodologische problematiekrond deze inventaris is komplex (zieZonneveld, 1976 e.a.); de besprekingervan valt buiten de kontekst van dezebijdrage. Maar het iiberhaupt mogelijkwaardevrij zijn van een klassifikatie ofinventaris is zelfs zeer in vraag te stel-len. Dit omdat klassifikatie het resul-taat is van een interaktie tussen de wer-kelijkheid (een abstrakt, niet om-schrijfbaar fenomeen) en diegene dieklasseert of wiens klassifikatietechniekgevolgd wordt (zie o.a. Whittaker,1962 en Maelzer, 1965). Het gebruikvan een waardevrije inventaris ver-mijdt dat de planologisch medewer-ker als ekoloog tussen twee stoelen-> [DISCUSSIE\KEUZE TAV BusruRiNc]] VERANTWOORDING{FOLLOW. UP INVENTARIS | > \EVALUATIE . CRITERIA\FOLLOW-UP EVALUATIE I ^VOORSTELLEN T AVBUSTURINGI PROJEC T FAZE X >AFRONDINQ EV&LUATIEIS)PAR7ICIPANTENVOL TOOIINQPLAN VAN A C TIE>[U>\ AFRONDINQ INVENTARIS1 MILIEU.EFFECT-RAPPORT i ^EVALUATIE . CRITERIAdELEIDSVOORNEMENS VOORDE TOFKOMST T A V DENATUURlTOEKOMSnG\\PLAN VAN\ACTIE /SCHEMA PLANVFRLOOP INBRENG EKOLOGISCH FACET IN EENLOCALISATIEVRAAG ^TUHvalt, nl. de praktijk versus de eko-logische theorie. De "pure" ekologenkunnen de planologisch werkzameekoloog geen oneerlijkheid verwijten,aangezien de pragmatiek, die nogsteeds nodig is om tot relevante keu-zen te komen, door de beslissers inge-bracht wordt (Elkington en Roberts,1977b). Deze werkwijze is echter alleenvalabel in een procesplanningskon-cept met een konstante feedback enbijsturing en waarbij een voortduren-de wisselwerking tussen beleid en pla-nologenteam plaats grijpt.Nadat een keuze en weging t.a.v. defunkties gebeurd is en de waardevrijeinventaris klaar is, kan de planoloogbeginnen met de voorstelling van eva-luatiekriteria om de gekozen funktie-vervulling in het plangebied na tegaan. De keuze van de kriteria is weereen politieke beslissing, aangezien dezekriteria niet objektief zijn of slechtsten dele zijn (zie o.a. Bouma en Vander Ploeg, 1975). De keuze dient even-eens grondig voorbereid te wordendoor de planoloog via volledige in-formatie en openbare diskussie. Ookhier kan de ekologisch geschooldeplanoloog helpen de kommunikatie-kloof te dempen op lange termijn.De waardevrije inventaris wordt dan349 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978milieuwaardering en -karteringgeladen met de kriteria, wat leidt totuitspraken over het al of niet geschiktzijn van het natuurlijk milieu. Dewaardering wordt via inbreng van deekologische theorie en de eigenschap-pen van de natuur, samen met de op-gestelde potentie ter diskussie gevoerd.Ook de evaluatie(s) van de partici-panten wordt (worden) daarbij betrok-ken.Dit leidt tot de keuze van de makro-lokalisatie. De door de "land-use"specialist opgestelde kompartimente-rings-alternatieven leiden, na inbrengvan normen en prioriteiten door hetbeleid, tot een konkrete mikro-loka-lisatie.De procesplanning vereist uiteraardeen follow-up van de inventaris. Dezewordt dan omgezet, via lading doorde politiek gekozen evaluatiekriteria,tot follow-up van de waardering. Het-zelfde geldt voor de evaluatie af-komstig van de participanten, natuur-lijk met hun waardeoordelen. De keu-ze t.a.v. eventuele bijsturing is uiter-aard eveneens een beleidskeuze, dienaargelang de toekomst initiaal al ofniet breed open gelaten werd, weinigof zwaar met randvoorwaarden zalbelast zijn.De voltooiing van een hoofdfaze (Planvan Aktie, Vermeersch, 1977) moetuitmonden in de afronding van de in-ventaris en, na lading met steeds de-zelfde kriteria, in het milieueffekt-rapport. Hiervan wordt de methodo-logische oppuntstelling nu wel drin-gend (zie COM-TNO, 1976).Een uiteindelijke diskussie van alle be-trokkenen resulteert in een eindrap-port. De beleidsmensen zouden erdaarbij maatschappelijk toe moetengedwongen worden een aantal beleids-voornemens t.a.v. de toekomstige be-slissingen te formuleren en te publi-ceren.Uiteindelijk is de verwevenheid vanplanning en politiek zeker niet toeval-lig. Als korte en kernachtige verant-woording laten wij Dimitriou (1973)aan het woord: "Planning derives itslegitimacy and its sustenance frompolitics", en verder: "it would be aserious misconstruction to think ofthem (planning en politiek) as twosemi-autonomous and self-justifyingactivities".Ook en vooral voor planning van hetekologisch facet geldt als konklusie:"It (planning) needs to be connectedwith powerful allies and cannot sur-vive in the splendid isolation of auto-nomous professionalism".De milieueffektrapportering ad hoc ende beleidsvoornemens zijn door dewijze van het totstandkomen in voileopenheid, een van de nodige wisselsop de toekomst van de natuur. Ten-slotte draagt dit er ook toe bij eenkontinue planning t.o.v. de natuur totstand te brengen en niet, zoals veelalnu het geval is, een aan beide eindjesvan een proces vastknopen van een in-breng waarvan men nu eenmaal ge-accepteerd heeft dat hij erbij hoort(zie eveneens Dimitriou, 1973).Zelfs binnen de geschetste aanpak, dieer dan toch naar streeft om daarwaar wetenschap ophoudt en subjek-tiviteit begint, de beleidsmensen (alsvertegenwoordigers van de maat-schappij) de verantwoordelijkheid telaten dragen van die subjektieve keu-ze, en niet de planoloog of ekoloog,zijn er nog talrijke vraagtekens. Hoefunkties en hun onderlinge wissel-werking omschrijven ? Hoe en metwelke kriteria een funktievervuUingevalueren? Hoe op verschillendeniveaus waardevrije inventarissen metverschillende informatieinhoud op-maken ? Hoe milieueffekten rapporte-ren.^ Dit zijn evenveel urgente vra-gen waarop zeker momenteel nog geenduidelijk antwoord kan gegeven wor-den!Voor noodoplossingen, waar het be-leid desondanks hogergenoemde kort-zichtige objektieven nastreeft en denatuur s.l. nog steeds beschouwt alseen vrij goed, kan een weliswaar ge-brekkig, maar toch bruikbaar alter-natief geschetst worden.In die gevallen kan eigenmachtig eenmilieuwaardering opgezet worden,mits een aantal beperkingen (zie ookHessel, 1976):1 de informatieinbreng moet repro-duceerbaar zijn,2 de funkties die aanvaard worden alsgrondslag dienen expliciet vermeld,3 de invullende kriteria moeten ver-antwoord worden (dus met inbegripvan vermelding van foutenlast) en4 er dient uitdrukkelijk aangegeven teworden dat gebruik zonder konsulta-tie van de opsteller onverantwoord isen ten laste komt van de gebruiker(zie o.m. Gysels, 1977). De verant-woordelijkheid van de opsteller vande evaluatie kan ook overgedragenworden op de gebruiker, in casu hetbeleid, indien dit beleid volledig inkennis gesteld wordt van de daardooraangegane politieke keuzen en de kon-sekwenties daarvan overzien heeft. In-dien dit niet gebeurt, blijft de piano-logisch medewerker of ekoloog de-ontologisch in gebreke en is er in feitesprake van technokratische manipu-latie van overheidspersonen en maat-schappij.Het wordt tenslotte door de auteursbetreurd dat vooral de Belgischeoverheid nog steeds weigert een vol-waardige plaats toe te kennen aan hetekologisch facet in de planning, wattot hogergenoemde moeilijkheden enmisverstanden kan leiden en de effi-cientie van de beoogde resultaten ze-ker niet in de hand werkt.Referenties-- M. Anselin: Planningsproces met inbegrip vanappreciatie- en evaluatiemethoden. HISROO-kur-sus, R.U. Gent (1976), 38 biz.-- F. Bouma en S. W. F. van der Ploeg:Functies van de natuur. Een economisch-oecolo-gische analyse. V.U.-publ. 46, I.v.M.-WNF,A'dam (1975), 158 biz.-- L. Brussaard: Gaan we nu gewoon door met350 Stedehouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978milieuwaardering en -harteringmilieuwaarderenf Meded. Werkgem. Land-schapsecol. Ond. (1976) J(3), 58.-- J. Buit: Over de betekenis van doehtellingen-formulering in de planologie. Stedebouw en Volks-huisvesdng (1977) 5*(3), 91-106.-- G. Chadwick; A systems view of planningprocess. Pergamon Press, Oxford (1971).-- Com. Ond. Milieubeheer (COM): Projed-voorstel "Analyse van methoden voor het vooraf enachteraf aangeven en waarderen van de invloedvan grote ingrepen in het milieu". Meded. Werk-gem. Landschapsecol. Ond. (1976) J(4), 4-18.-- J. N. M. Dekker: Milieukartering; een ge-schikte strategie voor milieubehoud? Natuur enLandschap (1976) JO(3/4), 99-106.-- B. Dimitriou: The interpenetration of politicsand planning. Socio-Econ. Plan. Sci. (1973)7 (1), 55-65.-- J. Elkington en J. Roberts: Who needsecologists? New Scientist (1977a) nr. 1075, 210-212.-- J. Elkington en J. Roberts: Is there an eco-logist in the house? New Scientist (1977b) nr.1076, 276-278.-- H. Gysels: "De Gouden Delta J", Inleidingtot het Rapport van de universitaire werkgroep"Noord-Vlaanderen/Delta-zuid, Pudoc, Wage-ningen (197 7).-- D. R. Helliwell: Priorities and values innature conservation. J. Envir. Mgmt. (1973) 1(1), 85-127.-- D. R. Helliwell: Discount rates and environ-mental conservation. Environ. Conserv. (1975)2(3), 199-201.Kommentaar op nadere standpuntbepaling inzake destadsvernieuwingNota van B & W van Amsterdam van 6 maart 1978ir. D. H. Frieling1. InleidingWie van Amsterdam houdt kan nietanders dan met spanning de worste-ling volgen van de stad met de omstan-digheden, de ontwikkelingen en metzichzelf om overeind te blijven.Wie in de verschijnselen van stads-veroudering en stadsvernieuwing isgeinteresseerd zal het beleid dat Am-sterdam op dit gebied voert met aan-dacht volgen, omdat in Nederlanddeze verschijnselen zich in de meestgecompliceerde en meest omvangrijkevorm in die stad voordoen. Bij dege-ne die in dit licht de meest recentestandpuntbepaling van burgemeesteren wethouders inzake de stadsvernieu-wing leest, ontstaat echter een zekeretwijfel. Twijfel in de eerste plaats overde strekking van de nota. Wat wilAmsterdam nu, de huidige samenstel-ling van de bevolking in de oudewoonbuurten na vernieuwing handha-ven of wijzigen ? Anders geformuleerd:Is het beleid gericht op conserveringvan de als problematisch gekenschetstehuidige situatie, of is het bouwen voorde buurt toekomst gericht ? Soms wektde nota de indruk dat het laatste hetgeval is. Anderzijds stelt de nota bijherhaling dat de voorgenomen bouw-aktiviteiten primair zijn bestemd voorde thans in de buurt woonachtige be-volking.Twijfel ook over de bedoeling van devoorgenomen versterking van de be-stuurlijke greep op de stadsvernieu-wing. Wat betekent dat? Is het eenduidelijke oproep van burgemeesteren wethouders aan de medebestuur-ders om de hevige en diepgaande me-ningsverschillen over het stadsver-nieuwingsbeleid te overwinnen om al-dus weer leiding aan de ontwikkelingvan de stad te kunnen geven.^ Het ismoeilijk je iets anders voor te stellenbij dergelijke expliciete uitsprakenover de noodzaak de invloed van hetbestuur te vergroten.De uitwerking van een en ander blijftdan echter beperkt tot een ambtelijkereorganisatie, die het bestuurspro-bleem niet zal kunnen oplossen.Twijfel tenslotte vooral over de vraagof het voorgenomen beleid en deorganisatorische middelen om dit be-leid te effektueren wel in overeenstem-ming zijn met de aard en omvang vanhet vernieuwingsvraagstuk zelf.Twijfel is besmettelijk. Als deze een-maal is ontstaan voor een aspekt, raakthet ook andere aan.Dit kommentaar is uit deze twijfel ge-boren. De kern ervan is dat de ver-nieuwing van Amsterdam voor deruimtelijke en wellicht ook voor desociaal-ekonomische ontwikkeling vanons land zondermeer als een natio-naal vraagstuk moet worden aange-merkt. De Amsterdamse nota behan-delt dit vraagstuk echter overwegendals een lokaal probleem.Weliswaar een probleem van zodanige351 stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978standpuntbepaling stadsvernieuwingomvang dat hulp en bijstand van decentrale overheid nodig is, maar tochhoofdzakelijk als een probleem van deslechte woonomstandigheden van eendeel van de Amsterdamse bevolking.Deze zienswijze leidt tot uitspraken alsop bladzijde 37 van de nota waar alseen van de konklusies ten aanzien vande financiele problematiek met zoveelwoorden staat dat het College "bijde voor de stadsvernieuwing verant-woordelijke bewindslieden zal aan-dringen op een aanpassing van hetrijksbeleid bij de heersende gemeen-telijke problematiek. . ." Het voorlig-gende kommentaar op de Amster-damse nota beziet de stadsvernieuwingvan Amsterdam als een nationaalvraagstuk. Het vormt, om het niet bijtwijfels omtrent de gemeentelijke be-nadering te laten, tevens een pogingde konsekwenties van dit andere ge-zichtspunt te verkennen.2. Hoofdlijnen van de Amsterdamse notaDe "nadere standpuntbepaling inzakede stadsvernieuwing" -- verder te noe-men: de nota -- is blijkens de in-leiding ervan ontstaan uit twee ontwik-kelingen.De eerste daarvan is twijfel aan hetvermogen van de gemeentelijke orga-nisatie om de stadsvernieuwingstaakdoeltreffend en voortvarend aan tepakken.De tweede is dat voor het overleg metde rijksoverheid, gelet op de financieleomvang van het vraagstuk, duidelijkebeleidskeuzen noodzakelijk zijn.Als bijzondere en typisch Amsterdamsecomplicaties bij het maken van dezekeuzen worden genoemd de extreemhoge bebouwingsdichtheden en de vrijsterke concentratie van bewoners metlage inkomens in de oude wijken ende welhaast verlammende omvang vande stadsvernieuwingsproblematiek.In deel I van de nota wordt het be-leid, dat uiteraard aansluit op eerderverschenen beleidsnota's, uiteengezet.Als centrale doelstelling van het stads-vernieuwingsbeleid in Amsterdamwordt genoemd "het zo snel mogelijkverbeteren van de woon- en leefom-standigheden (woningen, woonomge-ving en voorzieningen) van de bevol-king in de oude buurten".Als centraal probleem komt naarvoren een verhuizingspatroon dat leidttot een toenemende eenzijdige samen-stelling van de bevolking in deze oudebuurten: ouderen, jongeren, buiten-landse werknemers, alle met als ge-meenschappelijk kenmerk een laag in-komen.De noodzakelijke aanpak van ditvraagstuk wordt omschreven als"buurtgericht en integraal". Hetbuurtgerichte komt vooral tot uitdruk-king in het voor ogen staande samen-spel van de gemeentelijke overheidmet de buurtbevolking. Vijf van de ze-ven in de nota vermelde kenmerkenvan de buurtgerichte aanpak beschrij-ven dat. De twee andere kenmerkenzijn dat geen kaalslag zal worden ge-pleegd doch daarentegen een zorg-vuldige fasering, en dat het bevol-kingsdraagvlak tijdens de vernieu-wingsaktiviteiten zoveel mogelijk in-tact zal worden gelaten. Het integralevan de aanpak komt blijkens de notatot uitdrukking in de omstandigheiddat woningen, woonomgeving, wel-zijnsvoorzieningen en bedrijven gelijk-tijdig en in onderlinge samenhangworden aangepakt. Tevens dient debuurtvernieuwing te worden geplaatstin het groter geheel van de stedelijkeen gewestelijke ontwikkeling en destrukturele veranderingen die zichdaarin voordoen. Dit laatste wordt inde nota verder niet uitgewerkt.Vervolgens wordt het stadsvernieu-wingsbeleid in de nota in een aantalparagrafen nader gespecificeerd. Hetgewicht dat in de nota aan de diverseonderdelen wordt toegekend is af telezen aan het aantal bladzijden datdaaraan wordt gewijd. Er zijn ruim16 bladzijden besteed aan vraagstuk-ken van volkshuisvesting en wel bijna10 aan produktievraagstukken, 2,5 aande woningdistributie en een kleine 4aan woningdifFerentiatie en woning-dichtheid.Andere vraagstukken die behandeldworden zijn het parkeren (1,5 biz.)en winkels en bedrijven (3,5 biz.).Vraagstukken met betrekking tot ver-keer en vervoer en de ekonomischeontwikkeling boven het buurtniveaublijken in Amsterdam niet tot het on-derwerp stadsvernieuwing te wordengerekend. Deze worden althans in denota niet vermeld.Een belangrijke plaats in de notawordt ingenomen door de financieleproblematiek. De kern van de proble-men is dat het verschil tussen kosten enopbrengsten van het herinrichten vanwoongebieden in de bestaande stad enwel primair ten behoeve van de thansdaar wonende lagere inkomensgroe-pen onoverbrugbaar groot blijkt.Voorts wordt een discrepantie gecon-stateerd tussen de grote zekerheid be-treffiende plannen en uitvoering dievan de gemeente wordt gevraagd en degeringe zekerheid die het rijk in finan-cieel opzicht kan bieden.Samenvattend bestaat het in deel I be-schreven beleid uit de volgende ele-menten:-- zo snel mogelijk verbeteren van dewoon- en leefomstandigheden van debevolking in de oude buurten.-- buurtgerichte en integrale aanpak.-- nieuwbouw en woningverbeteringprimair bestemd voor de thans in debuurt woonachtige bevolking. Op be-perkte schaal koopwoningen, voor-namelijk om de eenzijdige bevolkings-samenstelling te wijzigen.-- een vernieuwingstempo dat gemid-deld per jaar omvat:a. verbetering van circa 5000 wonin-gen (waarbij een woningverlies van2096 zal optreden).b. afbraak van circa 3000 woningen.352 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978slandpunlbepaling stadsvernieuwingc. nieuwbouw van circa 1100 wonin-gen.-- gelet op het per saldo optredendeaanzienlijke woningverlies zal voorvervangende woonruimte met nameeen beroep worden gedaan op Purme-rend en Almere.-- als stedebouwkundige richdijnenworden gehanteerd:a. een differendatie in grote en kleinewoningen van 50/50.b. een dichtheid van omstreeks 80 wo-ningen per ha.c. geconcentreerde parkeervoorzie-ningen.-- integrate financiering van de stads-vernieuwing door het rijk.Deel II van de nota is gewijd aan deorganisatorische maatregelen ten be-hoeve van de stadsvernieuwing.Aanpassing van de organisatie magvolgens de nota niet langer wordenuitgesteld omdat stadsvernieuwingcomplexer blijkt dan stadsuitleg endeze grotere complexiteit van hetstadsbestuur een aanmerkelijk inten-siever overleg vereist, zowel met de be-volking als met de rijksoverheid. Hetwordt bij deze aanpassing in elk gevalnodig geacht om de diverse beleids-sektoren meer systematisch op destadsvernieuwing af te stemmen en deplanvorming om te bouwen tot eenmodern en aan de eisen van de stads-vernieuwing aangepast beleidsinstru-ment. Voorts zullen van overheidswegeprojekten moeten worden ontwikkelddie in de beginfase niet op eigen krachtvan de grond komen.De nota gaat vervolgens uitgebreid inop de ervaringen met de projekt-groepen, tot de instelling waarvan in1972 werd overgegaan.Deze ervaringen zijn kennelijk niet be-vredigend. Als redenen daarvoor wor-den gegeven:-- onvoldoende ontwikkeling van eengeintegreerd beleid-- onvoldoende geografische decon-centratie van diensten-- onvoldoende betrokkenheid vanhet bestuur bij het kontakt met de be-volking-- onvoldoende organisatie ter sekre-tarie.Als vereisten voor een andere en be-tere werkwijze vermeldt de nota:-- grotere invloed van het gemeente-bestuur op het hoe en wanneer vanplannen-- reglementering van de inbreng vanuitvoerende sektoren in de planvor-ming-- inbreng van het grondbedrijf in deplannen op een voor het gemeente-bestuur meer inzichtelijke wijze-- regulering van de invloed van hetoverleg met de bevolking-- gezamenlijke verantwoordelijkheidvan rijk, provincie en gemeente.De organisatorische maatregelen dieblijkens de nota voor ogen staan omeen werkwijze te realiseren die aanbovengenoemde eisen voldoet omvat-ten het volgende:1. instelling van een voldragen sekre-tarie-afdeling belast met informatie-verwerking, komende van de dienstenen andere betrokkenen, vertaling vanhet door het gemeentebestuur gevoer-de beleid voor de diensten en anderenen voortgangsbewaking van de uitvoe-ring van dit beleid. Tevens koordineertdeze afdeling het kontakt met pro-vincie en rijk.2. omvorming van de afdeling Stads-ontwikkeling van de dienst PubliekeWerken tot een zelfstandige dienst omaldus meer nadruk te leggen op defunktie van Stadsontwikkeling als staf-orgaan ten dienste van het bestuur.3. verzelfstandiging van het Grondbe-drijf van de dienst Publieke Werken,eveneens terwille van een grotere na-druk op de funkde van Grondbedrijfals bestuursinstrument. Tevens wordtaldus, volgens de nota, een beteremogelijkheid geschapen het Grondbe-drijf projekten tot ontwikkeling tedoen brengen, welke anders in diefase niet van de grond zouden komen.4. vereenvoudiging van de organisa-tiestruktuur van de dienst PubliekeWerken alsmede een meer geografi-sche deconcentratie van deze dienst.5. aanpassing van de zogenaamdevolkshuisvestingssektor: dienst volks-huisvesting, het bouw- en woningtoe-zicht en dienst herhuisvesting. De notaspreekt zich niet uit welke aanpassingprecies voor ogen staat. Slechts debundeling van de verbetering van wo-ningwetwoningen (dienst VH) en vanpartikuliere woningen (BWT), alsmedevan "partikuliere gemeentewoningen"(Grondbedrijf) wordt met name ge-noemd.6. onderbrengen van de projektgroe-pen in de lijnorganisatie. De thansbestaande, zwevende, plaats van deprojektgroepen tussen bestuur, bevol-king en ambtelijke diensten wordt nietlanger wenselijk geacht. Omtrent deplaatsbepaling van de projektgroepenspreekt de nota zich echter niet uit.7. instellen van een commissie van bij -stand voor de stadsvernieuwing omaldus ook de Raad sterker bij dit deelvan het gemeentelijk beleid te betrek-ken dan tot nog toe het geval is.Deel II van de nota besluit met dekonklusie dat twee hoofddoelstellin-gen aan de organisatorische maatre-gelen ten grondslag moeten hggenen wel de versterking van de greepvan het stadsbestuur op de hoofdlij-nen van het beleid en de uitvoeringen de versterking van de mogelijkhe-den om per aktiegebied slagvaardig envoortvarend op te treden.J. Opmerkelijke aspekten van de notaOpmerkelijk is aan de nota dat hetgecompliceerde vraagstuk van destadsvernieuwing via een aantal forseredukdes hanteerbaar wordt gemaakt.Inhoudelijk, in deel I van de nota, ge-beurt dit op twee manieren.In de eerste plaats wordt het vraag-353 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978''i?e -.^^^?-v..Stedelijk gebied in 1866 (Uit: Stadsontwikkeling van Amsterdam van 1939 tot1967, auteur: mr. J. J. van der Vetde, uitgegeven door Scheltema en HoLkemate Amsterdam, 1968)Stedelijk gebied in 1966 (Uit: Stadsontwikkeling van Amsterdam van 1939 tot1967, auteur: mr. J. J. van der Velde, uitgegeven door Scheltema en Holkemate A/mtfulain. lyhSi.. 1~ ;.?: ; 3-me354 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978-.rsTM ^Stedelijke bebouwingSpoorFijnen, bestaanden geprojecteerdWaterstuk geografisch beperkt tot de oudebuurten van de stad.In de tweede plaats wordt het vraag-stuk inhoudelijk beperkt tot het facetvolkshuisvesting.Ten aanzien van de oplossingen be-perkt de nota zich inzake het ruimte-lijk aspekt tot enkele, overigens duide-Hjke, uitspraken omtrent woningdif-ferentiatie, woningdichtheid en gecon-centreerd parkeren. Voor wat hetmaatschappehjk aspekt betreft wordtde oplossing bhjkens de centrale doel-steUing beperkt tot de verbetering vande woon- en leefomstandigheden vande thans in de oude buurten woon-achtige bevolking. In generale zinwordt het instrumentarium om dezeoplossing te reahseren beperkt tot een"integrale financiering van de stads-vernieuwing" door het rijk. Ook datdient als een reductie van de werkelijkbenodigde instrumenten te wordenbeschouwd.Organisatorisch wordt de stadsver-nieuwing gereduceerd tot het pro-bleem van het verkrijgen van een gro-tere greep van het bestuur op hetambtelijk apparaat. Als enige konkreteoplossing daartoe wordt in feite vol-gens het oude beginsel "verdeel enheers", het verdelen van de bestaandedienst Publieke Werken in drie afzon-derlijke diensten voorgesteld. Het po-litieke bestuur reduceert daarmee zijneigen funktie tot die van bedrijfslei-ding.Voor wat betreft de overige onderde-len van de gemeentelijke organisatiegaat de nota niet verder dan het uit-spreken van bepaalde gevoelens vanonbehagen (volkshuisvestingssektor,plaats van de projektgroepen) zonderhierover tot uitspraken te komen.r-.2066? (Uit: Amsterdam, Stedebouwkundige ontwihheling, uitgegeven door de Sector StadsontwikkelingDienst der Publieke Werken Amsterdam, 19Ti)De konsekwentie van het in de notagenoemde criterium voor de organisa-tie van de gezamenlijke verantwoorde-lijkheid van rijk, provincie en gemeentevoor het stadsvernieuwingsprocesblijkt te worden beperkt door aan eensekretarie-afdeling de koordinatie enregistratie van de kontakten van dezedrie overheden op te dragen.Het is zinvol en vaak zelfs noodzake-lijk gecompliceerde vraagstukken tereduceren tot meer eenvoudige om zete kunnen oplossen. Er kan echtertwijfel rijzen of daarmee in de Am-sterdamse nota niet te ver is gegaan.Zou dit het geval zijn, dan ontstaatin dubbel opzicht een gevaar.In de eerste plaats omdat door al tegrote reduktie wellicht de kern van hetprobleem niet wordt geraakt.In de tweede plaats omdat alleen aldaardoor het probleem niet als natio-naal probleem zal worden ervarenen dus op het nationale niveau ookniet de noodzaak zal worden gevoeldhet probleem op te lossen.4. Overwegingen bij een andere benaderingHet volgende moge de gerezen twijfelillustreren.Richt men zijn aandacht uitsluitend opde ruimtelijke en technische konditiesvan de oude buurten, geheel los vande mensen die daar nu wonen en daarwerken en los van het leven dat zichdaar nu afspeelt, dan is in feite maareen konklusie mogelijk: zij zijn totaalverouderd en versleten en hoognodigaan integrale vernieuwing toe.Richt men zijn aandacht daarentegen,geheel los van de wijze waarop zijvan hun situatie het beste hebben ge-maakt, uitsluitend op de mensen diein die buurten wonen, dan kan ver-moedelijk worden gesteld dat de kernvan hun probleem niet is de slechtewoonomstandigheden als wel hun lageinkomen. De oplossing van dat pro-bleem moet dan eerder worden ge-zocht in de sfeer van verwerving enverdeling van inkomen dan in de sfeervan bouwaktiviteiten.Beide voorbeelden zijn op zichzelf ookontoelaatbare reducties van de werke-355 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978standpuntbepaling stadsvernieuwinglijkheid. Zij dienen slechts om los tekomen uit de verlammende koppelingvan het ene vraagstuk aan het andere.Anders geformuleerd: zelfs als men hetbestaan van mensen met lage inko-mens als een blijvende situatie aan-vaardt en daarbij van mening is dateen laag inkomen niet een slechtewoonsituatie tot gevolg mag hebbendan nog rijst de vraag: waarom moetdie verbeterde woonsituatie bij voor-keur op dezelfde plek worden gereali-seerd als de thans bestaande slechtewoonsituatie ? Blijkt dat uit het spon-tane verhuisgedrag van de mensen?Berust dat op hun uitgesproken indivi-duele voorkeuren ? Is het een rationeleaanwending van de op die plaats be-schikbare ruimte, bezien uit het oog-punt van het funktioneren van eengroter gebied ? Is het een rationeleaanwending van de voor dit doel be-schikbare financiele middelen? Geenvan deze vragen kan zondermeer metja worden beantwoord. Die vragen zijnzelfs in het geheel niet te beantwoor-den zo lang ze uitsluitend als vragenop het gebied van de volkshuisvestingworden gezien. Het vraagstuk van destadsveroudering zal daartoe vermoe-delijk op een andere wijze moetenworden benaderd.Bezien op een grotere schaal, uitnationaal oogpunt, vertoont de ver-oudering van Amsterdam geheel an-dere kenmerken dan het verval van dezo'n honderd jaar oude woonbuurtenen de relatief grote concentratie vanmensen met lage inkomens in diebuurten.De veroudering van deze buurten isgeen oorzaak, maar gevolg. Het uit-sluitend aandacht besteden aan dezegevolgen is een schoolvoorbeeld vansymptoombestrijding. De werkelijkeziekte, namelijk deze dat de stad bin-nen zijn huidige grenzen niet meer opeigen kracht tot regeneratie in staatblijkt, wordt er niet door aan hetlicht gebracht, laat staan door ge-nezen.De oorzaak van het waargenomen ver-val is de veroudering van de ekono-mische struktuur van de stad (haven,metaalindustrie) en de relatieve achter-uitgang in zijn Internationale ekono-mische positie.Dat is het nationale probleem metbetrekking tot Amsterdam.Op nationale schaal is voorts eengroot vraagstuk de veroudering van deruimtelijke struktuur van de stad alscentrum van een veel groter gebieddan door de grenzen van de gemeenteomsloten. Er worden dan ook enor-me bedragen door het rijk geinves-teerd om die struktuur te verbeteren.Op nationaal niveau wordt tenslottede veroudering van de bestuurlijkestruktuur van ons land al lang als eenknellend probleem ervaren.De veroudering van de bestuurlijkestruktuur van Nederland heeft metname een sterk negatief effekt op hetvoortbestaan en de verdere ontwik-keling van de grote steden.Indien Amsterdam wil bereiken datde vernieuwing van de stad "inte-graal door het rijk wordt gefinan-cierd" en dat het rijk zich "gezamen-lijk met provincie en gemeente" ver-antwoordelijk voelt voor het stads-vernieuwingsproces dan zuUen dezenationale vraagstukken met betrekkingtot Amsterdam ook als integrerendonderdeel van het vernieuwingsvraag-stuk moeten worden erkend. Hetstadsbestuur zal dat dan ook aan debevolking van de stad moeten duide-lijk maken. Dat naast en als een onder-deel van deze nationale vraagstukkende vernieuwing van de oude woon-buurten en het goed huisvesten vande daar nu wonende mensen meteen laag inkomen een probleem isdat een oplossing behoeft, spreektvoor zich.Deze andere benadering heeft ook or-ganisatorische konsekwenties.Een werkelijk gemeenschappelijke ver-antwoordelijkheid van rijk, provincieen gemeente zal allereerst een vasten duidelijk kader behoeven. Zo'n ka-der kan alleen een wet bieden. In diewet zal het totstandkomen en regelma-tig toetsen van een integraal, door dedrie overheden tesamen gedragen be-leid moeten worden geregeld.Binnen dat kader is er dan echterveel voor te zeggen dat de aanpakeerder projektgewijs en specifiek isdan buurtgericht en integraal. Ookde voorgenomen herverkaveling vande gemeentelijke ambtelijke dienstenzal opnieuw moeten worden bezien.(In het algemeen moet het trouwensals een illusie worden beschouwd dathet in stukken hakken van de diens-ten -- in 1971 van de dienst Volks-huisvesting, thans van de dienst Pu-blieke Werken -- een oplossing zouvormen voor het probleem dat er po-litick diepgaande meningsverschillenzijn over de sociaal-ekonomische enruimtelijke stadsontwikkeling.Immers, laat men de gescheiden on-derdelen van een dienst ressorterenonder een en dezelfde wethouder, dankomt een bestuurder op de plaats vaneen direkteur. Het is zeer twijfelachtigof eigenschappen die van iemand eengoed politikus maken hem ook in hetbijzonder geschikt maken als bedrijfs-leider. Zou men daarentegen de ge-scheiden onderdelen van een dienstonder yerschillende wethouders bren-gen, dan is de kans groot dat de be-staande politieke meningsverschillennog eens worden versterkt.)Ook de zo uitdrukkelijk gewenste "in-tegrale financiering door het rijk"heeft organisatorische konsekwentiesdie ingrijpender zijn dan het belas-ten van een sekretarie-afdeling met ko-ordinatie en registratie van de kontak-ten. Het kan de verantwoordelijkheidvan het rijk voor de stadsvernieuwingduidelijker tot uitdrukking brengen alsdie onderdelen van de plannen welkevoor 100% door het rijk worden ge-financierd ook door het rijk wordenvastgesteld. In voorkomende gevallen356 Stedebouw en Volkshuisvesting, juli/augustus 1978standpuntbepaling stadsvernieuwingzal het ook doelmatiger zijn als hetrijk zelfzorg draagt voor de uitvoering.5. De stadsvernieuwing van Amsterdamals nationale opgaveIn het voorgaande is de vernieuwingvan Amsterdam als nationale opgaveaangeduid. Deze opgave omvat vierelementen:-- versterking van de ekonomische po-sitie in internationaal opzicht-- vernieuwing van de ruimtelijkestruktuur van de stad, om deze zijnfunktie van centrum van een stads-gewest in "losse pakking" beter tedoen vervullen-- aanpassing van de bestuurlijke or-ganisatie, zowel naar gebiedseenheidals naar bestuursvorm-- verbetering van de woonomstan-digheden van de thans in de oudebuurten verblijvende bevolking.De vraag is nu op welke wijze dezeopgave moet worden aangepakt.Een eerste voorwaarde waaraan zalmoeten worden voldaan, is dat hetvraagstuk werkelijk als een nationaalprobleem wordt gesteld.Dit is nodig omdat de centrale over-'heid het vraagstuk zal moeten ervarenals zijn eigen probleem en niet alsdat van Amsterdam, wil een situatieontstaan dat het rijk ook de middelenaanwendt om het vraagstuk op te les-sen. Zo lang het probleem wordt ge-presenteerd en dus ook ervaren als eenAmsterdams probleem, zuUen de bij-dragen van het rijk steeds het karakterbehouden van hulp en bijstand, waar-bij bovendien uit een oogpunt van ver-delende rechtvaardigheid, de nodenvan andere gemeenten gelijkelijk ge-lenigd moeten worden.Het is in zekere zin merkwaardig datde vernieuwing van Amsterdam in zijnalgemeenheid nog niet als een kwestievan nationaal beleid wordt ervaren.Voor onderdelen van deze vernieu-wing is dit immers algemeen aan-vaard. Zeehaven, luchthaven, open-baar vervoer, rijkswegen, de
Reacties