stedebouwen volkshuisvestingC::^ 60e jaargang, mei 1979DenkraamMilieu-effekt-rapporteringVisuele vervuiling landschapCriminaliteit in de woonomgevingDe BNS-VerklaringPriemus' VolkshuisvestingIngezondenNieuwe publikatiessamsomVoorons klimaat is nietsveilig.Laat de schilder# het beschermen.Het Nederlandse klimaat is om den drommelmet mild. Ook niet voor huizen, scholen, bedryfs-panden, kantoren. Ot voor schepen, bruggen enandere staalconstructies.Alles wat altijd buiten staat, is genadeloosovergeleverd aan weer en wind. Aan alle nukkenvan ons grillige klimaat.Daarom dit advies: ga tijdig praten met deschilder. Dat kan achterstallig en dus kostbaaronderhoud in de toekomst voorkomen.De schilder kan namelijk vaststellen wanneeren waar uw bezit aan een onderhoudsbeurt toe is.Laat hem uw eigendommen beschermen.Ze verdienen met minder.Publikatie van hetBedn|fschapSchildersbedrijf te Rijswijk (ZH).JW^Intarstandaard^'ramen Kentu.Maarin''Buiten-Standaard^Woorprojektenzijnwemjnstensevensterk!(Ookbij de zwaardere "Robust" ramen: bovendien bronskleurig.)De voordelen van geanodiseerd aluminium: Onderhoudsvrij.Maatvast.Blijvend mooi.Materiaal garantie.Dcstcrkc cxtrs'svanIntal ''Standaard''en''Robusrramen.92 "Standaard" en 12 "Robust" maten. Andere maten en kleuren op aanvraag. Enkel- of dubbelglas. Meestal ook later verwisselbaar. Wind- en waterdicht (TNO-BIOO resp. B50). Regelbare ventilatiemet veilige kiersluiting. Lichtschuivende konstrukties. Geen ruimtelijk beletsel voor zonwering, gordijnenof planten. Horren voor buitensponning beschikbaar. Eenvoudige montage in de bouw. Intalfix ankersvoor "Standaard" ramen. Snelle reparatie bij eventuele glasbreukIntal is een betrouwbare partner.Op bouw afgestemde levertijden. Bouwtechnische adviezen.Bouwbegeleiding. 0VaakisIntal beterenvoordeliger.WATEROrCHTHEIDEN NEN 3660LUCHTOOORLATENOHEIO NEN 3661DOORBUIGING EN STERKTE NEN 3850NEN 2608J;ENTIL?TIE NEN 1087DIKTE ANODISEERLAAG|!On,teTM,)_ EWAAKEU.TNO RAPPORT BESCHIKBAARIntal B.V., Postbus 31,4190 CA Geldermalsen. Tel. 03455-2941* ALUMINIUM RAMEN EN DEURENDe Nederlandse StichtingGeluidhindernodigt u uit eengeluidscherm ofgeluidwal te ontwerpen.We weten het allemaal. We leven in eenwereld waarin we vrijwel dagelijks wordengekonfronteerd met een bepaalde mate vangeluidoverlast. Vooral bij woningen langsdnikke wegen ofspoorlijnen kan het geluid-niveau hoog worden. Dubbele ramenbieden maar een beperkte oplossing. Op hetmoment dat ereen raam ofdeurwordt opengezet,heeft degeluidwering geenfunktie meer.En evenmin voorwie plezierig in detuin wil zitten.Dat soortsituaties makenplaatsing of aanleg \.van eengeluidscherm ofgeluidwal gewoonnoodzakelijk. Het woon- en leefcomfort van1,5 miljoenNederlanders is ermee gemoeid.Maar die noodzakelijkheid hoeft per segeen noodzakelijk kwaadte zijn.Kijken we maar naar de vele voorbeeldenin het buitenland.Naar nieuwevormenIn de ons om-ringende landenvinden we tallozevoorbeelden metzowel vanuitakoestisch alsesthetischoogpunt verant-woordeoplossingen.Je ziet er verzonkenweggedeelten, schermendie geintegreerd zijn inparken, betonnenschermen met glazenopeningen, wegen diegedeeltelijk overkapt zijnen voorzien vanlichtdoorlatend kunststof,schermen met variabelehoogten. De mogehjk-heden zijn legio.Zoals schermen dieaangekleed zijn metplantenbakken. Schermendie gekombineerd zijnmet garages aan dewoonzijde.Dekoratiefen figuratiefafgewerkte schermen.En wat de materiaalkeuzebetreft, er wordt o.a.gewerkt met beton, glas,staal, kunststof, ja zelfsmet fraaie gebakkentegels.De prijsvraag geluid-schemien en -wallen.Wat in het buitenland kan, moet bij onsook kunnen. Aldus de redenering van deNederlandse Stichting Geluidhinder.Zo is de gedachte geboren een prijsvraaguit te schrijven voor een breed pubhek. Eenen ander wordt mogehjk gemaakt door hetbeschikbaar stellen van de benodigdefinanciele middelen door het Ministerie vanVolksgezondheid en MiUeuhygiene.De opdracht luidt simpelgesteld als volgt:ontwerp een geluidscherm ofgeluidwal of een kombinatie vanbeide langs een drukkeverkeersweg ofspoorUjn in eenstedeUjke omgeving. En welzodanig dat het objekt past in dieStedeUjke omgeving.Voor elke kategorie zijn prijzen beschikbaar.? Professionele kategorie:le prijsf5.000-2e prijs f2.500,-? Niet-professionele kategorie:10 prijzen van f 750,-.Voorts een aantal eervoUe vermeldingenvoor beide groepen.Inzending en jureringInzendingen dienen uiterlijk15 September 1979 in het bezit te zijn van deNederlandse Stichting Geluidhinder,p/a Postbus 6109,5600 HC Eindhoven.Een onafhankelijke en deskundige juryzal de ontwerpen per deelnemerskategoriebeoordelen..Prijswinnaars krijgen thuis bericht. Doorinzending doen alle deelnemers afstand vanelke vorm van copy-right.Wilt u meedoen?Vraag dan via de bon de folder met dewedstrijdvoorwaarden aan.Stuurt u mij de folder met de wedstrijdvoorwaardentoe.Wie kunnen deelnemen?In principe is niemanduitgesloten.ledere inzending is welkom.Daarom zijn er twee kategorieen:? professionele (bv. industrieleontwerpers, architekten, stede-bouwers, landschapkundigen)? niet professioneleNaam:Adres:Postkode/Plaats:Bon in gefrankeerde envelop sturen aan deNederlandse Stichting Geluidhinder,p/a Postbus 6109,5600 HC Eindhoven.vrije universiteitamsterdamDe vakgroep Planologie van de subfaculteit Sociale Geografie en Planologiezoekt eenwetenschappelijk (hoofd-) ambtenaar (m/v)(voor 0,2 van de werktijd)De gedachten gaan daarbij uit naar een afgestudeerde in een der sociale oftechnische wetenschappen met praktische ervaring op het terrein van de realisa-tie van ruimtelijke plannen incl. de daarbij toegepaste Fjlanrealisatietechnieken.Van betrokkene w/ordt verw/acht het leveren van een gerichte bijdrage vanuitbovenstaand kennisveld aan liet onderw/ijsprogramma planologie voor docto-raalstudenten. Onderwijservaring strekt tot aanbeveling.Nadere informatie wordt gaarne verstrekt door prof.dr. J. Bult, tel. 020-548 36 08of 030-717 58 03 en drs. E.F. Nozeman, tel. 020-548 36 07 of 02518-5 46 69.Instemming met de doelstelling van de Vrije Universiteit als christelijke instellingwordt verwacht.Schriftelijke sollicitaties, onder vermelding van vacaturenummer 711-869, terichiten aan de dienst Personeelszaken, postbus 7161, 1007 MC Amsterdam. DeVrije Universiteit is gelegen aan de De Boelelaan 1105,Amsterdam-Buitenveldert.mKozynenvervangen?Gevels aanpassen?i/opkin heeftde onderhoudsvrije opiossing!Als het gaat om renovatie, heeft Isoplan de fabrikage, kozijnkonstruktie, montage, af-beschikking over een kompleet produkten- werking, voorlichting, financiering en garantie-pakket. Omdat Isoplan u op het hele trajekt: van dienst is. Daarom is het verstandig omeerst te praten met de vakman van Isoplan.TROCAL Serrdt^Kunststoframen. Renovatiepanelen. Glaverbel isolerende Gevelsystemen.Onderhoudsvrij en beglazingen:al velejarenmet Thermopane,sukses in ons land Phonibel,toegepast. Thermo +.Isoplanvoorkomplete Isolcitle-en renovaties^lemenIsoplan B.v., Bogaardslaan 10, 7339 AH Apeldoorn. Tel. 055-232038.IVHeidemij Nederland BV, behorende tot de Heide-mij Groep, is gespecialiseerd in advies, ontwerpen uitvoering van projekten. Haar activiteitenrichten zich o.a. op milieu, landinrichting, sporten recreatie, bosbouw- en groenvoorzieningen enstads- en dorpsvernieuwing.Voor de vier noordelijke provincies met als stand-plaats Assen, vragen wij eenprojectcoordinatorstads- en dorps-vernieuwing(mni./vr.)Na een inwerkperiode zai betrokkene belast wor-den met de coordinatie van projekten in de sfeervan stads- en dorpsvernieuwing, alsmede een deel-taak in de marketing bij het verwerven van der-gelijke projekten.De inbreng die de nieuwe medewerker(ster) opdit terrein levert betreft:-- begeleiding van het proces-- behulpzaam bij het opstellen van wijk- enbuurtplannen-- coordineren van de inbreng van alle betrok-kenen (o.a. coordinatie van het inspraakpro-ces)-- bewaken van voortgang en kosten-- inbreng van juridische, financiele (subsidies)en procedurele know-how.Voor de vervulling van deze functie gaan de ge-dachten uit naar iemand met een academische op-leiding of hogere beroepsopieiding, aangevuld metruime ervaring in deze sector.Schriftelijke sollicitaties kunt u richten aan Heide-mij Nederland BV, Abel Tasmanplein 3 te Assen,t.a.v. R.G. Ogterop, personeelsconsulent.heidemij Lovinklaan 16821 HX Arnhemtel: 085-77 89 11telex: 45623waterdichtventilerendkortom...VENTIFOL bestaat uit banenDRAKATILEEN-folie die elkaaroverlappen en op regelmatigeafstanden aan elkaar zijn gelast.Hierdoor wordt een ventilerenddakpan-effect verkregen.VENTIFOL dient om het dakbeschotwaterdicht en toch ventilerend afte dekken.Het dakbeschot blijft dus vrij vanschimmelvorming en onderhoud.BOVENDIENWERKTVENTIFOLVLAMVERTRAGEND!Vraag inlichtingen en documentatie bij:STOKVIS PLASTICSR. S. Stokvis & Zonen B.V. - Postbus426-3000 AK ROTTERDAMtel. 010-333111 telex 222315Postbus 28 1620 VBHoorn tel. 02290-30324rgemeenteBij de afdeling Planologie van dedienst Openbare Werken kan vooreen periode van ca. twee jaar ge-plaatst worden eenTEKENAARDe te benoemen funktionaris dientbereid te zijn alls op de afdelingvoorkomende werkzaamheden teverrichten, zoals het inkleuren vanbestemmingsplannen, het verzor-gen van eenvoudige stedebouwkun-dige tekeningen en het vervaardigenvan lichtdrukken.Van gegadigden wordt verwacht,dat zij in het bezit zijn van een mid-delbaar technische opieiding (bouw-kunde en / of weg- en waterbouw) ofhet diploma stedebouwkundig teke-naar P.B.N.A. Zij dienen voorts tebeschikken over een goede teken-vaardigheid, bij voorkeur opgedaanbij de overheid.Aanstelling geschiedt in tijdelijkedienst voor een periode van tweejaar, terwiji de overige bij de ge-meentelijke overheid gebruikelijkerechtspositieregelingen van toepas-sing zullen zijn.Het salaris zai in overleg wordenvastgesteld.Sollicitaties kunnen binnen 14 da-gen na het verschijnen van dit bladworden gerichtaan burgemeesterenwethouders van de gemeente Ter-neuzen en kunnen worden gezon-den aan de directeur van de dienstOpenbare Werken, BurgemeesterGeillstraat 2, 4531 EB Terneuzen,onder vermelding van vakaturenum-mer 79/3 op de enveloppe.zee?>aven if- Industrie ^ recreatieVIOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen VolkshuisvestingEjRedactie:Ir, R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenDrs. H. van der CammenMr. J.H. EngelDrs. A. EvertsIr. G.J. KlerlcsDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-624721Redactie,administratie enpiiblikaties ter recensie:Van Speykstraat 252518 EV Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Uitgave vanSamsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:J. van der KolkProf. J.H. Bavincklaan 51183 AT AmstelveenTelefoon 020-456404Advertentie-administratie:Samsom Uitgeverij bvPostbus 42400 MA Alphen aan den RijnTelefoon 01720-62191Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Losse nummers f 9,25stedebouw en volkshuisvesting60e jaargang mei 1979InhoudDenkraam212 Au, au, auto, mr. H. J. A. SchaapArtikelen213 Diskussiepunten rond milieu-effekt-rapportering (MER),W. Tips en H. Gysels225 Visuele vervuiling van het landschap, drs. D. Eckhardt enir. H. O. Eckhardt238 Criminaliteit in de woonomgeving, drs. E. van Laere242 BNS-regiodagen 1978: De BNS-Verklaring besproken?, B. Bach246 Over Hugo Priemus' Volkshuisvesting, L. G. Gerrichhauzenen P. W. A. Veld253 Ingezonden254 Nieuwe publikaties258 MededelingenIn dit nummeris het eerste artikel gewijd aan de miheu-effektrapportering.De schrijvers signaleren een groot aantal vraagpunten die zullenmoeten worden opgelost alvorens het milieu-effektrapport eenwerkelijk nuttig instrument voor het milieubeleid zal zijn.Het tweede artikel gaat uitvoerig in op de verloedering vanhet Nederlandse landschap, en geeft een overzicht van deoorzaken van deze verloedering.Het derde artikel is een literatuurstudie over de criminaliteit,speciaal het vandahsme, in de woonomgeving, vooral in grotewooncomplexen.Vervolgens komt nogmaals de Verklaring van een aantalverontruste BNS-leden over de ontwikkelingen rondomAmsterdam aan de orde. Deze verklaring is becommentarieerdin een BNS-vergadering. In deze beschouwing een weergavevan de aldaar geuite meningen.Het laatste artikel bevat een uitvoerig kritisch commentaar opde publikatie van prof. dr. H. Priemus: Volkshuisvesting:begrippen, problemen, beleid. Gezien het belang van dit boekheeft de redactie gemeend deze keer in een wat uitgebreiderevorm dan die van een boekbespreking aandacht aan dezepublikatie te moeten besteden.Stedebouw en Volkshuisvesting, mei 1979 211DenkraamAu Au AutoDenkend aan mijn raam gezeten dwaalt mijn blik overhet randstadse land: weilanden gevallen in projektont-wikkelende handen. waar wat pennies en paarden noggrazen tot nieuwe bouvvdozen voor bedrijf. burger ofbureaucratie worden uitgepakt en opgericht. lets ver-derop had het Groene Hart moeten beginnen, maar alseen blok staat Zoetermeer aan de horizon en de provin-cie tobt nog met de vraag of liier dan wel daar aan hetstedeUjk weefsel zal worden voortgebreid. In wat nunog groen is ligt al jaren een autokerkhof vol leUjkschroot, grauw en mistroostig in regen en wind, schel enbhkkerend als de zon soms eens schijnt.Voor mij is dit uitzicht vanuit mijn kamer op hetdepartement een soort symbool van het werk waar wemee bezig zijn. Soms lijkt het of in die stapels auto-wrakken alle facetten van het milieuprobleem zijnsamengeperst. Ik heb dan niet alleen het oog op wat iksoms zie: roetzwarte wolken die opstijgen als er be-doeld of onbedoeld weer eens brandoffers wordengebracht, ook niet op de rommelige aanbhk, de vervuil-de bodem en het bedreigde water in de sloten rondom.Nee, eerder zie ik die auto's zelf: nog maar weinigjarenterug glanzend van de band gerold en door blije eerstebezitters bij bun dealers opgehaald. Pronkstukken alsresultaat van grote industriele inspanningen waarin dehele na-oorlogse opbloei van techniek en chemie isterug te vinden: in de carosserie, de motor, de aandrij-ving, de banden, de bekleding, de brandstof, de lak enga zo maar voort. Jarenlang is met niet aflatende ijvergesleuteld aan een technisch meer volmaakt produktdat ons met weinig onderhoud, comfortabel, zonderstoring en over grote afstanden vervoeren moet. Datwas wel even anders bij de statige voorgangers die nu -ook al weer niet ver van mijn raam - in het museumstaan opgesteld. Steeds grotere technische perfectiedus, maar met een paardenblik bereikt, want met dekopkleppen op bleef het wel eenzijdig: het veiligheids-aspect kwam er pas laat aan te pas en met de miheu-voorzieningen is het nog slechter gesteld.Jarenlange strijd in Europees verband leidt tot nogsteeds slappe normen voor uitlaatgassen en lawaaipro-duktie. De gevaren van de proliferatie van het l.p.g.worden sterk onderschat en dan is er natuurlijk hetprobleem van het teveel: teveel auto's, teveel autoge-bruik, teveel wegen en wegenplannen, teveel ruimtebe-slag voor het parkeren. AUemaal evenzovele aanslagenop het stedelijk en het natuurlijk milieu. In de helecyclus van research, produktie, gebruik en verbruik vanauto en brandstof zijn tal van milieuknelpunten aan tewijzen. En eigenlijk zijn ze allemaal terug te voeren totdie enge blik: de grote eenzijdigheid waarmee een iederbezig is, zonder te letten op de niet bedoelde effecten ennet zo lang tot de kade het schip gaat keren. Of het nugaat om de ontwikkeling van een nieuw anti-klopmid-del of de aanleg van een verkeersknooppunt: er moetenmechanismen in het leven worden geroepen om de blikte verbreden.Zo'n jaar of tien wordt er nu gewerkt aan een meersystematisch milieubeleid. Men tracht de zaken ingrotere samenhang te zien en te laten bezien. De alert-heid van de buitenwacht - actiegroepen, milieu-orga-nisaties - is intensiever en systematischer geworden. Eris en wordt wetgeving tot stand gebracht en uitgevoerddie het technisch vernuft meer en meer dwingt in derichting van het bezint eer gij begint.Maar tegelijk valt er veel te saneren, want de latestart van het milieubeleid confronteert ons met heel watscheefgegroeide zaken.Een ding is daarbij zeker: miheubeleid kost geld, veelgeld. Dat beleid kan het niet hebben van wat vriende-lijke franje of een groen randje rond het nationaleuitgavenpatroon. En wie betaalt? Dat hebben we, alweer eenjaar of wat terug met - naar het mij voorkwam- enig enthousiasme vastgesteld: de vervuiler. Toch hebik vaak de indruk dat die vervuiler voor velen een netzo'n vreemd en onbestaanbaar wezen is als "de ver-geler" uit de wasmiddelen-reclame van weleer. Hoe^verklaar je anders de geschrokken reacties bij hetbericht dat de automobilist, dus wij alien, wat moetengaan betalen om een stukje vervuiling ongedaan temaken?mr. H. J. A. Schaap212 Stedebouw en Volkshuisvesting, mei 1979Diskussiepunten rondmilieu-effekt-rapportering (MER)W. TipsH. Gysels*De niilieu-effektrapportering is langzamerhand in alle landen van West-Europa in debelangstelling gekomen. Nochtans bestaat er lang geen konsensus omtrent deinhoud van deze aktiviteiten noch over de rol die het milieu-effektrapport moettoebedeeld worden in het globale pakket van het overheidsbeleid.Het standpunt van de auteurs komt erop neer, dat de invoering van de milieuef-fektrapportering, liever dan een zoveelste nieuw luik aan de bestaande milieuwet-geving toe te voegen, beter zou gericht worden op een daadwerkelijk inpassen enaanpassen van deze wetgeving tot een integrale aanpak door het overheidsbeleid.Alleen door koordinatie immers kan er een overzicht ontstaan van de milieu-eisendie dienen opgelegd te worden aan niogelijke ingrepen.De milieu-effektrapportering (verderMER) is een beleidsinstrument en -ele-ment waarin de effekten op het milieuvan een voorgenomen aktie, in een wel-bepaalde maatschappelijke kontekst totstand te brengen, opgenomen en geeva-lueerd worden. Het is derhalve een ex-plicitering van het milieufacet in hettotale beslissingsproces.Het is te verwachten dat de MER eengrote invloed zal hebben op de ruimte-lijke planning en vormgeving van hetmilieu van de samenleving. Dat was enis alleszins het geval in de USA, waarzo'n tien jaar geleden, in de NationalEnvironmental Policy Act (l-l-'70, ver-der NEPA) het Environmental ImpactStatement (verder EIS) verplicht gesteldwerd bij alle ingrepen waarbij federaledepartementen op welke wijze dan ookbetrokken zijn. Ondertussen zijn vele*Hoger Instituut voor Stedebouw, Ruimte-lijke Ordening en Ontwikkeling, Rijksuni-versiteit Gent.landen, o.a. Australie, Canada, Frank-rijk, Duitsland en Japan, gevolgd; ande-re zitten in het experimented stadium,o.a. Nederland, nog andere zijn op wegof zullen bij het verschijnen van dit arti-kel misschien al zo ver zijn (Denemar-ken, Groot-Brittannie en Belgie). Er isherhaalde malen gesteld dat de Noord-amerikaanse samenleving en haar orga-nisatie grondig verschillen van de Euro-pese. Zodoende dient hier geen blindekopiering te gebeuren (hoewel Nijhoffen Vonkeman (1977) de basis van deverschillen in twijfel trekken). Wei kaneen beredeneerde overname van ideeenmet een aanpassing aan de hier gelden-de gevoelens, wetten en administratieveorganisatie zinvol zijn. Daarbij zou hetwel betreurenswaardig zijn de lessen dieinmiddels door de Noordamerikaansegemeenschap getrokken zijn (zie bijv.Kennedy en Hanshaw, 1974 en Fairfax,1978), niet te onderzoeken t.a.v. hunrelevantie in onze maatschappelijkekontekst, om alzo het zetten van ver-keerde stappen en het maken van zekerebrokken vooraf te vermijden.De primaire doelstelling van dit arti-kel is echter het aanvoeren van eenaantal vragen, diskussiepunten en pro-blemen in het bijzonder waar zij zich, endit is veelvuldig het geval, binnen hetwerkterrein van de planoloog situeren.Aan pasklare oplossingen, zo die al inalgemene termen zouden kunnen gego-ten worden, kan slechts gedacht wordenna uitvoerige experimenten. In Neder-land zijn deze reeds aan de gang, en ervalt inderdaad wat van te leren (Rense,1978). De historic van de MER-proble-matiek in Nederland is in verschillendeandere kringen, bijvoorbeeld in de na-tuurbehoud- en landschapsekologischekringen, waar men nauwlettend de ont-wikkelingen gade slaat (Burggraaf,1977; Anon.-WLO, 1978; Vonkeman,1976; Nijhoff en Vonkeman, 1977;Rense, 1978) reeds aan bod gekomen.De Bond Beter Leefmilieu, een overkoe-Stedehoiiw en Volkshuisvesting, mei 1979 213milieu-effekt-rapporteringpelend orgaan van de milieubeweging inVlaanderen, richtte in het voorjaar van1977 een diskussie in rond de MER. Opdie vergadering kondigde de Ministervan Volksgezondheid en Leefmilieu deintroduktie aan van een wet op de MERin Belgie. Deze wet werd aangekondigdvoor eind 1978, zodat men ook in Belgiespoedig de MER zal verwelkomen indiskussies onder ekologen, planologene.a. die menen bij de problematiek be-trokken te zijn (of te moeten worden).Hier zullen de diskussiepunten ge-groepeerd worden rond de volgendekernen, die uiteraard arbitrair en zekerniet volledig onafhankelijk zijn van el-kaar:a. de definitie van "milieu" die als uit-gangspunt zal dienen,b. het toepassingsgebied van de MER,c. de inhoud van de milieu-effektrap-porten,d. de technieken die zullen gebruiktworden om deze inhoud te verzorgen,e. het respektieve aandeel en de rol diezal gespeeld worden door de verschil-lende belanghebbende partijen,f. de procedurele aspekten, binnen deMER alleen wel te verstaan, d.w.z. vra-gen omtrent de interne verbanden tus-sen verschillende stadia van het wor-dingsproces van een milieu-effektrap-port,g. de plaats van de MER, en de verschil-lende stadia ervan, in de totaliteit vanhet beshssingsproces, d.i. de externeverbanden van de MER met anderebeslissingselementen, enh. het aspekt inspraak en participatie,dat in de MER, die uiteindelijk hetgevolg is van de druk van pressiegroe-pen, zeker niet onbelangrijk is.Tot slot dienen wij op te merken datin zoverre de diskussies rond de MER inVlaanderen doorklinken, de MER voor-al in aansluiting met de problemen vanhet landelijk gebied lijkt te zullen wor-den ontwikkeld. En dit terwijl wij onsbevinden in een van de dichtstbevolktehoeken van de wereld, zodat het milieu-effektrapport in het urbane of gebouw-de milieu eveneens verregaande ontaar-ding zou kunnen voorkomen. Maarhiermee raken wij aan wat ook logischde eerste kern van de MER-problema-tiek is, nl. "Wat is het milieu?".a. Definitie van het begrip "milieu''Het afbakenen van het begrip "milieu"is dus de eerste en belangrijkste vraag inde MER-problematiek. Zonder konsen-sus over dit begrip heeft verdere uitwer-king van het instrumentarium voor deMER weinig zin. Het toepassingsge-bied, de inhoud van het milieueffekten-rapport en dus ook de te gebruiken tech-nieken staan rechtstreeks in verbandmet die begripsinhoud. Het probleem isreeds aangevoeld door Fischer en Da-vies (1973): een bredere definitie vanhet begrip "milieu" dan gebruikelijk is,leidt bij hen logischerwijze tot een bre-der toepassingsspektrum voor deMER.In Nederland is inderdaad een veelnauwere milieudefinitie gebonden ge-weest aan de inleidende onderzoekenover de MER. Het laten voorbereidenvan de MER door het Ministerie vanVolksgezondheid en Milieuhygiene zaldaar zeker niet vreemd aan zijn. DeWerkgemeenschap Landschapsecolo-gisch Onderzoek (WLO) heeft dan ooklaten weten dat zij ook graag de Land-schapsekologische aspekten betrokkenzag in de MER (Anon.-WLO, 1978). InVlaanderen mag men dezelfde opmer-king verwachten.Daarmee is echter nog niet tegemoetgekomen aan de vroege(re) opmerkin-gen van Winkel (1976), die in zijn over-zicht van het EIS in de USA, meent datde sociale aspekten van het milieu,evenals in de USA, ook in de LageLanden aandacht verdienen. De nood-zaak ook deze aspekten te betrekken inhet onderzoek is na de schok van deekonomische recessie in de USA op devoorgrond gekomen; werkgelegen-heidsanalysen bijvoorbeeld, zijn nietmeer weg te denken uit bijv. de energie-programma's en hun EIS (Friesema enCulhane, 1976). Men zal graag bereidzijn die uitbreiding toe te schrijven aande specifieke struktuur van de Noord-amerikaanse samenleving. Maar ookbinnen de Canadese samenleving vindtSondheim (1978) grond voor een brede-re aanpak: "the concept of environmenthas been extended both publicly andlegally to include not only biophysicalparameters but socio-economic ones aswell", m.a.w. het logische gevolg van demaatschappelijke noden van dit mo-ment.In de Lage Landen is deze evolutiemisschien niet volledig overgekomen.Getuige daarvan Vonkeman (1976) diede "Social Impact Statement" niet opeen lijn wil stellen met de EIS maardesalniettemin meent "Want alleen inzijn voile omvang toegepast zal de EISkunnen zijn wat hij in de VS is gewor-den: een waardevol instrument voor eenecht milieubeleid." Nochtans bevindenwij ons in een zeer dichtbevolkt gebieden de wat meer op het urbane gebiedgerichte sociale aspekten, een integraaldeel overigens van de EIS, zijn hier danook, misschien meer nog dan elders, aande orde. L.-P. Suetens pleit dan ookvoor inkorporatie van de sociale aspek-ten (in Mitchell, 1975). De hele proble-matiek is ten zeerste verplicht aan onzereduktionistische probleembenaderingvia vakgebiedjes en speciahsmen, watzijn gevolg heeft op de struktuur van hetstaatsapparaat en dus op de MER. Hetbelasten van het Nederlandse Minis-terie van Volksgezondheid en Milieuhy-giene met het ontwikkelen van de MERheeft tot gevolg dat, wegens de interde-partementele konkurrentie, die uiter-aard zijn basis vindt in de achterliggen-de belangen, de overige geinteresseerdedepartementen zich zullen moeten in-spannen om een vinger in de pap tehebben voor deze te beet geworden is.De verregaande verdeling van bevoegd-heden en het gebrek aan koordinatie enintegrale planning (Goedman, 1978)214 Stedebouw en Volkshuisvesting, met 1979milieu-effekt-rapporteringlegt een zware hypotheek op ontwikke-lingen met een brede maatschappelijkebasis zoals de MER. In Belgie, waarmen zich lijkt te specialiseren in specia-lismen, zit de mogelijke bevoegdheidvoor de MER-zaken, mede door hethuidige regionaliseringsproces, nogmeer verdeeld: het initiatief kwam vanhet Ministerie van Volksgezondheid enLeefmilieu; de landschapsekologischeaspekten zouden bij de (bij dekreet vande Vlaamse Kultuurraad opgerichte)Rijksdienst voor Monumenten- enLandschapszorg thuishoren; de HogeRaad voor het Natuurbehoud, toege-voegd aan het nationaal gestruktureer-de Ministerie van Landbouw, moeteventueel ook zijn zeg hebben; het Mi-nisterie van Vlaamse Aangelegenhedenheeft bevoegdheid over de ruilverkave-ling en Stedebouw en Ruimtelijke Orde-ning is dan weer een geregionaliseerdematerie waarvoor een Staatssekreta-riaat voor Streekekonomie en Ruimte-lijke Ordening bestaat, dat alleen in deregio Vlaanderen beslist, om maar enke-le gegadigden te noemen. De funda-mentele verschillen in benadering zal deuitvoering van de MER er niet gemak-kelijker op maken.Veel problemen zouden dan ook kun-nen opgelost worden door een aanpakzoals door De Vries van het Rijn-Schelde Instituut (in Goedman, 1978)voorgestaan wordt. Daarin wordt hetvolgende gesteld: "Het milieu als omge-ving van de mensen bestaat uit structu-ren, elementen, relaties en functies opdrie niveau's: fysisch milieu, biologischmilieu, maatschappelijk milieu. Hetbiologisch milieu is deelverzamelingvan het fysisch milieu en het maatschap-pelijk milieu is weer deelverzamelingvan het biologisch milieu." Met dit ge-geven als uitgangspunt kan een zinvollediskussie begonnen worden om tot eenmilieu-definitie te komen, die meer dande vakjesmentaliteit, de realiteit weer-spiegelt. Een eerste aanpak van zulkeuitwerking vindt men overigens in hetboek van Goedman (1978). Men kanuiteraard ook het standpunt huldigendat een milieu-effektrapport slechts eenbeperkt element is in het beslissingspro-ces waarin ook andere elementen, o.a.socio-ekonomische een rol spelen. Zo-doende zouden deze laatste toch auto-matisch betrokken raken bij de beleids-voorbereiding. Dat is echter niet altijdhet geval, zeker niet expliciet; de MERkan zo ook een gelegenheid zijn omspeciaal deze aspekten, vooral de socia-le dan, van de beslissingsproblematieksystematischer uit te diepen.Nog in verband met deze definitievan het milieu staat de vraag of "theirreversible commitments of resources"en "the short term considerations vis-a-vis long term resource needs" (zoalsBeer (1977) ze omschrijft) en die in deUSA wel betrokken worden in de pro-blematiek, ook in de Lage Landen aanbod moeten komen. Het gegeven dat demeeste grondstoffen betrokken wordenuit het buitenland, kan ons niet voUedigvrijstellen van het rekening houden metdeze faktoren. Stemmen gaan recentook in de USA op om de MER in tevoeren voor akties van de USA-depar-tementen in andere (meestal onderont-wikkelde) landen (Holden, 1978).Een verdere vraag die bij de afbake-ning van het begrip milieu rijst, is dezenaar bestaande aktiviteiten: "Zijn in-dustriele en edukatieve aktiviteiten(eventueel nog andere) die, door uit-voering van het project waarvoor deMER wordt opgemaakt, zullen verdwij-nen, ook deel van het milieu?" (zieShimazu en Harashima, 1977). Daar-mee verwant is een opmerking van eenreferee bij een artikel van McCall-Skutsch en Flowerdew (1976), nl. dathet begrip impakt wel een negatieveklank gekregen heeft maar dat er inprincipe evengoed positieve impaktenvan een projekt mogelijk zijn. In hetsoort MER dat men in Nederland enBelgie wil invoeren, d.w.z. met het bio-logisch(-fysisch) aspekt van het milieuals referentiekader, zal het optreden vandergelijke positieve impakten beslist ergonduidelijk zijn. Maar bijvoorbeeld ineen milieu-effektrapport voor de sane-ringsoperatie van een verkrotte stads-buurt zal men wat graag de positieveimpakten daarvan propageren.Als men het uiteindelijk eens is overde definitie van het begrip dan is er nogde afbakening van "het milieu van hetprojekt", algemener ,,het milieu van hetvoorwerp van de MER". Normaal volgtde afbakening van het bestudeerde mi-lieu uit de aard van het projekt zelf; of isspijtig genoeg soms ook het resultaatvan de tijdslimiet of zelfs van de afhan-kelijkheid van financiele e.a. mogelijk-heden van de opsteller. Die kant maghet zeker niet uitgaan in onze landen!Een tussenoplossing wordt gebodendoor een differentiatie naar bijvoor-beeld "site-area/related area" (Shimazuen Harashima, 1977) waarbij de eersterechtstreeks beinvloed wordt en detweede via zijn ekologische en fysischerelaties met de site-area van de realisa-tie. Eventueel kan dit systeem nog ver-der uitgebreid worden, naar gelang vanhet ruimtelijk belang van de impakten.Lee en Wood (1978) bijvoorbeeld dui-den drie kategorieen van impakt, naar-gelang van hun origine, en vier typen,naargelang van het geaffekteerde (zijhet menselijke gezondheid of kwalitei-ten van het milieu) aan.Tot slot van de eerste kern van deMER-problematiek dient opgemerktdat latere diskussies in de volgende sta-dia van de MER, zoals ze soms in deliteratuur gevoerd worden, irrelevantzijn als men niet eerst het begrippenka-der vastlegt. Maar dat is niet alleen hetgeval voor de MER ...b. Toepassingsgebied van de MERDit aspekt van de MER en ook hetvolgende, de inhoud van de MER, zijnrechtstreeks gedetermineerd door dedefinitie van het milieu. Het toepas-singsgebied van de MER is verplichtenerzijds aan de definitie van het milieu,maar anderzijds ook aan de maatschap-pelijke motivatie iets te gaan doen aanSiedehoiiw en Volkshuisvesting, mei 1979 215milieu-effekt-rapporteringdemilieudegradatie.Natuurlijkhoeftdiemotivatie nog niet te betekenen dat erwerkelijk wat zal aan gedaan worden; erspelen immers nog andere, soms duiste-re machten een rol! Trouwens, elders(Tips en Gysels, 1978b) werd a! geargu-menteerd dat de MER in zijn geheel, tedenken geeft over de maatschappelijkeverhoudingen en de uitkomst van eeneventuele strijd tussen verschillende be-langhebbenden. Men zou zich kunnenafvragen of een partij al niet het spelgeopend heeft met een eerste zet, zoalsbijv. het geval is in West-Duitsland. Ditland heeft een MER die alleen geldtvoor het interne beleid van de verschil-lende federale departementen, niet voorprivate projekten of voor de afzonder-lijke "Lander" of gemeenten. Maar hieris geen sprake van een echte wetgeving,wel van een interne circulaire. Deze kanmen eerder opvatten als een slag onderde gordel t.a.y. hen die de invoering vaneen meer ingrijpende MER-procedurevoorstaan! Voor het geopend zijn vande partij pleit ook het geen steek houdenvan sommige MER-voorstellen als menze in een moderne ekonomische kon-tekst plaatst. Zo is het maar de vraag ofhet opstellen van een MER voor eenindustriele realisatie, bijv. in de petro-chemische Industrie, wel zinvol is, ge-zien de verwevenheid van dergelijke be-drijven met een kompleks van tientallentoeleverende en produktverwerkendebedrijven. Het zou zelfs een mooie takti-sche zet kunnen zijn een MER goed telaten keuren voor een bedrijf en danlater de andere op grond van de ekono-mische situatie, de werkgelegenheid ofwat al meer, zonder veel tegenstand ofverder MER-gedoe ook aan te trekken.Het zou zelfs een manier zijn om deM ER te omzeilen, zo te werk te gaan datverschillende kleinere bedrijven, die nette klein zijn om een MER te rechtvaar-digen (althans volgens sommige au-teurs) opgezet worden i.p.v. een indus-trieel kompleks. Hetzelfde spelletje zoumen overigens met gemak kunnen spe-len in de, van kommunikatieve verbin-dingen bulkende, Rijn-Schelde Delta,maar dan aan twee kanten van de rijks-grens. Daarom is het ons inziens gevaar-lijk te stellen dat alleen zeer grote bedrij-ven een milieu-effektrapport moetenopstellen (zie PADC, 1976). Eerder zoumen alle bedrijven moeten verplichteneen milieu-effektrapport op te stellen,maar men kan de modaliteiten van ditrapport in overeenkomst brengen metde omvang en de belangrijkheid voorhet milieu van de projekten. Goedman(1978) argumenteert als remedie, hetonderzoeken van materie en energieba-lansen in een gebied, om te komen toteen volwaardige maatschappelijke ana-lyse van de invloed van de vestiging vaneen bedrijf. Bisset (1978b) meent "it isunreasonable to consider proposedplans and developments in isolationfrom other projects likely to affect thesame socio-economic and environmen-tal factors". Overigens is nu reeds vooralle bedrijven tenminste een de commo-do et incommodo onderzoek nodig, al-thans in Belgie.Het ganse element moet tenslotte ineen bredere kontekst gezien worden: deliberaal-sociaal-demokratische struk-tuur van de meeste West-Europeselanden, waarbij het naar de socialisti-sche struktuur neigen varieert, maaktdat er bijna altijd beperkende randvoor-waarden moeten in acht genomen wor-den. Deze voorwaarden kunnen zowelonder vorm van vergunningenverle-ning, als onder vorm van imperatievent.a.v. de lokatie opgelegd worden. Hier-uit volgt dat in een diskussie van hetEuropean Environmental Bureau (Mit-chell, 1975) met recht en reden opge-merkt werd dat het onderscheid tussenpublieke en private initiators van eenprojekt in West-Europa weinig zinheeft. Het onderscheid tussen publieken privaat initiatief dat de NEPA in deUSA maakt, kan hier dan ook geendoorgang vinden; alle aktiviteiten moe-ten onderworpen worden aan eenMER.Tot nu toe hebben wij het grotendeelsgehad over projekten en industriele rea-lisaties, het is echter duidelijk, zelfs al inde Lage Landen, dat dit niet de enigevoorwerpen van MER zijn. Ook de ruil-verkavelingen en landinrichtingspro-jekten en ruimtelijke plannen warenreeds als MER-behoevend gesignaleerddoor de Werkgemeenschap Land-schapsecologisch Onderzoek (Anon.-WLO, 1978). Ook andere landbouw-kundige ingrepen, zoals grootschaligeprogramma's voor insektenbestrijdingzijn in het kader van de NEPA onder-hevig aan een EIS (Elkington, 1977).D. Hammer (in Mitchell, 1975) heeftgepleit voor het toepassen van de MER-wetgeving op "housing area develop-ment" en eveneens als "programme as-sessments". In het laatste geval, waarS. D. Jellinek (in Mitchell, 1975) hembijtreedt, kan men eerder spreken vaneen permanente MER-procedure (ofvan "environmental monitoring"); zelfsindien het programma globaal als toe-laatbaar zou gekwalificeerd worden,dan nog vereist de veranderende maat-schappelijke kontekst een voortdurendebijsturing, bijv. qua technische en allo-katie-alternatieven. De MER toegepastop het beleid is daarmee al in de maak,zoals ook reeds door Elkington (1977)en Burggraaff (1977) werd bepleit. Wat-hern (1976) duidt ook toepassingen aani.v.m. het toestaan van afwijkingen opde bestaande bestemmingsplannen enplanningsverordeningen in het alge-meen. Ook in Belgie zou dit zeer snelletoepassing kunnen vinden wat betreftde afwijkingen van de plannen van lage-re orde van de gewestplannen (= ? deNederlandse streekplannen). Nu zijndergelijke afwijkingen namelijk eerdereen politieke of budgettaire zaak gewor-den.In sommige staten van de USA zijnnu ook reeds zgn. "Master Environmen-tal Impact Reports" van toepassing alsevaluatie van het bekende "Master-plan" of van komprehensieve plannenvan een geheel departement, bijv.Volkshuisvesting. Hall (1976) merktechter op dat de methodologie voor hetuitvoeren van dergelijke plannen noglang niet op punt staat.216 Stedebouw en Volkshuisvesting, mei 1979milieu-effekt-rapporteringHetzelfde kan gezegd worden van watClark et al. (1978) zouden willen: "Inthe future, research in impact assess-ment is likely to focus on the develop-ment of methods for assessing alterna-tive strategies during plan preparation.The use of impact analysis for forwardplanning should ensure that policiesand land-use plans are formulated withan appreciation of their likely environ-mental, social and economic impacts.Specific developments in accord withsuch plans and policies should producefew unexpected impacts. Impactsassessment of such proposals will stillbe required as a safeguard, but theimportance of such studies will decli-ne." Er is op dat stuk nog een lange wegte gaan, maar vanuit strategisch oog-punt verdient de genoemde accentver-schuiving nu al aandacht.c. Inhoud van bet milieu-effektrapportDe inhoud van het milieu-effektrapportis natuurlijk impliciet vervat in de eersteen tweede paragraaf van deze uiteenzet-ting. Zo zijn de vraag naar de aard vande impakten die in de MER moeten tersprake komen en de te bestuderen as-pekten van het milieu reeds bediskus-sieerd (maar nog niet beantwoord!).Zeker de diepgang van de MER isnog voor verdere bespreking vatbaar.Het probleem is er een van gradaties:"Hoe ver zai men de effekten van eeningreep nagaan; alleen het primaire ofook het secundaire, eventueel het ter-tiaire niveau?". De fundamenteel ekolo-gische bedenking dat alles afhankelijk isvan alles, is hier het hoofdmotief van hetontstaan van netwerkanalyses met in-drukwekkende kompleksiteit. Het be-houd van de overzichtelijkheid in hetalgemeen en van de benodigde subjek-tieve oordelen, die bij verdergaande ver-fijning opduiken in het bijzonder, zalwel niet vreemd zijn aan de argumenta-tie alleen impakten relevant t.a.v. deplanningsbeslissing op te nemen (Cat-low en Thirlwall, 1976; Fischer en Da-vies, 1973).De diskussie rond de vraag "Een mi-lieu-effektrapport of vele verschillen-de?" is hier nog duidelijker aan de orde.Sommige indjustriele projekten kunnenbijvoorbeeld een diepgaande analysebest verantwoorden (denk maar aankerncentrales), terwiji ruimtelijke plan-nen op hoog abstraktieniveau meer ge-baat zijn bij een zeer brede maar minderdiepgaande MER. Dit doet natuurlijkonmiddellijk vragen rijzen omtrent hetwettelijk kader waarin de MER zal om-schreven worden om efficient toepas-baar te zijn. Natuurlijk kan men zeeralgemeen, en dan ook vaag blijven,maar dat is bijzonder ongezond geble-ken in de USA; het EIS zou al te varia-bel zijn qua formaat, diepgang en breed-te van het betrokken deel van het milieu(Kennedy en Hanshaw, 1974).Wat hier nog explicieter aan de ordemoet zijn, kan men in een woord om-schrijven als alternatieven. Daarmeezijn alle mogelijke alternatieve uitwer-kingen van de doelstelling bedoeld; zo-wel technische als wat betreft niet-strukturele aspekten en ook wat betreftde allokatie (Fischer en Davies, 1973).Niet te vergeten is het nul-alternatief,dat geregeld werd vergeten in de USA(Kennedy en Hanshaw, 1974) of daarzelfs zeer moeilijk aan bod kan komen,gegeven de uitgangspunten van de fede-rate departementen (Fairfax, 1978;Wathern, 1976). Bovendien kan het nul-alternatief weggemanipuleerd wordendoor vroegtijdige minimale toegevingente doen t.a.v. strukturele of technischeverbeteringen aan het projekt. Zo kanhet projekt dan doorgedrukt worden,vermits de opposanten zich gevangenzien in het welwillende milieurespektvan de projektpromotor (Catlow enThirlwall, 1976; D. Hammer in Mit-chell, 1975). Het nul-alternatief, hoewelhet "niets doen" inhoudt, dient overi-gens wel degelijk uitgewerkt en gemoti-veerd te worden (PADC-team, 1976).Hier is duidelijk de nauwste verbin-ding en vergroeiing van de MER methet globale beslissingsproces aanwezig.Zozeer zelfs dat de MER weleens alstestmethode voor alternatieven gesug-gereerd wordt (Beer, 1977). Nog enkelevragen rond alternatieven worden hierzonder veel kommentaar weergege-ven:1. "Hoe zal men kontroleren of de for-mulering van alternatieven niet tenden-tieus is, gezien dat goed mogelijk is(Peterson et al.,) en de opsteller alleszinsde materie beter beheerst dan degenedie een oordeel zal vellen?",2. "Moeten alle mogelijke alternatievenaan bod komen, of zal men de keuzebeperken, bijvoorbeeld tot degene diede uitvoerder van het projekt zelf aan-kan (zie Fairfax, 1978)?",3. "Zijn de kosten verbonden aan hetontwikkelen van alternatieve program-ma's (om maar een voorbeeld te geven)niet onevenredig hoog?", en4. "Voor MER van lange termijnplan-ning rijst er een probleem omtrent denoodzakelijkheid ook alternatieven opte nemen, waarvan de haalbaarheidtwijfelachtig kan zijn op het momentvan de MER. Worden zulke op ditmoment niet haalbare alternatieven(bijv. in de sektor van de alternatieveenergiebronnen) opgenomen?".d. Technieken voor de MERTwee opmerkingen vooraf zijn hier no-dig: 1) er kan natiiurlijk geen sprake zijnvan een uitputtende beschrijving; hierzullen enkel de struktuur van de tech-nieken en enkele aspekten van bijzon-der belang kritisch benaderd worden; 2)ook hier is de overlapping met het vori-ge diskussiepunt en enkele volgendeniet te vermijden.Vooreerst kan een algemeen schema,ook fasering te noemen, van elke MER-procedure gegeven worden:1. projektidentifikatie, waarin de poten-tiele ingreep toegehcht wordt door de-gene die de MER-procedure inzet,Sledehouw en Volkshuisvesting, mei 1979 inmilieu-effekt-rapportering1. opstelling van de verschillende alter-natieven (zie hiervoor),3. vaststellen van de milieu-effekten,4. evalueren van de impakt van de mi-lieu-effekten, waarna een rapport overfase (1) tot (4) opgesteld wordt,5. keuze van al of niet uitvoering metaanduiding van het gekozen alternatief,de randvoorwaarden in acht te nemenalsmede eventuele wijzigingen aan hetprojekt (d.i. de beleidsbeslissing), en6. opvolging van de opbouw, eventueelde werking van de realisatie zoals be-paald kan worden in het miheu-effekt-rapport. Het is natuurUjk voor argu-mentatie vatbaar of fase (5) en (6) tot deeigenUjke MER behoren; feit is dat zij.samenvallen met andere elementen vande beleidsvoering.Omtrent fase (3) en (4) zijn vele mo-gehjke methodologieen en instrumen-ten beschreven, waarvan hier een funk-tioneel overzicht kan gegeven worden,met enige verdere uitwerking van gese-lekteerde probleemgebieden. Een zestalkategorieen kan hier onderscheidenworden: de "overlay"-techniek vanMcHarg (1969), matrices, netwerken,kwantitatieve methoden, modelsimula-tie en tenslotte methoden die aspektenvan de vorige kombineren.a. De "overlay"-techniek van McHarg(1969) maakt gebruik van verschillendedoorzichtige kaarten met informatieomtrent een aspekt van het plannings-probleem, i.e. de kwahteit van het mi-lieu weerspiegeld in verschillende waar-neembare aspekten ervan. Deze tech-niek is ondertussen overbekend in plan-ningmiddens en is bruikbaar als hetaantal aspekten, en dus kaarten of over-lays beperkt is. De computer heeft hierook zijn intrede gedaan en de mogelijk-heden uitgebreid; zie bijv. de methodenvan Krauskopf en Bunde (1972) enHornbeck et al. (1970). Deze techniektoegepast als grid-selektiemethodewordt vrijwel uitsluitend gebruikt voorroute-selektie van (autosnel-)wegen (zieStedebouw en Volkshuisvesting 53 (extranr.), 1972).b. De matrix van Leopold et al. (1971)is ondertussen eveneens vrij bekend ge-worden; de ingrepen (kolommen) wor-den tegenover de milieukomponenten(rijen) gesteld en subjektief geskoorddoor experts op een schaal van 1 tot 10naar grootte en belangrijkheid. De kri-tiek op deze methode kan geresumeerdworden in twee punten: 1) de methodeis kompleks door de vele gegevens diemoeten verzameld worden (Sondheim,1978) en 2) zij is slechts bruikbaar wan-neer alleen primaire effekten aanwezigzijn en dus niet gevolgd worden doorsecundaire en tertiaire impakten. Dezelaatste zijn nl. niet evalueerbaar in dematrix van Leopold et al. (1971); welkunnen zij opgenomen worden in dematrix van Environment Canada(1974), die een interaktiematrix is.c. Netwerken zijn precies wel geschiktom secundaire en hogere orde impaktente evalueren. Sorensens netwerkmetho-de (1971) verbindt aan ingrepen in hetmilieu de crop volgende impakten, demilieu-effekten, en als men aan poUtie-ke kant meewil, ook de korrigerendeakties. Pro netwerken pleit hun over-zichtelijkheid, ook voor leken. Maarvoor programma's en andere ingewik-kelde ingrepen zijn zij minder geschikt.Gilhland en Risser (1977) hebben metgebruikmaking van systeemanalyse ge-poogd de energiebalansen van ingrepenop te maken, zoals ook door Goedman(1978) bepleit werd, maar de gedetail-leerde informatie die nodig is om derge-lijke systeemdiagrammen op te makenis voorlopig niet aanwezig.d. Kwantitatieve methoden zijn een al-gemene benaming voor methoden diealle impakten voor elk geboden alterna-tief kwantificeren en zo wordt eenrangorde van de alternatieven naar ge-lang van hun geschiktheid t.a.v. mini-male milieuverstoring bekomen. Hetbekendste voorbeeld is ontwikkeld doorde Batelle Laboratories (Columbus,USA) (Whitman et.al., 1971; Dee et al.,1973) voor beheer en begeleiding vanwaterbevoorradingsprojekten. Dezemethode heeft zeer veel kritiek uitgeloktomwille van de subjektiviteit in hetaanbrengen van wegingen, het inflexi-bel skoringssysteem van de impakten,en de vele waardeoordelen die in eensfeer van pseudo-wetenschappelijkheiddoor experts genomen worden (Clark etal., 1978; zie voor een kritisch overzicht,Bisset, 1978a). Sondheim (1978) doeteen poging om de demokratie in dezemethoden te herstellen via participatieen expliciteren van waardeoordelen (zieook Matthews, 1975 voor argumentatiedaarover).e. Modelsimulatie is nog steeds eenmoeilijke opgave, vooral wanneer menze wil uitbreiden tot integrale simulatievan het betrokken milieu. Voor specifie-ke aspekten, bijv. luchtvervuihng, zijnreeds valabele modellen ontwikkeld.Kriteria waaraan modelontwikkelingzou moeten voldoen worden gegevendoor Munn (1975). Simulatie is her-nieuwd in de belangstelling n.a.v. de"adaptive environmental assessment"(Holhng, 1977) die zich tot doel steltMER toe te passen op alternatieve stra-tegieen voor milieubeheer.f. Tenslotte zijn er nog methoden dieelementen van de bovenstaande bena-deringen kombineren; bijv. de gekwan-tificeerde matrix van Sphere Consul-tants (1974) of de op het Britse plan-ningsysteem toegepaste methode vanhet Project Appraisal for DevelopmentControl-team (1976) of de methode vanPeterson et al. (1974).Eisen die in het algemeen te stellen zijnaan methoden voor impaktevaluatieworden door Sondheim (1978) opge-steld op grond van de bestaande metho-den. Systematische kritiek op het nemenvan beshssingen, subjektieve en objek-tieve, wordt door Matthews (1975) ge-geven: hij pleit voor het gescheidenhouden van deze beide soorten oorde-len, wat in de Nederlandse en Belgischekringen van milieuwaardeerders wel218 Stedebouw en Volkshuisvesting, mei 1979milieu-effekt-rapporteringeens moeilijk realiseerbaar zou kunnenzijn (zie Tips en Gysels, 1978a).Men kan zich afvragen hoe in elk vande geciteerde soort methoden de infor-matie verzameld wordt. De informatie-verzameling is een belangrijk aspekt;het is niet alleen het meest tijdrovendeen kostbaarste onderdeel, maar hetgeeft ook snel aanleiding tot problemen,indien de organisatie ervan niet opti-maal is (Tips, 1978, voor verdere argu-mentatie). Subjektiviteit bij het verza-melen van feitenmateriaal, die kan be-twist worden bij de evaluatie achteraf,kan maken dat de betrokken partijenhet nooit eens worden omtrent de uit-eindelijke formuleringen in het rapport.Het al of niet toepassen van bepaaldestatistische technieken, die in de ogenvan de leek-milieuverdediger betwist-baar kunnen lijken, wordt best voorafgeregeld.Het meest betwistbare aspekt van hetonderzoek van de bestaande toestanden de effekten van ingrepen zit in hettijdselement. Ten eerste zijn de meesteonderzoekers moeilijk te overtuigen vanhet respekteren van noodzakelijke be-perkingen bij de beschrijving van hetmilieu; Elkington en Roberts (1977a)merken terecht op dat ekologen veelmoeite hebben om de informatienodenvan planologen precies te vullen. Ook inde Landelijke lVIilieukartering(Kalkho-ven eta!., 1977) wordt soms een voor hetnationaal niveau te detaillistisch onder-zoek gepleegd, dat bij tijdsgebrek uit-mondt in schattingen op grond vanonderstellingen die niet bewezen zijn.Ten tweede, wat betreft de eigenlijkeevaluatie zijn er bijna geen onderzoekendie over langere perioden de effektenvan mogelijke ingrepen nagaan; vrijwelal dergelijke onderzoeken werden overeen beperkte periode uitgevoerd. Tenderde blijft er nog onzekerheid over deevaluatie van projekten die kleinstarten, maar later groeien, of over ef-fekten die alleen impakten ressorterenop lange termijn. Hoe zal men die laat-ste impakten evalueren? Met het huidi-ge waardenstelsel kan men er naast zit-ten, maar een toekomstig waardestelselvoorspellen lijkt nog moeilijker. Fischeren Davies (1973) merken overigens te-recht op dat evaluatie van het beheervan ekosystemen altijd tijdsgebondenis.Vervolgens is er nog de vraag: "Watgedaan met de bestaande gegevens?".Bij inschakeling ervan in de MER be-staat het reele gevaar voor misbruik(Anon.-WLO, 1978) ter legitimatie vanvooraf al genomen beslissingen. HetStudie- en informatiecentrum voor Mi-lieuonderzoek (TNO) heeft t.b.v. deLandelijke Stuurgroep Onderzoek Mi-lieuhygiene een diskussiestuk overmaatschappelijke aktiviteiten en huneffekten op het milieu, alsook het on-derzoek daarover aan gang, opgesteld.De lijst van "gewenst onderzoek" is aleven indrukwekkend als deze van hetreeds verrichte opzoekingswerk. Hetzou wenselijk zijn bij de bestaande on-derzoeken uitdrukkelijk aan te gevenonder welke voorwaarden dit te ge-bruiken is; wat een mogelijk hulpje isom verkeerd gebruik te voorkomen.Verder blijkt de vergelijking van ver-schillende alternatieven door het som-meren van alle aspekten van de ingreepeen problematische zaak te zijn. Dezeproblematiek heeft als basis het ontbre-ken van een gemeenschappelijke noe-mer om de verschillende impakten ver-gelijkbaar te maken: de monetaire een-heden zijn hier niet aangewezen vermitsuit de problematiek rond kosten-batenanalyse blijkt dat er geen overeen-stemming te bereiken is omtrent de rela-tieve waarde van verschillende aspektenvan het milieu. Het PADC-team (1976)pleit dan ook i.p.v. sommatie voor hetinvoeren van "summary-sheets" waar-op kort en kernachtig en in verstaanbaretaal elke impakt wordt voorgesteld endoorgespeeld naar beleid en publiek.Het lijkt ook zinvol te onderzoekenwelke methode voor elk van de specifie-ke MER-voorwerpen best gebruiktwordt (PADC, 1976; Beer, 1977). Hetwettelijk kader van de MER zou danook best zo gekoncipieerd worden dateen dergelijke aanpassing mogelijk is.De betrouwbaarheid dient dan wel opandere wijze gegarandeerd (zie hier-yoor).Eveneens voor verdere diskussie vat-baar is de mate waarin men de MERuiteindelijk uitspraak wii laten doenomtrent het al of niet geschikt zijn vanbepaalde alternatieven in het kader vanmilieubehoud (Johnson, 1975, e.a.). Bis-set (1978a), McCall-Skutsch en Flower-dew (1976) en Peterson et al. (1974)vragen zich terecht af of er nog wat tebeslissen overblijft voor de beleidsdra-gers als de MER-methodologie voorzietin een uiteindelijke prioriteitenrang-schikking van de alternatieven. Tech-nokraten hebben dan d.m.v. niet uitge-sproken waardeoordelen, vermengdmet technieken, uit hun specifieke vak-gebieden de beslissing de facto geno-men. Geen beleidsdrager zal tegen devoorgestelde rangorde ingaan, integen-deel hij zal wat graag de beslissing ver-antwoorden op basis van de bevindin-gen van zijn "wetenschappelijk" advi-seur. Er zijn tenslotte nog andere nade-len, eigenlijk niets dan nadelen, aan eendergelijk doordrijven van de vergelij-king tussen de alternatieven (zie Tips enGysels, 1978b). Bisset (1978a) meentterecht over kwantitatieve methoden:"Sections of the community in favour ofcertain policies or developments maytherefore find these methods useful as ameans of controlling public debate onthe merit of proposals." Het is duidelijkdat een MER, op zulke onverantwoor-delijk ver doorgedreven wijze uitge-voerd, meer is dan een beleidselement,het is een middel om het beleid te mani-puleren.e. Aandeel van de verschillende partij-en in de MEREr kan hier slechts ingegaan worden openkele aspekten van de vragen "Wie zalwat doen?" en "Wie zal voor wat verant-woording moeten dragen?". De laatsteStedehouw en Volkshuisvesting, mei 1979 219milieu-effekt-rapporteringvraag werd al aangeraakt in de vorigeparagraaf.Algemeen is men het er over eens datde MER zeker een multidisciplinair enmisschien wel een interdisciplinair on-derwerp is. Als reden geldt o.a. "... ifjudgement is used, it will have to bemultidisciplinary judgement from apanel of persons whose joint abilitiesspan the spectrum of issues involved."(Peterson et al., 1974). De MER blijktinderdaad zo'n veelzijdige kennis te ver-eisen dat deze niet in een persoon teverenigen is. Volgens dezelfde auteurs ishet vormen van een dergelijk panel vanwetenschappers geen garantie voor eengoede afwikkeling van de procedure:"... a collection of specialized scholarsis too often an unmanageable commit-tee of irrelevant, though fascinating phi-losophers." (Peterson et al., 1974). Deplanoloog kan ook hier optreden en zijntaak, de procedurevoortgang optimaalte stimuleren, vervullen als waardevollebijdrage tot de MER.Beer (1977) stelt terecht de vraag wiede verschillende specialisten zal aan-werven; daarbij de opmerking makenddat in de USA het aanwerven door deprojektpromotor geleid heeft tot hetniet-waardevrij zijn van sommige mi-lieu-effektrapporten. Nochtans moet depromoter van nabij betrokken wordenin verschillende, zoniet alle fasen van deMER-procedure. Deze weet immersbest welke effekten zijn projekt kanressorteren en hoe daar eventueel wataan verholpen kan worden. Bovendienloopt de huidige procedure van vergun-ningsaanvraag vrijwel altijd parallelmet informele kontakten tussen de pro-motor en het vergunningverlenend or-ganisme, dat ook voordeel heeft bij eenzo vlot mogelijke afhandeling van devergunningsverlening. Om te voorko-men dat sommige organismen onna-tuurlijk veel voordeel halen uit de ver-gunningsverlening is een onafhankelij-ke, alsook een publieke kontrole, in dehuidige evolutie naar open beleid toe,zeer gewenst. Verder dient men zich ookop het standpunt te stellen van de pro-jektpromotor: hoe zal deze kunnen na-gaan dat zijn voorstel niet verdwijnt inhet moeras van de administratie, om paslange tijd later weer op te duiken? Zijnfilosofie is immers, nu misschien meerdan ooit, tijd is geld! KefaJas en Pitten-ger (1974) hebben al eerder een voorstelgedaan om door netwerkanalyse, nietalleen een idee te verkrijgen van debenodigde tijd, maar ook het proces watsystematischer te sturen.Een kombinatie van inbreng door depromotor van het projekt en gegevensver-zameling door de overheid, eventueel ookdoor het publiek, begeleid door weten-schappelijk geschoolde deskundigen on-der hoede van een planologen-team zalwellicht de beste oplossing zijn. Het zalzeker geen gemakkelijke opgave zijnzulk een geheel te sturen en de voort-gang van het proces met minimale kom-munikatiestoornissen tot stand te bren-gen. Wie verantwoordelijkheid zal dra-gen voor de verschillende onderdelenhoort uiteraard nog voor diskussie vat-baar te zijn. Duidelijk is dat een korrek-te projektomschrijving van de promotorzal moeten komen, maar kan deze ookverantwoordelijk gesteld worden voorhet aangeven en evalueren van de ver-moedelijke effekten op het milieu?Denk daarbij bijv. aan MER als pro-gramma-evaluatie; kan men daarbijiiberhaupt zinnige evaluaties makenvan de te verwachten effekten?Kan de verzameling van gegevensover milieuparameters,,bijv. luchtkwali-teit d.m.v. zuurstofgehaltemetingen,niet beter in handen gegeven wordenvan de overheid, daar deze meestalreeds apparatuur en meetnetten bezit enbeter kan instaan voorjuiste metingen?De evaluatie zelf kan dan uitgevoerdworden door een panel van deskundigewetenschappers. Maar dienen dezenook waardeoordelen (zoals "value func-tions", die van de gemeten parametersuitspraken over de kwaliteit van hetmilieu maken; Bisset, 1978a) uit te spre-ken? Want is dat precies niet beleidvoeren, en dus de verantwoordelijkheidvan de verkozen vertegenwoordigersvan de bevolking? En wanneer behoortmen die bevolking zelf haar zeg te latenhebben; of kan zij toch maar alleenlokaal denken en zal zij nooit oog heb-ben voor het zo geprezen nationaal be-lang? Er zijn nog zeer veel vragen tebeantwoorden!Onderhand blijkt men het er toch zoongeveer over eens te zijn dat er min-stens een onafhankelijk kollege moetkomen, dat de waarachtigheid van deMER zal toetsen (zie bijv. Anon.-WLO,1978). Hoe men dat in Belgie zal verkie-zen of samenstellen is ons onduidelijk,gegeven de graad van verpolitiseringvan het hoger onderwijs en andere inaanmerking komende organismen. Bo-vendien heeft dit soort wetenschap al-tijd achterliggdnde ekonomische be-langen te dienen (Lowe en Worboys,1976; Goedman, 1978). Men kan zichook afvragen wat het best is: een ad hockollege dat telkens opnieuw opgerichtmoet worden maar dat wel kan aange-past worden aan de specificiteit van deMER in kwestie en eventueel ook delokale situtie kent, of een permanentkollege dat men zal moeten horen om-dat het er nu eenmaal altijd is, maar datminder goed aangepast is aan de ver-schillende MER-voorwerpen en daarbijwellicht te groot en te log uitvalt.Daarbij raken wij nog een belangrijkaspekt aan, nl. het niveau van de MER:de MER wordt gepropageerd voor in-grepen die voldoende groot zijn, d.i.boven-regionaal belang hebben(PADC-team, 1976; Catlow en Thirl-wall, 1976); maar anderzijds is de kon-krete realisatie van een hele serie voor-werpen van de MER altijd een ingreepin een lokale gemeenschap, in een lokaalof althans in de ruimte beperkt ekosy-steem. Men kan niet verwachten vaneen centrale overheid of van centraletoetsingskommissies dat zij zich verdie-pen in de details van het lokale niveau.Er is een zekere tegenspraak tussen hetkoncept van de MER en het niveau vandegenen die men daarin de hoofdrol willaten spelen, zoals Shimazu en Harashi-ma (1977) reeds eerder lieten doorsche-220 Stedehouw en Volkshuisvesting, mei 1979milieu-effekt-rapporteringmeren. De planoloog heeft zowel in hetoplossen van deze vragen als in de bege-leiding van de MER een belangrijke rolte spelen.f. Procedurele aspekten van de MEROmtrent de procedure die bij het EIS (ofbij de MER) moet gevolgd worden zijninmiddels al boekdelen geschreven. Erkan hier dus slechts op enkele aspektengewezen worden, voorzover zij hiervoornog niet aan bod kwamen.Aansluitend bij het vorige punt, moetgewezen worden op de noodzaak in deMER-procedure de kabinetskollegiali-teit die bestaat in de beleidsstrukturenvan zowel Nederland als Belgie, ookhierin te behouden (O. Thorold in Mit-chell, 1975). De vertegenwoordigendemacht, het beleid dus, kan niet gevraagdworden departement na departementpubliek verslag uit te brengen en zono-dig grondig van mening te verschillenomtrent de MER. De verschillende mi-nisters zullen t.a.v. betwiste punten tus-sen verschillende, van hun beleid afhan-gende, departementen, met een geza-menlijk standpunt naar buiten moetentreden; wat in tegenstelling is met deNoordamerikaanse praktijk. De kritiekvan Kennedy en Hanshaw (1974) op deNoordamerikaanse procedure is o.a.dat deze zeer chaotisch verloopt en erzeer dringend een departement voor hetmilieu nodig is. Een kritiek die, nietalleen ten behoeve van de MER, ook inNederland en Belgie, alsook in Japan(Shimazu en Harashima, 1977) te horenis. Het uitbouwen van zowel de benade-ring van de maatschappelijke werkelijk-heid in wetenschap en techniek als vande ermee verbonden struktuur van hetoverheidsapparaat, die in funktie staatvan het zo efficient mogelijk verwervenvan materiele welvaart, zal daar wel nietvreemd aan zijn.Andere aspekten uit de NEPA-prak-tijk, die ook hier kunnen gelden wordenin de vorm van aanbevelingen naar Leeen Wood (1978) weergegeven:1. er moet een "lead-authority" zijn,m.a.w. er dient duidelijk te worden afge-sproken welke van de betrokken partij-en uiteindelijk het laatste woord heeften daar dan ook verantwoording voordraagt,2. er moet duidelijk zijn op welk punt inhet globale beslissingsproces, het mi-lieu-effektrapport zal ingevoerd wor-den, uiteraard zo dat er nog rekeningmee kan gehouden worden (!),3. indien een bepaald departement eenbeslissing neemt dan moeten er duide-lijke afspraken zijn, meestal zijn diezelfs wettelijk geregeld, hoe en wanneerde medebetrokkenen gekonsulteerdworden,4. de kommentaren van insprekers die-nen eveneens in het finale, openbaargemaakte, rapport, opgenomen te wor-den,5. een aantal miheu-effektrapportenmoeten opgevolgd worden om de wer-kelijke waarde van de MER en eventue-le onvolkomenheden te konstateren,en6. de kosten, behalve deze voor partici-patie en inspraak en door de overheidgemaakt, zijn ten laste van de projekt-promotor.S. D. Jellinek (in Mitchell, 1975)meent dat een voorstel vanmilieu-effektrapport vanuit de admini-stratie, per type bedrijf, of ingreep, etc.veel problemen zou oplossen. HetPADC-team (1976) heeft al een derge-lijk voorstel gedaan in algemene ter-men. In de USA blijkt dat zulke metho-dologische hulpjes toch ontstaan na eni-ge tijd. De onzekerheid van de onderne-mers zou daarmee zeker al ten dele over-wonnen zijn.Verder dient de MER-procedure zogoed mogelijk in-tune te zijn met deinterne werkprocessen van zowel de ad-ministratie als de ondernemer zelf. Elkeverstoring van het ritme van vooral deadministratie kan belangrijke weerstan-den oproepen door de inertie ervan (ziede bekende wetten van Parkinson).Mede omwille van deze bedenking lijkthet voordehg de MER formed te insti-tutionaliseren eerder dan de procedurete laten lopen zonder eigen administra-tieve dragers doorheen de bestaandedepartementen. Institutionaliseren isook gunstig voor de follow-up van deMER. Het is ondenkbaar dat na hetpubliceren van het milieu-effektrapportde kous af zou zijn; de maatregelen eneventueel de bewaking van de ontwik-keling zoals opgelegd in het uiteindelijkdokument, moeten uiteraard gekontro-leerd worden. Hiervoor is er al op gewe-zen dat de overheid meer dan anderepartijen geschikt lijkt om bewaking bijv.d.m.v. meetnetten allerhande, op zich tenemen. Het onbreken van eigen admi- 'nistratie maakt dat zulke bewaking eenongekoordineerde bezigheid wordt; eris dan ook uiteindelijk niemand verant-woordelijk voor het verzamelen, inte-greren en rapporteren over deze follow-up. Dat laatste is op zichzelf al een vrijgespecialiseerde bezigheid waar een vande betrokken departementen alleen nietmee klaar zal komen; zodat hier ook eeneigen administratieve eenheid aangewe-zen lijkt ("environmental managementcenter", Shimazu en Harashima, 1977).Het PADC-team (1976) waarschuwtoverigens voor het feit dat de MER vaneen bepaald projekt ook weer op zijnbeurt moet ingevoerd worden in de an-dere overheidsplanning. De ruimtelijkee.a. randvoorwaarden in de MER ge-steld, dienen ook in de integrale plan-ning door te werken. Uiteraard is hetgevaar van het oprichten van een eigenadministratie, dat deze uiteindelijk dehele MER-beslissing naar zich toetrektmet alle bekende gevolgen verbondenaan een bureaukratie.g. Plaats van de MER in het globalebeslissingsprocesEr zijn twee aspekten aan deze proble-matiek: 1. "Wat is de plaats van deMER in de toekomstige beslissingspro-cessen?", en specifieker 2. "Hoe ver-Stedebouw en Volkshuisvesting, mei 1979 221milieu-effekt-rapporteringhoudt de MER zich tot reeds bestaandewetgeving, procedures etc. i.v.m. de erinbehandelde aspekten van het milieu?".Behandeling van de meer specifiekevraag zal hier leiden tot de eerste alge-mene vraag.Er pleit inderdaad veel voor en weinigtegen, de MER niet in te voeren zondertenminste te bestuderen wat de interac-tie ervan is met de bestaande wetgevingt.a.v. (bouw- en exploitatie-)vergunnin-genverlening, milieuhygiene in het alge-meen en natuurlijk ook de ruimtelijkeordening en bodembestemming in hetbijzonder. Men kan zich afvragen of deMER geen goede gelegenheid is om devergunningsverlening en bijv. de onder-zoeken de commodo et incommodo tekoordineren (zie Vonkeman, 1976) entenslotte te komen tot een integraleaanpak, waarbij de aanvrager, door desnellere en efficientere afwikkeling vande procedure, ook gebaat is (Wathern,1976). In Groot-Brittannie meent hetPADC-team
Reacties