73e JAARGANG 1992^ EXTRA NUMMER 2StedebouwVolkshuisvestingRUIMTE IN BEWEGINGActuele onderzoeksthema'svoor planning en beleidDE WERELD ACHTER DE CIJFERS VANSTADSVERNIEUWING.VB KAN EROVER MEEPRATEN.Stadsvernieuwing is uicgegroeid tot een complex van ordenende en economische maatregelen.Maatregelen die zichthaar warden in cijfers, maar veel minder zichtbaar is de wereld achter die cijfers.Een wereld waar uw accountant kennis van moet hehhen om u deskundig en ter zake te kunnen adviseren.Eentaak, die VB op het lijfgeschreven is.Alruim 75jaaris VB actief voor overheden en non-profit organisaties. Daarmee heeft VB een voor-sprong op het gebied van bestuurs- en beheersinstrumenten en kan zo gefundeerd signaleren, anticiperen enadviseren. VB kan u bijvoorbeeld adviseren bij de coordinatie en herstructurering van diensten en bij het opzettenvan een effectiefherhuisvestingsbeleid. Ofbij de organisatie voorgefaseerde vemieuwing van het rioleringsstelsel, in-clusieffinancieringssystemen met derden. VB is met ruim 1.300 medewerkers een van degrote accountantskantoren.Met 30 strategisch gespreide vestigingen werkt VB overal dicht bij de hron en blijft zo actueel betrokkenbij de wereld achter uw cijfers. Op basis waarvan u beter kunt beslissen. A ? ?rpk AccountantsVB, Nassaulaan 12, Postbus 19331, 2500 CH Den Haag, tel. 070-3738484. ^^^ D BelastingadviseursVB, BETROKKEN BIJ DE WERELD ACHTER DE CIJFERSInhoudINLEIDINGInleiding tot het extra nummerC.W.W. van Lohuizen en R.H.N. BuiskoolMet dit extra nummer "Ruimte in bewe-ging" wordt naar aanleiding van de recentgepubliceerde Meerjarenvisie RuimtelijkOnderzoek 1991-1996 van het Programme-ringsoverieg Ruimtelijk Onderzoek (PRO) enop basis van de voorstudies die het PRO tervoorbereiding daarvan heeft laten opstellen,aandacht gevraagd voor onderzoek enbeleid.Ruimtelijk onderzoek in hetfin de siecleH. ter HeideDENKRAAMOnderzoek en beleid: een verande-rende relatie].P.]. FitARTIKELEN10 Ruimtelijke beleidsvoering;werken aan omgevingsbeleidJ.M. MastopDe ruimtelijke ordening is weer volop inbeweging met consequenties voor rol enpositie van het ruimtelijk beleid en de wijzevan beleidsvoering. Een aantal mogelijkeontwikkelingen en lijnen voor onderzoek enbeleid wordt geschetst.17 Mobiliteit en infrastructuurM.A. dejongDe relatie verkeer en vervoer met ruimte-lijke ordening is zeer sterk en het terrein iszeer breed. Onderzoek is nodig naar open-baar vervoer, financiele en bestuurlijkeaspecten en naar verkeers- en vervoersas-pecten die samenhangen met het proces vaninternationalisering.24 Ruimte en milieu; gebiedsgerichtbeleid als instrument voor kwaliteitL.G. Horlings en K. BouwerHet raakvlak ruimte en milieu heeft al enigejaren de aandacht. Het gebiedsgerichtbeleid kan een instrument zijn voor hetbereiken van ruimtelijke en milieukwaliteiten vormt - naast kwaliteit als zodanig - eenbelangrijke ingang voor onderzoek.31 Ruimte voor tijd; urgentie van tijd-ruimtelijk onderzoek en beleidTh.A.M. Beckers en S.F.J.M. RaaijmakersTijd en ruimte moeten in samenhang wor-den bestudeerd opdat een samenhangendtijd-ruimtelijk beleid kan worden ontwik-keld. Vrije tijd (auto)mobiliteit, en hetthema van de spanning tussen coUectiviteiten individuele keuzevrijheden, zijn voor-name onderwerpen.39 Stedelijke vernieuwing; dynamiek inschaal en overheidsbeleidG.A. van der Knaap en L. van der LaanBinnen de stedelijke vernieuwing staan- bezien vanuit een economische invalshoeken vanuit een ruimtelijk ontwikkelingsper-spectief- vooral de schaalafhankelijkheid, depositie van de overheid en de organisatie vanhet vemieuwingsproces centraal.SIGNALEN46 Investeren in onderzoek is vooruitzienH.J.M. van Alphen48 Op zoek naar ruimtelijk onderzoekR.H.N. Buiskool en J.H. vanderVegtTRENDS16 Schaalvergroting en internationaliseringJ. Buit30 Economisch-technologische vernieuwingW.C.L.ZegveU38 Extrapolatie van individualiserende eman-cipatie; 2092, oude tellingP. Thoenes52 INFORMATIE PRODit nummer werd voorbereid voor het Programme-ringsoverleg Ruimtelijk Onderzoek door prof.drs.C.W.W. van Lohuizen en drs. R.H.N. Buiskool, envanuit de redactie van Stedebouw en Volkshuisves-ting door drs. I.T. Klaasen.Alle bijdragen zijn op persoonlijke titel.Stedebouw enVolkshuisvesting73ejaargang 1992extra nummer 2Orgaan van het NederlandsInstituut voor RuimtelijkeOrdening en VolkshuisvestingEen uitgave vanDELWEL Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVetschijnt zes maal per jaarRedactie:Ir. H. DekkerMr. A.Ch. FortgensDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GreenDrs. R. te GrotenhuisMr.ir. A.W. HartmanMw.drs. I.T. KlaasenIr. W. RehMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. P.W.A. VeldMw. mr. Y. de VriesIr. H. WestraRedactiesecretariaat:Mr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. R. te GrotenhuisI. Steenhoff-BoogersRedactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauritskade 21,2514 HD Den Haagtelefoon 070 - 346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnenop het redactiesecretariaat"Richtlijnen voor auteurs"aanvragen.Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.V.Alexanderstraat 26Postbus 191102500 CC 's-Gravenhagetelefoon 070 - 362 48 00telefax 070 - 360 54 36Advertentieverkoop:Brenda Santestelefoon 070 - 362 48 00Vormgeving:Arie J. LandmanUitgeverDrs. A.F. Westerhofnotu|vakaangesloten bijNOTU-groepvaktijdschriftenAfbeelding omslagAmstelbrug, Amsterdam(foto Heleen Versteegen)Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2VHP Stedebouwkundigen BDG Architekten Ingenieurs is eenlandelijk opererend adviesburo.Door het samengaan in 1990 van Van Hezik Partners (Rotterdam) metBureau de Gruyter (Zwolle, Leiystad, Aimere) is een multidisciplinaireburo-opbouw bereikt met de werkterreinen: stedebouw, arctiitektuur,civieletectiniek, milieutectiniek, bouwkonstrukties, bouwmanagement,onderhoud, bouwfysica, gebouwinstallaties. De stedebouwkundigewerkzaamheden worden verrichl onder de naam VHP Stedebouwkun-digen vanuit het buro in Rotterdam.Werkvelden vanuit de stedebouw zijn:? bestemmings-enstruktuurpiannen? ruimtelijke (verkaveiings)plannen voor woon- en werkgebieden enstedelijke centra? plannen voor stedelijke vernieuwing en tierstrukturering? tinancieei-ekonomische begeleiding van plannen, kosten/baten -analyses? stedebouwkundige kodrdinatie en supervisie van komplexe plan-nen.Alle plansoorten varieren van de kleine tot de zeer grote schaai. Hetburo wordtzowelingeschakeld voor all-round stedebouwkundige advi-sering, met gemeentebesturen als opdrachtgever, als bij deeitaken inprojekten van overheidsinstanties en partikuliere organisaties (projekt-ontwikkelingsmaatschappijen).De ontwikkeling van VHP Stedebouwkundigen maakt verdere verster-king noodzakelijk."SENIOR^STEDEBOUWKUNDIGEWij zoeken een ervaren stedebouwkundige. Een excellent ontwerper,met gevoel voor de kleine en de grote schaai. Adviseur van overheid(gemeentebesturen) met gevoel voor bestuurlijke processen. Adviseurvan marktpartijen (projektontwikkelingsmaatschappijen) met kennisvan het bouwproces. IJ bent een stimulerende persooniijkheid metbrede ervaring in o.a. omvangrijke urban designplannen en bent instaat nieuwe opdrachten te verwerven. U gaat zelfstandig opdrachtenleiden, zowel in ontwerp, inteme organisatie als kontaktueel. Wij biedenu een breed werkveld, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en samen-werkingsmogelijkheden met een goed team kundige, jonge kollega's.Leeftijdsindikatie: tot ca. 40 jaar"STEDEBOUWKUNDIGONTWERPERTer ondersteuning van ons team stedebouwkundigen hebben wijplaats voor een talentvolle stedebouwkundig ontwerper. U bent eenatgestudeerde vormgever U ziet het ontwerpen van de gebouwde enongebouwde omgeving in brede zin, met een aksent naar de stede-bouwkundige sctiaal, als grote uitdaging. U bent niet tevreden metminder dan hoge ruimtelijke kwaliteit, op alle schaalnivo's. Zeifstan-dige, onderzoekende inslag. Wij bieden u de kans om aan inspirerendeopdrachten te werken, in samenwerking met even kritische kollega's.Leeftijdsindikatie: tot ca. 30 jaarSollicitaties kunnen worden gericht aan:VHP Stedebouwkundigen BDG Architekten IngenieursPostbus4327 3006 AH ROTTERDAMTelefonische inlichtingen kunnen worden ingewonnen onder nummer:010-4.52.07.44. ^ , ^ , p,BDekansvanuwlevenom'n levente redden!SOS-Klnderdorpen is de grootste particuliere kinder-hulporganisatie ter wereld. In meer dan duizendprojecten, verspreid over 105 landen, worden zo'n100.000 kinderen die niets meer hebben aan eenthuis geholpen. En aan meer dan dat. Aan eenopieiding, een toekomst en in feite aan een leven!Soms is het een kleine moeite om een grotedaad te verrichten. Ons postgironummer is 2280,tn.v. SOS-Kinderdorpen, Abcoude. Bij storting vanf 25,- of meer ontvangt u een jaarlang ons Kinderdorpkrantje. Alsu meer wilt doen, helpt bijgaandeSOS-KinderdorpenBeschermvrouwe H.K.IH. Prinses Margriet _^,. --^_oOo" DOJN S.v.p. aankruisen w/at u wenst:D Ik w/il peet worden van een kind (f 60,- per maand).n Ik wil peet worden van een dorp (f 40,- per maand).n Ik ontvang eerst graag meer informatie overSOS-Kinderdorpen.NaamAdres-Postcode-PlaatsDeze bon s.vp. in een (ongefrankeerde) envelopnaar SOS-Kinderdorpen, Antwoord nummer 6207,1380 VD Abcoude.Ruimte in bewegingDe ruimte is in beweging. Nederland is nietmeer af. De samenleving kenmerkt zich doordynamiek. Plannen, projecten en nieuweruimtes komen naar voren. En er is ook meer ruimtegekomen in een heel andere zin: ruimte in con-cepten en concepties, in methoden en aanpak, ingrenzen en mogelijkheden. Denk aan de vele nieuweplansoorten, het werken met overeenkomsten enafspraken ("convenanten"); ook aan hergebruik enherinrichting van delen van steden en infrastructu-rele ontwikkelingen. Dit heeft niet alleen gevolgenvoor planning en beleid. Ook het onderzoek staatweer in de steigers. Dat geldt zowel voor de inhoud:waarover gaat het?, maar in belangrijke mate ookvoor de wijze waarop: methode en aanpak, of, waar-toe dient het: wat is de relatie met beleid, wat is dedoelstelling en het gebruik van de resultaten?Vooral door de grote rijksnota's van de laatste jarenlijkt het dat op veel terreinen voor de komende jarenkeuzes zijn gemaakt, of zij verkeren in een beslissendstadium zoals bij verkeer en vervoer, het lokatiebe-leid voor bedrijven en woningen, en de regionalise-ring. Is het beleid dan af, zijn we klaar?Nee, het besefis gerijpt dat er steeds nieuwe vragen komen, steedsnieuwe problemen en mogelijkheden zich aandie-nen. Op veel terreinen dient het beleid verder teworden ontwikkeld. Daar is vaak weer onderzoekvoor nodig, of een hergroepering van al beschikbarekennis. Maar ook anderszins zijn er bij ogenschijnlijkbekende beleidsopgaven telkens weer andere ken-nisvragen: er rijzen twijfels, een nieuw altematiefkomt op tafel, tendenzen wijzigen zich waardoorprognoses niet meer uitkomen, nieuwe bestuurdersstellen andere prioriteiten, enzovoorts.Met het recent verschijnen van de MeerjarenvisieRuimtelijk Onderzoek 1991-1996 van het Program-meringsoverleg Ruimtelijk Onderzoek (PRO) (PRO,1992a) doet zich de gelegenheid voor de schijnwer-pers te richten op welke veranderingen er optredenin de onderwerpen waarmee men zich in onder-zoeksland bezig houdt, en zal moeten bezig houden.Op basis van de voorstudies die het PRO voor zijnMeerjarenvisie heeft laten opstellen biedt dit extranummer "Ruimte in beweging" van Stedebouw enVolkshuisvesting - weliswaar op een beperkt aantalthemavelden - een heel verschillend overzicht vanontwikkelingen en onderzoeksvragen; soms bekend,soms verrassend, in ieder geval zeer gevarieerd. DeverschiUende artikelen laten zien dat ruimtelijkonderzoek geen academische bezigheid meer is. Hetricht zich op de actualiteit van vandaag en vooralook van straks. Daarom gaat dit nummer niet speci-fiek over het onderzoek alleen, maar wordt er eenbreed gamma gepresenteerd aan inzichten wat er opeen aantal terreinen gaande is. Het gaat om hetgeheel van ruimtelijke planning en beleid en watdaaruit voortkomt aan interessants voor het onder-zoek. De brug tussen wetenschap om de kennis, ende behoefte aan inzicht en kennis bij de oordeelvor-ming en de besluitvorming lijkt daadwerkelijk te zijngelegd.Welk onderzoek?Eens was het gangbaar om onderzoek vooral te zien alsde produktie van geheel nieuwe, wetenschappelijkekennis. Grensverlegging en opening van nieuwe hori-zons waren de redenen voor onderzoek. Onderzoeks-programma's weerspiegelden aldus vooral wat er in dewetenschap zelf leefde.In de volgende fase -- waar we nog grotendeels mid-denin zitten - wordt ondenoek gezien als iets wat inwisselwerking moet staan met het gebruik ervan inde praktijk, bij ontwerp, planning en besluitvor-ming. De Raad van Advies voor het Wetenschaps-beleid (RAWB, 1988 en 1989) spreekt in dit opzichtvan de noodzaak van strategisch onderzoek: middel-lange termijn onderzoek voor het verkrijgen vankennis om vraagstukken met een maatschappelijkbelang op te lossen. Het heeft een min of meer fun-damenteel karakter, maar er valt niet bij voorbaat tevoorspellen wanneer precies en in welke mate deresultaten in de praktijk kunnen worden toegepast.Een volgende stap in deze fase dient zich wellichtaan wanneer ook het onderzoek meer benaderd gaatworden als noodzakelijke investering voor de toe-komst. Onderzoek is een essentieel onderdeel van debeleidsinvesteringen - of zou dat althans moetenzijn -, aldus luidt het betoog van Van Alphen in ditnummer. Als belangrijke voorwaarde om binnenbestaande mogelijkheden financiele ruimte te krij-gen, pleit hij voor een programmagewijze aanpakvan het onderzoek.Recent nog laat Arts (1991) zien dat het werken metonderzoeksresultaten in de beleidspraktijk van alle-dag nauwelijks voorkomt. Planners en besluitvor-mers werken vooral vanuit de eigen ervaring.Daaruit kunnen we twee dingen leren. In de eersteplaats is het van primair belang om kennis die rele-vant is voor de praktijk optimaal door te laten sijpe-len naar de oordeelvormers en de besluitvormers.Denk aan tijdschriften, congressen en dergelijke.Maar vooral is er aandacht nodig voor de periodiekealgemene pers en andere "nieuwe" media als infor-matiebuUetins, trendoverzichten, het elektronischProf. drs. C.W.W.van LohuizenStichting Bureau voor Plan-ning en Beleidsstudies.Drs. R.H.N. Buis-koolInterim-secretaris Program-meringsoverleg RuimtelijkOnderzoek.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2BRuimte in bewegingberichtenverkeer en ook via de (stads)omroep of(lokale) televisie. Veel sleutelpersonen in mimte-lijke veranderingsprocessen zijn geen professioneleplanologen of stedebouwers. Ze nemen dus in hetgeheel niet, of slechts getrapt en vaak vertraagd enslechts ten dele kennis van de vakinhoudelijke dis-cussies. De mimtelijke issues zijn zo in de algemenebelangstelling komen te staan dat oordeelvormingen besluitvonning grotendeels buiten het professio-nele circuit om plaatsvinden, althans er zeer sterkdoor worden beinvloed.De tweede lering is dat planning, beleid en ontwerpniet primair behoefte hebben aan specifieke engeheel nieuwe ondenoeksresultaten. Wat vooralnodig is, is het mobiliseren van bestaande data,informatie en kennis ten behoeve van nieuweinzichten, oordeelsvorming en besluitvorming. Hetgaat om het vormen en hanteren van een kennis-huishouding, telkens gerelateerd aan een of meer-dere specifieke issues.De tijd is rijp voor een dergelijke benadering. Zie deverschillende artikelen in dit nummer om welke vra-gen het gaat. Wat is er in beweging in de samenle-ving? Welke problemen doen zich voor aan plannersen beleidsmensen? Welke nieuwe perspectievendoemen op, welke oplossingen zijn er te bedenken?Welke strategieen passen daarbij? Vragen die be-trekking hebben op macroproblemen evengoed alsop zaken op heel kleine schaal; van Europa tot hetdorpsplein.Het gaat niet om de kennis op zich. Het gaat om degehele kennishuishouding (vergelijk Van Lohuizen,1985). Wat gevraagd wordt is kennis van allerleisoort en niveau met betrekking tot en ten behoevevan de mimtelijke organisatie van de samenlevingen de veranderingen daarin. Van daaruit stelt zichdan de vraag: welke kennis is er nodig om met degenoemde vragen en opgaven om te gaan? Wat heb-ben we al in huis? Wat hebben anderen paraat?Welke bewerkingen heeft die kennis nodig omomgevormd te worden tot materiaal voor een ant-woord op de vragen? Pasklare kennis op zich, bruik-baar voor willekeurige doelen en gebruik is niet meetmogelijk, zo het er ooit al inzat. De vragen en situa-ties zijn te gevarieerd. Niet alleen dat we afraken vande standaardoplossing die voor alle situaties in hethele land geldt, het besef groeit ook dat vragen tel-kens anders geformuleerd moeten worden, dat er tel-kens weer andere vragen zijn bij hetzelfde vraagstuk,bij het vinden van eenzelfde oplossing.Bij handelingsgerichte planning, bij strategischekeuzes, bij situatiegerichte oplossingen - want daargaat het meet en meer naar toe - is kennis telkens inandere vorm nodig. Tijdens het proces van de vor-ming van een besluit, een beleid, een plan, zijn ertelkens weer andere (deel)vragen die een beroepdoen op steeds weer andere vormen van dezelfde (ofandere) kennis.Ter Heide gaat in zijn bijdrage nader in op de vraagom wat voor onderzoek het gaat. De aan de ene kantgrote varieteit en uniciteit van zowel bestaande ken-nis als het gewenste onderzoek, en aan de anderekant de grote verstrengeling en samenhang in on-derwerpen, vragen volgens hem om de ontwikkelingvan gezanienlijke kennishuishovtding voor verschil-lende actoren.Een van de centrale ideeen in de huidige plannings-opvatting en het kennis-management is, dat eenintegrale benadering van iets in principe niet meermogelijk is. Evenmin kan men meer tot een voUe-dige integratie komen, bijvoorbeeld van alle functiesin een plangegebied. In de eerste plaats is er het strui-kelblok van de kennis zelf. Maar ook de tegenstrij-digheid van belangen laat veel plannen al struikelenop de confrontatie. Ook hier kan het concept van dekennishuishouding een helpende hand reiken. Inte-gratie is overigens iets anders dan samenhang. Hetzoeken naar samenhang op basis van eenzelfde ken-nisobject blijft geboden, nu zelfs wellicht meer danvoorheen (vergelijk Horrevoets en Ter Heide,1992).InhoudNieuwe ontwikkelingen in planning en beleid heb-ben consequenties voor het onderzoek. Welke ken-nis is er nodig, aan welke leemtes moet er dekomende jaren worden gewerkt? Met dit extra num-mer wordt aandacht gevraagd voor onderzoek enbeleid wat betreft:- de aanpassing en vemieuwing van het openbaarbestuur inzake ruimtelijk beleid;_ ontwikkelingen met betrekking tot verkeer, ver-voer en infrastructuur;- ontwikkelingen op het raakvlak van ruimtelijk enmilieubeleid;- de relaties tussen tijd en ruimte (tijd-ruimtelijkedynamiek);- ruimtelijk-economische aspecten van stedelijkevemieuwing, waarbij het stedelijk systeem en deorganisatie van de vemieuwing centraal staan.Voor elk van deze vijf themavelden wordt door deauteurs -- die in hoofdzaak afkomstig zijn uit de sfeervan het onderzoek - een beeld geschetst van proble-men en ontwikkelingen op dat veld en de wijzewaarop er van de kant van onderzoek en kennishuis-houding op ingespeeld moet worden. De beschou-wingen bevatten de hoofdlijnen, de belangrijksteontwikkelingen worden emit gelicht, uitmondendin een aantal opgaven voor studie en onderzoek.Voor meer uitgebreide uiteenzettingen en een vol-ledig overzicht van onderwerpen voor onderzoekwordt verwezen naar de betreffende voorstudies (zieInformatie PRO, pagina 52 en volgende).De varieteit in behandeling is illustratief: er is nieteen methode of aanpak. Elk veld vraagt zijn eigenbenadering. Maar ook elke auteur/onderzoeker zalStedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer ^zijn eigen visie meebrengen. Zo pleit Mastop vooraandacht voor de veranderende taken en opvattin-gen van de overheid en het overheidshandelen. Debediening van het mimtelijk publiek domein - doorwie en hoe - staat ter discussie. Het moet toe, aldusMastop, naar een samenhangend omgevingsbeleid.Bij de beleidsvelden verkeer en vervoer, en milieuzien we de laatste jaren een gestage stroom beleids-nota's en er worden op meerdere plaatsen onder-zoeksprogramma's opgesteld en uitgevoerd. Er is hieral veel in gang gezet. De systematische verhandelingvan De Jong laat dit duidelijk zien. Uitgaande van dealgemene ontwikkeling pleit hij voor nadere aan-dacht voor het openbaar vervoer, financiele en orga-nisatorische aspecten en ontwikkelingen wat betrefthet proces van intemationalisering.Horlings en Bouwer belichten een specifiek aspect:de gebiedsgerichte benadering. Dat zou een instru-ment kunnen zijn voor het bereiken van ruimtelijkeen milieukwaliteit.Beckers en Raaijmakers stellen in hun artikel dat tijden ruimte veel meet met elkaar in samenhang moe-ten worden beschouwd. Hun voomaamste hood-schap is de vorming van een tijd-ruimtelijk beleid eneen tijd-ruimtelijk onderzoek, waarbij zij de nadrukleggen op de factor tijd.Het artikel van Van der Laan en Van der Knaapover de stedelijke vemieuwing gaat uit van eenschets van het stedelijk systeem op de verschillendeRiimtelijke schaalniveaus. Daaruit wordt onderzoekaangegeven.Elk artikel gaat vergezeld van een aantal kantteke-ningen die gemaakt zijn tijdens de medio 1991gehouden strategische conferenties met het beleids-en onderzoeksveld en overige belanghebbenden bijhet ruimtelijk onderzoek, over de betreffende voor-studie (PRO, 1992b).Bij de analyse in de voorstudies van de onderzoeks-behoefte voor hun themaveld en het aangeven vanpotentiele onderwerpen voor onderzoek zijn deauteurs naast de beleidsmatige ontwikkelingen, ookuitgegaan van maatschappelijke en wetenschappe-lijke ontwikkelingen.Wat betreft de ontwikkelingen in de samenleving isonder meer expliciet uitgegaan van de ruimtelijkeconsequenties van een drietal belangrijke, leidende"megatrends": de toenemende emancipatie en indi-vidualisering van de samenleving, de optredendeschaaldifferentiatie en de voortgaande econo-misch-technologische vemieuwing. Deze "mega-trends" - en de vele daarvan af te leiden ontwikke-lingen - het zijn in feite "containerbegrippen", alge-mene labels voor min of meer structurele maat-schappelijke ontwikkelingen - (zie onder andereBiemold 1990) - staan niet alleen centraal bij hetbenoemen van toekomstig onderzoek, maar ook deuitvoering van onderzoek ondervindt er invloedvan. Ze spelen in de gehele beleids-/onderzoeks-levenscyclus een rol. Er is overigens zowel sprake vaneen sterke verstrengeling van trends als van trendsdie schijnbaar tegengesteld aan elkaar zijn.In een drietal korte kaders geven Buit, Zegveld enThoenes, ieder op zijn eigen wijze, een impressie vandeze drie "megatrends". Het gaat om de trend zelf,niet om de ruimtelijke effecten en consequentieservan. Die zijn in de verschillende artikelen aan deorde.Bij het achterhalen van toekomstige onderzoeksvra-gen spelen ook de wetenschappelijke ontwikkelin-gen een rol. Naast de vraag naar onderzoek -deonderzoeksbehoefte - is ook het aanbod van onder-zoek, het reeds afgesloten, het nog lopende en hetvoorgenomen onderzoek van belang.In het slotartikel van dit nummer schetsen Buiskoolen Van der Vegt hoe gegevens over de stand vanzaken van het lopend ruimtelijk onderzoek wordengeregistreerd en vervolgens weer kunnen wordenopgevraagd.PiioriteitenAls gezegd is dit extra nummer gebaseerd op de voor-studies die het PRO voor zijn Meerjarenvisie Ruimte-lijk Onderzoek 1991-1996 voor elk van de vijf the-mavelden heeft laten verrichten. Het PRO zelf geeftin deze Meerjarenvisie per themaveld een aantalonderwerpen voor onderzoek aan, die naar zijnmening de komende tijd prioriteit in het onderzoekverdienen.De keuze van de themavelden behoeft in het lichtvan het voorgaande geen verbazing te wekken. Hetzijn op dit moment belangrijke issues. Vooral milieu,en verkeer en vervoer, maar ook bestuurlijke aspec-ten kunnen recent terugzien op belangrijke beleids-keuzes of voorgenomen keuzes. Bij zijn keuze vanprioriteiten heeft het PRO zich onder meer laten lei-den door de voorstudies en de strategische conferen-ties over die studies. In de Meerjarenvisie worden54 onderwerpen voor onderzoek naar voren ge-bracht, gegroepeerd naar 27 aandachtsvelden, die inhet overzicht (pagina 6) kort worden aangegeven.Voor meer informatie over deze "PRO-prioriteiten"wordt verwezen naar het rapport van de Meerjaren-visie (PRO, 1992a).Literatuur- Arts, G.J.M.( 1991) Kennisen ruimtelijk beleid; naarkennismanagement in deruimtelijke ordening, Kercke-bosch, Zeist.- Biemold, D.E. (1991)Maatschappelijke trends, eenoverzicht. PRO-Voorstudie 25,Den Haag (INTRO-TNO,Delft).- Horrevoets, M.S.G., H. terHeide (1992) Kennisecono-mie: methoden van doelma-tigheidshevordering in deruimtelijke kennishuishou-ding, PRO-Voorstudie 32, DenHaag.- Lohuizen, C.W.W. van(1985) The knowledgehousehold and policy making.In: SISWO Cahiers Beleidson-derzoek, nr. 5 maart 1985.- PRO (1992a) MeerjarenvisieRuimtelijk Onderzoek 1991-1996; prioriteiten in het on-derzoek. Den Haag.- PRO (1992b) Conferentie-bundel; verslag van vijf stra-tegische conferenties over dethemavelden van de Meerja-renvisie Ruimtelijk Onder-zoek 1991-1996 (red. R. teGrotenhuis), Den Haag.-RAWB (1988 en 1989) Dis-cussienota Naar een Weten-schapsbeleid voor de jaren'90, en: Adviesnota Bewe-gende Grenzen, Den Haag.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2BPrioriteiten in het onderzoek;overzicht uit de Meerjarenvisie Ruimtelijk Onderzoek 1991^1996TIJD-RUIMTELIJKE DYNAMIEK1. Onderzoek naar wenselijkheid, realiseerbaarheid en mogelijkhedenvan het meenemen van de "tijd" in de mimtelijke beleidsvoering:- substitucie van tijd en mimte;- methodiek- en data-ontwikkeling.2. Onderzoek naar mogelijke spanningen tussen een op coUectiviteitgebaseerde structurering van de samenleving enerzijds en de alsmaargroter wordende individuele keuzevrijheid en flexibiliteit van perso-nen, bedrijven en instanties anderzijds.3. Onderzoek naar locatiegedrag en onderlinge situering van bedrij-ven, winkels, sociale, culturele en recreatieve voorzieningen enonderwijs in relatie met verschuivingen in de tijd van de produktie-en de consumptiepatronen, waarbij het met name gaat om:- flexibele bedrijfsvoering war betreft arbeids- en bedrijfstijden;- flexibele openings- en sluitingstijden.MOBILITEIT EN INFRASTRUCTUUR4- Onderzoek naar de effectieve vraag naar mobiliteit en naar demotieven voor verplaatsing, met name vrijetijdsbesteding.5. Ondenoek met betrekking tot openbaar vervoer, met name watbetreft;- regionale infrastructurele netwerkconcepten;- relaties tussen taakstelling, tariefstelling, kwaliteit en langeafstandvervoer (hoge snelheidsspoorlijnen).6. Onderzoek naar beheersing en geleiding van mobiliteit. Met namewordt aandacht gevraagd voor:- prijsmaatregelen, onder meer de gevolgen van kostenverhogingop het activiteitenpatroon en de locatie- en vervoermiddelkeuze;- de mobiliteitsgevolgen in relatie met locatiebeleid en een func-tieverandering van bestaande woon- en bedrijfslocaties.7. Onderzoek naar de bestuurlijke organisatie van verkeer, met namewat betreft de vervoerregio's.8. Onderzoek naar effecten van ruimtelijk beleid op de ontwikkelingvan mobliteit en omgekeerd; effecten van mobiliteitsontwikkelingop de mimtelijke inrichting:- woningbouwlocaties en mobiliteit;- locatie van bedrijven en voorzieningen in selectie met mobiliteit.9. Onderzoek naar effecten van toenemende intemationalisering vanhet activiteitenpatroon en het vervoermiddelgebruik in het goede-ren- en personenvervoer. Verdere aandacht wordt gevraagd voor deregionale goederendistributie, de distributiefunctie van Nederlanden voor de mainportontwikkeling.RUIMTE EN MILIEU10. Onderzoek naar verdere conceptuele, maar bovenal op de praktijk(van ontwerp- en planniveau) gerichte operationalisering en verwe-zenlijking van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.11. Onderzoek naar mogelijkheden, wenselijkheden, voorwaarden enconsequenties van afstemming tussen ruimtelijk en milieubeleid.12. Onderzoek naar de relatie ruimte, milieu en economie, met namegelet op mogelijke randvoorwaarden vanuit het milieu aan econo-mische ontwikkeling.13. Onderzoek met betrekking tot een ruimtelijke inrichting die milieu-vriendelijk gedrag mogelijk maakt en aanmoedigt:- milieuvriendelijke ruimtelijke scenario's;- doorwerking en handhaving van beleid;- handelingsvrijheid.14. Onderzoek naar ruimtelijke mogelijkheden en gevolgen om in tespelen op ecologische principes (met name in het stedelijk gebied).15. Onderzoek naar de rol van ruimtelijk beleid bij intemationalemilieuproblemen, waarbij het zowel gaat om studies naar de effectenvan intemationale problemen voor de nationale planning, als omonderzoek naar het voorkomen en beperken van intemationalemilieuproblemen via nationaal ruimtelijk beleid. Naast afstemmingtussen beleid en onderzoek is studie noodzakelijk naar de intematio-nale milieumigratie.STEDELIJKE VERNIEUWING16. Onderzoek naar de ruimtelijke stmcturering van het stedelijksysteem. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht gevraagd voor:- de veranderende rol van steden en relaties tussen ruimtelijkeschaalniveaus;- culturele en vrijetijdsvoorzieningen als concurrentiemiddel tussensteden;- binnenstedelijke gebieden;- suburbs/randgemeenten.17. Onderzoek naar ruimtelijk relevante investeringen in het stedelijkgebied, met name waar het gaat om de selectiviteit van de inzet ende effecten van de investeringen.18. Onderzoek met betrekking tot het vergroten van de kennis van deonroerend-goed markt (effecten van ruimtelijke ingrepen en delevensduur van objecten) en aandacht voor het regionaal grondbe-leid.19. Onderzoek met betrekking tot de relatie inrichting, functie en ont-werp, speciaal wat betreft de rol van het ontwerp.20. Onderzoek met betrekking tot de bestuurlijk-procesmatige kant vande stedelijke vemieuwing, met specifieke aandacht voor:- organisatievormen;- rol van verschillende actoren.21. Bij de stedelijke vemieuwing verdienen problemen die samenhan-gen met stedelijke deelmarkten, waaronder de arbeids- en onder-wijsmarkt afzonderlijk aandacht.RUIMTELIJK BELEID EN BESTUUR22. Onderzoek met betrekking tot plaats en inhoud van het ruimtelijkbeleid tegen de achtergrond van schuivende verantwoordelijkhedenvan overheid en anderen:- publiek domein, interventiestijlen en publiek-privaat substitutie;- functionele samenwerkingsvormen.23. Het vraagstuk van de rol van het ruimtelijk beleid wat betreft coor-dinatie en integratie vereist blijvende aandacht, met name waar hetgaat om de discussie omtrent de WRO/Bro; herijking van het sector-facet schema, en andere vormen van afstemming tussen beleidsvel-den (wellicht in de richting van omgevingsbeleid?)-24. Onderzoek naar het functioneren van het systeem van ruimtelijkeplanning, mede in relatie met intemationale ontwikkelingen. Daar-bij speelt onder meer doorwerking van strategisch beleid. In het bij-zonder wordt studie aanbevolen naar het functioneren van:- het "open" bestemmingsplan en "buitenplans" beleid;- streekplan en planologische kembeslissing als strategische stu-ringsmiddelen.25. Onderzoek met betrekking tot territoriale bestuurlijke indeling endifferentiatie, met name waar het gaat om:- regiovorming in Nederland;- territoriale bestuurlijke differentiatie;- besluitvorming en schaal van beleid;-- Europese eenwording.26. Evaluerend en initierend onderzoek naar zowel de instrumentele,organisatorische als financiele consequenties van beleidsbeeindi-ging, beleidsafbreking of beleidswijziging.27. Onderzoek met betrekking tot betrokkenheid van burgers bij ruim-telijk beleid.Bron: PRO 1992a.D Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2Ruimtelijk onderzoekin het fin de siecleVrijdag 22 juni 2001 is het zover. Dan is het 100 jaar gele-den dat de Woningwet in hetStaatshlad stond. Een mooie dagV(xir een feestelijk congres. De Wo-ningwet immers, we hebben dat al-ien geleerd, markeeit het begin vande modeme ruimtelijke ordening inNederland.Om met een gerust gemoed te kun-nen feestvieren moeten we als ruim-telijke ordenaars het komende de-cennium voortgaan met het ontwik-kelen en onderhouden van kennisen ervaring, zoals we dat ook de af-gelopen negentig jaar hebben ge-daan. Dat blijft gelden als de ont-wikkeling ertoe zou leiden, zoalssommigen bepleiten en anderenvrezen, dat de ruimtelijke planningopgaat in een ruimere omgevings-planning, met wellicht nieuwe plan-vormen. We zuUen ook dan de ken-nis die we al hebben en de kennisdie we nog kunnen opdoen, goedkunnen gebruiken. Ruimtelijk on-derzoek, aansluitend op beschikbarekennis en gericht op het uitbreidenvan die kennis, blijft in alle gevallennodig.Dit artikel werkt die stelling naderuit, door achtereenvolgens aandachtte besteden aan de bestaande kennis,de aard van het gewenste onder-zoek, en de wijze waarop dat onder-zoek ter hand genomen kan worden.Wat weten we al?hi de loop van de negentig jaren dieachter ons liggen, is door planolo-gen en stedebouwers veel ervarings-kennis opgebouwd. Deze kenniswordt, zoals door Arts (1991) is be-schreven, min of meer routinematigtoegepast. In Engelstalige literatuurtreft men termen aan als "ordinaryknowledge" (Lindblom en Cohen,1979) of "working knowledge"(Kennedy 1983). De bronnen vandeze kennis zijn velerlei. "Some of itwas once scientific knowledge" zeg-gen Lindblom en Cohen; en in deNederlandse ruimtelijke ordening,met zijn vanouds sterke onderzoeks-traditie, is dat zeker het geval, ook alkunnen we meestal niet traceren opwelk onderzoek bepaalde algemeentoegepaste inzichten teruggaan.Volgens De Ruijter (1979) vindt dieonderzoekstraditie reeds in de Wo-ningwet zijn oorsprong, met namewat betreft het woningonderzoek.Toch zou tot ver in de jaren twintigde onderbouwing van uitbreidings-plannen vaak zeer mager blijven.Van der Cammen en De Klerk(1986) noemen de jaren tussen1920 en 1940 de periode waarin destedelijke en regionale planning zichontwikkelde van een intuitieve ont-werpdiscipline tot een wetenschap-pelijke methode. Het was ook datTh.K. van Lohuizen zijn programmavoor het stedebouwkundige werkopstelde (Van der Valk, 1990).Een pionier was Riickert, die in sa-menwerking met de Delftse hoogle-raar Valckenier Kips een uitvoerigrapport met betrekking tot het Al-gemeen Uitbreidingsplan van Til-burg vervaardigde, dat in januari1917 werd uitgebracht (Stolzenburg,1984). In dat rapport kan men reedstwee thema's onderscheiden diethans belangrijke componenten vor-men van de ruimtelijke kennishuis-houding, namelijk de (methodiekvan de) bevolkingsprognose en (deafleiding van) normen en standaar-den. Van 1917 tot de dag van van-daag zijn deze beide kenniscompo-nenten verder ontwikkeld en inhoge mate verfijnd. Voorts zijn ergeleidelijk andere aan toegevoegd.Als kenniscomponenten die ruimte-lijk planners thans voor hun dage-lijks werk ter beschikking staan kun-nen we onderscheiden:- prognosemethoden, of beter: me-thoden voor toekomstverkenning.Die betreffen niet alleen meer debevolking maar ook werkgelegen-heid, mobiliteit, enzovoorts;- normen en standaarden voor velevormen van ruimtebehoefte en hunonderlinge relaties (bijvoorbeeld af-standsnormen op grond van hin-der). Veel normen en standaardenzijn wettelijk vastgelegd, andere zijnProf. dr. H. ter HeideBijzonder hoogleraar in dewetenschappelijke toepassin-gen in de ruimtelijke orde-ning, aan de RijksuniversiteitUtrecht.op te zoeken in de publikatie Plano-logische Kengetallen;- richdijnen voor het ontwerp als uit-vloeisel van verkregen inzichten inmenselijk gedrag en beleving; bij-voorbeeld met betrekking tot delandschappelijke inrichting van re-creatiegebieden;- ex ante evaluatiemethoden, bij-voorbeeld strategische keuzebenade-ring of keuzeruimte-analyse met be-hulp van geografische informatiesys-temen;- instrumentariumkennis, waarbijhet zowel gaat om wettelijk instru-mentarium als om min of meer sub-tiele middelen ter bevordering vande doorwerking van plannen;- expost evaluatiemethoden, op deruimtelijke planning toegesneden(Herweijer en anderen, 1990).Dit zijn allemaal kenniscomponen-ten die zodanig tot technieken zijnontwikkeld dat zij door vakmensenmin of meer routinematig kunnenworden toegepast en deels zelfs kun-nen worden geautomatiseerd. Daar-aan kunnen dan nog worden toege-voegd allerlei uit onderzoek afkom-stige inzichten die voor ruimtelijkontwerp en beleid inspirerend kun-nen zijn. Tenslotte is er natuurlijkeen grote hoeveelheid gebiedsspeci-fieke informatie beschikbaar.Waarom nog meer weten?Het kennisbestand dat in de loopder jaren door ruimtelijke ordenaarsis opgebouwd vormt een uiterst -waardevol bezit. Het maakt het mo- " 'gelijk het ruimtelijk beleid effectiefvorm te geven en het draagt veel bij ' ;tot de machtsbasis van de ruimte-lijke ordening.Het kennisbestand moet dan ookgoed onderhouden worden. Arts .(1991) wijst op het gevaar vanken- ' '''' ^niserosie, institutioneel verlies aankennis door het vertrek van mede-werkers of het simpel vergeten van ,niet dagelijks gebruikte kennis. Ditwordt in de hand gewerkt doordatveel in organisaties gebruikte kennisin feite individuele kennis is. De be-vindingen van Arts (die onderzoekdeed naar kennisgebruik in driemiddelgrote gemeenten), zowel als 'ons aller ervaring, wijzen op de wen-selijkheid van betere opslag vankennis en betere toegankelijkheidvoor de gebruikers daarvan. Auto-matisering kan hierbij helpen, zijhet dat gewaakt moet worden tegenStedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2BRuimtelijk onderzoek in het fin de siecleLiteratuur- Arts, G.J.M.( 1991), Ken-nis en ruimtelijk heleid: naarkennismanagement in deruimtelijke ordening. Zeist,Kerckebosch.- Cammen, H. van der, enLA. de Klerk (1986), Ruim-telijke ordening; van plannenkomen plannen. Utrecht,Aula.-Heide,H. ter(1992),Stra-tegisch onderzoek voor strate-gische planning: functies vankermis in het ruimtelijk he-leid. Utrecht, Faculteit derRuimtelijke Wetenschappenvan de Rijksuniversiteit.- Herweijer, M., G.J.A.Hummels en C.W.W. vanLohuizen (1990), Evaluatievan indicatieve planfiguren,Rijksplanologische Dienst,Den Haag.-Kennedy, M.M.( 1983),Working knowledge. Know-ledge: Creation, Diffusion,Utilization 5.- Klosterman, R.E. (1990).Microcomputers in urban andregional planning. Compu-ters, Environment and UrbanSystems 14/3.- Lindblom, C.E., and D.K.Cohen (1979), Usable know-ledge: social science and so-cial problem solving. NewHaven, Yale University Press.- PRO (1992) MeerjarenvisieRuimtelijk Onderzoek 1991-1996; prioriteiten in het on-derzoek. Den Haag.- Ruijter, R de (1979), So-ciaal-wetenschappelijk onder-zoek en planologie: histori-sche aspecten van een span-ningsverhouding. Amster-dam, Planologisch en Demo-graflsch Instituut.-Stolzenburg,R. (1984), Hetsociaal-wetenschappelijk on-derzoek bij het uitbreidings-en structuurplan: een socio-grafische opgave. Eindhoven,Technische Universiteit.-Valk,A.vander(1990),Het levenswerk van Th.K.van Lohuizen 1890-1956.Delft, Delftse UniversitairePers.uit het zicht verdwijnen van ook be-langrijke kwalitatieve, dus niet zogemakkelijk digitaliseerbare kennis(vergelijk Klosterman, 1990).Naast onderhoud van bestaandekennis is ook nieuwvorming vankennis noodzakelijk. De reden isniet alleen dat we regelmatig ont-dekken toch niet genoeg te weten,maar vooral ook dat maatschappe-lijke ontwikkelingen nieuwe feno-menen oproepen waarop de be-staande kennis niet is ingeschoten.Zo werden bijvoorbeeld door deAmsterdamse wethouder Genet ineen interview dat hem ten behoevevan een onderzoek naar beoordelingvan woonkwaliteit werd afgenomenals relevante ontwikkelingen ge-noemd:- verschuiving van tweedelijns naareerstelijns gezondheidszorg;- discontinuiteit in de gezinsver-dunning als gevolg van het toene-mend aantal immigranten;- toenemend belang van milieu-eisen.Dergelijke ontwikkelingen leidenvoor de eerdergenoemde ruimtelijkekenniscomponenten tot aantastingvan de betrouwbaarheid. Opvattin-gen veranderen, waardoor de grond-slag afbrokkelt onder ooit op basisvan onderzoek geformuleerde nor-men, standaarden en ontwerpricht-lijnen. Gedrag verandert, waardoorde gedragsveronderstellingen die tengrondslag liggen aan prognoses enbeleidstheorieen op drijfzand komente berusten. Verschijnselen waar wetot nu toe geen aandacht aan be-steedden en die dus nog niet in onzenormen en standaarden of in onzegedragsveronderstellingen waren op-genomen blijken opeens belangrijkte worden, zoals bodemvervuiling oftelewerken. Zoals ieder produktie-middel moet kennis niet alleen wor-den onderhouden, maar ook wordenvervangen als de economische le-vensduur ervan verstreken is.Welke nieuwe kennis?Omdat de behoefte aan nieuwe ken-nis, in een volwassen beleidsveld alsde ruimtelijke ordening, voortkomtuit veranderingen in beleidsvragenen in passende antwoorden daaropals gevolg van maatschappelijkeontwikkelingen, is verkenning vande maatschappelijke ontwikkelingeneen logische manier om onderzoeks-prioriteiten te identificeren.De maatschappelijke ontwikkelin-gen leiden niet bij alle ruimtelijkeactoren tot dezelfde kennisvragen.Hun beleidsverantwoordelijkhedenzijn verschillend, en zij zuUen dusverschillende prioriteiten moetenstellen.Bijvoorbeeld, wat betreft de ruimte-lijke (her)structurering van het ste-delijk systeem zuUen gemeentenvooral moeten letten op intra-stedelijke verhoudingen en hogereoverheden meer op inter-stedelijkerelaties.Er is echter met de maatschappelijkeontwikkelingen in onze tijd letsmerkwaardigs aan de hand. Zij lei-den tot een steeds grotere verstren-geling van de belangen van ver-schillende actoren. Dit vloeit voortuit het samengaan van schaalvergro-ting en schaalverkleining, met alsuiterste consequenties mondialise-ring en individualisering. Individuenhandelen niet alleen meer binnengeografisch bepaalde, maar ook infiinctionele kaders, die tot wereld-schaal kunnen uitgroeien. Ditmaakt dat individueel gedrag en col-lectieve verschijnselen steeds recht-streekser samenhangen. Heel duide-lijk is dit op milieugebied. Individu-eel gedrag in de eigen woning kaninvloed hebben op de ozonlaag bo-ven Antarctica, en (op den duur)omgekeerd. Dat betekent echtergeenszins dat het individuele gedragover de hele wereld gelijk is, en nogminder dat dezelfde motieven eraanten grondslag liggen. Integendeel,zelfs op lokaal schaalniveau lopenhoudingen en gedrag meer dan ooituiteen. Hoewel de milieuproblemenzich op macroniveau voordoen zalgeneriek beleid om te trachten ze opte lossen, dus niet helpen.Hoe onderzoek organiseren?Planning en beleid reageren (zij hetenigszins vertraagd) op de verstren-geling van belangen die uit maat-schappelijke trends voortvloeiendoor intensivering van samenwer-king. Tussen het Rijk en lagereoverheden en tussen overheden enbedrijfsleven worden convenantenafgesloten. Publieke en private do-meinen groeien ineen. In probleem-gerichte projecten, zoals de NadereUitwerkingen Vino en VINEX, wor-den vraagstukken op een nieuwewijze in hapklare brokken verdeeldzodanig dat steeds wisselende groe-pen actoren er gezamenlijk aan kun-nen werken. Er is, kortom, sprakevan strategische planning, en hetonderzoek moet zich daaraan aan-passen.Deze aanpassing vergt onder meer(vergelijk Ter Heide, 1992) datnieuwe wegen worden gezocht voorde ontwikkeling van een gezamen-lijke kennishuishouding voor ver-schillende actoren. De aard van devragen waarvoor beleidvoerders zichthans gesteld zien is, gezien de ver-strengeling van schaalniveaus en le-venssferen als gevolg van het gelijk-tijdig optreden van mondialiseringen individualisering, zodanig datgeen enkele beleidsactor kan hopenzelfstandig de benodigde kennis tekunnen verzamelen. De kennisvragenvan verschillende actoren overlappenelkaar meer dan ooit, maar anderzijdsblijven ze toch verschiUen. Allenhebben er dus in hoge mate belang bijdat de door anderen en henzelf te ver-richten onderzoeken elkaar aanvul-len, maar niet ten koste van de speci-fieke kennis die ze ieder voor zich be-hoeven. We zuUen het "fin de notresiecle" onder meer moeten gebmikenom praktische oplossingen voor ditdilemma uit te werken.Aanzetten voor dergelijke oplossin-gen zijn overigens zeker te vinden.Er zijn verscheidene richtingen diemen kan inslaan. Aanbieders vanonderzoek kunnen meer generalise-rend en meer specifiek onderzoek(of zo men wil, fundamenteel, stra-tegisch en toepassingsgericht onder-zoek) inhoudelijk koppelen, maarqua presentatie uiteenleggen, en deresultaten aldus bruikbaar makenvoor verschillende clienten. Projec-ten kunnen door een aantal partnersgezamenlijk worden opgezet waarbijze alien een specifieke inbreng leve-ren, die wordt samengevoegd om ervoor elk ook weer een specifiek pro-dukt uit te destiUeren. Getracht kanworden om door secundaire analysenieuwe kennis te verkrijgen uit aan-vankelijk los van elkaar voor ver-schillende doeleinden verrichte stu-dies. Met deze drie oplossingsrich-tingen is recent ervaring opgedaan,maar verdere verkenningen zijn ge-wenst. Ehiidelijk is in ieder geval datin de kennishuishouding samenhan-delen tussen actoren met erkenningvan ieders belangen een noodzaakis. Het ProgrammeringsoverlegRuimtelijk Onderzoek zou daarbijeen nuttige makelaarsfunctie kun-nen vervuUen.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra tOnderzoek en beleid:een veranderende relatieKort geleden trok een boektitel mijn aandacht. Het betrof"The Idea Brokers. Think Tanks and the Rise of the NewPolicy Ehte" van J.A. Smith (New York, 1991). Voor iemand diezich verbonden weet met het onderzoek- en studiewerk van deRijksplanologische Dienst een verplicht nummer. Het boekbeschrijft de geschiedenis van het in de Verenigde Staten totgrote bloei gekomen verschijnsel van onafhankelijke onderzoek-bureaus, die bestuur en samenleving onderzoekresultaten, exper-tise en advies aanbieden. Op eigen initiatief of in opdracht. Degrote namen: Rand, Brookings, biudson, Worldwatch, UrbanInstitute, enzovoorts zijn ook bij ons overbekend.Het is een buitengewoon boeiend en informatief boek dat deups en downs van de "policy experts" beschrijft en analy-seert tegen de achtergrond van de Amerikaansepolitieke en maatschappelijke ontwikkeling.Het is daarmee, soms meer, soms minder expli-ciet ook de geschiedenis van de positie van deresultaten van op het beleid gericht onderzoek.En hoewel de institutionalisering van het veldbij ons belangrijk afwijkt van die in de Ver-enigde Staten, is de vraag naar de functie en dedoorwerking van de resultaten van het op toe-passing in het beleid gerichte ondenoek, ons maar al te bekend.Smith wijst op proliferatie van, ook elkaar nog vaak tegenspre-kende resultaten (ozon), op het optreden van deskundigendie of irrelevant (Clavan) of te gulzig (aids) of partij blijken tezijn, en meer in het algemeen op een afnemende invloed op debeleidsvorming met behoud van betekenis voor de beleidsuitvoe-ring. Het is niet moeilijk parallellen met de Nederlandse situatiete zien. De nog steeds groeiende belangenarticulatie bij vrijwelalle beleidsvorming verdringt de ooit opgerukte verwetenschap-pelijking. Wat we weten en kunnen is vaak minder relevant danwat we willen. Niet wat onderzoekbaar is, maar wat we willenbereiken bepaalt de probleemstelling van onderzoek.Onderzoek blijkt beleidsontwerp en advies. Buitengewoon rele-vant en belangrijk voor de beleidvoerder; niet overtuigend, over-bodig of hinderlijk voor degenen die andere beleidsopties heb-ben.Ik wil niet verkeerd begrepen worden: het gaat mij om het sig-naleren, om nuchterheid, niet om impliciete kwalificatie.Voor dat laatste is zelfs geen reden. Het is immers gemeengoeddat het oplossend vermogen van onderzoek, ondanks interdisci-plinairc samenwerking, vaak ontoereikend is om antwoord tegeven op rechtstreeks vanuit de beleidsvorming aangedragenvragen. En dat het beleid zulke "moeilijke" vragen stelt vloeituiteraard voort uit de hoge eisen die we aan elkaar stellen als lidvan de samenleving, en die het tempo en de kwaliteit van hetpolitiek-bestuurlijk handelen wel moeten bepalen in een demo-cratie.De conclusie is dat met de veranderde functie het onderzoek zelfveranderd is. Volgde de vorm niet altijd al de functie? Zo vreet detijd aan oude zekerheden en verankerde relaties tussen begrippen.Was vroeger de drieslag onderzoek-planning-beleid een voorieder op dezelfde wijze begrepen onderscheid, nu is onderzoek watvroeger planning (=beleidsontwerp) was en is planning watbeleid en beleidsuitvoering wat vroeger beleid was. En wat vroe-ger onderzoek was? De kwantitatieve componenten zijn deelsterug te vinden in wat nu informatievoorziening heet. Deze laat-ste categoric maakt tezamen met een diversiteit van overigonderzoek weer deel uit van een reeks van activiteiten die welwordt aangeduid als het op peil houden van de kennishuishou-ding. Bedoelen we inhoudelijk no.g wel hetzelfde wanneer wepraten over prioriteit voor een bepaalde activiteit?DenkraamD;it is niet de plaats en de gelegenheid omdeze ontwikkelingen in verband te bren-gen met de taak en functie van beleidsweten-schappelijke opleidingen. Wel interessant!Maar gegeven de aanleiding tot het uitbrengenvan dit extra numer van Stedebouw en Volks-huisvesting is er wel reden een relatie te leggenmet de zojuist door het ProgrammeringsoverlegRuimtelijk Onderzoek (PRO) uitgebrachte Meerjarenvisie Ruim-telijk Onderzoek 1991-1996.In het licht van het voorgaande betekent dit dat kennisontwik-keling en beleidsadvies de ingangen zijn van waaruit de uitvoe-ring van (onderdelen van) de Meerjarenvisie zal worden beoor-deeld en gerealiseerd. Gegeven de financiele kracht van de acto-ren op het veld zal veel van het door het PRO gesuggereerdeonderzoek tot beleidsadvies leiden. Als ik het goed zie spoort datook met de intenties van het PRO. Wel valt te verwachten datniet de kracht van de interne samenhang van de Meerjarenvisie,maar eerder de altijd wat opportunistisch overkomende beleids-uitvoeringsprioriteiten in de komende jaren de selectie vanonderwerpen voor onderzoek zuUen bepalen. Van geprogram-meerde uitvoering is dan maar beperkt sprake, hoewel het PRO ernaar mijn mening zeer goed in is geslaagd zijn prioriteiten te orde-nen onder voor het beleid zeer herkenbare aankopingspunten enanalyses.De beste kansen voor een geprogrammeerde, systematischeuitvoering liggen echter op het terrein van de kennisont-wikkeling. In alle nuchterheid moet echter worden vastgestelddat de vanuit deze functie beschikbare middelen veel geringerzijn. De kans dat de beleidsagenda voor de toekomst in belang-rijke mate door onderzoek zal kunnen worden bepaald neemtdaardoor af Dat betekent niet dat hij nul is. Ligt daarin dan nieteen stimulans voor het ruimtelijk onderzoek?Drs.J.P.J.Fit,Directeur Sociale en Economische Ontwikkeling, Rijksplanologische Dienst.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 extra nummer 2QRuimtelijke beleidsvoeringwerken aan omgevingsbeleidIngfijpende vernieuwing van het stedelijk gebied enverhetering van de infrastructuur zw, evenals deherontdekking van het particulier initiatief, desanering van nationale planvormen, het inspelenop internationale ontwikkelingen, het ROM-gebiedenheleid en de globale bestemmingsplannen,tekenen dat de ruimtelijke ordening weer volop inbeweging is. Dit heeft consequenties voor de wijzevan ruimtelijke beleidsvoering. In dit artikel enigemogelijke ontwikkelingslijnen.Dr. J.M. MastopUniversitair hoofddocent Pla-nologie, Faculteit der Beleids-wetenschappen, KatholiekeUniversiteit Nijmegen.en open deur: nieuwe of veranderende maat-schappelijke omstandigheden vragen om'nieuw ofaangepast beleid en een daarmee cor-responderende beleidsorganisatie. Een verkenningvan mogelijke veranderingen en uitdagingen die demimtelijke beleidsvoering de komende jaren opbestuurlijk vlak te wachten staan en de onderzoeks-behoeften die deze zuUen oproepen kan de waar-schijnlijkheid en/ofnoodzaak van aanpassingen vande mimtelijke beleidsvoering voor het voetlichtbrengen.Als belangrijke achtergrond voor zo'n verkenninggelden drie algemene ontwikkelingen ("mega-trends") en hun mogelijke invloed op het mimtelijkbeleid: de toenemende emancipatie en individuali-sering van de samenleving, de toenemende schaal-vergroting van sociaal-ruimtelijke processen annexintemationalisering van economische en institutio-nele verbanden, en de voortgaande economisch-technologische ontwikkeling, kortweg: technologi-sering. Deze "megatrends" zijn containerbegrippen.Het zijn algemene labels voor min of meet structu-rele maatschappelijke ontwikkelingen die zich algeruime tijd in de maatschappij aftekenen. Van deeconomisch'technologische ontwikkeling kanbovendien worden geargumenteerd, dat deze ooksterk conjunctureel bepaald is en in belangrijke mateeffect sorteert via beide andere, zowel economischals beleidsmatig: ook het beleid kent zo zijn conjunc-tuurbewegingen.In dit artikel gaat het er vooral om te bepalen ofdezetrends en daarmee verband houdende opgaven ookconsequenties hebben voor de bestuurlijke kantenen het onderzoek van de ruimtelijke beleidsvoering,nader uiteen te leggen in de positie van de ruimte-lijke ordening, de aard van de ruimtelijke beleids-voering (in bestuurlijk, planningtechnisch en finan-cieel opzicht) en de rol en taken van de overheid.Het antwoord daarop is ja. Maar niet als gevolg vande "megatrends" en de nieuwe opgaven alleen. Ookals gevolg van het ontwikkelingstraject dat de ruim-telijke ordening tot nu toe heeft afgelegd. En even-zeer omdat opvattingen over de rol en taken van deoverheid sowieso veranderen en inmiddels veran-derd zijn. Ruimtelijke beleidsvoering was onder deNederlandse verhoudingen immers bij uitstek eenvorm van overheidsbeleid alleen. Ten tijde van deTweede Nota over de Ruimtelijke Ordening nogomschreven als '...het van overheidswege leidinggeven aan de ruimtelijke ontwikkeling', nuanceerdede toenmalige directeur-generaal van de ruimtelijkeordening, ir. Quene, dit tot '...geleiden van de...'.Thans, zoals blijkt uit de Vierde nota en tal van pro-vinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten,wordt veelal gesproken van '...inspelen op...maat-schappelijke ontwikkelingen' en dan vooral vaneconomische signatuur. Treffender kan de vervlech-ting van de positie van de ruimtelijke beleidsvoeringmet opvattingen over de taakvervuUing van de over-heid haast niet worden samengevat.HoofdlijnenOp grond van eerder onderzoek en literatuur zijn ophet terrein van de ruimtelijke beleidsvoering tweehoofdlijnen te destilleren.Een: de bestuurlijke inbedding van de ruimtelijkeordening en het ingezette instrumentarium behoe-ven heroverweging. De wijze waarop de overheidinvuUing geeft aan haar publieke taakvervuUing ophet terrein van het ruimtelijk beleid zal op vele pun-ten en ook ingrijpend veranderen. Daarover bestaateen redelijke communis opinio. Zeker als het gaatom de diagnose van de huidige stand van zaken.Vrijwel alle relevante bronnen geven aan, dat watStedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer ^gocd was voor de afgelopen decennia, nu en in detoekomst niet langer zonder meer het geval is. Deontwikkeling van het aiimtelijk beleidsbestel is- met alle beperkingen - van groot belang geblekenvoor het ontwikkelen en handhaven van een goedingerichte leefruimte en voor de ontwikkeling vande Nederlandse overheidsplanning in het algetneen.De daannee verbonden positionering van de ruimte-lijke ordening ten opzichte van aanpalende beleids-bestellen en het ontwikkelde instrumentariumbehoeven evenwel dringend herbezinning. Tref-woorden in dit verband zijn: coordinatie, integratieen afstemming (ofjuist het gebrek daaraan), beleids-efFectiviteit (naleving en handhaving), de behoefteaan meer gebieds- en themaspecifieke beleids- enplanvorming en de koppeling van de algemenebeleidsontwikkeling aan het financieel instrumenta-rium. De elders in dit nummer beschreven bevindin-gen op de terreinen mobiliteit en infrastructuur, ste-delijke vemieuwing en vooral ruimte en milieugeven concrete voorbeelden.Tuiee: deze veranderingen zuUen betrekking hebbenop vrijwel alle facetten van het bestuurlijk opereren:de bevoegdheidstoedeling en bestuurlijke organisa-tie, het instrumentarium, de onderlinge bestuurlijkeverhoudingen en de relaties met de (georganiseerde)particuliere sector en de burger. Ook hieroverbestaat een redelijke overeenstemming. De oplos-singen en noodzakelijk geachte veranderingen die inde praktijk worden beproefd en in de literatuur wor-den geanalyseerd, wijzen veelal in dezelfde richting.Dit kan geillustreerd worden door de verwachtebestuurlijke implicaties van de drie "megatrends"kort toe te lichten.Voortgaande en wellicht toenemende emancipatieen individualisering zal leiden tot een toenemendedifferentiatie en pluriformiteit van doelgroepen ensubculturen. De overheid zal door diverse doelgroe-pen ook steeds minder als hoedster van het alge-meen belang worden geaccepteerd, maar tegelijker-tijd een taak blijven houden om die belangen tebeschcrmen die uit zichzelf wat minder gepronon-ceerd in de beleidsarena worden ingehracht. Voortstreft die differentiatie en pluriformiteit ook de over-heid zelf, in al haar gedaanten. De al ingezette profi-lering van provincies en gemeenten zal doorzetten.Algemene, generieke regelingen tussen overhedenzuUen steeds meer worden aangevuld met "arrange-menten op maat": de recente ontwikkeling van hetROM-gebicdcn-beleid en de uitwerkingen van deVierde nota (Extra) zijn hiervan voorbeelden. Depluriformiteit van het bestuur en van de wijzen vanruimtelijke beleidsvoering zal toenemen. "Een-hcidsoplossingen" zoals die in de afgelopen decenniazijn beproefd zuUen steeds minder doeltreffend blij-ken te zijn. De zeer recente discussies over de notaBestuur op niveau 2 (BON 2) (zie ook hiema) wijzenonmiskenhaar ook in deze richting.Naar verwachting zal ook de schaalvergroting eninternationalisering doorzetten. Overigens is hetcomplement van schaalvergroting, schaalverklei-ning. Als de behartiging van bepaalde taken op eenhoger bestuurlijk territoriaal niveau wordt getild, zaltegelijkertijd gezocht worden naar mogelijkhedenom dat bestuur en uitvoering op onderdelen zo dichtmogelijk bij de burger te houden. In deze oude dis-cussie gaat het allang niet meer om de wens ofnood-zaak, maar om de weg waarlangs. Het bestaande stel-Planning in de zogenaamde sectoren (milieu, landinrich-ting, enzovoorts) is volstrekt geen substitutie van de rol vande Riimtelijke ordening. Integendeel. Naamiate dit soortsectorale planning beter in elkaar zit, vormt zij een betereondersteuning voor een goede ruimtelijke ordening. Datgeldt overigens wederzijds, mits de ruimtelijke ordening zichniet defensief opstelt.Tweesporigheid is het tegendeel van een hierarchische ver-houding.Prof. dr. mr. ]. WitsenBijzonder hoogleraar in de nationale en Europese dimensiesvan ruimtelijk beleid, Katholieke Universiteit Nijmegen;oud'Directeur Generaal van de Ruimtelijke Ordening.sel blijkt zeer resistent en op de uiteindelijke uitkom-sten is vooralsnog geen peil te trekken. Maar indienen voor zover structurele aanpassingen voor hetvraagstuk van de bestuurlijke schaalvergroting poli-tiek haalbaar blijken, is eerder differentiatie en pluri-formiteit, dan uniformiteit te verwachten. Dit geldtzowel voor de problematiek rond de grote steden(BON 2) als de continuering van intergemeentelijkesamenwerking op grond van de Wet Gemeenschap-pelijke Regelingen (WGR): bestuurlijke en financielepremiering van samenwerking zal in belang toene-men.Gelet op "1992" behoeft het evenmin betoog dat deinternationalisering van ruimtelijke en bestuurlijkerelaties zal doorzetten. De implicaties voor nationalebestuurlijke verhoudingen zijn echter nog niet uitge-kristalliseerd. De ontwikkeling van een Europeseruimtelijke beleidsvoering lijkt onafwendbaar engewenst. Het zal echter niet op het Nederlandsemodel zijn geent: eerder zijn vormen van gebieds- (ofeuregio-) en themaspecifieke beleidsvoering te ver-wachten en/of speciale actieprogramma's (vooma-melijk financieel gevoed), naast regulerende maatre-gelen voor bepaalde soorten gebieden, vooral in desfeer van bescherming. Deze ontwikkeling kanbelangrijke implicaties hebben voor het schaalni-veau van de toekomstige "Europese" regio's - zijn datde provincies, samenwerkende provincies (landsde-len dus) of is dat Nederland als geheel? - en hetbestaande instrumentarium: zal supra-nationaleregelgeving een unificerend effect hebben op dewijze waarop nationale overheden hun beleid (moe-ten) voeren?Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra rRuimtelijke beleidsvoeringTenslotte de voortgaande economisch-technologischevernieuwing. De verwachting is dat deze vooral zijninvloed zal hebben op de versterking van de toch alaanwezige marktorientatie binnen het openbaarbestuur en in ieder geval het streven naar doelmatig-held en doeltreffendheid zal versterken; zowel in ter-men van de organisatie van het openbaar bestuur alsin termen van de gehanteerde en te ontwikkeleninstmmenten. Meer specifiek kan voorts wordengedacht aan toenemende mogelijkheden tot bron-in plaats van effectgericht milieubeleid, waardoorzonering en ruimteconsumptie omwille van milieu-overwegingen wellicht kunnen worden terugge-drongen, en aan een eventueel centraliserend effectvan de modeme informatietechnologie.BevindingenOp grond van de ontwikkelingen en verwachtingendie hierboven kort zijn aangestipt, en voortvloeienduit het ontwikkelingstraject van de ruimtelijkebeleidsvoering tot nu toe ("endogene ontwikkelin-gen"), kunnen aandachtspunten worden geformu-leerd, die voor het toekomstig bestuurlijk functione-ren van de ruimtelijke beleidsvoering van grootbelang zijn. Met name gaat het om die punten waar-voor kennis en inzicht onmisbaar zijn. Hoog op deagenda prijken onderwerpen die van doen hebbenIn de ruimtelijke besluitvorming staan twee elementen cen-traal:- het bereiken van coherentie van de afzonderlijke beleids-beslissingen;- het zoeken naar een zo breed mogelijk draagvlak van hetbeleid.De belangrijkste uitdaging voor de komende tijd is: hoe kande slagvaardigheid van het hele systeem zo verbeterd wor-den dat het coherentiestreven en het zoeken van draagvlakgerealiseerd wordt, en er toch slagvaardig kan worden ge-opereerd. We hebben geen behoefte aan nieuwe regenten-tijden. Ruimtelijke plannen en procedures blijven nodig.Er moet in de praktijk van de ruimtelijke ordening ruimteworden geschapen voor nieuwe soorten plannen. Maar watook nodig is, is meer ruimte binnen die planfiguren zelf.Ruimte voor nieuwe planontwikkelingen heeft alleen zinals je die niet van tevoren aan vaste regels en allerlei rand-voorwaarden bindt. Een van de belangrijkste voorbeelden isde ontwikkeling van het gebiedsgericht beleid.Er is meer aandacht nodig voor projectgerichte besluitvor-ming in relatie met het ruimtelijk beleid, al blijft het makenvan plannen het hart van de ruimtelijke ordening. Er wordtal redelijk veel aandacht gegeven aan vergunningen-coordinatie. Maar er is minstens zoveel aandacht nodigvoor de ruimtelijke coordinatie van investeringsbeslissingenin de sfeer van de verschiUende sectoren.Pro/, dr. mr.]. Witsenmet de volgende vijf brede aandachtsvelden:- de ujerking van het instrumentarium.onderwerpen zijn: het functioneren en vemieuwenvan bestemmingsplannen, het "open" bestemmings-plan, de positie van de planologische kembeslissing,de doorwerking van strategisch beleid, het "buiten-plans beleid", inter- en intrabestuurlijke relaties, debetrokkenheid van burgers bij het beleid en de pro-blematiek rondom beleidsbeeindiging.- De gebruikte integratie- en coordinatiemodellen.onderwerpen zijn: herijking sector-facet schema,integratie ruimtelijke ordening en milieuplannen,de vergunningencoordinatie en het gebiedsgerichtbeleid.- Het aantreden van nieuwe partijen in de ruimtelijkebeleidsvoering.onderwerpen zijn: functionele samenwerkingsvor-men en de publiek-privaat substitutie.- Het vraagstuk van bestuurlijke schaaldifferentia'tie.onderwerpen zijn: de bestuurlijke schaalvergrotingvan het stedelijk gebied, territoriale bestuurlijke dif-ferentiatie, de rol van kleine gemeenten, euregio'sen de supra-nationale regelgeving.- Onderwerpen inzake methodische vemieuwingen.onderwerpen zijn: monitoring en evaluatie, de rolvan het stedebouwkundig ontwerp en de technolo-gisering/informatisering.Een tweetal opmerkingen hierbij.Een: De onderzoeksbehoeften omvatten nogal wat"oude bekenden". Dit is niet vreemd. Nogal watonderwerpen hangen samen met wat genoemd is"endogene ontwikkelingen". Dat geldt bijvoorbeeldvoor het nalevings- en handhavingsvraagstuk datbovenaan de agenda prijkt: het speelt al jaren, is nietof nauwelijks opgelost en de vraag is of afdoendeoplossingen in het verschiet liggen. Het heeft echterwel onze voile aandacht nodig. Welke beleidsaan-passingen de komende jaren ook noodzakelijk zuUenzijn, welke andere vormen van beleidsvoering ookworden geintroduceerd, als er niet meer garanties teverkrijgen zijn dan thans voor de naleving of hand-having daarvan - of beter de naleefbaarheid enhandhaafbaarheid - dan moeten we niet gek opkij-ken als beoogde doelen niet gehaald worden. En datgeldt dan niet alleen voor traditionele juridischeinstrumenten als regelgeving, normstelling en derge-lijke. Het geldt ook voor de meer financiele en de opoverreding en/ofovereenkomsten gebaseerde instru-menten, die recentelijk meer en meer worden inge-zet.Het functioneren van het bestemmingsplan,ondanks de wetswijziging en de publikatie "Bestem-men met Beleid", het vraagstuk van de coordinatiein het ruimtelijk beleid, de koppeling aan het finan-ciele instrumentarium ("prikkels") en het vindenvan de juiste bestuurlijke schaal voor de ruimtelijkebeleidsvoering zijn eveneens oude bekenden. Zeprijken nog steeds, of weer, op de agenda. De con-Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 Extra nummer 2Crete vragen die thans voorliggen kunnen verschil-len van vroegere, de gesuggereerde oplossingeneveneens; de aard van de vragen echter verschiltniet wezenlijk. Wie zei ook alweer, dat probl
Reacties