67e jaargang, juli/augustus 1986DenkraamSocialer huurstelsel en minder huursubsidieStedelijkheid en startersinitiatiefIdeeenprijsvraag "Bos na 2000"Van artikel 8 BRO naar artikel 10 BRO, 1935Tweesporigheid in het ruimtelijk beleidIn PlanologenlandNieuwe publikatiesNieuws van de RARONieuws van de RAVOJaarverslag NIROV 1985stedebouwenkfolkshuisvestingu!s.Mi&ns.i Volkshuisvesting Rotterdam, Grond-slagen voor een Inkomens-Woonlastenstelsel,maart 1985.Dienst Volkshuisvesting Amsterdam, ook dezedienst heeft een voorstel in voorbereiding ofinmiddels gepubliceerd.S en V, juli/augustus 1986265Peter Vaessenstudent economische geografie aan deKatholieke Universiteit NijmegenEgbert Weverhoogleraar economische geografie aan deKatholieke Universiteit NijmegenIn het algemeen wordt verondersteld dat de gunstigste voorwaarden om te komen totnieuwe initlatieven en activiteiten aangetroffen worden in (groot)stedelijke produktie-milieus. In dit verband kan worden gerefereerd aan de produkt levenscyclus en deincubatietheorie. Deze bijdrage gaat in op het verband tussen het aantal nieuw opgerichtebedrijven en de verstedelijkingsgraad, gebaseerd op een typologie van gemeenten. Deuitkomsten geven een genuanceerder beeld te zien dan wel eens wordt aangenomen.Mogelijk hangt dit sanien met de beperkte ruimtelijke schaal waarniee we in Nederlandte maken hebben.Stedelijkheid en startersinitiatiefInleidingIn het denken over ruimtelijk economi-sche ontwikkeling doet zich een opvallen-de paradox voor. Op grond van de aan-wezigheid van bepaalde produktiemilieu-elementen (informatie, contactmogehjk-heden, kenniscentra, agglomeratievoor-delen, veelzijdige arbeidsmarkt) wordtverondersteld dat grote bevolkingscon-centraties veel economische potentie be-zitten. In ons land is deze opvatting o.a.terug te vinden in de Structuurschets Ste-delijke Gebieden (1983, 8), waar wordtgesteld: "De concentraties van bevolkingen werkgelegenheid in de stadsgewestenen de overige grote steden vormen eenbelangrijk aanknopingspunt voor speci-fieke regionale ontwikkelingsmogelijkhe-den." Hier staat echter tegenover dat in demeeste landen de grotere agglomeraties,gerekend naar het aantal werklozen, mo-menteel probleemgebieden vormen.Daarnaast levert empirisch onderzoekook geen eenduidige bevestiging op voorde stelling dat in ons land nieuwe, inte-ressante ontwikkelingen zich vooral of heteerst in grote steden manifesteren. Hier-voor kan worden verwezen naar Molle(1985) en Wever (1985).In deze beschouwing staat centraal derelatie tussen verstedelijking en de oprich-ting van nieuwe bedrijven. Hier doet zichdezelfde paradox voor. Enerzijds wordtop grond van het daar aanwezige produk-tiemilieu verondersteld dat grote steden,dan wel bepaalde delen daarvan, bij uit-stek geschikt zijn als broedplaats vannieuwe bedrijven. Hier kan worden ver-wezen naar de uitgebreide literatuur overde incubatietheorie (o.a. Leone /Struyk,1976, De Ruijter 1978, Jansen 1984). Ookvoor starters in geheel nieuwe brancheszouden grotere agglomeraties de gunstig-ste vestigingscondities bezitten. Hierwordt wel een verband aangebracht metde product life cycle (Norton/Rees 1979).Maar ook de resultaten van onderzoekinzake de oprichting van nieuwe bedrij-ven bevestigen geenszins deze verwach-tingen. Zo blijkt uit onderzoek in zowelGroot-Brittannie, lerland als Frankrijkdat veel nieuwe bedrijven in de Industriejuist worden opgericht in rurale gebieden.Voor een internationaal overzicht vandeze resultaten wordt verwezen naarKeeble/Wever (1986).In deze beschouwing wordt ingegaanop de vraag in hoeverre in Nederland deoprichting van nieuwe bedrijven een rela-tie laat zien met de urbanisatiegraad. Al-vorens de resultaten te presenteren wordteerst op beknopte wijze ingegaan op deaard van de gebruikte gegevens en degehanteerde urbanisatie-typologie.De urbanisatietypolo-gieBij de te hanteren urbanisatietypologiezijn twee alternatieven overwogen, dievan het CBS en die van Van EngelsdorpGastelaars c.s. Uiteindelijk is voor delaatste gekozen, omdat deze typologie,anders dan die van het CBS, aan iederegemeente een dubbele code toekent.Enerzijds voor de gemeente zelf, ander-zijds voor de regio waarbinnen de ge-meente is gelegen. In het kader van ditonderzoek lijkt dit laatste onderscheidrelevant. Zo doet zich in ons land in eco-nomisch opzicht niet alleen een interre-gionale deconcenfratie voor (met namevan Randstad naar Halfwegzone), maarook een intraregionale deconcentratie(vooral binnen West-Nederland). De po-sitie van een rurale gemeente liggend inhet Groene Hart van de Randstad zaldaardoor verschillen van een rurale ge-meente in een provincie als Friesland, het-geen van invloed zou kunnen zijn op hetproces van bedrijfsoprichtingen.Bij de bepaling van de regio-code gin-gen Van Engelsdorp Gastelaars c.s. uitvan het begrip "daily system". Op basishiervan werden 34 nodale regio's onder-scheiden die vervolgens op grond van hunagglomeratiegraad werden onderverdeeldin vier klassen: centrale gewesten, inter-mediaire gewesten, semi-perifere gewes-ten en perifere gewesten. Binnen elkegewestklasse werd vervolgens een onder-scheid gemaakt tussen stedelijke gemeen-ten (A), luxe suburbane gemeenten (B),jonge groeigemeenten (C) en plattelands-gemeenten (D). Uiteraard is in de Neder-landse situatie dit onderscheid tussen ge-meenten het meest uitgesproken in decentrale gewesten en het minst in de peri-fere gewesten.De gehanteerde gege-vensDe gegevens over het aantal nieuw opge-richte bedrijven zijn afkomstig uit hetHandelsregister van de Kamers vanKoophandel en Fabrieken en hebben be-S en V, juli/augustus 1986266stedelijkheid en startersinitiatieftrekking op drieJaargangen 1970,1975 en1980. Het feit dat geen gegevens beschik-baar zijn voor de periode na 1980 is eennadeel, omdatj uist sindsdien de aandachtvoor de starter stormachtig is toegeno-men. Anderzijds maken de gebruikteJaargangen het mogelijk ook in te gaan opde overlevingskans van de nieuwe bedrij-ven.De gevolgde werkwijze is een zgn. Jaar-gangenanalyse. Daarin wordt nagegaanwat er is gebeurd met de in een bepaaldjaar opgerichte bedrijven in alle dan welbepaalde bedrijfsklassen. Aangezien el-ders uitvoerig op dit type onderzoek isingegaan (Wever 1984), wordt hier vol-staan met een enkele opmerking over degegevens. Oprichtingen zijn eerste in-schrijvingen in het Handelsregister. Zo'neerste inschrijving kan betrekking hebbenop een verplaatsing vanuit een ander Ka-merdistrikt, dan wel op een "echte" op-richting. Eerste inschrijvingen waarvanapert duidelijk was dat het ging om papie-ren oprichtingen of hobby-bedrijfjes zijnbuiten beschouwing gelaten. Een ophef-fing is een uitschrijving uit het Handels-register. Een uitschrijving kan betekeneneen opheffing (faillissement, bedrijfs-beeindiging), dan wel een verplaatsingnaar een ander Kamerdistrikt.De gegevens werden verzameld voor 24Kamerdistrikten. De uitkomsten hebbenuiteraard betrekking op de in deze distrik-ten gelegen gemeenten (figuur 1). Het feitdat niet alle Kamerdistrikten in het on-derzoek zijn betrokken, heeft gevolgenFiguur 1. De ruimtelijke spreiding van dein het onderzoek betrokken gemeenten\D^Tahell. Het aantal oprichtingen per 10.000 inwoners per gemeentetypeGemeente- Groei 70-80Gewestklasse type 1970 1975 1980 1970=100I A 19.6 24.6 30.7 157B 15.3 18.8 21.6 141C 15.2 15.7 19.3 127D 16.9 20.7 20.8 123II A 15.1 17.4 20.2 134B 13.0 17.1 18.7 144C 10.6 13.1 16.0 151D 11.1 13.5 15.6 141III A 17.5 20.9 26.0 149B 13.8 18.4 24.0 174C 13.6 16.1 22.8 168D 11.8 16.4 21.3 181IV A 12.9 17.1 21.6 167B 9.8 14.1 21.5 219C 10.7 12.9 19.1 179D 8.0 11.4 16.8 210voor de analyse op gewestniveau. Het ont-breken van een aantal distrikten in hetWesten leidt er toe dat gewest klasse Iuitsluitend is samengesteld uit de Noord-en Zuidvleugel van de Randstad (distrik-ten Amsterdam, Haarlem, Rotterdam,Vlaardingen) en dat gewestklasse II (in-termediaire gewesten) vooral wordt verte-genwoordigd door gebieden als Twente,Zuid-Limburg, Midden-Gelderland enOost-Gelderland. Klasse III (semi-perife-re gewesten) omvat nogal wat gebiedenuit de zgn. Halfweg of Intermediaire zone.Om spraakverwarring te voorkomen zaldaarom gebruik worden gemaakt van deomschrijving: sterk, vrij sterk, vrij zwaken zwak geagglomereerde gewesten.OprichtingenIn tabel 1 is het aantal oprichtingen/10.000 inwoners per gemeentecategoriegegeven. In overeenstemming met de be-vindingen van Wever (1984) zien we datde sterk geagglomeerde gewesten en destedelijke gemeenten terrein verliezen.Deze uitkomst past in het proces vaninter- en intraregionale deconcentratie.De interregionale deconcentratie heeft totgevolg dat het aandeel van gewestklassenI en II in het totaal aantal oprichtingentussen 1970 en 1980 terugliep van 32.6naar 28.5, resp. 26.4 naar 23.5%.Ondanks deze verschuivingen nemende (grotere) centrale gemeenten, zoalsverwacht, een belangrijk aandeel van alleoprichtingen voor hun rekening. In iedereJaargang is het aantal oprichtingen per10.000 inwoners in de A-gemeenten hetgrootst. Toch doen zich tussen 1970 en1980 twee opvallende ontwikkelingenvoor. De eerste heeft betrekking op hetfeit dat in 1970 het aantal oprichtingen ingewestklasse I, in overeenstemming metde incubatietheorie, het hoogst was.Daarna zien we echter een relatieve posi-tieverbetering voor de minder verstede-lijkte gewesten. De tweede heeft betrek-king op de relatieve toename van het aan-tal oprichtingen tussen 1970 en 1980.Alleen in gewestklasse I weten deA-gemeenten de hoogste groei te realise-ren.Aan beide ontwikkelingen kunnen in-teressante konklusies worden verbonden.Zo lijken in ons land niet alleen de grotesteden, maar ook de hieraan grenzendesuburbane gebieden een broedkamer-funktie te vervullen voor nieuwe bedrij-ven, een conclusie die aansluit bij bevin-dingen van Vergoossen/Wever (1985) enDe Jong (1984). De relatief sterke positievan de luxe suburbane (B)-gemeentenwekt de indruk dat dit verband houdt meteen deconcentratie van de bevolking van-uit de centrale steden. Deze (selectieve)suburbanisatie zou geleid kunnen hebbentot een gewestelijke herschikking van deruimtelijke spreiding van potentiele on-dernemers(Coffey/Polese 1984). Dit pro-ces, dat zich in het verleden via migratieook op interregionale schaal heeft voorge-daan, laat zich goed inpassen in de popu-laire theorie van de cumulatieve causatie,zij het dat daar de negatieve backwasheffecten voor de expulsiegebieden meer inverband worden gebracht met het vertrekvan arbeidskrachten, dan met het vertrekvan potentiele ondernemers.De sterke positie van de luxe suburbanegemeenten kan ook in verband wordengebracht met het feit dat de meeste star-S en V, juli/augustus 1 986267stedelijkheid en startersinitiatiefters en dit geldt sterker naarmate het min-der traditionele activiteiten zoals detail-handel en horeca betreft, afkomstig zijnuit beroepsgroepen die zich niet directmet "produktie" bezighouden. Mogelijkis dit een gevolg van de aard van de opge-dane werkervaring (misschien beter ge-schikt om een eigen bedrijf te starten),mogelijk (Storey 1982) van een gunstigerfinanciele basis (eigen vermogen, toegangtot vreemd vermogen).Een laatste conclusie heeft betrekkingop de centrale gemeenten in sterk verste-delijkte gewesten, die in afwijking van deandere A-gemeenten wel een opvallendhoge groei laten zien van het aantal op-richtingen per 10.000 inwoners. De afna-me van de bevolking in deze gemeentenwas duidelijk groter dan de afname vanhet aantal oprichtingen, resulterend ineen toename van het aantal oprichtingenper 10.000 inwoners. Blijkbaar en aanslui-tend bij de incubatietheorie vormen dezecentrale steden nog steeds een aantrekke-lijke locatie voor nieuwe bedrijven.Tot nu toe is gewerkt met geaggregeerdegegevens voor gemeentetypen. Naast ver-schillen tussen gemeentetypen, doen zichuiteraard ook verschillen voor binnen ie-der type, mogelijk als gevolg van een ver-schil in potentieel aan ondernemers, mo-gelijk als uitvloeisel van een meer of min-der actief gemeentelijk startersbeleid, mo-gelijk als gevolg van een verschil in be-drijfsklassestructuur. Daarom zijn in ta-bel 2 als aanvulling de 27 gemeenten gege-ven die de ranglijst aanvoeren. Daartoe isper gemeente en per Jaargang het aantaloprichtingen per 10.000 inwoners uitge-drukt in z-scores. Alleen gemeenten die inelk van de drie Jaargangen een z-score van5 of hoger behaalden zijn op de toplijstvermeld. Aan kop gaat Lelystad. Verderzien we dat slechts 5 gemeenten uit ge-westklasse I en II op de toplijst voorko-men, tegen maarhefst 16 uit klasse III. Bijde gemeentetypen is de A-gemeente sa-men met de D-gemeente sterk vertegen-woordigd (9 resp. 8 keer). Ook wanneerwe rekening houden met het feit dat hetaantal in de analyse betrokken Kamer-districten in West-Nederland relatief ge-ring is, dan nog bevestigt deze uitkomst deeerdere conclusie dat in zijn algemeen-heid de veronderstelde sterke positie vancentrale steden in sterk verstedelijkte ge-westen niet of niet meer bestaat. Buitendeze centrale steden bevindt zich blijk-baar een toenemend potentieel aan nieu-we ondernemers.OprichtingsstruktuurBekend is dat de ruimtevergende Indus-trie en bouwactiviteiten in ons land eenveel gelijkmatiger spreidingspatroon ver-tonen dan de zakelijke dienstverlening(Buursink 1985, Wever 1985). Alleen alop grond van dit gegeven is het relevantbij de oprichtingen te differentieren naarsector.Daartoe zijn de oprichtingen uiteenge-legd in een vijftal sectoren: Industrie,Tabel 2. Detop-2 7; de gemeenten met in iedereJaargang relatiefveel nieuwe bedrijvenper10.000 inwoners; het aantai oprichtingen per 10.000 inwoners over de drie JaargangensamenGemeente Code Oprichtingen Gerheente Code OprichtingenLelystad . 43.2 Soest HIB 29.3Geldermalsen IVB 39.5 Made/ Drimmelen HID 29.0Linne IVD 36.4 Oisterwijk HIB 28.9Maasbracht IVC 34.9 Bodegraven HID 28.2Zandvoort IIB 34.7 Gouda IIIA 28.0Waalwijk IIIA 34.6 Woudenberg IIIC 27.2Nieuwerkerk/Y IB 34.0 Den Bosch IIIA 27.0Roermond IVA 32.8 Amsterdam lA 26.9Bunschoten IIIC 32.7 Breda IIIA 26.4Haarl.meer lA 32.5 Willemstad HID 25.7Loon op Zand HID 3L6 's-Gravenmoer HID 25.6Brouwershaven HID 31.3 Roosendaal/N IIIA 25.0Ammerzoden HID 31.1 Weert IVA 24.5Eemnes HC 30.3bouw, groothandel, "middenstand" endiensten. Dan blijkt dat de verschillentussen de gemeentetypen relatief geringzijn en tussen 1970 en 1980 eerder zijnafgenomen dan toegenomen. Industrieleoprichtingen zijn hcht ondervertegen-woordigd in de centrale (A)-gemeenten,de zakelijke dienstverlening licht overver-tegenwoordigd. Groter zijn de verschillentussen de gewestklassen. Op zich is ditniet verwonderlijk. Bekend is dat demeeste starters beginnen in de sectorwaarmee ze vertrouwd zijn, waarin zegewerkt hebben. Daardoor zal de aardvan de oprichtingen in gebieden met eenverschillende economische struktuur uit-eenlopen. Overeenkomstig eerder onder-zoek blijkt ook nu weer dat de groothan-del en de dienstverlening ondervertegen-woordigd en de "middenstand" overver-tegenwoordigd is in de weinig verstede-lijkte gewesten. De ondervertegenwoordi-ging van groothandel en diensten hangtwaarschijnlijk samen met de onderverte-genwoordiging van deze sectoren in deregionaal-economische structuur. Voorde oververtegenwoordiging van de mid-denstand lijkt dit niet op te gaan. Ook isweinig aannemelijk dat dit samenhangtmet "onderverzorging". Denkbaar is datvoor mensen in perifere gebieden die in deIndustrie werkzaam zijn geweest de "mid-denstand" een aantrekkelijke startsectorvormt als gevolg van lage entreedrempels,geringe kapitaalbehoefte, relatief geringespecifieke kennis-eisen etc. In dat gevalzou het grote aantal oprichtingen in de"middenstand" eerder een teken vanzwakte, van het ontbreken van alternatie-ven zijn, dan van economische potentie.Deze situatie bestond in extreme vorm inde krisisjaren dertig.In het feit dat de verschillen tussen degewestklassen I, II en III zo gering zijn,zou men een bewijs kunnen zien voor dedoor Wever (1985) verkondigde stelhngdat het economisch centrum van Neder-land zich tegenwoordig niet meer beperkttot de Randstad, maar ook een groot deelvan Midden- en Zuid-Nederland omvat(de "urban field" gedachte).Kansrijke activiteitenIn theoretisch opzicht is de beschouwingtot nu toe gerelateerd aan de incubatie-S en V, juli/augustus 1986268stedelijkheid en startersinitiatiefTabel 3. Kansrijke activiteiten en oprichtingen; kansrijke oprichtingen alspercentage vanhet totaal aantal oprichtingen en per 10.000 inwoners voor de drie Jaargangen samenGewestklasseGemeente Als% van totaal Per 10.000 inwonerstype I II III IV I II III IVA 9.2 7.6 9.2 7.5 2.3 1.3 2.0 1.3B 9.4 8.9 9.1 6.9 1.8 1.4 1.7 1.1C 13.0 7.8 8.7 8.2 2.2 1.0 1.6 1.2D 8.8 6.8 8.2 6.4 1.8 0.9 1.4 0.6theorie. Op basis van de ruimtelijke inter-pretatie van de product life cycle zou ech-ter ook kunnen worden verondersteld datoprichtingen in geheel nieuwe sectoren inde centrale gemeenten van verstedelijktegebieden de beste vestigingsconditieszouden vinden. Ter staving van deze ver-onderstelling is tabel 3 samengesteld.Daarin zijn de oprichtingen in kansrijkesectoren gegeven, zoals gedefinieerd doorde Commissie inzake de Voortgang vanhet industriebeleid (Commissie "Wag-ner") en de Stuurgroep Dienstenonder-zoek (Commissie "Oostenbrink"). De"vertaling" van kansrijkheid naarbranche-code is ontleend aan TNO (Al-ders/De Ruijter 1984). Hoewel tabel 3geen grote verschillen laat zien, bevesti-gen de uitkomsten de veronderstelHng.De centrale A-gemeenten scoren in allegewestklassen duidelijk hoger dan deplattelands(D)gemeenten. Bovendienscoren alle gemeentetypen in gewestklas-se I hoger dan de overeenkomstige typenin de weinig verstedelijkte gewesten. D
Reacties