DECEMBERI*?^ "i ,, ,j. ~ -f?s?H>6d;rhrff->>>Zo1iii!iili I l? till 9 I HICENTRUMMANAGEMENKOSTEN VOOR MILIEUZONERING* flTf 1 1 *.:Meerjarenplannen1991-1995Mmsi Hoe te bestellen. tel. 070-3789880. fax. 070-3854321? antwoordnr. 1252501 XD Den HaagUITGEVERIJ . bij de boekhandelWoninghouwBijgestelde beleidsvoornemensvoor woningbouw en-verbetering. Aan de orde komende woningmarkt, nieuwbouw,ruimtelijke ordening, woning-verbetering, financiele eneconomische aspecten en verde-ling van de landelijke programma's.De bijiagen bieden een statistischeonderbouwing van het ontwerp-beleid.ISBN 90 12 06968 8 / 16,20StadsvemieuwingDe actuele stand van destadsvemieuwing en liet beleidvoor de komende jaren op basisvan de liuidige ontwikkelingen.Een greep uit de inlioud: openbareruimte, sociale vernieuwing,verkeer en vervoer, monumenten,welzijn en onderwijs. Daarnaastaandaclit voor liet rijksbudget voorde stadsvemieuwing.ISBN 90 12 06965 3 / 15,85Regio-analyse's-GravenhageUiteenzetting van de regionalehuisvestingsstrategie van deRijksgebouwendienst voorDen Haag en omstreken. Naasteen overzicht van de stand vanzaken bevat dit rapport eencijfermatige onderbouwing van hetvoorgestelde beleid.ISBN 90 12 06979 3 / 9,00VoorbeeldplannenIdeeenboek 1990Kwaliteitsverbetering van dedagelijkse leefomgeving staatcentraal in het Ideeenboek 1990.Een bundeling ingezonden ideeenop initiatief van de Rijksplanolo-gische Dienst. Thema's: kringlopenruimtelijk vormg'even; casco-planning; openbare ruimte; na-oorlogse woonwijken.ISBN 90 12 06956 4 / 49,00Stedebouw en VolkshuisvestingJ? el"'..!:?'Door schadeen schande?U kunt ook wijzer wordendoor onze deskundige ondersteuning en expertise in:Doingrailsell nndiT/ock fii bcvolkiiii^sprogiiosesHaalbaarhfiti.s-studies voor bedrijf'en ^7^ eeuwonder: Kasteel Rozendaal./vergelijking van de renaissance-achtigeHaaqse buitenplaatsen met de barokkelanenstelsels van de Arnhemse landgoederen.100 200 300 too mFiguur 3.een object-karakter, terwijl een landgoed een gebied-karakter heeft.In Arnhem enVelp hebben we voornamelijk met landgoe-deren te maken en in Den Haag met buitenplaatsen. Dielandgoederen hebben over het algemeen een barok karak-ter; een lanenstelsel dat ver in de omgeving uitstraalt.Rosendael (Velp) is daar een voorbeeld van.De Haagse buitenplaatsen daarentegen hebben meestaleen uitgesproken renaissance karakter; een rechthoek,omsloten door grachten en boomsingels. Verder een sym-metrische onderverdeling in rechthoeken (figuur 3).Het is opvallend dat zowel deArnhemse landgoederen alsde Haagse buitenplaatsen als het ware verkleinde afbeel-dingen zijn van het patroon van de gehele stad. De spin-structuur van kasteel Rosendael hjkt sterk op de vinger-structuur van Arnhem. In de plattegrond van bijvoor-beeld Huis te Bosch weerspiegelt zich het schaakbordpa-troon van Den Haag.In Den Haag hebben enkele buitenplaatsen zichontwikkeld uit kastelen, een uit een klooster (Binnen-hof). De rest is ontstaan uit boerderijen of van meet aanals buitenverblijf opgezet.InArnhem-Velp zien we een grotere verscheidenheid aanontstaansgronden: curtis (middeleeuws landgoed methorigen), kasteel, heerlijkheid, spijker (voorraadschuur),klooster, ontginning, boerderij, buiten.Wat is er nog over? (figuur 4).In beide steden zijn slechts weinig landgoederen en bui-tenplaatsen ongeschonden bewaard. De mqeste zijngeheel verdwenen en van andere is slechts een relict overVoor deze studie was dat echter niet zo belangrijk; hetging om de invloed die ze hebben gehad op de vormingvan de stad.Door het verschil in karakter en omvang hebbenlandgoederen en buitenplaatsen een ander soort relictenachtergelaten.Bij de Haagse buitenplaatsen zijn dat objecten, als poor-ten of bruggen. Ook in Arnhem zijn relicten vrij talrijk,maar gezien de verschijningsvorm van landgoederen,vaak zeer verspreid. Dit kunnen laanbeplantingen zijn,zowel buiten de stad als daarbinnen (figuur S). Voor Velp-noord is het ontwerp voor de groenstructuur daarop geba-seerd. Ook wegen en paden hebben vaak een taai leven.Verder zijn nog enkele sprengenbeken en watermolensintact.STEDELIJKE RUIMTE EN GROENEen groenstructuur kan men zien als een systeemvan groene plekken en groene lijnen, deel uitmakend vanc?ot-oo^?-?p^ , ^',4-",^'^''"?i1.- n^?^%^^.^ 0^ o...^ .^^?., ?,^^^oAls voormalige buitenplaats herkenbaarBuitenplaats, nu groengebiedBebouwde buitenplaats5 kmFiguur 4.de structuur van de stedelijke ruimte en een samenhan-gend geheel vormend (onder andere oecologisch vanbelang).Ten aanzien van het stedelijk groen en de stedebouwkun-dige structuur van Arnhem en Den Haag kunnen uit hetonderzoek interessante conclusies worden getrokken.Den HaagHet blijkt dat de parken die restant zijn van eenvoormalige buitenplaats vaak lets wezenlijks daarvanbehouden hebben, namelijk de orientatie. Hoe wordt datzichtbaar?Zo'n buitenplaats had akijd een duidehjke toegang vanafde weg, de weg die de strandwal volgt. Vaak was die toe-gang gemarkeerd door een brug en/of poort. Er was eenondubbelzinnige voorkant die zich onderscheidde van deachterkant (figuur 10, zie biz. 11).ArnhemIn tegenstelling tot Den Haag, waar nooit eenvestinggordel is geweest, is de kern van Arnhem gemar-keerd door de singels op de plaats van de voormaligevestingwerken. Er is daardoor een duidelijke groenegordel om de kern en er zijn groene vingers die radiaal destad indringen. In Arnhem markeren enkele parken degroene vingers (figuur 2, zie biz. 13).VelpIn Velp-noord zijn in het stratenpatroon enkelelanen van kasteel Rosendael nog goed te herkennen. Ookde beken zijn nog goed zichtbaar. In het zuidelijk deel isdat nauwelijks het geval. Daar vindt men wel veel water-partijen die door de beken gevoed worden, maar deoorspronkelijke loop daarvan is geheel gewijzigd(figuur 5).InVelp-zuid is overigens weinig ruimte beschikbaar voorgroen; mede door recente "inbreidingen". Het isopvallend dat de bovenstad zich veel beter leent voor hetontwerpen van een groenstructuur dan de bewust-geplande benedenstad. In het noorden vinden we bijvoor-beeld ruime lanen; het heeft het karakter van een villa-dorp. In het zuiden valt veel van de aanvankelijk nogaanwezige ruimte die beplant zou kunnen worden, tenoffer aan de verdichting. Alleen langs de grote verkeers-wegen is wat ruimte, maar in de woongebieden wordende mogehjkheden geleidehjk kleiner.Het beplanten van de brede wegprofielen zou dus eenuitgangspunt voor een groenstructuur kunnen zijn, maarook de waterlopen bieden interessante en voor deze plekkarakteristieke aangrijpingspunten.ONTWERPHoewel de ontwerpvoorstellen in de drie scrip-ties zich op verschillend schaalniveau bewegen is tocheen vergehjking interessant.Op ieder schaalniveau blijken landschap en cultuurhisto-rie bruikbaar als inspiratiebron.ArnhemOntwerp voor een groenstructuur op wijkniveau(figuur 6, zie biz. 16).HetVitesse-stadion op de Schuttersberg inArnhem en deenV15Figuur 5.bijbehorende oefenterreinen worden verplaatst naarArnhem-zuid. Dit biedt een kans om deze plaats zodanigin te richten dat de vingerstructuur versterkt wordt.Hier was oorspronkehjk een dal, maar door de egaliseringten behoeve van de sportvelden is dit niet meer teervaren. Maar dat is te herstellen. Ook de relatie met hetpark Angerenstein kan dan worden hersteld. Dit park isontstaan uit een landgoed in het beekdal. De vijverpar-tijen herinneren daar nog aan. Naar het zuiden zou eenverbinding kunnen worden gemaakt met Presikhaaf, ookeen voormahg landgoed dat nu een stadspark is. Dit kanoecologisch van belang zijn. Naar het noorden kan dewoonbebouwing zodanig ontworpen worden dat eenopen zone bhjft die naar het hoogste punt leidt. Op dietop is er een terras vanwaar men een uitzicht heeft over deomgeving van Arnhem.Aldus zou een relatie gelegd kunnen worden tussen hoogen laag. Het karakteristieke hoogteverschil (70 m) kanzichtbaar gemaakt worden. Net als bij het park Sonsbeekzou hier lets van de vingerstructuur van Arnhemzichtbaar gemaakt kunnen worden.VAN BUITENPLAATS TOT BINNENSTADsenV%%Ontwerp voor Vitesse-terrein.(Schuttersberg) Arnhem.De bovenlOQp van de dalen is opengehouden,terwijl de benedenloop beplant is. Hiervinden we vijvers en beken.Dal met ,,zijdalen TS,,^^^^^^^^ /bosbcbouwingt-W-'.V'V-Vlt'iifm^[^^s=^0 100 200 300 400 mVelpOntwerp voor een groenstructuur op lokaalniveau (figuur 7 en 8).Twee modellen voor een groenstructuur zijn onderzocht.a. Een groenstructuur voor het hele dorp op basis van dewegenstructuur.b. Een groenstructuur die wat betreft de bovenstad isgebaseerd op de karakteristieke elementen aldaar,namelijk de lanen van de landgoederen, terwijl in het lagegebied de waterlopen als uitgangspunt en inspiratiebrondienden.Voor het laatste model is uiteindelijk gekozen, omdat daneen groenstructuur ontworpen kan worden die uniek enspecifiek is.Het is immers juist karakteristiek voor Velp dat het Ugtop de overgang van stuwwal naar spoelzandwaaier en dathet oudere Velp-noord, tegen die stuwwal gelegen, eentotaal andere sfeer heeft dan het meer recente Velp-zuidin het lagere gebied.InVelp-noord zijn we in de sfeer van het stromende water,in Velp-zuid van het stilstaande water.Den HaagOntwerp voor een groenstructuur op agglomera-tieniveau (figuur 9 en 10).Hier is geen detailontwerp gemaakt, maar is op basis vanhet onderzoek een visie opgesteld voor een groen-structuur op agglomeratieniveau; vanuit een landschap-pelijke invalshoek.De belangrijkste drager van de groenstructuur is hetpatroon van strandwallen en strandvlakten, dat tevensFiguur 6.< Rmgdil:tt,rt)J** B^'-s-'^S ?J*?0,V IBeekhiiizense wen? Uordlaanff /tlmmershofstlaanX If Beek /,*weerse laan., Nordlaant;Ro^onhageliian ??, tSLarensteinselaan**r. \ '/log! ?l-J'/^'i^iS"Model 1Groenstructuur Velp op basisvan wegenpatroon.Figuur 7.jj;*^ LAAMBEPLANTINQI-' ; I GROENVOORZENINGENK^T] WATERPARTIJModel 2Groenstructuur Velp op basvan landschappelijke encultuurhistorischeuitgangspuntenFiguur 8.^??^ LAANBEPLAHTINQ[v"! CiROEHVOOSZlENirJGENWATERPARTIJENDe ligging vangroengebieden met een 'modern'karakter t.o.v. hetstrandwallenpatroon. Bron:Haagse groennota.Groengebied met een'modern' karakterBuitenplaatsen4 kmFiguur9.bepalend was voor de patronen, gevormd door de wegen,de buitenplaatsen en de kernen.Vier typen groenelementen worden vervolgens onder-scheiden:* laan-achtige elementen van de eerste orde op de strand-wallen;* laan-achtige elementen van de tweede orde dieloodrecht daarop door de strandvlaktes lopen;* park-achtige elementen op de strandwallen. Meestalmet een buitenplaats-achtergrond en met een duide-lijke orientatie;* park-achtige elementen in de strandvlaktes, meestalrecent en zonder orientatie ("modern" karakter).Buitenplaatsen waren ondubbelzinnig georien-teerd op de weg waaraan ze lagen. Meestal werd die orien-tatie extra zichtbaar in een brug en/ofeen poort(gebouw).Parken (op de strandwal) die een buitenplaats-achter-grond hebben, zouden zich daardoor kunnen onderschei-den van parken die dat niet hebben. Die laatste liggennamelijk in de strandvlaktes; (een voorbeeld daarvan ishet Zuiderpark). Die zouden aan alle zijden gelijkwaar-dige toegangen kunnen krijgen, zonder verschil tussenvoor- en achterzijde.Het zou de moeite waard zijn om ook voor de inmiddelsbebouwde buitenplaatsen te onderzoeken ofook hier datverschil in orientatie een inspiratiebron voor ontwerperszou kunnen zijn. Misschien is het mogelijk om ook diewoonbuurten een duidehjke voor- en achterzijde mee tegeven?Op lokaal niveau zou aldus iets zichtbaar kunnen wordenvan de ligging op de strandwallen. De woonwijken, deparken en de wegen op de strandwallen zouden er andersuit kunnen zien dan die welke in de strandvlakte liggen.Je zou ze dus ook anders kunnen inrichten.Van geval tot geval zou dit onderzocht moeten worden;algemene uitspraken hierover zijn niet mogelijk.De strandwallen zijn hier niet bedoeld als een doel opzich, de structuur van de stad wel.CONCLUSIESDe uitgangshypothese was: landschappelijke encultuurhistorische gegevens zouden vaker gebruikt moe-ten worden bij plannen voor stedelijke groei. Vooral decombinatie van beide is belangrijk.Uit het onderzoek kwam naar voren hoe de vormvan landgoederen en buitenplaatsen zich als het wareweerspiegelt in de vorm van de stad. De rechthoekigevorm van de Haagse buitenplaatsen zien we terug in hetschaakbordpatroon van de stad als geheel, terwijl de vin-gerstructuur van Arnhem een soort afbeelding hjkt vanoooOOOBuitenplaats-achtig karakter;d.w.z. georienteerd op de weg.yModern karakter; d.w.z, nietgeorienteerd; rondomgelijkwaardiq.Als voorbeeldhet deelgebied VanVredenburchweg;buitenplaatsen, parken (eneventueel ook bebouwdegebieden?} georienteerd op deweg.stadscentrum Rijswi:]k.Groengebied met buitenplaatsachtigkarakter.Bebouwde buitenplaatsFiguur 10.VAN BUITENPLAATS TOT BINNENSTADsenVde naar alle richtingen uitwaaierende lanen van de land-goederen.En ook als ze voUedig verdwenen zijn, blijken landgoede-ren en buitenplaatsen een soort gietvorm voor de bebou-wing te zijn geweest. Vooral op het stedelijk groen washun invloed groot.Kan een onderzoek als hier behandeld een denkwijzeopleveren die betekenis kan hebben bij het verdergaandeverstedelijkingsproces en inspiratie opleveren bij hetmaken van plannen voor stedelijke structuren? Wijmenen van wel.De groenstructuur is een facet van de stedelijke structuur,maar geen op zichzelf staand lets. Een groenstructuur isin de eerste plaats een rwtwte-structuur en als zodanigessentieel voor de stad. Groenstructuurplannen moetenin de eerste plaats plannen voor de stedelijke ruimte zijn.Plannen voor verdichting bijvoorbeeld zouden hieraangetoetst moeten worden. Het verdwijnen van voor destructuur essentiele ruimten, groen ofniet groen, kan danvoorkomen worden.Vaak wordt een groenstructuur opgehangen aan de ver-keersstructuur; men probeert door beplanting bijvoor-beeld hoofdwegen te onderscheiden van secundairewegen. Dat kan in iedere stad en leidt vaak tot sterk opelkaar lijkende plannen. Er is immers meestal wel eenrondweg, er zijn radiaalwegen, er zijn aansluitingen aanwegen van een hogere orde enz.Men kan echter ook zoeken naar voor de betreffende stadmeer specifieke inspiratiebronnen, die bijvoorbeeld tevinden zijn in landschap en cultuurhistorie. Dan kan eengroenstructuur ontstaan die uniek is, karakteristiek enspecifiek voor juist die stad of dat dorp.Het een sluit overigens het ander niet uit. Combinatiesvan beide ontwerpmethoden zijn uiteraard mogelijk.Beide staan de ontwerper ter beschikking.Broekstra, I. en B. Buijs, Landgoederen opde helling; Wageningen 1988, SL 346.Blok, E. en S. Hermens, Buitenplaatsen rondDen Haag: Wageningen 1989, SL 380.Hilverda. K. en P. Schmitz. Groenstructuur-plan voor Velp en Rozendaal; Wageningen,1988.Haagse Groennota, Deel 1, Groenstructu-ren; Gemeente Den Haag, 1982.J. van der Zaim is verbonden aan de LandbouwuniversiteitWageningen, Vakgroep Ruimtelijke Planvorming.J.H.J. van DinterenBinnensteden staan opnieuw in het brandpunt van de belangstelling. Datkomt onder meer tot uitdrukking in grootschalige bouwprojecten, maar ookin kleinschalige activiteiten. Het idee heeft postgevat dat bij de revitaliseringvan de binnenstad de direct betrokkenen gezamenlijkverantwoordelijkheidmoeten dragen. In sommige steden krijgt dit gestalte door centrummanage-ment. In dit artikel wordt aan de hand van enkele recent tot stand gekomencentrummanagementorganisaties dieper ingegaan op dit recente fenomeen.CentrummanagementenV19een nieuwe vorm van PPSIn een eerder artikel in dit tijdschrift (Van Din-teren, Tetteroo, 1990) is ingegaan op de beteke-I nis van kwaliteit voor de (toekomstige) concur-rentiepositie van binnenstedelijke winkelcentra. De orga-nisatie van die kwaliteit is, zo werd gesteld, een zaak vanzowel de (lokale) overheid als van de particuliere sector.Als organisatievorm voor kwaliteitsverhogende projectenis centrummanagement genoemd. Dit kan wordenomschreven als een zorgvuldig gepland en gecoordineerdprogramma van beleidsmaatregelen en activiteiten dattot doel heeft een succesvol stadscentrum - in het bijzon-der een succesvol binnenstedelijk winkelgebied - totstand te brengen, te beheren en verder uit te bouwen dooreen nauwe samenwerking tussen lokale overheid, detail-listen, financiers, projectontwikkelaars en andere bij debinnenstad betrokkenen op het gebied van onder meerplanning, promotie en financiering.Centrummanagement moet niet worden verward met degroots opgezette bouwplannen zoals die thans voordiverse binnensteden zijn ontwikkeld. In die gevallenstaat de stedebouwkundige aanpak voorop, is sprake vaneen eenmalige incidentele activiteit en dus van projectma-nagement. Centrummanagement daarentegen richt zichop de ruimtelijke ordening (openbare ruimte), verkeer ende economische structuur, heeft een structured karakteren legt (na herstructurering) een sterke nadruk op hetbeheer (zie ookfiguur 1). Overigens kunnen (grote) stede-bouwkundige projecten wel een onderdeel zijn van hetactiviteitenveld van centrummanagement.Handhaving en verbetering van de kwaliteit van het win-kelgebied is niet alleen een taak van de lokale overheid,maar vraagt even goed om de inzet van het bedrijfslevenomdat juist zij de revenuen ervan zuUen ontvangen. Deeconomischeaspectenh.-toerisme, recreatie-winkels-horeca-overigeeconomischeontwikkelingi kruimtelijkeordening-openbare ruimte-vastgoedvoorwaarden-scheppendverkeer b -bereikbaarheid-parkerenHERSTRUCTUERENENBEHERENACTIVITEITENVELDA'MARKTCERICHTEWERKWIJZEi kCENTRUMMARKETINCkCONSUMENTENCEDRAG EN ATTITUDESFiguur 1. De positie van centrummanagement en het activiteitenveld ervan.publieke sector hoeft het dus niet alleen te doen, maarkan het bovendien niet alleen om redenen van fmancieleaard en omdat de lokale overheid niet op alle punten eensterke inbreng kan leveren. Dat geldt bijvoorbeeld voorde economische functies. Hier kan het (georganiseerde)bedrijfsleven vaak meer bewerkstelligen dan de (lokale)overheid.CENTRUMMANAGEMENTHandhaving en verbetering van de kwaliteit inhet stadscentrum is derhalve gediend met publiek-pri-vate samenwerking. Gelet op de soms gebrekkige organi-satie van de binnenstadsondernemers, hun uiteenlo-pende belangen en daardoor ook hun geschillen, is evengoed samenwerking tussen de private partijen een essen-tiele voorwaarde voor de in het stadscentrum te reaUserenontwikkelingen! Samenwerking tussen de diverse betrok-ken gemeentehjke diensten is eveneens een vereiste. Ditkan bijvoorbeeld door de opzet van een projectorganisatievoor de binnenstad ofhet stadscentrum. Binnen de orga-nisatie mag niet uit het oog worden verloren dat de over-heid haar specifieke eigen verantwoordelijkheden heeft.De lokale overheid dient in haar beleid de verschillendebelangen van de burgers tegen elkaar afte wegen en maghet oor niet uitsluitend bij het bedrijfsleven te luisterenleggen.De werkwijze bij centrummanagement is marktgericht.Het instrumentarium van de marketing dient te wordeningezet en het stadscentrum wordt opgevat als een te ver-kopen produkt. Centrummarketing is een absolute voor-waarde voor centrummanagement. Dit vraagt om enigeverduidelijking van de wijze waarop deze twee zaken zichtot elkaar verhouden.Marketing heeft tot doel aard en richting van de gewensteaanpassing van het stadscentrum aan te geven op grondvan marktonderzoek. Mede op grond daarvan moet ookduidelijk worden op welke groepen van consumentenmen de aandacht wenst te richten. Marketing is een mid-del om op managementniveau de doelstellingen enbeleidsvoornemens ten aanzien van het stadscentrumbeter afte stemmen op de behoeften van de diverse doel-groepen. Mede op grond van de marketinginformatiemoet het management besluiten nemen over
Reacties