75eJAARGANG 1994 NUMMER 7/8ouw VolkshuisvestingTIJDSCHRIFT VOOR RUIMTELIJKE ONTWIKKELING EN OMGEVINGSKWALITEITINSLAGKANAALWEGENSPOORWEGKANAALSNELWEGSTADSREGIOEINDHOVEN-HELMONDTHEMANUMMERPLANOLOGISCHE DISKUSSIEDAGEN 1994DE KRAGHCD VAN DE REGIO?ederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordeuing en Volkshuisvesting (NIROV)wwZO3ia?e PROVlNCieNfET IN BROtCXeH U/T-eei* VALLGN, SHBRtFF!rijksbijdrage van 91 miljoen voor grondkostenen bodemsanering tegenover staat. Het zal nieteenvoudig zijn om dit waar te maken, want debeschikbare middelen zijn in het licht van de uit-voeringsproblemen bepaald niet ruim te noe-men. De bouwproduktie in deze stadsregio's zalfors omhoog moeten van het huidige gemiddel-de van circa 3.800 woningen per jaar naar jaarlijks5.000 woningen.In de media verschijnen alarmerende berichtenover de woningnood die weer de kop op zou ste-ken. De gehanteerde prognoses gaan uit vanhooggespannen verwachtingen van de migratie-ontwikkeling en de individualiseringstendens.Het is de vraag of deze verwachtingen ook in degeschatte omvang bewaarheid zullen worden.Feit is dat de woningbouw in de Brabantse stedenachterblijft bij wat nodig is. Gelukkig zijn er in destadsregio's randgemeenten die tijdig de benodig-de bouwlocaties kunnen leveren. Uiteraard heeftbouwen in en aan de stad de eerste voorkeur,maar als het zo uitkomt is bouwen in de randge-meenten een goed alternatief.Ondanks de dringende verzoeken van platte-landsgemeenten om meer te mogen bouwen wil-len we uitdrukkelijk niet afzien van het verstede-lijkingsbeleid om vervolgens te bouwen in de lan-delijke gebieden. De kwaliteit van de Brabantsedorpen is niet gediend met explosieve groei en desteden zijn nog minder gediend met het in kwa-litatief opzicht achterblijven bij het platteland.Cartoon: Ben van MierJo,'s-HertogenboscK.provinciesbezinnenzichmomenteelop hun rol,taak enplaatsStedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8Van regiovisie naarstreekplanplanner! in de Brabantse stadsregioVan der Zouwe gaat in op de z^g^riingen vanregionale samenwerking. In Noord-Brahant isgekozen voor een nieuwe strategic: samen met desteden en de omliggende gemeenten heeft de pro-vincie het streekplan nader uitgewerkt.Hierdoor is een regionaal draagalak ontstaan voorde uitvoering van het verstedeliikingsheleid.Ir. K. van der ZouweStreekplanprojectleider,provincie Noord-Brahant.Ir. P.G. Meijer, Destreekplannen van Noord-Brabant: in Stedebouw inNederland: SOjaarBNS,Zutphen, 1985.2Stuurgroep uitwerkings-plan Stadsregio 's-Herto-genbosch, Structuurvisiestadsregio 's-Hertogen-bosch, 1992.Sinds 1992 heeft Noord-Brabant een streek-plan voor het gehele provinciale grondge-bied. In dat streekplan zijn rond de stedenBreda, Tilburg, 's-Hertogenbosch en Eindhoven-Helmond stadsregio's aangegeven. Naast de een-trale stad omvat de stadsregio ook de min ofmeer verstedelijkte dorpen direct daar omheen.De stadsregio's vervullen een cruciale rol in hetverstedelijkingsbeleid. Om de groei in de stads'regie's te kunnen bundelen werden in de voor-gaande streekplannen stadsregionale woning-bouwlocaties en bedrijfsterreinen aangewezen.De bedoeling was dat de gemeenten in de stads-regio vervolgens zorgden voor tijdige realisatie.De beoogde samenwerking tussen gemeentenwerd echter niet verkregen. De eigen gemieente-lijke belangen bleken veel groter en de gemeente-grenzen veel harder dan bij de vaststelling van hetstreekplan werd verwacht.' Daarom is bij hetjongste streekplan voor een andere strategie ge-kozen.StreekplanuitwerkingDe strategie is gebaseerd op de mogelijkheid hetstreekplan uit te werken. Er zijn passieve en actie-ve uitwerkingsplannen.Passieve uitwerkingsplannen zijn in feite plannenvan andere overheden of van andere beleidsvel-den, waarvan de ruimtelijke component wordtovergenomen als uitwerkingsplan.Actieve uitwerkingsplannen worden in de regeldoor Gedeputeerde Staten opgesteld in opdrachtvan Provinciale Staten. Die verplichting is in hetstreekplan opgenomen en daarin staan ook deregels waar Gedeputeerde Staten zich bij de uit-werking aan hebben te houden.De provincie heeft de betrokken gemeenten ensamenwerkingsverbanden uitgenodigd om meete doen aan de uitwerking van de stadsregio. Inde loop van 1990 is er per stadsregio een conve-nant gesloten, waarin de partijen de intentie uit-spreken om tot een regionale visie te komen diedient als basis voor de streekplanuitwerking.In het ontwerp-streekplan zijn uitwerkingsregelsopgenomen. De concrete invulling van de stadsre-gio's is aan de regionale planvorming overgelaten.RegiovisiesIn elke stadsregio is een bestuurlijke stuurgroepen een ambtelijke projectgroep in het leven ge-roepen. Daarin zijn de betrokken gemeenten, hetsamenwerkingsverband en de provincie verte-genwoordigd. De projectgroepen hebben methulp van externe adviseurs de regiovisies gecon-cipieerd. De stuurgroepen hebben vervolgensvoor het bestuurlijk draagvlak gezorgd.De introductie van nieuwe planconcepten is eensterke stimulans voor de gemeenschappelijkebeeldvorming van de eigen stadsregio. In destadsregio 's-Hertogenbosch bijvoorbeeld is destad beschouwd als de contramal van het land-schap.^ Deze contramalmethode is een reactie opde afnemende kwaliteit van het landelijk gebieden de gevoelde onderwaardering van het "land"ten opzichte van de "stad". In de methode wordtniet het stedelijk gebied, maar veeleer het land-schap centraal gesteld (zie afbeelding 1).Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8De regiovisies hebben een voortreffelijk commu'nicatieve kwaliteit en zijn daardoor een primamiddel geweest om met elkaar in gesprek te ko-men over de meest wenselijke ontwikkeling vande regio als geheel. Het appel op het regionale be-wustzijn deed bestuurders een eind meegaan inideeen die zich niets aantrokken van gemeente-grenzen. De speelruimte is echter niet onbeperkt,zoals in de stadsregio Breda bleek. De ontwerp-regiovisie^ bevatte een zee aan ruimte (circa 3.000ha) voor stedelijke uitbreiding, terwijl er maarbehoefte was aan ongeveer 750 ha.De bestuurders van de randgemeenten bleken instaat om elkaar een groot deel van de "koek" toete spelen en de stad Breda had het nakijken. Deburgemeester van Breda, Ed Nijpels, stak daarechter een stokje voor. Terwijl de stuurgroep deregiovisie vaststelde, viel er een persbericht op demat waarin Nijpels ferm afstand nam van diezelf-de regiovisie. Dat heeft de verhouding tussenBreda en de buurgemeenten onder zware span-ning gezet.De regiovisies gaan uit van een gelijktijdige ont-wikkeling van stad en landschap. In de discussieover de plannen is er echter meer aandacht voorde economisch sterkere "rode" functies dan de"groene" functies. Hopelijk is dit geen voorbodevan de situatie dat straks de woningbouwlocatiesen bedrijfsterreinen wel worden aangelegd en delandschapsbouw en natuurontwikkeling achter-wege blijven. Dan zou een van de belangrijkstepijlers onder de regiovisie worden weggeslagen.Stadsregionale uitwerkingGedeputeerde Staten hebben inmiddels voor devier stadsregio's een uitwerkingsplan in ontwerpvastgesteld. In de uitwerkingsplannen vindt deintegratie plaats van de regiovisies, de plannenvan de vervoerregio's, het provinciaal structuur-schema bedrijventerreinen en afspraken met hetRijk over de Vierde nota Extra (VINEX).Een nieuw hoofdstuk in het plan bevat afsprakenover de uitvoering. Er wordt een aantal strategi-sche projecten onderscheiden waarbij is aangege-ven wie de initiatiefnemer is en wie er verder bijbetrokken zijn.Bij de regiovisie trad de provincie op als gelijk-waardige partner; bij de uitwerking heeft de pro-vincie een andere rol, namelijk de autoriteit diehet plan vaststelt. Dat geeft spanningen als wordtafgeweken van de regiovisie. Daarom is beslotenzo dicht mogelijk aan te sluiten bij de regiovisieen daar alleen van af te wijken als dat adequaat enovertuigend kan worden beargumenteerd.LANDSCHAPPELIJKE MAL Afbeelding l.lndecontramal'methode wordtniet het stedelijk gebied,maar veeleer het landschapcentraal gesteld.(Provincie Noord-Brabant,'s'Hertogenbosch).Zo is de situering van een locatie ten noordoos-ten van Tilburg aangepast'', omdat dit gebied eenbelangrijk infiltratiegebied voor verderop gele-gen natuurgebieden bleek te zijn.De provincie heeft ook Milieu-effectrapportages(m.e.r.'s) opgesteld: in drie van de vier regiovisieszijn locaties opgenomen die MER-plichtig zijn. DeWet Milieubeheer bepaalt dat een MER (Milieu-effectrapport) moet worden uitgevoerd bij heteerste formele plan dat voorziet in de aanleg vaneen MER-plichtige locatie. Dat is in dit geval hetuitwerkingsplan en Gedeputeerde Staten zijn danhet bevoegd gezag. In een eerder stadium is metde regio afgesproken dat de provincie de Milieu-effectrapportages geheel voor haar rekeningneemt.Achteraf bezien hadden Gedeputeerde Staten derol van initiatiefnemer beter samen met de regiokunnen delen. In dat geval was er in een eerderstadium reeds rekening gehouden met bijvoor-beeld de ligging van infiltratiegebieden.De resultaten van de Milieu-effectrapportagesonderschrijven overigens grotendeels de in deregiovisie gemaakte keuzen.De uitwerkingsplannen bevatten voldoende ca-paciteit voor de bouwtaakstelling uit de Trend-brief en voor bedrijventerreinen overeenkomstigde nota 'Ruimte voor economische activiteit' vanEconomische Zaken. De provincie verwacht vanhet Rijk de voile steun bij de uitvoering.regio IS gC'schikt voorgeinte'greerd, ge-biedsgerichtbeleidRBOI adviesbureau voorruimtelijk beleid, ontwik-keling en inrichting, Opweg naar een duurzamestadsregio; toekomstvisievoor de stadsregio Breda,in opdracht van hetStadsgewest Breda, 1992.4Stuurgroep Stadsregionaleuitwerking Tilburg,OntwikkelingsvisieStadsregio Tilburg, 1992.Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer7/8Van regiovisie naar streekplanStuurgroep stadsregioEindhoven-Helmond,Regiovisie, een ruimtelijkeontwikkelingsstrategie,1993.6Zie ook: Wil Zonneveld,Naar een heter gebruik vanruimtelijke planconcepten;Planologische verkenningen64, PDI Amsterdam, 1992.7Prof. dr. Th.A.J. Toonen,prof. dr. A.M.J. Kreukelsen prof. dr. R.J. in 't Veld,Vernieuwing van politieken bestuur in de provincie;pre-advies ten behoeve vanhet iPO-project "de provin-cie van detoekomst", 1994.Afbeelding 2. Schering: destedelijke zones van Eindho-ven en Helmond, de beekda-len, bossen en heide- enlandbouwgebieden op een rugvandekzand.Inslag: de A67, de spoorlijn,de weg Eindhoven-Helmonden twee kanalen.Bron: RNV, provincieNoord-Brabant, 's-Hertogen-bosch.De provincie is budgethouder van de viNEX-gelden voor de stadsregio's Breda, Tilburg en's-Hertogenbosch. Helaas vallen de gelden voorde infrastructuur daarbuiten. Tijdens de Piano-logische Discussiedagen deed iemand de aardigesuggestie om de regionale directies van Rijks-waterstaat bij de provincies onder te brengen.Door de regionale regie in een hand te houden,kunnen de schaarse middelen optimaal wordeningezet. De kennis en ervaring die de provinciesop het bestuurlijk mesoniveau hebben, wordenop dit moment echter nog onvoldoende benut.De verdeling van de ViNEX-gelden over drie stads-regio's vergt opnieuw samenwerking. De erva-ring opgedaan bij de regiovisies levert daar onge-twijfeld een goede basis voor.PlanconceptenEen van de in het oog springende aspecten van deregiovisies betreft de gehanteerde planconcep-ten. Een goed voorbeeld daarvan is te vinden inde visie voor de stadsregio Eindhoven-Hel-mond.' Dit is een grote, complexe regio, waaraanvankelijk moeilijk grip op te krijgen was.Op zoek naar de "sense of the region" werd op-gemerkt dat de ruimtelijke kwaliteit zit in decombinatie van elementen. In de voorstudies isde stadsregio vergeleken met een weefsel. De na-spoortljrpbsskdaltuur en de ontstaansgeschiedenis geven noord-zuid gerichte elementen als de schering; de infra-stucturele elementen loodrecht daarop vormenals het ware de inslag van het weefsel (zie afbeel-ding 2).Een planconcept heeft ruimte nodig om tot was-dom te komen en moet niet direct aan het beleidworden gekoppeld.'' Het was van groot belangdat wat er in de stuurgroepen aan de orde kwam,niet onmiddellijk werd vertaald naar een be-stuurlijke stellingname op lokaal niveau. Deconfrontatie met de achterban heeft uiteraardwel plaatsgevonden in een later stadium. Destuurgroepen hebben de regiovisies voorgelegdaan de gemeenteraden en er is een inspraakrondegehouden.De planconcepten dragen in hoge mate bij aan deacceptatie van de keuzes en de doorwerking in delokale planvorming.ConclusieDe regiovisies zijn over het geheel genomen eensucces geworden. In alle vier de stadsregio's heb-ben de stuurgroepen hun opdracht af kunnenronden met een unaniem gedragen produkt.De regio is in het bijzonder geschikt voor geinte-greerd, gebiedsgericht beleid. De bestuurlijkevernieuwing en de nieuwe economische opgavemaken de regio tot platform waar integratie vaneconomie, ecologie en cultuur concreet gestaltekan krijgen.'Bij de voorbereiding tot een dergelijke aanpakneemt draagvlakvorming een centrale positie in.Daarbij zijn de volgende spelregels essentieel:- overleg van tevoren met betrokken partijenover de aanpak;- onderhandel vervolgens over de uitgangspun-ten en leg die vast;- onderschrijf gezamenlijk de resultaten;- pak de regionale projecten van strategisch be-lang samen aan;- laat op lokaal niveau ruimte voor een eigen in-kleuring en laat wat gemeenten zelfstandig kun-nen doen vooral ook aan hen over.Deze aanpak heeft in Brabant tot succes geleid enhopelijk kunnen deze ervaringen anderen totvoordeel zijn.Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8op weg naar een duurzameregiostrategic in de regio BredaVolgens Van der Wal kan deregio, hezien vanuit een duur-ZCLCLmheidsdimensie, aan heteke-nis winnen als duurzactrn vorm.'gegeven stromen een structure-rend element vormen in het stede-lijk-regionale plan.Samenwerking tussen alle hetrok-ken partijen is essentieel om tekomen tot een ge'integreerde,uitvoeringsgerichte gehiedsvisie.Op regionaal schaalniveau wordt het di-lemma van de ecologische planning hetmeest zichtbaar in de afweging vanruimteclaims. Zoals enerzijds de behoefte aanmeet woningen, infrastructuur en nieuwe indus-trieterreinen en anderzijds de behoefte aan eengedifferentieerde, veilige, gezonde, groene, na-tuurlijke en duurzame leefomgeving. De vraag ishoe deze, vaak tegenstrijdige, belangen beter opelkaar kunnen worden afgestemd. Met anderewoorden, kan de regie een rol vervullen in hetstreven naar een duurzame ontwikkeling?Een duurzame regio heeft kans van slagen als detegenstelling tussen stad en land kan wordenoverwonnen. Verstoring van patronen en pro-cessen in het landelijk gebied door stedelijke ont-wikkeling kan niet alleen worden tegengegaandoor beperkingen te stellen aan het ruimtebeslagvan de stad. Een belangrijke bijdrage kan wordengeleverd door het duurzaam vormgeven en behe-ren van ruimtelijke stromen, stromen van plan-ten en dieren, verkeer, water, voedsel, grondstof-fen en afval, die de stad binnenkomen en weerverlaten. Dit vraagt om een verschuiving van eco-logie als alleen ruimtevrager naar ecologie als in-richtingsprincipe.Met de strategie van de twee netwerken is daar-toe een eerste stap gezet door te stellen dat hetverkeersnetwerk de locatie van hoogdynamischefuncties aanstuurt (bedrijven, landbouw, inten-sieve recreatie) en dat het waternetwerk de drageris van laagdynamische functies (natuur, water-winning, extensieve recreatie).'Wonen neemt een positie in tussen de twee net-werken.In het kader van hetDOSS-onderzoeksprogramma(Duurzame Ontwikkeling van Stedelijke Syste-men) van de Rijksplanologische Dienst heeftINRO-TNO een studie verricht, gericht op de verta-ling van ecologische inrichtingsprincipes naar ste-delijk-regionale planconcepten. Daarbij is destrategie van de twee netwerken uitgewerkt ineen alternatief ontwikkelingsscenario voor destadsregio Breda.^ Daarnaast is in de regio Zwolleeen studie verricht naar de samenwerkingspro-cessen tussen ruimtelijke ordening en milieu.'Op basis van beide studies kunnen enkele con-clusies worden getrokken voor de ontwikkelingvan zowel een inhoudelijke als een bestuurlijk-organisatorische methodiek voor ecologisch ver-antwoorde regionale planning.Regionaal Ecologisch ModelUitgangspunt voor de methodiek is het idee datstedelijke ontwikkelingen niet alleen achterafmoeten worden getoetst op hun milieu-effecten,dat wil zeggen nadat de locatiekeuze is gemaakt,maar ook vooraf. In het kader van het milieube-leidsplan is door de gemeente Breda een modelontwikkeld dat hierin voorziet: een REM (Regio-naal Ecologisch Model) in plaats van een MER(Milieu Effect Rapport).''Drs. LJJ. van der WalOnderzoeker en adviseursectie Planning, INRO-TNO.Delft.1S. Tjallingii, EcologischVerantwoorde StedelijkeOntwikkeling, Publikatie-reeks Milieuheheer,Ministerie van VROM, nr.1993/4, Den Haag, 1993.2L.J.J. van der Wal,Ecologische Planning ineen Stedelijke Regio, INRO-TNO, rapportnr. P/94-001,Delft, februari 1994.3H. Olden, EcologischOnderbouwde Planning enSamenwerkingsprocessenin Stedelijke Gebieden, eenverkenning naar debeleidsafstemming tussenruimtelijk en milieubeleidhij regionale ruimtelijkeplanning, INRO-TNO,rapportnr. 93-NP022,Delft, 1993.4Gemeente Breda, Regio-naal Ecologisch Model,nadere uitwerking van hetGMP-project, maart 1993.Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8op weg naar een duurzame reglowerkwijze -3 ,;; - .^:-r\--beleid en beheer.. ; - - |6:.' ;^ \natuiirlijk systeempatronen en processen*' ?- stcdelijk systeempatronen en processenractuele milieukvvaliteitdraagkracht, gevoeligheidbasiskvvaliteitnatuurlijkheid, diversiteit* identificatie* beleidsstrategieactuele milieubelastinguitputting, afwentelingniilieugcbruiksruimtegebruiks-, belevings-entoekomstwaarde* ontwikkeling* organisatie* selectie* besluitvorming* ontwikkelingssce* planvormingnario's ecoregioSchema. RegionaalEcologisch Model.Bron: INRO-TNO, Delft.In het REM wordt een wisselwerking veronder-steld tussen het stedelijk systeem en het natuur-lijk systeem. Stedelijke activiteiten leiden tot be-lasting van het miheu en uitputting van het na-tuuriijk systeem. Miheuproblemen worden vaakafgewenteld op hogere schaalniveaus. Met beleiden beheer wordt geprobeerd deze wisselwerkingin positieve richting te beinvloeden door criteriate ontlenen aan ruimtehjke kwahteit (gebruiks-waarde, belevingswaarde en toekomstwaarde) enmilieukwahteit (natuurhjkheid, diversiteit). Hetnatuurhjk basissysteem, waarin bodem en watereen belangrijke rol spelen, is richtinggevend voorde ruimtehjke planvorming.Om binnen dit model tot een gebiedsgerichte vi-sie op duurzame ontwikkeling te komen is doorINRO-TNO een algemene beleidsanalyse (van hefruimtelijk, milieu-, natuur-, water- en verkeersbe-leid) toegepast volgens een aantal stappen, sa-mengevat met de termen identificatie, ontwikke-ling en selectie (zie schema).In de identificatiefase wordt de actuele en de ge-wenste situatie in de regio beschreven en wordenknelpunten, voorgenomen beleidsmaatregelenen projecten geinventariseerd. Uit analyse van degewenste situatie kunnen randvoorwaarden voorduurzame ontwikkeling worden afgeleid, bij-voorbeeld beteugeling van de automobiliteit enherstel van het natuurlijk watersysteem.In de ontwikkelingsfase die daarop volgt wordenkwalitatieve en kwantitatieve ingreep-effecten-analyses uitgevoerd en worden alternatieve op-lossingen verkend. Dit levert bouwstenen opvoor de ruimtehjke planvorming, gebiedsgerich-te oplossingen voor bijvoorbeeld fiets- en open-baar vervoersnetwerken, waterwinning en water-netwerken, en voor zonering van gebruiksfunc-ties.In de derde en laatste fase, de selectiefase, gaathet om een evaluatie van beleidsmaatregelen enalternatieven, de selectie van ecologische inrich-tingsprincipes, de opstelling van streefbeelden ende afleiding van een ruimtehjke structuur. Indeze fase worden inrichtingskeuzes gemaakt, re-kening houdend met ecologisch relevante patro-nen en processen.Bestuurlijk-organisatorisch kan dit proces vormkrijgen in een aantal stappen die parallel lopenmet de inhoudelijke stappen. Te beginnen metde vaststelling van een beleidsstrategie. Dezewordt gekenmerkt door een gebiedsgerichte aan-pak.Als de randvoorwaarden en de gezamenlijke stra-tegic zijn vastgesteld volgt de organisatiefase.Hierbij speelt de diagonale werkwijze een belang-rijke rol, gekenmerkt door horizontale integratie(van sectoren) en verticale integratie (van over-heidslagen).Als de analyses zijn verricht en de alternatievenop tafel liggen, treedt de fase van besluitvormingin werking. Het Rijk en de provincies stellen uit-gangspunten vast. De regio's en gemeenten stel-len de gebiedsvisies en projecten vast, waarbij hetvan belang is dat het beleid voor het stedelijk enlandelijk gebied, ondermeer vanuit het oogpuntvan een effectief stromenbeheer, op elkaar wordtafgestemd.Ecoregio BredaHet REM was uitgangspunt voor de uitwerkingvan een alternatief ontwikkelingsscenario voorde stadsregio Breda. In de bestaande regiovisiewordt gestreefd naar een ruimtelijk-economischeontwikkeling, binnen randvoorwaarden die eenduurzame ruimtehjke ontwikkeling beogen. Hetruimteprogramma tot het jaar 2005 betreft on-dermeer extra claims van 420 ha voor woning-bouw, 200 ha voor bedrijfsterreinen en 1500 havoor glastuinbouw. De randvoorwaarden zijnbeteugeling van de automobiliteit, het behoudStedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8van waardevolle landschappen en realisering vande Ecologische Hoofdstructuur.Aan de hand van ruimtezoekkaarten, waarin deEcologische Hoofdstructuur en waardevollelandschappen tot verboden gebied worden ver-klaard, komt de stadsregio tot een band van ste-den langs de as Etten-Leur, Breda-Oosterhout.Toetsing aan milieubelemmeringen leidt uitein-delijk tot een visie, waarin stadsuitbreidingenplaatsvinden in een groot aantal, relatief klein-schalige en op zichzelf staande locaties.De regiovisie is door Breda uiteindelijk niet on-dertekend, omdat de door Breda gewenste com-pacte stad niet is overgenomen (zie de bijdragevan K. van der Zouwe elders in dit nummer). Degemeente Breda wil bouwen op eigen grond-gebied en streeft bij de bestuurlijke herindelingnaar uitbreiding met aangrenzende kleine ker-nen. Ze wil bovendien een stapje verder gaandoor het stadsgewest te integreren met het streek-gewest West-Brabant, in de vorm van een nieu-we provincie. Ze stuit daarbij op verzet van zoweleen aantal gemeenten als van de provincie.Aansluitend bij het bestaande mobiliteits- en lo-catiebeleid is door INRO-TNO met behulp van eco-logische inrichtingsprincipes een streeiTDceld op-gesteld voor een duurzame verkeershuishoudingen een duurzame waterhuishouding in de regioBreda. Zowel voor verkeer als voor water zijnprincipes geformuleerd op stedelijk en regionaalniveau {zie leader la en lb).Strategic van de twee netwerkenDoor de kaartbeelden van de verschillende ver-keers- en waternetwerken op elkaar te leggenworden de keuzemogelijkheden zichtbaar vooreen ruimtelijke invulling van het gebied. De ver-keershuishouding wordt bepaald door de net-werken voor respectievelijk fiets, bus en trein.Fietsbereikbaarheidscontouren geven de zoek-ruimte aan voor nieuwe bouwlocaties. De driesteden kunnen in principe nog naar alle kantenuitgroeien. De invloedgebieden van bestaandestations en het toekomstig station Oosterhoutvallen binnen de fietsbereikbaarheidscontouren(A-pluslocaties). Ook het snelbusnetwerk overde ruit- en rondwegen valt grotendeels binnen defietsbereikbaarheidscontouren (B-pluslocaties).De waterhuishouding wordt vooral bepaalddoor het schoonwaternetwerk (natte natuur), denatuurlijke zuiveringsgebieden van vuilwaternet-werken, de watercirculatiesystemen voor schoonregenwater in de stad, en een spaarbekken voorgebruikswater. Door de ligging van Breda op degrens van zand en klei, en door het samenkomenvan verschillende beken in de stad zijn de moge-lijkheden voor verstedelijking niet onbeperkt.Ruimteclaims voor natuurlijke zuiveringsgebie-den in stadsrandzones, voor corridors met het re-gionale schoonwaternetwerk en voor stedelijkewatercirculatiesystemen gaan, in combinatie metgroenstructuren, ten koste van de mogelijkhedentot verdichting en uitbreiding.Om toch tot voldoende keuzemogelijkhedenvoor verstedelijking te komen wordt gepleit voorde aanleg van een nieuwe regionale ringspoorlijn,waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande enoude spoorlijnen. Vier nieuwe stationslocatieskomen dan in beeld: Oosterhout, Leur, Dorst enMade. Conform de regiovisie bieden de eerstedrie mogelijkheden voor grote uitbreidingen vanOosterhout, Etten-Leur en Breda.Het gebied rond Made ligt precies tussen tweekwelzones, zodat een stedelijk gebied en de ge-Op stedelijk niveau:1. Een gescheiden, stervormig fietsnetwerkmet radiale hoofddragers naar het stations-centrum en verbindende subdragers tussenwijken onderling.2. Een intensief, radiaal busnetwerk als alter-natief voor de fiets.3. Autoluwe woonwijken, onderling geschei-den door autovrije zones, en met aantakkin-gen op het autonetwerk. Het centrum auto-vrij voor niet-zakelijk verkeer.4. Minimale kruising van fiets- en autowegendoor haaks in elkaar lopende patronen.5. Wonen op fietsafstand van het stations-centrum.Op regionaal niveau:6. Hoogwaardig openbaar vervoer (HOV), persnelbus en trein, gericht op een maximaleontsluiting en bereikbaarheid van A- en B-lo-caties, of beter nog A- en B-pluslocaties, dieniet alleen bereikbaar zijn met openbaar ver-voer, maar ook per fiets.7. Een grofmazig autonetwerk, gericht op eenminimaal te handhaven bereikbaarheid vanC-locaties.8. Wonen en werken nabij hetHOV-netwerk.9. Een spoor- en vaarnetwerk voor goederen-vervoer, gericht op een maximale ontsluitingen bereikbaarheid van bedrijfsterreinen.10. Situering van ondersteunende voorzie-ningen, zoals fietsenstallingen bij stations enopenbaar vervoersknooppunten, transferiaaan de stadsrand en goederenoverslagsta-tions op bedrijfsterreinen.ecologiemoet inrich'tingsprincipewordenKader la. Inrichtingsprinci-pes voor een duurzameverkeershuishouding opstedelijk en regionaal niveau.Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8Op weg naar een duurzame regioKader lb. Inrichtingsprinci-pes voor duurzame waterstro-men op stedelijk en regionaalniveau.Op Stedelijk niveau: ? '"' 1. Scheiden van gebruikswater ("water uit dekraan") en schoon regenwater in verbeterdgescheiden stelsels.2. Lozing van gezuiverd afvalwater bij voor-keur op het bovenregionaal, waterhuishoud-kundig systeem.3. Vergroten van het waterbergend vermo-gen van de stad door het vasthouden vanschoon regenwater in een watercirculatienet-werk.4. Ruimte vrijmaken voor ecologische struc-turen in de stad (natte en droge natuur), zo-wel met het oog op een zelfstandige functieals natuur- of recreatiegebied, als met het oogop de realisering van verbindingen tussen na-tuurgebieden op regionaal niveau (corridor-functie).5. ReaUseren van milieutechnische voorzie-ningen, zoals waterbekkens en helofytenfil-ters.Op regionaal niveau:6. Hydrologische scheiding van een schoon-waternetwerk, waartoe infiltratiegebieden,stroomgebieden van natuurbeken, grondwa-ter en kwelgebieden worden gerekend.7. Een ecologisch raamwerk van natte (hetschoonwaternetwerk) en droge natuur.8. Afstemming van gebruiksfuncties op hetecologisch raamwerk, zodanig dat verdro-gingsgevoelige en schone functies in het eco-logisch raamwerk zijn gesitueerd en de grotewaterverbruikers en milieubelastende func-ties daarbuiten liggen. Zonering van functiesmoet bovendien worden gekoppeld aan deverschillende kwaliteiten van waterlopen.9. Hydrologisch scheiden van vuilwaternet-werken als zelfstandige eenheden: landbouw-gebieden, steden en bedrijfsterreinen. Reali-seren van natuurlijke en/of kunstmatige zui-veringsvoorzieningen per eenheid.10. Afstemming van de stedelijke groenstruc-tuur op het regionaal ecologisch raamwerk.11. Verbetering van de waterkwaliteit in hetstedelijk gebied in samenhang met maatrege-len in het landelijk gebied stroomopwaarts.12. Beperking van het gebruik van vuil ge-biedsvreemd water.13. Overschakeling van grondwaterwinningop winning van oppervlaktewater ter bestrij-ding van verdroging."stromen^^kunnenstedelijk'regionaalplanstructurerenwenste glastuinbouw hier goed zijn in te passen.Het is mede vanwege de minder gevoelige klei-grond en de potentiele bereikbaarheid via ring-spoorlijn en snelweg het enige gebied dat verdernog voor grootschalige verstedelijking in aanmer-king komt.Met dit scenario wordt voldaan aan de econo-misch-ruimtelijke taakstelling en aan de ecologi-sche randvoorwaarden. Met de keuze voor Madewijkt de hier gepresenteerde gebiedsvisie duide-lijk af van de bestaande regiovisie. Deze locatievalt bovendien buiten de door de provincie aan-gewezen zone voor stedelijke ontwikkeling. Dekansen voor een compacte stad liggen gunstigerin Made dan in Breda. Wat wordt voorgesteld iseen beheerste stedelijke ontwikkeling volgenseen polynucleaire structuur. Een stedelijk gebiedmet een beperkt aantal groeikernen, waar om-heen zich verschillende vormen van bodemge-bruik kunnen ontwikkelen. Van de verstedelij-kingsopgave kan naar schatting 40% worden ge-realiseerd in Breda. Het resterende deel kan gelij-kelijk worden verdeeld over Etten-Leur,Oosterhout en Made. Breda behoudt daarmeehaar centrale positie in de stadsregio.Het resultaat is een ecoregio, waar gebiedskenmer-ken en ecologische inrichtingsprincipes in belang-rijke mate de ruimtelijke structuur bepalen.ConclusieHet voorbeeld van Breda laat zien dat de strate-gie van de twee netwerken in een stedelijke regiokansen biedt voor een verdere uitwerking van hetmobiliteits- en locatiebeleid, het bouwen aanduurzame watersystemen, het realiseren van eenecologisch raamwerk en het benutten van stede-lijke en landschappelijke milieudifferentiatie.Het werken met duurzaam vormgegeven stro-men als structurerende elementen voor een ste-delijk-regionaal plan, is vernieuwend en biedtperspectieven voor de realisering van duurzameregio's. Meerdere scenario's zijn denkbaar. Vanbelang is dat ze tot stand kunnen komen in eensamenwerkingsproces, waarin de verschillendepartijen vanaf het begin gezamenlijk en met openvizier de randvoorwaarden vaststellen, hun stra-tegic bepalen en gaandeweg tot keuzes komen,die bestuurlijke verplichtingen met zich mee-brengen. Het samengaan van verschillende regio-nale verbanden (stadsregio, waterschappen, ver-voersregio) in een nieuwe stadsprovincie is eenoptie waarvoor het nodige draagvlak nog zalmoeten worden gecreeerd. Het lijkt daarom ver-standig om voor de korte termijn ervaring op tedoen in samenwerkingsverbanden voor geinte-greerde en uitvoeringsgerichte gebiedsvisies.Stedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8Meerwaarde van regionaleplannenLbrzing constateert dat op plan-conceptueel niveau de gewestelij'ke ruimteliike visie veel meerbijdraagt aan het ontstaan vanbestuurlijke consensus op regio'naal niveau dan het provincialestreekplan, vooral als de visieveel prikkelende ruimtelijkewensbeelden hevat.In deze bijdrage staat planvorming op gewes-telijk niveau centraal. De meerwaarde van re-gionale plannen zal vooral worden aangege-ven aan de hand van de gang van zaken in het Ge-west Eemland. Ingegaan wordt op de volgendedrie vragen:- in hoeverre is de ruimtelijke planvorming inhet gewestelijke bewustwordingsproces van be-tekenis geweest?- is de planvorming op gewestelijk niveau ookvoor de burger interessant, met name in verhou-ding tot de huidige planvormen?- is er werkelijk zoiets als "regionaal-ruimtelijkeidentiteit van een gewest" aan te wijzen, of heb-ben we te maken met een eersteklas marketingvan gebakken lucht?Moeilijke vragen die niet allemaal even goeddoor een plannenmaker zijn te beantwoorden.Op basis van opgedane ervaring (en niet alleen inhet Gewest Eemland) zal toch geprobeerd wor-den antwoorden te geven.Regionale visieZonder al te veel problemen kan op de eerstevraag positief worden geantwoord. Dit kan wor-den toegelicht door eerst op het wezen van de re-gionale planvorm in te gaan. Ruimtelijke plannendie het formaat van een regio hebben, bestaan alvan voor de Tweede Wereldoorlog. We noemenze streekplannen. Ze zijn zorgvuldig ingekapseldin het voorbeeldige Nederlandse planningssys-teem.Verder kennen we al lang intergemeentelijkestructuurplannen. Hoewel zij niet letterlijk in dewet voorkomen, zijn zij er zonder veel moeite inte passen. Als die twee planvormen er al zijn,waarom zou er dan nog behoefte zijn aan zoietsals een "regionaal-ruimtelijke visie"?Daarvoor kunnen twee redenen worden gege-ven. De eerste is, dat de gewesten, samenwer-kingsorganen, overlegverbanden en hoe ze alle-maal mogen heten, de provinciale streekplanningsteeds meer als "veraf, over ons en zonder ons"zijn gaan ervaren. Of dat terecht is, kan in hetmidden worden gelaten. Wei is duidelijk dat deuniformerende werking die van het streekplanuitgaat naar de verschillende gewesten binneneen provincie, vanuit het Rijk bezien een zegen is,maar bezien vanuit gewestniveau soms een bronvan hinder. De gewesten herkennen de eigenprioriteiten niet meer in de uniformering die deprovincie (niet altijd ten onrechte overigens) toe-past.De tweede reden die genoemd kan worden ligt inde eenzijdige ruimtelijke opstelling van hetstreekplan. Door de wet is het streekplan in eenkeurslijf geperst dat weinig of geen verbreding inde richting van een algemeen-maatschappelijkplan toestaat.Het interessante is, dat de gewesten nu juist daarbehoefte aan hebben. Een regiovisie is voor henwel in de eerste plaats een ruimtelijk plan, maarhet heeft daarnaast meer functies. Een heel be-langrijke functie is het naar voren brengen van deidentiteit van de eigen regio, uiteraard met eenIr. Han LorzingOprichter en vennoot vanLorzing & Keijsers,regionale planners enontwerpers, Utrecht.regionaalplan spreektburgersmeer aandan streek'planStedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8Meerwaarde regionale plannenregionalevisieszijn nietvrijblijvendvertaling in de ruimtelijke planvorming (en meteen verwijzing naar allerlei andere planvormen).Het instrument van de regionaal-ruimtelijke visieis juist daarom zo geschikt om aan de gewestelij-ke voorkeuren te voldoen, omdat deze planfi-guur in geen wet of besluit is omschreven. Het isdan ook niet verwonderlijk dat in veel gewestende ruimtelijke visie het eerste gezamenlijke planvan betekenis is dat men uitbrengt. Gebruikma-kend van een niet-bestaande planfiguur, wetende gewesten het uiterste uit de ruimtelijke orde-ning te halen!In het Gewest Eemland was het uitbrengen vande Intergemeentelijke Structuurvisie (isv) vangroot belang voor de eigen identiteit. Het gewestbestond al enkele jaren, maar had zich nog nooitzo duidelijk naar buiten toe gepresenteerd danmet dit ruimtelijke plan. Het is van belang omdaarbij het feit te betrekken dat Eemland een re-latief "licht" gewest is, zodat er naar buiten toeniet aan de weg kon worden getimmerd metreeds bestaande regionale diensten op het gebiedvan (bijvoorbeeld) vuilverwerking, milieuzorg endergelijke.Een duidelijker voorbeeld bood het GewestIJmond. Dit werd juist opgericht toen door de sa-menwerkende gemeenten met het werk aan eenruimtelijke visie gestart werd. Men zag heel be-wust deze visie als het cement voor de prille sa-menwerking.De regionale visie kent een grote vrijheid bij debepaling van de planhorizon, de onderwerpskeu-ze en de mate van detail. Die vrijheid zou gemak-kelijk kunnen overgaan in vrijblijvendheid. Tochzijn de meeste regionale visies, ondanks hunsoms wat fragmentarische aanpak en geringediepgravendheid, zeker niet vrijblijvend. Hetproces om te komen tot regionale consensus is inde praktijk dermate moeizaam en grondig, dat deresultaten zonder meer respect afdwingen.Provincies beginnen in te zien dat een regionaleconsensus wel eens het uiterst haalbare kan zijn,en passen de regionale visies dan ook geheel ofgedeeltelijk in hun eigen plannen in.Het is eigenlijk ook wel gemakkelijk, de regio zelfin de slag te laten gaan over de meest wenselijketoekomstige ontwikkeling. Er zijn dan ook voor-beelden van provincies als Noord-Brabant, waarmen de stedelijke regio's verzocht een ruimtelij-ke visie op te stellen die als uitgangspunt voor hetprovinciale beleid zou gaan dienen.Gewestelijke plannenEen tweede vraag die hier boven is opgeworpenis die naar de betekenis van dit soort regionaleplanvormen voor de burger. Het zal bekend zijndat de publieke belangstelling voor het meest ver-gelijkbare (wel in de wet genoemde) instrument,het streekplan, op zijn minst selectief is. Het zijnvooral lagere overheden en instanties, met daar-naast de agrariers als meest belanghebbenden, diereageren. Van een regionaal-ruimtelijk plan mo-gen in dit opzicht geen wonderen worden ver-wacht.De publieke belangstelling bij de presentatie vande Discussienota voor de ruimtelijke visie vanIJmond (zo'n 200 aanwezigen) is dan ook (in posi-tieve zin) verbazend geweest.In Eemland is geen publieksgerichte campagnegevoerd, maar er werden wel twee persconferen-ties gehouden. Die werden goed bezocht doorstreekpers en -omroep. De naar aanleiding hier-van gepubliceerde artikelen gaven niet alleen rui-me informatie voor de belangstellende burger,maar lieten ook doorschemeren dat de regiona-le pers (bij een gezond-kritische opstelling tegenhet verschijnsel op zich) deze vorm van interge-meentelijke planvorming zeer serieus nam.Dat het leven van de burgers van de aangeslotengemeenten diepgaand veranderd is door deze enandere regionale plannen kan niet beweerd wor-den. Gegeven dat het ging om intergemeentelijkeplannen is het echter onmiskenbaar dat bij in-sprekers en pers sprake was van een directerebinding met de eigen leefsituatie dan bij boven-gemeentelijke plannen.Paradoxaal genoeg wint het regionale plan hethierin van het streekplan. Achter een streekplanstaan Provinciale Staten die voor de meeste bur-gers (met uitzondering van agrariers) heel ver wegzijn en voor wier reilen en zeilen een minimalebelangstelling bestaat, terwijl een regionale visieals een produkt van samenwerkende gemeentenwordt gezien, wier bestuurders en raadsledenmen (zeker in kleinere gemeenten) veel beterkent. Hoe gek het ook klinkt, deze constateringleidt tot de stelling dat de huidige getrapte verkie-zing van gewestelijke raadsleden via de gemeen-teraden (zoals in vrijwel alle gewesten het geval is)de voorkeur verdient boven de afzonderlijke ver-kiezing van "autonome" gewestraadsleden.Regionaal-ruimtelijke identiteitTen slotte de laatste vraag: bestaat er zoiets als"regionaal-ruimtelijke identiteit" en, daaraantoevoegend, vormt deze een enigszins bruikbaarbegrip bij de planvorming? Hierover kunnen al-leen maar wisselende berichten worden gegeven.In de visie voor het SamenwerkingsverbandZuidoost-Utrecht was het aangeven van een eigenStedebouwen Volkshuisvesting 1994 nummer7/8ruimtelijke karakteristiek niet al te moeilijk voorde adviseurs. De regio wordt in zijn beeldvor-ming sterk bepaald door de ligging op en aan deranden van de Utrechtse Heuvelrug. Dit leverdeniet alleen een herkenbaar beeld op, maar gaf eengroot aantal van de betrokken gemeenten een ge-zamenlijke probleemstelling. Toch klopte hetniet helemaal. Weliswaar werd de visie keurig af-gerond en bestond er een redelijke bestuurlijkeovereenstemming over de ruimtelijke koers,maar van een versterking van het "wij-gevoel"was nauwelijks sprake. De reden lag in de nogalheterogene samenstelling van het samen-werkingsverband. Typische forensengemeenten,sterk autochtoon samengestelde dorpen en eensemi-officiele groeikern bleken minder met el-kaar gemeen te hebben dan hun geografische lig-ging suggereert, terwijl het gegeven dat de tweeverreweg grootste gemeenten aan de uiteindenvan het grondgebied liggen ook al geen pluspuntvormt.Tot overmaat van ramp begonnen deze twee ge-meenten zich tijdens de rit steeds duidelijker ophun buurgebieden te orienteren, wat de bestuur-lijke samenhang niet ten goede kwam.In andere gevallen was de ruimtelijke visie mis-schien niet zozeer een bestuurlijk bindmiddel,maar wel een begrip dat een grote rol speelde bijhet aangeven van de regionaal-ruimtelijke proble-men. Het succes school hier in een scherpe om-schrijving van de ruimtelijke identiteit, liefst metalternatieven die de discussie over de gewensteruimtelijke koers verduidelijkte. Als voorbeeldkan de ruimtelijke visie voor Eindhoven-Hel-mond worden genoemd.Een van de grootste discussiepunten was hier devraag naar de mate van verstedelijking die hetmiddengebied van de regio kan hebben. Als eneuiterste pleitten vooral de kleinere gemeentenvoor de handhaving en versterking van het lande-lijk-agrarisch karakter van dit gebied als "erf" vande stadsregio. In deze visie konden de omliggen-de steden niet sterker van het middengebied pro-fiteren dan wanneer dit als recreatieve uitloopbeschikbaar bleef. In de tegenoverstaande visie,die van de steden, was de aanwezige infrastruc-tuur en de ligging tussen Eindhoven en Helmondjuist een niet te missen kans voor verstedelijking.Voor de korte termijn is de discussie ten gunstevan het openhouden van het gebied geeindigd,hetgeen zijn weerslag heeft gekregen in de regio-visie. De discussie is hiermee niet geeindigd. Eenongelukkige samenloop met de provinciale her-indelingsplannen heeft alsnog de deur opengezetvoor verstedelijking op langere termijn.Op basis van eigen ervaringen bleek in Eemlandhet gebruik van ruimtelijke beeldvorming te wer-ken. Hier deed zich de opvallende situatie voordat de gemeenten en hun kernen onderling ver-schilden als dag en nacht maar dat dit, anders danbij Zuidoost-Utrecht, niet tot een onsamenhan-gend geheel leidde. De oplossing ligt in de posi-tie van Amersfoort als onmiskenbaar centrumvan het gewest. Toen na afronding van de ruim-telijke visie van het gewest de opdracht werd ver-strekt om de geografisch-bestuurlijke relaties inen om Eemland aan te geven, vroegen wij de Uni-versiteit van Amsterdam ons hiervoor basisma-teriaal te leveren.Uit dit materiaal bleek dat de gemeenten dierond Amersfoort liggen weinig onderlinge rela-ties kennen, maar dat zij elk een duidelijke bandmet Amersfoort hebben. Of de gemeenten hetleuk vonden of niet, zij konden er niet omheendat hun gerichtheid op Amersfoort misschienwel het belangrijkste bindmiddel vormt. Bij hetwerken aan de ruimtelijke visie hadden wij daar-op overigens niet te veel nadruk gelegd. Voor onswas toen vooral de geografische ligging (aan genezijde van de Heuvelrug, in het stroomdal van deEem) het belangrijkste onderdeel van de streek-identiteit. Men kon zich daar goed in vinden. Decombinatie van functionele aspecten (de gecon-stateerde gerichtheid op Amersfoort) en de geo-grafische ligging maakten dat Eemland een rede-lijk hecht samenwerkend gewest mag heten. Inonze advisering over eventuele toekomstige be-stuurlijke relaties met "de buren" werden func-tionele en geografische argumenten gebruikt omeen gerichtheid op de Gelderse Vallei (en niet ophet Utrechtse stadsgewest of op de Gooi- enVechtstreek) te suggereren. Het gewest heeft dezesuggestie overgenomen.LessenDe les uit deze voorbeelden is, dat het formule-ren van een heldere ruimtelijke identiteit geenwondermiddel is om bestuurlijke samenwerkingte versterken. Er moet meer aanwezig zijn: de wilom met elkaar samen te werken, een redelijke in-terne samenhang in functioneel-geografisch op-zicht, een gezamenlijk gevoeld probleem en uiter-aard een blijvend gezamenlijk belang voor deperiode wanneer de aanvangsproblemen min ofmeer zijn opgelost.Wat wel duidelijk is geworden is dat ook (ofjuist) in gevallen waar de samenwerking niet al teglad verloopt, een prikkelend omschreven ruim-telijk wensbeeld, gebaseerd op de potenties vande streek, een goed middel kan zijn om de discus-sie over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingente sturen.prikkelendruimtelijkwensbeeldkandiscussie ingewensterichtingsturenStedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8De investerende regioaansluiting regionale planning en financieringNoordanus is van mening dat het mogeliik is tekomen tot een hetere aansluiting tussen regionaleplanning en financiering. Hij gaat gedetailleerdin op (financiele) uitvoeringsascpecten. De regiokan een investerende regio zijri als zij creatief wilomspringen met een breed spectrum van oude ennieuwe instrumenten en organisatievormen.structuur (gebundelde doeluitkering) naar deprovincies respectievelijk de vervoerregio's;- het geintegreerde financieel statuut, zoals datvoorzien is in de (concept) Lex specialis voor deprovincie-nieuwe-stijl Rotterdam (OOR) dat naarmag worden verwacht ook zal worden ingevoerdvoor de overige te creeren stadsprovincies.In deze bijdrage wordt verkend hoe vanuit bo-vengenoemde aangrijpingspunten een nieuwepoging gewaagd kan worden om tot een betereaansluiting tussen (ruimtehjke) regionale plan-ning en financiering te komen.Mr.P.G.A.NoordanusWethouder van Ruimtelij-ke Ordening, Stadsvernieu-wing en Volkshuisvesting,gemeente Den Haag.aansluitingregionaleplanning enfinancieringkan beterDe aansluiting tussen regionale planningen financiering is een vertrouwd onopge-lost probleem in de ruimtelijke orde-ning. Pogingen om streekplannen en structuur-plannen met uitvoeringsschema's te operationa-liseren hebben niet tot onverdeelde successengeleid. Het feit dat er bij ruimtelijke investerin-gen sterker dan in het verleden gemikt wordt opde marktsector maakt het er niet eenvoudiger op.Anderzijds doen zich juist op dit moment eenaantal kansen voor om de regionale ruimtelijkeplanning in financieel opzicht te operationalise-ren:- de kaderwet die het bestuursorganisatorischperspectief verheldert;- de VlNEX-contracten, die een poging zijn eengeintegreerde rijksvisie (verstedelijking, mobili-teit, milieu) te verwezenlijken via een investe-ringsafspraak voor de middellange termijn;- het regionaal grondbeleid dat in het verlengdevan de kaderwet en de ViNEX-afspraken in deBON-regio's (bestuur op niveau) langzamerhand van degrond komt;- de decentralisatie van financiele middelen ophet terrein van volkshuisvesting (Besluit Wo-ninggebonden Subsidies (BWS) 1995) en infra-Regionale investeringsstrategieDe omslag naar een meer op marktsectorinveste-ringen gericht ruimtelijk inrichtingsbeleid bete-kent dat publieke investeringen nadrukkelijkergerelateerd moeten worden aan de kansen omdaarmee ook private investeringen tot stand tebrengen. Dit aspect van synergie en multiplier-werking van publieke investeringen is nog onvol-doende in theorie en praxis verkend.Langzamerhand ontstaat echter bestuurlijk welde notie dat de sterkere marktgerichtheid van hetruimtelijk beleid voor fasering van plannen enprogrammering van publieke investeringen vangroot belang is.Zo is de varkenscyclus in de kantorenmarkt ui-terst bedreigend voor de financiele haalbaarheidvan veel geintegreerde stedelijke vernieuwings-plannen. Een regionale sturing op het aanbodvan kantorenlocaties, zoals in Haaglanden wordtgetracht vorm te geven, is een noodzakelijk in-strument om voldoende schaarste te creeren,prijsval bij bouwgrond voor kantoren te voorko-men en renteverliezen te beperken bij te vroegvoorinvesteren bij de ontwikkeling van kanto-renlocaties.Ook in de woningbouw is bij het op gang komenvan de produktie op deviNEX-locaties een soort-gelijke aanbodprogrammering van beschikbareStedebouw en Volkshuisvesting 1994 nummer 7/8bouwgrond noodzakelijk om te zorgen dat doorconjuncturele cycli been geen overaanbod bouw-rijpe grond tot stand komt en dat binnen de lo-caties via just-in-time management bouwgrondaangeboden wordt.In een regionale investeringsstrategie zal aanlegvan infrastructuur en grondbedrijfswerk sterkeraan marktontwikkelingen worden gerelateerd.Stelling is dat als ergens de relatie tussen regiona-le planning en financiering te verbeteren valt, datdan begonnen moet worden in de planningsfasemet het in de uitvoeringsprogrammering nadruk-kelijk inplannen van wisselende marktomstan-digheden.Dit stelt eisen aan ruimtelijke plannen (faseer-baarheid), maar vergt ook opnieuw doordenkenvan het technische proces van locatie-ontwikke-ling dat evenzeer bedreigend kan zijn voor een"flexible response" op wijzigende marktomstan-digheden. Aspecten als ophogen van de locatie,de waterhuishouding en aanleg van infrastructu-rele werken kunnen soms haast nog meer dan destedebouwkundige opzet de feitelijke faseerbaar-heid bepalen. Waar het om gaat is, dat het feit datruimtelijke investeringen meer uit de markt moe-ten komen, ertoe moet leiden dat planning enprogrammering alsmede het grondbedrijfswerkdaar meer op ingesteld wordt.Regionaal grondbeleidUiteraard moet de reactie op wijzigende markt-omstandigheden op het niveau van regionalemarkten (kantorenmarkt, woningmarkt, winkel-markt en markt voor bedrijfspanden) gegevenworden en dat brengt mij haast vanzelf op het re-gionale grondbeleid waarvan de boven aangedui-de planning/programmering van investeringeneen kernpunt moet zijn.In de BON-regio's wordt dit grondbeleid op ver-schillende wijze vormgegeven. De inbedding inde ruimtelijke planning verschilt. Zo is in de op-zet van het Regionaal Beraad Utrecht (RBU) voor-zien in een expliciete koppeling aan de interge-meentelijke structuurplanning, net zoals in deopzet van de concept lex specialis OOR de selectievan regionale strategi
Reacties