Istedebouwen volkshuisvestingsamsomcv?u) Staatsuitgeverij Christoffel Plantijnstraat 2Postbus 200142500 EA 's-GravenhageTelefoon 070-78 99 11DE RECREATIEVESTADleder mens heeft zo zijn dromen. Rustig wonen,temidden van groen en water, in een stad waar jegezellig kunt uitgaan en mensen ontmoeten. Alser steeds meer mensen met deze dromen blijkenrond te lopen, waarom proberen we dan niet dezete verwezenlijken? Is een stad met minder auto's,waarin bewoners zelf liun woonomgeving bepa-len en het stedelijk karakter versterkt is, werkelijkzo onbereikbaar? De samenstellers van 'De recre-atieve stad' vinden van niet. Zij komen met idee-en, voorstellen en toepassingen waardoor, methulp van creatieve architecten en stedebouwkun-digen en met de medewerking van de betrokkeninstanties de droom wel eens werkelijkheid zoukunnen worden. Dit ideeenboek met meer dan 200foto's en tekeningen, waarvan vele in kleur, zaiduideiijk maken dat het niet bij ideeen hoeft teblijven.Uitdepers:'Recreatieve stad is geen illusie' (Haagse Courant)'Interessante en voor een deal heel oorspronkelijkegedachten over de mogelijkheden om het leefkli-maat in onze (grots) steden te verbeteren'(Algemeen Dagblad)'Een fascinerend schetsboek' (Elseviers Weekblad)De recreatieve stad7980. 719 biz. Rijkgefllustreerd. Samenstelling en eind-redactie: mr. R. Dufour, directie Natuurbehoud enOpenluchtrecreatie van het ministerie van CRM, m.m.v.Adviesbureau Arnhem b.v.. Bureau voorStedebouwir. F. Zandvoortb.v., Bum Goudappelen Coffengb.v.Tweede herziene druk 1980.Prijsf25,- (per post f 30,00). Bestelnr. 221-031-02Ook verkrijgbaar bij de boekhandelMetDAKFILLIcrijgtuiiooiteenkrokodillehuid als dak.Veel dakbedekkingen gaan onderinvloed van het weer snel in kwaliteitachteruit. Erontstaan blazen en scheurenen de waterdichtheid gaat verloren.DAKFILL maarkt duurzaam waterdicht.DAKFILL volgt de bewegingen van deondergrond door zijn grote elasticiteit(tot 400%) en vangt scheuren op.DAKFILL is zelfdovend (vig. DIN 4102 enNEN 1076) en bestand tegen extremeweersomstandigheden, industriele lucht-vervuiling en U.V.-straling.DAKFILL kan met roller of airless-spuitw/orden aangebracht op bijna iedereondergrond (asfalt, zink, beton, PVC,polyester, cement, enz.). DAKFILLbetekent 100% bescherming tegenvocht.DAKFILL wordtal ISjaarindegehelewereld suksesvol toegepast.rs-gGeef mij meer informatie over DAKFILL:n persoonlijk gebruik iD industrieel gebruikNaam:Firma:Funktie:Adres:Postcode:WoonplaatsTel.: /imisecretarie afdelingmanagement en organisatieDe stadsvernieuwing in Groningen wordt project-matig aangepakt, waarbij vertegenwoordigersvan vele deskundigheden samenwerken. Er wor-den voor een 18-tal stadsvernieuwingsgebiedenconcrete maatregelen ontwikkeld. Voor een aan-tal - voornamelijk uit woningwetwoningen be-staande - buurten is een werkgroep in nauwe sa-menwerking met de bewonersorganisaties en wo-ningbouw corporalies belast met:- plannen en voorbereiden van stadsvernieu-wingsplannen;- stimuleren en coordineren van de verbeteringvan woon- en leefmilieu in de betreffende wij-ken, waarbij de nadruk ligt op de begeleidingvan de renovatie van het corporatief (voor-oor-logs- en na-oorlogs-woningbezit en eventuelevervangende nieuwbouw bismede de verbete-ring van de woonomgeving;- het behulpzaam zijn van de bewoners bij hetvinden van opio.ssingen voor actuele proble-men en het op elkaar afstemmen van de maat-regelen.Voor deze werkgroep wordt gevraagd eenWERKGROEPLEIDERSTADSVERNIEUWINGDe gedachten gaan uit naar een kandidaat die opbasis van universitaire of hogere beroepsoplei-ding over zoveel kennis en ervaring in de stads-vernieuwing beschikt, dat hij- het werk van verschillende deskundighedenkan coordineren;- gemakkelijk contacten kan leggen en onder-houden met bewoners (groeperingen) en verte-genwoordigers van bij de stadsvernieuwing be-trokken organisaties;- ook buiten de grenzen van zijn eigen werkge-bied (opleiding) kan meedenken met anderen;- beleidsgevoelig is, onder druk kan werken ende bereidheid heeft dit ook 's avonds te doen.Verdere inlichtingen worden graag verstrekt doorde projectleider stadsvernieuwing, drs. S.H. Ti-chelaar, telefoon 050-128995 of 's avonds 050-133634 of de chef van de sectie stadsvernieuwingvan het stadhuis, de heer H.A.R. Brons, telefoon050-172868 of 's avonds 05908-19087.Salarisindicatie tot maximaal f 5.277,-, afhanke-lijk van ervaring en opleiding, bruto per maand.Vacaturenummer: MO 24.*Deze vacature staat in principe open voorzowel mannen als vrouwen. Overigens zijnde gebruikelijke rechtspositieregelingen vande gemeente Groningen van toepassing.Belangstellenden wordt verzocht hun sollici-tatie -onder vermelding van het vacature-nummer - binnen 10 dagen na het verschij-nen van dit blad in te zenden aan burge-meester en wethouders, Grate Markt 1, 9712HN Groningen.(mmmmIISOCIOGRAFISCH BUREAU DE MEERLANDENintergemeentelijke dienst voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek, planologie en stedebouwkundige vormgeving tenbehoeve van de gemeenten Aalsmeer, Haarlemmermeer en Uithoorn, gevestlgd te Hoofddorp.De gemeente Haarlemmermeer heeft als groeikern binnen het kader van het streekplan Amsterdam-Noordzeekanaal-gebied tot taak het bouwen van 15.000 woningen in de periode 1980-1990 (NORON-lokatle). Als gevolg van dezegroeitaak bestaan er bij bovengenoemd bureau sen aantal vacatures op de diverse afdelingen.A. Sociaal-wetenschappelijke afdelingenBij de diverse sociaal-wetenschappelijke afdelingen bestaan enkele vaca-tures voor de functie van:sociaal-wetenschappelijkof planologisch onderzoeker (m/v)De gevraagde medewerkers kunnen worden ingeschakeld zowel bij het(facet)-onderzoek op de verschillende deelterreinen van de planologie alsbij dedirekt opdetotstandkoming van structuur-en bestemmingsplannengerichte werkzaamheden, Ook beleidsvoorbereidend onderzoek kan voormedewerkers tot een belangrijk deel van de taakstelling behoren.Vereist zijn:-- een op de functie gerichte opieiding op academisch of h.b.o-niveau;-- enige ervaring;-- in staat zijn zelfstandig te werken en-- bereidheid in teamverband te werken;-- een goede uitdrukkingsvaardigheid in woord en geschrift.Procedure:Een psychologisch onderzoek kan deel uitmaken van de selectieprocedu-reSalaris:afhankelijk van leeftijd en ervaring tussen J 2.734,- en ] 4.497,-Inlichtingen worden gaarpe verstrekt door de hear J. Jukema, hoofd vande afdeling sociaal-cultureel onderzoek, telefoon 02503-69499 of mevr,drs J. E de Geus, hoofd van de afdeling sociaal-economisch onderzoek,telefoon 02503-69493.B. OntwerpafdelingDe afdeling zai worden verdeeld in 3 ontwerpgroepen met een stedebouw-kundig hoofdontwerper als verantwoordelijk groepleider.De ontwerpgroepen zijn belast met de structurering c.q. uitwerking vaneen gedeelte van de NORON-lokatie.Wij vragen ter versterking van de ontwerpafdeling, bestaande uit 7 mede-werkers {waarvan 2 tijdelijk);1 stedebouwkundig ontwerper (m/v)Functie-omschrijving:Tot haar/zijn takenpakket zaI behoren:-- het ontwerpen van stedebouwkundige plannen op structuur- enbestemmingsplanniveau (van het opstellen van de uitgangspunten toten met het in procedure brengen van het bestemmingsplan);-- het participeren in project- en werkgroepen.Functie-eisen:-- een opieiding op academisch niveau (T.H. of S.H.O.):-- enige (aantoonbare) ontwerpervaring;-- grote mate van zelfstandigheid in het organiseren van het eigenwerkterrein.Salaris:afhankelijk van opieiding en ervaring kan een salaris worden geboden van] 3 442,- tot f 4 886,-Bij goede taakvervulling is t.z.t. een verdere uitloopmogelijkheid aanwe-1 aankomend stedebouwkundig ontwerper (m/v)Functie-omschrijving:-- het mede ontwerpen van stedebouwkundige plannen op structuur- enbestemmingsplanniveau-- het zonodig vervangen van de hoofdontwerper in project- en werk-groepen.Functie-eisen:-- recent afgestudeerd op academisch niveau (T.H. of S.H.O.)-- aantoonbare ontwerpbelangstelling-- grote mate van zelfstandigheid.Salaris:afhankelijk van opieiding en ervaring kan een salaris worden geboden vanf 3.156,- tot f 4.497,-Bij goede taakvervulling is t.z.t. een verdere uitloopmogelijkheid aanwe-zig1 assistent-stedebouwkundlg ontwerper (m/v)Functie-omschrijving:Het in teamverband mede-ontwerpen en uitwerken van bestemmingsplan-nen op structuur- en bestemmingsplanniveau.Functie-eisen:-- een opieiding op H.T.S.-niveau-- grote mate van zelfstandigheid-- ervaring in bovengenoemde werkzaamhedenSalaris: afhankelijk van opieiding en ervaring kan een salaris wordengeboden van f 3.01 3,-- tot f 4.033, -- . Bij goede taakvervulling is t.z.t.een verdere uitloopmogelijkheid aanwezig.3 stedebouwkundig tekenaars (m/v)Functie-omschrijving:-- het uittekenen van stedebouwkundige ontwerpen in o.a. het juridischkader-- hetverrichten vanalledaarbij behorende werkzaamheden zoalsinven-tarisaties, kadastrale ondergronden etc.-- vervaardigen van presentatie-materiaal t.b.v. hoorzittingen enz.Functie-eisen:-- goede algemene ontwikkeling-- diploma stedebouwkundig tekenaar (P.B.N.A. of V.T.S.)-- positieve instelling ten aanzien van het werken in teamverband.Salaris: afhankelijk van opieiding en ervaring kan een salaris wordengeboden van f 2.324,-- tot f 3.584, -- . Bij goede taakvervulling is t.z.t.een verdere uitloopmogelijkheid aanwezig.Inlichtingen worden gaarne verstrekt door het hoofd van de afdeling Ont-werpdeheer F. A. L. Sodekamp S.H.O./B.N.S., telefoon 02503-69492of de beer Ir. T, C. Ruimschotel, telefoon 02503-69537.C. Stedebouwkundige afdeling1 aankomend ontwerper (m/v)Functie-omschrijving:-- het mede-ontwerpen van stedebouwkundige plannen op structuur- enbestemmingsplanniveau voor wat betreft bestaande kernen;-- het zonodig vervangen van de hoofdontwerper in project- en werk-groepen.Vereist zijn:-- recent afgestudeerd op academisch niveau (T.H. of S.H.O.);-- aantoonbare ontwerpbelangstelling;-- grote mate van zelfstandigheid.Salaris: afhankelijk van opieiding en ervaring kan een salaris wordengeboden van j 3.156,-- tot f 4.497,--.1 topografisch tekenaar (m/v)Functie-omschrijving:-- het vervaardigen van plattegronden van dorpen en industrieterrei-nen;-- het tekenen van kadastrale ondergronden;-- het bijwerken van topografische kaarten en-- het verrichten van eenvoudig stedebouwkundig tekenwerk.Vereist zijn:-- ervaring met bovengenoemde werkzaamheden-- een diploma landmeetkundig tekenaar N.L.F. of P.B.N.A. of gelijk-waardig diploma.Salaris: afhankelijk van leeftijd en ervaring en opieiding tot maximaalf 3 584,-Nadere informatie kan worden ingewonnen bij de heer D. Swint, hoofd vande afdeling Stedebouw, telefoon 02503-69516.De rechtspositieregeling van de gemeente Haarlemmermeer is van toe-passing.Sollicitaties binnen 14 dagen na verschijnen van dit blad aan dedirekteur van het Sociografisch Bureau De Meerlanden, Marktplein90, 2132 DC Hoofddorp.rSnikkers heeftvoordemontagevancv.leidingeneenrevolutionairenuniek systeem.fp?to?theraicv. kunststof leiding systemenWatiszoRevolutionair:In de eerste plaats wordt volledig gebroken met de nogsteeds toegepaste buizen systemen. Het Gabothermsysteem berust op soepele polybutheen leidingen,beschermd door een soepele buis van polyethyleen,die vanuit de verdeler via de kortste weg wordenuitgerold over de werkvloer naar de diverse radiatoren.Dit betekent de meest eenvoudige montage, die menzich voor kan stellen, die veel kostbare manuren en dusveel geld bespaart. Geen laswerk - geen solderingen -geen voorverwarmde buizen en absoluut gegarandeerdeveiligheid.WatiszoUniek:Naast de reeds genoemde voordelen mag dit systeem ook uniekgenoemd worden, omdat het bekende tikken en andere geluiden nietmeer voorkomen en dat, door toepassing van dubbele buizeneventuele vervangingen vanuit de verdeler zonder hak- of breekwerkkunnen worden gedaan. Dit nieuwe kunststof cv. leiding systeem iszo uniek dat wij probleemloos een 30-jarige fabrieksgarantie, waarvanlOjaarmetgevolgschade kunnen geven want Gabotherm kunststofcv. leiding systemen gaan een huislang mee.Vraag snel om uitgebreide informatie.couponStuurt u mij geheel vrijblijvend uwdokumentatie van: GABOTHERMNaam bedrijfAd resPlaats/Postk.TelefoonFunktieDeze bon in open envelop sturen aan Snikkers,antwoordnummer 38, 3280 VG Strijen en uontvangt gratis alie informatie.I Postzegel plakken is niet nodig.SNIKKERS groot inprodukten en diensten voorinstallaties van CV-klimaat-beheersing, warmwater- ensanitaire voorzieningen enalle daarbij behorendekomponenten.snikkersSna[ttei?Kwidelrnt)ty.v. tixfti^trlestraat 2,9J!S1 AS SirljenTetefioon 04854"?40a Finatert in: Ot^ven- Gele6n -Girontngen - Purmerend- JSbmg - Otrecht.IVOrgaan van hetNederlands InstifuutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting l?]stedebouw en volkshuisvesting62e jaargang, maart 1981Redactie:Ir. R.M.Th. AdriaanscnsDrs. H.J.M. van AlphenDr. n. van der CammenMr. J.H. EngclDr.s. A. EvertsDr.s. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutcnIr. W. WissingRecensieredacteur:Dr.s. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-624721Redactie,administrate enpublikaties ter recensie:Van Speykstraat 252518 EV Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Uitgave vanSamsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:Samsom Uitgeverij bvPostbus 42400 MA Alphen aan den RijnP. Heijmering, exploitatieTelefoon 01720-62068Ci. van Dijk, administmlieTelefoon 01720-62191Opdraehten en materiaai wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanvcrsehijning, ingewacht.IjOsse nummers f 11,--ISSN (l()3')-(IS7yInhoudDenkraam102 Op zoek naar "woonbehoeften" van knelgroepen,drs. P. P. J. HoubenArtikelen103 Inspraakbalans; resultaten van een enquete en kanttekeningenerbij, R. Mekel111 Ruimtelijke wetenschappen en inspraakvoorlichting,drs. H. J. Hoitink117 Kostenverhaal bij partieuliere grondexploitatie,mr. A. W. Klaassen122 Uniformiteit op plankaarten; een uniforme mening?ir. A. A. M. van den Berg126 Van probleemanalyse naar structuur; een middel cmThorbecke tevreden te stellen? drs. A. Hakkenberg134 Urbanistiek als spel en als instrument; een weerwoord opgewaardeerde kritiek, prof. ir. H. M. Goudappel140 Nieuwe publikaties143 Nieuws van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening144 Berichten146 MededelingenIn dit nummerom te beginnen twee artikelen over inspraak. De Raad vanAdvies voor de Ruimtelijke Ordening hield in 1980 een enqueteonder de Nederlandse gemeenten naar de mate waarin en dewijze waarop door de gemeenten inspraak wordt verleend. Debelangrijkste resultaten worden vermeld en van commentaarvoorzien.Het tweede artikel geeft een aantal suggesties ter verbeteringvan de vaak nog onvoldoende inspraakvoorlichting.Een probleem van geheel andere aard wordt aan de orde gesteldin de derde bijdrage, nl. de mogelijkheden en onmogelijkhedenvoor gemeenten tot verhaal van de kosten van bouwrijp makenvan grond voor partieuliere grondexploitatie.Het vierde artikel is een pleidooi voor meer uniformiteit opbestemmingsplankaarten, gebaseerd op zowel de eigen ervarin-gen van de auteur als stedebouwkundige als op die opgedaantijdens de voorbereiding van het NIROV-rapport over dezematerie.In het vijfde artikel een algemene methode die gebruikt kanworden bij het structureren van problemen. Deze methode gaatuit van de formele logica. Een toepassing ervan op de hoofd-probleemstelling van de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst.Tenslotte reageert prof. ir. H. M. Goudappel op de drie eom-mentaren op zijn urbanistiekkonsept, die werden opgenomenin het februarinummer.Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1981 101DenkraamOp zoek naar "woonbehoeften" van knelgroepenBeleidsontwikkeling ten behoeve van groepen die opde woningmarkt een zeer zwakke positie innemen,zoals bijvoorbeeld bejaarden, niet-actieven, etnischeminderheden, e.d. - hier kortweg met "knelgroepen"aangeduid - vergt een bijzondere aanpak. Immers,deze knelgroepen hebben vaak op meerdere punten denodige problemen. Het is vaak ondoenlijk de speci-fieke volkshuisvestingspunten op tafel te krijgen om-dat deze verstrengeld zijn in andere vormen van soci-aal-economische en culturele achterstelling van struc-turele aard. De vraag dringt zich dan ook op of hetmoreel en methodologisch gezien wel kan en mag omwoonbehoeften min of meer te isoleren van anderevoor het bestaan belangrijke zaken.Zo zien we bij bejaarden dat ze door de samenlevinga.h.w. afgestoten zijn naar institutionele huisvestings-normen en professionele hulpverleners. Bij de niet-actieven is er weliswaar steeds de theoretische moge-lijkheid voor werk, maar zeker gezien de economischerecessie is die kans gering. Door inkomensdaling, ont-breken van mogelijkheden in woning en woonomge-ving, belemmeringen in de sociale verzekeringssfeere.d. wordt het erg moeilijk gemaakt zinvoUe bezighe-den op te pakken. Bij etnische minderheden spelennaast woonproblemen vaak als nog ernstiger ervarenpunten rond verblijfsvergunning, discriminatie, ge-zinshereniging, werkgelegenheid, spanningen in deeigen minderheidsgroep e.d.Het isjuist deze opeenstapeling van problemen, waar-door het achterhalen van zgn. woonbehoeften vanknelgroepen niet alleen een complexe zaak is, maarook in ethisch opzicht de nodige vragen oproept. Vooronderzoek betekent dit dan ook proberen zich eerst inte leven hoe de betrokkenen hun situatie ervaren. Watvinden zij belangrijk? Wat zien zij als goede oplossin-gen? Wat willen ze zelf graag doen? Een dergelijkebenadering betekent vooral veel tijd nemen voor con-tactlegging en gesprekken. Soms zal eerst nog gewerktmoeten worden aan het op gang brengen van eenbewustwordingsproces, want de kans dat men in een-malige vraaggesprekken routinematige antwoordenkrijgt, is zeer groot. Deze routinematige antwoordenzijn voor beleidsontwikkelaars vaak herkenbaar enbevredigend omdat ze vaak sterk lijken op woonwen-sen van niet-knelgroepen of kloppen met de oplossin-gen van een specifiek beleid. Toch hoeven die ant-woorden niet altijd een wezenlijke bijdrage in te hou-den voor de oplossing van de eigenlijke achterstelling.Het is niet ondenkbaar dat honorering van dergelijkewoonwensen nog meer of nieuwe problemen oproeptzoals nog hogere uitgaven voor het wonen, verdereisolatie als groep van de rest van de samenleving,grotere afhankelijkheid van (semi)-overheidsinstan-ties e.d.Naar onze mening kan en mag onderzoek onder knel-groepen alleen vanuit een emancipatorisch perspec-tief plaats vinden. Pas als deze groepen een voldoendsterke positie in het besluitvormingsproces innemen,zijn ze in staat op reele wijze hun woonwensen zelf teformuleren en in te brengen.De onderzoek(st)er die vanuit dit idee aan de slag gaatbotst dan ook vrij snel tegen allerlei belemmeringen inde samenleving. Tenslotte zijn de betrokkenen nietvoor niets in de knel gekomen. Ook de kwalitatieve enemancipatorische aspecten van zijn onderzoeksont-werp, welke eigen zijn aan bovengenoemde benade-ring, ontmoeten slechts bij weinigen begrip. Vooralals voorgesteld wordt om tijdens het onderzoek eeninteractief communicatieproces tussen knelgroep enbeleidsontwikkelaars te starten - hetgeen alleen al omredenen van beleidsrendement van het onderzoekgewenst is - moet rekening gehouden worden metgevoelsmatige weerstanden. In dat soort situatiesbeseft men hoe belangrijk "vrijheid van wetenschaps-beoefening" is. Een volkshuisvestingsbeleid dat echtiets voor knelgroepen wil doen en zich niet wil beper-ken tot het creeren van een gebouwde omgeving, zalaan bovenstaande aanpak een kans moeten geven.Piet Houben102 Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981Inspraakbalansresultaten van een enquete en kanttekeningen erbijRence Mekel*1. InleidingVanaf de tweede helft van de zestigerjaren is er een duidelijke behoefte aaninspraak te constateren. Deze vraagnaar inspraak heeft een brede maat-schappelijke achtergrond, zo stelt deRaad van advies voor de ruimtelijkeordening in zijn in 1970 uitgebrachte"advies inzake het betrekken van debevolking bij de vorming van het ruim-telijke beleid".Het blijkt - aldus genoemd advies -dat de invloed die de burger op hetbeleid kan uitoefenen via de door hemof haar gekozen politieke organen nietmeer voldoende wordt gevonden. Eenmogelijke verklaring is gelegen in demaatschappelijke en bestuurlijkeschaalvergroting, waardoor met nameoverheid en burgerij zich steeds verdervan elkaar verwijderen. Deze schaalver-* Werkzaam bij het Centraal Punt In-spraak, een onderdeel van het secretariaatvan dc Raad van advies voor de ruimtelijkeordening.Inspraak wordt steeds meer beschouwd als een niet meer weg te denken onderdeelvan het bestuurlijk besluitvormingsproces.Eind 1979 is door het Centraal Punt Inspraak nagegaan hoeveel gemeenten reedservaring hebben opgedaan met inspraak bij het genieenteHjk ruimtelijk ordenings-beleid en hoe in de praktijk inspraak verleend wordt.In dit artikel worden de resultaten van deze inventarisatie beschreven en wordt debalans opgemaakt o.a. aan de hand van het in 1977 ingediende voorstel tot wijzigingvan de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In dit wetsontwerp wordt met name in artikel22a voorgesteld het gemeentebestuur te verplichten een verordening vast te stellen,waarin geregeld wordt hoe de bevolking bij de voorbereiding van een bestemmings-plan of herziening daarvan betrokken zal worden.groting gaat gepaard met een toenemen-de behoefte aan specialisatie met hetgevolg dat het voor niet-specialisten(burgers) steeds moeilijker wordt om inallerlei problemen die hen aangaan in-gevoerd te raken, laat staan om hieractief over mee te denken. De ondoor-zichtigheid van het overheidsapparaaten het overheidsbeleid is mede doordeze schaalvergroting toegenomen. Debehoefte aan inspraak heeft ook te ma-ken met het voortdurend veranderenvan waarden- en normenpatronen vanmaatschappelijke groeperingen. Doorregelmatig voeling te houden met wat eronder de bevolking leeft kan de kwali-teit van het overheidsbeleid verbeterdworden. De veranderende opvattingenen de behoefte aan inspraak hangeneveneens samen met de verschuiving dielangzamerhand heeft plaatsgevondenvan een welvaartsgerichte naar een wel-zijnsgerichte samenleving.Ook de overheid heeft de behoefte aaninspraak onderkend. Dit blijkt bijvoor-beeld reeds uit de "Nota over de open-baarheid bij de voorbereiding van hetruimtelijk beleid" waarin wordt gestelddat..."de regering het van grote betekenisacht, dat beslissingen die van invloedzijn op de ruimtelijke structuur en dekwaliteit van de omgeving van de mensniet worden genomen zonder dat eenieder wiens leefomgeving in het gedingis, zijn aandeel heeft kunen hebben in degedachtenvorming. Informatie en pu-blieke discussie zijn van wezenlijk be-lang voor de werking van de democraticen van de kwaliteit van het overheids-beleid, met name ook op het gebied vande ruimtelijke ordening".Sedert het verschijnen van deze nota(1972) hebben zich verschillende ont-wikkelingen op het terrein van de in-spraak voorgedaan.Niet alleen zijn er intussen heel watervaringen met het fenomeen inspraakopgedaan maar inspraak wordt ooksteeds meer beschouwd als een geinte-greerd onderdeel van het beleid. Ditlaatste blijkt onder meer uit het procesvan codificatie van de inspraak dat inhet ruimtelijk bestuursrecht de afgelo-pen jaren snel op gang gekomen is. Inhet voorstel tot wijziging van de Wet opde Ruimtelijke Ordening wordt metname voorzien in een verruiming van deStedchouw en Volkshuisvextiiig, maart 1981 103inspraakbalansmogelijkheden voor de bevolking ombetrokken te raken bij haar leefomge-ving, zowel op nationaal niveau (bij deplanologische kernbeslissingen) als oplokaal niveau (bij bestemmingsplan-nen).Bij bestemmingsplannen kan thansformeel pas een mening gegeven wor-den (bezwaarschrift) als het plan ter vi-sie ligt. Om in deze situatie veranderingte brengen wordt in het wetsontwerpvoorgesteld de gemeenten te verplichteneen inspraakverordening vast te stellen.Ook het ontwerp van Wet op de Stads-en Dorpsvernieuwing verplicht ge-meenten om een verordening vast testellen, waarin geregeld wordt hoe debevolking bij de voorbereiding vanstadsvernieuwingsmaatregelen betrok-ken zal worden. Naast deze twee wets-voorstellen zijn er nog vele andere wet-ten en wetsontwerpen waarin inspraakop een of andere wijze een plaats heeftgekregen of zal krijgen: de Wet Algeme-ne Bepalingen Milieuhygiene, de ont-werp-Landinrichtingswet en het voor-ontwerp van Wet op de Waterhuishou-ding.In eerste instantie werd inspraak al-leen toegepast bij het ruimtelijk beleid,maar geleidelijk aan komt inspraak nuook op allerlei andere beleidsterreinenvoor. Een recent voorbeeld van dezeverbreding is te vinden in het vooront-werp tot wijziging van de Gemeentewetwaarin aan het gemeentebestuur de ver-plichting wordt opgelegd om een in-spraakverordening in algemene zin, duslos van een specifieke beleidssector, opte stellen.Met het oog op bovengenoemde ont-wikkelingen bestaat er thans, na tienjaar experimenteren met het fenomeeninspraak, een duidelijke behoefte aanhet opmaken van de balans.Het Centraal Punt Inspraak, een onder-deel van het secretariaat van de Raadvan advies voor de ruimtelijke ordening,heeft daarom eind 1979 een uitgebreideschriftelijke enquete onder alle Neder-landse gemeenten gehouden. Deze en-quete moest in de eerste plaats eeninzicht opleveren in de stand van zakenbetreffende de inspraak in de verschil-lende gemeenten en de mate waarininspraak per gemeente voorkomt. In detweede plaats is getracht uit de enqueteeen beeld te verkrijgen over de wijzewaarop inspraak bij ruimtelijke plan-nen plaatsvindt.De respons op de enquete was bijzon-der hoog. Praktisch alle gemeentenFiguur 1HET VOORKOMEN VAN INSPRAAK PER GEMEENTE NAAR GROOTTE-KLASSE IINWONERTALIDe mate waarin inspraak voorkomt en in hoeverre uitgangspunten voor tiet inspraokbeieid zijn vostgelegd5 000 - 10 00010 000 - 20 00020 000 - 50 000 in'0 10 20 30 40 50 60 70(95%) hebben de vragenlijsten inge-vuld.In de enquete is inspraak op de vol-gende wijze gedefinieerd:"een georganiseerde gelegenheid vooreen ieder om meningen te vormen en teuiten over uitgangspunten en beleids-voornemens van het gemeentebestuur,alsmede over de uitvoering van gemeen-telijke plannen".Onder punt 2 worden de resultaten vande enquete globaal beschreven. Medeaan de hand van deze beschrijving zalonder punt 3 de balans worden opge-maakt en een aantal opvallende resulta-ten nader worden toegelicht.2. Inspraak geteld (de resultaten)Gemeenten met inspraakUit de enquete blijkt dat de meestegemeenten in de loop der jaren (sinds1974) wel ervaring met het verlenen vaninspraak hebben opgedaan, echter veel-al zonder dat er uitgangspunten en cri-teria voor de inspraak zijn vastgelegd.Tevens blijkt dat een vijfde deel vanalle gemeenten vanaf 1974 geen in-spraakprocedure georganiseerd heb-ben. Dit zijn zoals uit figuur 1 blijktvooral de kleinere gemeenten en in hetbijzonder de gemeenten met minderdan 5000 inwoners.Dat een relatief groot aantal gemeen-ten ervaring met inspraak heeft opge-daan wil echter niet zeggen dat inspraakin al die gemeenten dan ook algemeengangbaar (dus regelmatig) is. Het zijnmet name de grotere gemeenten metmeer dan 20.000 inwoners waar in-spraak regelmatig verleend wordt (ziefiguur 1).InspraakbeleidEen kwart van alle gemeenten heeftalgemene uitgangspunten voor een in-spraakbeleid vastgelegd in een verorde-ning of in een inspraaknota, of was daarop het moment dat de enquete gehou-104 Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981inspraakhalansden werd mee bezig. Zoals uit het rech-terdeel van figuur 1 blijkt zijn het vooralde grotere gemeenten die uitgangs-punten voor het inspraakbeleid op eenof andere wijze hebben vastgelegd.Deze uitgangspunten hebben meestalniet alleen betrekking op de inspraak bijhet ruimteUjk beleid maar ook op in-spraak bij andere sectoren van het ge-meentelijk beleid.Plannen met inspraakInspraak wordt niet bij alle plannen diein het kader van de Wet op de Ruimte-lijke Ordening worden opgesteld in de-zelfde mate verleend. In hoeverre in-spraak bij bepaalde plansoorten wordttoegepast, blijkt uit schema 1.Het is opvallend dat inspraak relatiefvaker voorkomt bij de wat abstractereplanfiguren als doelstellingennota's enstructuurplannen. Bij het(juridischbin-dend) gedctailleerd bestemmingsplankomt inspraak in verhouding minderDe ontwikkeling van de inspraakin de loop van de tijdVergelijking van het aantal gemeentenen het aantal plannen met inspraak inde periode 1974-1976 met de periode1977-1979 laat zien dat de inspraakver-lening geleidelijk aan is toegenomen.Zowel het aantal gemeenten als het aan-tal plannen met inspraak is daadwerke-lijk toegenomen. De groei is echtervooral veroorzaakt door de sterketocname van het aantal gemeenten datertoe is overgegaan om inspraak te ver-lenen. Er is dus sprake van een zekerinhaaleffect.ProcedureheschrijvingenNa een globale beschrijving van destand van zaken en de ontwikkeling vande inspraak bij het gemeentelijke ruim-telijke beleid volgt hieronder een kortoverzicht over de wijze waarop de in-spraak in het algemeen verleend wordt.Van de 779 gemeenten die aan de en-quete hebben deelgenomen hebben 517gemeenten een of meerdere inspraak-Schema 1 Periode 1974 - najaar 1979% gemeentenwaarmaantal plantype % gemeenten % plannen metPlansoorl plannen voorkomt met inspraak inspraakDoelstellingennola 412 27% 21% 78%Structuurplan 197 22% 16% 71%Gemengdbestemmingsplan 586 31% 18% 54%Globaal bestem-mingsplan 480 30% 16% 55%Gedctailleerdbest.plan 4.594 87% 51% 30%Uitwerkingsplanex art. 11 1.126 40% 12% 28%doelstellingennotastructuurvisie, -schetsstructuurplanglobaalbestemmingsplangemengdbestemmingsplangedetoilleerdbestemmingsplanuitwerkingsplanex artikel 11 W.R.O.procedures beschreven. De keuze ombepaalde procedures wel dan niet tebeschrijven lag bij de gemeenten zelf.De in totaal 862 procedureheschrijvin-gen hebben een groot aantal gegevensopgeleverd. Alvorens over te gaan tot debeschrijving van de meest in het oogspringende procedurekenmerken eerstnog een aantal kanttekeningen. Metdeze kanttekeningen moet bij het vol-gende overzicht van de wijze waarop deinspraak plaats vindt rekening wordengehouden.Zowel de keuze van de beschrijvingenvan de 862 procedures als de contextwaarin de procedures zelf hebbenplaatsgevonden zijn niet eenduidig vanaard, maar vormen een complex geheel.Procedureheschrijvingen zijn afkomstiguit een veelheid aan gemeenten, die elkop hun beurt qua inwonertal, politiekesamenstelling van het bestuur en moge-lijke financiele middelen verschillen.Procedurebeschrijvingen hebben be-trekking op verschillende soorten plan-nen. Zo heeft bv 40% van de beschrevenprocedures betrekking op gedetailleer-de bestemmingsplannen.Procedurebeschrijvingen zijn op di-verse manieren door de gemeenten ge-waardeerd. In bijna de helft (45%) vande gevallen zijn de procedures door degemeente als gebruikelijk (d.w.z. vakervoorkomend) aangemerkt. (Een aantalgemeenten verstond onder gebruikelijkdat de door hen beschreven procedurein de toekomst vaker zal worden toege-past.)Op grond van een ander waarderings-criterium werd 41% van de beschrevenprocedures door de gemeenten zelf alseenvoudig aangeduid. Het is duidelijkdat er niet alleen verschillende criteriate onderkennen zijn (gebruikelijk-nietgebruikelijk; eenvoudig-complex),maar dat de procedures ook betrekkingStedchouw en Volkshuisvesting, maart 1981 105inspraakhalanshebben op verschillende plansoorten envaak in een onderling verschillende con-text hebben plaats gevonden.In figuur 2 worden enkele criteria vi-sueel weergegeven. De in totaal 862beschreven procedures zijn in deze fi-guur onderverdeeld op grond van 3 ver-schillende criteria.De binnenste ring geeft de verdelingaan van het aantal gebruikelijke en nietgebruikelijke procedures.De volgende ring geeft de verdelingaan naar de aard (eenvoudig, gemiddelden complex) van de procedures.De derde ring geeft de verdeling aanvan het aantal beschreven proceduresper gemeentegrootte-klasse.Het aantal beschreven proceduresper gemeentegrootte-klasse is vervol-gens in de twee buitenste ringen even-eens onderverdeeld naar zowel gebrui-kelijkheid als aard van de procedures.Uit figuur 2 blijkt dat bij grotere ge-meenten de beschreven inspraakproce-dures relatief vaker als gebruikelijk om-schreven worden dan bij kleinere ge-meenten. In gemeenten met minder dan20.000 inwoners is meer dan 60% van debeschreven procedures niet-gebruike-lijk, terwijl in gemeenten met meer dan50.000 inwoners juist 60% van de be-schreven procedures wel als gebruike-lijk omschreven wordt.Naarmate de gemeenten groter wor-den veranderd tevens de aard van hetovergrote deel van de procedures vaneenvoudig naar complex.Procedure kenmerkenHet initiatief en de organisatie van deinspraakHet initiatief om een inspraakprocedu-re te organiseren komt als regel van degemeente zelf. In overige situaties is hetinitiatief afkomstig van belanghebben-de burgers, externe adviseurs, actiegroe-pen en/of belangenorganisaties. De in-spraakprocedures die hun start madedankten aan initiatieven van derden zijndoor dezen dikwijls samen met de ge-meente opgesteld en uitgevoerd. De opdeze wijze gestarte, opgestelde en uitge-voerde procedures zijn wat gevarieerdervan aard, duren wat langer en sorterenmeer effect op het uiteindelijke plan.Het merendeel van de beschreven in-spraakprocedures wordt echter door degemeente zelf opgesteld en ook uitge-voerd. De procedures die de gemeenteniet alleen, doch samen met belangheb-benden of externe deskundigen, zoalsstedebouwkundige adviesbureaus, wel-zijnsinstellingen en professionele in-spraakbureaus heeft opgesteld en uitge-Figuurvoerd hebben vaak een eigen karakter.Deze procedures worden vaker van te-voren gepland en na afloop geeva-lueerd. Er worden meer en specifiekerevoorlichtingsmiddelen en inspraaktech-nieken gebruikt. De procedures wordendaaronder vaak ingewikkelder en ne-men meer tijd in beslag dan de proce-dures die met behulp van de eigen man-kracht van een gemeente worden uitge-voerd.Het grootste aantal procedures (58%)wordt vooraf gepland en uitgewerkt.Een gedeelte van deze geplande proce-De 862 beschreven inspraakprocedures verdeeld naar:a {[x;:;:;:::;! 384 (A5%) gebruikelijke procedures[:x>>;x;"| i78 (55%) niet gebruikelijke proceduresb liSSiSSJ 351 (41 %) eenvoudige proceduresIjiiiigiiil 289 (33%) gemiddeldel^:^:--'x^y$J 222 (26%) complexe proceduresC I 160 I aantal inspraakprocedures per gemeente naar grcotte-klosse106 Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981inspmakhalansdures wordt gepubliceerd. De publika-tie bcvat dan in ieder geval een tijdsche-ina voor de inspraak zelf. Planningvooraf is echter lang niet altijd een regel.Bij de overige inspraakprocedures(42%) is sprake van improvisatie. Dezeprocedures komen met name in kleineregemeenten voor.De voorlichtingsmiddelen enimpraaktechniekenInformatie-avond(en), advertenties enpersberichten zijn de meest gebruiktevoorlichtingsmiddelen om het voorge-nomen beleid en de te houden inspraak-procedure bekend te maken. Daarnaastheeft de voorlichting veelal plaats via albestaande kanalen, door middel vanartikelen in huis aan huis bladen en ingemeentelijke voorlichtingsperiodie-ken. Speciaal ten behoeve van de in-spraak ontworpen voorlichtingsmidde-len, zoals informatiemappen, tentoon-stellingen, films e.d. worden over hetalgemeen minder vaak toegepast.In de regel worden per inspraakpro-cedure meerdere voorlichtingsmiddelengebruikt.De meningsvorming van de inspre-kers vindt in de huidige gemeentelijkeinspraakpraktijk vooral plaats doormiddel van een algemene discussie-avond (vaak tevens de informatie-avond), een hoorzitting en de mogelijk-heid tot het indienen van een schriftelij-ke reactie. Ook hier geldt, dat per pro-cedure verschillcnde inspraaktechnie-ken naast elkaar worden gebruikt, af-hankelijk van de aard van de procedure.Het inspreken door middel van ge-spreksgroepen gebeurt slechts in 29%van do beschreven inspraakprocedu-res.Tijd en kostenDe periode die inspraak zelf over hetalgemeen in beslag neemt, exclusief devoorbereidingstijd en de tijd die nodig isvoor de verwerking van de inspraakre-sultaten, is vaak kort. Een kwart van debeschreven procedures nam minder daneen maand in beslag; bijna tweederdedeel van de procedures minder dan eenhalf jaar.Naarmate een inspraakprocedure in-gewikkelder wordt en er meer voorlich-tingsmiddelen en technieken wordengebruikt, neemt de tijd die ervoor nodigis toe.Er blijkt enige relatie te bestaan tus-sen de tijdsduur van een inspraakproce-dure en het effect van de inspraak:neemt een procedure meer tijd in beslag,dan neemt de kans toe dat het uiteinde-lijke plan op punten van wezenlijk be-lang wordt gewijzigd.Veel gemeenten bleken niet in staat tezijn om de kosten van de gehoudeninspraakprocedures achteraf te ramen.Voor zover dit wel lukte blijken in deregel de kosten (exclusief de kosten vanhet eigen ambtelijk apparaat) voor eeninspraakprocedure beneden de/ 10.000,- te liggen. Slechts 72 van debeschreven procedures hebben meerdan/50.000,- gekost.Terugkoppeling van deinspraakresultatenActieve openbaarheid met betrekkingtot het bekend maken van de inspraak-reacties is bij de beschreven proceduresgeen regel. Slechts bij eenderde van deprocedures worden de inspraakreactiesin "ruime mate" bekend gemaakt. Ookblijkt dat er bij grotere gemeenten vakersprake is van ruime bekendmaking. Deindruk bestaat dat naarmate er meerwerk is gemaakt van de inspraak er ookmeer bekendheid aan de resultaten vandie inspraak wordt gegeven.Een standpuntbepaling omtrent deinspraakreacties door het bestuur ge-beurt vaak impliciet in de voorstellenvan Burgemeester en Wethouders aande gemeenteraad.Het effect van de inspraakIn hoeverre de insprekers daadwerkelijkinvloed hebben kunnen uitoefenen ophet uiteindelijke plan is moeilijk meet-baar. Meestal tracht men de invloed vande inspraakresultaten te bepalen aan dehand van wijzigingen die in het oor-spronkelijke beleidsvoornemen of ont-werp-plan zijn aangebracht.Aan de gemeenten is daarom ge-vraagd in hoeverre er als gevolg van deinspraakprocedure wijzigingen in hetoorspronkelijke beleidsvoornemen ofhet ontwerp-plan zijn aangebracht.Gebleken is dat het slechts zeldenvoorkomt dat ten gevolge van de in-spraak een plan volledig wordt gewijzigdof ingetrokken. Bij 234 van de beschre-ven procedures (28%) is het plan even-wel op punten van wezenlijk belanggewijzigd en bij 364 procedures (42%)op punten van ondergeschikt belang.Waardering en knelpuntenDe meeste gemeenten zijn van meningdat de gehouden inspraakprocedureszinvol zijn geweest. Of de insprekers deinspraak even zinvol hebben gevondenkan uit de enquete, die zich uitsluitendop de gemeenten richtte, niet wordenafgeleid.Bij de gemeenten bestaat echter deindruk dat ook de insprekers de proce-dures als zinvol hebben ervaren.Een groot deel van de procedures isdoor de gemeenten als ccnvoudig ge-kwalificeerd en 222 procedures als (ta-melijk) complex.Zoals te verwachten nemen de inge-wikkelde procedures meer tijd in beslagen kosten meer geld. Bij ingewikkeldeprocedures worden niet alleen meermaar ook betere voorlichtingsmiddelenen technieken aangewend. De organisa-tie van deze procedures is meestal nietalleen in handen van de gemeente. Ookwordt er bij deze procedures meer voor-af gepland, meer bekendheid aan deinspraakresultaten gegeven en blijkt heteffect op het uiteindelijke plan als regelgroter te zijn. De ingewikkelde procedu-res komen meer in grotere gemeentenvoor en vaker bij bepaalde soorten plan-nen (structuurplannen en doelstellin-gennota's).Als belangrijkste knelpunten voor deinspraak gelden: onvoldoende duide-Stedehouw eii Volkshuisvesting, maart 1981 107inspraakhalanslijkheid over de plannen van de hogereoverheden; te weinig alternatieven omtijdens de inspraak over te discussieren;te weinig mogelijkheden om tot een goe-de meningsvorming te komen en hetontbreken van een vertrouwensrelatietussen het gemeentebestuur en de in-sprekers. Tijd en kosten spelen als knel-punt een beperkte rol.3. De resultaten nader beschouwdDe balans opgemaaktDe wijze waarop men het verkregenbeeld interpreteert is uiteraard sterk af-hankehjk vanuit welke optiek men deresultaten beschouwt. De in dit artikelgekozen benadering is dan ook slechtseen van de vele mogelijkheden. Eenpositief punt is dat vier van de vijfgemeenten sedert 1974 ervaring met hetverlenen van inspraak hebben opge-daan en dat er van een duidelijketoename sprake is. Omdat inspraakgeen tijdelijk verschijnsel is en langza-merhand een vast onderdeel van hetbesluitvormingsproces wordt, is het teverwachten, dat het gesignaleerde groei-proces in de toekomst gecontinueerd zalworden. Grotere gemeenten verlenennu immers al regelmatig inspraak, veelalmet een vast patroon en volgens eenmeer uitgekristalliseerde fundamenteleprocedure.Alhoewel de mate waarin inspraakverleend wordt als positief gekenschetstkan worden blijkt de enquete een min-der gunstig beeld te verschaffen over dewijze waarop inspraak verleend wordt.Inspraak blijft meestal beperkt tot eenhoorzitting of algemene discussie-avond. Het vormen van werkgroepen/gespreksgroepen is bepaald geen door-snee inspraaktechniek. Inspraakproce-dures hebben dus over het algemeenmeer een procedureel dan een funda-menteel karakter. De meeste procedu-res zijn betrekkelijk sober.Dat het grootste gedeelte van de in-spraakprocedures zeer eenvoudig opge-zet is, blijkt ook wel uit de tijd die in hetalgemeen voor inspraak uitgetrokkenwordt. Tweederde van alle proceduresnamen immers minder dan een halfjaarin beslag en een kwart slechts eenmaand. Men kan zich dan ook afvragenof dergelijke eenvoudige inspraakpro-cedures, die binnen zeer korte tijd afge-rond zijn, burgers wel voldoende gele-genheid bieden om een mening te vor-men en te uiten over de uitgangspuntenen beleidsvoornemens.De gemeentelijke inspraakparagraafIn het wetsontwerp tot wijziging van deWet op de Ruimtelijke Ordening wordtvoorgesteld om de inspraak formed teregelen. Met het oog hierop wordt deinspraakparagraaf uit de wijzigingWRO nader beschouwd.In de memorie van toelichting op ditwetsontwerp staat met betrekking tothet karakter van de inspraak ondermeer het volgende: "Van enigerlei dis-cussie tussen aan de ene kant de bevol-king en aan de andere kant degenen, diehet plan (in ontwerp) voorbereiden isveelal geen sprake. De soms spontaanvan gemeentewege gehouden 'hearings'hebben meer het karakter van een voor-lichtingsbijeenkomst - als zodanigwordt hun waarde geenszins ontkend -,dan dat sprake is van een meedenken en-praten van de bevolking over de voorhaar wenselijk geoordeelde ruimtelijkeontwikkeling van een bepaald gebied,om van een medevormgeving van dieontwikkeling in een tot stand te brengenstedebouwkundige maatregel maar tezwijgen. Daargelaten of dit laatste moetworden gerekend te behoren tot de doel-einden van hetgeen gemeentelijke 'in-spraak' wordt genoemd, - de onderge-tekenden, de toenmahge Ministers vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Orde-ning en van Binnenlandse Zaken, ziendaarin allereerst een middel tot verster-king van de representatieve democratic- zijn zij van oordeel, dat het gewenst is,ten einde in elk geval de mogelijkheidtot het 'meepraten' te waarborgen, degemeenten te verplichten een verorde-ning vast te stellen, waarin de wijzewaarop de bevolking bij de voorberei-ding van een bestemmingsplan wordtbetrokken, wordt geregeld."In artikei 22a van het ontwerp van wetwordt dit nader uitgewerkt.Gesteld wordt dat de door de ge-meenteraad vast te stellen verordeningin ieder geval voorschriften moet bevat-ten omtrent:- de bekendmaking van de voorberei-ding van een plan, de beweegredenendaarbij en het adres voor nadere inlich-tingen;- de wijze waarop de bevolking zijnmening naar voren kan brengen en zo-wel onderling als met vertegenwoordi-gers van het gemeentebestuur van ge-dachten kan wisselen;- de rapportering van de meningen ende uitkomsten daarvan.Hoe verhouden dCze uitspraken enregelingen zich nu tot de dagelijkse in-spraakpraktijk? Uit de enquete is geble-ken dat het beeld dat in de memorie vantoelichting geschetst wordt grotendeelsklopt. De meest gebruikte inspraaktech-nieken waren immers de hoorzitting ende algemene discussie-avond waarbij delaatste dikwijls tevens als informatie-avond gold. Van een werkelijke dialoogtussen vertegenwoordigers van het ge-meentebestuur en de belanghebbendenis veelal geen sprake. En juist deze dia-loog dient volgens het wetsontwerp ge-regeld te worden. Ook moet de bevol-king onderling van gedachten kunnenwisselen. Uit de hedendaagse inspraak-praktijk blijkt echter dat het insprekenvia gespreksgroepen, waar deze onder-linge gedachtenwisseling plaats kanhebben, nog geen regel is.Wat betreft de rapportering van demeningen en uitkomsten daarvan blijktuit de enquete dat ook hier nog hetnodige aan verbeterd dient te worden.De inspraakresultaten worden vaak nietof in beperkte mate bekend gemaakt.En ook de terugkoppeling van inspraak-resultaten is niet altijd even doorzichtig.Ook dient er in een inspraakverorde-108 Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981inspraakhalansning geregeld te worden, hoe de voorbe-reiding van een plan bekend gemaaktwordt, wat de redenen zijn en waarnadere informatie verkregen kan wor-den.Wat dit punt betreft kan verwezenworden naar artikel 2, lid 2 van de op 1mei 1980 in werking getreden WetOpenbaarheid van Bestuur waarin hetvolgende vermeld staat: "Het over-heidsorgaan draagt zorg dat de infor-matie wordt verschaft in begrijpelijkevorm, op zodanige wijze, dat belang-hebbendc en belangstellende burgerszovecl mogelijk worden bereikt en opzodanige tijdstippen dat deze hun in-zichten in de loop van het bestuurspro-ces tijdig ter kennis van het overheids-orgaan kunnen brengen".Inspraak zou al voor een groot deelgewaarborgd zijn als overheidsorganenvoldoen aan hetgeen in bovengenoemdartikel staat vermeld.Discrepantie inspraakverlening hij(gedetailleerde) hestemmingsplannen enandere gemeentelijke ruimtelijkeplannenUit de enquete komt naar voren dat erbij de wat abstractere planfiguren rela-tief vaker dc mogelijkheid tot inspraakwordt geboden. Uit diverse publicatiesis onder meer gebleken dat naarmatehet plan concreter wordt en de directebelangen van de burgers in het gedingkomen de belanghebbenden meer bij deplanvorming betrokken wensen te wor-den. Het inrichten van de ruimte is eenzaak die alien aangaat. Hoe "dichterbij" deze ruimte is hoe concreter de pro-blematiek wordt en daardoor ook vangrotcr belang voor de burger om erinvloed op uit te oefenen. Dat de rege-ring er ook zo over denkt blijkt onderandere uit het hiervoor genoemde wets-ontwerp tot wijziging van de Wet op deRuimtelijke Ordening. Uit de enqueteblijkt cchter dat er relatief weinig in-spraak voorkomt bij de gedetailleerdebestcmmingsplannen in vergelijking totstructuurplannen. In bestcmmingsplan-nen is juist de directe leefomgeving inhet geding. (Een parkeerplaats in plaatsvan een kinderspeelgelegenheid.)Een gedeeltelijke verklaring hiervooris wellicht dat inspraak tot dusver hetmeest voorkomt in de grotere gemeen-ten (zie figuur 1), terwijl daar ook struc-tuurplannen en andere ruimtelijke plan-nen meer voorkomen dan in de kleineregemeenten. Het ruimtelijk beleid in dekleinere gemeenten wordt vaker via be-stemmingsplannen geregeld, terwijl in-spraak daar over het algemeen niet totde praktijk van elke dag gerekend kanworden. Uit de procedurebeschrijvin-gen blijken dezelfde tendensen. De doorde grote gemeenten beschreven proce-dures hebben vooral betrekking opstructuurplannen en andere ruimtelijkeplannen en zijn meestal ingewikkeldvan aard, terwijl de procedurebeschrij-vingen uit kleine gemeenten vooral be-trekking hebben op (gedetailleerde) be-stcmmingsplannen en eenvoudig vanaard zijn.Een andere mogelijke verklaring kangevonden worden in de omvang van hetplan. Onder de bestcmmingsplannenzijn heel wat postzegelplannetjes en mi-nimale herzieningen van het plan. Bijdeze plannen zal waarschijnlijk geen ofnauwelijks inspraak verleend worden.Daarnaast bestaat er in kleine ge-meenten vermoedelijk minder behoefte(noodzaak) aan een georganiseerdevorm van inspraak bij het opstellen vaneen ruimtelijk plan. In deze gemeentenis de afstand tussen het bestuur en debestuurden over het algemeen mindergroot en vinden opvattingen van bur-gers ook zonder georganiseerde in-spraakprocedures hun weg wel naar hetgemeentebestuur.Het effect van de inspraakHet effect van de inspraak is moeilijkmeetbaar. De gemeenten, zo blijkt uitde enquete, vinden dat de inspraak ze-ker effect gehad heeft. In 70% van alleprocedures hebben de inspraakresulta-ten op een of andere wijze doorge-werkt.In 234 gevallen (28%) zijn zelfs in hetplan naar aanleiding van de inspraakfundamentele wijzigingen aangebracht.De inspraakprocedures die bij voor-noemde 234 gevallen gehouden zijn ver-tonen specifieke kenmerken. Deze pro-cedures zijn met name complex vanaard, en het initiatief om inspraak teverlenen is niet van de gemeente zelfafkomstig. Er is vaker door middel vangespreksgroepen ingesproken en veel-vuldig is gebruik gemaakt van hetspreekrecht in gemeenteraad en ge-meenteraadscommissies. Niet alleenstaan de uitgangspunten en doelstel-lingen vaak ter discussie maar ook alter-natieven en varianten, marges en rand-voorwaarden en bij 58 van deze proce-dures zelfs de spelregels voor inspraak.Deze procedures duren meestal langerdan een half jaar.Het effect van de inspraak lijkt dusten dele bepaald te worden door dewijze waarop inspraak verleendwordt.De invloed van de inspraakresultatenop het uiteindelijke plan zal danig ver-zwakt worden als er onvoldoende dui-delijkheid bestaat over het standpuntvan het rijk of de provincie met betrek-king tot het plan (belangrijkste knel-punt). Duidelijkheid is van groot belangbij het vaststellen van marges en rand-voorwaarden (onder andere de financie-le en ruimtelijke mogelijkheden) waar-mee bij inspraak rekening gehoudenmoet worden.De invloed van inspraak is echter nietalleen meetbaar aan de hand van "wij-zigingen" van het plan. Bij het opstellenvan bepaalde typen plannen (bijvoor-beeld stadsvernieuwingsplannen)werken insprekers en planontwerpers alvanaf een pril stadium gedurende hethele planproces samen. De wederzijdsebeinvloeding zal hier uiteindelijk moe-ten leiden tot een zekere consensus overhet uiteindelijke plan. Inspraak op dezewijze vormt een geintegreerd onderdeelvan het planproces.Ten slotte moet nog gewezen wordenop de indirecte effecten van de inspraakdie grotendeels onmeetbaar zijn. Hier-Stedehouw en Vnlkshuisvesting. maart 1981 109inspraakhalansbij kan men denken aan een meer be-wuste en beter afgewogen standpuntbe-paling over het te voeren beleid. In-spraak zou een preventieve werkingkunnen hebben. Meer bezinning en eeninterne discussie (vooraf) binnen hetambtelijk apparaat tezamen met eengeleidelijke verandering van de werk-houding van de ambtenaar zou ook alspositief effect kunnen optreden.De doorwerking van de inspraak kandus genuanceerd benaderd worden, ze-ker kan uit de enquete niet zonder meerde conclusie getrokken worden dat in-spraak nauwelijks effect heeft.4. Tot slotUit de inventarisatie blijkt dat de ge-meentelijke inspraakverlening nog langniet is volgroeid. Er zal op het gebiedvan de inspraak nog veel geexperimen-teerd en geleerd moeten worden. Hetopdoen van ervaring en het uitwisselenvan resultaten bUjft van belang, metname voor de kleinere gemeenten. Eeneventuele verphchtstelhng van een in-spraakverordening zoals die in het ont-werp van Wet tot wijziging van de Wetop de RuimteHjke Ordening wordtvoorgesteld kan het ontwikkehngspro-ces van de inspraak en de structureringervan bevorderen. Het verphcht vast-stellen van een inspraakverordeningwaarborgt echter nog niet een goed engedegen inspraakproces. Verantwoor-ding afleggen over de wijze waarop deverordening toegepast wordt en de te-rugkoppehng van de inspraakresuhatenzullen met name geregeld dienen te wor-den.Gewaakt moet worden voor slechtseen structurering van de inspraak oppapier. Schriftelijke regels moeten ookin de praktijk worden toegepast. Dewisselwerking tussen deze regels en depraktijk moet te alien tijde mogelijk blij-ven.Geraadpleegde literatuurInspraak geteld; de mate waarin en dewijze waarop de inspraak bij het lokaleruimtelijke beleid plaatsvindt. RARO/CPI, 1980.Advies inzake het betrekken van de be-volking bij de vorming van het ruimtelijkbeleid. RARO 1970.Regeringsnota over de openbaarheid bijde voorbereiding van het ruimtelijk beleid.1972.Kamerstuk nr. 14889, Tweede Kamer;zitting 1977-1978.Wet van 9 november 1978 (Stb. 581),houdende regelen betreffende de openheiden openbaarheid van bestuur. (Wet open-baarheid van bestuur).Korsten, dr. A.F.A., Het spraakmaken-de bestuur. 1979.Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981Ruimtelijke wetenschappenen inspraakvoorlichtingniet alleen overdracht, ook inhoud van boodschap is belangrijkdrs. Hein Hoitink* Op vele terreinen in de maatschappij wordt voorlichting van toenemend belanggeacht. De landbouw, de gezondheidszorg, de verkeersveiligheid, de opvoeding en hetoverheidsbeleid zijn hiervan maar enkele voorbeelden.Een terrein dat speciaal onze aandacht vraagt, is dat van de ruimtelijke ordening. Alsgevolg van de democratisering van het ruimtelijke ordeningsbeleid is het verschaffenvan informatie aan de burger meer en meer een noodzaak geworden. Het is vanbelang, dat de ruimtelijke wetenschappen zich bezinnen op de problematiek rond dezeinformatievoorziening. In dit artikel zal op enkele aspekten van deze bezinning naderworden ingegaan.Inspraak: meedenken en meepratenDc jaren zeventig vormden een periodewaarin de inspraak van de bevolking bijde voorbereiding van het ruimtelijkeordeningsbeleid sterk is toegenomen.Op alle beleidsniveaus, met name opprovinciaal en gemeentelijk niveau, isdruk geexperimenteerd met inspraak bijhet voorbereiden en opstellen van res-pektievelijk streek-, struktuur- en be-stemmingsplannen. Het gevolg was eengrote schakering in inspraakprocedu-res, varierend van het horen van deopvattingen van de burgerij tot het ak-tief participeren van insprekers in hetopstellen van plannen.Gemeenschappelijk kenmerk vandeze grote variatie aan inspraakvormenis, dat ze vrijwel allemaal fungeren alsaanvulling op de bestaande representa-tieve democratie. Dat wil zeggen, dat deuiteindelijke beslissingsbevoegdheidblijft berusten bij de gekozen vertegen-woordigers in provinciale staten, ge-* Wetenschappelijk medewerker Geogra-fisch Instituut R.U. Utrecht, WerkgroepCicografic voor Edukatie.westraad of gemeenteraad. De burgerkrijgt de mogelijkheid om mee te den-ken en mee te praten, echter niet ommee te beslissen.Deze opvatting vinden we vrij alge-meen terug in de beleidsadviezen overinspraak, die de laatste jaren vrij fre-quent zijn uitgebracht. Het gezagheb-bende advies van de RARO stelt bij-voorbeeld, dat het inspraakproces altijdeen aanvullend karakter zal moeten be-houden ten opzichte van het officielevertegenwoordigende systeem. Metho-den van inspraakverwerking die zichdaar niet aan houden, treden, aldus deRARO, in feite in concurrentie met hetstaatkundig systeem').In de praktijk verloopt de besluitvor-ming door de overheid met inspraakniet wezenlijk anders dan zonder in-spraak; er is hoogstens sprake van eenaanpassing aan het inspraakverschijn-sel. Hetzelfde geldt voor de wijze waar-op de plannen worden voorbereid entotstandkomen. Er is nog weinig sprakevan een fundamentele wijziging in deplanvoorbereidingsmethodiek als ge-volg van de participatie van burgers. Erkomt alleen een nieuwe overlegpartijbij: de inspreker. Van deze partij wordtverwacht dat hij zich aanpast aan degeldende regels van het spel.Deze situatie is uiteraard nogal onbe-vredigend. Het ziet er echter niet naaruit dat de werkwijze van de planologenop korte termijn wezenlijk zal kunnenveranderen, hoewel hierover wel wordtnagedacht. De ideeen van Rubingh enVan den Berg zijn wat dit betreft inte-ressant^). Zo'n verandering zou onderandere gezocht kunnen worden in derichting van het meer uitgaan van dekonkrete leefsituatie van de burgers. Demogelijkheden hiervoor zijn op micro-niveau (bestemmingsplannen) wel aan-wezig, maar lijken op meso- en macro-niveau toch wel erg problematisch. On-derzoek zal hierover meer duidelijkheidmoeten scheppen.Hoge eisen aan de insprekersParticipatie in het ruimtelijke orde-ningsbeleid stelt derhalve vooralsnoghoge eisen aan de burger, die van degeboden inspraakmogelijkheid gebruikwenst te maken. Van hem wordt ver-wacht, dat hij als gelijkwaardige ge-Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981inspraakvoorlichtingsprekspartner funktioneert in diskus-sies met deskundigen en bestuurdersover problemen met betrekking tot hetruimtegebruik en mogelijke oplossingenvoor die problemen. Daarvoor is kennisen inzicht noodzakelijk. Hij zal bijvoor-beeld inzicht moeten hebben in de wer-king van het ruimtelijke ordeningsbe-leid en de inspraakmogelijkheden daar-bij. Hij zal kennis moeten hebben vanen inzicht in de ruimtelijke problema-tiek die, veroorzaakt door ruimtelijkestruktuurveranderingen en de daar ach-ter liggende maatschappelijke ontwik-kelingen, aanleiding geeft tot de voorbe-reiding en het ontwerpen van overheids-plannen. Ook zal hij de mogelijke gevol-gen van de in de plannen voorgesteldemaatregelen moeten kunnen voorzienen beoordelen.Kennis- en InzichtkloofHet behoeft geen betoog dat het over-grote deel van de Nederlandse bevol-king niet aan deze hoge eisen voldoet.Algemeen wordt erkend dat er sprake isvan een kennis- en inzichtkloof tussenoverheid en burgers. Deze kloof geeftaanleiding tot verschillende problemen.Zo klagen de planologen enerzijds, datde inbreng van de insprekers nauwelijksuitkomt boven het niveau van "klachtenover een lekkende dakgoot". Andersgezegd, veel reakties hebben te makenmet alledaagse zeer konkrete proble-men van de mensen welke, voor zover zeal lets met ruimtelijke ordening uit-staande hebben, allemaal liggen in dedirekte woon- en leefomgeving. Dezesituatie doet zich vooral voor bij in-spraak op bestemmingsplan- en struk-tuurplanniveau. Anderzijds beklagende inspraakdeelnemers zich over hettheoretische, abstrakte en gegenerali-seerde karakter van de plannen, die ophet eerste gezicht weinig metde werke-lijkheid uitstaande schijnen te hebben.Bovendien zijn de meeste nota's voorhen onleesbaar en daardoor onbegrijpe-lijk omdat ze geschreven zijn "doorambtenaren en voor ambtenaren". Ver-der houdt de kennis- en inzichtkloof hetaantal deelnemers aan de inspraakpro-cedures beperkt. Dit geldt met namevoor de inspraak op rijksniveau. Eenteam van het Amsterdams SociologischInstituut, dat onderzoek naar de in-spraak bij de verstedelijkingsnota heeftgedaan, wijt de geringe participatie on-der andere aan de moeilijkheidsgraadvan de materie en de stukken waarindeze is vervat"*). Alleen de mensen dieinzicht hebben in de ruimtelijke orde-ningsproblematiek en mede daardoor instaat zijn de beleidsnota's te lezen, zijneventueel gemotiveerd om in een in-spraakprocedure te participeren.In de literatuur worden verschillendesuggesties gedaan om de kennis- eninzichtkloof te overbruggen. Funken enRonteltap wijzen in 1969 al op de funk-tie die het onderwijs in dit verband kanvervullen. Ze gaan daarbij zelfs zo ver,dat ze aanbevelen het vak aardrijkskun-de in zijn klassieke vorm totaal en defi-nitief overboord te zetten en te transfor-meren in een op de ruimtelijke proble-matiek gericht vak").Verder benadrukken deze auteurs hetbelang van de voorUchting. DoelsteUingvan deze voorlichting moet volgens henzijn: het inzichtelijk maken van de zichkonkreet voordoende ruimtelijke pro-blematiek. Door het verschaffen van ditinzicht kan de bevolking tot een juistoordeel komen over de vraag in hoever-re haar belangen beinvloed wordendoor bepaalde maatregelen op het ter-rein van de ruimtelijke ordening. Alsderde suggestie voor het overbruggenvan de kennis- en inzichtkloof wordtvan verschillende kanten gewezen op deeducation permanente. Het opnemenvan het thema ruimtelijke ordening eninspraak in edukatieve programma's inhet kader van bijvoorbeeld de OpenSchool, het vormingswerk en Teleac,kan een belangrijk middel zijn om deproblemen dichter bij de mensen tebrengen en het vaak verlammende ge-voel van onmacht te doorbreken.Alle drie genoemde suggesties zijnbijzonder waardevol en worden ook alop beperkte schaal in praktijk gebracht.Ze verschillen echter onderling in ef-fekt. Het effekt van het onderwijs en deeducation permanente ligt vooral opmiddellange en lange termijn en heeftalleen betrekking op een algemene enbrede kennis- en inzichtverbetering ophet terrein van de ruimtelijke ordening.Voorlichting daarentegen kan veel di-rekter en op korte termijn effekt sorte-ren en zich toespitsen op een bepaaldthema. Voor een snelle en effektieveaanpak van de problemen, die zich alsgevolg van de kennis- en inzichtkloof bijinspraak voordoen, is daarom in de eer-ste plaats de voorlichting van belang.Een kennis- en inzichtkloof met betrek-king tot een beperkt thema is bovendiengemakkelijker te overbruggen dan diemet betrekking tot de ruimtelijke orde-ningsproblematiek in het algemeen. Wezullen ons daarom in het kader van ditartikel beperken tot de voorlichting.Veel aandacht voor devoorlichtingsmethodeIn de gestage stroom van publikatiesover het inspraakverschijnsel, die opbasis van praktijkervaringen en onder-zoekingen op gang is gekomen, wordtvrijwel zonder uitzondering in meerdereof mindere mate aandacht geschonkenaan de informatieverstrekking in hetalgemeen en de voorHchting in het bij-zonder. Vooral discipUnes als voorhch-tingskunde, agologie en massacommu-nicatie zijn aktief op dit gebied. Voor-lichting wordt gezien als een essentielevoorwaarde voor het welslagen van deinspraak. In zijn dissertatie onder-streept Korsten bijvoorbeeld het belangvan de informatieverstrekking in hetkader van de participatiebevordering.Hij acht het opstellen van een apartmediaplan noodzakelijks). Een media-plan omvat informatie over onder ande-re de aard en de omvang van de doel-112 Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1981inspraakvoorlichtingEnkele tentoonstellingspanelen, onderdeel van door geografiestudenten gerealiseerde in-spraakvoorlichting hij de voorhereiding van hestemmingsplannen in de Utrechtse binnenstad(Foto dienst gemeente Utrecht)groep, de doelstellingen van de voor-lichting, het tijdstip en de frequentievan de voorlichting, het type medium eneen mediakostenanalyse.Ook in het buitenland wordt aan-dacht geschonken aan onderzoek op hetgebied van de informatieverstrekkingbij inspraak. Het Centre for Environ-mental Studies in Engeland bijvoor-bceld wijdde onder leiding van Stringereen onderzoek aan dit thema^). Daarbijging het vooral om het vinden van dejuiste communicatiemiddelen en com-municatiestrategieen.Nu zitten aan de informatieover-dracht in casu de voorhchting twee as-pekten: het informatie-aspekt en hetoverdrachts-aspekt. De verschenen pu-bhkaties op het terrein van de inspraak-vooriichting leggen vooral de nadruk ophet overdrachtsaspekt. Centrale vraaghierbij is: Hoe bereiken we de mensenen betrekken ze bij het inspraakgebeu-ren? Deze methodische vraagstellingimpHceert het zoeken naar een goededoel- en middelenkeuze. Er worden sug-gesties gedaan voor het vaststellen vancommunicatiemiddel, -tijdstip en-plaats, het aanbrengen van een juistecommunicatieinfrastruktuur, de keuzevan doelgroep en doelstellingen en der-gelijke.Veel minder aandacht is er voor hetinformatieaspekt ofwel voor de vraag:Wat vertellen we de mensen als we zebereikt hebben? Het antwoord op dezevraagstelling beperkt zich veelal totaanbevelingen over de vormgeving, demoeilijkheidsgraad en het taalgebruik.De communicatiewetenschappe
Reacties