73e jAARGANG 1992 jg^jj EXTRA NUMMERStedebouwVolkshuisvestingVOORBEELDPLANNENNAOORLOGSEWOONWIJKENINTERNATIONAL INSTITUTE FOR AEROSPACE SURVEYS AND EARTH SCIENCESDOGThe International Institute forAerospace Surveys and EarthSciences (ITC) is concerned withscientific education,research and consulting insurveying, mapping and geo-information management for theexploitation and conservation ofnatural resources and humansettlement development,particularly in developingcountries. Extensive use is madeofremote sensing,photogrammetric and GIStechniques. All courses at theITC are taught in English.The department of LandResources and Urban Sciencesis one of three scientificDepartments within theInstitute. The emphasis of thisdepartment's educational,research and consultingactivities is on the collection ofland resources and urban data,their interpretation andprocessing and the transfer ofthe generated information to theusers. For the division of UrbanSurvey and Human SettlementAnalyses the Institute invitesapplicants for the post ofUNIVERSITAIR DOCENT GIS/LISfor urban planning and managementm/fTasks:- designing and conductinglectures, tutorials andworkshops for thePostgraduate and MSccourses Geo InformationSystems (GIS) for UrbanApplications and otherrelated courses. Courseelements can vary from thetechnical instruction of a GISpackage to planning relatedtheory and urban GIS/LISappHcations- assessing student progressand performance in thesubjects under his/hersupervision- active participation in theongoing and future researchand consulting activities ofthe Division focusing onGIS/LIS applications forurban planning in developingcountries- supervision of MSc research- conducting missions todeveloping countries inrelation to the above describedtasks- participation in organisa-tional and managementactivities of the Division.Boulevard 1945 nr. 3507511ALEnschedethe Netherlands.Telephone: 053-874444Requirements:- MSc, preferably PhD orequivalent in SocialGeography, Urban andRegional Planning, TownPlanning or a relateddiscipHne- experience with or interest inconducting research leadingto a PhD dissertation- interest in planning andmanagement of cities indeveloping countries- experience in applyingGIS/LIS for urban planning- field and/or project experiencein developing countries isdesirable- good didactic, contactual andorganisational qualities- good command of the Englishand Dutch languages, bothspoken and written- foreign applicants should beprepared to learn the Dutchlanguage.Applicants who do not (yet) fulfilall of the above requirementsbut who have a clear interest inthis position are also encouragedto apply.Salary and conditions ofemployment will be accordingDutch Governmentalregulations.The gross annual salarydepends on experience andqualifications and ranges(including holiday allowance)from Dfl. 44.500,- to Dfl. 97.500,-.In view of the ratio betweenmen and women on the staff atITC, in case of equalqualifications and abilities,preference will be given to afemale candidate.Written applications and adetailed curriculum vitae shouldbe sent within four weeks afterpublication to Mr. Jan G. Droogof the Personnel andOrganization Department ofITC, P.O. Box 6, 7500 AAEnschede, the Netherlands.Additional information aboutthe position may be obtainedfrom drs. V.F.L. Polle, telephone053-874245.Information regarding suitablecandidates will also bewel-comed from third parties.InhoudDENKRAAMHebben naoorlogse woonwijken toe-komstwaarde?J.A.M. Kroese-DuijstersARTIKELEN4 Voorbeeld of voorbeeldig?F, Kuyken, MJ.M. Meertens enA.CM. van der PasOverzicht van de in het kader van het thema"Naoorlogse woonwijken" geselecteerdeideeen, die uitgewerkt worden tot Voor-beeldplan Vierde nota.10 Naoologse woonwijken in breedperspectiefL. de KlerkIn de plannen van aanpak voor naoorlogsewoonwijken wordt vaak te weinig aandachtgegeven aan de positie van deze wijken in destad als geheel. Ingegaan wordt op een aan-tal aspecten: de geografische positieveran-dering, de positie op de stedelijke woning-markt, de woonomgeving, eigendomsver'houdingen en de bestuurlijke context.14 De CIAM-wijken; erfgoed van eentijdverschijnselR.D. LambertSpecifieke eigenschappen van de naoorlogsewijken, gebaseerd op de ClAM-gedachte,worden tegen het licht gehouden. Op niet alte lange termijn zal voor de naoorlogse wij-ken een geheel eigen soort stadsvernieuwingnoodzakelijk worden. Een voorbeeld daar-van kan zijn de aanpak die thans in DenHaag Zuidwest wordt gevolgd.20 Aanpak naoorlogse wijken; is de rolvan de gemeente na 1991 uitgespeeld?H. PriemusMet het in werking treden van het BesluitWoninggebonden Subsidies per 1 januari1992 vervielen de subsidies voor de verbete-ring van naoorlogse huurwoningen. Welkegevolgen kan dit hebben voor de gemeente-lijke bemoeienis met de naoorlogse wijken?26 Voorbeeldplan Stokhasselt]. CustersVoor de wijk Stokhasselt in Tilburg dierecent grondig is opgeknapt, wordt eenbeheerplan opgesteld. Er is echter nog eenaanmerkelijk verschil van opvatting tussengemeente en bewoners over de strekkingvan dat plan. Volgens de gemeente dient hetom de basiskwaliteit van de wijk te handha-ven, volgens de bewoners gaat het er vooralom het dagelijks beheer te decentraliseren.31 Gedaantewisseling van naoorlogsewijkenH. HeegerOm naoorlogse wijken goed verhuurbaar tehouden worden er diverse maatregelen uit-gevoerd. Een deel daarvan leidt tot zichtbarewijzigingen in het uiterlijk van deze wij-ken.SIGNALEN36 CIAM en sociaal veilig ontwerpenH.B.R. van Wegen39 Leerproces voorbeeldplanApeldoorn/ZevenhuizenH.]. Averink42 Publiek/private investeringsstrategie;herordening van de naoorlogse volks-huisvestingW.G.M. Giezeman45 Winkelvoorzieningen inZwoUe/HoltenbroekF.J.M. CohenPUBLIKATIES48 Voorbeeldplannen naoorlogse woonwijken;publikatiesDit nummer werd voorbereid door een redaccie-commissie waarin zitting hadden mr. ir. A.W.Hartman, ir. H. Westra (redactie Stedebouw enVolkshuisvesting), mw.drs. M.J.M. Meertens (se-cretariaat Voorbeeldplannen) en ir. T. Hoenderdos(OTB Onderzoeksinstituut voor TechnischeBestuurskunde TU Delft). Het is tot stand gekomenmet een financiele bijdrage van het SecretariaatVoorbeeldplannen VINEX van de RPD.Stedebouw enVolkshuisvesting73ejaargang 1992extra nummer 1Orgaan van het NederlandsInstituut voor RuimtelijlceOrdening en VolkshuisvestingEen uitgave vanDELWEL Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie:h. H. DekkerMr. A.Ch. FortgensDr. H.j.M. GoverdeIr. P.C. GroenDrs. R. te GrotenhuisMr.ir. A.W. HartmanMw.drs. I.T. KlaasenIr. W. RehMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. P.W.A. VeldMw. mr. Y. de VriesIr. H. WestraRedactiesecretariaat:Mr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. R. te GrotenhuisI. Steenhoff-BoogersRedactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauritskade 21,2514 HD Den Haagtelefoon 070 - 346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnenop het redactiesecretariaat"Richtlijnen voor auteurs"aanvragen.Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.V.Alexanderstraat 26PostbusI9II02500 CC 's-Gravenhagetelefoon 070 - 362 48 00telefax 070 - 360 54 36Advertentieverkoop:Brenda Santestelefoon 070 - 362 48 00Vormgeving!Arie J. LandmanV7 aangesloten bij.notuM NOTU-groepvaktijdschriftenAfbeelding omslagVoorbeeldplan Stokhasselt,Tilburg(foto Gem. Tilburg)Stedebouw m Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 1advjesbureau voorruimtelijk beleid,ontwikkeling eninrichtingRBOI-Rotterdam b.v.Delftsestraat 15bTelefoon 010 - 413 06 20Telefax 010 412 10 39Postbus 1503000 AD Rotterdam |adviseur winkelplanning en centrumstudies m/v signalement van rboj RBOI is een adviesbureau voorRuimtelijke Beleid, Ontwikkelingen Inrichting, gevestigd in Rotter-dam en Middelburg.RBOI voert onderzoeks- en advies-opdrachten uit op het gebied vanruimtelijke planning en ordeningen hiervoor van belang zijnde aan-grenzende beleidssectoren.RBOI werkt voor zo'n 80 gemeen-ten, diverse rijksinstanties, provin-cies en bedrijfsleven.RBOI telt circa 85 medewerkersdie gespecialiseerd zijn in de vak-gebieden die benodigd zijn voorhet brede werkterrein.RBOI kent een werkwijze die voor-al gekenmerkt wordt door:? professionele dienstverleningmet clientgericht maatwerk;? beleidsadvisering met eenaccent op (inter)gemeentelijkniveau;? resultaat-, markt- en uitvoe-ringsgerichte aanpak;? interdisciplinaire samenwerkingmet alle relevante disciplinesonder een dak;? kostenbeheersing met open be-groting, gebudgetteerde en ge-faseerde uitvoering.RBOI is een professionele organi-satie met:? korte kommunikatielijnen en in-formele werksfeer;? appel aan initiatief, brede ver-antwoordelijkheid, kwaliteit eninzet;? veel samenwerking In interdisci-plinaire projectteams;? ontwikkeling van nieuwe pro-dukten;? afwisselend work en veel ex-terne contacten. ultdagende opgaven voor detoekomst RBOI heeft een groeiende en veel-zijdige opdrachtenportefeuille vooreen dynamisch werkterrein metveel actuele vernieuwing. Onzeopdrachten op gemeentelijk en/ofregionaal schaalniveau hebbenbetrekking op:? ruimtelijke ordening en planning? stedebouw en inrichting vanopenbare ruimten? sociaal en economisch onderzoek? milieu? verkeer en vervoer? landschap en ecologie? toerisme en recreatie? organisatie en management-ondersteuningNaast geintegreerde onderzoekenen adviezen voeren wij diversesectorale opdrachten uit, zowelvolledig binnen ons bureau, als innauwe samenwerking met eigendiensten van onze opdrachtgeversof met gespecialiseerde anderebureau's.Samen werken wij aan boeiendeopgaven in dienst van beleid voorde toekomst. een functie voor u? Bij RBOI Rotterdam is er binnende sector sociaal en economischonderzoek plaats voor een advi-seur winkelplanning en centrum-studies.Tot uw werkzaamheden behoren:- het in samenwerking uitvoerenvan onderzoek en het uitbrengenvan adviezen ten aanzien vangewenste en haalbare winkel-ontwikkelingen op lokaal niveau;- het verrichten van studies naarde ontwikkeling van stads- endorpscentra;- het uitbrengen van adviezen tenaanzien van de planning vanniet-commerciele voorzieningen(scholen, e.d.);- het leveren van bijdragen aan deopstelling van structuurstudiesen bestemmingsplannen.Verwacht wordt dat u na een inwerk-periode zult optreden als zelfstandigonderzoeker en beleidsadviseur.Voor de functie zoeken wij kandi-daten met:- een relevante opieiding op uni-versitair niveau (planologie, ruim-telijke economie, economischegeografie);- een gedegen kennis op het ter-rein van de ontwikkeling vanstads- en dorpscentra;- kennis van en affiniteit metdetailhandel en overige commer-ciele en niet-commerciele voor-zieningen;- kennis van en affiniteit met hetuitvoeren van kwalitatief enkwantitatief marktonderzoek.Van de kandidaten verwachten wijvoorts:- een uitgesproken geschiktheidom in teamverband te werken;- een uitstekende schriftelijke enmondelinge uitdrukkingsvaar-digheid;- kennis van en ervaring met com-putergebruik (Dbase, Lotus);- een werkinstelling die past bin-nen de organisatie en cultuurvan het bureau. bent u ge'i'nteresseerd? Nadere informatie over deze func-tie kunt u krijgen bij ir. R de Knegten drs. J. R Sluijs (telefoon010-4130620). Uw schriftelijke sol-licitatie ziet de directie van RBOImet veel belangstelling binnentwee weken tegemoet.Hebben naoorlogse woonwgkentoekomstwaarde?Naoorlogse woonwijken hebben zo'n groot aandeel in onzewoningvoorraad en bepalen daannee ook zo sterk het stede-lijke beeld, dat de vraag naar hun toekomstwaarde met rechtgesteld wordt.In de Vierde nota wordt aandacht gevraagd voor het verhogenvan de kwaliteit van deze wijken.Toekomstwaarde is - naast gebruikswaarde en belevingswaarde -een bepalend element van ruimtelijke kwaliteit.Bij nationaal ruimtelijk beleid denken we vooral aan de meergrootschalige inrichtingsvraagstukken. Dat is begrijpelijk omdathet om rijksbeleid gaat, maar toch gaat dat te snel voorbij aan deaandacht die er in de nota's wordt besteed aan de kwaliteit van dedagelijkse leefomgeving en de ruimtelijke basiswaarden daarbij:schoon, goed onderhouden, veilig, gevarieerd en keuzemogelijk-heden biedend. De betrokkenheid van het Rijkis natuurlijk minder direct. De dagelijkse leef-omgeving is primair de zorg van degenen diedaar ook actief zijn. Het Rijk heeft slechts eenstimulerende rol, die onder andere vorm heeftgekregen in het project VoorbeeldplannenVierde nota.DenkraamDe naoorlogse woonwijken zijn alleen aldoor hun omvang sterk medebepalend voor de kwaliteitvan de dagelijkse leefomgeving. Over de naoorlogse bebouwdekom stelt de regering in de ontwerpnota "BELSTATO" dat erincidenteel (deel)problemen kunnen voorkomen. Die beperkenzich dan meestal niet tot de volkshuisvesting. Zij hebben ooksociaal-economische en sociaal-ruimtelijke kanten. Indicatorenzoals structurele leegstand en achterstallig onderhoud kunnen demate van verval bepalen; oplossingen zijn daarmee nog niet aan-gegeven. Die moeten zich met name richten op de achterlig-gende complexe processen.De wijken met hoofdzakelijk eengezinswoningen zijn destijdsgebouwd om zo snel mogelijk te voldoen aan de grote woning-vraag na de oorlog. Inmiddels zijn wijzigingen opgetreden: de drukop de woningmarkt verschilt nu sterk per gebied, er is vraag naarmeer diiferentiatie in woningtypen en ook de allochtonen met huneigen wooncultuur vragen om een specifiek woningaanbod.Gezien de toekomst is het van groot belang om de positie vastte stellen, die een bepaalde wijk zal moeten gaan innemenbij een veranderende vraag- en aanbod-situatie op de stadsgewes-telijke woningmarkt. Soort en prijs/kwaliteitsverhouding vanwoningen, de kwaliteit van de woonomgeving, de relatie van dewijk met haar omgeving, vragen om zorgvuldige heroverweging,wil men tegemoet komen aan de grote verscheidenheid in leef-stijlen en de vraag naar een grotere verscheidenheid in woning-typen en woonmilieus. Ik ga er al vanzelfsprekend van uit dat denaoorlogse wijken onderdeel vormen van een integrate aanpakvoor het hele stedelijke of stadsgewestelijke gebied. Het struc-tuurplan is dan ook het meest geschikt als kader voor zo'n aanpak.Algemene maatschappelijke processen op demografisch, sociaalen economisch gebied kunnen daarin worden afgezet tegen despecifiek regionale en lokale omstandigheden. Ruimtelijkeaspecten komen expliciet aan de orde. Ook moet rekeninggehouden worden met de factor tijd, waarbij het zowel gaat omhet tempo van de ontwikkelingen als om de fasering van de maat-regelen. Met name bij de naoorlogse woonwijken moet het den-ken in termen van beheer en realiseerbaarheid van maatregelenvoorop staan.Fysieke ingrepen zoals renovatie, sloop en nieuwbouw en herin-richting van de woningomgeving zuUen nodig blijven. Zeker zobelangrijk is het bewerkstelligen van meer procesmatige verande-ringen. AUe partijen dienen zich te herorienteren op hun speci-fieke rol. Het Rijk zal daarin slechts marginaal meespelen, dat zalduidelijk zijn. Wil het beleid voor de naoorlogsewijken ook toekomstwaarde hebben, dan is hetnodig dat alle actief betrokkenen het eens zijnover het beeld van zo'n wijk voor de lange ter-mijn. De lokale overheid moet daarvoor hetinitiatiefnemen, maar zal daarbij alle betrokke-nen moeten inschakelen. Positieve ervaringenin diverse gemeenten tonen aan dat alertheidop het ontstaan van problemen en een geza-menlijke aanpak door gemeenten, woningbouwcorporaties enparticulieren een voorwaarde zijn voor het behoud en de toe-komstwaarde van deze gebieden.Zo werd het "vervalsignaleringssysteem" voor de wijk Paauwen-burg in Vlissingen aanleiding om het systeem op het hele naoor-logse gebied toe te passen. Ad hoc beslissingen worden zo voor-komen. Verbeteringsvoorstellen worden daarmee gebaseerd opeen methodische structurele en integrale aanpak. In Tilburg is dewijk Stokhasselt gebruikt als prototype van het stadsbeheerplanwaarbij in wezen dezelfde doeleinden worden nagestreefd als inVlissingen. Ook Den Haag Zuidwest, Zevenhuizen in Apeldoomen de Zuidelijke Tuinsteden van Rotterdam kunnen genoemdworden.In alle gevallen is de betrokkenheid verbreed. Niet alleen strevende gemeenten naar een betere samenwerking tussen diensten eninstellingen, maar vooral de eigenaren en bewoners hebben eenvaste en onontbeerlijke rol in het samenspel gekregen.De toekomstwaarde van naoorlogse wijken is niet zozeerafhankelijk van hun huidige kwaliteit. Het is belangrijkerdat de noodzakelijke processen op gang worden gebracht om detoekomstige positie van deze wijken te bepalen, om de nodigeveranderingen te realiseren en om een goed beheer te organise-ren.Dat vraagt een forse inspanning van alle betrokken partijen!mr. J.A.M. Kroese-Duijsters,Directeur Generaal van de Ruimtelijke Ordening.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1BVoorbeeld of voorbeeldig?Het project Voorheeldplannen Vierde nota is in hetleven geroepen ah instrument ter verhetering vande dagelijkse leefomgeving. In een jaarlijksterugkerende cyclus roept de RijksplanologischeDienst de samenleving op de ideeen in te z^nden terverhetering van die dagelijkse leefomgeving ophepaalde heleidsterreinen. Een team van deskun-digen selecteert de beste ideeen (vernieuwend envoorbeeldmatig) die vervolgens met financiele steunvan het Rijk vuorden uitgewerkt tot VoorheeldplanVierde nota. In dit nummer staat een projectthemacentraal: Naoorlogse Woonwijken.Ir. F. Kuyken,drs. MJ.M.Meertens enir. A.C.M.van der PasSecretariaatVoorheeldplannenRijksplanologische DienstIn de Vierde nota over de Ruimtelijke Ordeningwordt bijzondere aandacht gevraagd voor de ver-anderingen in de dagelijkse leefomgeving, nu enin de toekomst. Om de ideevorming over de wijzewaarop die veranderingsprocessen kunnen wordenbegeleid te stimuleren, is in 1989 het project Voor-beeldplannen Vierde nota bij de RijksplanologischeDienst van start gegaan.In het project wordt ervan uitgegaan dat ideeen oververhetering van de dagelijkse leefomgeving vooral bijde direct betrokkenen leven. Het Rijk vervult eenintermediaire rol enerzijds door werving en selectievan ideeen en het toekennen van financiele middelenvoor de uitwerking van interessante inzendingen,anderzijds door de discussie hierover op gang te bren-gen met gebruikmaking van publicitaire middelen.In oproepbrochures heeft de RijksplanologischeDienst aan particulieren, organisaties en lagere over-heden gevraagd om nieuwe visies te ontwikkelenvoor een aantal specifieke thema's ten aanzien vande dagelijkse leefomgeving. In 1989 en 1990 was eenvan de thema's "naoorlogse woonwijken". Centraalstond de vraag: "Welke stedebouwkundige verande-ringen zijn nodig om vorm en functie van naoorlogsewoonwijken ook in de toekomst op elkaar afte stem-men?". Het ging daarbij om de ruimtelijke inrichtingvan het gehele gebied. Bovendien werd aandachtgevraagd voor de positie van de naoorlogse woonwij-ken op de regionale woningmarkt en de kwaliteitvan het milieu ter plaatse.Hoewel het project Voorheeldplannen zich in hetbijzonder richt op de rol die de ruimtelijke inrichtingkan spelen bij de begeleiding van veranderingspro-cessen en de verhetering van de dagelijkse leefomge-ving, blijkt uit de vele publicaties over de problemenin de naoorlogse wijken duidelijk, dat er veel meerfactoren zijn die de veranderingsprocessen in die wij-ken bepalen. Strategieen voor de aanpak van de pro-blemen moeten dan ook integraal zijn en alle vanbelang zijnde factoren omvatten. Bovendien moetafstemming plaatsvinden van processen op verschil-lende schaalniveaus.De naoorlogse wijkenBinnen de aanduiding "naoorlogse woonwijken" iseen breed scala van buurten en wijken samengevatmet verschillende stedebouwkundige, bouwkundigeen maatschappelijke structuur. De perioden waarindeze buurten en wijken tot stand kwamen zijn medebepalend voor hun aanzien en karakter.Voor de stedebouwkundige vormgeving van deplannen speelden in de naoorlogse periode de"CIAM"-denkbeelden (de uitkomsten van een aan-tal congressen onder de naam "Congres Intematio-naux d'Architecture Modeme") een belangrijke rol.Hoewel de CIAM-ideeen over de neerslag vanmaatschappelijke structuren in stedebouwkundigeplannen al vrij spoedig aan invloed verloren, hebbenmet name de ruimtelijke scheiding van functies ende open verkaveling nog heel lang een stempel opveel plannen gedrukt. Bij CIAM-denkbeelden enhun fysieke neerslag in naoorlogse woonwijkenwordt in de artikelen van Lambert en van VanWegen (resp. pag. 14 e.v. en 36 e.v.) stilgestaan.Naast de ideeen over de stedebouwkundige vormge-ving heeft ook het soort woningbouw het leefkli-maat in sterke mate bepaald. De druk van dewoningnood en economische overwegingen hebbengeleid tot woningtypen en bouwmethoden die vaakeen overheersende invloed op de beleving van deomgevingskwaliteit hebben gehad.Inmiddels staan de naoorlogse woonwijken onderdruk van - deels voorziene - maatschappelijke ver-anderingen zoals:- andere huishoudenssamenstelling en woonge-woonten dan waarvoor oorspronkelijk werdgebouwd, hetgeen leidt tot een discrepantie tussenvraag en aanbod;D Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1- afnemende druk op de woningmarkt waardoormen met leegstand wordt geconfronteerd;- het toegenomen aantal inactieven die sterker zijnaangewezen op hun directe woonomgeving;- toegenomen - beleving van - sociale onveilig-heid;- toegenomen autobezit en gestegen mobiliteit.Veelal slaan deze veranderingsprocessen en de staatvan de stedebouwkundige en bouwkundige gege-venheden een kloof tussen de aanwezige en degewenste kwaliteit.Door een samenloop van negatieve aspecten van demaatschappelijke veranderingen en de bestaandefysieke omgeving kan een buurt, complex of wijk ineen zichzelfversterkend vervalproces terechtkomen.De subjectieve negatieve beleving zal mogelijk zijninvloed hebben op de acceptatie van woningen in dewijk of aanleiding geven tot een versterkte neigingtot vertrek. Dat een dergelijke ontwikkeling niet losgezien kan worden van de regionale woningmarkt-ontwikkeling is duidelijk.De oogst aan ideeenIn het kader van het project Voorbeeldplannen wer-den in 1989 en 1990 ruim 60 ideeen ingezonden terverbetering van de naoorlogse woonwijken. Eenkorte samenvatting van deze ideeen is weergegevenin de ideeenboeken Voorbeeldplannen 1989 en1990. De inzendingen tonen een grote varieteit aanplanningsniveaus, te weten stad of stadsdeel, wijk ofbuurt en de directe woonomgeving. Daamaast kun-nen ze worden onderscheiden naar meer integraledan wel aspectgerichte oplossingen.Uit het totale aanbod van ingezonden ideeen kooseen selectiecommissie een achttal ideeen dat aan deMinister van VROM werd voorgedragen om uit telaten werken tot Voorbeeldplan Vierde nota.Bij de uiteindelijke selectie is getracht de bovenge-noemde variatie ook in de uitwerkingen zo goedmogelijk tot zijn recht te laten komen. In het kort zalnu worden ingegaan op de ingezonden en geselec-teerde ideeen, gegroepeerd volgens de eerdergenoemde indeling in planningniveaus.Stads- en stadsdeelniveauOp het stads' ofstadsdeelniveau worden oplossingenmet name gezocht in het vergroten van de samen-hang tussen de verschiUende wijken onderling enhet versterken van de relatie met het centrale stede-lijke gebied. Daarbij gaan de ideeen in op:- het introduceren van levendige en veilige verbin-dingsroutes;-- het verminderen van barrierewerking;-- het herinrichten van groengebieden als verbin-dend in plaats van scheidend element;- herstructurering en verbetering van de spreidingvan voonieningen;--yy' VIERDE NOTADE NAOORLOGSE WIJKENIN VLISSINGEN?en idee van die gemeente Vtissingen uitgewerkt~? tot Voorbeeldplan Vierde Nota^, > ;.Ml ""v^tncmi5omooI*TMmm- heroverweging van het stedelijk woningbouwbe-leid om onevenwichtigheden in woningverdeling entoewijzing tussen de verschiUende segmenten te ver-minderen;- aanpassing van de gemeentelijke organisatie ensamenwerkingsstructuren.Opvallend is dat op dit niveau in verhouding meeraandacht wordt gegeven aan het verbeteren vanprocesmatige aspecten dan aan de mimtelijke struc-tuur.Voorbeelden van een benadering van de proble-matiek op stedelijk of stadsdeelniveau zijn onderandere in de volgende inzendingen terug te vinden:Groningen Noordoost Flank, Eemsmondgebied/Appingedam-Delfzijl, Maastricht West en Rotter-dam Zuidelijke Tuinsteden. Uitwerkingen van inge-zonden ideeen op dit niveau zijn Vlissingen en Til-burg.Voorbeeldplan''ISSaoorlogse Wi]ken in Vlissingen"Vlissingen wordt geconfronteerd met leegstand entekenen van verpaupering in verschiUende wijkendie na de oorlog werden gerealiseerd. De centralevraag in Vlissingen is op welke wijze, bij een aftie-mend inwonertal, kan worden voorkomen dat deproblematiek van verval en verpaupering zal ver-schuiven van de wijken die in eerste instantie wor-den aangepakt naar andere wijken die gevoelig zijnvoor negatieve ontwikkelingen. Het idee behelsdehet ontwikkelen van een methodiek waarmee op hetniveau van de stad potentiele probleemgebiedenkunnen worden ge'identificeerd en die inzicht kanStedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1BVoorbeeldplannen Vierde notabieden in de maatregelen die nodig zijn om verval tevoorkomen.Het voorbeeldplan zou zich moeten richten op hetontwikkelen van een methode die verband legt tus-sen vervalindicatoren en de ruimtelijke kwaliteit opde schaal van de stad. Daamaast zou een vertalinggegeven moeten worden naar te nemen maattegelenen eventuele ruimtelijke ingrepen.De uitwerking heeft een bmikbare methode opgele-verd om vervalgevoelige gebieden op te sporen.De ruimtelijke analyse geeft daarbij aanwijzingenvoor ruimtelijke maatregelen zowel op stedelijkniveau (zoals de reconstructie van de ontsluitings-structuur van de wijken met de binnenstad) als ophet niveau van de betrefFende wijken (van herorien-tatie tot sloop en herbouw van woningen).Opvallend is dat bij de toepassing van de methodiekook wijken geheel bestaande uit eengezinswoningennaar voren kwamen als potentiele probleemgebie-den. Niet alleen de geisoleerde ligging ten opzichtevan de stad en de aanliggende wijken maar ook deinrichting van de wijk wordt negatief ervaren. Datkon geconstateerd worden uit vergelijking met anderewijken die een soortgelijke ligging ten opzichte van destad hebben. In de beleving van de bewoners bleekeen onduidelijke afbakening van het privegebied tenopzichte van het openbare gebied vaak de belangrijk-ste oorzaak te zijn waarom negatief op de ruimtelijkeinrichting wordt gereageerd.Voorbeeldplan Tilburg StokhasseltIn Tilburg is voor de gehele stad een stadsbeheerplanopgesteld. Uit dit beheerplan bleek dat in Stokhas-selt duidelijk negatieve ontwikkelingen de leefbaar-heid in gevaar brachten. Zogenaamde basiskwalitei-ten die het Stadsbeheerplan onderscheidt, worden inStokhasselt niet gehaald.Het voorbeeldplan zou betrekking hebben op de aan-pak van Stokhasselt in het kader van het stadsbe-heerplan. Met name de afstemming van de woning-voorraad op de veranderende bevolkingssamenstel-ling en de invloed die dat zou hebben op de ruimte-lijke inrichting van en de voorzieningen in de wijkstonden centraal. Bovendien ging de belangstellinguit naar de wijze waarop bevolking en andere belang-hebbenden in het proces zouden worden betrokken.De uitwerking van het plan is vooral gericht op deorganisatorische aanpak en het ontwikkelen van eenbeheerplan dat een vertaling moet krijgen in eenbestemmingsplan.Tijdens het proces zijn verschillende organisatori-sche en beheermaatregelen gerealiseerd. Het creerenvan een centraal punt waar men met problementerecht kan en van waaruit snel actie kan wordengenomen om problemen te verhelpen, bleek eenbelangrijke zaak.Ten aanzien van de woningen was reeds besloten dateen deel van de hoogbouw zou worden gerenoveerden een deel zou worden afgebroken en vervangendoor eengezinsbouw in de vrije sector om meer diffe-rentiatie in de bevolkingssamenstelling mogelijk temaken.De ruimtelijke hoofdstructuur, bestaande uit eendrietal min of meer gelijke buurten gebaseerd opCIAM-ideeen, met verschillende randbebouwingbleek op zich goed te functioneren. Er werd wel voor-zien in een aantal verbeteringen op een lager schaal-niveau, namelijk een overzichtelijkere inrichtingvan het stadspark, concentratie van de detailhandelen een kleurenplan om de gelijkvormigheid te ver-minderen en de herkenbaarheid van de verschil-lende buurten te vergroten. Ciisters geeft op pag. 26en verder een beschrijving naar aanleiding van hetplan.Wijk- en buurtniveauBij het wijk- of buurtniveau is een verschil te consta-teren in de voorstellen voor aanpak van gebiedenmet (voomamelijk) hoogbouw en van gebieden dieuitsluitend uit eengezinswoningen bestaan.De eerstgenoemde groep - gebieden met (vooma-melijk) hoogbouw - leverde de meeste inzendingen.Dit bevestigt het beeld dat juist daar de grootste pro-blemen liggen. De behoefte aan een integrate aan-pak, mede bedoeld om tot een beheerplan voor dewijk ofbuurt te komen, is hier kenmerkend. Ook hetbetrekken van de bewoners in de planvorming komtveel voor. Slechts zelden wordt vetvanging vanwoningtypen die tot problemen aanleiding geven alsoplossingsrichting naar voren geschoven. Waar-schijnlijk omdat bij voorbaat duidelijk is dat definanciele problemen die hieruit voortvloeien moei-lijk zijn op te lossen.Voorstellen op het sociaal-maatschappelijk terrein,zoals huismeesters, woningtoewijzing, e.d. nemen bijde inzendingen een duidelijkere plaats in dan ruim-telijke ingrepen. Als maatregelen in hetruimtelijkvlak gaat het voomamelijk om:- functieveranderingen binnen de bebouwing ofnieuwbouw bij correctie van de eenzijdige structuurvan de wijk;- aanpassing van de verkeersstructuur vooral methet oog op het beperken van onnodig verkeer enverbetering van de veiligheid voor het langzaam ver-keer;- herinrichting van de openbare ruimten tussen degebouwen met het oog op openbare veiligheid enom beter gebruik en beheer te stimuleren onderandere door herkenbaarheid als openbaar of privegebied te verbeteren;- versterking van de orientatiemogelijkheden en deherkenbaarheid van de structuur van de wijk dooropheffing van de eenvormigheid, kleurgebruik, endergelijke.Uitwerkingen van ideeen die onder deze groep val-len zijn Apeldoom Hoogbouw Zevenhuizen, Hen-gelo Es Noord en ZwoUe Holtenbroek.VoorbeeldplanApeldoom Hoogbouw ZevenhuizenIn het voorbeeldplan richt de gemeente Apeldoomde aandacht op een aantal in verval verkerende gale-rijflats in de wijk Zevenhuizen. Hier doen zich nega-tieve ontwikkelingen voor, die in belangrijke matezouden zijn terug te voeren op de ruimtelijke en ste-Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1debouwkundige opzet van de wijk. De aanpak zouzich richten op drie aspecten, te weten woningtoe-wijzing, technische aanpak (gebouwen en omgeving)en sociaal-culturele en maatschappelijke zaken, uit-mondend in een beheerplan. Het voorbeeldplan zouvooral de integrale aanpak van fysieke, mimtelijke,sociale, huisvestings- en financiele aspecten moetenweergeven en bovendien de wijze van samenwerkingtussen alle betrokkenen moeten schetsen.Aan de opdtacht bleek niet geheel te kunnen wordenvoldaan; de mimtelijke aspecten bleven in het planonderbelicht. Dit is opmerkelijk gezien een conclusieuit het NCIV-onderzoek (in opdtacht van degemeente), waatin wordt geconstateetd dat bouw-kundige en stedebouwkundige aspecten een belang-fijke fol spelen in de beleving en daarmee ook in deverhuufbaatheid van de woningen.Wei zijn er inmiddels een aantal maattegelen vooi-bereid c.q. uitgevoerd zoals:- verhogen hetkenbaarheid van de flats gelijktijdigmet extta ondethoud: het aanbrengen van namen,het toepassen van eigen kleuten en vemieuwen vanenttees;- regelmatiger ondethoud, aanstelling huismeesters,signaletingssysteem;- ondetsteuning bewonetscommissie door opbouw-werk, herinrichting van het buurtcentrum;- enkele aanpassingen in de woonomgeving.De aanpak vertoont door deze ontwikkelingen geenbijzondere voorbeeldmatige aspecten meet. Averinkzal in zijn bijdtage (pag. 39 e.v.) nader ingaan op hetplanproces.Voorbeeldplan Hengelo-Hengelose Es NoordDe wijk Hengelose Es Noord is ontworpen doot Vande Broek en Bakema en wordt gekenmerkt door eenmenging van laagbouw, middelhoge bouw en hoog-bouw, hofjes en een ontsluiting via woonstraten. Inde wijk met name in de (middel-)hoogbouw doenzich woningmarktproblemen, woontechnische enexploitatieproblemen voor.Het voorstel hanteert een te verbeteren stedebouw-kundige structuur als drager voor nieuwbouw en ver-bouw. Deze nieuwe structuur zou moeten fungerenals "een perspectief biedend raamwerk waarbinneneen gevarieerde en flexibele ontwikkeling van dewijk kan groeien". Men zoekt in Hengelo naar eenpassende schaal voor het woongebied Es Noord.Aansluitend zouden maatregelen op het gebied vantoewijzingsbeleid, beheer en sociaal-culturele ont-wikkeling genomen moeten worden.Er is inmiddels met de direct bettokkenen (bewonersen eigenaars) een nieuwe hoofdopzet overeengeko-men op basis van knelpuntenanalyse. Daarin is onderandere sprake van (gedeeltelijke) sloop van enigecomplexen ten behoeve van de green- en verkeers-structuur. De vraag is hier aan de orde ofhet gevolgdebesluitvormingsproces, waarbij als het ware eenmaximale knelpunteneliminatie plaatsvindt, vol-doende rekening houdt met de kenmerkende kwali-teit van de oorspronkelijke ruimtelijke structuur.Voorbeeldplan Zwolle HoltenbroekHoltenbroek heeft een stedebouwkundige opzetgebaseerd op CIAM-ideeen. Het is een ruim opge-V"-yiJ^ ViEROENOTAEEN WIJKBEHEERPLANVOORSTOKHASSELTEen idee van de gemeente Tllburg, uitg??(?rkttot Voorbeetdpian Vlerde nota'feft -,,'zette wijk met veel groen. Toch zijn er een aantalindicaties die kunnen wijzen op het begin van eenvervalspiraal en die dus vroegtijdig ingrijpen verlan-gen. Een veranderende bevolkingssamenstellingbegint te resulteren in een verminderd draagvlakvoor de voorzieningen en versterkte verhuisbewegin-gen. Daamaast is er een verminderde zorg voor deopenbare ruimte en enige stijging van de criminali-teit waameembaar.Het voorbeeldplan zou vooral gericht moeten zijn opeen - in samenspraak met de bevolking op te stellen- pakket van maatregelen op maatschappelijk enruimtelijk terrein. Dit pakket zou de negatieve ont-wikkelingen moeten voorkomen. Het doel is tekomen tot een herinrichting van de wijk, geschiktvoor de toekomstige bevolkingssamenstelling. Maat-regelen moeten betrekking hebben op de ruimtelijkestructuur, woningbouw, voorzieningenstructuur enin het algemeen op de belevingswaatde van de open-bare ruimte en bebouwing. Inmiddels zijn enkele bin-nen de projectgroep uitgewerkte voorstellen aan debevolking voorgelegd. Deze reageerde in eerst instan-tie nogal negatief op de voorstellen. Men is meetgeinteresseerd in het verhelpen van direct zichtbareknelpunten dan in structuurverbetering op lange ter-mijn. De gemeente zal haar strategie aanpassen omtoch het benodigde draagvlak te verwerven. Colsenbeschrijft een en ander op pag. 45 en volgend.Gebieden met eengezinswoningenBij de groep gebieden met eengezinswoningen gaathet vaak om situaties waar de druk op de woning-markt is afgenomen. Op dat moment komen demimtelijke tekortkomingen van het plan duidelijknaar voren.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1BVoorbeeldplannen Vierde notaAls oplossingsrichting wordt in het algemeen eenbetere aansluiting op de regionale woningbehoeftenagestreefd door het bieden van een grotere diffe-rentiatie in het woningbestand. In ruimtelijk zingaat het om verbetering van de orientatie van dewoning, om verkeerswerende maatregelen en omhet parkeerprobleem en het tekort aan speelmimteop te lossen. Ook het verbeteren van het imago vande wijk of buurt wordt vaak genoemd.Voorbeelden van deze groep zijn: Gendt Staatslie-denbuurt, Zevenaar Stegeslag en Emmeloord DeWadden/De Lauwers. Lelystad Wijk 1 Noord is eenidee dat uitgewerkt wordt tot Voorbeeldplan.Voorbeeldplan Lelystad Wijk I NoordDe wijk 1 Noord is een wijk van eengezinswoningengebouwd volgens een stedebouwkundig plan dat vanhoge kwaliteit ward geacht. Op het moment echterdat in de regio veel nieuwe woningen beschikbaarkwamen begon zich leegstand in deze wijk voor tedoen. Toen kwamen ook de negatieve aspecten vanzowel de bebouwing als bet verkavelingspatroon aanbet licbt. Ten aanzien van de woningen ontstondeen negatieve beeldvorming: saai, plat dak, verou-derde indeling en slechte isolatie. De verklavelingmet tuinen aan de doorgaande wegen werd als nega-tief ervaren. De oorspronkelijk op de wijk gerichtevoorzieningen in de aansluitende groenzone verlorenbun lokale betekenis; de nieuwe functie gericbt opeen groter gebied werd als onrustgevend ervaren.In bet voorbeeldplan ligt de nadruk vooral op dewijze waarop een wijk baar concurrentiepositie zoukunnen bebouden bij een afnemende druk op de (re-gionale) woningmarkt. Daarbij speelt in dit gevalook de beeldvorming van het wonen in Lelystad inbet algemeen een rol.Maatregelen worden niet zozeer gezocbt in de aan-passing van de boofdstructuur die nog goed voldoet,maar meer in het verbeteren van de detaillering vanbijvoorbeeld bet ontsluitingssysteem. Ook hetwoningbestand wordt aantrekkelijker gemaakt doorhet aanbrengen van een grotere differentiatie invorm (zie Heeger pag. 31 en volgend) en eigendoms-verhouding en door aanpassingen in de directewoonomgeving. Bovendien zal een zorgvuldiger toe-wijzingsbeleid worden betracht.Directe woonomgevingEen categorie ideeen richt zich op de directe woon-omgeving. Het gaat dan vooral om aanpassingenvan en toevoegingen aan de gebouwen en com-plexen. Ook de voorstellen die betrekking hebbenop een enkel gebouw vallen onder deze categorievan inzendingen. Er worden verschillende oplos-singsrichtingen gesuggereerd die betrekking hebbenop toegangen, blinde begane grondverdiepingen endergelijke.Een ander belangrijk aandachtsveld vormen deruimten tussen de gebouwen. Er worden oplossingenaangegeven voor de ruimtelijke inrichting van dedirecte omgeving van de woningen. Openbare vei-ligheid, verkeersveiligheid, verbindingsroutes naaropenbaar vervoer en voorzieningen krijgen hierbijaandacht. Tevens komt verbetering van de herken-baarheid en van de duidehjkheid over de status alsopenbaar of privegebied vaak naar voren.Daamaast wordt in deze categorie van inzendingenvaak aandacht geschonken aan de organisatie vanhet beheer en bewonersparticipatie tijdens de plan-vorming. Voorbeelden van deze groep zijn; Bruns-sum Klaver 4, P.O.N. Verplaatsen of Verpozen,Gorinchem Stalkaarsenflat en Delft Het Rode Dorp.Een idee dat wordt uitgewerkt tot voorbeeldplan isDen Haag-Morgenstond.VoorbeeldplanDen Haag-Morgenstond (O.B.O.M.)In het voorstel werd de aandacht gevestigd op het feitdat naoorlogse woonwijken werden opgebouwd uitmin of meer individuele projecten waardoor de ste-debouwkundige invuUing als een lappendeken over-komt. Datzelfde is geconstateerd bij de aanpak van derenovatie waarbij te weinig aandacht wordt besteedaan de onderlinge ruimtelijke samenbang. De indie-ners introduceren bet begrip "patroon", doelend opontwerpvoorstellen die leiden tot meer samenbangen continu'iteit.Het voorbeeldplan zou zich richten op bet ontwikke-len van een raamwerk waaraan verbeteringsvoorstel-len van woningbouwcomplexen zouden moeten vol-doen met name t.a.v. de woonomgeving en de conti-nu'iteit van de openbare ruimte. Het raamwerk zougebruikt kunnen worden om verschillende eigenarenen bebeerders van openbare ruimte op een lijn tekrijgen bij de verbetering van een wijk.De uitwerking van dit project beeft geleid tot eenstaalkaart van kleinere architectoniscbe en ruimte-lijke ingrepen voor het verbeteren van de woonom-geving op scbaal van de wijk. Daarbij is een relatiegelegd met het type woningen en de verduidelijkingvan de ruimten in openbaar, semi-openbaar en prive.Er wordt thans getracht bet gebruik van bet raam-werk operationeel te maken.AspectenEen aantal inzendingen is typisch aspectgericht. Hetbetreft dan overigens vrijwel steeds zaken die in dehierboven beschreven meer integrate benaderingenook aan de orde komen. Het gaat hierbij om: socialeveiligheid, bijzondere bouwkundige ingrepen of toe-voegingen, openbaar vervoer, kunst, kleurgebruik endergelijke.Ook aspectgericht is een aantal inzendingen meteen organisatorische en financieel-economischgerichte signatuur, waarbij het gaat om organisatie-structuren, signaleringssystemen e.d. Den HaagZuidwest is een uitwerking in deze categorie.Voorbeeldplan Den Haag ZuidwestHet voorbeeldplan Den Haag Zuidwest is eropgericbt een integrale metbodiek te ontwikkelen voorde aanpak van naoorlogse wijken, zoals Bouwlust,Vrederust, Morgenstond en Moerwijk. De metbo-diek biedt een stedebouwkundig, volksbuisvestelijkStedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1en financieel kader, waarbinnen de programmeringvan groot-onderhoud, woningverbetering, eventuelenieuwbouw van woningen en herstmcturering vanvoorzieningen en openbare ruimten gestalte moetkrijgen. In dit voorbeeldpkin wordt een investerings-strategie nagestreefd waarbij op hoger niveau de plus-sen en minnen van verschillende projecten tegenelkaar worden afgewogen.Momenteel wordt er nog gewerkt aan dit plan. Deambitie is hoog: men wil de methodiek direct in depraktijk kunnen toepassen. De uitvoerbaarheid blijktdaarbij toch een belangrijke (en moeilijke) rand-voorwaarde. Beschikbare financien en in een eerderstadium verrichte ruimtelijke investeringen (bijvoor-beeld in leidingen, rioleringen, en dergelijke) zijnfactoren die de ruimte voor aanpassingen en ontwik-kelingen van de stedebouwkundige en volkshuisves-tingsstructuur sterk inperken. In de bijdrage van Gie-zeman (pag. 42 en volgend) wordt een visie gegevenop de investeringsstrategie zoals deze is uitgewerkt inDen Haag Zuidwest.Tot slotHet oproepen van ideeen voor de aanpak van deproblemen in de naoorlogse woonwijken heeft zoalsuit het voorgaande is gebleken een stroom van infor-matie opgeleverd over de oplossingsrichtingen waar-aan men in het veld denkt.Het is nog te vroeg om tot een volledige evaluatievan het thema te komen, onder andere omdat eenaantal voorbeeldplannen nog niet is afgerond. Eeninhoudelijke evaluatie zal bovendien rekening moe-ten houden met het kennisveld naoorlogse woon-wijken in zijn voile breedte. Wellicht kunnen daar-bij ook de resultaten gevoegd worden van de uitwer-kingen van ideeen die buiten de selectie vielen.Het totaal aan inzendingen en uitwerkingen geefttoch wel aanleiding tot het maken van enkele con-cluderende opmerkingen.Uit het overzicht komt naar voren dat de innova-tieve waarde van de inzendingen vooral gezochtmoet worden in de wijze waarop men met de proble-men en de (reeds bekende) oplossingen omgaat. Deaanpak van de naoorlogse woonwijken is een com-plexe zaak waarin een veelheid van aspecten en ont-wikkelingen een rol spelen. Daarom ligt het voor dehand een integrale benadering te kiezen. Uit deinzendingen in het kader van het project voorbeeld-plannen blijkt dan ook dat veel gemeenten kiezenvoor een dergelijke aanpak. Het is duidelijk dat deruimtelijke ingang daarbij een wisselende en veelalbescheiden rol speelt.In de praktijk blijkt echter ook dat de meer integralebenadering van de problematiek in naoorlogsewoonwijken niet zonder haken en ogen uitvoerbaaris. Door het ontwikkelen van een integrale (vaaklange termijn) visie, vindt op korte termijn geenbesluitvorming plaats over maatregelen die directgenomen zouden kunnen worden ter verbeteringyzfKJ VIERDE NOTAruimtelijkepatronenV(Kiiix'eldplan\ ii uis nol.ivan de leefomgeving in de naoorlogse woonwijken.Hierdoor kan een kans op het vroegtijdig doorbre-ken van een vervalspiraal onbenut blijven.Om tot een uitvoerbare aanpak van de problemen inde naoorlogse woonwijken te komen is het noodzake-lijk om de bevolking en andere belanghebbenden bijhet proces te betrekken. De traditionele aanpak bij depresentatie van de plannen en bij de opzet van bewo-nersparticipatie blijkt in veel gevallen niet goed tefunctioneren. Met name de vraag welk moment in hetproces het meest geschikt is om deze participatie in testeken is veelal moeilijk te beantwoorden. Op ditgebied is verdere idee-ontwikkeling gewenst.Bij de problemen in de naoorlogse woonwijken gaathet vaak om sluipende en zichzelf versterkende pro-cessen. Uit de inzendingen blijkt dat met name bijeen afnemende druk op de - regionale - woning-markt de zwakke plekken in de stedebouwkundigeen bouwkundige structuren aan het licht treden. Bijeen gespannen woningmarkt worden die noodge-dwongen geaccepteerd. Dit betekent dat gemeentenen corporaties zeer waakzaam moeten zijn en op sig-nalen vanuit wijken moeten reageren. Een tijdigesignalering en het nemen van maatregelen - meestalop het vlak van organisatie en communicatie - diesnel hierop inspelen, kunnen problemen voorko-men. Zoals ook in voorbeeldplannen naar vorenkomt, is het ontwikkelen van signaleringssystemeneen essentiele voorwaarde bij de aanpak van naoor-logse woonwijken. Slechts op deze manier kan voor-komen worden dat we in de toekomst voor eennieuwe stadsvemieuwingsopgave komen te staan.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1BNaoorlogse w^oonwijkenin breed perspectiefNaoorlogse wijken maken thans fundamenteleveranderingen door. De eerste dienden zich zo^ntienjaar geleden aan: structurele veroudering vanwoningen en hevolking. Dit proces gaat ook dekomende jaren door. In de plannen voor de aanpakvan deze wijken is dikwijls weinig aandacht voor depositie van de wijken in de ontwikkeling van de stad.In dit artikel wordt ingegaan op geografischepositieverandering, positie op de woningmarkt,woonomgeving, eigendomsverhoudingen enhestuurlijke ontwikkelingen.Drs. L. de KlerkTeamcoordinator Stadsver-nieuwing en Volkshuisves-ting, gemeente RotterdamNaoorlogse wijken zijn gebouwd als buitenwij-ken. Daarin zijn ze niet uniek. Ook Oud-Zuid, het Nieuwe Westen en de Schilders-wijk lagen ooit aan de stadsrand. Maar in onze bele-ving zijn dat sedert jaar en dag binnenstadswijken.Dat is met de naoorlogse wijken niet het geval. Dezienswijze - misschien is beleving hier een beterbegrip - die nog steeds overheerst is die van de egali-taire, burgerlijke buitenwijk. Saai, stil en eentonig.Geografische positieveranderingIn geografisch opzicht is deze zienswijze achterhaald.De positie van menige naoorlogse wijk is die van eensemi-binnenstadswijk. De stadsrand is na 1970 ver-der opgeschoven. Dat is niet beperkt gebleven tot degemeentegrens. In de agglomeratie Rotterdam is dein 1960 gebouwde wijk Alexanderpolder het oudsteonderdeel van het stadsdeel Rotterdam-Oost/Capelle a/d IJssel, dat zo'n 140.000 inwoners telt. Deafstand tot de Rotterdamse binnenstad is geringerdan tot de agglomeratierand. Aan de westzijde vande stad zien we hetzelfde. Hoogvliet is gebouwd alsde eerste officiele satellietstad van Nederland. Van-daag is Hoogvliet het oudste deel van de dubbelstadHoogvliet'Spijkenisse die bijna 110.000 inwonerstelt.Zo zijn er meer voorbeelden in grote en middelgrotesteden. De Arnhemse buitenwijk Presikhaaf isallang geen buitenwijk meer. In de oudste delenrond de Vrij Nederlandstraat wonen vandaag veelimmigranten. Logisch voor een stad zoals Amhem,waar het vooroorlogse woningbestand zich in deduurdere prijsklassen bevindt.Daarmee kom ik op een essentieel kenmerk van degeografische positieverandering, de relatieve wijzi-ging die grond en huurprijzen in de loop van decen-nia doormaken. Zo'n 20 jaar geleden herbergdendeze wijken nog de gemiddeld hoogst geprijsdewoningen in de (sociale) huursector. Dat is nietmeer zo en dat zal over 10 jaar nog minder het gevalzijn. De twee belangrijkste oorzaken daarvan zijnstadsuitbreiding, inclusief suburbanisatie en stads-vemieuwing. Beide oorzaken zorgen ervoor dat dezevoormalige buitenwijken worden omringd methoger geprijsde huur- en koopwoningen. Woningendie in het algemeen ook beter van kwaliteit zijn. Inde loop van drie decennia, 1970 - 2000, vindt eenstructurele wijziging in de geografische prijsverhou-dingen plaats. Daardoor zal de woonplaats voor delaagst betaalden, die eens bijna exclusief door oudebinnenstadswijken werd ingenomen, voor eenbelangrijk deel worden overgenomen.Positieverandering woningmarktTegen de achtergrond van deze, ik zou haast zeggendoelbewust geplande ruimtelijke huurprijsinversievolgt, volstrekt logisch, een positieverandering op dewoningmarkt. De ooit voor de familie Doorsnee in1955 gebouwde drie- ofvierkamer flat is nu uit prijs-oogpunt aantrekkelijk geworden voor de alleen-staande starter op de woningmarkt. Historischgezien verschilt dat niet van de aantrekkelijkheidvan de woning uit 1920 die in 1968 door een studentwerd betrokken.De woningmarktschok van vele naoorlogse wijkenin de steden is eigenlijk deze, dat ze na een periodewaarin ze hebben gefunctioneerd volgens de bedoe-lingen van de ontwerpers en beheerders, in de greepzijn gekomen van de dynamiek van de grote stad. DeStedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 11^^ ^^1^ y1^200019701suburbs 19454970 18804940 centrum 18804940 19454970 suburbsdynamiek van de snel van woning wisselende jongealleenstaanden en samenwoners die anoniem blij-ven voor hun medebewoners; van zich voor lagehuurprijzen interesserende immigranten die ge-speend zijn van de Nederlandse voor- en achtertuin-tjescultuur. Kortom, van groepen voor wie dewoningen in deze wijken niet meer een maximaalbereikbaar aspiratieniveau verbeelden. Dat betekentdat de plaats van deze wijken, zowei op de behoefte-ladder als in de perceptiepyramide van huurders ineen betrekkeiijk korte tijdspanne totaal gewijzigd is.Ik vestig hierop nadrukkelijk de aandacht, omdatmijns inziens de aanpak van vele naoorlogse wijken,of van daarin liggende probleemcomplexen hieraanvoorbij gaat. Wie de reeks van inzendingen in hetIdeeenboek 1989 van de Rijksplanologische Dienstbeziet, wordt niet alleen getroffen door de flinke por-tie romantiek die uit de ideeen ("herstel van hetsociale leven") spreekt, maar ook door de beperkteanalyses van de problemen. Deze reiken nauwelijksverder dan fysieke problemen van bouwkundige ofstedebouwkundige aard. Er is daarin te weinig oogvoor de veranderde positie van de wijken.In een betrekkeiijk ontspannen woningmarkt heb-ben flink wat woningen een marginale positie gekre-gen, zelfs die van overschot, dat hooguit aantrekke-lijk is voor de viottende groepen die ik zojuist duid-de. Daartegen helpen geen ingrepen in het openbaargebied, of filosofieen over andere doelgroepen.Het komt mij voor dat ideeen inzake herpositione-ring van deze woningen op de woningmarkt meer opdroombeelden, dan op deugdelijke stedelijke ofregionale marktanalyses berusten. Het is opvallenddat de groepen die iedereen schijnen aan te spreken:"onze rustige bejaarden" en "de tweeverdieners", welerg vaak worden genoemd niet alleen door de plan-nenmakers voor deze wijken, maar ook door die vande resterende stadsvemieuwingscomplexen in deoude wijken, door de projectontwikkelaars in de ste-delijke centra, door de ontwerpers van nieuwe stads-wijken en de suburbs. Laten we niet vergeten datNederland nooit meer dan 927 yuppen heeft geteld.In dit opzicht lijken er weinig lessen te wordengetrokken uit 20 jaar stadsvemieuwingspraktijk.Deze toont immers aan dat, alle goede voomemensten spijt, de bevolkingsdynamiek zijn eigen ganggaat.WoonomgevingOp een punt verschillen de naoorlogse wijken vande eerste generatie stadsvemieuwingswijken: deinrichting van de woonomgeving. Ruimte en groen.Tegenwoordig is daarop kritiek. De analyse vanideeen door Hoenderdos die in opdracht van de RPDwordt uitgevoerd, staat uitvoerig stil bij de inrichtingvan het openbaar gebied. Volgens de plannenma-kers mankeert er van alles. In Den Haag zou het'ontbreken aan een continue ruimtelijke structuur,die "projecten" tot een herkenbare buurt samen-bindt', in Vlissingen moeten 'buurten een relatiekrijgen met de gehele stedelijke structuur', in Hen-gelo 'is de stedebouwkundige opzet onvoldoendeduidelijk gestructureerd... en zijn er onvoldoendemogelijkheden om effectieve sociale controle uit teoefenen'. Met name het onderscheid tussen open-bare ruimte en coUectieve ruimte zou te vaag zijn.Bovendien wordt dikwijls een geisoleerde ligging alsoorzaak van problemen gezien.Ik ben bang dat mijn inzicht emstig tekort schiet omdeze analyses te begrijpen. Meer dan een halve eeuwterug is in de geografie het fysisch determinisme tengrave gedragen. In andere disciplines tiert het ken-nelijk nog welig.Allereerst vraag ik mij af of dit beelden zijn van ste-debouwkundigen, of dat de huidige bewoners meteen emstige identiteitscrisis worstelen. Vervolgenslijkt mij dan buitengewoon interessant de vraag ofdevorige generatie van bewoners, in modem Neder-lands "de oorspronkelijke doelgroep", ook het spoorbijster raakte in de ruimtelijke structuren van deGeografische verandering vanhuurprijzen voor centrum ensuburbs 1880-2000Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1Naoorlogse wijken in breed perspectief^vv_^ (&-^-^ shcL^r^^^'f-^^ 'Hengelose Es, de stad Vlissingen en de Haagse wijkMorgenstond, of juist niet.Criminaliteit, vandalisme, vuilniszakken over hetbalkon, een 120 Watt lawaaiinstallatie op voilesterkte, kinderen om 11 uur 's avonds schreeuwendop de trap, dat onmogelijk begrip sociale veiligheid:'Met de beste wil van de wereld kan ik daarvoor vageruimtelijke structuren, onduidelijke openbare gebie-den, slecht vormgegeven overhoeken en anoniemeachterpaadjes niet als oorzaken zien'. Volgens mij lij-den de normen van een aantal bewoners emstig aanvervaging. Altijd zijn het mensen die niet willendeugen, in hun opvoeding onvoldoende besef vansamen leven en verantwoordelijkheid is bijgebracht,voor wie niemand zich waarschijnlijk echt interes-seert en die zich op hun beurt voor weinig andersinteresseren dan een te groot huisdier of een Sahara4-wheel drive jeep met wildhek.De socioloog Zijderveld vat het wetenschappe-lijk samen: 'We hebben te maken met eena-moralistisch ethos, dat in sociale en ethischedilemma's zich niet bewust distantieert van zorg ensolidariteit, maar deze dilemma's negeert en er geenplaats voor inruimt in de eigen afwegingen en calcu-laties'. Ik vat dit op als een poging om de realiteit vaneen doelgroep te beschrijven die aanwezig is in dewijken, maar zo krachtig afwezig in alles wat ik totdusverre lees over de aanpak ervan. De grote vraag is:'Wie ziet deze groep en bijvoorbeeld de snel groei-ende tweede generatie immigranten doelgroepen...?Kent u zo'n verhuurder?'.In zijn verslag over een terugkeer naar de Bijlmerconcludeert Van Doormaal dat er een kloof gaapttussen de tientallen studies en plannen voor de repa-ratie van deze woonwijk en de sociale werkelijkheidvan alle dag van de kanslozen. Daarbij aansluitendzou ik willen vaststellen dat het grootste gat in dewoningmarkt - beter: perceptie op de woningmarkt- de erkenning van de woningbehoefte van dezegroep is. En dan ben ik niet origineler dan mij, tegende achtergrond van de huidige verwachtingen overimmigratie in de jaren '90, te herinneren dat inBritse en Amerikaanse literatuur van de jaren '50 en'60 reeds op klemmende wijze aandacht werdgevraagd voor de cultuur en de betekenis van deslum. Aandacht die er even in de stadsvemieuwings-literatuur van rond 1970 was, maar al spoedigoploste in de euforie van het "bouwen-voor-de-burgerlijke-buurt".Ondertussen ben ik nog niet klaar met het woonmi-lieu. De ruimtelijke kwaliteiten van dit milieu achtik bijzonder hoog. ledere keer als ik in Rotterdammensen meeneem naar Zuidwijk, Pendrecht, Alex-anderpolder, zie ik veel kwaliteit. Zo moet ik er nietaan denken dat de als probleemcomplex bekendstaande Horstenbuurt in Zuidwijk onderhandengenomen wordt door duidelijke ruimtelijke structu-ren nastrevende probleemoplossers. Alle subtielekwaliteiten ervan, die stedebouwkundige elementenvan de tuinstad, van Witteveens' Parkway-concepten van CIAM in zich bergt, zouden er onmiddellijkaan ten slachtoffer vallen.De ruimte van veel naoorlogse wijken heeft grotekwaliteit. De stedebouw van Groot-IJsselmonde envan de Horstenbuurt steekt kwalitatiefuit boven watvandaag de dag architectuurtijdschriften haalt, zoalsde Dosiobuurt in Prinsenland, Rotterdams nieuwsteuitbreidingswijk. Naar mijn opvatting biedt die nietmeet dan een tot op het hot uitgeklede rijtjeshuizen-verkaveling, afgewisseld met projectontwikkelaars-verkavelingen voor de drie- en vier-tonners.EigendomsverhoudingenDe geschiedenis heeft altijd onaangename verrassin-gen in petto. Mensen bereiden zich daarop nooitvoor. De onaangename verrassing van de jaren '90 isdat juist op het moment dat woningcorporaties zichaan het instellen zijn om hun bezit in de naoorlogsewijken eens flink onder handen te gaan nemen, ze tehoren krijgen dat ze dat zelf moeten betalen. Dat wilzeggen, samen met hun huurders natuurlijk.Is dat nou geen oneerlijke beloning voor corporatiesdie in de achterliggende decennia zijn overgehaaldom flink te gaan meedoen met de vemieuwing vanoude stadswijken? Particuliere huurwoningen aan-kopen, renoveren, het risico van een onzeker exploi-tatieresultaat aangaan, zelfs af en toe het opknappenvan de woonomgeving medefinancieren, bewoners-organisaties een beetje ondersteunen... en nu?Nu ligt het tenminste voor de hand de boel maareens op z'n kop te zetten; privatiseren van een deelvan de woningen. Natuurlijk geen courante laag-bouwwoningen van / 850, dat zou stom zijn. Datdoet denken aan de gemeentelijke overheid die,zeven jaar later dan Unilever, is gaan nadenken ofzezich niet moet beperken tot kemtaken (wat dat ookmoge zijn), en vervolgens het gasbedrijf waaropwinst gemaakt wordt, afstoot. Heeft iemand wel eensgehoord dat Unilever de best renderende bedrijfson-derdelen uitverkocht?Er lijkt nog wel wat tijd om een goede privatiserings-strategie op te zetten. Zo'n strategic vraagt allereersteen degelijke analyse van de plaatselijke woning-markt, niet van de wijk alleen, vooral die van destad. En voorts is samenwerking met de particulieresector, want privatisering is natuurlijk veel meer danverkoop bij leegkomst ofaan de zittende bewoner. Ikreken daartoe nadrukkelijk ook de particuliere ver-huursector. Privatisering kan uit bedrijfskundig oog-punt verschillende doelen dienen:- het behalen van vermogenswinst die investeringelders in het bezit mogelijk maken, dan wel hetbedrijf financieel gezonder maken;- verkoop om een verlies te nemen. Dat kan op ter-mijn gunstiger uitpakken dan het dempen van eenbodemloze put;Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1- het opbouwen van een evenwichtig te exploite-ren woningbezit.Trouwens, ik voorzie in corporatieland in de tweedehelft van de jaren '90, wanneer men werkelijk alsondeniemers marktgericht gaat werken, voorzienvan instnimenten zoals de huursombenadering -- alsdie dan nog bestaat -, een reeks van fusies en ovema-mes ontstaan. Als men verstandig is zal men daarbijtwee grenzen overschrijden. De ene is de gemeente-grens en de andere is de grens naar de particulieresector. Deze laatste kan geslecht worden via het aan-gaan van samenwerkingsovereenkomsten, gerichtop het afstemmen van investeringen. Samen doe jemeet dan alleen met z'n tweeen.Dat alles in het belang van handhaving of verbete-ring van de kwaliteit van het woningbezit.Bestuurlijke positieveranderingenDe zienswijze op eigendom en beheer dient beweeg-lijker te worden als onderdeel van de aanpak vanvolkshuisvestingsproblemen in naoorlogse wijken.Dat is naar mijn oordeel een voorwaarde voor ver-breding van die aanpak boven het complex- ofwijk-niveau. Een voorwaarde ook om bestuurlijke veran-deringen die in de lucht hangen te beantwoorden.Dat zijn er drie: financiele, organisatorische en ideo-logische.Het eindrapport Belstato sluit naoorlogse wijken per1 januari 1992 uit van de subsidiering uit het stads-vemieuwingsfonds. Volgens de rijksoverheid komenin deze wijken geen probleemcumulaties voor en zijnburgers en corporaties mans genoeg zelf de voorko-mende problemen op te lossen.Daarbij komt het bestuurskundige antwoord op deom zich been grijpende schaalvergroting: regionali-sering van bestuur. De rijksnota's Besturen op niveau(1 en 2) bieden het perspectief op wat voorlopigwordt genoemd een regionale autoriteit metbevoegdheden in de sfeer van o.a. investeringsplan-ningen, dus infrastfuctuur en woningbouw. In datbeeld passen over 10 jaar grote regionaal opererende,met elkaar de markt verdelende woningcorporaties.Dat alles past in de op gang gekomen ideologischeverandering, de herordening van taken en bevoegd-heden in de volkshuisvesting. Volkshuisvestingwordt gedeeltelijk geprivatiseerd. Dat is zonder meerte beschouwen als de kern van sociale vemieuwingin deze sector. De overheid die eerst je problemenafpakte, is in gaan zien dat je ze beter zelfkunt oplos-sen. Het model van de afhankelijke burger wordtingeruild tegen dat van de burger die verantwoorde-lijk is voor zijn handelen en de effecten daarvan opmedeburgers.Misschien is dat wel de belangrijkste pers-pectiefverschuiving in de aanpak van naoorlogsewijken.Literatuur- E. van den Berg, Het wasrustig wonen hier. De Volks-krant, 12 oktober 1991.- T. van Doormaal, Een zor-genkind met een goed karak-ter?in:Bouwl991-19,p.66-67.- Gemeente Rotterdam,Volkshuisvestingsplan 1991-1994.- T. Hoenderdos, Interne dis-cussienota voor Werkconfe-rentie naoorlogse woonwij-ken, OTB, oktober 1991.- Ministerie van VROM, Voor-beeldplannen, Ideeenboek1989.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1De CIAM'wijkenerfgoed van een tijdverschijnselWie recente topografische kaarten vergelijkt metdie van vlak na de oorlog, zi^t dat het hehouwdstedelijk gebied in 40 tot 45 jaar tijd meer danverdubheld is. De grootste bouwproduktie vondplaats tussen 1950 en 1970 en wordt gekenmerktdoor soberheid en een systematische, technischvernuftige en grootschalige bouwproduktie. Dezewoongebieden ziJTi vaak van lage bouwtechnischekvualiteit en dienen zich nu aan voor vernieuwing.Hiermee staan we voor de grootste en meestingrijpende stadsvernieuwingsopgave.IT. R.D. LambertDirecteur buro voor stadsont-weqj Urbis, RotterdamIn veertig jaar tijd is meer bouwvolume gereali-seerd, dan in de totale geerfde voorraad aanwezigwas. Hiermee zijn enkele ontwerpersgeneratiesdominant voor de toekomstige omgeving geworden.lets, wat voorheen niet gebeurde.De grootste bouwproduktie vond vooral plaats gedu-rende de eerste helft van deze periode tussen 1950 en1970. De jaren '50 kenmerkten zich vooral doorsoberheid als gevolg van een zich na de TweedeWereldoorlog herstellend land. De jaren '60 ken-merkten zich in de bouwproduktie als systemati-scher, technisch vemuftiger en vooral grootschali-ger.Echter, de woongebieden die in deze periode zijngebouwd, lijden aan deze kenmerken. Ze zijn in hetalgemeen van niet zo'n goede bouwtechnische kwa-liteit en zuUen zich daarom vrijwel tegelijkertijdvoor noodzakelijke vernieuwing aandienen.Die tijd breekt nu aan. We staan hiermee niet alleenvoor de grootste stadvernieuwingsopgave van degeschiedenis, maar ook voor de meest ingrijpende.Immers, het kwaliteitsbesef van na 2000 is mijlenververwijderd van de samenleving uit de wederopbouwperiode. De wijken uit de 19e en vroeg-20e eeuwboden de stadsvernieuwers nog marge om doorsamenvoeging en herschikking van woningen toteen hernieuwde betekenis binnen een bestaand,gewaardeerd stedebouwkundig patroon te komen.De naoorlogse wijken bezitten deze marge echterniet.In dit betoog zuUen enkele specifieke eigenschappenvan deze woongebieden nader aan de orde komen,zodat duidelijk kan worden, dat de geheel nieuwetraditie van stadsvemieuwing, die ontwikkeld dientte worden, niet te lang op zich moet laten wachten.Wooneenheid als hoeksteenHoewel in de geschiedschrijving regelmatig meldinggemaakt wordt van de vooroorlogse heroischeperiode van het Nieuwe Bouwen, is dit uit de bouw-produktie in het geheel niet af te lezen. Een zeerklein percentage werd door aanhangers van demodeme stroming ontworpen, terwijl de overgrotemeerderheid van de gebouwen gewoon op traditio-nele wijze ontworpen en gebouwd is. Even leek heterop dat deze tendens zich na 1945 zou voortzetten,getuige het enorme aandeel dat de aanhangers vande traditionele Delftse School hadden in de belang-rijkste wederopbouwplannen. Maar al spoedig bleekde steeds toenemende vraag om een snellere en gro-tere woningbouwproduktie nauwelijks te verenigenmet traditionele bouwmethoden.De systeembouw deed zijn intrede en het was onmis-kenbaar dat de ontwerpfilosofie van de modemenhierbij beter aansloot. In het gevecht tegen deenorme woningnood sloegen de traditionelen en demodemen op veel plaatsen in Nederland de handenineen. De gevolgen zijn dan ook tot op de dag vanvandaag afleesbaar. De stijl verwaterde.Er is duidelijk onderscheid in zuiverheid tussen plan-nen van ontwerpers die min of meer direct bij deCIAM waren betrokken, en die van hun volgelingen.Ook kwam het vaak voor, dat traditioneel ingesteldearchitecten samen met modemen hele woonwijkenontwierpen. Eenduidigheid van vormgeving is danook niet aanwezig in de naoorlogse wijken. Toch zijnze als verschijnsel zeer herkenbaar. Ondanks de aan-wezigheid van in aanvang tegengestelde stromingen,bleken de ontwerpers het in hoofdlijnen met elkaareens te zijn. Innovatie in architectuur en stedebouwkwam na de oorlog echter van de functioned inge-stelde ontwerpers, de modemen.Zij verenigden zich in het Congres IntemationauxStedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 1d'Architecture Modeme (CIAM), waarzij ervaringenuitwisselden met hun buitenlandse geestverwanten.Het zijn vooral deze architecten geweest die de toonhebben gezet voor de ontwikkeling van de woonwij-ken in de jaren '50 en '60, ondanks allerlei afgeleideen tegengestelde ontwerpstromingen. Het Alge-meen Uitbreidings Plan van Amsterdam (AUP),Pendrecht, Nagele en Alexanderpolder zijn directeexponenten van de CIAM. Het AUP (1934, Van Ees-teren en Van Lohuizen), qua soort en grootte onver-gelijkb
Reacties