StedebouwenifolkshuisvdstingrREGIO OVERZICHTALS EXTRA SERVICE GEEFT STEDEBOUWEN VOLKSHUISVESTING U EEN OVERZICHTVAN DE REG!0(S) WAARIN BEDRIJVEN INNEDERLAND, VOORNAMELIJK HUN PRO-DUKTEN/DIENSTEN AANBIEDEN.DE REGIONUMMERING VINDT U TERUG INHUN UITINGEN.stedebouwenvolkshuisvesting69ejaargang februari 1988InhoudOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting bJRedactie:Drs. H.J.M. van AlphenDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C.GroenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingMw. drs. I.T. KlaasenIr. K.R.dePoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. P.W.A. VeldRecensleredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, adnnlnistratie enpublikaties ter recensle:Mauritskade212514 HD DenHaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs' aanvragen.Ultgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acqulsitie:voorpersoneelsadvertenties envoorprodukt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den RijnTelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal vooradvertenties worden voor de lOe vande maand, voorafgaande aan demaand van verschijning, ingewacht.Losse numnners f 12,-ISSN 0039-0879DenkraamMiUeuplanning, T.M. de Jong . .^ 38Artikelen j1.Stedelijk milieu, belevingswaarde en semiotiek, dr. P.J.J. PennartzVerslag van een onderzoek dat tot doel had het operationeel maken van hetvage begrip "belevingskwaliteit", met name van het stedelijk milieu. Gezochtwerd naar "constanten" in de ervaring en beoordeling van dit milieu. 39Teleshopping in ruimtelijk perspectief, drs. H. Rimmelzwaan,drs. D.E.Hanemaayeren prof. dr. M. de SmidtZijn de huidige postorderkopers toekomstige teleshoppers ? Voorzoverthansvalt waar te nemen waarschijnlijk niet, is de conclusie van een onderzoekwaarin bovengenoemde vraag centraal stood.Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, drs. L. Van der VlietRuimtelijke planning in Vlaanderen is tot dusverre een niet gemakkelijkezaak gebleken; de lange mars van de Vlaamse planologen.Afstemming tussen streekplan en landinriclitingsplan ter discussie, T. Buninghen K. HorckTer voorbereiding van een studiedag van NIROV/SRPO en Studiekring voorCultuurtechniek wordt een aantal aanbevelingen uit en kritiekpunten op hetrapport "Afstemming streekplan - landinrichtingsplan" en enige thema's vande studiedag weergegeven. |Bestuurlijk-juridische trends. Omgaan met publiek-private samenwerking; hetvoorbeeld Groningen, mr. H.J. ter ScheggetDe ontwikkelingen van de Verbindingskanaalzone in Groningen, de daartoegeschiktejuridische planvormen en de samenwerking met de marktsector ko-men aan de orde in deze Trend. 1Nieuwe publikatiesMededelingen NIROVMededelingen PROAankondigingen4652596568697070S en V, februari 198837DenkraamMilieuplanningWat door de wetenschap ontketend is moet ook weerdoor de wetenschap beteugeld warden.Terwijl u dit leest heb ik de intreerede die ik nog m6etschrijven reeds uitgesproken. Een duidelijk voor-beeld van het soort anachronismen waartoe alleende mens in staat is: het gevolg dominant te makenover de oorzaak door het te voorzien.De technische "Milieuplanning" waarover mijnrede gaat zal dankbaar gebruik maken van de meerwetenschappelijk georienteerde "MiHeukunde"waarvoor eveneens in 1987 nieuwe leerstoelen inAmsterdam en Leiden zijn bezet (Opschoor en Udode Haes).Milieukunde is vooral georienteerd op milipu-problemen, het oplossen en voorkomen daarvan,maar niet op het systematisch opnemen van het mi-lieu in het proces van ontwerpen waarmee stede-bouwkundigen, architekten, industrieel ontwerpersen andere ingenieurs zijn belast (milieuplanning).Ecologie is daarbij de wetenschappelijke achter-grond-discipline die zich vooral bezig houdt met"gezonde" systemen.Door de inspanning van de botanicus en ecoloogC.G. van Leeuwen is ook een direkte lijn naar hetontwerpen gelegd. Zijn "relatietheorie" die in ver-scheidene bouwkundediktaten "ecologie" is uiteen-gezet, geeft onder meer een fundamentele behande-ling van scheiden en verbinden. Aangezien elke lijndie een ontwerper op papier zet een scheiding ofeenverbinding beoogt, kunnen hieraan zinvolle ont-werptheoretische begrippen en verbanden wordenontleend. Dit is niet alleen interessant voor hetbouwkundig ontwerpen, maar heeft bijvoorbeeldook aantoonbaar relaties met denkbeelden omtrenthet werktuigbouwkundig ontwerpen.De ecologie geeft voorts belangrijke aankno-pingspunten voor de systematische beschouwingvan de verhouding tussen natuur en cultuur, objectvan de "culturele ecologie". Aangezien Architec-tuur en Stedebouw cruciale momenten zijn in dezeverhouding, zal in het kader van de milieuplanningdaaraan bijzondere aandacht worden gegeven.Milieuplanning is aan de Technische UniversiteitDelft reeds enkelejaren voorbereid door Maas, VanLeeuwen, Deelstra, Van Eck en Schutte.De praktischt uitwerking naar de (stede-)bouw-kundige praktijk en projecten vond en vindt plaatsin het werkverband SOM onder leiding van Duijve-stein, Moens en Tjallingii.Op 1 juni 1987 werd de reeds lang voorberiideleerstoel "Milieuplanning en ecologie" op de Facul-teit Bouwkunde bezet dooreen3/10 hoogleraar (on-dergetekende) voor een tijdsduur van 5 jaar.Milieu is een Frans woord voor "middenplaats".Bij de bestudering en bei'nvloeding van het milieukan het uitgangspunt liggen bij het onderwerp datzich in het midden bevindt en waaraan de omgevingal of niet optimale bestaansvoorwaarden (beau mi-lieu) biedt, of op alles temidden waarvan het zichbevindt (au milieu de, een onderscheid van VanLeeuwen).De eerste benadering redeneert van binnen naarbuiten (anaskopisch), de tweede benadering van eenhoger schaal- of aggregatieniveau naar een lager ni-veau (kataskopisch, een onderscheid van de socio-loog Geiger).Soortgelijke tegenstellingen vindt men ook in defilosofie (bijvoorbeeld existentialisme-strukturalis-me), kunst (expressionisme en impressionisme) enmaatschappij (het individuele belang tegenover hetcollectieve belang). Dit onderscheid is zo belangrijk,omdat deze benaderingen diametraal tegenover el-kaar kunnen staan en tot schijnbaar strijdige conclu-sies kunnen leiden.Zo blijkt "reiniging" op kleine schaal dikwijls"vervuiling" op een groter schaalniveau. Hetzelfdekan gelden voor begrippen zoals verrijking en verar-ming, harmonie en conflict, integratie en desinte-gratie.Dit kan tot funeste spraakverwarringen en zinlozeonenigheid aanleiding geven. Als de oorzaak vandeze spraakverwarring niet als schaalvervalsingwordt ontmaskerd, kunnen compromissen ontstaandie volkomen bezijden de werkelijkheid liggen.Zo kan een voetbal van binnenuit als hoi beschre-ven worden en van buitenaf als bol. Gesteld nu datmen in een discussie vanuit het ene schaalniveau be-weert dat de voetbal hoi is en vanuit het andere.schaalniveau dat hij bol is, dan kan een goedwillen-de voorzitter het absurde compromis voorstellen datde voetbal wel een golvend uiterlijk zal hebben.Met een dergelijke conclusie zijn wij verder van dewerkelijkheid verwijderd dan een van beide strij-dende partijen voor het compromis.Bij het ontwerpen van een regio, een stadswijk, eengebouw, een auto, een chemische verbinding of eenwettelijke regeling staat de anaskopische benade-ring van de opdrachtgever meestal voorop. De disci-pline "milieuplanning" stelt daar een kataskopischebenadering tegenover. Het uiteindelijke doel is ech-ter een geintegreerde wisselwerking tussen beide ineen proces van "integraal ontwerpen".Taeke M. de JongS en V, februari 198838dr. P.J.J. Pennartz " ^ als socioloog werkzaam bij de Vakgroep Wo-nen (Ecologie van het Wonen, LUW)? Bu-.11Doelstelling van het onderzoek, waarvan in dit artikel voor een deel verslag wordt gedaan,is het operationeel maken van het belangrijke, maar vage begrip belevingswaarde van hetstedelijk milieu. Gekozen werd voor een kwalitatieve methodevan onderzoeken de analysewerd gericht op het opsporen van "constanten" in de manier waarop dit milieu ervaren enbeoordeeld wordt. Vormgeving en inrichting van de omgeving blijken niet zonder meersamen te hangen met deze "constanten". Maar het is wel degelijk mogelijk om gedrags- enbelevingsconsequentiesvan plan- en ontwerpkenmerken expliciet te maken en in de verkla-ring van een hoge of lage waardering te betrekken.Stedelijk milieu, belevingswaarde ensemiotiekeen bijdrage vanuit de woonecologielife is transformed into abstraction, citiesinto shadowsManuel Castells')InleidingDe belevingswaarde van het stedelijk mi-lieu is als doelstelling even onomstreden,als ontoegankelijk gebleken voor onder-zoek. Belevingswaarde betreft - hoe danook - meer dan alleen functionele ofprac-tischekwaliteit. In eerderonderzoek naarde beleving en betekenis van de woning-)waren ervaringen als de volgende nietzeldzaam:Die serre daar heb ik ontzettend fijneherinneringen aan .. . daar stond een or-gel en in de zomer in de weekenden heb-ben we daar erg veel met elkaar .. . daargenoot de hele buurt van, vooral zo-mers ... dan stonden de deuren open endan zondagsavonds dan waren er vrien-den en vriendinnen en dan gingen we veelbij het orgel met elkaarzingen, dat was ergleuk .. . over het algemeen was het huiserg onpraktisch, maar 't was een heerlijkhuis, een heerlijk huis . . .Een onpraktisch, maar heerlijk huis wektonvermijdelijk nieuwsgierigheid: welkerol speelt het samenleven, welke rol hetontwerp?De ondragelijke zachtheid van het be-grip belevingswaarde tast het belangdaarvan voor het woonmilieu en het ste-delijk milieu niet aan. Den Adel en DenDraak merken na een analyse van destructuur- en bestemmingsplannen van14 Nederlandse binnensteden op, dat debelevingswaarde het meest genoemdwordt als hoofddoelstelling voor het be-leid. Volgens hen is deze doelstelling ookhet meest moeilijk te operationaliseren').Zelfs voor ondernemers vormen wat vagenoties als "uitstraling" en "atmosfeer" be-langrijke argumenten bij de beslissing omzich in een bepaald gebied te vestigen ofom daar te blijven'').Voorhet onderzoekvalt dus nog het eenen ander te doen en een bijdrage kan zo-wel verwacht worden van kwantitatieveals van kwalitatieve methoden van onder-zoek. Kwalitatieve ofwel interpretatievemethoden van onderzoek zijn - voor watbetreft het ruimtelijk milieu - in uiteenlo-pende disciplines tot ontwikkeling geko-men: in de pedagogiek'), de woonecolo-gie*) en - vooral in het buitenland - de hu-mane geografie^).Wat in deze benadering veelal ont-breekt is een theoretisch kader met be-hulp waarvan processen van beleving enwaardering van de ruimtelijke omgevingbestudeerd kunnen worden. Naast de ge-bruikelijke perceptie-theorieen kan eenbruikbaar kader ontwikkeld worden van-uit de semiotiek, als - kort gezegd - de leervan de tekens, hoe ze werken en wat weermee doen*).De probleemstelling van het onderzoek- waarvan in dit artikel voorlopig verslagwordt gedaan - luidt:Zijn er bepaalde "constanten" te onder-scheiden in debeleving van hetbinnenstede-lijk milieu en hoe hangen deze "constanten "samen met de waardering voor dat milieu ?Als "constanten" zullen ervaringsken-merken worden beschouwd die logisch enconsistent, d.w.z. relatief onafhankelijkvan de context samenhangen met een po-sitieve of negatieve belevingswaarde endie logisch niet tot andere kenmerken teherleiden zijn'). Doelstelling van het on-derzoek is het operationeel maken van hetbegrip "belevingswaarde".Komen in het defmitieve verslag diver-se typen van situaties aan de orde, dit arti-kel handelt uitsluitend over een type ste-delijke situatie, nl. oude binnenstads-straatjes.Bij de beantwoording van de probleem-stelling bewandelen we een wat ongebrui-kelijke weg. Met het oog daarop is het te-meer van belang om te beschikken overeen min ofmeer omlijnd, zij het een tame-lijk gecomplicee. d, theoretisch kader.Beleving en semiotiekeen theoretisch kaderBeleving wordt hier niet opgevat in de zinvan gewaarwording, maar in de zin vanbetekenisgeving of interpretatie'"). DeSenV.februari 198839belevingswaarde en stedelijk milieubelevingswaarde van een bepaald milieukan in overeenstemming daarmee om-schreven worden als de balans tussen depositieve en de negalievebetekenissen dieaan dat milieu worden toegeschreven.Bij het begrip betekenisgeving sluit desemiotiek als theoretisch kader uitste-kend aan. Semiotiek is de tak van weten-schap die zich bezighoudt met het bestu-deren van tekens en alles wat daarmee temaken heeft, zoals tekensystemen en deprocessen die zich bij het gebruik van te-kens voordoen").In tegenstelling tot een stimulus-res-ponse model (dat twee polen kent) is inhet semiosis-model de stimulus een waar-neembaar teken dat - om een reactie op tekunnen roepen - door een derde elementmoet worden bemiddeld; de betekenis ofinter^retatie (Eng. term: interpretant).Deze wat abstracte termen zijn eenvou-dig te verduidelijken. Een teken heeft eenfysische vorm (bV. een foto, een rookwolk,een verkeersbord) die voor een ontvangernaar lets anders verwijst (bv. naar eenbouwwerk, naar vuur, naar "verboden inte rijden"). De relatie tussen tekens en be-tekenis zijn niet willekeurig. Deze relatieszijn van arieerlei aard:- een iconische relatie (een relatie opgrond van gelijkenis, bv. tussen de fotovan een bouwwerk en dat bouwwerkzelO;- een indexicale relatie (een soort vanoorzaak-gevolg relatie, v. rook die naarvuur verwijst);- een symbolische relatie (een relatie dieberust op een regel of afspraak, bv. eenverkeersbord en "verboden in te rijden").Tekens verwijzen naar objecten (rookverwijst naar vuur). Gaat het echter omhet doen en laten van mensen in het levenvan alledag, dan is het juister om te zeg-gen, dat tekens (zoals rook) op een be-paalde manier geinterpreteerd wordendoor mensen.Om het model te vervolledigen moetnog een drietal elementen in de beschou-wing worden betrokken. Dat zijn de be-grippen kode, context en waardering. EenA:o(/ebestaat uit een - vaak stilzwijgende -regel, conventie of gewoonte, op grondwaarvan betekenissen aan een teken ge-koppeld zijn. Voorbeeld van een kode isde regel om een bepaalde kleur te gebrui-ken voor het uitdragen van een politiekideaal ofom een bepaalde kleur te gebrui-["]-c__ T - - K; I -WP = producent; P = teken;C = context;K = kode;I = interpretatie;0 = ontvanger;W = waarderingFiguur 1. Model van hetsemiotischproces, ontwikkeldop basis van een schema van Ben-tele en Bystrina'^)ken als waarschuwingssignaal.De con/ex/speelt voorts bij de interpre-tatie van tekens een belangrijke rol: de in-terpretatie van een teken is afhankelijkvan de omstandigheden of de situatiewaarin het teken is opgenomen. De bete-kenis van een rpde vlag op het strand isanders dan de betekenis van een rode vlagdie in een protestoptocht wordt meege-dragen. Om de betekenis van een tekenvast te kunnen !stellen, moet de contextnoodzakelijkerwijze in de beschouwingworden betrokken.De waarderii\gvan een object tenslotteberust niet op de verschijningsvorm vandat object als zodanig, maar berust op demanier waarop de persoon deze verschij-ningsvorm interpreteert, resp. op het ge-heel van betekenissen dat de persoon aanhet object toekent. Een en ander kan ineen schema worden weergegeven: zie fi-guur 1.Het schema kan als volgt worden gele-zen: een teken T wordt voortgebrachtdoor een producent P (wordt hier verderbuiten beschouwing gelaten), bevindtzich in een bepaalde context C, wordt vol-gens een kode |(K) geinterpreteerd, het-geen resulteert in een bepaalde interpre-tatie (I) door een tekenontvanger (O) enwordt op grond van die interpretatie ge-waardeerd (W).Semiotiek en gebouw-de omgevingIn het spoor van Peirce en de Franse filo-soof de Saussure bouwde Eco de semio-tiek uit als wetenschap van de cultuur enpaste deze toe op uiteenlopende terreinenals kunstwerken, reclameboodschappen,literatuur, film, architectuur en andereterreinen van vormgeving'^).Waarom is architectuur een uitdagingvoor de semiotiek? Omdat, aldus Eco, deobjecten van architectuurschijnbaarnietsmeedelen (oftenminste niet voor commu-nicatie bedoeld zijn), maar alleen eenfunctie hebben. Een dak dient om te be-dekken, een glas dient om te drinken.Dergelijke uitspraken zijn zo vanzelf-sprekend, dat hetvreemd lijkt om dergelij-ke objecten - die eenvoudig als functio-ned kunnen worden opgevat - tot iedereprijs 66k als dragers van communicatie tewillen beschouwen. Toch is het idee nietzo vreemd.Het gebruik van een lepel om daarmeevoedsel naar de mond te brengen is alleennog maar het vervullen van een functiemet een werktuig dat deze functie moge-lijk maakt en in gang zet. Te zeggen, dathet werktuig de functie "in gang zet" bete-kent echter ook al, dat het werktuig com-municatiefwerkt: het deelt de te vervullenfunctie mee. Daarnaast "zegt" het feit, datiemand een lepel gebruikt - in de ogen vande samenleving die toekijkt - ook iets overde mate waarin hij of zij is aangepast aanbepaalde, maatschappelijke gewoonten.Het voorwerp deelt mee, zelfs wanneerhet niet gebruikt wordt.Er is dus sprake van een materieel ob-ject, een lepel, dat als teken fungeert endat - in de interpretatie - direct verwijstnaar een functie: voedsel tot zich nemen.Er zijn andere zaken waar door het tekenindirect naar verwezen wordt: deze be-paalde manier van eten, aangepastheidaan deze bepaalde conventies. Ecospreekt ook van "eerste functie" en van"tweede functies" van een teken (in de re-gel worden hiervoor de termen "denota-tie" en "connotaties" gebruikt). Het zalduidelijk zijn, datjuist deze "tweede func-ties" van het grootste belang zijn voor demanier waarop ruimten en bouwwerkenSenV, februari 198840belevingswaarde en stedelijk milieuworden gei'nterpreteerd en gewaardeerd:de ene trap vertelt nu eenmaal een heel an-der "verhaal" dan de andere trap, hoewelzij beide dezelfde "eerste functie" heb-ben.Met het ontwikkelde model kunnen wenude waardering van mensen voor de ge-bouwde omgeving proberen te verklaren.Deze waardering kan op uiteenlopendemanieren worden uitgedrukt, o.m. in ad-jectievenalsgoed,mooi,gezellig,waarde-vol, etc.De procedure van on-derzoekHet onderzoek is uitgevoerd in de middel-grote gemeente A. In oorsprong lag het inde bedoeling om uitsluitend verschillenop te sporen in de criteria die door drieverschillende groepen expliciet of impli-ciet worden aangelegd bij de waarderingvan het stedelijk milieu: volwassenen,jongeren en ontwerpers. Volwassenenvormen de stereotiepe doelgroep van hetstedebouwkundige bedrijf. Jongeren zijnde nieuwelingen op het stedelijk erf envormen nog een betrekkelijke randgroep.Ontwerpers tenslotte spelen een rol in hetaanbod van stedelijke ruimte.Gaandeweg het onderzoek werd dedoelstelling uitgebreid. De gang van za-ken valt als volgt te beschrijven.In een voorronde worden 25 huishou-dens deels via berichten in kranten, deelsvia telefonische verzoeken voor het on-derzoek geworven, zodanig dat van eenredelijke spreiding over het stedelijk ge-bied in kwestie sprake is. In interviewswordt hen gevraagd om de gezelligste ende ongezelligste, de mooiste en de lelijksteplekken, gebouwen of objecten in de stadte noemen. Tevens wordt hen naar de mo-tivering van hun uitspraken gevraagd. Deeerste vraag levert geen problemen op enresulteert in een lange lijst van plaatsen enelementen. De vraag naar de motiveringlevert opvallend weinig informatie op.Gewoonlijk worden antwoorden gegevenin termen van: "ja nou, ik vind het gewoongezellig", "ik vind het gezellig omdat hetsfeer heeft" of (nog sterker) "het heeft ge-woon wel wat"(!).Om respondenten tot meer concreteuitspraken te brengen wordt besloten omvoor het hoofdonderzoek foto's te makenvan de plaatsen en objecten die meerma-len genoemd zijn. Uiteindelijk resulterenvier series van ieder 24 foto's in kleur (for-maat27.8 x 20.2). Deze foto's hebben opuiteenlopende situaties betrekking: plei-nen, winkelstraten en winkelgebieden,groen- en waterpartijen, oude binnen-stadsstraatjes, monumenten en monu-mentachtige gebouwen, bouwwerken vanmoderne architectuur en objecten vanbeeldende kunst.Bij het hoofdonderzoek worden 78 vol-wassenen, 433 jongeren en 60 ontwerpers- in of nabij de stad wonend - betrokken.De groep van huishoudens wordt geselec-teerd uit het telefonisch adressenbestanden zodanig samengesteld dat opnieuwsprake is van een redelijke spreiding overde verschillende wijken en buurten van destad. De medewerking van jongerenwordt verkregen via een zestal scholen(LBO tot VWO-niveau) die voor de eersteen derde klassen enkele lesuren ter be-schikking stellen. De leerlingen wordenvoor een groot deel klassikaal en voor eenklein deel in groepjes van 2 a 3 personenbij het onderzoek ingeschakeld. De ont-werpers worden opgespoord via het jaar-boek van de federatie "O", telefonisch be-naderd en in het algemeen bereid gevon-den om aan het onderzoek mee te werken.De verzameling van informatie speeltzich nu via interviews af die in twee fasenverlopen. In de eerste fase worden aan ie-dere respondent een of enkele series fo-to's voorgelegd met het verzoek deze opeen bepaalde manier in volgorde te leggenvan "gezellig" naar "ongezellig" of van"mooi" naar "lelijk". In de tweede fasewordt een diepte-interview afgenomen.Gewoonlijk opent de interviewer met devraag: |." Waarom vindt u (foto ...) het meest(gezellig/ongezellig, mooi/lelijk)?Na het, meestal globale, antwoord vande respondent, vraagt de interviewer naartekens en betekenissen:- waar let u nu speciaal op?- waar is dat een teken van?- watzegtditu?- wat roept dit bij u op?Op het nieuwe antwoord vraagt de in-terviewer andermaal om precisering:- hoe bedoelt u dat precies?- waar zit'm dat precies in?- waarom juist dat? waarom juistdaar?- etc.Elders is deze - op de semiotiek afgestem-de - interviewtechniek uitvoeriger be-schreven'''). Hier volstaan we met op temerken, dat de verzameling en de verwer-king van informatie niet zozeer gericht isop het verkrijgen van "feiten", maar voor-al op het verkrijgen van inzicht in de ma-nier waarop mensen hun ervaringen orde-nen en de hen omringende werkelijkheidinterpreteren'^). Het zou hier ook te vervoeren om uitvoerig in te gaan op de ma-nier waarop de interpretaties gerecon-strueerd zijn. We zuUen de werkwijze il-lustreren aan de hand van een selectie uithet materiaal over een van de typen situa-ties (zie foto's 1, 2 en 3 en figuur 2 op biz.42). "Oude binnenstads-straatjes", "de positie-ven" en "de negatieven"In het volgende is de informatie van dege-nen die positief over deze opnamen oor-delen ("de positieven") gescheiden vanhet materiaal afkomstig van de mensendie daar een negatiefoordeel over hadden("de negatieven"). Uit beide deel-verza-melingen kiezen we een pa'-agraaf. In bei-de paragrafen staat de kwalificatie "oud"centraal, maar deze hoedanigheid wordt -zoals snel duidelijk zai worden - door bei-de groepen heel verschillend ge-interpreteerd. We geven eerst het woordaan "de positiev i".A. "De positieven": oud = positiefUit onderzoek naar de waardering vanmonumenten kwam elders al naar voren,dat "oud" een reden is om een bouwwerkmooi te vinden'*). "Oud = mooi", is eenklassiek voorbeeld van een cliche-matigebewering en vraagt om nadere specifica-tie: waarom is "oud" mooi?In de interviews komt het volgende aande orde*:(wat wekt het dan op, zo'n oud straatje?)eh . . . sfeer van vroeger, vind ik . ..(en wat voor sfeer?)ja, gewoon diesfeer . . .ja,ikweet niethoe ikdat moet zeggen . . . (1-J6)Moeilijk is het inderdaad om dergelijkeervaringen onder woorden te brengen.Weike zijn zoal de elementen die in dezesituatie als teken fungeren? Een van devolwassenen merkt onder meer op:het is gewoon een ontzettend groot verschilSenV, tebruari 1988 -41belevingswaarde en stedelijk milieumet dit zo, bijvoorbeeld (een van de winkel-straten) . . . nou, alleen al omdatze hierde-ze steentjes gebruikt hebben, die voor mijal.. .ja, hel klinkt misschien gek ... maarik vind het gezelliger dan die tegels. . .(1-V4)Het fragment bevat een teken (steen-tjes) en een waardering (gezelliger). Maarwaarom zijn steentjes gezelliger?ja, ik vind die stenen leuk...I f(waarom vindt u die zo leuk ?)ja, dat is een beetje ... ja, doet een beetjeromantisch aan, minderstrak, het leeft veelmeer. .. (3-V21)"Leeft veel meer" fungeert min ofmeerals interpretatie, maar is nog zo vaag, datspecificatie opnieuw gewenst is. Die spe-cificatie is in twee richtingen mogelijk:(kunt u mij vertellen waarom dat stukje zowaardevol is ?)ja,dit... tenminste voormijishetzo ontzet-tend waardevol, onder andere dat je (er)echt nog de oude stad uit herkent en waarjegespeeldhebten waarjegelopen hebt, waarje geleefd hebt.. .en dat spreektje gewoonaan, dan zeg je van: dat was het... on-danks datje eigenlijk niemand ziet lopen,leeft het toch ... (3-V32)"Dat spreektje gewoon aan ...", is eentypisch semiotische uitdrukking. Aan de/. Duivelsteeg 2. Akkerstraat, ppname richting ZO 3. Akkerstraat, opname richting NW9 ~~:r~~-^=r~t==r^u-Figuur 2. Plattegrond van het binnenstadsgebied van A.Sen V, februari 198842belevingswaarde en stedelijk milieuomgeving worden eigen ervaringen vanvroeger afgelezen. Maar de omgevingroept ook iets op wat niet aan eigen erva-ringen gebonden is:her is een heel typisch plekje met alle-maal. . .heliseenvrijsmalstraatjemetnogechie stenen stoepen ... de historie kanjeeraan beleven ... alsje ziet hoe ze uitgesle-tenzijndoorhetvelelopen,kijkmaar.. .deentrees van die huizen, daar gaat honderden meerjaar overheen om dat zover te krij-gen (3-059)De relatie tussen "het vele lopen" en"de uitgesleten stoepen" is een typischvoorbeeld van een indexicale (oorzaak-gevoig) relatie. Voor de beleving en waar-dering van deze omgeving is echter nietalleen van belang wat zich indertijd heeftafgespeeld of wat zich nu feitelijk af-speelt, maar ook de gebeurtenissen diezich hier wel of juist niet af zouden kiin-nen spelen. In de beide volgende frag-menten komt dit duidelijk naar voren.nou. wat ik belangrijk vind is ... er kan weleen auto rijden, maar die auto zou nooitgeen 70-80 kilometer hier rijden, nee...(lijkt me ook niet, nee . . .)waarom niel?technisch kan het best. . . ie-mand die met een zatle kop denkt: ik wilvroeg thuis zijn . . .Technisch gesproken kan een auto hierhard rijden. Maar dat neemt niet weg, datde omgeving, deze bepaalde omgeving,hardrijden allesbehalve suggereert, inte-gendeel:als het een asfaltweg was, als erkeurigglad-de wanden waren gemaakt ofeen railing er-langs (want er moeten auto's snel kunnenrijden), had het best gekund... maardehe-le omgeving duidt erop, dat dat niethoeft.. .dat het ook niet moet, dat de men-sen die daar met een auto rijden ook geenzin hebben om 80 kilometer te rijden . . .(2-042)"Dehele omgeving duidt erop .. .",eenpracht van een semiotische uitdrukking,die duidelijk maakt wat hier als interpre-tatie fungeert. Juist de a/wezigheid vanbepaalde tekens (asfaltweg, gladde wan-den, railing) kan sterk suggestief werken.En onder andere die afwezigheid kan be-paalde gevoelens teweeg brengen die ge-makkelijk herkenbaar zijn.(waarom vindt u dat materiaal zo/ijn?)omdat het volledig met die gevels ookademt, een stukje A. is van vroeger. . . noukijk, dat geeft een stukje vrijheid... datkomt bijna weer op hetzelfde neer als daar(anderesituatie) .. .alsje ditziet, dan benjelas ... als ik vroeger, toen ik nog in Belgiewerkte, als ik dan de grens overkwam ...nou man, dan was ik gewoon vrij, dan washet net of ik een eeuw terugstapte...(3-043)Oud verwijst in deze groep van "positie-ven" naar vroeger. Dat het straatje "veelmeer leeft" wil zeggen: het verwijst naarveel dingen, in dit geval naar de plaats ende tijd waar men zelf vroeger gespeeldheeft, maar ook naar de tijd en het levenvan vroeger als zodanig. Dat tekens ont-breken die naar de tijd van nu verwijzen,m.n. de moderne wijze van vervoer en vansnelheid is ook belangrijk: dat geeft ken-nelijk een gevoel van vrij-zijn, van los-ko-men-van.i . ? - .: .' :B. "De negatieven": oud = negatiefTerwijI bij "de positieven" oud verweesnaar "meer leven", naar eigen belevenis-sen van vroeger, naar het gebruik in vroe-ger tijden, naar het langzame, niet-techni-sche, het rommelige (in een positieve zin),wordt bij "de negatieven" oudheel andersopgevat.Bij een van de straatjes wordt bijvoor-beeld opgemerkt, dat dit "als een achter-buurt" aandoet. Daar gaat de interviewerop in:(als een achterbuurt, waar zieje dat aan ?)Een typische vraag naar een teken. Dusreageert de respondent ook met het noe-men van tekens:nou, het is zo smal. . . en daar staan alle-maal cafe's dus, daar komt het misschienwel door. . .de meeste huizen die oud zijn ofzo .. . diestaan ook in de achterbuurt... (1-J12)"Smalle straat" is voor deze respondenteen teken, "allemaal cafe's" is een tweedeteken. Nog een derde teken wordt ge-noemd: "huizen die oud zijn". Ook eencode (of interpretatie-regel) valt in ditfragment te ontdekken: "huizen die oudzijn .. . staan in een achterbuurt". De in-terpretatie valt echter nog verder te preci-seren:de allerlelijkste, dat isfoto 2 . . . dat is heelongezellig, een rommelbuurt. . .(waarom is dat een rommelbuurt?)nou moetjezien . . . de container midden inde straat. . . en moet je eens zien hoe diestraat eruit ziet en ik vind het er altijd don-kerenmuf. .. en van die oude huizen .. .jedenkt, dat ze naar beneden storten of zo(1-VJl)"Naar beneden storten", is datgenewaar nu door de oude huizen naar verwe-zen wordt. Daarmee verwant is een ande-re interpretatie:het straatje is zo grauw, er zit geen leven in, het is oud, het is onverzorgd. .. een verval-len straatje ... ze wonen er in, er staan au-to's voordedeur... er komtgeen verfkwastaan te pas ... (3-Jl)Of nu wel of niet verondersteld wordtdat het straatje nog bewoond wordt, is indit geval voor de beleving niet van door-slaggevend belang. De interpretatie ver-andert er weinig door:(waarom vind je het nou lelijk, kanje datuitleggen ?)ja, omdat de kleuren van die huizen ... netlalsofhet afgedankt is, dat mensen steedszijn weggetrokken . . . het doet een beetjeverlaten aan, vindik . . . daarom vind ik hetniet moot. .. (3-J7)Het ontbreken van zorg en het afge-dankt zijn, vormen datgene wat nu aan deverschijningsvorm van de panden wordtafgelezen. De interpretatie, dat mensenzijn weggetrokken, leidt tot een andere ne-gatieve ervaring wanneer de interviewerop de aangeboden interpretatie door-vraagt:(waarom, misschien een moeilijke vraaghoar . . . waarom is, als iets verlaten is, datnegatiefoflelijk?)ja, net of je alleen op de wereldstaat.. .nie-mand omje heen, helemaal niet gezellig ofzo... (3-J7)Oud verwijst in de interpretatie van "denegatieven" naar: instorten, naar verval,naar de afwezigheid van zorg. In tegen-stelling tot de interpretatie van "de posi-tieven" verwijzen nu de beelden juist naarde afwezigheid van leven. Dat de situatiedan "verlaten" aandoet en het gevoelgeeft "alleen op de wereld te staan", is na-genoeg evident.Van belang is ook op te merken, dat deuitspraken van "de positieven" en van de"negatieven" niet als tegenstrijdig zijn tebeschouwen, zoals het geval zou zijn wan-neer de ene groep zou beweren dat je erwel hard en de andere groep zou bewerendat je er niet hard met een auto doorheenkunt rijden. Het is adequater om te stellendat beide groepen vanuit een verschillendgezichtspunt of perspectief de situatiesSenV, februari 198843belevingswaarde en stedelijk milieuinterpreteren. Interpretaties kunnen - zo-als we illustreerden - met behulp van ge-spreksfragmenten worden beschreven,maar die beschrijving moet om reden vanbeknoptheid "verdicht" worden tot een ofmeer "zwaartepunten" of"constanten" inde interpretatie.Voor wat betreft de interpretatie van"de positieven" formuleren we als "con-stante":"ervaren van de historie, van de sfeer en vanhet leven van vroeger, het bewust zijn vantijd".Voor wat betreft de interpretatie van de"negatieven" luidt de "constante":"het ervaren van de afwezigheid van zorg,van het buiten-gebruik-zijn, en van de afwe-zigheid van leven en bedrijvigheid".ConclusiesDe probleemstelling van het onderzoekluidde: zijn er bepaalde "constanten" teonderscheiden in de beleving van een bin-nen-stedelijk milieu en hoe hangen deze"constanten" samen met de waarderingvan dat milieu ? Uit de analyse van het vol-ledige materiaal over de drie binnenstads-straatje zijn vier "constanten" naar vorengekomen die samenhangen met een posi-tieve waardering en drie "constanten" diesamenhangen met een negatieve waarde-ring. ledere "constante" wordt vergezeldvan een summiere toelichting die geba-seerd is op het beschrijvend materiaal.Positieve "constanten"A.I. +Ervaren van geborgenheid en van uitdagingDe geringe straatbreedte heeft in direktezin te maken met "je eigen menselijkemaat" en doet beschuttend aan. Je voeltjeminder gauw verloren. Het gebogen ver-loop geeft zowel de indruk van beeindi-ging als van continuiteit, hetgeen een ele-ment van verrassing vormt en de nieuws-gierigheid prikkelt. De gebogen gevel-wand vraagt eigenlijk om nog verder tegaan kijken: "ik moet het aflopen om ge-woon te kijken ...".A.2. +Ervaren van verscheidenheid en van ver-wantschap die zijn ontstddnDe verscheidenheid in gevels heeft alseerste en evidente consequentie, dat "jetelkens wat anders ziet". Als andere con-sequenties van deze verscheidenheidworden genoemd: "geeft een bepaald rit-me", begeleidt je op je wandeling" en"vraagt wat aandacht".De (visuele) verscheidenheid krijgt eenextra betekenis, doordat deze verwijstnaar verschillen o.a. in arm en rijk. On-danks de verscheidenheid vormen de ge-vels samen een geheel, de kleuren zijn eenbeetje een geworden. Deze eenheid enverwantschap verwijzen naar groei en ver-val: "door de tijd een geworden", door detijd wat vergaan".A.3. +Ervaren van historie, van de sfeer en het le-ven van vroeger, het bewust zijn van tijdDe ouderdom van de elementen verwijstnaar het verleden, het eigen verre verle-den ("waar je gespeeld hebt"), het eigenrecente verleden ("waar we lekker gege-ten hebben") en het collectieve verleden("het vele lopen, wat zich hier allemaalheeft afgespeeld"). Deze verwijzing naarhet verleden wekt het besef van tijd ("hetstaat er langer dan ik leef). Doordat je"dit haast niet meer ziet", er "niets aanveranderd is" en "het zo niet meer ge-bouwd kan worden" ontbreken tekens dienaar de huidige tijd en daardoor naar debeslommeringen van alledag verwijzen.Dat geeft een gevoel van vrijheid, van los-komen-van.A.4. -hHet ervaren van rust en van de afwezigheidvan haastDe situatie straalt (volgens de positieven)rust uit, omdat het niet vol is met lopendeof rijdende mensen. De bestrating en destraatwanden suggereren, dat er niet hardgereden wordt en dat daar ook geen be-hoefte aan bestaat. Ook de gevels, m.n. deverticale lijnen "ademen op de plaatsrust". Gevolg is, dat je "er lekker kuntwegdromen".Negatieve "constanten"B.l. -Ervaren van onveiligheid en het verlatenzijn door anderenDe aanwezigheid van winkels suggereertde aanwezigheid van mensen: "er horenmensen te lopen". Er loopt echter nie-mand. Dat maakt de situatie verdacht. Uithet feit dat er niemand loopt, wordt ookafgeleid dat er niemand woont: het doetuitgestorven aan. Dat wekt gevoelens vanangst vooral "als je daar alleen loopt", te-meer omdat het er donker is en je geenoverzicht hebt.De cafe's suggereren de aanwezigheidvan ongure figuren en "al die op- en aan-merkingen die je krijgt als je erlangsloopt". De verlatenheid suggereert dat "jealleen op de wereld staat".B.2. -Ervaren van het ontbreken van zorg, van hetbuiten-gebruik-zijn en van de afwezigheidvan leven en bedrijvigheidHet straatje geeft de indruk dat "er geenleven in zit", panden doen vermoeden datze op instorten staan. Het straatje doetvervallen aan en verwijst naar het ontbre-ken van zorg: "er komt geen verfkwast aante pas". De kleuren van de gevels suggere-ren dat de panden afgedankt zijn, datmensen steeds zijn weggetrokken. Hetontbreken van zorg verwijst weer naar on-bewoond-zijn, een reden waarom hetstraatje "eenzaam" aandoet. De murendoen onaandoenlijk aan, je leest er nietaan af, dat mensen hier bezig zijn geweest,het "zegt" niets.B.3. -Ervaren van onbehaaglijkheidinfysiekezinEr valt weinig zon in het straatje. Je krijgter geen frisse lucht, het doet muf aan. Dater weinig zon in het straatje valt, heeft ten-minste een consequentie: je blijft er nietzo makkelijk "even staan praten".Discussie"Life is transformed into abstraction, ci-ties into shadows". Het tij kan gekeerd.Belangrijk is, dat er in het stedelijk gebiedplaatsen in stand blijven en ontstaan waarmensen zich geborgen voelen, plaatsendie verrassing bieden, waar het besef vantijd wordt gewekt, waar mensen zich loskunnen maken van hun beslommeringen,waar men weg kan dromen en men zichmet anderen verbonden kan voelen.Dat allerlei maatschappelijke ontwik-kelingen van invloed zijn op de behoefteaan dergelijke ervaringen en op de moge-lijkheden daarvoor doet niets af aan hetfeit dat planning, ontwerp, inrichting enbeheer van stedelijke gebieden daar eenbijdrage aan leveren en hebben te leveren.S en V, februari 198844belevingswaarde en stedelijk milieuWat in de analyse beoogd werd, is hetmeer operationeel maken van het begrip"belevingswaarde" door een aantal "con-stanten" uit het materiaal te distilleren enzo nauwkeurig mogelijk onder woordente brengen.Door het gebruiken van de semiotiekals theoretisch kader (zie fig. 1) was hetmogelijk om de rol van omgevingsken-merken (als tekens) scherper te stellen tenopzichte van interpretaties en interpreta-tie-regels. Het zoeken naar deze regels ofkodes (belangrijk voor het ontdekken vanhet wereldbeeld en ideologic), moet in na-der onderzoek nog aan bod komen.De analyse leverde een aantal uitkom-sten in de vbrm van "constanten" op.Daar passen enige kanttekeningen bij. Deuitkomsten zijn gebaseerd op drie situa-ties. Uit de analyse van het overige materi-aal zal moeten blijken hoe constant deze"constanten" zijn en vooral hoe consis-tent zij samenhangen met een positieve ofnegatieve waardering. Het is te verwach-ten, dat uit het materiaal van de overigesituaties (deels) andere "constanten"naar voren zullen komen en dat "constan-ten" niet in iedere situatie of voor iederebetrokkene even relevant zullen zijn (het-geen hun geldigheid niet hoeft aan te tas-ten).Moeilijker is de sprong van "constan-ten" naar planvorming en ontwerp. Is derelatie tussen planning en gedrags- of be-levingsonderzoek al problematisch, dekloof tussen ontwerpers en gedragson-derzoekers is haast legendarisch'^). Ont-werpers leggen de uitkomsten van onder-zoek nogal eens gemakkelijk naast zichneer ("wat kan ik ermee?"), onderzoekersweten geen weg met vaak nauwelijks te be-argumenteren ontwerpkwaliteiten. Of enin hoeverre de in dit artikel beschrevenmethode van onderzoek bij kan dragen tothet overbruggen van de kloof valt numoeilijk in te schatten.Waar deze methode zich in ieder gevalwel toe leent is het expliciet en zichtbaarmaken van met name onbedoelde en vaakonvoorziene consequenties (gedrags- enbelevingsconsequenties) van plan-kenmerken en van ontwerpkenmerken.Juist deze consequenties - Eco's tweedefuncties - zullen mogelijk van essentieelbelang blijken voor het in kaart brengenvan het onzichtbare'**) in de architectuuren in de stedebouw.Met dank aan B. Eerhart, ir. B.E.Th.A. Kesler,drs. J. Lengkeek en drs. R.J.H. van Wezel voorhun suggesties bij eerdere versies van dit arti-kel.Moot* De tekst van de interviewer is tussen () ge-plaatst; de fragmenten zijn aan het eind voor-zien van de volgende kodes: 1 -, 2-, 3- het num-mervandefoto;V = volwassene;J = jongere;O = ontwerper;gevolgd door het nummer vanhet interviewLiteratuurCastells, M. (1983), The city and the grassroots,a crosscultural theory of urban social move-ments. Edward Arnold, London.2Pennartz, P.J.J. (1981), De kern van het wonenop het spoor. Uitg. Coutinho, Muiderberg.3Adel,D.N.denenJ.denDraak(1981),Beleids-voornemens beHcht, een kritische analysem.b.t. de plannen voor de woonfunctie van 14Nederlandse binnensteden. TH-Delft; zie ookH. Voogd (1978), Ruimtelijke kwaliteit: ookvoor toekomstige generaties. Stedebouw enVolkshuisvesting, juni, pp. 206-211; G.A. Wis-sink (1987) Nieuwe orientaties en werk terrei-nen voor de planologie. Stedebouw en Volks-huisvesting, juni, pp. 197-204.4Jansen, A.C.M. (1987), Ontwikkelingen van deeconomische structuur in de binnenstad vanAmsterdam; uitstraling en atmosfeer als vesti-gingsplaatsfactoren. KNAGGeografischTijd-schrift XXI, nr. 2. pp. 130-142.5Bleeker, H. en K. Mulderij (1978), Kinderenbuiten spel, op zoek naar een vriendelijkewoonomgeving voor kinderen. Uitg. Boom,Meppel/Amsterdam; K. Mulderij en H. Blee-ker (1982), Kinderen wonen ook, suggesties terverbetering van een kindvergeten woonomge-ving. Uitg. Van Loghum Slaterus, Deventer.6Leeuwen, H. van (1980), Ecologie van het Wo-nen, algemene inleiding tot de leer van de wis-selwerking tussen mens en gebouwde omge-ving. VUGA-boekerij, 's-Gravenhage; Leeu-wen, H. van e.a. (1984) Wonen anders bekeken.VUGA-Uitgeverij B.V., 's-Gravenhage.Toonen, M. en H. de Zwart (1985), De Spielereiis eraf, een onderzoek naar het recreatieve ge-bruik en betekenis van de woonomgeving voorjongeren.Publ.Vakgroep Wonen, LUWWage-ningen. |7Relph E. (1976), Place and placelessness, PionLtd. London; Yi-Fu Tuan (1977) Space andplace, the perspective of experience. EdwardArnold Publ. Ltd., London.Buttimer, A. and D. Searaon (1980), The hu-man experience of space and place. CroomHelm, London.Saarinen, Th. P., D. Seamon and J.L. Sell, eds.(1984), Environmental perception and beha-vior: an inventory and prospect. The Universi-ty of Chicago, Dept. of Geography, ResearchPaper no. 209.8Zoest, A. van (1978), Semiotiek, over tekens,hoe ze werken en wat we ermee doen. Ambo,Baarn; Zoest, A. van (1986), Zin zien, over in-terpreteren. Dick Coutinho, Muiderberg.9cf Beekman T., en K. Mulderij (1977), Belevingen ervaring, werkboek fenomenologie van desociale wetenschappen. Boom, Meppel/Am-sterdam.10Pennartz, P.J.J. (1977), Beleving en identifica-tie in het wonen. Notitie Vakgroep Wonen,LUW, Wageningen.Jonge, D. de, Verschillen in gebruik, belevingen waardering van het groen door diverse so-ciale categorieen. In A. Hessels, red., Belevingen waardering van groen, TH Delft.11Zoest, A. van (1978), O.C.12Bentele, G. en I. Bystrina (1978), Semiotik,Grundlagen und Probleme. Verlag W.Kohlhammer, Stuttgart, usw.13Eco, U. (1980), Function and sign: the semio-tics of architecture. In: G. Broadbent, Signs,symbols and architecture. John Wiley andSons. Chichester, etc.Eco, U. (1985), Einfiihrung in die Semiotik.Wilhelm Fink Verlag, Miinchen, 5ter Auflage.14Pennartz, P.J.J. (1986), Detaal van de gebouw-de omgeving. In: A. van Zoest, red., De machtvan de tekens, opstellen over maatschappij,tekst en literatuur. H.E.S. Uitgeverij, Utrecht.15Coenen, H.L.M.(1980), Fenomenologie en so-ciologie. In: L. Rademakeren H. Bergman, red.Sociologische stromingen. Het Spectrum/In-termediair, Utrecht, 2e druk.Schuyt, C. J. M. (1986), Filosofie van de socialewetenschappen. Martinus Nijhoff, Leiden.16Ganzenboom, H. (1982), Beleving van monu-menten I, een onderzoek naar herkenning,waardering en bezichtiging van monumentenuitgevoerd in de binnenstad van Utrecht. RUUtrecht, Vakgroep Theorie en Methodologievan de Sociologie, Utrecht.17Hoogdalem H. van, D.J.M. van der Voordt enH.B.R. van Wegen (1986), Tussen pen en pot-lood. D.U.P., Delft.18Bouman, O. en R. van Toorn (1987), Het on-zichtbare in de architectuur, het verhaal in enachter de facade. Reader 1, Context. Stylos Le-zingencyclus. Delft. i'-Fotos W.A.C. de Kloe i,S en V, februari 198845drs. H. Rimmelzwaandrs. D.E. Hanemaayerprof. dr. M. de SmidtStichting Toegepast Geografisch Onderzoek(STOGO) UtrechtHoe zal "teleshopping", het thuis winkelen per computer, uitwerken op de ruimtelijkestructuurvan de detailhandel? Een onderzoek onder het huidig thuiswinkelend publiek, depostorderkoper, laat zien dat potentiele "teleshoppers" jonger en beter opgeleid zullenzijn en over meer inkomen en minder tijd beschikken dan de doorsnee postorderkoper.Teleshopping staat niet hoog genoteerd vergeleken met andere telediensten. In landelijkegebieden en groeikernen zal teleshopping een andere rol ("complementair") vervuUen danin steden ("subtitutie"), waar de invloed geringer zal zijn. Het onderzoekbureau STOGOverrichtte een veldonderzoek naar dit thema in opdracht van de RPD.Teleshopping in ruimtelijicperspectiefeen onderzoek onder postorderkopersZal "teleshopping", het thuiswinkelenmet behulp van een computer, een dusda-nige invloed op de ruimtelijke opbouwvan detailhandelsvoorzieningen uitoefe-nen dat deze vergelijkbaar zal zijn met heteffekt van de auto op de mobiliteit van deconsument?Deze vraag is in hoge mate hypothe-tisch.Teleshopsystemen zijn in Nederlandthans nog zodanig schaars dat het nietmogelijk is empirisch onderzoek te ver-richten naar feitelijke ruimtelijke effectenvan teleshopping. In de praktijk bestaatechter reeds een verzorgingssysteem dateen sterke analogic vertoont met tele-shopsystemen, namelijk het kopen perpostorder. In beide gevallen is sprake vanindirecte communicatie tussen koper enverkoper, waarbij de postorderbedrijvenechter gebruik maken van traditionelecommunicatiemiddelen, namelijk post entelefoon.Bestudering van het fenomeen "kopenper postorder" biedt derhalve een goedeingang om inzicht te verkrijgen in moge-lijk veranderende verzorgingsstructurenbij invoering van moderne teleshopsyste-men. Aan huidige postorderkopers is devraag voorgelegd in welke mate en onderwelke voorwaarden zij tot teleshoppingzullen overgaan. Daarnaast zijn in het on-derzoek ook de resultaten van recente te-leshopsystemen opgenomen en verwerkt.Welke teleshopsystemen bestaan ermomenteel en welke rol kunnen deze ver-vullen binnen het voorzieningenappa-raat? Deze en andere vragen worden in ditartikel nader uiteengezet. Vervolgenskomt de relatie tussen postorderkoop enteleshopping aan de orde.Naast dit thematisch onderzoek is eenruimtelijk onderzoek ingesteld, waarin devoorzieningen hierarchic centraal staat.TeleshopsystemenTeleshopsystemen omvatten in esscntieraadpleging van productinformatie enhet plaatsen van bestcllingen via bceld-scherm (computer oft.v.) en toetsenbord.Voor verzending van informatie kan hettelefoonnet (koper of glasvezel) of hett.v.kabelnet - met beelden van hogerekwaliteit - worden benut. Het is mogelijkdat voor informatie-overdracht van ennaar de consument twee verschillende in-formatiekanalen benut worden, waarbijook combinaties van geavanceerde en tra-ditionele kanalen mogelijk zijn (bijvoor-beeld computergestuurde productinfor-matie gecombineerd met telefonisch -mondeling - bestellen).Onderscheiden worden home-accessen public-access systemen: bij home-ac-ces systemen staan beeldscherm en toet-senbord thuis opgesteld; bij public-ac-cess systemen staan deze opgesteld inopenbaartoegankelijke ruimten. Bij dezelaatst genoemde systemen wordt ook welmet beeldplaten gewerkt ten behoeve vande afbeelding van productinformatie.Het aantal operationele systemen is inNederland nog zeer beperkt, zeker in vol-ledig geavanceerde vorm. In experimen-tele vorm bestaat een aantal systemenwaarbij geavanceerde en traditionelecommunicatiemiddelen zijn samenge-bracht.Tekenend voor de experimentele fasewaarin de systemen zich bevinden is hetfeit dat het sterk uiteenlopende typen or-ganisaties zijn die experimenten hebbenopgezet: enkele grootwinkelbedrijven(Ahold en V en D) een enkele groothandelen een uitgeversmaatschappij (VNU).Speciale vermelding verdient Compu-card Nederland. Deze onderneming isonderdeel van een internationaal opge-zette teleshoporganisatie.De ontwikkelingen op het terrein vanteleshopping volgen elkaar snel op, getui-ge de start van verscheidene nieuwe expe-rimenten in de periode dat het onderzoekplaats had. Een voorbeeld hiervan is decommerciele kabelomroep Skychannel,die zich eveneens - als intermediair - opde teleshopmarkt wil storten. Op aanver-wante terreinen zijn er experimentengaande zoals electronisch betalen, bij-voorbeeld het Girotelsysteem van dePostbank.S en V, februari 198846'^i teleshopping; De PTT (Viditel) en het Kabelexperi-^ ment Limburg kunnen genoemd wordenals aanbieders van uitsluitend infrastruc-turele voorzieningen.Over de omvang die het teleshoppenuiteindelijk zal aannemen bestaat weiniginzicht. Voorzichtige schattingen - onder-meervan het EIM -houden hetopca. 5%van de totale comsumptieve bestedingen.In enkele andere landen zijn grootscha-lige systemen ontwikkeld, zoals het ge-ruchtmakende Minitelsysteem van deFranse PTT en enkele systemen in de Ver-enigde Staten. In beide landen zijn post-orderbedrijven belangrijke participantenin de betreffende videotexsystemen. In deV.S. is daarbij een andere variant tamelijkpopulair. Kabelexploitanten zendencommercials uit waar produkten wordenbesproken en aangeboden. Kijkers kun-nen telefonisch reageren c.q. bestellen.Een Europese variant hiervan kan sindskort via Skychannel worden bekeken.Teleshopping en voor-zieningenapparaatOp het terrein van het aanbod van dage-lijkse goederen zijn het vooral branche-ei-gen ondernemingen (supermarkt engroothandel) die thans in experimentelevorm teleshop-achtige faciliteiten opge-zet hebben, waarbij het om gedeeltelijkgeavanceerde systemen gaat, die geken-schetst kunnen worden als een geavan-ceerde variant van de aloude bezorging-aan-huis. Inmiddels tamelijk bekendevoorbeelden van deze experimenten zijnJames Telesuper (onderdeel van Aholden opererend in Haarlem en omgeving) enTelesuper Midden-Nederland.Introductie van teleshopping is vanuitdeze branche gezien een logische stap inhet licht van streven naar rationalisering,naar een meer klantgerichte werkwijze ennaar een opvuUing van hiaten in de ver-zorgingsstructuur; bovendien kunnenlangs deze weg de bezwaren, verbondenaan de beperkingen van openingstijdenvan winkels en het ruimtelijk beleid metbetrekking tot "perifere detailhandelves-tiging" ondervangen worden.De aanbodzijde van niet dagelijksegoederen via teleshopsystemen is tame-lijk heterogeen samengesteld, en omvatzowel branche-eigen (postorderbedrij-ven, V en D) als branche-vreemde onder-nemingen (Compu-card). Motieven diebij introductie van deze systemen spelenkomen voort uit overwegingen als kosten-verlaging (optimaal voorraadbeheer) enhet omzeilen van de beperkingen vanuitwinkelsluitingstijdenwetgeving en ruim-telijk beleid.Daarbij is een kritische, prijsbewuste engoed gei'nformeerde consument onmis-baar. Deze zal zijn/haar koopbeslissingop grond van de beschikbare informatiein toenemende mate in de huiskamer ne-men. IDe infrastructuur, benodigd voor in-formatie-overdracht, kan eveneens tot deaanbodzijde gerekend worden. In tech-nisch opzicht kan het t.v.-kabelnet hoog-waardiger informatie overbrengen danhet telefoonnet, waar tegenover staat dathet telefoonnet aanzienlijk vertakter isdan het kabelnet en daardoor een groterbereik heeft. Voor de nabije toekomst kandit inhouden dat aanbieders die op eenruime markt mikken, het systeem zullenbaseren op de technische mogelijkhedenvan het telefoonnet.Wat zijn nu de gevolgen van de invoeringvan teleshop-systemen voor de gevestig-de detailhandel?Het is aannemelijk dat teleshopsyste-men voor in ieder geval de wekelijkseboodschappen van dagelijkse (consump-tie) goederen benut zullen worden (one-stop shopping). Dit betekent dat tele-shopping gedeeltelijk de functie vangrootschalige supermarkten kan gaanovernemen. Het is echter nu reeds depraktijk dat supermarkten en teleshop-fa-ciliteiten tot hetzelfde concern behoren(Ahold).Denkbaar is dat met gelijktijdige benut-ting van het teleshopsysteem, meerdan nuhet geval, een beroep gedaan zal wordenop buurtwinkels. Hierbij kan worden ge-dacht aan een aanpassing van het assorti-ment, zoals meer nadruk op "vers-waren"en de categoric "vergeten en tussendoorboodschappen".Teleshopping en post-orderkopers i 'De postorderbranche, voor een groot deelverenigd in de Nederlandse Postorder-bond, bestaat uit een beperkt aantal be-CONCENTRATIE GETALLENBBH Stetk ovetvertegeowoordigd -120fciaa Lieht oververtegenwoo'digd 120119llllillill LichI onOer vertegenwoo'digd 81-981. .. J Sletk onder verlegenwoordigd - bfI I Gelp|k vertegenwoordigd 99 ini2K^-Figuur 1. Spreiding van postorderkopersnaar Corop-regioINDELING VAN DE NEDERLANDSE COROP GEBIEDEN IN ZEVENURBANITEITS KLASSENHoogste urbanisaliegraadFiguur 2. Indeling van de NederlandseCorop-gebieden in zeven urbaniteitsklas-drijven met een algemeen non-food assor-timent en een ruim aantal bedrijven meteen gespecialiseerd assortiment, zoalsboeken, cosmetica en verzekeringen. Eenaantal van deze laatst genoemde bedrij-ven combineert levering per postordermet levering via de detailhandel.De omzet per hoofd van de bevolkingligt betrekkelijk laag in vergelijking metenkele andere Westeuropese landen. Deomzet van de gezamenlijke postorderbe-drijven bedroeg in 1985 ruim 1,5 miljardgulden. Circa 40% van de omzet omvattextielgoederen; het aandeel van boekenbedraagt een kleine 15%. Op jaarbasisdoet de helft van de Nederlandse bevol-king tenminste een aankoop bij postor-derbedrijven.Een steekproef uit bestelformulierenvan de grootste vier postorder-bedrijvenSenV, februari 198847teleshoppinggafeen beeld van de ruimtelijke spreidingvan aankopen over Nederland (zie label1). Uit afzetgegevens per gemeente blijktdat relatief veel per postorder gekochtwordt in gemeenten met minder dan 5000inwoners, in kleine kernen en in groeiker-nen. Daarentegen wordt een relatief lageafzet gemeten in de steden met meer dan100.000 inwoners.Alleen in de extremen van het nederzet-tingenpatroon is sprake van een duidelijkverband tussen het voorzieningenniveauen afzet van de postorderbedrijven: hogeafzet in gemeenten/kernen met een (zeer)laag voorzieningenniveau (kleine ge-meenten, kleine kernen, en groeikernenwaar het voorzieningenniveau doorgaanspas in een laat stadium aansluit bij de om-vang van de vraag), en lage afzetten in gro-te steden met een (zeer) hoog voorzienin-genniveau.Naast een analyse van de afzet naar ge-meentegrootte is ook een regionale afzet-analyse (op het niveau van Corop-gebie-den) uitgevoerd. Deze analyse laat ziendat het enkele perifeer gelegen regio's zijnwaar de afzet van postorderbedrijven re-latief hoog is; het gaat vooral om de Co-ropgebieden Zeeuws-Vlaanderen, overigZeeland, Friesland en Drente (figuur 1).De spreiding van postorderkopers inNederland naar verstedelijkingsgraadvan de regio's laat een duidelijke samen-hang zien (zie tabel 2). Hoe lager de ver-stedelijkingsgraad hoe hoger het aantal(relatief gezien) postorderkopers.Koopgedrag :.Naast de geschetste afzetanalyse zijn tenbehoeve van de analyse van het koopge-drag van postorderkopers ca. 900 trouwepostorderkopers telefonisch geenque-teerd.Deze enquete is gehouden in zes gebie-den: twee grote steden (Breda enUtrecht), twee verstedelijkte plattelands-gebieden (Rijnstreek en Midden-Zee-land) en twee plattelandsgebieden(Noordoost Limburg en Zuidwest Fries-land). Hoezeer deze gebieden verschillennaar plaats van aankoop van niet-dage-lijkseartikelen laat figuur3 duidelijk zien.Postorderkopers worden aangetroffenin de leeftijdsgroep van 30 tot 64jaar, metten opzichte van de Nederlandse bevol-king een vrij sterke oververtegenwoordi-ging in de kategorie van 40 tot 49 jaar.gemeentegroep postorderkopers Nederlanders concentratie getal(relatievevertegenwoordiging,standaard =100)1. 0-5000inw. 4,9 3,8 1302. 5000-1000 10,2 10,4 993. 10000-25000 27,1 26,9 1014. 25000-50000 19,7 18,8 1055. 50000-100000 16,7 14,2 1186. 100000-meer 21,3 25,8 83Tabel 1. Spreiding van kopers van degrootste vierpostorderbedrijven in Nederlandnaargemeentegrootte (in %) (1986)Klasse * % postorder kopers referentie Nederland concentratie getal(standaard = 100), 1 = meest stedelijk 9,9 12,8 112 8,4 10,0 843 22,6 26,1 874 27,5 27,7 1015 14,0 11,8 ?1196 3,1 2,6 1387 = minst stedelijk 11,6 8,9 156* exclusief de Zuidelijke IJsselmeerpoldersTabel 2. Spreiding van kopers bij de grootste vierpostorderbedrijven in Nederland naarde verstedelijkingsgraad van de regio 's (COROP)De mogelijkheid om : wel niet weet-niet- informatie over reizen, vertrektijd op te vragen- telefoonnummers op te vragen- thuis te bankieren- bioscoop/theaterkaartjes te reserveren- niet-dagelijkse boodschappen te bestellen- dagelijkse boodschappen te bestellen503633221815435559717278119686Tabel 3. Gebruik van telediensten in de toekomst (in % van ondervraagdepostorderko-pers)Kenmerken Projielpostorderkoper Profiel teleshopper*Inkomenspositie Modaal tot ondermodaal Modaal tot bovenmodaalOpleiding Laag opleidingsnivcau Gemiddeld tot hoogopleidingsniveauLeeftijd Gemiddeld:30-65 Jong: 20-40Geslacht Vnl. vrouwen Mannen en vrouwenHuishoudsamenstelling Geen samenhang Heeft ervaring met computerWoonplaats Buiten grote steden, in Buiten grote steden, opplattelandsgebieden afstand van voorzieningen* Teleshopper van niet-dagelijkse goederenTabel 4. Profielen van een postorderkoper en een teleshopperVoorts wordt ingezinnen met kinderen re-latief veel gebruik gemaakt van postor-deraankopen. Het opleidingsniveau ligtbetrekkelijk laag, hetgeen eveneens geldtvoor het inkomens-niveau, vooral in deperifeer gelegen gebieden.Uit de enquete komt een aanwijzing dathet kopen per postorder deels plaatsvindtin reactie op een aantal als zodanig erva-ren tekortkomingen in de winkelgebie-den. Nogal wat respondenten wijzen par-keerproblemen, criminaliteit en drukteS en V, februari 198848teleshoppingPLANTS VAN AANKOOP VAN NIET-DAGELIJKSEARTIKELEN NAAR REGIO302010:I I buur1-/dorpswinkelslii StadscentrumW EldersNoordLimburgUtrecht Breda MiddenZeelandRijnstreekFiguur 3. Plaats van aankoop van niet-dagelijkse artikelen naar regio%7060.50.4o:3020.10 _TELESHOPPERS EN GEBRUIK VAN DIENSTENNAAR INKOMEN^1 Dageli|kse artikelenHI Niet dagelijkse artikelen^S ThuisbankM Reservenng bioscoopII Inforeis3000 InkomenFiguur 5. Teleshoppers en gebruik van diensten naar netto besteedbaar inkomen permaand (in %)aan als hinderpalen voor winkelbezoek.Het is niet gebleken dat het autobezit on-der postorderkopers laag is.Vooral in de perifeergelegen gebiedenwordt de gunstige prijszetting als belang-rijk voordeel van het kopen per postordergenoemd. Het prijsniveau en het assorti-ment van de postorderbedrijven is duide-lijk concurrerend met dat van de plaatse-lijke detailhandel in plattelandsgebieden.Vooral in de perifere gebieden bhjkt eenvrij grote belangstelHng te bestaan voorhet kopen per postorder bij het grootwin-kelbedrijf, hetgeen nu (nog) niet tot demogelijkheden behoort. (Wei beschiktVendex inmiddels overtwee postorderbe-drijven.)Teleshopping IEen onderzoek van STOGO in opdrachtvan de Nederlandse Postorderbond (VanValkenhoef 1986) geeft aan dat degenendie min ofmeer regelmatig kopen bij post-orderbedrijven, duidelijk positiever staanten opzichte van de mogelijkheden van te-leshopping dan zij die niettot deze catego-rie behoren (figuur 4).Respondenten woonachtig in perifereAntwoord op de teleshopvraag-postorderkopersniet-postorderkopersn|'IIfl!?I1^ 9^?' woatniet nee.gaalnieltttl??hopp?n t?l??hopp?nFiguur 4. Reactie van (niet-)postorderko-pers op de vraag of zij teleshoppen (bron:Van Valkenhoef1986)gebieden zien beduidend meer in de mo-gelijkheden van teleshopping dan res-pondenten woonachtig in andere gebie-den. Zo is in Utrecht 10% van de respon-denten geinteresseerd in teleshoppen te-gen 27% in Noord-Limburg.Dagelijkse en niet-dagelijkse aankopenscoren ongeveer even hoog.Opvallend is wel dat temidden van an-dere telediensten (zoals informatievoor-ziening, thuis-bankieren, etc.) teleshop-ping over het geheel genomen niet hooggenoteerd staat (tabel 3).Erbestaan bepaalde verschillen tussen dedemografisch-economische profielenvan enerzijds postorderkopers (als ge-heel) en anderzijds "teleshoppers" (d.w.z.de regelmatige postorderkopers die aan-geven gebruik te zullen maken van toe-komstig teleshop-aanbod). Teleshopperszijn relatiefhoger opgeleid en hebben eenhoger inkomen (modaal tot boven-mo-daal), zijn gemiddeld jonger (tot 40 jaar),en hebben enige ervaring met computers;wel gaat het in beide gevallen overwegendom gezinshuishouden (voor een vergelij-king: tabel4).Bij gewenste "teleshopping" van dage-lijkse boodschappen speelt het inkomens-niveau vrijwel geen differentierende rol.Dit geldt wel voor niet-dagelijkse artike-len (voor de kategorieen met meer danf 2.000,-- netto besteedbaar inkomen permaand positiever).Veel gevoeliger voor inkomens zijn an-dere diensten zoals thuisbankieren, reser-veringen, inforeis (figuur 5).S en V, februari 198849teleshoppingErvaring met de computer blijft zekervan belang voor het al of niet gaan tele- O/Qshoppen. Zo meent 35 procent van de on- sodervraagden met enige computerervaringvan zo'n gelegenheid voor niet-dagelijkse ^^goederenaankoop te profiteren tegen 15procent zonder computerervaring.30-Ruimtelijk onderzoek:voorzieningenhierar-chieIn het onderzoek, uitgevoerd in opdrachtvan de R.P.D., zijn drie vragen centraalgesteld:- In hoeverre functioneren postorder-bedrijven aanvullend dan wel substitu-erend ten opzichte van (onderdelen van)de hierarchische structuur van de detail-handel?- Welke (ruimtelijke)factoren zijn van in-vloed op het koopgedrag van postorder-kopers en in hoeverre is hierin een diffe-rentiatie naar klantgroepen aan te bren-gen?- Welke factoren zijn voorts van belangin de huidige ontwikkeling van teleshop-ping voor het trekken van conclusies overhet toekomstig gebruik van telecommuni-catieve voorzieningen ?Aanvulling ofsubstitutie?De begrippen "aanvullend" en "substitu-erend" zijn niet zonder een nadere be-gripsomschrijving bruikbaar. De optiekvan waaruit de begrippen gehanteerdwordenzalduidelijkmoetenzijn. Wordendeze gehanteerd vanuit de optiek van devraagzijde (de consument) of de aanbod-zijde (het voorzieningenapparaat)?Hier wordt gesproken vanuit een con-sumentenoptiek; binnen de ruimtelijkeplanning is afstand tot winkelvoorzienin-gen de belangrijkste factor in de hanteringvan de begrippen aanvulling en substitu-tie. Hoe groter de afstand in tijd gemetentussen winkels en woonlocatie, des te gro-ter is de acceptatie van een aantal tele-diensten, waaronder teleshoppen. Degrens ligt bij 30 minuten reistijd, tussen 30en 45 minuten is duidelijke aarzeling tebespeuren (figuur 6).In kleine gemeenten/kernen (vooral inperifere gebieden) en in groeikernen (meteen naijlend voorzien igenapparaat) ver-toont kopen per postorder overwegend de20-10REU\TIE AFSTAND (TIJD) EN ACCEPTATIE TELEDIENSTEN ED PNiet clageli|kse artikelen Dageli|kse artikelen Thuisbankieren0-15 15-30 30-45 45 > 0-15 15-30 30-45 45 > 0-15 15-30 30-45 45 > Reisli|d(min)Figuur 6. De relatie afstand in tijd en acceptatie van telediensten (in %)kenmerken van aanvulling op het be-staande aanbod van winkelvoorzienin-gen. In grootstedelijke gebieden daaren-tegen kan eerder sprake zijn van substitu-tie, omdat daar dezelfde goederen ookworden aangeboden door de plaatselijkedetailhandel.In stedelijke gebieden met een hoogwaar-dig winkelapparaat vormen tele-shop-systemen een belangrijke concur-rentiefactor in de kategorie niet-dage-lijkse goederen. Met name voor die arti-kelgroepen waarvoorvia het systeem ade-quate produktinformatie kan worden ver-schaft. Immers, er kan maar een zeer be-perkt assortiment in winkels worden aan-gehouden en bekeken.Voorts blijkt dat benutting van tele-shop-systemen (evenals van het kopenper postorder) samenhangt met onder an-dere een aantal negatieve omgevingskwa-liteiten van winkelgebieden (parkeerpro-blemen, criminaliteit e.d.). Denkbaar isdat een proces op gang komt dat gericht isop de verbetering van de omgevingskwa-liteiten van met name het kernwinkelap-paraat. Daarnaast kan een effect optre-den dat vanuit de detailhandel processenop gang gebracht worden in de richtingvan produktspecialisatie en service-ver-betering. In dit verband kan worden ge-wezen op het bestaan van de zgn. "shop-ping malls" in de Verenigde Staten, gespe-cialiseerde winkelcentra met een overda-dig en luxe warenassortiment. Ook in Ne-derland treffen we deze tendens in be-perkte mate aan.Ruimtelijk koopgedragVoor hen die momenteel elders, buitenhun woonplaats, niet-dagelijkse artikelenkopen blijkt de belangstelling voor tele-shopping (66k voor dagelijkse artikelen!)en andere telediensten duidelijk hoger teliggen (tabel 5).Het kopen per postorder vormt vooreen aantal consumenten een alternatiefvoor kopen bij de detailhandel op grondvan negatief ervaren kwaliteiten van win-kelgebieden: parkeerproblemen, vanda-lisme en drukte. Bij de postorderverko-pers blijkt zeker het krappe tijd-ruimtebudget een rol van betekenis te spelen alsmotief voor het kopen per postorder.Voor toekomstige teleshoppers zal dit ze-ker gelden.AanbodsstructuurDe aanbieders van teleshopsystemen eninformatie-infrastructuur spelen sameneen belangrijke rol bij het realiseren vanteleshopfaciliteiten. Het zijn (nog) uiteen-lopende typen ondernemingen die hetaanbod tot stand brengen; waarbij met"typen" zowel gedoeld wordt op debranche als op de positie in de bedrijfsko-lom (groot- of detailhandel). Duidelijkemarktstructuren zijn nog niet ontwikkeld.De introductie van teleshop-systemenpast binnen algemenere tendensen in dedetailhandel, bijvoorbeeld waar het gaatom rationalisering van de voorraadbe-handeling, om versterking van het klant-gericht werken en om de ondervangingvan de negatieve gevolgen van de winkel-sluitingswetgeving. ?S en V, februari 198850teleshoppingniel-dag.art dag.art. thuisbank info/tel.buurtcentrum/dorpstadscentrumelders, buiten woonplaats131524121218263036263542Tabel 5. Teleshoppers en deplaats van aankoop van niet-dagelijkse artikelen (in %)De huidige informatie-infrastructuurstelt randvoorwaarden voor de kwaliteitvan de informatie die bij de consument ophet beeldscherm verschijnt. Via de tele-foonlijn kunnen a
Reacties