69e jaargang,oktober 1988DenkraamBTW-verlaging in de woningbouwWoningmarktonderzoek m.b.v.woonbeeldenBesluitvorming stedelijkevernieuwingBestemmingsplan en uitvoeringsprocesBestuurlijk-juridische trendsNieuwe publikatiesstedebouwenkfolkshuisvestingkOIIUId/ " / " ^?/REGIO OVERZICHTALS EXTRA SERVICE GEEFT STEDEBOUWEN VOLKSHUISVESTING U EEN OVERZICHTVAN DE REGIO(S) WAARIN BEDRIJVEN INNEDERLAND, VOORNAMELIJK HUN PRO-DUKTEN/DIENSTEN AANBIEDEN.DE REGIONUMMERING VINDT U TERUG INHUN UlTINGEN.omsiMMimiimjmsMibBuro Planning VerbandGroningen, buro voor sociaal-ekonomisch en ruimtelijk onder-zoek, heeft in de afgelopen jareneen specialisatie opgebouwd inhet opstellen van demografischeprognoses ten behoeve van di-verse beleidsdoeleinden van metname lokale overheden, zoalsinzicht in de woningmarkt doormiddel van een woningbehoefte-raming, of het opstellen van leer-lingprognoses ten behoeve vanhet basisonderwijs.MethodeHet verschil tussen de demo-grafische prognoses van Plan-ning Verband Groningen enbijvoorbeeld de Primosprog-nose, die door TNO voor elke ge-meente in Nederland wordtopgesteld, is de schaalgroottewaarop het resultaat wordtaangeleverd. De demografischevooruitberekeningen die doorPlanning Verband Groningenworden opgesteld onderschei-den zich doordat de bevolkings-ontwikkeling naar de wens van deopdrachtgever of het beleidsdoelwaartoe de prognose moet die-nen, geschieden op dorps-,buurt-of wijkniveau. Daamaastworden de resultaten vergelekenmet demografische ontwikke-lingen op hoger schaal niveau. Demethode die hiervoor is ont-wikkeld, maakt zoveel mogeljkgebruik van feitelijke lokaleontwikkelingen en brengt ver-schillen in demografischeontwikkeling per deelgebied aanhet licht, die anders 'verstopt'zouden blijven in de totaalcijfers.Toepassingen ten behoevevan o.a. het onderwijs- enwoningmarktbeleidHet voordeel hiervan werdzoeven al aangegeven: vaak ver-eisen beleid- en besluitvorming ingemeenten inzicht in de ont-wikkeUng per deelgebied. Hetbest valt dit te illustreren met devereiste die door het Ministerievan Onderwijs en Wetenschap-pen worden gesteld aan aan-vragen (Overzichten Vermeer-dering Huisvesting, kortwegOVH's genoemd) van gemeen-ten die een of meerdere scholenbinnen hun grenzen willenbouwen, uitbreiden, renoverenof vervangen. De minister ver-langt dat bij een dergelijkeaanvraag een gedetailleerde leer-lingprognose per voedings-gebied wordt overlegd, waaruitde behoefte aan de gevraagdevoorziening op (middel)langetermijn voor het voedingsgebiedvan de betreffende schoolsoortblijkt. In de periode jarmari-juli1988 hebben twee medewerkersvan buro Planning VerbandGroningen het ministerie inZoetermeer van advies gediendover de beoordeling van degenoemde OVH's. Daarmeeheeft het buro een grote deskun-digheid in huis inzake de huis-vesting van scholen voor hetbasisonderwijs.Maar niet alleen voor het basison-derwijs zijn demografischedeelprognoses van belang.Steeds meer van belang voor degemeentelijke beleidsmakers ishet inzicht in deelgebieden van delokale woningmarkt, niet alleenom een raming van de kwantita-tieve woningbehoefte op te stel-len, maar ook om voorbereid tezijn op veranderingen in de vraagnaar soort woningen per deel-gebied, of om een cijfermatigbeeld te verkrijgen van verander-ingen in het woonklimaat perdeelgebied. Vaak is een dergelijkkwantitatief onderzoek aanlei-ding om ook een kwalitatief on-derzoek in te stellen naar de me-ningen van dorps- of wijkbewo-ners over de leefbaarheid en hetwoonklimaat van hun dorp ofwijk. In opdracht van het Minis-terie van WVC en de LandelijkeVereniging van Kleine Kernen, isonlangs door Planning VerbandGroningen in het kader hiervaneen onderzoek uitgevoerd naarveranderingen in de opvattingenover de leefbaarheid en hetwoongedrag in de kleine dorpen.Op verzoek van het Ministerievan WVC nemen onderzoekersvan Planning Verband Gronin-gen sindsdien deel aan de pro-grammering van verder onder-zoek naar de sociaal-ruimtelijkeontwikkeUng van de landelijkegebieden.Ook op andere terreinen is buroPlanning Verband Groningenaktief, met name op het terreinvan lokaal en regionaal ekono-misch onderzoek. De deskundig-heid binnen het buro op ekono-misch, juridisch en bedrijfskun-dig terrein staan garant voor eengedegen uitvoering van onderandere markt-, haalbaarheids- envestigingsplaatsonderzoek.Voor inlichtingen omtrent de on-derwerpen die in deze tekst zijnvermeld kunt u contact opnemenmet:Buro Planning VerbandGroningen,H. Frencken/J. Luursema,Oosterhamrikkade 889714 BH GroningenTelefoon 050 - 713 614Mooi datd'er allesmee kan......A^ef zijn brec/e assort/menf biedtHeimitin voor elk probleem eengoede opiosslng.Heimitin systeemverwerkers:? BOUWKONSULT BVSchiedam 010-623205? DEKO BVAmsterdam 020-849855? KLOOSTERMAN BVHeerenveen 05130-21525? KUIPERS BVNunspeet 03412-52944? KURAKOBVV/ognum 02297-3144? S'lADEfA BVStadskonoal 05990-17045? VANOORTBVHeesch 04125-1482? REUSKEN BOUVv'BVLoenen05765-2333'(^ifeyerzfeihitop kyoniffirf koripeonHeimitin kozijnen zijn speciaal ontwikkeld voorde Nederlandse markt. Heimitin levert naarbinnen en naar buiten drooiende kozijnen endeuren, inclusief voortreffelijk hierbij passendhang- en sluitwerk. De afgeschuinde profielengeven de kunststoframen een slank uiterlijk, incombinotie met een grote stabiliteit. Heimitinkozijnen zijn fraoi en elegant van vormgeving.De Heimitin kozijnen kunnen worden gele-verd in satijn-v^it en bruin. Ook kunnen zijv/orden geleverd voorzien van een hout-decor.Heimitin: voor elk probleem een passendeopiossing.Een van de specialismen van Heimitin is hetextruderen van kunststof profielen voor debouw. Heimitin is reeds meer don 25 jaaroktief op de kunststof markt.DhiMJFlIjelmitin bvTelex 350,6 ''^SS/lissTe/efax 04165-1408IIstedebouwenvolkshuisvesting69ejaargang oktober1988InhoudOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting MlRedactie:Drs. H.J.M. van AlphenDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GroenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingMw. drs. I.T. KlaasenMw. G.C.P. van der PloegIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. P.W.A. VeldIr. H. WestraRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, administratle enpublikaties ter recensie:Mauritskade 212514 HD DenHaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlljnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs' aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voorpersoneelsadvertenties envoorprodukt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den RijnTelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal vooradvertenties worden voor de lOe vande maand, voorafgaande aan demaand van verschijning, ingewacht.Losse nummers f 12,-ISSN 0039 - 0879DenkraamDe macht van het aantal, ir. H.Ch.M. Heyning 382ArtikelenBTW-verlaging in de woningbouw, drs. R. KlunderDe effecten voorde rijksbegroting en gevolgenvoor debouw(arbeids)markt,die zuUenvoortvloeien uit een wijzigingvan de omzetbelasting in de woning-bouw van het hoge in het lage tarief worden op een rij gezet. 383Woningmarktonderzoek met behulp van woonbeelden, drs. A. Buys,drs. G. Henstra en drs. J.P.J. SingelenbergInzichtin doorbewoners gewenste woonmilieudifferentiatiebinnen regiona-le woningmarkten wordt steeds belangrijker. Een middel om ditinzichtte ver-werven kan zijn hetzgn. woonbeeldenonderzoek. Beschrijving van methodeen experimenten ermee in Amsterdam. 387Besturen of gestuurd worden, B. van de Ven, E. van der Veen, W. Turpijn,B. de Rooij en J. de KievitOnderzoek naarde besluitvormingbij de planvormingt.b.v. vernieuwingvanhet centrumgebied entotstandkomingvan een uitbreidingsgebied geven in-zicht in de machtsverhoudingen binnen de gemeente Zeist. 392Derolvanbestemmingsplanneninuitvoeringsprocessen, drs. P.P.J.Q. SteinwegEen tiental "oude" bestemmingsplannen werd onderzocht op hun program-matische karakterin de uitvoeringsfase. Dit leverde eenzeerdivers beeld op.Nagegaan wordt verder in hoeverre de Beschrijving in hoofdlijnen het pro-grammatische karakter kan versterken. 399Bestuurlijk-juridischetrends. Het K.B. Eemshaven: wiedoetWad?, W. deBoeren mr. A. van BolhuisDe relatie bestemmingsplan -milieuwetgeving wordtbezien aan de hand vanhet K.B. Eemshaven 405Nieuwe PublikatiesMededelingen NIROVOverige mededelingenAankondigingen408409410411SenV, oktober1988381DenkraamDe macht van het aantalHet begrip "ruimtelijke kwaliteit"is als eenphoenix uit de ashenezen, aldus de eerste zin uit de reactie van BNS en VI-RO op de Vierde Nota. Het is interessant om te zien hoe ineen decennium dat ingezet is met actieprogramma's voorderegulering en globalisering die nu gevolgd worden dooreen orientatie op economische groei en technologie, gep-oogd wordt de balans in evenwicht te brengen door - her-nieuwd - aandacht te vragen voor ruimtelijke kwaliteit.Het pleidooi voor meer aandacht voor ruimtelijke kwali-teit wordt des te interessanter wanneer we een relatie leg-gen tussen de tekst op biz. 41 van de nota met betrekkingtot het aantal te bouwen woningen tussen nu en 2015 (2miljoen) en de tekst op biz. 39 metbetrekkingtot hettegen-gaan van eenvormigheid en uniformiteit ten gunste vanruimtelijke verscheidenheid (basiswaarde). Ik herinnerdemij ineens weer de vraag van een Nederlands parlementa-rier, gesteld in het kader van het DROM-actieprogram-ma:... waarom een woonwijk in Hoensbroek er gelijk uit-ziet c.q. uit moet zien als een woonwijk in Vlaardingen ?In een brief aan deze volksvertegenwoordiger heb ikeen aantal overwegingen de revue laten passeren, zonderoverigens de pretentie te hebbenvolledigte zijn. Ik(veron-der)stelde dat een aantal uitgangspunten die in de afgelo-pen decennia algemeen aanvaard werden in den lande alsprogramma voor een uitbreiding van een stad ofdorp, er-toe (konden) leiden dat woonwijken en buurten op elkaar(zijn gaan) lijken. Deze uitgangssituaties betroffen:? Wonen in zijn algemeenheid: de woonwensen van "deNederlander" (zo die bestaat) komen landelijk gezienneer op "het eengezinshuis",liefst vrijstaand met een voor-en achtertuin. Daarmee lag dit in groten getale gereali-seerde basisingredientvan de woonwijkvast. Tussen 1945en nu zijn er in ons land ca 4 miljoen woningen gebouwdwaarvan ca 3 miljoen als eengezinshuis!!? Plattegrond en bouwprofiel van de woning: het eenge-zinshuis moet o.m. bevatten: woonkamer, 2 a 3 slaapka-mers, keuken, enz. Een en ander moet voldoen aan de zo-genaamde Voorschriften en wenken (tot 1 januari 1984) ende (Model)Bouwverordening. Landelijk gezien bestonder dus grote overeenkomst in het programma van de wo-ning en daarmede in de indeling alsmede hetbouwprofiel.? Bouwwijze van de woning: er is sprake van een zekerestandaardisatie in de maatvoering, gebaseerd op een mo-duul (maat) van 30 cm: de woningen worden 5,10 m, 5,40m of 5,70 m breed.? Verkaveling van de woningen: bij het rangschikken(verkavelen) van de woningen wordt een aantal eisen ge-steld zeals bijvoorbeeld:- een goede bereikbaarheid, de auto liefst voor de deur;- een goede aan- en afvoer van goederen;- een goede bezonning (bij voorkeur op het zuiden ofwesten);- een hoge mate van privacy (bepalend voor de afstandvan de woningen onderling);- een bouwen in rijen eengezinshuizen in verband methet kostenaspect en de subsidieregelingen in relatie tot ka-velprijzen, bouwkosten e.d.;- de nabijheid van voorzieningen zoals trapveld, buurt-park, scholen, liefst winkels.? Architectuur van de woning: het programma van eisenen de constructiemogelijkheden in relatie met de verkave-lingsprincipes, bepalen in hoge mate de architectonischemogelijkheden van het bouwprofiel en de gevelindeling.Variatiemogelijkheden zijn bijvoorbeeld: plat/kap enkapvormen, kleur- en materiaalkeuze, een en ander metinachtneming van onderhoudseisen: woningbouwver-enigingen en beleggers bijvoorbeeld willen vaak geenhout in de gevels, maar alleen baksteen.? Omgevingsfactoren zoals landschap: zeker in de zesti-gerjaren is er in het algemeen voor het bestaande "eigen"landschap ter plaatse van de uitbreiding, weinig aan-dacht: de plaats waar gebouwd gaat worden wordt vaakmet een laag zand bedekt, soms vele meters dik. De meestebouwplaatsen krijgen daardoor een gelijk aanzien. In dezeventigerjaren slaat dit om in een nostalgisch gevoel datzich uit in een, bij wijze van spreken "sparen van elke fruit-boom en elke kronkel in een landbouwweggetje". Perpe-riode dus een grote mate van gelijkgericht denken in denlande en dus gelijkenis in het uiteindelijke product.? Sociale sectoren waarin wordt gebouwd: de parallelmet in de kledingindustrie gebruikte terminologie lijkt opzijn plaats:- confectie (woningwet): voor het merendeel van demensen weggelegd in verband met de prijs (relatief goed-koop); seriematig karakter, grotere aantallen;- maatkleding (premie): voor de beter gesitueerden: re-latief grote aantallen, dus nog seriematig karakter;- couture (vrije sector): een enkeling: individueel karak-ter.Serie en gelijkvormigheid liggen, zoals bekend, in el-kaars verlengde.? Bouwbeleid, trends, modeverschijnselen: er zijn grof-weg drie perioden te onderscheiden:- vijftiger en zestiger jaren: veel, snel en overal tegelijkbouwen, industriele aanpak (ratiobouw), herhalingspro-jecten, materialen zijn in de beginperiode op de bon enniet in alle variaties verkrijgbaar enz.;- zeventigerjaren: inspraak, identiteit, nostalgic, goedeeconomische vooruitzichten, "toeters en bellen", wooner-ven (iedere zichzelf respecterende gemeente bouwt zijneigen woonerf), nog steeds grote aantallen overal in denlande enz.;- tachtiger jaren: een start met als trefwoorden uiterstesoberheid, aantallen .. .?Per periode een grote mate van gelijkgestemdheid endus van gelijkvormigheid. Deze tendens wordt verder ver-sterkt door het gegeven dat in een bepaalde periode som-mige vormgevers meer "in" zijn dan hun collega's en hunbouwplannen op meerdere plaatsen in den lande gereali-seerd/gecopieerd worden.Opbasis van deze overwegingen concludeerde ik indertijddat de overal heersende identieke opvattingen en uit-gangspunten tot (een zekere) nivellering leiden met als re-sultaat een grote mate van gelijkvormigheid in onze(woon)omgeving. Grote uitschieters, noch naar bovennoch naarbeneden komenbijna niet voor; onze volksaardgekarakteriseerd door nuchterheid, zuinigheid en "ge-woon" doen, zorgen daar wel voor.Of in deze uitgangssituatie zoveel verandering zal op-treden of dat het landelijk geaccepteerde accentverschui-vingen zullen zijn: de toekomst zal het leren! Scoorden wemet onze "gelijkvormigheid" zo slecht, kan men zich af-vragen? Afgaande op veelvuldige contacten met buiten-landse collega's meen ik dat dat niet het geval is, integen-deel. Geen reden overigens om ons op de borst te slaan,nog minder om de komende kwart eeuw aan de vormge-vers van ons leefmilieu niethet maximum aan creativiteittevragen om ons leefmilieu identiteit te geven ondanks demacht van het grote aantal in korte tijd.ir. H.Ch.M. Heyningstedebouwkundige BNSSenV, oktober1988382drs. R. Klunderwetenschappelijk medewerker aan het Insti-tuut voorOnderzoek van Overheidsuitgaven teDen HaagVolgens sommigen behoort de woningbouw niet met het hoge omzetbelastingtarief te wor-den belast, maar met het lage. Daarbij komt, zo blijkt uit een recent CPB-onderzoek, datverlaging van het BTW-tarief relatief gunstige werkgelegenheidseffekten met zich mee-brengt. Reden temeer de effekten van een verlaging van het BTW-tarief in de wonlngbouween$ aan een nadere beschouvfing te onderwerpen. Dit artikel gaat in op de budgettaireeffekten en de gevolgen voor de bouw-(arbeids)markt.BTW-verlaging in de wonlngbouween beoordeling van de belangrijkste effektenInleidingVerlaging van het BTW-tarief op de leve-ring van bepaalde arbeidsintensieve goe-deren en diensten is recentelijk sterk in debelangstelling komen te staan. De aan-dacht richt zich in het bijzonder op de mo-gelijke werkgelegenheidseffektenvan eendergelijke maatregel. Directe aanleidingvoor deze opleving in de discussie was hetverschijnen van een publicatie van hetCentraal Planbureau waaruit blijkt dateen verlaging van het tariefin de omzetbe-lasting een relatief sterkte impuls geeftaan de bestrijding van het zwarte circuit').In de volkshuisvestingswereld is al eer-der geopperd het BTW-tarief in de wo-nlngbouw te verlagen. Hierbij waren hetniet zozeer werkgelegenheidsmotievendie op de voorgrond traden, maar het ideedat langs deze weg de overheidsbemoeie-nis met deze sector zou kunnen wordenverminderd. Wanneer de BTW zou wor-den verlaagd behoefden teglijkertijd min-der subsidies te worden verleend, zo luid-de ongeveer de redenering^). Daarnaastwordt wel betoogd dat wonen tot de eerstelevensbehoeften behoort en dat, om dezereden, woningbouwactiviteiten niet be-last zouden moeten worden met het hogeBTW-tarief, maar met het lage tarief, netzoals brood, vlees, groente en zeep.In dit artikel wordt ingegaan op de ge-volgen van een verlaging van het BTW-ta-riefin de wonlngbouw voor de rijksbegro-ting. Een centrale vraag is in dit verbandof een en ander op budgettair neutralewijze zou kunnen worden gerealiseerd.Voorts wordt ook aandacht besteed aande belangrijkste effekten op de bouw (ar-beids)markt die van een dergelijke maat-regel uitgaan').BTW-tarievenNet als in verreweg de meeste andere Eu-ropese landen wordt in Nederland op delevering van goederen en diensten omzet-belasting geheven. Momenteel bestaan erformed drie tariefhoogten in het Neder-landse stelsel van BTW-heffing. Naast hetnultarief zijn dat het 20- en 6-procentsta-rief). Prestaties met een sociaal karakteren prestaties die in de "geldsfeer" liggen(kredietverlening) zijn vrijgesteld vanBTW-heffing. De criteria die ten grond-slag liggen aan de indeling van goederenen diensten die onder het algemene tariefvan 20 procent vallen en het verlaagde ta-rief van 7 procent vallen zijn niet geheeleenduidig. Globaal kan worden gestelddat goederen die gelden als eerste levens-behoeften, medische hulpgoederen engoederen die relatiefveel worden verhan-deld (edele metalen, kunstwerken) onderhet lage tarief vallen.Met betrekking tot woondiensten kanworden gesteld dat in de praktijk de ver-huur van onroerend goed onbelast is endat op alle activiteiten op het gebied vannieuwbouw, herstel- en verbouw en on-derhoud het hoge tariefvan toepassing is.Over de verkoop van een woning wordt(na twee jaar) geen omzetbelasting meergeheven, maar overdrachtsbelasting.Ondanks het streven naar integratiebinnen de Europese Gemeenschap is hetnu nog zo dat alle lidstaten vrij zijn bij hetvaststellen van de tariefhoogten en hetonderbrengen van goederen in de ver-schillende tariefgroepen. Het enige waarin Europees verband op het moment over-eenstemming over bestaat is de heffings-grondslag van de omzetbelasting: de toe-gevoegde waarde. Geconcludeerd kandus worden dat, wat de regelgeving opEuropees niveau betreft, niets zich zouverzetten tegen een verlaging van hetBTW-tarief in de wonlngbouw.Budgettaire effektenDe gevolgen voor de rijksbegroting kun-nen worden onderverdeeld in directe enindirecte budgettaire effekten. Onder di-recte budgettaire effekten verstaan we ef-fekten die zich met een grote mate van ze-kerheid voordoen en waarvan de omvang,al dan niet met behulp van enige gefun-deerde veronderstellingen, op basis vande regelgeving globaal kan worden vast-gesteld. Bij de berekening van de directebudgettaire effekten is nagegaan wat degevolgen voor de rijksbegroting zijn wan-neerin 1988 zou zijn besloten het BTW-ta-rief in de wonlngbouw te verlagen.Het daadwerkelijk optreden van indi-recte effekten is minder zeker. De aard enomvang van deze effekten worden ver-oorzaakt door het gedrag van de verschil-lende factoren op de bouwmarkt en ar-beidsmarkt. Vroeger stonden dit soort ef-fekten wel bekend als inverdieneffekten.Indirecte budgettaire effekten zullen inhet kader van dit artikel alleen in kwalita-tieve zin aan de orde komen.Directe budgettaire nadelenEen direct gevolg van een verlaging vaneen omzetbelastingtarief is dat door hetSenV, oktober1988383BTW-verlaging in de woningbouwrijk belastingontvangsten worden ge-derfd. De kwantitatieve betekenis hier-van op het gebied van de woningbouwkan worden bepaald aan de hand van pro-duktiegegevens. Het meest volledige in-zicht verschaffen cijfers die zijn ontleendaan de Nationale Rekeningen. Voor denieuwbouw en herstel en verbouw zijn deberekeningen gebaseerd op de NotaBouwprognoses van het ministerie vanVROM, voor het onderhoud is uitgegaanvan de middellange termijnraming vanhet Economisch Instituut voor de Bouw-nijverheid^). Tabel 1 toont de woning-bouwproduktie in 1988 alsmede de ge-derfde belastingontvangsten bij een ver-laging van het BTW-tarief.Het blijkt dat met genoemde tariefsver-laging het rijk circa 2,8 miljard gulden aanBTW-ontvangsten misloopt.Directs budgettaire voordelenEen verlaging van het BTW-tarief levertook budgettaire besparingen op. Sommi-ge subsidies, zoals de objectsubsidieringin de huursector, zijn gebaseerd op dehoogte van de stichtingskosten. Wanneerdus de stichtingskosten dalen, neemt ookhet uit te keren subsidiebedrag af. Bij an-dere subsidies, zoals bij voorbeeld de een-malige bijdragen in de vrije sector of depremiekoopsubsidies, is een directe rela-tie met het stichtingskostenniveau afwe-zig. In dergelijke gevallen is bij de bereke-ningen de redenering gevolgd dat het be-drag aan uitgekeerde subsidies vermin-derd wordt met het door het rijk gederfdebedrag aan BTW in dat specifieke seg-ment. Men zou immers de verlaging vanhet BTW-tarief kunnen beschouwen alseen inkomensoverdracht die in de plaatstreedt van de subsidie.Besparingen op uitgaven van het rijk tre-den in het bijzonder op ten aanzien van devolgende subsidies:- Objectsubsidies huurwoningen. Het be-treffen hier de objectsubsidies die wordenverleend uit hoofde van de dynamischekostprijshuurregeling, en van toepassingzijn op woningen gebouwd in de socialehuursector en woningen die gebouwd zijnin opdrachtvan (institutionele) beleggers.Aangezien de subdidieperiode in princi-pe vijftig jaar bedraagt dient de contantewaarde van de jaarlijks verstrekte subsi-diebedragen te worden genomen. Bij hetproduktie gederfdeBTW-ontvangstenNieuwbouwHerstel- en verbouwOnderhoud10.7905.5403.4101.511776477Totaal 19.740 2.764Tabel 1. Produktie woningbouwin 1988en dedoorhetrijkgederfdeBTW-ontvangsten bijeen tariefsverlaging van het algemene naar het lage (in mln. guldens)Tabel 2. Totale budgettaire meevallers ten gevolge van een verlaging van het BTW-tariefin de woningbouw (in miljoenen guldens)EenjarigebesparingMeerjarigebesparing(contantewaarde)TotaalObjectsubsidies huursector')- vraaghuurabsoluut constant:- vraaghuurrelatief contstant^):Premiekoopsubsidies (netto)Subsidies vrije sectorwoningenRente-aftrekWoningverbeteringStadsvernieuwingsfonds1051271770721916831070121916810531012717Totaal 249 697/1185 946/14341. Op basis van een renteniveau van 7%. Slechts een van deze twee varianten kan worden gereali-seerd: of men besluit de vraaghuur in absolute zin aan te passen of men doet dit in relatieve zin.2. Inclusiefbesparing op subjectsubsidies.berekenen van de budgettaire voordelenop dit onderdeel kan worden uitgegaanvan twee varianten. Bij de eerste variantwordt de vraaghuur in relatieve zin, datwil zeggen ten opzichte van de stichtings-kosten, constant gehouden. Dit impli-ceert derhalve dat de vraaghuur, evenalsde stichtingskosten, daalt bij een verla-gingvan het BTW-tarief. Bijdetweedeva-riant wordt de vraaghuur in absolute zinconstant gehouden. De voordelen vaneen BTW-verlaging vallen in dat geval ge-heel toe aan het rijk en zijn derhalve hogerdan in de eerstgenoemde variant.- Subjectsubsidies. Indien van de eerstevariant wordt uitgegaan en de vraaghuurdus in absolutezin daalt,treedt eenbespa-ring op bij de subjectsubsidies. Ook dezebudgettaire meevaller is meerjarig vanaard, zodat ook hier de contante waardemoet worden berekend.- Premiekoopsubsidies. Meerjarige pre-mies op koopwoningen worden met in-gang van 1988 alleen nog op basis van depremie A-regeling verstrekt. Hierbij is denetto-contante waarde van de verstrektesubsidie genormeerd en afhankelijk vande hoogte van het inkomen. BTW-verla-ging leidt niet direct tot een daling van desubsidie, maar wel tot een verlaging vande koopprijs. Dit voordeel voor de koperkan in mindering worden gebracht op desubsidie. Overigens dient er nog rekeningte worden gehouden met het feit dat pre-miekoopsubsidies belastbaarzijn. Lageresubsidies betekenen dus ook geringerebelastingopbrengsten. Om deze reden ishet netto-effekt berekend.- Vrije sectorsubsidies. Hier geldt dezelf-de redenering als bij de premiekoopsubsi-dies. Het totale door het rijk gederfde be-drag aan belastingontvangsten is echterhoger dan het totaalbedrag van 105 mil-joen gulden dat aan eenmalige bijdragenwordt verstrekt.- Woningverbeteringssubsidies. De ver-betering van huurwoningen wordt gesub-sidieerd door middel van een schijvensys-teem. Een lager BTW-tarief betekent la-gere verbeterkosten en lagere subsidies.Hoewel de woningverbetering relatiefruim gesubsidieerd wordt, is de optreden-SenV, oktober1988384BTW-verlaging in de woningbouwde besparing naarverhouding gering, het-geen wordt veroorzaakt door de subsidie-systematiek.- Stadsvernieuwingsfonds. Een aantalstadsvernieuwingsactiviteiten heeft be-trekking op de woningbouw. Voorzoverdit het geval is kan worden volstaan meteen geringere toevoeging aan de te ver-sleutelen "stadsvernieuwingsfondsmid-delen". Opgemerkt dient wel te wordendat niet precies duidelijk is welk gedeeltevan de middelen uit het stadsvernieu-wingsfonds door de gemeenten wordtaangewend ten behoeve van woning-bouw*).- Hogere belastingopbrengsten. Lagerestichtingskosten van koopwoningen im-pliceren dat kopers kunnen volstaan meteen kleinere hypothecaire lening. Dien-tengevolge incasseert het rijk hogere be-lastingopbrengsten door de geringererente-aftrek. Ook dit effekt is meerjarigvan aard.Vergelijking van de tabellen 1 en 2 leidttot de conclusie dat een verlaging van hetBTW-tarief bij lange na niet op directbudgettair neutrale wijze kan worden ge-realiseerd. Tegenover het bedrag van 2,8miljard gulden aan gederfde belastingop-brengsten staat een bedrag van maximaal1,4 miljard aan directe budgettaire bespa-ringen.Indirecte budgettaire effektenIndirecte budgettaire effekten onder-scheiden zich van directe effekten op derijksbegroting omdat, zoals gesteld, deonzekerheid over het daadwerkelijk op-treden en de mate waarin dat het geval zalzijn groter is. Het gaat bij deze effekten inhet bijzonder om aanpassingen op debouwmarkt en (bouw)arbeidsmarkt.In de eerste plaats kan worden gewezenop het effekt aan de vraagzijde van debouwmarkt. Een verlaging van het BTW-tarief in de woningbouw betekent dat eenaantal woondiensten voor de consumentgoedkoper wordt, voorzover het voordeelniet aan het rijk toevalt in de vorm van la-gere subsidie-uitgaven. Micro-econo-misch geredeneerd leidt een relatieveprijsdaling bij goederen met een negatieveprijselasticiteit tot een toename van devraag. Van Fulpen en Drapen hebben bei-den econometrisch onderzoek verrichtnaar de prijselasticiteit van de vraag.Van Fulpen gaat uit van het begripwoonuitgaven en heeft een prijselastici-teit berekend van -0,24''). Draper gaat uitvan het begrip woondiensten, waarachterzowel een kwalitatieve component (mooi-ere en betere woningen) als een kwantita-tieve component (meer woningen) ver-scholen gaat. De door hem gevondenprijselasticiteit wijkt weinig af van dedoor Van Fulpen gevonden waarde; Dra-per komt uit op -0,31^). Een grotere vraagnaar woondiensten kan betekenen dat dewerkgelegenheid een positieve impulsondervindt. Voor de overheid treden danten aanzien van de uitgaven voor werk-loosheid besparingen op en zullen de be-lastingontvangsten kunnen toenemendoordat er meer inkomenstrekkers zijn.Het is echter niet ondenkbaar dat opmacro-economisch niveau substitutie-ef-fekten zullen optreden, waardoor het ef-fekt op de werkgelegenheid enigszins ge-mitigeerd wordt. De vraag naar anderegoederen kan immers afnemen.In de tweede plaats kan worden gewe-zen op de effekten die van een verlagingvan het BTW-tarief uitgaan op de bestrij-ding van het zwarte circuit. In dit verbandkunnen resultaten van de eerder genoem-de CPB-studie van Graafland opmerke-lijk worden genoemd. Volgens de auteurleidt een verlaging van hettariefin de om-zetbelasting, in vergelijking met eenverla-ging van de loon- en inkomstenbelasting,tot sterkere substitutie-effekten aan devraagkant van het informele circuit, om-dat deze maatregel direct aangrijpt bij deprijsverhouding tussen zwarte consump-tiegoederen en formele (arbeidsintensie-ve) consumptiegoederen'). Graaflandheeft becijferd dat een impuls van circa 6miljard gulden de werkgelegenheid in dearbeidsintensieve sector met 2 procentdoet stijgen.Resumerend kan worden gesteld dat,hoewel de onzekerheid waarmee het op-treden en de omvang van indirecte bud-gettaire effekten groter is, indirecte bud-getaire effekten vrij aanzienlijk kunnenzijn. Vooral de bijdrage die een verlagingvan het BTW-tariefkan leveren aan de be-strijding van het zwarte circuit kan als op-merkelijk worden gekwalificeerd.Overige effektenOm een afgewogen oordeel te kunnen vel-len over de voor- en nadelen van een ver-laging van het BTW-tarief in de woning-bouw, dient ook kennis te worden geno-men van de effekten die zich zullen voor-doen op de (woning)bouwmarkt. In hetnavolgende zullen de belangrijkste effek-ten worden besproken.In de eerste plaats kan worden gewezenop de gevolgen voorprijzen op de tweede-hands huizenmarkt. De prijsdaling vannieuwbouwwoningen zal een doorwer-king hebben naar de markt van ouderekoopwoningen. Vermogensverliezen bijeigenaren zijn hiervan het gevolg.Ten tweede zal in een situatie waarbijde vraaghuren in absolutie zin dalen eenverstoring optreden tussen de huur-niveaus in de nieuwbouw en de reeds be-staande woningvoorraad. Dit zou proble-men op kunnen leveren bij de verhuur-baarheid van oudere woningen.Een derde effekt dat aan de orde kanworden gesteld is dat, door de verlagingvan de stichtingskosten van woningen inde sociale huursector, de woningcorpora-ties een geringer beroep op de kapitaal-markt behoeven te doen. Hoewel de pro-blemen die corporaties ondervinden opde kapitaalmarkt van meer structureleaard zijn'?) is het niet ondenkbaar dat de-ze vermindering van het kapitaalmarkt-beroep met ruim 10 procent in zekere ma-te een bijdrage kan leveren aan de proble-men waar de corporaties zich in dit ver-band voor zien geplaatst.Een vierde effekt waarop kan wordengewezen is dat de reserves van de woning-corporaties ten behoeve van onderhouds-verplichtingen in reele termen zullen stij-gen wanneer de prijs van onderhouds- enverbeterwerk daalt. Uitgaande van een to-tale omvang van de Algemene Bedrijfsre-serve van woningcorporaties van 7,5 mil-jard gulden"), betekent dit een reele toe-name van de reserves van ongeveer 900miljoen gulden. Deze bevinding behoeftevenwel enige nuancering. Uit onderzoekvan Schellevis is gebleken dat van het da-gelijks onderhoud door corporaties 33procent wordt uitbesteed en van het grootonderhoud 85 procent door derden wordtverricht'2). Niet al het onderhoud valt dusonder het BTW-regime.Ten slotte kan als vijfde effekt wordengenoemd dat de concurrentiepositie vanbouwbedrijven, ten opzichte van onder-houdsdiensten van woningcorporaties engemeentelijke woningbedrijven verbe-SenV, oktober1988385BTW-verlaging in de woningbouwtert. Het is momenteel zo dat deze dien-sten indien zij werk voor derden verrich-ten geen BTW in rekening behoeven tebrengen, in tegenstelling tot de bouwbe-drijven die dit wel moeten.BesluitEen belangrijke conclusie luidt dat, wan-neer van de vigerende subsidieregelge-ving in de volkshuisvesting wordt uitge-gaan, verlaging van het BTW-tarief in dewoningbouw niet op direct budgettairneutrale wijze kan worden gerealiseerd.Dit wordt veroorzaakt door de ongerichtewerking van een dergelijke maatregel. Zo-wel gesubsidieerde als ongesubsidieerdeactiviteiten profiteren er van mee.Alleen waar het gaat om gesubsidieer-de bouwactiviteiten, is de overheid echterin staat de tegenvallers in de belastingont-vangsten te compenseren door middelvan lagere uitgaven. Hieruit volgt ook datvooral de vrije sectorbouw profijt trektvan een dergelijke maatregel.Bij de beoordeling van de budgettaireeffekten moet echtertevens rekening wor-den gehouden met inverdieneffekten diezich kunnen voordoen op het terrein vande werkgelegenheid en die aanzienlijkvan omvang kunnen zijn. Een defmitiefeindoordeel over de wenselijkheid vaneen verlaging van het omzetbelastingta-rief in de woningbouw is voorts ook af-hankelijk van de waarde die wordt toege-kend aan de overige in dit artikel geschet-ste effekten.Tegen het licht van het bovenstaandekan ten slotte worden geconcludeerd dateen discussie over de toekomstige rol vande overheid in de volkshuisvesting in we-zen slechts zinvol kan worden gevoerdwanneer deze zich niet beperkt tot geiso-leerde onderdelen, maar een meer funda-menteel karakter heeft. Niet alleen hetBTW-tarief dient dan in beschouwing teworden genomen, maar het geheel vansubsidieregelgeving en fiscale maatrege-len waarmee de overheid beoogt vraag enaanbod op de woningmarkt te beinvloe-den moet dan onderwerp van heroverwe-ging zijn. Bij een dergelijke fundamenteleherorientatie is het overigens onont-koombaar dat ook de doelstellingen vanhet volkshuisvestingsbeleid kritisch wor-den getoetst.Noten1J.J. Graafland, "Wisselwerking tussen formeleen informele economie", Centraal Planbureau,Den Haag 1987.2Zie bijvoorbeeld de column "Volkshuisves-ting: quo vadis" van Paul van Wijnen in:"Bouw", van 30-10-1987, of E. Nypels enG. Nooteboom, "Indexleningen in woning-bouw heffen reeks bezwaren op in: "Bouw"van 16-3-1985.3Het artikel is grotendeels gebaseerd op:R. Klunder, "Verlaging van het BTW-tarief inde woningbouw: een verkenning"; Instituutvoor Onderzoek van Overheidsuitgaven, me-morandum nr 15, Den Haag, 1988. In dit onder-zoek, dat werd uitgevoerd in opdracht van hetAlgemeen Verbond Bouwbedrijf(AVBB), wor-den niet alleen nieuwbouwactiviteiten in be-schouwing genomen, maar ook activiteiten inde herstel- en verbouw- en onderhoudssfeer.4Momenteel ligt ereen wetsvoorstel bij de Twee-de Kamer waarin wordt beoogd het lage tariefte verhogen van 6 naar 7 procent. In dit artikel isbij de berekeningen echter nog uitgegaan vanhet 6-procentstarief. De strekking van het arti-kel wordt door de tariefsverhoging niet wezen-lijk aangetast.5Zie: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimte-lijke Ordening en Milieubeheer: "Nota Bouw-prognose 1987-1992", Tweede Kamer, verga-derjaarl987-1988,20 200HoofdstukXI,nrl5,en Economisch Instituut voor de Bouwnijver-heid, De verwachtingen voor de bouwproduk-tie tot en met 1992, Amsterdam, 1987 (In hetbijzonder hoofdstuk 8). Een omrekening heeftplaatsgevonden naar bedragen in lopende prij-zen.6Zie voor een kritische bespreking van de infor-matieve waarde van de gemeentelijke verslag-legging aan het rijk in het kader van de WSDV:R. Klunder, "Verslagen stadsvernieuwing:veel cijfers, geen inzicht"; in : "Bouw"18-3-1988, biz. 36-37.7H. van Fulpen, "Volkshuisvesting in demogra-fisch en economisch perspectief', Sociaal enCultureel Planbureau, Den Haag 1985, biz.108.8D.A.G. Draper, "De investeringen in wonin-gen, een econometrische studie", EconomischInstituut voor de Bouwnijverheid, Amsterdam1983, biz. 27.9J.J. Graafland, t.a.p., biz. 30.10Zie: R. Klunder, "Particuliere financiering inde sociale huursector", in: Openbare Uitga-ven, nr 1, 1988, biz. 23-31.11Zie de toespraak van ir. J.M. Koopman in deStaatscourant van 23-9-1987.12J. Schellevis, "Onderhoudsuitgaven woning-corporaties 1981-1983", Economisch Instituutvoor de Bouwnijverheid, Amsterdamn 1986,biz. 126 en 137.SenV, oktober1988386drs. A. BuysInstituut voor Sociale Geografie, Universiteitvan Amsterdamdrs. G. HenstraGemeentelijke Dienst Volkshuisvesting, Am-sterdamdrs. J.P.J. SingelenbergStuurgroep Experimenter! Volkshuisvesting,tevens volkshuisvestingsonderzoeker te Am-sterdamBij woningmarktonderzoek op lokaal niveau wordt de laatste jaren wel gebruik gemaaktvan ,,woonbeelden" om het aanbod aan woningen weer te geven. In de regio Amsterdam isdeze methode onlangs ooktoegepast op het niveau vanwoonmilieu's. Inzicht in de gewenstewoonmilieudifferentiatie binnen regionale woningmarkten wordt steeds belangrijker.In dit artikel wordt verslag gedaan van de ervaringen met marktonderzoek met behulp vanwoonmilieu-beelden.Woningmarktonderzoek met behulpvan woonbeeldenrecente ervaringen in de regio AmsterdamInleidingEind jaren '70 werd een nieuwe methodegeintroduceerd om woonwensen te me-ten, de "woonbeeldenmethode". Bij dezemethode wordt gewerkt met een soort sta-lenboek van woonmogelijkheden, waar-bij per type woning de prijs/huur. de lig-ging en de beschikbaarheid vermeld wor-den. Op basis daarvan kan de respondentzijn voorkeur uitspreken.In 1985 kwam de gedachte op om dewoonbeeldenmethode niet alleen op hetniveau van woningen (micro-niveau),maar ook op het niveau van woonmilieus(meso-niveau) toe te passen. Behalve dewoning "sec" kan immers het "woonmi-lieu" (in ruime zin) de keuze van de consu-ment op de woningmarkt belangrijk bein-vloeden.In Amsterdam zijn inmiddels tweewoonbeeldenonderzoeken op mesoni-veau verricht. Het eerste (Van Drooge enSingelenberg 1987) vond plaats in op-dracht van de PPD Noord-Holland (inhet vervolg aan te duiden als: het onder-zoek van de PPD). Het tweede (Buys enHenstra 1987) werd verricht door de ge-meente Amsterdam als onderdeel van eenproject van de Werkgroep Regionaal enLokaal Woningmarktonderzoek inNoord-Holland.In dit artikel zal eerst worden beschre-ven hoe de woonbeeldenmethode zichheeft ontwikkeld. Daarna volgt informa-tie over de achtergronden en opzet van deonlangs verrichte woonbeeldenonder-zoeken in Amsterdam. Aan de hand vanenkele uitkomsten zal gekeken wordenwat het werken met woonbeelden heeftopgeleverd. Tot slot zal iets worden ver-teld over de mogelijkheden die de compu-ter en de beeldplaattechniek bieden voorde verdere ontwikkeling van de woon-beeldenmethode.De ontwikkeling vande woonbeeldenme-thodeIn de jaren '70 kampte men in grote delenvan het land nog altijd met een aanzienlijkkwantitatief woningtekort, en waren pre-ferenties van vragers op de woningmarktletterlijk van later zorg. Toch werden indeze "aanbiedersmarkten" wel woon-wensenenquetes gehouden. Voor het lo-kale volkshuisvestingsbeleid waren dezeechter niet goed bruikbaar. De "hard-heid" van de gemeten verhuisgeneigd-heid was vaak onduidelijk, terwijl allerleilokale distributieregels en andere selec-tiemechanismen ervoor zorgden dat desubjectieve verhuiswensen niet gelijk testellen waren aan de "effectieve vraag".Ook rezen twijfels aan de validiteit van degehanteerde vragenlijsten als meetinstru-menten voor woonvoorkeuren.De laatste bezwaren richtten zich zoweltegen de vrijblijvendheid als tegen hetfragmentarische karakter van de enque-tes. Zonder informatie over het lokaleaanbod, zoals prijzen en mate van be-schikbaarheid (wachttijd, toewijzingsre-gels) kiezen mensen vanzelfsprekendvoor de meest courante woningtypen, diein de regel slechts mondjesmaat vrijko-men (ijzeren wet van Priemus).Daarnaast wordt in een vragenlijst hettotale ,,woonbeeld" dat een respondentvoor ogen heeft uiteengerafeld, doordatafzonderlijk naar de kenmerken van degewenste woning wordt gevraagd: type,aantal kamers, huur of koop, prijsklasse,lokatie, enzovoort. De som van de ant-woorden op deze afzonderlijke vragen le-vert "ideaalbeelden" op, die niet overeenhoeven te komen met bestaande wonin-gen.Voor het volkshuisvestingsbeleid isniet de som van alle deelwensen interes-sant, maar juist de afweging die menmaakt, de prioriteiten die iemand steltwanneer hij of zij besluit ergens te gaanwonen. In plaats van een ideaalbeeld zouhet woonwensenonderzoek een "aspira-tiebeeld" moeten meten: "die woonsitua-tie die iemand ook daadwerkelijk na-streeft voor zichzelf (...) nadat hij zijneigen mogelijkheden en de situatie op dewoningmarkt heeft beoordeeld" (Prie-mus 1968).De woonbeeldenmethode, die eind ja-ren '70 werd ontwikkeld, tracht aan bo-vengenoemde bezwaren tegemoet te ko-men. De afzonderlijke woningkenmerken(type, woonvorm, grootte, ligging enhuur/koopprijs) worden in een "woon-beeld" geintegreerd, waaraan ook rele-vante informatie over beschikbaarheid isSenV, oktober1988387woningmarktonderzoek m.b.v. woonbeeldentoegevoegd. Door het samenvoegen vanverschillende woonbeelden tot een soortstalenboek wordt het reele aanbod in eenbepaalde plaats gesimuleerd. De respon-denten wordt gevraagd hun voorkeur aante geven voor een of meer woonbeelden.,In 1979 werd de woonbeeldenmethodevoor het eerst toegepast in enkele lokaleonderzoeken onder jongeren. De LOBHen de plaatselijke stuurgroepen HAT za-gen in de methode een mogelijkheid omde belangstelling voor de "VanDam"-eenheden te peilen. Deze belang-stelling kwam in onderzoek met behulpvan traditionele enquetes nauwelijk naarvoren, hetgeen zou kunnen liggen aan deonbekendheid met deze woonvorm. Menkiest immers niet voor lets dat men nietkent. Met de woonbeeldenmethode kon-den de HAT-eenheden als integraalwoonbeeld naast "normale" vormen vanhuisvesting worden opgenomen in eenspeciaal op potentiele starters gerichtoverzicht van het plaatselijke aanbod.Sindsdien is de methode meergebruikt,ook onder andere doelgroepen. Nu dewoningmarkt geleidelijk aan ruimerwordt, en op sommige plaatsen in Neder-land verhuurbaarheidsproblemen optre-den neemt de belangstellingvoorwoning-marktonderzoek op lokaal en regionaalniveau toe. Juist op dit schaalniveau is dewoonbeeldenmethode bruikbaar.Woonbeeldenonder-zoek in deregio Amster-damAchtergrond en opzetAchtergrond van het onderzoek van dePPD Noord-HoUand was het streven omde woonfunctie van het streekplangebiedAmsterdam-Noordzeekanaal, met namede agglomeratie Amsterdam, te verster-ken. Cruciale vraag hierbij is ofde in Am-sterdam te ontwikkelen lokaties voldoen-de wervend zullen zijn om te concurrerenmet de veelal ruimer opgezette woonmi-lieus in de omliggende gemeenten. Hetonderzoek werd daarom gericht op die ty-pen huishoudens in Amsterdam waarvaner in de afgelopen jaren veel de stad heb-benverlaten:- een- en tweepersoonshuishoudens inde leeftijd 25-35 jaar.- gezinnen in de leeftijd 25-35 jaar metkind(eren).9*:^iiiipnraspaBESTAANDE WIJK Oudere voorbeelden in Amsterdam e.o.:- west : Geuzenveld, Slotervaart, Osdorp- zuid : Buitenveldert- oost : Watergraafsmeer- noord : Nieuw-Nieuwendam, Buikslotermeer,Banne BuikslootNIEUWBOUWPrijsniveau huur: / 300 tot / 650 p.m.koop: minder dan f 140.000Dichtheid 70 woningen per haSoort bebouwing o laagbouw? laagbouw / etagebouw? etagebouw / hoogbouwVoorzieningen en o veelopenbaar vervoer ? middelo weinig .Groen en o veelparkeerruimte ? middelo weinigNieuwere voorbeelden in Amsterdam e.o.- oost : Gaasperdam- noord : Nieuw-Moord, IJ-pleinWoonmilieu 3 Tuinstad- huishoudens in de leeftijd 55 jaar enouder (empty-nest fase).Van iedere groep werden 300 huishou-dens geinterviewd die hadden aangege-ven te willen verhuizen.Bij het onderzoek van de gemeente Am-sterdam was het de bedoeling na te gaanonder welke voorwaarden werkforensenbereidzoudenzijn naarhunwerkgemeen-te Amsterdamte verhuizen. Terugdringenvan de pendel, die de laatste jaren sterkgegroeid is, zou kunnen worden bereiktdoor de vestiging van forensen te bevor-deren en door het vertrek uit Amsterdamtegen te gaan. Het onderzoek - een schrif-telijke enquete - werd daarom gericht opde gehele in Amsterdam werkende bevol-king, forensenzowel als Amsterdammers.Speciaal ten behoeve van het onderzoekop meso-niveau werd een serie woonbeel-den ontwikkeld op basis van woonmilieu-typeringen. Daarnaast werd een seriebeelden van woongebieden (lokaties)ontworpen. Bij het gemeentelijk onder-zoek werd gebruik gemaakt van een letsaangepaste versie van de woonbeeldenuit het PPD-onderzoek.De woonbeeldenseries werden aan derespondenten geintroduceerd als onder-deel van een vragenlijst, waarin ook naarkenmerken van het huishouden en de hui-dige woonsituatie werd gevraagd. Eerstwerd een oordeel gevraagd over elkwoonmilieu, in termen van le voorkeur(maximaal een), aanvaardbaar (kunnener meer zijn) of niet aanvaardbaar (even-eens bij meerdere milieus mogelijk).Vervolgens werd aan de hand van de se-rie woongebieden gevraagd het woonge-bied van eerste keuze aan te geven, en vande andere gebieden aan te geven of ze aldan niet aanvaardbaar zouden zijn.SenV, oktober1988388woningmarktonderzoek m.b.v. woonbeeldenDe serie woonmilieusDe serie woonmilieus moest een over-zicht geven van alle relevante typenwoonmilieus in de regio Amsterdam, het-zij in bestaande woongebieden, hetzij opnieuw te ontwikkelen lokaties. De milieuswerden gepresenteerd in een serie met op-lopende dichtheid:woonmilieu 1: laagbouw lage dicht-heid, 40 woningen/ha. (netto).woonmilieu 2: laagbouw hoge dicht-heid, 55 woningen/ha.woonmilieu 3: tuinstad(laag-f-middel-hoog), 70-75 woningen/ha.woonmilieu 4: stadswijk uit '20-'40,ruim opgezet, 80 woningen/ha.woonmilieu 5: stadswijk uit '20-'40,dicht bebouwd, 90 woningen/ha.woonmilieu 6: 19e-eeuwse stadswijk,130 woningen/ha.woonmilieu 7: binnenstad, 100 wonin-gen/ha.woonmilieu 8: centraal stedelijke hoog-bouw, 200 woningen/ha.De typering van de woonmilieus vondplaats aan de hand van foto's. Voor de mi-lieus 1 tot en met 7 werden bestaande wij-ken als voorbeeld genomen, voor woon-milieu 8, dat (nog) niet bestaat in Amster-dam, werd gebruik gemaakt van een teke-ning en een maquettefoto.Op de onderste helft van elk woonbeel-denblad waren telkens twee kleinere fo-to's, genomen op maaiveldniveau, weer-gegeven. Deze gaven een illustratie vanhet betreffende milieu in een oudere wijken een in een nieuwbouwwijk (van de laat-ste vijfjaar). Bij elke foto was een aantalwijknamen toegevoegd als voorbeeld.Tenslotte was telkens een blokje met ba-sisinformatie in steekwoorden opgeno-men: de dichtheid (vooral relatief be-doeld, in absolute zin zal zo'n getal demeeste mensen niets zeggen), soort be-bouwing (oplopend van puur laagbouw,via gemengde bouw naar 100% etage-bouw), voorzieningen en openbaar ver-voer, groen en parkeerruimte.De serie woongebiedenEr werden zeven woongebieden onder-scheiden in Amsterdam: centrum, 19e-eeuwse gordel, west, oost, zuidoost,noord en zuid. In het onderzoek van dePPD werden bovendien drie gebieden inde regio opgenomen. Zowel bestaandewijken als eventuele nieuwe bouwloka-lit .STER'D4 6Sr>AAraDA^tMBRBUUHT,STkATSLIEDE^f- CONCERTGEBOIJWBIJURT, MUSEUMBUURT,BUURT, PUP, KINKERBUURT, DAPPER- VOSDELPARKSUURT.BUURT, OOSTERPARKBUURT, INDXSCHEBUl-RT, OOSTEI.IJKE EILANDEN.Type wontugen - etaaebouw, veel oud en gereno-veerd,- steeds meer nifiiiwbouw iiiet lagerehuren, weinig koopwouingenbestaande etagefooiiw en villa'.sWoonlaaten iiierendeel iaag en middel. hoog (meer dan f650,- p.ni.) totbestaande woningen minder d^%% x^eer hoog (nteer dan flOOO,- p.m.)fAm,- p.m.,nieuwbouu' it-oer dan /4O0,- p.m.Aantal beschikbare oude woninqen: rulm mati.t;woningt=>n -rjorenovoci'de on niouwe woningan;krap (voor niet-buurtfoewoners)Voorzienj ngen goed, buurt- en wiJkvoorKieningen zeer goed ihooc^aardige winkei!--winkelstraton straten en culturele voor-markten :ixeningen)(weJ.niq tjroon)Afstand tot centrum minder dan 15 min. rtiinder dan 15 min.Berexkbaarheldopenbaar vervocr zeer goed z&mr goedauto matig niatlgWoonii-.ilieu's 12 3 4 5(6)78 12 3 0 5 6 7 8Woongebied, Stadsdeel 19e eeuwse gordelties van substantiele omvang werden op-genomen. De bestaande wijken werdenop de kaart ingekleurd, en een opsom-ming van wijk- en buurtnamen werd toe-gevoegd, om ook respondenten die methet kaartbeeld niet zo vertrouwd warenhouvast te geven.De informatie werd in gecomprimeer-de vorm weergegeven in een blokje met deitems: ligging, type en aantal beschikbarewoningen, woonlasten, (winkel)voorzie-ningen en bereikbaarheid per auto enopenbaar vervoer.Onderaan elk blokje werd aangegevenSenV, oktober1988389woningmarktonderzoek m.b.v. woonbeeldenwelke woonmilieus in het betreffendewoongebied aanwezig zijn of zoudenkunnen worden gerealiseerd. Met ditlaat-ste werd een relatie gelegd tussen de seriewoongebieden en de serie woonmilieus.Er is naar gestreefd een zo groot moge-lijke keuzevrijheid aan te bieden, cm dewoonconsument de gelegenheid te gevenzich ook uit te spreken voor een ander ty-pe woonmilieu dan de gemeente voorogen staat (uiteraard binnen de grenzenvan het haalbare).Bij het samenstellen van de woonbeeldenis rekening gehouden met twee factorendie de theoretische keuzevrijheid van dewoonconsument in de praktijk beperken:beschikbaarheid en prijs. In het onder-zoek van de PPD, bedoeld voor het beleidop de lange termijn, was informatie overbeschikbaarheid achterwege gelaten,vanuit de filosofie dat op langere termijnhet aanbod de vraagzoveel mogelijkdientte volgen.Wat betreft woonlasten werd bij woon-milieus 1 en 2 (laagbouw) door de enque-teur gewezen op relatief hoge vervoers-kosten naar centra van werkgelegenheiden voorzieningen, en bij woonmilieu 8(hoogbouw in het centrum) op de hogeservicekosten (denk aan de lift).In het onderzoek van de gemeente, meteen accent op de korte termijn, was infor-matie over beschikbaarheid opgenomenin termen van "ruim" "redelijk", "matig"of"krap", Tevens was een aanduiding op-genomen over de per woonmilieu over-heersende prijsklasse.Enkele resultatenAlgemene bevindingenAan de hand van de ervaringen die opge-daan zijn met het woonbeeldenonderzoekin Amsterdam kan een oordeel gegevenworden over de validiteit en bruikbaar-heid van deze onderzoeksmethode.Allereerst enkele algemene bevindin-gen. Uit het onderzoek onder economischgebondenen (het gemeentelijk onder-zoek) blijkt hoe groot de verschillen inwoonmilieus en huishoudenstypen in deregio Amsterdam zijn. Na twintig jaarruimtelijke ordening gericht op "gebun-delde deconcentratie" woont ruim dehelft van de forensen - onder wie 60% ex-Amsterdammers - in een suburbaan ofBELANGSTELL^NG VAN ECONOMiSCH GEBONDENENVOOR WOONMILIEU'S 'N AMSTERDAM(N=1533) -laagbouw lage dichtheidaogbouw hoge dichtheidtuinstcdstodswijk ruirn opcezetstoas^vijk dicht bebouwdT 9e eejwse wijkbinnenstadnoogbou w in centrumgeen vccrkeureerste voofkeurcanvaardbodr *)O 5 1C ;5 20 25 30 35 -^0 45 50(percentages)*")lndien niet het \oor;
Reacties