DenkraamConcept voor ruimtelijke organisatie 1Groeikernen en groeisteden: AmersfoortBestemmingsplan WaddenzeegebiedFinanciele positie gemeentelijkewoningbedrijvenNotitie Ruimtelijke PerspectievenProvinciaal ruimtelijk beleid terdiscussie: reaktie en antwoordBestuurlijk-juridische trendsAfbrokkeling van de r.o.In PlanologenlandNieuwe publikatiesNieuws van de RARO/stedebouwenfolkshuisvestingm I nirov EJfAVoor renoverenmoet jeaanleg hebbenRenovatie is de plastischechirurgie van de bouw. Een specialismewaarvoor vakkennis nodig is en feeling.En ook het verlangen een perfekt stukwerk af te leveren.Termokomfort met zijn 12 dealers doorhet gehele land is de superspecialist ingevelrenovatie en isolatie. Breken enbouwen met gebruikmaking van debeste materialen en gesteund door eenjarenlange ervaring.Termokomfort doet alles en levertalles. Demonteren, renoveren, isoleren,dubbel gtas plaatsen, alles blijft in eenhand. De bekwame hand vanTermokomfort. De kunststof enaluminium ramen, kozijnen en deurendie Termokomfort levert behoren tot hetallerbeste.Op alles wat Termokomfort doeten levert wordt garantie gegeven. Zohoort het ook voor bouwchlrurgen aanwie steeds weer een doel helder voorogen staat: perfektie van begin tot eind.Bel ons voor dealeradressen; er zit ervast een bij u in de buurt.TER410KQ41FORTPostbus 17, 6550 ZG WeurtTel. 08897 - 74664Profiel 2000 & Colorcoat Plastisol:STAALHARDEColorcoat Plastisol bij Profiel2000 meer dan 25 typen stalenplaten met PVC coating voorgevelbekleding endakbedekking. Leverbaar in 12standaardkleuren en 5 aksentkleuren.Profiel 2000 leverde Colorcoat Plastisol o.a.voor Stadion Galgenwaard, DSM. DMVCampina, Estec, AKZO en General Electric.Meer informatie: 03443-2244.Colorcoat Plastisol.Een ijzersterk produkt van British Steel.Officieel importeurunicieeiimponeur ^m mprofielPostbus 34, 4033 ZG Lienden. Tel. 034432244.Telex 70978.nedalALUMINIUMV-^*^ een "ijzer"sterk alternatiefII voor Lichtmasten? Vlaggemasten tot 15 meterVerkeerspalen, beugelsI en profielen.tevens producent van:Aluminium profielen jZf 420 mmscheepsmasten tot 22 meterutiliteits armateurenpasta voor de verfindustrieextrusiebilletsNederlandse Aluminiunn Maatschappij B.V.Groenewoudsedijk 1, Postbus 2020,3500 GA UtrechtTelefoon (030) 933941, Telex 47025lid van deHunterOouglasgroepstedebouwenvolkshuisvesting67e jaargang november 1986Drgaan van het^lederlands Instituut/oorRuimtelijke Ordeningin Volkshuisvesting ^Redactie:Drs. H.J.M. van AlphenVlr. R. BekkerDrs. L.G. GerrichhauzenDrs. H.J.M. Goverde[r. P.C. GroenVlr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingVIw. drs. I.T. KlaasenIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenFelefoon 070-602775Redactie, administratie enpublikaties ter recensie;Mauritskade 212514 HD Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs'aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voor personeelsadvertenties:Postbus 42400 MA Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62191voor produkt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning. ingewacht.Losse nummers f 12,--ISSN 0039-0879InhoudDenkraamHet Deetnian-tijdperk, drs. I. T. Klaasen 396ArtikelenRuimtelijke organisatie in het spanningsveld van onzekerheden; vingeroefe-ning in een tentatieve aanpak, prof. dr. ir. F. Kleefmann en ir K. KerkstraIn dit eerste deel van hun artikel bespreken de auteurs de ontwikkeling vande ruimtelijke organisatie, gelet op de grote zich aandienende problemen. 397Groeikernen- en groeistedenbeleid. Groeisteden in Nederland: Amersfoort, ir.L.A.R. KleiverdaIn deze laatste "stadsbeschrijving" in de groeikernen-reeks wordt m.n. deplanvorming en ontwikkeling van Amersfoort-Noord behandeld. 404Innoverend bestemniingsplan Waddenzeegebied, J. de Roux en drs. E. Haaks-manHet intergemeentelijke bestemmingsplan Waddengebied is een van de eersteplannen, uitdrukkelijk ontwikkeld vanuit de nieuwe mogelijkheden van hetBesluit. 411De financiele positie van gemeentelijke woningbedrijven, drs. C. TerhrackAuteur concludeert tot een te verwachten tweedeling m.b.t. de financiele po-sitie van gemeentelijke woningbedrijven. Een aantal grote komt in moeilijk-heden. de andere, meest kleinere. staan er rooskleuriger voor. 417De notitie Ruimtelijke Perspectieven - een weg naar de vierde Nota? P.L.Klooster, T.E. Puister, V.A.M. Verberk en N.P.J. de VriesEen commentaar op de RPD-notitie "Ruimtelijke Perspectieven" door ledenvan de VIRO-werkgroep. 424Provinciaal ruimtelijk beleid ter discussie. Blijvend gestagneerd? J.M. MastopEen reaktie op het artikel van prof. ir. N.A. de Boer in het juninummer vandit tijdschrift. 428Provinciaal ruimtelijk beleid ter discussie. Antwoord prof. ir. N.A. de BoerEen antwoord. mede op de reakties van drs. A.J.M. van Vroenhoven en A.Dekker in het oktobernummer. 430Bestuurlijk-juridische trends. Kroonberoep inzake bestemmingsplannen: hoelang nog? prof. mr. P.J.J. van BuurenDe auteur is somber over de kansen voor het Kroonberoep als Straatsburgzich er weer over mag uitspreken. 432De afbrokkeling van de ruimtelijke ordening, prof dr. G.A. WissinkEen cri-de-coeur uit een benarde veste: Nijmegen. 435In Planologenland, H. van der CammenHeeft het groen in de stad een toekomst? En zo ja, welke? Enkele opvattin-gen en concepten. 436Nieuwe publikatiesNieuws van de RAROMededelingen NIROVAankondigingen438441441403, 423 442S en V, november 1986395 1DenkraamHet Deetnian-rijdperkOnderzoeksresultaten wekken soms verbazing niet zozeerop zichzelf als wel door de hypothese die blijkbaar aan datonderzoek ten grondslag heeft gelegen. De operatie "taak-verdeling en concentratie" in het wetenschappelijk onder-wijs - in die kringen bekend als de TVC - blijkt de kwa-liteit van het wetenschappeUjk onderwijs niet verbeterd tehebben. Aldus de uitkomst van een ten departemente vanOnderwijs en Wetenschappen uitgevoerd onderzoek. Dereakties crop vanuit de universitaire wereld waren over-wegend berustend-ironisch van aard, een enkele publiekewoede-uitbarsting daargelaten. Laat men daar nu altijdgedacht hebben dat er sprake was van een bezuinigings-operatie.De minister zelf distantieerde zich van de konklusie vanzijn ambtenaren en kondigde aan met een eigen standpuntnaar aanleiding van deze studie naar buiten te zullenkomen. Op het moment dat ik dit schrijf (eind September)heeft net opnieuw een bezuinigingsgolf de universiteitenoverspoeld, in de vorm van verdere konkrete opheffings-en koncentratievoorstellen van de kant van deze minister(de algemeen opgelegde "ontbureaucratiserings"-kortinglaat ik maar even buiten beschouwing). Boosaardige lie-den zouden kunnen veronderstellen dat het nog nietbekend gemaakte ministeriele standpunt blijkbaar is, datcm de gewenste kwaliteitsverbetering te bereiken debezuinigingen totnutoe nog onvoldoende waren.Een paar cijfers: de TVC-operatie betekende een bezui-niging van 7% op het gezamenlijke universitaire budget.Dit moet gezien worden in het licht van een totale afnamevan middelen voor het wetenschappelijk onderwijs. deafgelopen zesjaar, van 25%. In diezelfde periode nam hetaantal studenten daarentegen met 11% toe; het aantalpersoneelsleden daalde met 5%. De gemiddelde kostenper student daalden met 33%.Wat de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijsbetreft lijkt overigens minstens zo interessant wat eenevaluatie van de invoering van de tweefasenstruktuurstraks zal opleveren. Of liever, omdat het methodischmoeilijk lijkt de diverse maatregelen met betrekking tothet wetenschappelijk onderwijs ieder op hun eigen effektte beoordelen, wat een evaluatie van het geheel van maat-regelen zal opleveren: programmatische herstrukturering,studieduurverkorting, opheffing, taakverdeling en kon-centratie, accentverlegging van overheids- naar marktfi-nanciering en gewone bezuinigingen. Hierbij sluit ik,anders dan het begin van dit verhaal zou doen vermoeden,niet bij voorbaat uit dat van (geld)nood ook wel eens eendeugd gemaakt zou kunnen worden.Meer in het bijzonder gaat mijn belangstelling dan uitnaar de effekten op het onderwijs in de ruimtelijke plan-ningwetenschappen. Daarvoor is het wel nodig te wetenwat we daar op dit moment onder verstaan. Het beeld datuit het in 1985 door het NIROV en de BNS uitgebrachteoverzicht van opleidingen op het gebied van planologie,stedebouw en volkshuisvesting, tot ons komt maakt eeneenzijdige, traditionele indruk. Wat de wetenschappelijkeopleidingen (eerste fase) betreft wordt naast stedebouw-kundige ontwerpopleidingen vooral sociaal-ruimtelijkeopleidingen (zoals sociale geografie en sociologie van deruimtelijke ordening) vermeld, maar slechts een bijvakop-leiding op het gebied van milieukunde (de RUG), terwijlbijvoorbeeld de LU-Wageningen de ecologie van hetwonen bijdraagt (vanuit de invalshoek volkshuisvestingongetwijfeld) en tuin- en landschapsarchitektuur. Waar-om niet tenminste cultuurtechniek (landinrichting!) ge-noemd of de aldaar bestaande vakgroep planologie?Om straks te beoordelen of de ontwikkelingen, die aanhet universitaire front gaande zijn, bijdragen aan verbe-tering van de onderwijskwaliteit, maar met name ook alsmen wil pogen deze ontwikkelingen enigszins in eenbepaalde richting te sturen, lijkt het noodzakelijk een visiete hebben op een in de toekomst gewenste situatie. Hoe zalhet vakgebied ruimtelijke planning/ruimtelijke ordeninger in de toekomst uitzien: welke eisen zal de toekomstigeberoepspraktijk stellen aan de opleiding?Misschien is het kenmerkend voor de malaise waarinvolgens sommigen de vakwereld verkeert, dat er zelfs nogniet het begin is van een globale standpuntbepaling overinhoud, kwaliteit, diversiteit en kapaciteit van opleidin-gen, waaronder ook begrepen de verhouding tussen (vier-jarige) wetenschappelijke opleidingen en (eveneens vier-jarige) hogere-beroepsopleidingen, aandacht voor inter-disciplinaire aktiviteiten en de wenselijkheid van - welke?- tweedefase-opleidingen. De ruime aandacht in de recentverschenen Notitie Ruimtelijke Perspectieven voor ondermeer technologische ontwikkelingen, landinrichting enruimtelijke vormgeving, doet vermoeden dat een anderekijk op planologie-opleidingen dan tot nu toe meestalgebruikelijk, onontkoombaar zal zijn. In dat licht zal deuit bezuinigingsoverwegingen tot stand gekomen oplei-ding Technische Planologie aan de TU-Delft met eenstudieprogramma waarin kennisaanbod van zowel deBouwkundige fakulteit als die van Civiele techniek enGeodesic verenigd is, hopelijk zo'n voorbeeld worden vanuit nood geboren deugd.Een visie op de beroepspraktijk van de toekomst zal ookzeker nodig zijn om gefundeerd in te kunnen gaan op hetministeriele voornemen de Nijmeegse hoofdvakopleidingsociale planologie zonder meer op te heffen. Hetzelfdegeldt ten aanzien van de nog niet bepaald als helder teomschrijven situatie rond de tweedefase-opleidingen. Ishet voor een specifieke overheidstaak als ruimtelijke orde-ning reeel om marktfinanciering voor een tweede-fase teverwachten? (Wordt de "markt" soms gevormd doorandere overheden dan de rijksoverheid?) Wat is de bete-kenis van de door het ministerie van O en W gefinancierdeontwerpers- en onderzoekers AIO's (assistenten-in-oplei-ding) voor het vakgebied? Is het een wenselijke situtie dattot nu toe de enige financiele tweede-fase inspanning vande RO-poot van het ministerie van VROM terecht isgekomen bij het onderzoeksinstituut Technische Be-stiiiirskunde (n.b. onder de omschrijving "planning, in-richting en beheer van de gebouwde omgeving"). Deindruk wordt gewekt dat de vormgeving van de toekom-stige opleidingssituatie voornamelijk bepaald lijkt te gaanworden door toevallige omstandigheden, persoonlijke ini-tiatieven en informele netwerken.Laten we proberen te voorkomen dat evaluatieresultatenvan de effekten van het Deetman-tijdperk op planologischonderwijs, straks niet zozeer opmerkelijk zullen zijn doorde geformuleerde hypothesen als wel door de geblekenonmogelijkheid om op kwahteit betrekking hebbendehypothesen te toetsen.Ina KlaasenUniv.doc. TU-DelftS en V, november 1986396prof. dr. ir. F. Kleefmannhoogleraar planologie aan de Landbouwuni-versiteit Wageningenir. K. Kerkstrauniversitair hoofddocent landschapsarchitec-luur aan de Landbouwuniversiteit Wagenin-genWat kan en nioet er vanuit het perspectief van toekonistige ontwikkelingen over deruinitelljke organisarie worden gezegd, in voornemens gestalte krijgen en via geleidendesturing tot uitvoering worden gebracht? Deze vraag waart rond, overal waar de bestem-ming, de inrichting en het beheer van de ruimte het object vornien van politiek, planningen beleid. Het is een dringende vraag, want de problemen die zich aandienen zijn, zoalsook de onlangs verschenen Notitie RuimteUjke Perspectieven') signaleert, niet gering enwerpen hun schaduw reeds vooruit.Ruimtelijke organisatie in hetspanningsveld van onzekerhedenvingeroefening in een tentatieve aanpak, deel 1InleidingWat er ten aanzien van de toekomstigeruimtelijke organisatie kan en moet laatzich niet gemakkelijk definieren. Wantruimtelijke ontwikkelingen zijn nauw ver-bonden met maatschappelijke ontwikke-lingen en die laten zich slecht voorspellen.Bovendien wordt de ruimtelijke organisa-tie veelal sterk bepaald door verschijnse-len van interdependentie; ze is zowel af-hankelijk van ontwikkelingen op functio-ned deelterreinen als van die in andereregio's. Zoals de praktijk illustreert kun-nen deze omstandigheden er gemakkelijktoe leiden dat het zicht op de ontwikke-lingen vervaagt en de aandacht voor deruimtelijke organisatie als geheel ten gun-ste van functionele deelterreinen (secto-ren) op de achtergrond raakt. Maar datgenereert dan dikwijls weer opnieuw on-verwachte fricties en knelpunten, voor deoplossing waarvan of uitbreiding van re-gelgeving plaats heeft, of de vraag naareen samenhangende visie op het ruimte-gebruik in bredere zin opnieuw wordtgesteld.De met dit laatste verbonden roep omsubstantiele concepten valt intussen, opverschillende deelterreinen, steeds vakerte beluisteren. Mede tegen de achtergrondvan de zich aandienende problemen (o.a.die in de sfeer van het agrarisch grondge-bruik en het miheu- en landschapsbeheer).en de te verwachten technologische her-structurering van de maatschappelijke or-ganisatie (met indringende gevolgen wel-licht voor de ruimtelijke ontwikkelingenin de urbane sfeer), lijkt het niet onwaar-schijnlijk dat de discussie rond de ruim-telijke problematiek zich zal gaan toespit-sen op de keuze tussen een toenemenderegelgeving of een min of meer fundamen-tele herstructurering van het ruimtege-bruik als zodanig.Deze bijdrage beoogt in twee afleverin-gen op die discussie te anticiperen dooreen denkbeeld te ontwikkelen voor ruim-telijke herstructurering. In de eerste afle-vering wordt ingegaan op een methodischaspect van conceptvorming en wordenontwikkelingen op een drietal belangrijkedeelterreinen en de mogelijke ruimtelijkeeffecten daarvan globaal verkend.Ter illustratie van een bepleite aanpakwordt in de tweede aflevering aan de handvan deze verkenningen een tentatievevoorstelling van een type van toekomstigeruimtelijke organisatie geschetst en toege-licht en een denkbeeld ontwikkeld voor de(re)organisatie van het planningsbedrijfop (inter)nationaal en regionaal niveau.Mede gezien de stand van de gedach-tenvorming over planning als een vormvan richtingzoeken moge het duidelijkzijn dat wat hier volgt niet meer dan eenvingeroefening pretendeert te zijn.Een methodischuitgangspunt voorconceptvormingMet name de functionele interdependen-tie binnen de ruimtelijke organisatie leidtbij fricties tussen de deelterreinen binnende categorieen bestemming, inrichting enbeheer tot de behoefte aan onderlingeafstemming, zo mogelijk integratie, vanhet ruimtegebruik en derhalve aan coor-dinatie van sector- en facetbeleid. Deruimtelijke ordening dankt haar eigenontwikkeling mede aan het streven naardeze integratie en coordinatie.Onderlinge afstemming van het ruimte-gebruik veronderstelt echter een ontwik-kelingsconcept, dat aan de ene kant vol-doende omvattend is om metterdaad kan-sen voor integratie te bieden maar aan deandere kant tevens ruimte laat voor ont-wikkelingen op de deelterreinen. Dit laat-ste is vooral van belang omdat maat-schappelijke ontwikkelingen en daarmeeverbonden aanspraken op en voorwaar-den voor ruimtegebruik zich doorgaansniet geintegreerd voltrekken, maar zichveelal juist als min of meer op zichzelfstaande en dikwijls verrassende gebeurte-nissen op de deelterreinen aandienen. Bo-vendien gaan afzonderlijke ontwikke-lingen vaak gepaard met belangentegen-stellingen, hetgeen weer gevolgen heeftvoor de niet zelden stroeve coordinatietussen sectorale beleidsvelden. Deze be-leidsvelden staan immers het dichtst bijde samenleving en opereren, zoals de CieVonhoff constateert "op nagenoeg alleniveaus in een dicht netwerk van relatiesmet maatschappelijke organisaties enonderhouden directe contacten met debelangengroeperingen"2). Integratie encoordinatie beogend facetbeleid komt bijdit alles gemakkelijk op de tweede plaats,zo niet buiten het gezichtsveld te staan;S en V, november 1 986397concept voor ruimtelijke organisatie Iwant wie kunnen binnen onze pluralesamenleving als directe representantenvan het belang van integratie en coordi-natie worden aangemerkt?Niettemin kruipt ook hier blijkbaar hetbloed waar het niet gaan kan. Wanneer defricties te groot worden omdat de proble-men hier en daar de pan uit rijzen enonzekerheden zelfs de handelingsruimtevoor een dynamische procesplanning in-perken, wordt de vraag naar een min ofmeer omvattend concept voor ruimteUjkeontwikkehng opnieuw en voorzichtig ge-steld. Opnieuw, omdat de geschiedenisvan de ruimtehjke ordening ons leert dathet niet de eerste keer is. Voorzichtig,omdat de nasmaak van eindtoestands-planning soms nog wrange herinneringenoproept. Als eerste randvoorwaarde bijeen poging in de richting van omvattendeconceptvorming geldt dus stelhg gepastebescheidenheid; pure utopieen zijn voor-lopig ongewenst, aansluiting bij de standvan zaken in de reahteit is geboden.Een tweede randvoorwaarde voor der-gelijke conceptvorming hangt samen metde regionale interdependentie binnen deruimtelijke organisatie. Om de conse-quenties van een ontwikkelingsconceptvoor de onderlinge ruimtelijke en maat-schappelijke betrekkingen van afzonder-lijke regio's enigszins in te schatten, zalhet voor een relatief hoog schaalniveaumoeten worden ontwikkeld. Dat onder-streept zowel de gewenste bescheidenheidals de genoemde voorzichtigheid.Intussen schuilt er in de opgave van con-ceptvorming lets paradoxaals. Conceptenals hier bedoeld zullen een min of meeromvattend beeld moeten geven van moge-lijkheden tot en effecten van toekomstigeruimtelijke ontwikkelingen. Zo'n beeldhangt uiteraard sterk samen met ontwik-kelingen op deelterreinen, bijvoorbeeldvan de ontwikkelingen in de landbouw enin de verschillende sectoren van het ver-stedelijkingscomplex. Een orientatiedaarop ligt dus, mede gezien de zoevengeformuleerde realiteitsvoorwaarde, al-lereerst voor de hand. Maar hier ver-schijnt de paradox, want juist de proble-men en onzekerheden ten aanzien van deruimtelijke organisatie en regulatie vandeze deelontwikkelingen leidden tot debehoefte aan een houvast in een omvat-tender ontwikkelingsbeeld; wat is hieroorzaak, wat gevolg?Dergelijke cirkelredeneringen noodza-ken uiteindelijk om doorbroken te wor-den. De wijze waarop dat gebeurt vraagtom een methodische stellingname. Indeze bijdrage wordt een tentatieve aan-pak als het methodisch uitgangspunt voorconceptvorming genomen. Een aanpak,waarbij alternatieve ontwikkelingsbeel-den worden geconstrueerd, die vervolgensop waarschijnlijkheid, deugdelijkheid enwenselijkheid dienen te worden onder-zocht en getoetst. Een aanpak ook, dieenig utopisch elan niet zal kunnen ontbe-ren.Een mogelijke werkwijze daartoe is omvoor de belangrijkste deelterreinen van deruimtelijke organisatie verschillende(plausibel lijkende of met uiteenlopendenormatieve denkbeelden verbonden) ont-wikkelingslijnen naast elkaar te zetten,vervolgens eventuele correlaties daartus-sen op te sporen en, met deze correlatiesals bouwstenen, zo consistent mogelijkeontwikkelingsbeelden (c.q. variantendaarvan) te construeren^).Door deze constructies of modellen totvoorwerp van kritische toetsing en poli-tieke keuze te maken, kan inzicht wordenverkregen in wat zinvol is en wat thansgewenst lijkt te doen. Daarmee zou eenbelangrijke stap gezet kunnen zijn; de toe-komst is immers mede afhankelijk vanwat we zelf belangrijk vinden dat ze onsbrengt.Een aanpak als deze daagt dan ookminstens uit om dat belang nader te pro-fileren.In het vervolg van deze bijdrage wordt inde lijn van de geschetste aanpak eenpoging ondernomen om een ontwikke-lingsbeeld voor toekomstige ruimtelijkeontwikkehng te construeren. Daarbijwordt het methodisch tracee slechts ge-deeltelijk en in beperkte zin afgelegd. Vol-staan wordt met de ontwikkehng vanslechts een model op nationaal niveau,aan de hand van globale verkenningen opeen beperkt aantal deelterreinen. Discu-tabel genoeg om het op het aambeeld vaneen kritische discussie zwaar te verdurente krijgen, wil het niettemin een voorzich-tige verbinding leggen tussen utopie enwerkelijkheid.Een globaleverkenning op driedeelterreinenEr is wel beweerd dat de ruimtelijke ont-wikkehng in ons land tot rust komt. Im-mers, de bevolkingsomvang stabiliseertzich, de expansie van het stedelijk areaalneemt af en het buitengebied is voorzovernodig op de schop geweest. Nederland isaf, waar het nu op aankomt is dat we metwijs beheer de boel op orde houden.Deze zienswijze wordt hier niet ge-deeld. Integendeel, op de drie belangrijk-ste deelterreinen van de ruimtelijke orga-nisatie, de stedelijke (I) en de agrarische(II) ontwikkelingen en de ontwikkelingenin de sfeer van het natuurlijk substraat(III)''), lijkt eerder dynamiek dan rust teverwachten.Hieronder zal dat per deelterrein naderworden toegelicht./. Stedelijke ontwikkelingenIn zijn jaarverslag van 1984 concludeertde Rijks Planologische Dienst dat hetbesef groeit dat de maatschappij op dedrempel staat van een nieuw tijdperk enadstrueert dit met de constatering dat "detechnologische herstructurering van deeconomic en de technologische voortgangin het algemeen waarschijnlijk tot wijzi-gingen in de maatschappelijke organisatiezullen leiden"5). In het vervolg van hetverslag wordt een aantal mogelijke conse-quenties van de in opmars verkerendeinformatietechnologie voor de ruimtelijkeorganisatie, met name waar het de urbanesfeer betreft, genoemd en toegelicht. En-kele onderdelen uit dit belangwekkenderelaas (dat in hoofdzaak door bijdragenvan anderen wordt ondersteund) wordenhier gememoreerd en nader geinterpre-teerd.Mede bezien naar hun ruimtelijke ef-fecten lijken vooral twee gebieden van deinformatietechnologie van belang, de te-lematica (op te vatten als de koppelingvan informatieverwerkende systemen metdoor een glasvezelkabelnet gedragencommunicatienetwerken) en de meet- enregeltechniek (i.e. de micro-elektronischebesturing van technische processen, even-tueel op afstand met behulp van de tele-matica). Bij een, op termijn te verwach-ten, onbelemmerde toepassing van detechnische mogelijkheden op dit gebiedS en V, november 1 986398concept voor ruimtelijke organisatie Ivalt aan te nemen dat een aanzienlijk deelvan de industriele werkgelegenheid ver-dwijnt. En hoewel de dienstverleningzichvia de te ontwikkelen telematica-infra-structuur vermoedelijk belangrijk zal uit-breiden, wordt niet verwacht dat de werk-gelegenheid in deze sector zal toenemen;eerder zal ook hier met een min of meersterke afname rekening moeten wordengehouden.In dit alles tekent zich een perspectiefaf van een samenleving waarin de factorarbeid voor het maatschappelijk functio-neren van haar leden van minder belanglijkt. Onder die omstandigheid zal het rea-liseren van een rechtvaardige verdelingvan baten en lasten stellig een van de gro-te maatschappelijke opgaven vormen.Aannemelijk lijkt dat in Nederland, medeter vermijding van een uit oogpunt vansociale onrust gevreesde tweedeling in eenmaatschappelijke onder- en bovenkant,uiteindelijk blijvend zal worden gestreefdnaar een zo gelijk mogelijke verdeling vanbeschikbare werkgelegenheid (o.a. via ar-beidstijdverkorting en deeltijdarbeid) eneen garantie voor sociale zekerheid. Voorde nabije toekomst mag worden verwachtdat niet alleen de koppeling tussen arbeiden inkomen losser wordt, maar er zichtevens een waardeverandering voltrektwaardoor het begrip werkgelegenheid eenbredere inhoud krijgt. Aangenomenwordt dat daarbij het persoonlijk enmaatschappelijk nut van tijdsbesteding,los van (c.q. minder stark verweven met)overwegingen van inkomensverwerving,centraler zullen komen te staan*).De hiermee samenhangende ontwikke-lingen hebben uiteraard gevolgen voor deruimtelijke organisatie. Op sommigedeelterreinen daarvan zullen ze vermoe-delijk zelfs leiden tot vergaande verande-ringen in aanspraken op en voorwaardenvoor het ruimtegebruik.Daarbij valt allereerst te denken aan detelematica-infrastructuur, het netwerkvan glasvezelkabel met bijbehorende ont-vangststations voor straalverbindingen,eventueel via satellieten. Hoe fijnmazigerzo'n structuur, hoe minder lokatiegebon-den de daaraan gekoppelde activiteiten.Maar de aanleg van een glasvezelkabelnetis een kostbare aangelegenheid en nureeds tekent zich af dat de bestaandeagglomeraties het eerst aan bod komen.De Amsterdamse en Rotterdamse initia-tieven op dit punt illustreren bovendiendat goederen- en informatietransport bijvoorkeur parallel lopen; hoe beter hunonderhnge afstemming, hoe sneller dedoorvoer. De grootstedelijke concentra-ties zullen dus vermoedelijk het eerst overeen moderne telematica-infrastructuurkunnen beschikken en dat kan daar eenbelangrijke opleving betekenen, waarbijde yuppies het stellig helemaal gaan ma-ken.Maar of de grote steden die nieuweactiviteiten binnen hun grenzen zullenkunnen houden staat nog maar te be-zien^). Inmiddels bestaan er plannen vooreen geavanceerd glasvezelkabelnet tussende grootstedelijke concentraties binnende Europese Gemeenschap en het ligtvoor de hand dat men die kostbare infra-structuur zo efficient mogelijk zal willengebruiken, bijvoorbeeld door er onderwegallerlei activiteiten aan te koppelen. Daar-door kunnen er gemakkelijk zones ont-staan, waarin urbane en rurale sferenelkaar ontmoeten.Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat eendergelijk ruimtelijk proces nog zal wordenbevorderd door ontwikkelingen op hetgebied van bedrijvigheid en dienstverle-ning en rond de relaties tussen wonen,werken en vrijetijdsbesteding. Te ver-wachten valt dat er zich een proces vanschaalverkleining zal voltrekken, o.a.doordat de telecommunicatie het moge-lijk maakt binnen bedrijven produktieon-derdelen af te splitsen. Daarnaast brengtde toepassing van flexibele automatise-ring een verkleining van de seriegroottebinnen bereik, hetgeen o.a. kan leiden totvermindering van het ruimtegebruik pereenheid produkt. Dit alles wijst er op datgeavanceerde industriele produktie endienstverlening, die binnen de westerseeconomieen een steeds belangrijker plaatslijken te zullen innemen, wel eens trekjeszouden kunnen gaan vertonen die hetmogelijk maken haar (opnieuw) in deschaal van de woonomgeving te incorpo-reren.Er is reden om te veronderstellen dat deeerder gesignaleerde verwachting ten aan-zien van kortere (en daardoor wellicht te-vens flexibeler) werktijden dit proces vanschaalaanpassing van werken aan wonenzal versterken. In een samenleving waarmeer vrije dan arbeidstijd is, zullen over-wegingen ten aanzien van de woonlokatiezich vermoedelijk eerder richten op aspec-ten van voorzieningen, recreatie en vrije-tijdsbesteding dan op de arbeidsomge-ving. Dit zal in het bijzonder gelden voorhet in de toekomst sterk toenemende be-volkingsaandeel van 65-plussers. Wan-neer de arbeidsomgeving, naar net bleek,zich bovendien in de woonomgeving laatinpassen, kan dat gemakkelijk leiden totomkering van de traditionele push- enpull-bewegingen in de betrekking van wo-nen en werken, mits beide binnen hetbereik van de telematica-infrastructuurworden gesitueerd. De laatste voorwaar-de zal zich overigens, naar verwacht, ookdoen gelden ten aanzien van voorzienin-gen; hoe meer deze categorieen via tele-communicatie worden gerealiseerd, hoesterker de behoefte aan een koppelingervan met de telematica-infrastructuurzich zal doen voelen.Wat de kenmerken van de toekomstigeleefruimte in het algemeen betreft kan uitdeze woon-werk overwegingen een globa-le en voorlopig slechts ideaal-typischeaanduiding worden afgeleid. Omdat erzich een samenleving lijkt te ontwikkelenwaarin de betekenis van arbeid als tijds-besteding afneemt, mag worden verwachtdat het ruimtebeslag in de niet-arbeids-sfeer relatief toeneemt, hetzij voor indivi-dueel dan wel gemeenschappelijk ge-bruik.Het woonmilieu van de toekomst zaldaarom vermoedelijk een lage dichtheidhebben, bij voorkeur grenzen aan gebie-den met mogelijkheden voor recreatieflandgebruik, verweven zijn met een klein-schalige arbeidsomgeving en gekoppeldzijn aan een infrastructuur voor perso-nenvervoer en voor informatie- en goede-rentransport. -Deze kenmerken lijken zich niet alleengoed te verdragen met het aan de aard vande telematica-infrastructuur ontleendeidee van een zonale ontwikkeling, maardit idee ook mede te ondersteunen. In hetlicht van de door sommigen als noodza-kelijk verdedigde vervanging van een aan-zienlijk deel van het nationale woningbe-stand verdient het aanbeveling**) de zoneslangs deze te ontwikkelen infrastructuurals potentiele lokaties daarvoor in over-weging te nemen.Ten aanzien van de utilitaire gebouwdeomgeving ligt een dergelijke aanbevelingS en V, november 1 986399concept voor ruimtelijke organisatie Ievenzeer voor de hand. Verwacht wordtdat aanpassing van de interne infrastruc-tuur van een groot deel van de bestaandekantoor- en bedrijfsgebouwen aan de ei-sen van de telematica uiterst kostbaar zalzijn en dat derhalve ook een groot deelvan dit gebouwenbestand op termijn alsverouderd moet worden beschouwd').Gezien het voorgaande lijkt het vanzelf-sprekend om ook bij het lokatie-onder-zoek ten aanzien van nieuwe gebouwen indeze sfeer het potentieel in de zones langsde te ontwikkelen infrastructuur voor in-formatietransport in de overwegingen tebetrekken.Mede op grond van Amerikaanse ervarin-gen'O) lijken met betrekking tot een teverwachten dynamiek ten aanzien van destedeUjke ontwikkehngen voorlopig devolgende conclusies van belang:- De inzet van de informatietechnologiemaakt handhaving van de bestaande no-dale urbanisatiepatronen niet vanzelf-sprekend; integendeel, o.a. in de telema-tica-infrastructuur lijkt zich eerder eenaanleiding tot zonale ontwikkeling aan tedienen").- De inzet van de informatietechnologielijkt tot een sterker volgen van woonvoor-keuren te leiden (mede tot uitdrukkingkomend in de behoefte tot integratie vanwonen, werken, voorzieningen en recrea-tie).// Agrarische ontwikkelingenDe huidige ontwikkeling in de landbouw,in het bijzonder in de veehouderij, baartvelen zorgen. Met name drie aspectenspelen daarbij een rol: de inkomenssitua-tie van de boeren, de produktie-over-schotten en de bedreiging van het natuur-lijk substraat. Min of meer representatiefvoor de nauwe betrekking tussen dezeaspecten zijn de agrarische processen inde kleinschalige zandgebieden'^). Om opde vanouds relatief kleine bedrijven eenbevredigend inkomensniveau te bereikenvond er vergaande modernisering en in-tensivering plaats. De daaruit voortvloei-ende produktievergroting droeg enerzijdsbij tot het ontstaan van produktie-over-schotten en leidde anderzijds tot ver-schijnselen van milieubederf. Overigensmanifesteert deze betrekking zich wathaar grondkenmerken betreft evenzeer inandere agrarische regio's, o.a. in de veen-weidegebieden.In de oplossingssfeer wordt thans eenaantal maatregelen beproefd. Getrachtwordt het probleem van de produktie-overschotten te lijf te gaan door contin-gentering van de produktie en de schade-lijke milieu-effecten te beperken doorstrakkere regelgeving, o.a. ten aanzienvan mestdumping.Intussen heerst het besef dat deze maat-regelen, op langere termijn bezien, deonderliggende problemen niet oplossen;daarvoor lijken er verstrekkender keuzeste moeten worden gemaakt'^). Ook delandbouw staat thans blijkbaar op eenkeerpunt.Dat bemoeilijkt uiteraard het schetsenvan een toekomstbeeld op basis vantrendverkenning en maakt dat aankno-pingspunten voor een ontwikkelingsbeeldhier veeleer moeten worden gezocht innormatieve denkbeelden over, c.q. visiesop de toekomstige ontwikkelingen in delandbouw. Twee van dergelijke visiesstaan thans in de aandacht. Aan de enekant een die aan de basis ligt van het z.g.Groenboek (uitgebracht door de Europe-se Commissie)'''), aan de andere kant hetdenkbeeld over een geintegreerde land-bouw, geschreven in opdracht van deWetenschappelijke Raad voor het Rege-ringsbeleid'5). De consequenties van dezevisies worden hier kort toegelicht.In het Groenboek staan de budgettaireproblemen rond het Europese landbouw-beleid centraal. Deze problemen wordenmet name door twee kostenfactoren ver-oorzaakt, die rechtstreeks met de produk-tie-overschotten verbonden zijn, name-lijk:- export-restituties, waarmee het ver-schil wordt overbrugd tussen de E.G.-garantieprijs voor bepaalde produkten ende (lagere) wereldmarktprijs;- opslag van produkten die niet op dewereldmarkt worden afgezet.Omdat bij ongewijzigd beleid eentoename van de met deze factoren ver-bonden kosten wordt verwacht en dit van-uit het gezichtspunt van de E.G. ontoe-laatbaar wordt geacht, wordt een verster-king van de marktgerichtheid bepleit. Deexportrisico's worden daarbij naar deproducenten verschoven.Het Groenboek legt met deze stelling-name de nadruk op het aspect van deproduktie-overschotten. De twee anderegenoemde aspecten worden daar min ofmeer ondergeschikt aan gemaakt. Tenaanzien van de inkomenssituatie van deboeren worden weliswaar maatregelenten gunste van mogelijkheden voor ver-vroegde uittreding in het vooruitzicht ge-steld, maar de sociale functie van het hui-dige prijsbeleid, gericht op redelijke inko-mens van boeren door middel van garan-tieprijzen, krijgt bij de bepleite verster-king van de marktgerichtheid nauwelijksof geen aandacht.Met betrekking tot het aspect van demilieuproblematiek worden twee beleids-lijnen genoemd, namelijk:- reglementering van en controle oppraktijken die schadelijk zijn voor hetmilieu;- bevordering van milieuvriendelijkemaatregelen, waartoe gerekend worden:? het gebruik van aangepaste landbouw-methoden waar het natuurbelang ditvraagt, en de aanleg van z.g. ecologischecorridors;? verwerving (door koop of huur) vangronden door de overheid, ten behoevevan een ecologische bestemming waarbijagrarisch (mede)beheer niet wordt uitge-sloten.Wei beschouwd blijven de in hetGroenboek bepleite maatregelen inhoofdzaak beperkt tot de middelensfeer.De oplossing van de budgettaire proble-men en de verslechterende inkomenssi-tuatie wordt aan de marktwerking overge-laten en het binnen de perken houden vande milieuproblemen gebeurt in hoofdzaakvia symptoombestrijdende regelgeving.Van een fundamentele visie op de land-bouwvraagstukken valt dan ook eigenlijkniet te spreken; een keuze wordt nietgesteld, de doelstellingen van weleer(1957) blijven gehandhaafd.Vanuit de ruimtelijke organisatie be-zien is het denkbeeld om landbouwbe-stemmingen te wijzigen in ecologischebestemmingen nog het meest belangwek-kend.Het Groenboek stelt dat ? 10% van delandbouwgrond binnen de Europese Ge-meenschap zich voor een dergelijke be-stemmingswijziging zou kunnen lenen.Deze gedachte vertoont nauwe ver-wantschap met het in ons land vigerendeRelatie-notabeleid.S en V, november 1986400concept voor ruimtelijke organisatie ITerwijl in het Groenboek een aspect vande landbouwproblematiek (het met deproduktie-overschotten verbonden bud-gettaire vraagstuk van de Europese Ge-meenschap) centraal staat, worden in hetWRR-rapport "Bouwstenen voor een ge-i'ntegreerde landbouw" zowel een bredeprobleemanalyse als een breed spectrumvan met alle drie de genoemde aspectensamenhangende oplossingsrichtingen ge-presenteerd. De oplossingsrichtingenworden hier overigens niet in de vorm vaneen blauwdruk aangeboden, maar meerals opgaven gesteld. Het kader, waarbin-nen volgens deze visie aan deze opgavendient te worden gewerkt, wordt gevormddoor de volgende reeks doelstellingen:- redelijke prijzen en kwaliteit voor deconsument;- redelijke inkomens en arbeidsomstan-digheden voor de boeren;- instandhouding van de werkgelegen-heid in de landbouw;- evenwicht en zelfvoorziening op deE.G.-markt;- minder concurrentievervalsing voorde Derde Wereld;- zuiniger gebruik van energie en grond-stoffen;- verbetering van de milieukwaliteit inbrede zin (produktie-milieu, arbeidsmi-lieu, extern milieu);- bevordering van een gevarieerd na-tuurlijk milieu en een gevarieerd en aan-trekkelijk landschap;- verbetering van het dierlijk welzijn.Als uitgangspunt geldt dat getracht zalmoeten worden meerdere doelstelhngentegelijk te verwezenlijken. Daarbij wordteen belangrijke rol toegekend aan de di-rect betrokkenen, o.a. via medezeggen-schap met betrekking tot de landinrich-ting en het agrarisch natuurbeheer. Ditalles past binnen het sociocratisch per-spectief waarin, volgens de opstellers vanhet rapport, de geintegreerde landbouwuitdrukkelijk moet worden geplaatst.Wat de ruimtelijke effecten van het ideevan een geintegreerde landbouw betreftvalt voorshands nog weinig concreets tezeggen. Wei lijkt het ook hier denkbaardat grond aan de sfeer van uitsluitendlandbouwproduktie wordt onttrokkenten gunste van mengvormen met anderebestemmingen, o.a. met natuur, recreatiee.d.De hierboven besproken visies op de toe-komst van de landbouw hebben een dinggemeen, namelijk het achterliggende be-sef dat de huidige agrarische ontwikke-lingen dienen te worden omgebogen.Over de mate waarin verschillen ze ech-ter; het Groenboek verwacht een toerei-kend effect door ruimere aanwending vanhet thans sterk aan banden gelegde regu-latiemechanisme van de vrije markt, hetWRR-rapport orienteert zich meer opbetrekkelijk fundamentele veranderingenover een breder gebied.Zoals opgemerkt zijn de ruimtelijkeconsequenties van beide visies slechts be-perkt uitgewerkt. Wei kan er een globalecontour van mogelijke effecten die met dezich aandienende veranderingen samen-hangen worden gesignaleerd. Omdat dezeveranderingen ten opzichte van de huidi-ge toestand zich vermoedelijk in enigevorm van produktiebeperkingen zullenmanifesteren, kan worden verwacht datze enerzijds tot nieuwe vormen van ratio-nalisatie zullen leiden en anderzijds totinkrimping van het landbouwareaal en/of extensivering van het grondgebruik.Dit kan in sommige gevallen de gemiddel-de bedrijfsgrootte doen toenemen maarook aanleiding geven tot bestemmings-wijzigingen c.q. -aanpassing van land-bouwgronden. Overigens mag wordenverwacht dat de technologische ontwikke-lingen binnen de landbouw het in denabije toekomst mogelijk maken om deproduktiviteit nog belangrijk te verhogen.De teelt van hoogkwalitatieve rassen eneen toenemende mechanisering en auto-matisering van de produktie zouden erwel eens toe kunnen leiden dat er, nadatdit voor arbeid het geval was, nu ook eenbelangrijke uitstoot van grond gaat plaatsvinden. Om meer houvast voor het in-schatten van deze effecten te krijgen zul-len ze echter nader dienen te wordenonderzocht.Aanzetten tot onderzoek op dit puntworden o.a. aan de Landbouwuniversiteitondernomen. Uit een eerste case-studie indeze sfeer (het Zuid-Hollands veenweide-gebied met een toespitsing op de Krimpe-nerwaard)!^) kan o.a. de voorzichtige con-clusie worden afgeleid dat beide visies, inbepaalde gebieden en onder zekere voor-waarden'7), modellen voor ruimtelijkeontwikkeling toelaten die elkaar in be-langrijke mate overlappen. Deze overlap-ping blijkt met name betrekking te heb-ben op een gedifferentieerd grondgebruik(door mengvormen van bestemmingen alslandbouw, bosbouw, natuur, recreatiee.d.) en potenties voor vervlechting vanrurale met meer urbane functies (doormogelijkheden van nevenberoeps- en z.g.vrije-tijdslandbouw, participatie in na-tuurbeheer, recreatie e.d.).Uiteraard betreft het hier slechts eeneerste verkenning die om herhaling en uit-breiding vraagt, maar niettemin kan hetreeds als belangwekkend worden be-schouwd dat effecten, verbonden met ver-schillende perspectieven voor landbouw-beleid, tot eenzelfde ruimtelijke ontwik-kelingsrichting lijken te kunnen leiden.Onder zekere voorwaarden wehswaar,maar het is niet ondenkbaar dat het inbepaalde gevallen gewenst is juist dievoorwaarden vanuit een wijdere contextvan ruimtelijke organisatie te ondersteu-nen. Bijvoorbeeld omdat de ontwikke-lingsrichting waartoe ze lijken te leidendaar precies in past. Dat biedt dus moge-lijkheden voor ruimtelijke conceptvor-ming in bredere zin.///. Ontwikkellngen in de sfeer van hetnatuurlijk substraatDe feiten en gebeurtenissen, die in desfeer van het natuurlijk substraat de ver-onderstelling van een tot rust gekomenruimtelijke ontwikkeling logenstraffen,betreffen allereerst de toename van ver-schijnselen van milieubederf. Maar in ditverband verdienen ook de recentelijk van-uit de landschapsecologie gevormde in-zichten ten aanzien van landschapsbouwen natuurbeheer nadere aandacht. Beidefactoren worden hieronder kort toege-licht.Ten aanzien van het milieubederf in hetalgemeen mogen de problemen in hoofd-zaak bekend worden verondersteld, deberichten daarover bereiken ons immersdagelijks. Duidelijk wordt intussen, datde effecten van voortschrijdende miheu-verontreiniging niet alleen een bedreigingvoor vogels of zeldzame dieren en planteninhouden. De vervuiling van bodem, wa-ter en lucht eist in toenemende mate ookhaar tol wegens de maatschappelijke ge-volgen van vergiftiging (van buurten, par-ken en bossen), zich aftekenende schaar-ste (van schoon water bijvoorbeeld) enS en V, november 1 986401concept voor ruimtelijke organisatiebeperkingen in de produktiesfeer (in delandbouw o.a.)-De oorzaken van dit alles ontspruitenuiteraard aan het complexe proces van de(niet steeds wederkerige) aanpassing vanhet natuurlijk milieu aan de maatschap-pelijke aanspraken die daarop wordengedaan. Hoewel de werking van dit procesvoor een deel stellig nog als onbekendmoet worden beschouwd en ons daaromniet zelden voor onaangename verrassin-gen stelt, vordert ook het inzicht erin.Duidelijk wordt dat de betrekking tussenecologie en economie zich als een niet teveronachtzamen spanningsveld manifes-teert, waarmee uiterst zorgvuldig dient teworden omgegaan.De overheidszorg op dit punt wordtweerspiegeld in een breed scala vanvoortschrijdende wet- en regelgeving,waarvan echter de samenhang niet in allegevallen duidelijk is, de doelstellingenniet altijd consistent zijn, de uitvoeringsoms aan coordinatie te wensen overlaaten het effect niet steeds bevredigt. Verkla-ringen hiervoor zijn niet moeilijk te vin-den. Instrumentele handehngen van "de"overheid voltrekken zich immers (naar deaard van hun context) veelal gefragmen-teerd, de achterliggende politieke be-langen ervan zijn vaak verdeeld en hunpraktische reikwijdte is niet zelden be-perkt. Al dergelijke verklaringen latenechter het gemis aan een substantieel hou-vast voor het omgaan met het gesignaleer-de spanningsveld onverlet.In deze situatie wordt vooral de ecologieonder druk gezet. Wat kan er vanuit diehoek aan houvast biedend inzicht wordenaangedragen? Uit een oogpunt van ruim-telijke organisatie lijken op dit punt voor-al de discussies rond het begrip ecologi-sche infrastructuur belangwekkend. Hoe-wel sommigen dit begrip, dat in ambtelij-ke nota's inmiddels een ruime toepassinggeniet (ook het Groenboek refereert er-aan), arbitrair achten, lijkt het met betrek-king tot ruimtelijke conceptvorming per-spectieven te bieden.De theoretische onderbouwing van hetbegrip ecologische infrastructuur ligt o.a.besloten in de theorie van de biogeografievan eilanden "*) en de resultaten vanrecent onderzoek''). De theorie zegt datisolatie en verkleining van z.g. habitat-eilanden leidt tot sterke verarming vanhet betreffende milieu. Dit, omdat bijeilanden de extinctie (of emigratie) vanorganismen groter blijkt dan de immigra-tie ervan.Met betrekking tot een ruimtelijke or-ganisatie waarin kwalitatieve ecologischekenmerken worden beoogd te behoudenc.q. te genereren, stelt dit inzicht de voor-waarde van ruimtelijke continui'teit vanecosystemen; met name in situaties waarhet landgebruik reeds leidde tot een minof meer vergaande versnippering van na-tuurlijk milieu. Daarnaast is het van be-lang dat er binnen het kader van ruimte-lijke continui'teit tevens mogelijkhedenvoor temporele stabiliteit aanwezig zijn ofzich kunnen ontwikkelen. Dat stelt beper-kingen aan de dynamiek, c.q. voorwaar-den van traagheid ten aanzien van veran-deringen tengevolge van bestemming, in-richting en beheer. Het begrip ecologischeinfrastructuur vormt nu als het ware derepresentatie van die structurele kenmer-ken van de ruimtelijke organisatie waar-mee aan deze continuiteits- en stabiliteits-voorwaarden wordt voldaan.Tegen de achtergrond van het zoevengenoemde gemis aan substantieel hou-vast, lijkt het zinvol om bij een poging totconceptvorming voor toekomstige ruim-telijke ontwikkeling het idee van ecologi-sche infrastructuur mede als uitgangs-punt te nemen. Daarbij zal dan, perschaalniveau, de realiseerbaarheid vanruimtelijke continui'teit en temporele sta-biliteit van ecosystemen van meet af alsvoorwaarde dienen te worden gesteld.In deze gedachtengang past een bena-dering, waarin natuurbeheer zich nietslechts dient te richten op het behoud vantot eiland geisoleerde plekjes natuur,maar vooral zal moeten bijdragen aan hettot stand komen en het in stand houdenvan een voor elk schaalniveau adequateen sterke ecologische infrastructuur,waarin de natuur als drager (substraat) deplaats krijgt die haar onvermijdelijk toe-behoort. Hoe deze voorwaarden zich na-der laten uitwerken en operationaliserenvalt thans, wegens nog ontoereikendekennis in deze sfeer, moeilijk te precise-ren. Ook hier tekent zich dus een behoefteaan verder onderzoek af. Wat het natio-nale niveau betreft kunnen op dit puntoverigens wel al een paar algemene over-wegingen worden gemaakt, met name opbasis van de geografisch/ecologische ka-rakteristiek van het natuurlijk substraat.Nederland is een deltagebied, met in dede zuid-oost/noord-west richting eenhoog-laag gradient en in zowel de oost-west als de noord-zuid richting een rela-tief belangrijke klimaatgradient. Dit leid-de tot gedifferentieerde landschappen enlevensgemeenschappen, alsmede tot debijzondere positie van ons land als tijde-lijk territorium van trek- en broedvogels,waarvan de betekenis ver buiten onzegrenzen reikt. Uitgaande van een positie-ve waardering van deze situatie zou alsalgemene voorwaarde voor een ecologi-sche infrastructuur op nationaal niveaumoeten gelden, dat de ruimtelijke conti-nu'iteit van ecosystemen in beide genoem-de gradientrichtingen zo goed mogelijkwordt gewaarborgd. Anders gezegd, deartefactiele (c.q. anthropogene) structu-ren dienen in deze richtingen in ecologi-sche zin doordringbaar te zijn.Zo beschouwd lijken op nationale enregionale schaal bezien met name de rivie-ren en beken goede aanknopingspuntenvoor ecologische infrastructuur te kunnenbieden. De eerste (met inbegrip van deuiterwaarden) wellicht vooral als een typehoofddrager, in hoofdzaak oost-west ge-richt. Het patroon van de tweede (metinbegrip van de beekdalen) als natuurlijkeaanleiding voor mogelijkheden voordoordringbaarheid in ecologische zin.Deze gedachtengang heeft tevens conse-quenties voor het grondgebruik in ruime-re zin; criteria voor ecologische kwahteitvan beekdalen verdragen zich uiteraardniet met een grondgebruik dat tot bodem-en waterverontreiniging leidt, zoals bij-voorbeeld op de zandgronden het gevalis.Wat hier voor het niveau van de bekenwerd opgemerkt geldt in beginsel ookvoor het hogere schaalniveau van de rivie-ren. En daarmee tekent zich in letterlijkezin een grensoverschrijdend vraagstuk af.Evenals dit reeds ten aanzien van detechnische infrastructuur het geval bleek,vraagt ook een ecologische infrastructuurom Internationale orientatie. Tegen deachtergrond van wat er thans in deze sfeergaande is, lijkt het niet onwaarschijnlijkdat overleg met betrekking tot de ruimte-lijke organisatie op E.G.-niveau, in detoekomst vooral vanuit het belang vaneen gemeenschappelijk milieubeheer zalworden gestimuleerd.S en V, november 1 986402concept voor ruimtelijke organisatie IIn het voorgaande werd een globale ver-kenning uitgevoerd van de ontwikke-lingen op een drietal deelterreinen van deruimtelijke organisatie, zoals die zichthans lijken af te tekenen. In de lijn vanhet eerder toegelichte methodische uit-gangspunt voor conceptvorming zal, metbehulp van dit verkenningsresultaat, ineen tweede aflevering een aanzet tot deontwikkeling van een model worden on-dernomen.Noten1Ruimtelijke perspectieven, op weg naar de 4enota over de ruimtelijke ordening, RPD;'s-Gravenhage. 1986.2Cie Vonhoff. Rapport nr. 3 van de CommissieHoofdstructuur Rijksdienst. "Elk kent de laandie derwaarts gaat". 's-Gravenhage. 1980.3Het methodoiogisch kader aan de basis vandeze werkwijze is nader toegelicht in F. Kleef-mann. Handelen, Handelingscontext en Plan-ning; Wageningen, 1985.4Met natuurlijk substraat wordt hier bedoeldhet natuurlijk potentieel in brede zin, zoals zichdat in categorieen van natuurlijke systematiekin het abiotische en biotische milieu manifes-teert en als zodanig de fysieke drager vormt vanmenselijke bestaansmogehjkheden in hetanthropogene milieu.5Jaarverslag Rijksplanologische Dienst; 's-Gra-venhage, 1984.6Zie in dit verband o.a. A. de Swaan, Werkloos-heid als sociale verkwisting; Intermediair5-1986.7Zie met betrekking tot dit punt o.a. Peter Hall,Europe's cities: a European problem, a Euro-pean profession; voordracht BNS, dec. 1985.8Zie o.a. de bijdragen op dit punt in Woning-raad Extra nr. 33. 1985.9Volgens bijdrage van het tijdschrift Bouw,8december 1984.10I.F. Jeekel, Ruimtelijke ordening en informa-tiemaalschappij; ROM Magazine nr. 6, 1985.11Zie in dit verband ook P.B. Steinmetz, Wegenals ordenend element in het landschap. Docto-raal scriptie Planologie, Wageningen, 1984.12Zie o.a. Maatschappelijke en ruimtelijke pro-blemen van de kleinschalige zandgebieden.Syllabus verschenen in de reeks Capita Selectavan de ruimtelijke ordening, Wageningen,1986.13Zie in dit verband J. de Hoogh, Het Groenboek1985 legt Brusselse illusies bloot; in Spil nr. 47-48. 1986.14Groenboek, perspectieven voor het gemeen-schappelijk landbouwbeleid. Publikatie DienstLandbouwvoorlichting E.G. nr. 33; Brussel,1985.15W.J. van der Weyden et al., Bouwstenen vooreen geintegreerde landbouw. Pubhkatie WRRnr. V 44; 's-Gravenhage, 1984.16M.C. Ridding en M.J. van der Vlist, Ruimte-lijke planvorming voor de Krimpenerwaard;planvorming in het licht van twee toekomstper-spectieven voor het Hollands-Utrechtse veen-weidegebied. Planologische Discussiebijdra-gen deel I, 1986.17Onder bepaalde gebieden valt hier te verstaandie, welke uit milieu-oogpunt belangrijk zijn enwaarin het voor boeren moeilijk zal zijn om hethoofd boven water te houden (hetzij door fysi-sche, hetzij door produktiebeperkingen). On-der bepaalde voorwaarden wordt hier verstaandie, waaronder boeren besluiten hun inkomenmede te verwerven uit de zorg voor het milieuen landschap, recreatie e.d.18R.H. MacArthur en E.O. Wilson, The theory ofisland biogeography. Monographs in popula-tion biology I. Princeton University Press,1967.19P. Opdam, G. Rijsdijk en F. Hustings, Birdcommunities in small woods in agriculturallandscape, effects of area isolation. Biologicalconservation nr. 34, 1985.AankondigingenKNOB-studiedag BegraafplaatsenDe Koninklijke Nederlandse Oudheid-kundige Bond organiseerl een studiedagonder de titelBegraafplaatsen en kerkhoven, wat doenwe er mee?Datum vrijdag 12 december 1986Plaats de Geertekerk in UtrechtDagvoorzitter dr. D.P. SnoepKostenf 35,- voor leden KNOB,/ 50,-voor niet-ledenInlichtingen Bureau KNOB, Huis de Pin-to, Sint Antoniesbreestraat 69, 1011 HBAmsterdam, tel. 020-277706, mw. DeHaas (ma. en wo.).PAO-cursussen GeoplanGeoplan organiseert de volgende cursus-sen:Geautomatiseerde exploitatieberekeningenvoor hestemmingsplannenData 8 en 10 december 1986Plaats Rijksuniversiteit UtrechtCursusleiding drs. ing. P.R. Zoete (Bureauvoor Ruimtelijke Planning, Nijmegen)Kosten f 695,-- (inclusief cursusmate-riaal, consumpties en lunches).Gemeentelijke woningbedrijven: continue-ren of privatiseren?Data 10 en 11 december 1986Plaats Akademie voor Bouwkunst, Rot-terdamCursusleiding drs. L.G. Gerrichhauzen(Erasmus Universiteit, Rotterdam)Kosten f 775,-Aanmeldingen informatie Geoplan, Wete-ringschans 12, 1017 SG Amsterdam, tel.020-241433/247599.Training Luchtfoto-interpretatieLandplan - training en advies in luchtfo-togebruik organiseert een 5-daagseBasis-training ruimtelijke ordening en mi-lieuheheerPlaats en tijd voor Zuid-HoUand, Zee-land, Rotterdam, medio november; voorNoord-Holland, Utrecht en Flevoland,Amsterdam, medio januari 1987; voorGelderland, Overijssel, Apeldoorn, me-dio februari; voor Groningen, Frieslanden Drente, Assen, medio maartKostenf 1500,-Nadere informatie en inschrijfformulierLandplan - training en advies in luchtfo-to-gebruik, Kerkring 25, 4797 AA Wil-lemstad, tel. 01687-2779.S en V, november 1 986403ir. L.A.R. KleiverdaDienst Gemeentewerken afdeling StedebouwAls laatste groeistad in deze serie wordt Amersfoort behandeld. De stad verkreeg haargroeistadtaakstelling in 1982. In een periode waarin de financiele ruimte bij het Rijk snelverniinderde, terwiji ook in deze groeistad grote investeringen in infrastruktuur engeluidwerende voorzieningen nioeten worden gedaan. Uitgebreid wordt ingegaan op hetgetrapte systeem van planvorming. Tenslotte wordt gewaarschuwd voor de gevolgen vanvoortgaande bezuinigingen voor de kwaliteit van het woonmiheu.Groeikernen- en Igroeistedenbeleidgroeisteden in Nederland: Amersfoort>w^ r^GeschiedenisHet is niet voor het eerst dat Amersfoorteen sterke groei doormaakt binnen eenrelatief kort tijdsbestek. Aan het beginvan deze eeuw telt de stad 19 000 inwo-ners. Buiten de tweede omwalling, die destad aan het begin van de 15e eeuw inoppervlak meer dan verdubbelde, is totop dat moment nauwelijks gebouwd.Na 1900 breidt de stad zich in hoogtempo uit in zuidelijke en westelijke rich-ting: langs de spoorlijnen, de Eem en opde hoger gelegen delen. Er ontstaan wij-ken met arbeiderswoningen, villa's enmiddenstandswoningen: Soesterkwar-tier, Berg- en Leusderkwartier. In 1945telt de stad ca 60 000 inwoners.Na de oorlog worden plannen ontwik-keld voor een verdere groei tot 100 000inwoners in 1970. Het Plan in Hoofdzaak(vastgesteld in 1955) beoogt de scheefge-groeide stad in evenwicht te brengen dooreen stadsuitbreiding in oostelijke ennoordelijke richting. Het verkeer wordt,voortbouwend op de bestaande structuur,geleid via een stelsel van ringwegen enradialen.De woongebieden zijn in de vorm vanwijken, gescheiden door grenszones, intwee ringen rond de binnenstad geprojek-teerd. Het nivo van de (winkel-)voorzie-ningen wordt laag gehouden om de ver-pauperde noordzijde van de binnenstadnieuw leven in te blazen. Tot het eind vande jaren 70 is op basis van dit plangebouwd. Het inwonertal blijft achter bijde prognose: 80 000 in 1975. -Met het Plan in Hoofdzaak zijn tevensde laatste uitbreidingsmogelijkheden bin-nen de gemeentegrenzen aangegeven. Inhet begin van de jaren 60 ontstaan plan-nen voor een verdere groei van Amers-foort. Plannen die uiteindelijk zuUen uit-monden in de groeistadtaakstelling in1982. Zo wordt in intergemeentelijk ver-band een structuurschets ontwikkeldwaarbij Amersfoort samen met Leusdenen Soest een stedelijke eenheid vormt: eenstad met vleugels. De ringwegen en radia-len worden in noordelijke richting door-getrokken evenals de wijkgewijze opbouwvan de woongebieden. Amersfoort wordtin die visie in noordelijke richting uitge-breid met een stadsdeel Hoogland voor50 000 inwoners.De Provincie Utrecht doet in 1967 een^^OB>S>voorstel de Gemeente Hoogland op teheffen en grotendeels toe te voegen aanAmersfoort. Het Streekplan UtrechtseVallei en Eemland (1970) sluit aan op deTweede Nota Ruimtelijke Ordening: bin-nen een patroon van gebundelde decon-!centratie wordt voor Amersfoort eengroei verwacht tot minimaal 90 000 inwo-ners in 1990. Volgens het StreekplanUtrecht-Oost (1978) dient de groei van deregio gebundeld te worden in de agglome-ratie Amersfoort (inclusief Leusden enVenendaal). In Amersfoort-Hooglandzullen 6 000 a 10 000 woningen gebouwdmoeten worden tot 1990, waarbij dan eeninwonertal van 108 000 bereikt zal zijn. Inde Verstedelijkingsnota 1976 wordtAmersfoort genoemd als mogelijke groei-stad. Daarbij wordt opgemerkt dat inS en V, november 1 986404groeikernen en groeisteden; Amersfoortoverleg met de provincie en de gemeentewordt nagegaan of de mogelijkheid enbereidheid bestaat om voor de periode1980-1990 naast de bouwmogelijkhedenin de "harde" plannen een nieuwe capa-citeit van 10 000 woningen te vinden.Inmiddels loopt de bouwproductie te-gen het midden van de jaren 70 sterkterug. De wijk Schothorst, als laatste on-derdeel van het Plan in Hoofdzaak, wordtslechts gedeeltelijk gerealiseerd. Zowel deomslag van hoog- in laagbouw als de ver-wikkelingen rond de opheffing van deGemeente Hoogland zijn hier aan debet.De uiteindelijke opheffing, die met veelweerstand van de plaatselijke bevolkinggepaard gaat, is op 1 januari 1974 een feit.Als laatste uitbreidingsmogelijkheid, bui-ten het oorspronkelijke Plan in Hoofd-zaak, wordt de wijk Rustenburg ontwik-keld.In de bestaande stad worden plannenontwikkeld voor de bebouwing van eenaantal open plekken in en rond de bin-nenstad en de vrijgekomen kazerneterrei-nen Juliana van Stolberg en Willem III.Het bedrijventerrein de Isselt is dan reedsjaren vol. De woningproductie daalt uit-eindelijk tot minder dan 50 woningen inhetjaar 1981.Op dat moment is de planvorming voorde nieuwe stadsuitbreiding in voile gang.De in 1978 verschenen Doelstellingenno-ta Stadsuitbreiding vormt de basis voorhet te ontwikkelen struktuurplan. Tegende achtergrond dat de plaatselijke wo-ningnood opgeheven en de werkgelegen-heid veiliggesteld moest worden, wordtAMERSFOORTAmersfoort, verschillende stadsdelen (Dienst Gemeentewerken Amersfoort, 1985)AMERSFOORT,voor de jaren 1983-1990 een woningbe-hoefte voorgesteld van 6 000-7 000 wo-ningen.Tijdens de ontwikkeling van het Struk-tuurplan Stadsuitbreiding wordt doorRijk, Provincie en Gemeente onderzoekgedaan naar de mogelijkheid van degroeistadstatus. Eerst vindt er een behoef-teraming plaats waaruit blijkt dat er eentekort in de regio ontstaat van tenminste14 300 woningen in 1990 en tenminste19 600 woningen in 1995. Op basis hier-van besluit de gemeente de Minister teverzoeken de groeistadstatus te verlenen.In het daarna verrichte Haalbaarheidson-derzoek wordt gekonkludeerd dat met debeschikbare capaciteiten in het uitbrei-dingsgebied en de bestaande stad de bere-kende behoefte kan worden gedekt.Op 1 januari 1982 is de taakstelhng eenfeit: tot 1 januari 1994 moeten minimaal15 000 woningen gebouwd worden.TaakstelhngDe voorwaarden waaronder de groeistad-aanwijzing tussen het Rijk en Amersfoortovereengekomen wordt zijn afgeleid uitde eerder genoemde Haalbaarheidsstudie.Op aandringen van het Rijk wordt eennauwgezet onderzoek gedaan naar deaspecten (woningbouw-) capaciteit, gelden tijd. Het voorontwerp structuurplanvormt daarbij het gemeentelijk uitgangs-punt voor de ruimtelijke structuur, devoorzieningen en de verkeers- en civiel-S en V, november 1 986405groeikernen en groeisteden: AmersfoortSchema planvormingWRO-plannenstructuurplanglobaalbestemmingsplanI: ? . 1 'IIIIartikel 11uitwerkingsplanBeleidsplannensectorbeleidUitvoerings-,beheers-,onderhoudsplannen_\ uitvoering hoofd-infrastructuurJ\ uitvoeringplanstructuur-^ bouwplannenbouw- en woonrijptechnische infrastructuur. Het woning-bouwprogramma heeft als belangrijk uit-gangspunt dat de toekomstige woning-voorraad in heel Amersfoort een even-wichtig karakter moet hebben. Aan dehand van twee modellen worden de capa-citeit, de kosten en de opbrengsten van destadsuitbreiding bepaald. Model I, con-form het structuurplangebied, heeft eencapaciteit van 11 500 woningen, model IIvan 16 000 woningen. Ook de capaciteitin de bestaande stad in de vorm vandebestaande plannen en mogelijkhedenworden geraamd.De omstandigheden waaronder de be-sluitvorming over de voorwaarden vanaanwijzing plaatsvinden zijn bijzonder,zeker in vergelijking met eerder aangewe-zen groeisteden. De economische situatieop dat moment en de vooruitzichten zijnop zijn minst weinig rooskleurig. Nochhet Rijk noch Amersfoort wil in de toe-komst voor verrassingen komen te staan.In die situatie ligt het dan ook voor dehand dat Amersfoort vasthoudt aan eenuitzonderlijk woningbouwprogrammamet 70% woningwet en premie A. Geziende onzekerheden m.b.t. de woningbehoef-te op langere termijn wordt op aandrin-gen van gemeentezijde vooralsnog een"lage" taakstelling overeengekomen:15 000 woningen tot 1994. Omstreeks1986 kan op basis van nieuwe behoefte-peilingen alsnog een keuze voor een "ho-gere" taakstelling worden gedaan, ca.20 000 woningen tot 1990.In deze periode ontstaat landelijk eensterke belangstelling voor de compactestad. Studies en publicaties in vaktijd-schriften richten de aandacht op verdich-tingsmogelijkheden van de bestaandestad en de voordelen van inbreiding ver-sus uitbreiding. Het is in deze context datAmersfoort voorstander is van het kleinemodel (I) voor de stadsuitbreiding(11 500 woningen) in de overtuiging datde capaciteit in de bestaande stad (3 500woningen tot 1994, 6 900 tot 1999) reali-seerbaar is. Hoewel van rijkszijde de voor-keur wordt gegeven aan model II (o.a.meer woningen tegen weinig meerkosten)en het programma voor de bestaande stadzeer ambitieus wordt genoemd wordt hetgemeentelijk standpunt vooralsnog (tot1986) aanvaard.PlanvormingNadat het Struktuurplan Stadsuitbrei-ding op de groeistadafspraken was aange-past en in procedure gebracht, is hetgebied bedekt met bestemmingsplannen.Deze plannen hebben een (zeer) globaalkarakter: er wordt niet meer in vastgelegddan in juridische zin strikt noodzakelijkis. Voorkomen moet worden dat, als ge-volg van de zeker optredende wijzigingenin b.v. het woningbouwprogramma, ver-tragingen zouden ontstaan door langeprocedures. De op pragmatische grondengekozen plangrenzen resulteren in eenlappendeken van globale, gedetailleerde.oude en nieuwe bestemmingsplannen.Bijzondere aandacht is besteed aan eennieuwe planvorm (het Basisplan) die stu-rend zou worden bij de realisatie.Naast de nodige flexibiliteit moest hetplan voldoende "status" hebben. Ook zouhet een integraal karakter moeten heb-ben, niet alleen uitspraken vastleggend ophet gebied van programma's, de planningen de financien maar vooral ook rechtdoen aan het ruimtelijke aspect. Belang-rijk was ook dat het de vele mensen diegedurende lange tijd bij de planvoorberei-ding en -uitvoering betrokken zijn inzichtverschaft in reeds gemaakte en nog open-staande keuzes. Tevens moest een oplos-sing worden gevonden voor het inpassenvan de artikel 11-uitwerking binnen hettotaal in de gegeven situatie. Het globalebestemmingsplan was daarvoor, in gege-ven situatie volkomen ongeschikt. Geziende vele "statusloze" plannen (structuur-schetsen, uitwerkingsvoorbeelden etc.)die ook in andere steden gemaakt wordenlijkt deze stelling meer algemeen onder-schreven te worden.Het Basisplan heeft een bestuurlijkestatus, waarbij keuzes binnen de margesvan het globale bestemmingsplan wordenvastgelegd. Het plan heeft een integraalkarakter en beslaat het hele ruimtelijksamenhangende gebied (inclusief het be-staande woongebied van Hoogland enSchothorst-Zuid). De planvorming vindtplaats op 3 nivo's: stadsdeel, wijk enbuurt. Voor het stadsdeel en de wijkenrespectievelijk ca. 16 500 en 2 000-4 000woningen worden basisplannen ontwik-keld. Op het nivo van de buurt (200-300woningen) komen de feitelijke uitvoe-ringsplannen tot stand. Het Basisplan opStadsdeelnivo geeft de voorwaarden aanwaarbinnen de plannen op wijknivo moe-ten worden ontwikkeld. De Basisplannenop wijknivo geven op hun beurt de voor-waarden voor de plannen op buurtnivo.Stelregel bij de planvorming is dat nietmeer wordt vastgelegd dat strikt noodza-kelijk is om de samenhang van de plannenop het eerstvolgende nivo te garanderen.De plannen op wijk- en buurtnivo wordenpas ontwikkeld wanneer zij "aan snee"zijn.Het basisplan kan gezien worden alseen tussenstand. Wijzigingen in (sector-)beleid kunnen aanleiding zijn het Basis-plan Stadsdeel bij te stellen en de wijzi-S en V, november 1 986406groeikernen en groeisteden; AmersfoortA mersfoort-Noord, ruimtelijk-functionele structuur (Dienst Gemeentewerken Amersfoort, 1984)1. AUTOVERKEER HOOFDONTSLUITINGRIJKSWEG A11? NIVOoostflinkwcstflank1? NIVOdwjrsverbinding-noordverbinding wEs^riank-ringwegverbinding oosltlank-rlngwegverbinding hooglandcrveennieuw 2x2/ aansluiring A1/ runnelverbredinc) 2x2/ omDuiging/ brugverbrcding 2x2/ tunnel/ brug^leideweg gedeellelijh handhaven2. AUTOVERKEER WIJKONTSLUITINGC^segmenfen schothorst lielhofst kaftenbroek hooglandLTZJ comparhmenl-tn . ,3.0PENBAAR VERVOER3.1 BUS..?, interiokjlt lijn tiatteafstand
Reacties