Uil67e jaargang, april 1986DenkraamHerziening WoningwetDecentralisatie en WoningwetGroeikernen en groeisteden:provihcie UtrechtVestigingsplaats dienstverlenendekantorenBestuurlijk-juridische trendsIn PlanologenlandNieuwe publikatiesNieuws van de RARONieuws van de RAVOstedebouwenkfolkshuisvestingBetaal geenduur leergeld!KSB faekalienopvoerinstallaties mini-compactaworden al meer dan 10 jaar ingezet op demeest uiteenlopende plaatsen. Reedshonderden KSB mini-compacta's vonden hunweg naar tevreden gebruikers. Referentiesals geen ander! Speciaal in woonboten wordende KSB mini-compacta U7 en US7(met vuilversnijder voor grote opvoerhoogten)toegepast, KSB, in de harde praktijl< bewezen!KSB mini-compacta U7 en US7:een radikale opiossing voor woonboten.lichtgewicht,eenvoudigemontage.verstoppingsvrij.korrosievast enonderhoudsvrij.opvoerhoogtetot 16 m.absoluutstankdicht.meer dan 10 jaarpraktischeervarlng.uiteraard metvolledige KSBgarantie enservice!oKSB NEDERLAND B.V.Wilgenlaan 68,1161 JN ZwanenburgTel. 02907-3541Telex 13244Telefax 02907-2755ponnpenProfiel van'n stuk vakwerk:Projekt Reigersbos, AmsterdamDe heer van Osch van Oskomera, ramen/deuren-fabrikant te Deurne:'Hat projekt Reigersbos bij Amsterdam omvat35 winkels en daarboven 3 woonlagen met in totaal280 verschillende woningen. Bij zowel de winkelsals de woningen is de 450 serie ruimschoots toe-gepast. Erwerden duizenden ramen, deuren enaluminium panelen middels dit systeem geplaatst,snel geplaatst. In ons bedrijf werden kompletepuien geprefabriceerd en daarna werden die terplekke perwoning in 66n keersluitendgemonteerd. De woningen hebben isolerende enniet-isolerende beglazing en zijn alien voorzienvan naar buitendraaiende terrasdeuren. De meestewinkels hebben puien met gelaagd glas en automa-tische sctiuifdeuren. Alles met het Reyno 450systeem.ii!l iS*" ??*? mmMmm^Architekt: Cees Dam, AmsterdamAannemer: Hillen & Roosen, AmsterdamFabrikant: Oskomera, DeurneDearchitektuurvan dit projekt isspeels;erzijnover-al verspringende terrassen en iedere verdiepingtieeft een andere kleur panelen. Met de profielenvan Reynotrade, die alien blank geanodiseerdwerden, is een fraaie uitgebalanceerde vorm-geving gerealiseerd.'Reyno en Reynotherm, AluminiumGoede systemen vanPostbus 30, 3840 AA HarderwijkTel.: 03410-16824Reynotrade maakt deel uit van Reynolds Aluminium Holland BVstedebouwenvolkshuisvesting Inhoud67e jaargang april 1 986Orgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting u.Redactie;Drs. H.J.M. van AlphenMr. R. BekkerDrs. L.G. GerrichhauzenDrs. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GroenMr. ir. A.W. HartmanIr. .1. HeelingMw. drs. I.T. KlaasenIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerRecensieredacteur;Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauritskade 212514 HD Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080RIchtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbcsprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs'aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voor personeelsadvertenties:Postbus 42400 MA Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62191voor produkt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Losse nummers j 12,--ISSN 0039-0879DenkraamNogmaals de Markerruimte, drs. H.J.M. Goverde 120ArtikelenVoorontvverp van Wet tot herziening van de Woningwet, mr. A.Ch. FortgensNa een overzicht van de belangrijkste onderdelen van het voorontvverp totherziening van de Woningwet worden een aantal onderwerpen, die van be-lang zijn voor het bestemmingsplanwerk, nader belicht; het gaat m.n. om debouwverordening, welstand, en de coordinatie van bouvwergunning en mi-lieuvergunning. 121Oecentralisatie en Woningwet, drs. P. W.A. VeldIn de voorstellen tot herziening van de Woningwet wordt ook de decentra-lisatie van de woningbouw geregeld. In dit artikel wordt een korte beschrij-ving gegeven van de gekozen aanpak, waarbij speciaal wordt ingegaan op deplanning en programmering van de volkshuisvesting. 128Groeikernen- en groeistedenbeleid: het groeikernenbeleid in (het centrale deel\an) de provincie Utrecht, ir. T. Meijer, in C.H. Rademaker en drs. J.C. vanScherpenzeelHet twaalfde artikel in de serie over groeikernen en groeisteden stelt degroeikernenproblematiek in het centrale deel van de provincie Utrecht aande orde. Met name het spanningsveld tussen de gedachte van stadsgeweste-lijke concentratie en het voorzien per gemeente in de eigen woningbehoeftestaat daarbij centraal. Een en ander wordt afgezet tegen het ontwerp streek-plan voor de gehele provincie. 131De vestigingsplaats van dienstverlenende kantoren, drs. J.H.J. van DinterenDe resultaten van een vestigingsplaatsonderzoek voor dienstverlenendekantoren in 5 middelgrote gemeenten, Deventer, ZwoIIe, Almelo, Hengelo enEnschede. Geconcludeerd wordt dat de oude schil rond de binnenstad alskantoorlocatie geschikt is en verder dient te worden ontwikkeld. 141Bestuurlijk-juridische trends: Fanfare voor coordinatie? J. RothuizenIn deze nieuwe rubriek in het tijdschrift wordt ingegaan op een aantal mo-gelijke "coordinatie-instrumenten" voor de ruimtelijke ordening. De gecoor-dineerde aanwijzing, de operationele gebiedsaanwijzing en de bindende pro-jectbestemming worden op hun merites beoordeeld. . 150In Planologenland, H. van der CammenKrijgt Nederland een TGV en hebben planologen daarmee ook nog letsvan doen is de vraag die deze maand wordt gesteld in Planologenland. 155Nieuwe publikatiesNieuws van de RARONieuws van de RAVOMededelingen NIROVOverige mededelingenAankondigingen157160161163165127, 168DenkraamNogmaals de MarkerruiinteDe RARO heeft opnieuw verdeeld geadviseerd over deMarkerruimte (19.2.86). De aanhang van aanleg van deMarkerwaard groeide van de kleinst mogelijke meerder-heid in 1982 naar ruim tweederde nu. Maar voor de rege-ring is vermoedelijk de inhoud van het advies evenzeer vanbelang, omdat zij handvatten moet bieden voor legitima-tie van haar voorstel aan het parlement.In mei 1985 heeft de regering-Lubbers het beleidsvoor-nemen van het kabinet Van Agt-Wiegel (juni 1980) totaanleg van de polder bevestigd. Meningsverschillen ver-hinderden de regering definitief te beslissen. Vandaar"nieuwe" vragen aan de RARO (19.8.85).De regering wenst meer zicht op functies, mate vanbehoefte en urgentie van de Markerwaard. Ook wenst zijde mate te kennen waarin uitgifte van poldergronden kanbijdragen aan oplossing van ruimtelijke en sociaal-econo-mische knelpunten elders in Nederland ("ruilfunctie").Tenslotte wenst zij nadere informatie over de betekenisvan de Markerwaard voor het ruimtelijk beleid in wijdereomgeving.Gegeven deze vragen is het jongste principebesluitbizar, in elk geval weinig planningrationeel. Eerder lijkthet een politieke ontsnapping aan een definitieve keu-ze.Het nieuwe RARO-advies concentreert zich op de ruil-functie. Deze planologische of "smeerolie"-functie is poli-tiek erkend na de goed getimede inbreng van F. HeUingaen I. Samkalden (oud-voorzitters van respectievelijk RPCen RARO, NRC, 14.3.85).In 1982 was de RARO op dit punt verdeeld. Sommigenzagen aanleg als een belangrijk voordeel om knelpunten tekunnen oplossen. Anderen vreesden dat door de Mar-kerwaard andere mogelijkheden (bv ombuiging ruimte-gebruik) onvoldoende zouden worden benut. Het nu uit-gebrachte advies werkt in feite deze visies uit.Voorstanders van de Markerwaard stellen dat de IJs-selmeerpolders een positieve functie hebben (gehad) voorde ruimtelijke ordening van ons land, achten ruimtelijkeknelpunten een permanent gegeven en benadrukken deeindigheid van Zuidelijk Flevoland (nog 5 a 10 jaar voor-raad). De aanleg van de Markerwaard is urgent om detoekomstige indirecte ruimteclaims (nu vooral natuur,recreatie en produktiebos) te kunnen verwerken. Derge-lijke uitruil biedt grote kostenbesparingen wegens vermij-ding van onteigeningsgelden en allerhande schadevergoe-dingen.Het andere deel van de RARO wil lijnen uit het verle-den niet zonder meer naar de toekomst doortrekken. Ookal niet omdat soms ruilgrond is aangeboden voor plano-logische missers (denk aan industrieterrein Moerdijk). Debetekenis van IJsselmeerpolders voor grondruil moetvastgesteld worden na beschouwing van het gehele procesvan grondtransacties in Nederland. De conclusie is dandat in de toekomst een geringere vraag naar agrarischegrond ten behoeve van het oplossen van knelpunten is teverwachten. Eventuele knelpunten zijn op te lossen door-dat er voldoende vervangende grond zal zijn doortoenemende noodzaak landbouwgronden uit productie tenemen, door een actief aankoopbeleid (via Bureau BeheerLandbouwgronden) en via een gericht beleid met de uitdomeinbezit vrij van pacht komende gronden. Aanleg vande Markerwaard is dan ook niet urgent. De opgevoerde"besparingen" blijken (ook volgens het Ministerie vanLandbouw) geen kostenvermindering te zijn, omdat gere-kend wordt met onvergelijkbare grootheden en de kostenvan de Markerwaard er niet tegenover worden gesteld.Het valt ernstig te betwijfelen of de Markerwaard eennoodzakelijk en urgent bestuursinstrument is. Veeleergaat het om een probleem van organisatie (tussen staat enburgers) en van coordinatie (m.n. tussen overheidsinstan-tie). Zo'n probleem moet niet met landaanwinning wor-den aangepakt.Na het eerste RARO-advies zijn over werkgelegenheid,bodemdaling, waterkwaliteit, overheidsinvesteringen, In-ternationale natuurwaarden en staats- versus privatefinanciering in relatie tot de Markerwaard pat-stellingenontstaan. De "planologische ruilfunctie" kan nu aan ditrijtje worden toegevoegd.Hoewel het om een planologische kernbeslissing gaat,spelen in de afweging ruimtelijke aspecten nauwelijks nogeen rol. Macro- en financieel-economische aspecten staannu centraal. Ondanks negatieve scores in eerdere haal-baarheidsstudies bleken bij de meningspeiling in deRARO met name werkgevers- en werknemersorganisatiesoptimistisch over de economische effecten van het Mar-kerwaardproject. Menig aanwezige wetenschapper dachter anders over.De tijd zal het leren of bij de RARO de victorie van de"vrienden van de Markerwaard" begon. De Markerruim-te is echter eerder gediend met een Pyrrusoverwinning, diede weg vrijmaakt voor een beheerste ontwikkeling van hethuidige waterareaal, aangevuld met enige natuur-, recre-atie-, bos- en mogelijk ook bollenbouw langs bestaandeoevers of na bescheiden landaanwinning (middels eiland-vorming, opspuiting of zonodig bedijking).Het woord is aan de regering. Uitspraak waarschijnlijkna de verkiezingen.Henri GoverdeS en V, april 1986120mr. A.Ch. Fortgenshoofd Bureau Juridische Zaken P.P.D. Noord-HollandDit artikel is een bewerking van de tekst van een inleiding, gehouden op de studiemiddagvan de Secrie van Planologische Juristen van het NIROV "De woningwet herzien?" op9 oktober 1985.Voorontwerp van Wet totherziening van de Woningwetenkele beschouwingen vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening,in het bijzonder het bestemmingsplanwerkInleidingMinister Winsemius en staatssecretarisBrokx van VROM hebben op 11 juli 1985een voorontwerp van wet tot herzieningvan de Woningwet om advies gezondenaan enige adviesorganen. De voorgesteldeherziening van de Woningwet vloeit voortuit het streven van het Kabinet naar ver-eenvoudiging en vermindering van de(woning)bouwregelgeving. De beleids-voornemens die daarop betrekking heb-ben, werden in September 1983 bekendge-maakt in het Actieprogramma deregule-ring (woning)bouwregelgeving. De huidi-ge bouwregeling is omvangrijk en vaakondoorzichtig. Dit veroorzaakt onzeker-heid bij de deelnemers aan het bouwpro-ces en kan leiden tot vertraging bij hetrealiseren van bouwwerken. Deze situatiekan voor een deel worden toegeschrevenaan de houding van de overheid die bijnaautomatisch met regelgeving reageert opmaatschappelijke signalen. Dereguleringis hierop een antwoord, waardoor ruimteontstaat voor andere oplossingen. De her-ziening van de Woningwet strekt er tevenstoe de decentralisatie van de volkshuis-vesting wettelijk te regelen. Erwordt naargestreefd het wetsvoorstel voor de verkie-zingen van mei 1986 bij de Tweede Kamerin te dienen. De om advies gevraagdeadviesorganen zijn de Raad voor deVolkshuisvesting (RAVO), de Raad vanAdvies voor de Ruimtelijke Ordening(RARO), de Raad voor het BinnenlandsBestuur en de Raad voor de Gemeentefi-nancien (RGF). Ook is commentaar ge-vraagd aan de Vereniging van Neder-landse Gemeenten (VNG) en het Inter-provinciaal Overleg voor Ruimtelijke Or-dening (IPO-RO).De deregulering van de bouwregelge-ving betreft de volgende onderwerpen:- bouwverordening- normen en kwaliteitsverklaringen- leveringsvoorwaarden- Woningwet in relatie tot andere wet-geving- bouwvergunning- welstand- bouwregistratieverordening- vrijdom van leges- verklaring van geen bezwaar- toezicht en instructie- aanschrijving tot woningverbetering.De beleidsvoornemens tot dereguleringvan deze onderwerpen zijn in het wets-voorstel tot herziening van de Woningwetgrotendeels verwerkt. In het wetsvoorstelzijn nog enige andere wijzigingen opgeno-men die verband houden met deregule-ring maar die niet in het Actieprogrammaderegulering (woning)bouwregelgevingvoorkomen. Zij hebben betrekking op devolgende onderwerpen:- beroepsprocedures (afschaffing vande beroepsmogelijkheid tegen beslissin-gen van B. en W. of van de gemeente-raad)- onbewoonbaarverklaring geschiedtdoor B. en W. en niet meer door degemeenteraad- coordinatie van vergunningenstelsel:B. en W. zijn verplicht hun besHssing overeen bouwvergunning aan te houden, in-dien zij van oordeel zijn dat uit de aan-vraag blijkt dat voor het bouwwerk ookandere vergunningen in het geding zijn.- woningcommissies; desbetreffende re-geling wordt afgeschaft.- Wederopbouwwet: regeling inzakebouwprogramma wordt opgenomen inWoningwet, waarna de Wederopbouw-wet kan worden ingetrokken.- Woonwagenwet: deze wet wordt opge-nomen in de Woningwet.Voorts voorziet het wetsvoorstel totherziening van de Woningwet in een wet-telijke regeling van het nieuwe stelsel vanplanning en programmering van de wo-ningbouw en van de gewijzigde financie-ring en subsidiering van de volkshuisves-ting.Het voorontwerp van Wet tot herzieningvan de Woningwet vloeit voort uit debeleidsvoornemens van het Actiepro-gramma deregulering (woning)bouwrege-ling, enige andere dereguleringsvoorstel-len en het wettelijke regelen van de decen-tralisatie van de volkshuisvesting. Overhet merendeel van de in het wetsvoorstelgeregelde onderwerpen zijn reeds advie-zen uitgebracht door adviesorganen vande regering (onder meer RAVO enRARO) en door VNG en IPO-RO.Voorts zijn deze onderwerpen ook al aande orde geweest in de Tweede Kamer. Indie zin kan het wetsvoorstel gezien wor-den als eenjuridische vertaling van min ofmeer vaststaande beleidsstandpunten in-zake deregulering en decentralisatie. Hetwetsvoorstel biedt in hoofdlijnen dan ookweinig nieuws.Het wetsvoorstel is zeer omvangrijk:negen hoofdstukken, de meeste hoofd-stukken kennen weer afzonderlijke afde-lingen, een uitgebreid overgangsrecht, intotaal 150 wetsartikelen! De Memorievan Toelichting beslaat 71 bladzijden.Over de juridische vormgeving, de wijzeS en V, april 1986121herziening Woningwetvan juridische vertaling zijn ongetwijfeldvele beschouwingen te leveren. Ik wil mijin dit verband beperken tot enkele onder-werpen, welke vanuit de optiek van deruimtelijke ordening van belang zijn. Ikbegin met enkele opmerkingen over debouwverordening. Vervolgens wil ik meeruitvoerig stilstaan bij de nieuwe regelinginzake welstand en de coordinatieregelingbouwvergunning-milieuvergunning. Dedrie genoemde onderwerpen zal ik in hetbijzonder behandelen in het licht van degevolgen voor het bestemmingsplanwerk.Tenslotte zal ik het wetsvoorstel in alge-mene zin trachten te typeren.BouwverordeningMet het voorontwerp wordt uitvoeringgegeven aan de beleidsvoomemens uit hetActieprogramma, te weten centralisatievan de bouw- en woontechnische regelge-ving in een Bouwbesluit (artikel 2 en vol-gende). De gemeentelijke bouwverorde-ning zal in de toekomst slechts betrekkingkunnen hebben op stedebouwkundige be-palingen, gebruiksvoorschriften, admini-stratieve en uitvoeringsvoorschriften.Voor bouw- en woontechnische voor-schriften is in de bouwverordening geenplaats (artikel 127). Wei zullen gemeentenin daartoe aan te wijzen gevallen vrijstel-ling kunnen verlenen van de voorschrif-ten van het Bouwbesluit.Hoewel in principe de voorkeur wordtgegeven aan decentrale beleidsbepaling,kiezen de bewindslieden hier - voor watbetreft de bouw- en woontechnische eisen- voor centrale vaststelling van voor-schriften. Het bouwproces wordt thansnodeloos belast als gevolg van de verschil-len in de (toepassing van de) voorschrif-ten die niet of nauwelijks door lokaleomstandigheden worden gerechtvaar-digd. In feite is vaak ook nauwelijks spra-ke van enig gemeentelijk "beleid" op ditpunt, zo is beknopt weergegeven de rede-nering. Ik kan deze gedachtengang opzichzelf onderschrijven. Over de nieuwewettelijke regeling inzake de bouwveror-dening wil ik het volgende opmerken.Tegelijk met de centrale vaststelUngvan de bouw- en woontechnische voor-schriften is in het voorontwerp gekozenvoor een limitatieve opsomming van deonderwerpen die in een gemeentelijkebouwverordening geregeld moeten wor-den (artikel 8). Dit is op zichzelf begrijpe-lijk. Het kan immers niet de bedoelingzijn dat gemeenten via hun bouwverorde-ning aanvuUende technische eisen stellenten aanzien van zaken die ook al in hetBouwbesluit zijn opgenomen. In de prak-tijk kan hier een probleem ontstaan: is dehuidige inhoud van de model-bouwveror-dening (MBV) wel voldoende gedekt? Omeen voorbeeld te geven: onduidelijk is ofartikel 258 MBV (parkeerartikel) valt on-der te brengen in een van de categorieenvan artikel 8 van het voorontwerp. In depraktijk speelt dit artikel toch een belang-rijke rol. Hetzelfde geldt voor artikel 352MBV (de bekende gebruiksbepaling).Wellicht zijn er meer voorbeelden. Inieder geval zou nagegaan moeten wordenin hoeverre de huidige modelbouwveror-dening past binnen het in artikel 8 gege-ven kader.Om mogelijke problemen te voorko-men kan men denken aan een ruimere,meer open geformuleerde bevoegdheidinzake de bouwverordening, bijvoorbeeldeen redactie overeenkomstig die van dehuidige Woningwet ("Deze voorschriftenbetreffen in ieder geval.. .").Dubbele, technische regelgeving wordtreeds voorkomen door de in het wetsvoor-stel opgenomen bepaling die gemeentenverbiedt met de bouwverordening te tre-den in die onderwerpen die in het Bouw-besluit zijn geregeld (artikel 127).Ik kom tot een tweede opmerking overde inhoud van de bouwverordening, wel-ke vanuit mijn optiek samenhangt met detaak van gedeputeerde staten ten opzichtevan de bouwverordening. Uit de huidigeWoningwet is zonder enige motivering degoedkeurings- en aanwijzingsbevoegd-heid van gedeputeerde staten inzake de'gemeentelijke bouwverordening overge-nomen. Gelet op het (in de Memorie vanToelichting genoemde) streven om de toe-zichtszaken van gedeputeerde staten te-rug te dringen en het beperkte karaktervan de bouwverordening "nieuwe stijl"lijken deze taken mij overbodig. Een me-dedelingsplicht en de mogelijkheid omhet desbetreffende raadsbesluit ter ver-nietiging voor te dragen aan de Kroon zijnbij afschaffing van het goedkeuringsrechtvoldoende om eventuele excessen te voor-komen.Men kan evenwel stellen dat toezichtvanwege gedeputeerde staten niet gemistkan worden, indien de bouwverordeninguitgebouwd wordt op het terrein van destedebouwkundige bepalingen en voor-schriften. Daarbij kan men denken aanhoogteregelingen, algemene rooilijnvoor-schriften, bijgebouwenregelingen en der-gelijke, onderwerpen welke men over hetalgemeen geregeld ziet in een bestem-mingsplan. Een dergelijke uitbouw van debouwverordening wordt in de Memorievan Toehchting niet expliciet als moge-lijkheid beschreven of onderkend. Welbevat de wettekst een verbeterde afstem-mingsregeling bouwverordening-bestem-mingsplan.Het huidige, beruchte artikel 2, lid 2 isin de nieuwe redactie van artikel 9 verdui-delijkt en aangevuld. (Deze redactie luidtals volgt: "Voor zover de voorschriftenvan de bouwverordening niet overeen-stemmen met de voorschriften van eenbestemmingsplan blijven eerderbedoeldevoorschriften buiten toepassing, tenzij hetdesbetreffende bestemmingsplan andersbepaalt." "Deze aanvulling bestaat hier-uit dat nu de mogelijkheid is gecreeerdvoor de gemeenten om in het bestem-mingsplan te bepalen dat ruimtelijk rele-vante voorschriften van de bouwverorde-ning van toepassing zijn in het door hetplan bestreken gebied." aldus de Memo-rie van Toelichting. Deze wijst crop dat ineen dergelijk geval zal moeten wordenaangegeven, welke voorschriften het be-treft en welke verordening, dat wil zeg-gen: de bouwverordening als vastgesteldbij raadsbesluit van een bepaalde datum.Immers, met het oog op een zorgvuldigeprocedure bij de totstandkoming van eenbestemmingsplan moet duidelijk zijn omwelke voorschriften van de bouwverorde-ning het gaat. Voorts is het fixeren van debouwverordening, gelet op de met hetbestemmingsplan samenhangenderechtsbescherming, noodzakelijk, aange-zien anders een wijziging van de desbe-treffende bepalingen van de bouwveror-dening automatisch herziening zou in-houden.De hier beschreven techniek van ver-wijzen naar andere wetgeving vloeit voortuit de bekende vaststaande Kroonjuris-prudentie.Het wetsvoorstel bevat mijns inzienseen goede oplossing voor problemen inge-val van samenloop van bestemmingsplanen bouwverordening. Deze problemenS en V, april 1986122herziening Woningwetzijn. zoals bekend, ontstaan doordejuris-prudentie van de Afdeling rechtspraak.Deze gaat uit van het "al omvattend"karakter van het bestemmingsplan metbetrekking tot planologische en stede-bouwkundige aspecten.Naar haar oordeel is in het algemeengeen piaats voor een aanvullende werkingvan de bouwverordening, ook niet als hetdesbetreffende bestemmingsplan ter zakegeen voorschriften bevat. Bekend zijn uit-spraken weike betrekking hebben op detoepasbaarheid van rooihjnvoorschriftenen voorschriften inzake bouwen aan deopenbare weg. Veel gemeenten geraaktenaldus in problemen, omdat zij bij hetopstelien of toepassen van een bestem-mingsplan onvoldoende het primaat vandat plan boven de bouwverordening on-derkend hadden.De voorgestelde afstemmingsrege-ling bouwverordening-bestemmingsplanopent voor de gemeente nieuwe perspec-tieven. Vooreerst zal zij zich explicietrekenschap moeten geven van de mogelij-ke samenloop met de voorschriften van debouwverordening. Zij zal, indien gewenst,in het bestemmingsplan aan moeten ge-ven welke bepalingen uit die bouwveror-dening van toepassing blijven. Indien elkbestemmingsplan op deze wijze zal wor-den opgesteld, is verdere onzekerheidover de toepasselijkheid van voorschrif-ten uitgesloten. Redelijke uitleg van denieuwe afstemmingsbepaling leidt ermijns inziens toe, dat:- de bepalingen van de bouwverorde-ning van toepassing blijven, indien hetbestemmingsplan geen voorschriften be-vat, die hetzelfde onderwerp betreffen(aanvullende werking); en voorts, dat- de bouwverordening wijkt, indien hetbestemmingsplan wel dergelijke voor-schriften bevat en de voorschriften van debouwverordening daarmee in strijd zijn.De aanvullende werking van de bouw-verordening met betrekking tot planolo-gische en stedebouwkundige aspectenkan vervolgens door de gemeente zodaniggehanteerd worden, dat de bouwverorde-ning tevens het karakter van een algemeneplanologisch/stedebouwkundige verorde-ning krijgt. Ik heb hiervoor al als mogelijktc regelen onderwerpen genoemd: hoog-teregelingen, algemene rooihjnvoor-schriften en bijgebouwenregelingen. Hetbestemmingsplan behoeft deze zaken danslechts te regelen, indien wegens specifie-ke stedebouwkundige omstandighedeneen afwijkende regehng nodig is. Het lijktmij wenselijk, indien de Memorie vanToehchting uitdrukkelijk ingaat op dezemogelijke uitbouw van de bouwverorde-ning. Daarbij kan dan tevens gewezenworden op de relatie met het bestem-mingsplan "nieuwe stijl" op grond vanBRO 1985. Ik meen dat een dergelijkegedachtengang in hoge mate aansluit opde behoefte in de praktijk bij stedelijkbeheer.WelstandDe voorgestelde regeling inzake welstandwijkt aanzienlijk af van de huidige rege-ling. Ten aanzien van de welstandsproble-matiek zijn in het Actieprogramma dere-gulering (woning)bouwregelgeving enigebeleidsvoornemens geformuleerd welkezoals bekend tot hevige discussies hebbengeleid. Ook in de Tweede Kamer is overdeze zaak uitgebreid gesproken. In hetwetsvoorstel is de welstand als volgt gere-geld.De gemeente kan, desgewenst, zoge-naamde gevoelige gebieden aanwijzen inhet kader van een bestemmingsplan,stadsvernieuwingsplan of leefmilieu-verordening. Het voorontwerp verschiltverder met het huidige systeem van deWoningwet, doordat- een afzonderlijke welstandsbepaling isopgenomen (artikel 19)- een uitdrukkelijke weigeringsgrondvoor de bouwvergunning is toegevoegd(artikel 50, onder d) en- de inschakeling van de welstandscom-missie tijdens de vergunningsprocedure isgeregeld (artikel 54).Volgens de Memorie van Toelichting ishet de bedoeling, dat gemeenten bij deaanwijzing tot gevoelig gebied tegelijk cri-teria vaststellen voor het welstandstoe-zicht en deze neerleggen in een beleidsno-ta, vast te stellen door de gemeenteraad.Zo wordt een gedifferentieerd gemeente-lijk welstandsbeleid mogelijk, aldus deMemorie van Toelichting.Principieel acht ik een onderscheid ingevoelige en minder gevoelige gebiedeneen goede zaak. Niet overal in het ge-meentelijk grondgebied behoeven evenzware eisen gesteld te worden aan devormgeving van gebouwen. Het is duide-lijk, dat in een beschermd stads- of dorps-gezicht veel zwaardere maatstaven moe-ten worden aangelegd dan op een indus-trie-, bedrijven- of haventerrein. Ik kandaarom de in de Memorie van Toelichtinggeuite wens naar differentiatie van hetwelstandsbeleid als principe onderschrij-ven. Wel rijzen bij mij vele vragen over devoorgestelde constructie, mede in relatietot het bestemmingsplan. "^ .,a. Een "gevoelig gebied" wordt als zoda-nig aangewezen in een bestemmingsplan"met het oog op de kwahteit van degebouwde omgeving". Een dergelijke ge-biedsaanwijzing is een nieuw element vanhet bestemmingsplan en wordt uit dienhoofde onderwerp van inspraak, overleg,bezwaren en goedkeuring. Ik signaleer devolgende vraagpunten:- Het welstandstoezicht wordt ge-koppeld aan een stedebouwkundig planen wordt mogelijk met het oog op eenstedebouwkundige bescherming. Het hui-dige strikte onderscheid tussen welstandals bouwkundige beoordeling en stede-bouwkundige kwaliteit wordt hiermeeverlaten. De Memorie van Toelichtinggaat ten onrechte niet in op deze op zich-zelf wenselijke ontwikkeling.- De Memorie van Toelichting(bladzijde 38) is wel erg summier over devraag, welke gebieden in aanmerking ko-men als "gevoelig gebied". Het wordtzelfs mogelijk geacht het gehele gemeen-telijk gebied tot gevoelig gebied aan tewijzen. Voor de provincie rijst de vraag opwelke wijze een gebiedsaanwijzing beoor-deeld dient te worden; uitsluitend op hetpunt van de door de gemeente aangege-ven motivering (rechtmatigheidstoetsing)of kan ook het streekplan beleidslijnenvoor beoordeling formuleren? Ik meen,dat de provincie zich zo terughoudendmogelijk dient op te stellen.- Voor de bebouwde kom bestaatgeen verphchting tot het vaststellen vaneen bestemmingsplan. Is het mogelijk bijbestemmingsplanbesluit uitsluitend eengevoelig gebied aan te wijzen, zonder ove-rigens een "integraal" bestemmingsplanvast te stellen? Ik zou hierover graag eenbeschouwing zien in de Memorie vanToelichting, omdat vele gevoelige gebie-den juist in de bebouwde kom zullen lig-gen. .-, ,S en V, april 1986123herziening Woningwetb. Welstandstoezicht heeft betrekking op"het uiterlijk en de plaatsing van eenbouwwerk, zowel op zichzelf als in ver-band met de omgeving of de te verwach-ten ontwikkeling daarvan".Deze welstandseisen, overgenomen uitde modelbouwverordening, sluiten nietgeheel aan bij het begrip "gevoelig ge-bied", waar de kern ligt in de kwaliteit vande gebouwde omgeving. Overigens is hetblijkens de Memorie van ToeUchting(bladzijde 38) mogelijk, dat de raad bij degebiedsaanwijzing toegespitste criteriaformuleert voor het welstandstoezicht.De Memorie van ToeUchting noemt alsvoorbeelden typisch bouwkundige crite-ria, en geen stedebouwkundige criteria.c. De weigeringsgronden voor een aan-gevraagde bouwvergunning komen over-een met de huidige Woningwet (Bouwbe-sluit, bouwverordening, bestemmings-plan en ontbreken van monumentenver-gunning), echter aangevuld met "strijdmet redelijke eisen van welstand".Dit zou geen wijziging ten opzichte vande huidige situatie teweeg brengen, warehet niet dat de nieuwe wet niet meer hetprimaat van het bestemmingsplan bovenhet welstandstoezicht regelt!In het verleden zijn vele Arob- en ookKroonzaken crop gericht geweest het wel-standstoezicht tot een bouwkundige be-oordeling te beperken. Bouwwerken, toe-laatbaar op grond van een bestemmings-plan, konden niet tegengehouden wordenop grond van een negatief welstandsoor-deel inzake bouwmassa of plaatsing.Blijkbaar is het de bedoeling dat dit welmogelijk wordt!De Memorie van Toelichting gaatevenwel volstrekt niet in op deze voor hetbestemmingsplan verstrekkende conse-quenties.d. Het welstandstoezicht is ook in degevoelige gebieden niet van toepassing opde zogenaamde vrije bouwwerken en demeldingsplichtige bouwwerken.De Memorie van Toelichting (bladzijde39) geeft merkwaardigerwijs aan dat inge-val vrijstelling ingevolge artikel 18a WROwordt verleend, in het kader van de vrij-stelling voorwaarden, onder meer betref-fende de welstand, gesteld kunnen wor-den. Een dergelijke vrijstelling is stede-bouwkundig van aard en daarbij passenmijns inziens geen bouwkundige wel-standsvoorwaarden. Of moet ik ook hier-uit lezen dat welstand mede een stede-bouwkundige inhoud krijgt?In dat geval dient bovenstaande op-merking uit de Memorie van Toelichtingverbreed te worden tot de vrijstelling ennadere eisen ex artikel 15 WRO.e. Blijkens de Memorie van Toelichtingbij de overgangsregeling (bladzijde 70)geldt de aanwijzing tot gevoelig gebied(behoudens de overgangsregeling) vanafhet moment dat de raad (?) een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage heeft ge-legd.De wet regelt hier niets. Het lijkt voortslogischer deze gebiedsaanwijzing medemogelijk te maken bij het nemen van eenvoorbereidingsbesluit. Alsdan wordt ookonduidelijkheid over de toetsing vanbouwaanvragen door middel van antici-patie (toetsing aan het in voorbereidingzijnde bestemmingsplan) voorkomen.Mijn algemene conclusie luidt dan ook datde voorgestelde regeling inzake het wel-standstoezicht op vele punten onduidelijkis, in het bijzonder in relatie tot hetbestemmingsplan. Belangrijkste vraag-punt voor mij is of het inderdaad debedoeling is om - bij beperking van degebieden waarop welstandstoezicht be-trekking heeft - het welstandstoezicht uitte breiden tot de beoordeling van de ste-debouwkundige kwaliteit van de gebouw-de omgeving. Zoja, dan zouden op dezekwaliteit gerichte voorschriften in eenbestemmingsplan achterwege kunnenblijven.Dit maakt een verdergaande globalise-ring van het bestemmingsplan mogelijk,terwijl bij de vergunningverlening meerbeleidsruimte gecreeerd wordt - eenmijns inziens toe tejuichen ontwikkehng.Zulks vereist evenwel in de Memorie vanToelichting de nodige aandacht. Voortsacht ik het begrip "gevoehg gebied" tebeladen en ook niet passend in het strevennaar een gedifferentieerd welstandsbe-leid. Een neutrale gebiedsaanduiding ofwellicht de aanduiding "welstandsge-bied" verdienen de voorkeur.Tenslotte nog een wezenlijk punt metbetrekking tot de bestemmingsplanproce-dure. Het lijkt mij in de rede te liggen datde welstandscommissie "nieuwe stijl" be-trokken wordt bij de voorbereiding vanbestemmingsplannen. Haar taak is mijnsinziens gelegen in het adviseren over deaanwijzing tot gevoelige gebieden en overhet vaststellen van de per gebied toe-gespitste criteria. Voorts zal zij dienen teadviseren omtrent de inpasbaarheid vanhet te voeren welstandsbeleid in het be-stemmingsplan. Dit laatste is van belangom te voorkomen dat bij de uiteindelijkebouwvergunningverlening onnodige con-flicten ontstaan, ingeval welstandstoe-zicht en bestemmingsplan tegengesteldeeisen stellen.Coordinatiebouwvergunning--milieuvergunningDe problematiek van de verhoudingbouwvergunning - hinderwetvergunningis reeds meermalen in discussie geweest,laatstelijk bij de behandeling van de wijzi-ging van de Hinderwet in de TweedeKamer en in het advies van de RAROover de relatie tussen de ruimtelijke orde-ning en het miheubeleid. Tot voor kortheeft men zich van regeringszijde steedsop het standpunt gesteld dat een formeleverbinding tussen enerzijds de Hinderweten anderzijds de Woningwet niet gewenstis. In die discussie ging het met name omvaststelhng van het feit of er sprake zouzijn van "bouwen, tevens oprichten".Daarbij ging het echter niet zo zeer om desamenloop van twee vergunningstelsels,maar om de vraag wat onder "oprichten"diende te worden verstaan. Beantwoor-ding van de vraag of in concreto sprake isvan oprichten van een inrichting zou - zoleest men in de Nota naar aanleiding vanhet eindverslag bij de wijziging van deHinderwet - geen wettelijke regeling be-hoeven, maar het best per geval kunnengebeuren door de instanties belast met dehandhaving van de wet.Thans wordt in de herziene Woningwetvoorzien in een regeling voor de relatiebouwvergunning-milieuvergunning.De Memorie van Toelichting merkt te-recht op, dat in de praktijk sterke behoef-te bestaat aan een wettelijke voorzieningdie er toe strekt, dat de verschillende ver-gunningstelsels die voor het bouwen vanbouwwerken van belang zijn, op elkaarS en V, april 1986124herziening Woningwetworden afgestemd. "Dit, om te voorko-men dat op basis van een verleende bouw-vergunning met het bouwen wordt begon-nen, zonder dat tevens een of meer anderebenodigde vergunningen zijn verkregen,aan de verlening waarvan mogelijk voor-waarden kunnen zijn verbonden die vaninvloed kunnen zijn op het bouwtech-nisch ontwerp.Hierbij wordt gedacht aan het samen-iopen van de bouwvergunning met enigemilieuvergunningen, zoals deze in de Wetalgemene bepaiingen milieuhygiene zijngeregeld", aldus de Memorie van Toelich-ting.In het wetsvoorstel is dan ook voorzienin een aanhoudingsplicht voor burgemees-ter en wethouders met betrekking tot debesHssing op een aanvraag om bouwver-gunning, indien naar hun oordeel uit dieaanvraag reeds blijkt, dat voor dat bouw-werk een of meer miheuvergunningen zijnvereist. Dit betekent dat eerst nadat hetdaartoe bevoegde gezag een beshssingheeft genomen over die miheuvergun-ning(en) burgemeester en wethouders eenbeshssing kunnen nemen over de aange-vraagde bouwvergunning. Hiermedewordt voorkomen dat de houder van debouwvergunning als gevolg van een, na deverlening van de bouwvergunning, ver-kregen andere vergunning het bouwplanzai moeten wijzigen en opnieuw bouwver-gunning moet aanvragen.Bovendien wordt hiermede bewerkstel-ligd dat, indien een of meer van de andereeerderbedoelde vergunningen wordt ge-weigerd, de aanvrager van de bouwver-gunning een keuze zal moeten maken tus-sen het handhaven van de ingediendeaanvraag en het aanpassen dan wel in-trekken daarvan. Handhaving van de in-gediende aanvraag betekent dat, indiende bouwvergunning wordt verleend, inhet bouwwerk niet de beoogde activitei-ten mogen plaatsvinden waarvoor de des-betreffende geweigerde miheuvergunningwas aangevraagd, aldus is de redeneringin de Memorie van Toelichting.Eerst enkele opmerkingen over de coor-dinatieregeling zelf. In het voorontwerp isniet voorzien in de mogelijkheid van ofverplichting tot weigering van de bouw-vergunning, indien de vereiste miheuver-gunning niet verleend is. De hiervoor aan-gehaalde redenering uit de Memorie vanToelichting lijkt mij niet voldoende rechtdoen aan het beoogde doel: niet bouwenzonder dat er redelijke zekerheid bestaatdat de miheuvergunning verleend kanworden of in stand kan blijven. Naar mijnmening zal daarom een extra weigerings-grond voor de bouwvergunning aan devoorgestelde rij in artikel 50 toegevoegdmoeten worden, dat wil zeggen een onher-roepelijke weigering van de gevraagdemiheuvergunning dient tevens te leidentot een weigering van de bouwvergun-ning, voor zover althans in het beoogdebouwwerk niet die activiteiten mogenplaatsvinden waarvoor de geweigerde mi-heuvergunning was aangevraagd.Een ander punt betreft de duur van deaanhoudingsplicht, hoever dient de mi-heuvergunning in procedure te zijn? Hetligt voor de hand uit te gaan van de beshs-sing van het vergunningverlenend gezag.Zoals bekend dient een beshssing op eenvergunningsaanvraag op grond van deWet algemene bepaiingen milieuhygiene(WABM) onder meer gedurende eenmaand ter inzage gelegd te worden. Gedu-rende die maand kan beroep bij de Kroonworden ingesteld. In principe heeft eenKroonberoep evenwel geen opschortendewerking. De Wet op de Raad van Statebiedt de mogelijkheid toch schorsing vande werking van de miheuvergunning tekrijgen. De WABM bepaalt aanvullenddat de miheuvergunning van krachtwordt indien de beroepstermijn verlopenis. Indien bij de Raad van State om schor-sing dan wel om een voorlopige voorzie-ning is gevraagd, wordt de miheuvergun-ning niet van kracht voordat op dat ver-zoek is beslist, aldus bepaalt deWABM.De Memorie van Toehchting bij decoordinatieregeling verwijst ook naardeze bepaling, maar is mijns inziens on-duidelijk over de gevolgen van een even-tuele schorsing van de miheuvergunning.De wettekst houdt in feite in het geheelgeen rekening met de mogelijkheid vanschorsing. Er is slechts bepaald, dat deaanhoudingsplicht eindigt na afloop vande tervisielegging van een maand. Hetlijkt mij redelijk de wettekst zodanig aante vullen, dat ingeval van schorsing van demiheuvergunning de aanhoudingsplichtvoor de bouwaanvraag voortduurt.Met inachtneming van bovenstaandeopmerkingen lijkt mij de coordinatierege-1ing bouwvergunning-milieuvergunningeen belangrijke stap voorwaarts in derichting van een betere afstemming ruim-telijke ordening-bouwbeleid-miheube-leid. Daarbij dient men wel te bedenkendat op grond van de komende wijzigingvan de WABM voor daartoe aangewezencategorieen van inrichtingen geen vergun-ningsplicht, doch een algemene regelge-ving met meldingsplicht zal gelden. Ik wilnu ingaan op mogelijke consequentiesvan de nu wettelijk geregelde coordinatie-regeling voor het bestemmingsplanwerk.Ik doel hierbij in het bijzonder op de wijzevan regelen van bedrijfsbestemmingen.Uit het WSB-rapport "Op dezelfdeleest" blijkt op grond van een vergelij-kend onderzoek dat het meer of minderuitgebreid dan wel flexibel hanteren vaneen Staat van Inrichtingen de meest ver-breide methode van bestemmingsplandif-ferentiatie is. De verschillende bedrijfs-bestemmingen worden onderscheidennaar veelal drie categorieen, al naar ge-lang de aard van de hinderlijkheid, degrootschaligheid en de bedrijvigheid. HetWSB-rapport stelt het volgende onder-scheid voor:- terreinen voor lichte Industrie: gemengdmet woonbebouwing, met bedrijven(werkplaatsen en verzorgende bedrijven)uit de categoric 1 of de categorieen 1 en 2uit de Staat van Inrichtingen;- terreinen voor (lichte en) middelzwareIndustrie: aan de rand van of op enigeafstand van woongebieden; met bedrij-ven uit de categorie(en) (1, 2) 3 (en 4) vande Staat van Inrichtingen;- terreinen voor (zware) Industrie: op rui-me afstand van woonbebouwing, metgunstige infrastructurele voorzieningenals spoorlijn en zeehaven (zware indus-triele bedrijven, zeehavenindustrie, et ce-tera) met bedrijven uit categoric (1,2,3)4,5 en 6 van de Staat van Inrichtingen.Met deze bestemmingsdifferentiatie (ofcategorisering) wordt ook voldaan aan deeis van de Kroon om een onderscheid inhet bestemmingsplan op te nemen, aan dehand waarvan getoetst kan worden weikenieuwe bedrijven in verband met de aardvan de bedrijfsvormen al dan niet verenig-baar moeten worden geacht met de in, enin de directe omgeving van het plange-bied, aanwezige woonbebouwing.Het WSB-rapport geeft voorts enkeleindicaties voor een soepele toepassing vande Staat van Inrichtingen door middelS en V, april 1986125herziening Woningwetvan een vrijstellingsbevoegdheid dan weleen wijzigingsbevoegdheid. De specifiekeinhoud van deze vrijstellings- en wijzi-gingsbevoegdheden zal per bedrijventer-rein kunnen verschillen. In zijn algemeen-heid worden in de praktijk de volgendeuitgangspunten gehanteerd.De vrijstellingsbevoegdheid is bedoeldom een incidentele vestiging toe te laten,die qua categorie afwijkt van de voor hetterrein krachtens de bestemmingsom-schrijving toegelaten bedrijfsactiviteiten.Zij laat zo slechts bepaalde bedrijfsactivi-teiten toe, die lichter/zwaarder zijn enniet alle activiteiten uit die zwaardere/lichtere categorie bedrijven.De vrijstelling levert dus typisch"maatwerk". De wijzigingsbevoegdheidheeft een ruimere strekking. Via de wijzi-gingsbevoegdheid wordt een (deel vaneen) bedrijfsbestemming omgezet in eenandere zwaardere of lichtere bedrijfsbe-stemming en worden alle bedrijfsactivi-teiten die binnen die zwaardere of hchterecategorie vallen,toegelaten.Op deze wijze ontstaat er, uitgaandevan in het algemeen drie soorten bedrij-venterreinen, een complex regelsysteemvan bebouwings- en gebruiksvoorschrif-ten alsmede vrijstellings- en wijzigingsbe-.voegdheden.Wat heeft dit alles nu te maken met de inde wet te regelen coordinatie van bouw-vergunning en milieuvergunning? Naarmijn mening staan de aard en het karaktervan de vrijstellings- en wijzigingsbe-voegdheden, wellicht zelfs de noodzaakdaarvan, ter discussie. Immers, hoe zijndeze flexibiliteitsbepalingen over het al-gemeen opgezet. Ik doel daarbij in hetbijzonder op het toetsingscriterium aande hand waarvan de beshssing omtrenteen vrijstelling of wijziging genomendient te worden.Algemeen gebruikelijk is een toetsings-criterium gericht op de aanvaardbaarheidvanuit milieuhygienisch oogpunt, bij-voorbeeld; gehoord de inspecteur RIHMdient in voldoende mate vast te staan, datde bouw en uitoefening van het bedrijf/debedrijven geen overwegende bezwarenvan milieuhygienische aard oproepen,gelet op de ligging, bedrijfsvoering enomvang van het bedrijf ten opzichte vande in de nabijheid aanwezige functies en/of in de naaste toekomst te realiserenbestemmingen (zogenaamde miheu-toets).Bij handhaving van deze methode vanregelen onder werking van de nieuweWoningwet zou voor een incidentele be-drijfsvestiging die qua categorie afwijktvan krachtens de bestemmingsomschrij-ving toegelaten bedrijfsactiviteiten, devolgende procedure doorlopen moetenworden:- vrijstelling na een min of meer globalemilieutoets ten einde het bouwverbod opte heffen;- aanhouding van de bouwvergunning(op grond van de wettelijke coordinatie-regeling);- miheuvergunning;- bouwvergunning.Er is hier naar mijn mening een be-schikking te veel, namelijk de vrijstel-lingsbeschikking. Deze conclusie heeftweer gevolgen voor de opzet van bedrijfs-bestemmingen. Mijn indruk is dat er geenreden meer is voor een juridisch harderegeling in een bestemmingsplan. Metandere woorden een gedetailleerd inkleu-ren van de aard van de toelaatbare bedrij-vigheid aan de hand van de categorieenuit de Staat van Inrichtingen lijkt mijoverbodig.Mijns inziens kan in het algemeen vol-staan worden met een indicatief gebruikvan de Staat van Inrichtingen. De opzetvan bedrijfsbestemmingen kan daardooreen globaler en flexibeler karakter krij-gen. Daarnaast zal de opzet van de wijzi-gingsbevoegdheid (te hanteren voor deombouw van het ene soort terrein naar hetandere) minder "milieugericht" moetenzijn en een ruimer afwegingskader moe-ten bieden.Algemene conclusieinzake gevolgen voorhet bestemmingsplan-werkIn het voorafgaande heb ik de bouwver-ordening, de welstand en de coordinatiebouwvergunning-milieuvergunningmedebezien in het licht van mogelijke gevolgenvoor het bestemmingsplanwerk. De alge-mene lijn is dat het bestemmingsplan inmeerdere of mindere mate bevrijd kanworden van gedetailleerde voorschriftenen regels. Of dat inderdaad ook gebeurt,hangt in hoge mate af van het gemeente-bestuur. In die zin denk ik dat de gevolgenvoor het bestemmingsplanwerk in de lijnliggen van het nieuwe BRO. Immers ditBRO beoogt in het bijzonder de program-matische en beleidsmatige karaktertrek-ken van het bestemmingsplan meer teaccentueren en meer globale en flexibeleregehngen mogelijk te maken.Of er in totaal gezien sprake is vanminder regelgeving. waag ik te betwijfe-len. Er vindt eerder een verschuivingplaats naar andersoortige regelgeving,voor een deel ook een verschuiving vanplanbeslissingen naar uitvoeringsbeslis-singen. Wat dat betreft is de consideransvan de wet (zie hierna: "vereenvoudigingen vermindering van regelgeving") rijke-lijk optimitisch.Voorts nog een enkele opmerking overhet nieuwe systeem van meldingsplichtigebouwwerken: voor bij A.M.v.B. aangege-ven bouwwerken is geen bouwvergunningvereist, doch geldt er een meldingsplicht.De WRO wordt aangevuld met een nieuwartikel 20 ten einde de voorschriften vaneen bestemmingsplan buiten toepassingte laten voor zover deze betrekking heb-ben op meldingsplichtige en vrije bouw-werken.Ik acht de voorgestelde regeling in rela-tie tot het bestemmingsplan onduidelijken onvoUedig. Onduidelijk ten aanzienvan de gevallen waarin meldingsplichtigebouwwerken al dan niet onder regime vaneen bestemmingsplan blijven. OnvoUedigomdat de wettekst geen rekening houdtmet de vrijstellingsbevoegdheid ex artikel15 WRO naast artikel 18a WRO. Wets-technisch vloeien deze onvolkomenhedenvoort uit het mijns inziens dubbelzinniggebruik van het begrip "bouwverbod".Een verbeterde en heldere wettekst is opdit punt dan ook noodzakelijk.En tenslotte:van Woningwet naarBouwwet?Tenslotte nog een enkele opmerking overde naam en de considerans van het voor-liggende wetsvoorstel. De considerans be-vat de volgende overweging:"Alzo Wij in overweging genomen heb-S en V, april 1986126herziening Woningwetben, dat het wenselijk is mede uit het oog-punt van vereenvoudiging en verminde-ring van regelgeving, alsmede uit het oog-punt van decentralisatie nieuwe voor-schriften te geven omtrent het bouwen ende volkshuisvesting".Is er inderdaad sprake van vereenvou-diging en vermindering van regelgeving?Ik meen dat er eerder sprake is van eenomvangrijke herregulering. Het wets-voorstel bevat veie voorschriften omtrenthet bouwen - Bouwbesluit, bouwverorde-ning, bouwvergunning, planning en pro-grammering van woningbouw, geldelijkesteun ten behoeve van de woningbouw endergelijke. Daarnaast zijn er de voor-schriften omtrent de staat van bouw-werken, het toezicht op bouwwerken,aanschrijving en onbewoonbaarverkla-ring, welke voorschriften uiteindelijk ookgericht zijn op bouw in de zin van ver-bouw en verbetering. Voorschriften inza-ke splitsing, woningonttrekking e.d. wor-den opgenomen in de komende Huisves-tingswet. Al deze voorschriften in hetwetsvoorstel overziende meen ik tenslottedat het voorHggende wetsvoorstel eenbouwwet en een woningbouwwet inhoudt.Ik stel daarom voor artikel 150 lid 4 alduste wijzigen:"Deze wet kan warden aangehaald alsBouwwet".AankondigingenPost-HBO-cursus StedebouwkundigeTechniekAan de H.T.S. te Zwolle is verbonden dePost-HBO-cursus StedebouwkundigeTechniek, voortzetting van de vroegereapplicatiecursus.De opleiding is gericht op de inhoude-lijke voorbereiding van ruimtelijke plan-nen: stads- en dorpsvernieuwing, stede-lijk beheer, (bestemmings)plannen voorstads- en dorpsuitbreiding, met aandachtvoor natuur en landschap en voor ruim-telijke aspekten van milieubeheer. Decur-sus speelt aldus in op de ontwikkelingenin het vakgebied. Ruimtelijke vormgevingkomt ook aan de orde, maar het is geenspecifieke ontwerpersopleiding.De cursus is bedoeld voor afgestudeer-de H.T.S.-ers die op stedebouwkundiggebied werkzaam zijn, in hun werk metstedebouwkundige zaken in aanrakingkomen, of die zich op een hier bedoeldewerkkring willen voorbereiden. De cursusstaat ook open voor M.T.S.-ers, en inbijzondere gevallen anderen, met vol-doende stedebouwkundige praktijkerva-ring.De cursus duurt twee jaar, op vrijdagvan 15.40-21.30 uur, met vakanties als opde H.T.S. Het laatste semester is bestemdvoor een afstudeerprojekt in kleine groe-pen, met een onderwerp zoveel mogetijknaar eigen belangstelling of behoefte van-uit de praktijk. Tijdens de studie zijn erook enkele excursies, in het algemeen opzaterdag.Bij voldoende deelname begint eindaugustus a.s. een nieuw eerste studiejaar.De cursuskosten zijn/2000,-- per jaar.Aanmelding uiterlijk 18 juni a.s. Aan-meldingsformulieren verkrijgbaar bij deadministratie van de H.T.S. 038-217331.Uitvoeriger informatie wordt gaarneverstrekt door de administrateur K. Hofftel. 038-217331 en door de docent-coordi-nator A. Velsink 038-977177, kantoor en038-538179, thuis.Planologische Diskussiedagen 1986 inAIniereDe Planologische Diskussiedagen 1986worden dit jaar gehouden op donderdag15 en vrijdag 16 met in gebouw "Corrosia"in Almere-Haven.Het motto voor de Planologische Dis-kussiedagen 1986 isVerstedelijking en open ruimteRuim 100 auteurs hebben circa 80papers ingestuurd die deels op verschil-lende aspekten van het motto ingaan,deels andere onderwerpen aansnijden. Depapers zijn verdeeld over 9 themagroe-pen, en worden daarin onder voorzitter-schap van themaleiders besproken in -gedeeltelijk parallelle - sessies:Verstedelijkingsconcepten en hun achter-grondendrs. L.A. de Klerk, DienstenstructuurRuimtelijke Ordening en Stadsvernieu-wing, RotterdamStadsrandir. P.L. Dauvellier, RijksplanologischeDienstLandinrichting en beheer landelijk gebiedir. R. Mentink, LandinrichtingsdienstMiheuplanologieir. H.J.M. Naaykens, Provinciale Water-staat Noord-BrabantStadsvernieuwing, stedelijk beheer envolkshuisvestingir. R. van Gameren, Technische Hoge-school DelftPlanning en bestuurlijke aspektendr. J.M. Mastop, RijksplanologischeDienstPlanning en automatiseringdrs. H.J. Scholten, RijksplanologischeDienstRegionale ruimtelijke ekonomieprof. dr. E. Wever, Katholieke Universi-teit NijmegenKleine kernen en voorzieningenV.A.M. Verberk, Vrije integralisten in deruimtelijke ordeningDeelnemers aan de Planologische Dis-kussiedagen kunnen zich aanmelden bijhet sekretariaat van de Stichting Planolo-gische Diskussiedagen, Stevinweg 1, k.536, 2628 CN Delft, tel 015-781687, al-leen op dinsdag- en donderdagochtend.Zij krijgen de ingediende papers ruimvan te voren toegestuurd. De kosten vandeelname zijn/ 250,- (bij inschrijving na15 april/ 300,--), voor studenten en vak-genoten zonder werk/ 50,- (na 15 april/75,-).Internationaal symposium Spatialmobilitj and urban changeTer gelegenheid van het 350-jarig bestaanvan de Rijksuniversiteit Utrecht organi-seert het Geografisch Instituut van 20-22augustus 1986 een internationaal sympo-sium rond het themaSpatial mobility and urban changeOp dit symposium zal aandacht geschon-ken worden aan de veranderingen van devolkshuisvesting en van de werkgelegen-heid zoals die onder invloed van demo-grafische, economische en technologischeontwikkelingen ontstaan. Het symposiumzal de ontwikkelingen inventariseren enevalueren. Daarnaast komen de gevolgenvoor het beleid en voor het gebruik vanbeleidsinstrumenten aan de orde. In ditkader wordt onder andere aandacht ge-vraagd voor de rol van het bedrijfslevenbij de uitvoering van het ruimtelijk be-leid.Het symposium zal bestaan uit een aan-tal plenaire bijeenkomsten en uit werk-groepen. In de plenaire bijeenkomstenzullen internationaal befaamde specia-listen hun visie presenteren en ter discus-sie stellen. Toegezegd hebben: Larry S.Bourne (Toronto), William A.V. Clark(Los Angeles), Alan Gilbert (London),Ron J. Johnston (Sheffield), Alan Murie(Bristol), en Alejandro Portes (Balti-more). In de werkgroepen zullen deskun-digen uit Nederland hun presentaties af-wisselen met die van daartoe uitgenodig-de buitenlanders.Nadere informatie en aanmeldingStichting 350 Jaar RijksuniversiteitUtrecht, Postbus 80125, 3508 TCUtrecht, tel. 030-532840/532850.S en V, april 1986127drs. P.W.A. VeldMinisterie van Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerAfgelopen zomer verscheen het voorontwerp van wet tot herziening van de woningwet.Naast deregulering van de woningbouwregelgeving beoogt het wetsontwerp de decen-tralisatie van de volkshuisvesting wettelijk te verankeren.Dit artikel biedt een uiteenzetting van de inhoud van de wetsvoorstellen, toegespitst op deplanning en programmering van de woningbouw en de woningverbetering. Daarbij wor-den spanningsvelden gesignaleerd, die zich de koniende jaren kunnen gaan voor-doen.Decentralisatie en WoningwetAlgemeen kaderVanaf het einde van de jaren zeventig isdoor achtereenvolgende kabinetten eenkrachtig decentralisatiebeleid onderwoorden gebracht in enkele regeringsno-ta's.Op diverse onderdelen heeft VROMhierop ingespeeld en de woorden in dadenomgezet. De VROM-decentralisatie heeftbetrekking op:1. stads- en dorpsvernieuwing; inmid-dels gerealiseerd middels wetgeving;2. sanering specifieke uitkeringen, in-middels grotendeels gerealiseerd (in sa-menhang met punt 1);3. planning en programmering van dewoningbouw en de woningverbetering;4. normkostensysteem.De belangrijkste uitzondering op deVROM-decentralisatie is het huur- ensubsidiebeleid. Gezien de relatie met hetsociaal-economisch beleid is het stand-punt ingenomen dat de gemeenten nietvrij zijn een eigen huur- en subsidiebeleidte voeren.Ik ga verder in op het derde en enigszinsop het vierde punt. De aanloop tot de nuvoorliggende bijstelling van de woning-wet kan als volgt kort worden weergege-ven.In het kader van het streven naar de-centralisatie is ondermeer bezien of en inhoeverre de volkshuisvesting voor decen-tralisatie in aanmerking komt. Met hetoog daarop is in het najaar van 1979 doorde toenmalige bewindslieden van Volks-huisvesting en Ruimtelijke Ordening aande Tweede Kamer een tweetal notitiesaangeboden (Tweede Kamer, zitting1979-1980, 15864 en 15800, hoofdstukXI, nr. 55). In die notities, die het karakterhadden van discussiestuk, is ondermeeraangegeven dat bepaalde facetten van devolkshuisvesting door decentralisatiedoelmatiger en doorzichtiger zouden kun-nen worden geregeld. Uitgangspunt daar-bij is geweest dat - waar mogelijk en zin-vol - verantwoordelijkheden en bevoegd-heden aan het provinciaal of gemeentelijkbestuur moeten worden overgedragen,zodat de rijksoverheid uitsluitend be-moeienis heeft met de hoofdlijnen van hetdesbetreffende volkshuisvestingsbeleid.Aan dit uitgangspunt ligt de veronderstel-ling ten grondslag dat op provinciaal dan-wel gemeentelijk niveau in het algemeeneen beter inzicht aanwezig is in de op dieniveaus bestaande wenselijkheden en mo-gelijkheden op het terrein van de woning-bouw en dat daar dan ook naar verwach-ting een efficienter en slagvaardiger be-leid kan worden gevoerd.In april 1981 is het kabinetsstandpuntmet betrekking tot de decentralisatie vande volkshuisvesting aan de Tweede Ka-mer medegedeeld (Tweede Kamer, zitting1980-1981, nrs. 1 en 2). In augustus 1982heeft over dat standpunt een uitvoerigediscussie plaatsgevonden in de Kamer-commissie voor Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening.Daarbij bleek dat de Kamer zich in hetalgemeen kon vinden in de hoofdlijnenvan het voorgestelde stelsel. Dit stelselvoorziet - kort samengevat - in een wijzi-ging van de, overigens tot dusver niet wet-telijk geregelde, plannings- en program-meringscyclus, welke cyclus het instru-ment is om te komen tot een landelijkwoningbouwprogramma en de verdelingvan de in dat programma begrepen wo-ningbouw over provincies en gemeenten.Voorts voorziet dit stelsel in een wijzigingvan het wettelijk geregelde financierings-en subsidieringssysteem.Nadat de Kamer zich over het kabi-netsstandpunt inzake de decentrahsatievan de volkshuisvesting had uitgespro-ken, is met de plannings- en programme-ringscyclus ervaring opgedaan in een aan-tal proefprojecten. Daarnaast zijn bijwijze van proef met een twintigtal ge-meenten budgetafspraken gemaakt opbasis van onderhandelingen tussen hetrijk en die gemeenten. In dejaren 1984 en1985 is voorts wat de nieuwbouw in desociale huursector betreft het Normkos-tenbudgetsysteem als overgangssysteemgehanteerd.Waarom herzieningvan de woningwetDe toelichting op het voorstel noemt alsreden, dat het wettelijk regelen van dezeproblematiek is gelegen in de omstandig-heid, dat daarmee aan bij de volkshuisves-ting betrokkenen de noodzakelijk geachteduidelijkheid en rechtszekerheid wordtgeboden omtrent de planning en pro-grammering van de woningbouw en in hetbijzonder omtrent de daarmee samenhan-gende nieuwe bestuurlijke verhoudingentussen rijk, provincies en gemeenten.Ten aanzien van het financierings- ensubsidieringssysteem wordt opgemerktdat voor het mogelijk invoeren van eennormkostensysteem geen nadere wettelij-ke regeling in de woningwet is gegevenaangezien zulks reeds op grond van de inde huidige Woningwet vervatte regelinginzake de verlening van geldelijke steunvanwege het rijk mogelijk is. In het wets-voorstel is in dit kader slechts een aanvul-S en V, april 1986128decentrallsatie en Woningwetlende regeling gegeven met betrekking tothet door gemeenten systematisch ver-schaffen van informatie die voor de ver-lening van geldelijke steun van belang is.Weliicht zai wel elders wijziging van re-gelgeving nodig zijn, bijvoorbeeld deHuurprijzenwet woonruimte.De nota standpuntbepaling ging in1981 iets uitvoeriger over de reden vanwetgeving op het punt van de decentrall-satie. Hierin wordt gesteld, dat "de invoe-ring injuridische zin in zoverre eenvoudigis dat de huidige Woningwet al uitgaatvan een gedecentraliseerde gang van za-ken ten aanzien van de volkshuisvesting.Niet valt echter te ontkennen dat ondanksde bedoeling van de wet toch een situatieis ontstaan waarin het rijk zich met veeldetails van de volkshuisvesting op lokaalniveau bemoeit.Bovendien is het van belang dat aan deplannings- en programmeringsstructuuren aan de wijze waarop geldelijke steunwordt verleend een wettelijke basis wordtgegeven omdat anders moet worden ge-vreesd dat de structuur te vrijblijvend isom ook op de langere duur goad te kun-nen functioneren."Het wordt thans tijd deze structuur uitde doeken te doen.Planning en program-mering van de volks-huisvestingHet planningsgebouw valt in twee fasenuiteen:- een procedure om te komen tot pro-gramma's voor nieuwbouw, verbouw enwoningverbetering- een procedure om te komen tot verde-ling van die programma's over de provin-cies en de gemeenten.In beide fasen is een rol weggelegd voorgemeenten, provincies en rijk. Voor degemeenten, omdat die een primaire ver-antwoordelijkheid hebben voor formule-ring en uitvoering van het lokale volks-huisvestingsbeleid, voor de provincies we-gens de relatie met de provinciale verant-woordelijkheid voor het ruimtelijk orde-ningsbeleid en voor het rijk wegens hethuur- en subsidiebeleid en de financieleverantwoordelijkheid (leningen, subsi-dies, begrotingsverantwoordelijkheid).ProgrammeringDe eerste stap is de vaststelling door hetgemeentebestuur van het gewenste pro-gramma inzake de nieuwbouw, verbouwen verbetering voor het komende jaar envoor de 4 daarop volgende jaren (art. 65en 66).Op basis van de gemeentelijke pro-gramma's adviseren Gedeputeerde Statende bewindsman van VROM over het ge-wenste programma voor de gehele provin-cie (art. 67 en 68)Voordat GS adviseren winnen zij eersthet advies in van de provinciale Volks-huisvestingscommissie (art. 67 en 69).De rijksoverheid stelt vervolgens pro-gramma's vast voor het komende jaar envoorlopige programma's voor tenminstede drie daaropvolgende jaren (art. 70).Dit zal zoals thans reeds het geval isgepresenteerd worden in het Meeijaren-plan Woningbouw.Alvorens tot vaststelling over te gaanwordt eerst het advies ingewonnen van derijkscommissie van de volkshuisvesting(art. 71).Een belangrijk kenmerk van deze pro-grammeringsprocedures is dus de moge-lijkheid voor alle betrokken bestuursla-gen haar inbreng te leveren.Anderzijds is het zo, dat de gemeente-lijke adviezen de provincie niet binden endat de provinciale adviezen het rijk nietbinden. Dit kan dus betekenen dat het rijkom bijvoorbeeld budgettaire redenen totandere programma's komt dan de provin-cies wensten. Alhoewel de niet-bindend-heid niet onredelijk lijkt, levert dit tocheen spanningsveld op. Het effect van deadviezen is nl. minder meetbaar, hetgeenhet enthousiasme voor de gehele procedu-re kan bekoelen.Ik moet er evenwel op wijzen dat in depraktijk veelal een relatief grotere vraagoptreedt naar de categorieen woningenmet de hoogste rijksfinanciering en subsi-dies waarmee, vooral bij een rijksbeleiddat meer terughoudend is in financieelopzicht de spanning groter kan wordenmet name indien om budgettaire redenenforse aanpassingen plaatsvinden.Een minimumeis lijkt me te zijn dat hetgebruik van de ingewonnen adviezenwordt geexpliciteerd. In dat kader dientmet name beargumenteerd te wordenwaarom eventueel is afgeweken van het-geen in het advies werd voorgesteld.VerdelingNadat de landelijke programma's zijnvastgesteld verdeelt de bewindsman vanVROM ze over de provincies, met inacht-neming van de daarbij geldende rijksprio-riteiten (bijvoorbeeld contingenten voorgrote steden en groeigemeenten).Deze verdeling wordt pas vastgesteld,nadat de rijkscommissie voor de volks-huisvesting erover heeft geadviseerd (art.72).Vervolgens adviseren GS de bewinds-man over de verdeling van de provincialecontingenten over de gemeenten. Zij doendat nadat de provinciale commissie voorde volkshuisvesting erover heeft geadvi-seerd aan GS (art. 73).Vervolgens stelt de bewindsman de ge-meentelijke contingenten vast (art. 74).Mocht inmiddels de Tweede Kamerwijzigingen hebben aangebracht in deprogramma's c.q. de ermee gemoeidebudgetten dan wordt dat verwerkt in decontingentsvaststelling (art. 75).Tenslotte is geregeld dat VROM totherverdeling van contingenten c.q. bud-getten kan overgaan als ze door de betref-fende gemeenten niet tijdig zijn benut(art. 76).De verdehngsprocedure lijkt vrij sterkop de programmeringsprocedure. Er isechter een principieel onderscheid. Deverdelingsadviezen van GS zijn nl. bin-dend behoudens "de bij of krachtensAMVB gegeven gevallen". (art. 74). In detoelichting op art. 74 is dit verder uiteen-gezet."Slechts in bepaalde gevallen, waarbijvalt te denken aan afwijking door Gede-puteerde Staten van de door het rijkgestelde prioriteiten, zal van het doorGedeputeerde Staten verstrekte ver-deeladvies worden afgeweken. Het ver-deeladvies zal in elk geval niet volledigworden gevolgd indien het in zijn konse-kwenties de grenzen van de budgettaireruimte overschrijdt".Gekonstateerd moet derhalve wordendat in het bijzonder de bevoegdheid vande provincies in de verdehngsprocedure ishard gemaakt.Hier zou een spanningsveld kunnenontstaan over de rijksprioriteiten en overde herverdeling.Ten aanzien van de rijksprioriteitenzou de spanning betrekking kunnen heb-ben op de acceptatie ervan door de pro-S en V, april 1986129decentralisatie en Woningwet1986Programma-advies\ ^ Landsy/ bouwGemeentelijkecontingentenvoor 1987,'88,'89 en '901987Gemeentelijkecontingentenvoor 1988, '89, '90 en '91Het cyclische karakter van de planningsprocedure in twee opeenvolgende jarenviiicie. Bij de herverdeling kan de span-ning betrekking hebben op het belangenerzijds van een in de ogen van de pro-vincie zo optimaal mogelijke verdelingover gemeenten (bijv. vanuit een ruimte-lijke ordeningsopzet) en anderzijds hetstreven van VROM om de programma'stijdig te benutten.Het is derhalve van belang dat zowelmet betrekking tot de herverdeling bin-nen de provincie als tot de herverdelingtussen provincies spelregels worden over-eengekomen door de betrokkenen.Tot slot van dit gedeelte is hierboven ineen samenvattend schema weergegevenhoe de programmerings- en verdelings-procedure verloopt.Mogelijke ontwikke-lingen in de toekomstIn de vorige paragraaf werden al enigeopmerkingen gemaakt over het span-ningsveld dat bestaat ten aanzien van hetprogramma-advies en ten aanzien van deherverdeling.Ter afronding ga ik nog kort in openkele andere ontwikkelingen die zichzouden kunnen gaan voordoen.Contlngentering en marktverzadlgingBij een evenwicht op de woningmarkt zalter discussie worden gesteld of het plan-ningsgebouw daardoor wijziging be-hoeft.In dit verband begin ik met erop tewijzen dat ook als het statistisch woning-tekort tot nul is gereduceerd er behoefteaan nieuwbouw blijft, namelijk ten be-hoeve van de stadsvernieuwing en tenbehoeve van de voortgaande toename vanhet aantal huishoudens. Een billijke ver-deling van de nieuwbouw blijft ten behoe-ve van de stadsvernieuwing en de lageinkomensgroepen nodig.Voorts zal een verdeling van de hoe-veelheid te verbeteren woningen noodza-kelijk blijven.Tenslotte zal er de komende jaren nogzeker aanleiding zijn om te blijven strevennaar nivellering van woningtekorten c.q.woningoverschotten. In de ene provinciebestaan namelijk nog forse tekorten (bijv.Utrecht) terwijl in de andere er sprake isvan overschotten (Zuid-Holland inclusiefRijnmond, Zeeland).Het gewicht van de bestuurslagenBij een verminderde behoefte aan plan-ning zal verhoudingsgewijs ook een ver-minderde rol voor de provincies zijn weg-gelegd. Dit raakt vooral de praktische rol,omdat ten principale zal blijven geldendat de provincie de planning moet kun-nen beinvloeden in verband met het ruim-telijke beleid. Bovendien merk ik op datde vrijheid die de provincie heeft bij deverdeling van contingenten de komendejaren enigszins zal toenemen, omdat dehoeveelheid rijksprioriteiten waarschijn-l
Reacties