Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening | 02 2011Uitgave vanEUROPAEuropamoetzijnknopennatellen>HaagsetoestandenenBrusselseinvloeden>Grensoverschrijdendeplannenopzee>Europa2020enMakingCity>TerugnaarAlmere>Deovermoedvaneenminderheid>Anticiperenopbevolkingskrimp>Samenaansharedspace>MASTER CITY DEVELOPER D? UNIVERSITAIRE OPLEIDING STEDELIJKE GEBIEDSONTWIKKELING. De MCD opleiding is gericht op de opgaven van vandaag en morgen. Samen met topdocenten uit wetenschap en praktijk ontwikkelen deelnemers de kennis en vaardigheden om strategisch te sturen in stedelijke gebiedsontwikkeling. Op basis van (inter)nationale lessen en voorbeelden leren zij interdisciplinair denken en samenwerken. Dit geeft MCD'ers het vermogen om actuele stedelijke opgaven vanuit verschillende invalshoeken te analyseren en tot integrale oplossingen te komen. Dit alles vraagt natuurlijk veel van de potenti?le MCDstudent. De opleiding is dan ook alleen geschikt voor professionals met tenminste 5 jaar relevante werkervaring en een HBO of WO vooropleiding. Leergang 9 start in september 2011. Aanmelden en meer informatie: www.mastercitydeveloper.nl Gebiedsontwikkelingis omgaan metverandering. Dat isaltijd zo geweest.Stedenbouw + Ruimtelijke Ordening, 92e jaargang, nummer2, april 2011.S+RO is een onafhankelijk tijdschrift vooriedereen die actief is in het veldvan de stedenbouw en ruimtelijke ordening. Het blad verschijnt zes keerperjaar.Redactie: Lianne van Duinen, recensieredacteurlianne.vanduinen@rli.nlArjan Harbers arjan@topotronic.nl, Joks Janssen jjanssen@brabant.nlJaap Modder, hoofdredacteurmodder@destadsregio.nlWies Sanders wies@urbanunlimited.nlDeniseVrolijk, eindredacteurvrolijk@nirov.nlTim Zwanikken t.zwanikken@royalhaskoning.comHelen van Kan-Kokshoorn, redactiesecretariaat kan@nirov.nlOntwerp en art direction: KismanVerhaak, AmsterdamRichtlijnen voor auteurs: Deredactieontvangtgraagkopij,zievoorrichtlijnen: www.s-ro.nlUitgever: Nederlands Instituut voorRuimtelijkeOrdening enVolkshuisvesting (Nirov)Redactieadres: Postbus 30833, 2500GV Den Haag,T +31 (0)70 302 84 48, E sro@nirov.nl, www.s-ro.nlAbonnement: Kosten 90,-- perjaar, studenten betalen 45,-- perjaar. Losse nummers zijnvia www.s-ro.nl te bestellen voor 21,50 ( 16,50 Nirov-leden). Alle prijzen zijn excl. 6% BTW.Abonnementen worden automatisch verlengd, opzegging schriftelijk tot uiterlijk 1 decembervanhet lopende abonnementsjaar.Abonnementenadministratie: Annemiek Nieuwenhuis,T +31 (0)70 302 84 18, E info@nirov.nlAdvertenties: Nirov, Martin de Heer,T +31 (0)70 302 84 49, E heer@nirov.nlDrukwerkproductie: Platform P, RotterdamAuteurs- en beeldrechten: Aan deze uitgave is de uiterste zorg besteed; vooronvolledige/onjuisteinformatie aanvaarden auteur(s), redactie en uitgevergeen aansprakelijkheid.Overname van artikelen is toegestaan, mits voorzien van bronvermelding. ISSN-1384-6531INTRO3 HoofdredactioneelJaap Modder4 NabeeldTheo Deutinger6 Dirk Frieling, virtuoosstedenbouwkundige(1937-2011)Wies Sanders8 ColumnTraagLucasVerweij10 Q+AEric Luiten, Provinciaaladviseur RuimtelijkeKwaliteit Zuid-HollandHet einde van de scheidingtussen stad en landAnne Luijten12 ColumnTerug naar AlmereJoris van CasterenTHEMA: EUROPA14 EuropaArjan Harbers16 Europa als spiegelAndreas Faludi18 Europa moet zijn knopennatellenArjen van der Burg24 Europa 2020 enMaking CityJoachim Declerck enHenk Ovink26 Europa in woord, beeld encijfersDavid Evers32 Haagse toestanden enBrusselse invloedenBas Waterhout enWil Zonneveld38 Grensoverschrijdendeplannen op zeeAnton van Hoorn enNiels SorelHET VELD42 Gesamtkunstwerkverkeer en stedelijkeontwikkelingHan van de Wetering46 Anticiperen opbevolkingskrimpHong SengYap enMarieke Harkink50 De overmoed vaneen minderheidLuuk Boelens53 Hoe links is onze hobby?Tom Maas58 Samen aan shared spaceDick van Veen enSjoerd NotaRECENSIES62 Stad en landBarrie NeedhamKrimp!Marco BontjeMegacitiesRies van der WoudenDe polderatlas vanNederlandFrank van der Steen68 Bovenste PlankLianne van DuinenNIROV70 Nirov Agenda71 Nirov Nieuws76 Het NetwerkAdviseurs in ruimtelijkeontwikkeling en omgevings-kwaliteitHet Stimuleringsfonds voor Architectuur werktaan een stimuleringsprogramma stedenbouwwww.architectuurfonds.nlSluitingsdata 2011: 1 mei, 7 aug, 7 oktSubsidie aanvragen?Zie Deelregeling Stedenbouw Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) enwoningcorporatie Ymere roepen architecten opom in multidisciplinaire teams een strategischevisie te vormen op het oostelijk deel van Haarlem. De teams wordt gevraagd in hun ontwerp Haarlemals geheelte verbinden en tegelijk de positie vande stad in de Metropoolregio Amsterdam te ver-sterken. In deze derde editie van de Ymere NAiPrijsvraag werken wij daarom nauw samen metde Stadsbouwmeester van Haarlem. Deelnemers maken kans op een geldprijs en omin samenwerking met Ymere de ontwikkeldevisie uit te werken. Daarbij worden de winnendeontwerpen tentoongesteld in het NAi.Inzenden kan tot en met 3 juni. Kijk hiervoor en voor meer informatie opwww.newharloheim.nlNew HarloheimYmere NAi prijsvraag 2011S+RO 2011/02 3IntroHoofdredactioneelJaap ModderHoofdredacteur S+ROLuchtvaartstedenHet Amsterdamse centrum voor architectuur, ARCAMheeft een expositie over boeren in de stad. `Farmingthe City' heet dat dan meteen. Bij de opening toverdeARCAM-directeur Maarten Kloos een gestencildblaadje tevoorschijn waaruit bleek dat de hoofdstaddertig jaar geleden ook een stadslandbouw-hype heeftgekend. Het krantje heette toen De Zaaier. Nu heet hetproject CITIES: `Een platform voor stedelijk onderzoeknaar lokale landbouwactiviteiten en moedigt metonderzoek het debat aan over de mogelijkheden vanvoedselproductie in de stad.' De tentoonstelling ishelaas niet veel meer dan een overzicht van plek-ken waar getuinierd wordt. Wat zou het aardig zijngeweest als zo'n expositie ons zou laten zien hoewe nu en later in deze eeuw in een stedelijke settinghightech voedselproductie kunnen organiseren, opkunstmatige substraten en met een enorme kostenef-fici?ntie. `Farming the City' blijft een beetje steken inhet kaboutertijdperk.Je moet je ook afvragen of dit zinnig is, de zelfvoor-ziende stad die in zijn eigen voedsel voorziet. Het doeteen beetje denken aan het pleidooi voor nationaleautarkie van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Toenwaren we ook bang dat als we ons eigen voedsel nietbinnenslands produceerden, we grote risico's liepen.Volgens de auteurs van het net verschenen Aerotro-polis, John Kasarda en Greg Lindsay, is het trouwens devraag of die sympathieke stadslandbouwspercieboon-tjes wel zo milieuvriendelijk zijn als wordt beweerd.1 Jekunt ze veel beter binnen laten vliegen, beweren zij endaarmee helpen we Afrika ook aan werk en inkomen.De auteurs van Aerotropolis nemen ons mee naar eenvliegende toekomst. Miljoenensteden met luchtha-vens in het centrum vormen samen het global network.En die megasteden zijn verbonden door evenzovelepropvolle luchtvaartcorridors waar straks meer dande helft van de (lichtgewicht) wereldhandel wordtvervoerd. In een globaliserende wereld die geregeerdwordt door prijs en snelheid kun je er vergif op in-nemen dat productie en distributieketens zich overde hele aardbol uitstrekken en de meest effici?ntenetwerken/trajecten zoeken. Kijk naar het wereld-netwerk van de bloemenhandel en de rol van Schiphol.Daar keken de auteurs van Aerotroplis ook naar en zijzien in Schiphol een Aerotropolis in statu nascendi.Voor de actiegroepen die zich dagelijks druk makenover luchtvaartlawaai moet de Aerotropolis eenhorrorscenario zijn. Maar Kasarda en Lindsay stellenons gerust. In Denver accepteert men het lawaaiwant men realiseert zich ook dat men binnen twintigminuten kan inchecken op een intercontinentalevlucht. De Aerotropolis zal in ieder geval buitenEuropa, waar de wereldbevolking en dus de stedenexplosief groeien, wel eens een heel waarschijnlijktoekomstbeeld zijn. De eenentwintigste eeuw wordtde eeuw van de stad, zoveel is zeker. Geen wonderschrijft ook Edward Glaeser in zijn zojuist verschenennieuwe boek Triumph of the City.2 De subtitel: `Howour greatest invention makes us richer, smarter,greener, healthier and happier.' Wat wil je nog meer?Glaeser zit op dezelfde lijn als het Centraal Planbureauin het recente rapport `Stad en Land'. Een stad leidttot hogere productiviteit en dus meer welvaart. Ensuburbia is met haar veel te grote huizen en miljoenenonnodige autokilometers vervuilender dan een stads-milieu. Evenals het CPB bepleit Glaeser, maar dan nogwat explicieter, dat suburbia wordt veroorzaakt dooroverregulerende overheden die bouwbeperkingen inde stad opleggen en hypotheekrente-aftrek en fiscalevoordelen voor woon-werkverkeer in de auto bieden.Allemaal verstoring van de markt! `Go with the flow'en het komt helemaal goed met de stad.Intussen denkt de redactie van S+RO na over detoekomst van dit tijdschrift. Binnenkort is S+RO ookte lezen op uw iPad. En we gaan aan de slag met onzeinternet en sociale media omgeving. Dat kan straksniet alleen een digitaal archief van bijna honderd jaarS+RO opleveren maar ook meer mogelijkheden voorfeedback van onze lezers en het trefzeker mobiliserenvan auteurs. We hebben mooie tijden voor ons.Jaap ModderNoten1 Kasarda, J. en Lindsay, G., Aerotropolis, Allan Lane, London, 2011.2 Glaeser, E., Triumph of the City, Macmillan, London, 2011.6 2011/02 S+ROIntroDirk FrielingEnkele weken geleden werd me ge-vraagd of ik Dirk Frieling wilde vervan-gen voor een vergadering van de com-missie bouwkunst van het fonds BKVB.Want Dirk was ziek en `uitbehandeld'zoals dat heet, en kon de vergaderingenniet meer bijwonen. Over twee dagenna het schrijven van dit stuk zal ik hemvoor het eerst vervangen, het is danook de dag van zijn crematie. Maar hoeis Dirk in godsnaam te vervangen?Dirk wordt in de media vooral geroemdals `regisseur' of `peetvader' van Almereen professor stedenbouwkunde aande TU Delft. Zijn grootste verdienstevoor het vakgebied is ongetwijfeld hetopporren van het ruimtelijk debat ophet Randstedelijk en nationaal ni-veau. Hij poneerde soms stellingen enmatrixstructuren waar menigeen voorterugdeinsde. Bij reacties werd er zo nuen dan een tut-tut of ho-ho gemom-peld, maar altijd zette zijn creatieve blikaan tot nadenken, discussie en soms totbestuurlijke ruimtelijke strategie?n.Dat ruimtelijk debat begon pas goedmet Nieuw Nederland Als Ontwerp2050 in 1987, waar scenario-ontwerpenvoor de toekomst van Nederland wer-den ingedeeld naar politieke opvat-tingen. Die discussie ? of ruimtelijke-ordeningsmodellen ook een herkenbarepolitieke signatuur hebben ? stooktehij in 2009 in Rooilijn weer even op.1 Hijdaagde uit tot meer aandacht voor depolitieke dimensie ? naast de bestuur-lijke dimensie ? en gebruikte daarvoorweer zijn kenmerkende stijl. De discus-sie woedt in deze S+RO-editie nogsteeds voort (zie de artikelen van TomMaas en Luuk Boelens). Dat bewijstmaar weer: je kunt het met Frielingeens of niet eens zijn, maar weinigmensen zullen onverschillig blijven.Het Metropolitane Debat rond 1996is zijn andere verdienste.2 Zef Hemelinterviewde Dirk Frieling daaroverin S&RO 2/1998.3 Frieling probeerdede bestuurlijke gemoederen klaar testomen voor een omslag in denken: vaneen nationale verdeling van ruimtelijkegroei naar een schaalsprong om voor deRandstad te kiezen en deze tot metro-pool om te vormen. Bovendien sprak hijdaar niet het rijk op aan, maar de viergrote gemeenten en andere belangheb-bende partijen. Hij wist echter dat zo'nomschakeling niet zonder verzet zougaan. Met het onafhankelijke Metropo-litane Debat kon een open denkproceshoog gehouden worden, dat later in eenbreed gedragen stichting Deltametro-pool vorm kreeg. In het interview metZef Hemel schakelt Dirk moeiteloos vaninternationale concurrentieverhou-dingen naar het draagvlak van boe-ren, fileert de problemen in complexebestuurlijke verhoudingen en schetsten passant een watersportstructuurvoor de hele Randstad. Virtuoos! Hetwas de aftrap van de Verenigde DeltaCompagnie, die uiteindelijk een lichtereuitvoering kreeg in de Vereniging Del-tametropool waar Dirk de grondleggervan is. De metropool zelf laat nog im-mer op zich wachten.Al enige jaren was Dirk ziek maar datbelette hem niet om zich nog altijd in tezetten in debatten, of het nu over hetMarkermeer, de IJ-meerverbinding of denieuwe politieke realiteit ging. Met hetheengaan van Dirk mist de ruimtelijkeordening een eigenzinnige opiniemakeren een innemende coach die vele jon-gere stedenbouwkundigen inspireerde.Noten1 Frieling, D., `De politieke dimensie vanruimtelijke ordening', in: Rooilijn nummer 6,2009.2 Frieling, D., `Verstedelijking als politiekeopgave', in: S&RO, jaargang 78, nummer 5,1997, pp. 4-8.3 Hemel, Z., `Deltametropool, interviewmet Dirk Frieling', in: S&RO, jaargang 79,nummer 2, 1998, pp. 4-9.Linkshttp://www.youtube.com/watch?v=Xhumm2PS2vchttp://www.zefhemel.nl/?p=1862http://www.rooilijn.nl/?page=p8973706901&details=c8785978019&title=Rooilijn+06-09Dirk Frieling,virtuoos stedenbouwkundige (1937 ? 2011)Wies SandersRedacteur S+ROS+RO 2011/02 7IntroDirk FrielingDirk FrielingFoto: Michael Kooren, Hollandse Hoogte8 2011/02 S+ROIntroColumnLucas VerweijJournalist en initiator inDesign & Architectureltverweij@gmail.comIk ben er niet trots op, en het zal met mijn leeftijd te makenhebben (hoger dan schoenmaat), maar ik hou steeds meervan traagheid. Traagheid is voor mij: gaan leven na mijnemigratie. In Duitsland zijn veel processen namelijk tragerdan Nederland.Organisaties worden hier minder snel gereorganiseerd,waardoor instituties langer blijven zoals ze altijd waren. Zoheb je hier nog een ziekenfonds, gaan kinderen als ze zes jaarzijn naar school en is zwembad- en schoolpersoneel ambte-naar. Door minder te veranderen zitten scholen, gemeente-lijke diensten en sociale voorzieningen vaker in gebouwenwaar ze al vijftig jaar of langer gehuisvest zijn. Als ik vooreen kinderbijslagaanvraag in de rij moet zitten, zit ik meestalniet in een `pas ontworpen, nieuwe stijl wachtkamer', maarin gangen waar al generaties zich ergerden aan de bureau-cratie. De diensters hebben geen nieuw ontworpen vriende-lijkheid uitstralend tenue aan, maar een klof, dat al te langmeegaat en gebruikssporen draagt. Zo is mijn deelgemeentegehuisvest in een gebouw dat daar een eeuw geleden voorontwerpen werd.In de orgware is de situatie net zo: het Duitse mediatoe-zicht geschiedt regionaal met gremiums. Ook al is er eeninternetrevolutie en commerci?le televisie, het gebeurt nognet zoals na de oorlog besloten werd. Centrale macht in demedia mag nooit meer voorkomen. Ik interviewde onlangseen toezichtvoorzitster en vroeg: `Het systeem loopt tochhopeloos achter, u mist allerlei kansen. Moet dat niet heelsnel veranderen?' Zij antwoordde heel kalm: `Over sommigeveranderingen moet je gewoon veel tijd laten gaan, dat isbeter voor het eindresultaat.' Ik was met stomheid geslagen.Ze schaamde zich niet voor traagheid, ze pleitte er zelfsvoor. Daarmee deed ze iets dat ik in Nederland nog nooit hebmeegemaakt: pleiten voor traagheid en stroperigheid. `Latenwe het kalm aan doen, en er wat tijd overheen laten gaan.'Ook in het genootschap waar ik penningmeester ben, hebik soms moeite me te beheersen. We beslissen er namelijkvolgens het (in Duitsland populaire) konsensus modell: alleenals niemand tegen een verandering is, gaat het door. Eenveranderingsvoorstel wordt aangepast tot iedereen zich erin kan vinden. Er wordt nooit alleen met meerderheid beslo-ten. Veranderingen hebben veel draagvlak, maar per saldobetekent het: traagheid. Als je iets radicaals wilt, moet je hetin stappen doen, en steeds iedereen meekrijgen. Maar het isjuist de traagheid die zekerheid geeft, die routines geeft endie tradities laat ontstaan.Ruimtelijke ordening was ooit een trage discipline, maar is tesnel geworden. De laatste twintig jaar hebben we ons latenmeeslepen in gekkigheid die allerlei snelle jongens verzon-nen. De Vinex is te snel gebouwd en is daarom gedateerd.Almere is te snel opgepompt en is daarom nu lelijk en onaf.IJburg is te snel ontwikkeld, daarom moest het twintig keeraangepast en valt het nu tegen. Stadshavens is te snel ge?n-stalleerd en is daarom nu weer ontmanteld. En dan heb ik hetnog niet over het Weena, de Bijlmermeer, de Zuidas en veleandere vormen van opgewonden stedenbouw.Een nevenproduct van traagheid in planning, is dat tijdens dewachttijd ? de tussentijd ? een bijzondere conditie ontstaat.Je hebt dan de zekerheid dat er nog een tijdje niets gaatgebeuren. In die tijdsruimte ontstaat zwischenennutzing,kraken en allerlei vormen van tijdelijk en ge?mproviseerd ge-bruik. Met traagheid komt automatisch improvisatieruimtelos. Kijk wat er in Berlijn gebeurt in gebieden en panden diedoor traagheid twintig jaar braak hebben gelegen of leegstonden. Van Tempor?re kunsthal tot zwischennutzungstheaters, en van kunstkraakcentra tot kinderopvangplekken.Het vond z'n plek in of op wachtend vastgoed.Toegegeven: heel soms moet je in dit vak snel handelen, zo-als bij de HSL of de vuurwerkramp in Enschede. De opgave isdan ook anders: je weet wat je te doen staat. Op dat momentis haast geboden, maar meestal is het dat niet. Hoe zouIJburg er bijvoorbeeld uit hebben gezien als het volgens hetkonsensus modell ontwikkeld zou zijn? Er zouden misschienminder woningen hebben gestaan, en er zou zeker minderzijn verdiend. Alle haast in de ruimtelijk ordening werd delaatste decennia immers gedreven door geld.Het vak van de ruimtelijke ordening moet weer terug naarzijn roots: naar de traagheid. Ik roep u daarom allen op weereens wat minder hard te werken, minder te veranderen, min-der te initi?ren, minder te willen bewegen. Minder te willenverdienen en minder een punt te willen zetten. Wees traag.TraagTraagTraagS+RO 2011/02 9IntroColumnFoto's: Madeleine Kotte10 2011/02 S+ROIntroQ+AAnne LuijtenStudio-ROanne.luijten@studio-ro.nlEric LuitenFoto: Provincie Zuid-HollandOp een echtestadsrand, de piervan Scheveningen,presenteerde EricLuiten zijn advies `Deonbebouwde kom'. Deonafhankelijk adviseurruimtelijke kwaliteitvoor de provincie Zuid-Holland zet daarmeede overgangsgebiedentussen stad, dorpen landschap in deZuidvleugel op depolitieke agenda. Hetrodecontourenbeleidmoet hoognodig op deschop, vindt Luiten.Het einde vande scheidingtussenstad en landEric Luiten, Provinciaal adviseurruimtelijke kwaliteit in Zuid-HollandS+RO 2011/02 11IntroQ+AWat is het probleem met de stadsran-den? Mogen die niet gewoon lekkerrommelig zijn?`In de Zuidvleugel is er veel maatschap-pelijke bezorgdheid over de kwaliteitvan de randen. Om het effect van hetrodecontourenbeleid te onderzoekenheb ik aan Lola Landschapsarchitectengevraagd om een atlas te maken van deruimtelijke conditie van de stadsrand-gebieden. BGSV heeft in beeld gebrachthoe de dorpsranden in Zuid-Hollandbeter vorm kunnen krijgen. Mijn con-clusie is dat het rodecontourenbeleidinmiddels achterhaald is. In de Weder-opbouwperiode vormden groen en roodeen strikt eigen domein. Die scheiding isvolledig ge?nstitutionaliseerd en heeftparadigmatische vormen aangenomen.Natuurlijk zijn rommelige tussengebie-den op zich niet erg, maar ik stel vastdat de stadsranden nu vooral een onafkarakter hebben: ze liggen als het warete wachten op stadsuitbreiding. Nu dievoorlopig niet komen gaat zullen wenieuwe strategie?n moeten ontwik-kelen om tot ruimtelijke kwaliteit tekomen in die gebieden. We moeten destadsranden gaan afbouwen.'Het einde van de groei vraagt omnieuw beleid voor de stadsranden?Ligt dat niet op het bordje van degemeenten?`De provincie is al decennialang ver-antwoordelijk voor de landschaps-en natuurontwikkeling en de grotegroene recreatieprojecten. Met deverschuiving van rollen in de ruimtelijkeordening zullen provincies ook meerte maken krijgen met het stedelijkebeleid. Mijn eerste aanbeveling is om destadsranden te gaan beschouwen alsstadsrandgebieden. Een deel daarvanis landschappelijk en een deel stede-lijk, daarbinnen interfereren patronenvan rood en groen. De opgave voor hetbeleid is om in die gebieden waar beideelkaar treffen specifieke kwaliteiten terealiseren. De provincies zouden dezekar moeten trekken om de gemeentenmee te krijgen. Het gaat dus om eensamenwerking tussen provincie engemeenten.'In het advies noemt u drie soortenkwaliteiten: contrast, contact encontract.`In het eerste model doen we geenpogingen om rood en groen tot elkaarte laten doordringen. De kwaliteit ligtin de keiharde, onbemiddelde grens. Inhet contactmodel wordt geprobeerdde grenslijn tussen stad en land zo langmogelijk te verlengen. Je laat ze als hetware aan elkaar snuffelen. Denk aan degroene scheggen rondom Amsterdam:gebieden waar landschappelijke enstedelijke elementen elkaar treffen envan elkaar kunnen profiteren. Dat zijnkwaliteiten waar je op kunt ontwerpenen investeren. In het derde model, hetcontractmodel, nemen stad en landelkaars vorm aan. Denk aan de histori-sche buitenplaatsen of de villawijken inhet duingebied: stedelijke ontwikkelingin het landschap. Deze kwaliteit durvenwe in Nederland niet meer te maken.'Jij hebt als onafhankelijk adviseur eenbeleidsadvies uitgebracht, hoe is hethard te maken, te verzilveren in beleid?`Hopelijk worden de aanbevelingenopgenomen in het investeringspro-gramma van de nieuwe Zuid-Hollandsecoalitie. De opgave moet het liefstzwart-op-wit in het coalitieakkoordworden opgenomen, zodat er mensenen middelen op verplicht worden. Hetzou interessant zijn als er pilotprojec-ten op gang zouden komen, waarin con-creet de afbouwoperatie van een aantalstadsrandgebieden ter hand wordtgenomen. Nu het rijksbeleid rondom deRijksbufferzones en de Nationale Land-schappen verdwijnt en de regering hetgeld voor de recreatieprojecten heeftingetrokken, moeten de provincieshun verantwoordelijkheid nemen voorruimtelijke kwaliteit. Het taboe op wo-ningbouw in de Rijksbufferzones magwat mij betreft direct worden opgehe-ven. Je hebt woningbouw gewoon nodigals je de kwaliteit van de stadsrandenop de agenda zet'.Dat klinkt redelijk revolutionair, vooralvoor de provincies.`Het is inderdaad een enorme stap omhier in Zuid-Holland alleen al over tepraten. Het verhoudt zich spannend totde motivatie waarom mensen in de pro-vinciale politiek gaan: het in toom hou-den van de gemeenten. De provincialeplanologische politiek omschrijf ik weleens als georganiseerd wantrouwen. Ikzou dat willen omdraaien: de provinciemoet nu het vertrouwen in haar ruim-telijke partners gaan organiseren. Datvraagt wel een mentaliteitsomslag.'Hoe is het advies ontvangen in hetZuid-Hollandse provinciehuis?`De huidige gedeputeerden voor ruim-telijk beleid en voor platteland hebbenhet zeer goed ontvangen. Mensen dieop zoek zijn naar nieuwe houvast inde ruimtelijke ordening vinden het eeninspirerend advies. Maar er zijn ookmensen die het rodecontourenbeleidbeschouwen als een laatste strohalmom de zaak in toom te houden. Dat iseen vorm van ouderwets machtsden-ken. Nu gaat het niet meer om de vraagwie de macht heeft, maar om wie je hetvertrouwen gunt om verantwoordelijk-heid te dragen.'12 2011/02 S+ROIntroColumnHofmark, AlmereFoto's: Janica DraismaS+RO 2011/02 13IntroColumnJoris van CasterenJournalist en schrijvercasteren@xs4all.nlOp verzoek van een televisieploeg van het programma`Uitgesproken' begaf ik mij kort geleden naar het hofje inAlmere-Haven waar ik na de scheiding van mijn ouders in1981 een jaar woonde met mijn moeder en broertje. Het wasvermoedelijk niet de bedoeling dat we er slechts een jaarzouden wonen, maar de aardige man met baard bij wie mijnmoeder introk bleek niet altijd even aardig te zijn. 's Avondssmeet hij tijdens woede-uitbarstingen het servies kapot.Mijn moeder verhuisde met ons terug naar Lelystad en vanafdat moment woonde ze alleen nog met vrouwen samen.De zon scheen toen ik mijn auto parkeerde aan de Hofmark,zoals het buurtje heet. De Hofmark is wat we tegenwoordigeen bloemkoolbuurt noemen: rijtjeswoningen die niet rechtmaar in hoefijzervorm tegen elkaar aan werden gebouwd.Aan de voorzijde van de woningen een doorgaande weg metparkeerplaatsen, aan de achterzijde tuintjes met schuur-tjes en een grasveld met rozenbottelstruiken. De Hofmarkwas er bepaald niet op vooruit gegaan. Aan de kozijnen inverschillende kleuren was te zien dat, zoals bij veel ouderenieuwbouwwijken in Nederland, ook hier was getracht doormiddel van verkoop de buurt te verbeteren. Dankzij bankenals Dexia, die zelfs mensen met een uitkering aan een hypo-theek hielpen, waren dezelfde bewoners met lage inkomenser blijven wonen. Met als verschil dat zij maandelijks hogerelasten hadden en weinig of niets overhielden om het nood-zakelijk onderhoud te verrichten.De bakstenen gevels waren verweerd, over de zwarte pan-nendaken woekerde een hardnekkige schimmel. Vermoe-delijk alweer een tijd geleden had ??n van de huiseigenareneen beginnetje gemaakt met het in de grondverf zettenvan de witte systeemplaten op de eerste verdieping. Van deonderste verdiepingen was niet veel te zien: vrijwel iedereenhad een manshoge Praxis- of Gamma-schutting met degelijksluitwerk rond zijn tuin gezet.De televisieploeg arriveerde. De interviewer vroeg hoe hetwas om hier weer te zijn. `Vreemd maar ook wel vertrouwd,'zei ik. Ik wees op het elektriciteitshuisje. Het bordje `roken envuur levensgevaarlijk' hing er nog steeds. `Ik heb daar mijneerste fikkie gestookt,' zei ik. Het kwam door dat bordje.Alles was smetteloos en ordelijk toen, er waren nog geeningesleten paden door de bosjes, op het fietspad reden geenbrommers. Ik was pas zes, en toch had ik de neiging eengrote ontploffing te veroorzaken die alles in ??n klap totleven zou wekken.De televisieploeg wilde met mij praten over de alarme-rende criminaliteits- en misdaadcijfers in Flevoland. Zewilde weten of er een verband was tussen die cijfers en deleefomgeving. Ik geloof zeker dat dat verband bestaat. Netals ik destijds groeien er tegenwoordig generaties jonge-ren op in al te bedachte en al te aangeharkte buurten. Debloemkoolwijk van toen werd de Vinex-wijk en heet nu golf-,eco- of hekwerkbuurt. Het probleem zit `m volgens mij inde typisch Nederlandse hang naar zuiverheid en perfectie.Zo gewenst en vooruitstrevend als de bloemkoolbuurten bijoplevering waren, zo ongewenst en achterhaald zijn ze nu.Met de Vinex-buurten is hetzelfde aan het gebeuren en erzijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat hetzelfdeniet gebeurt met de nieuwbouwbuurten die thans wordenopgeleverd.Het proces verloopt telkens hetzelfde: op zeker momentslaat de stemming om en vertrekt wie kan vertrekken. Erwordt geopperd de afgedankte wijk dan maar te slopen, ietswat in landen als Groot-Brittani? en Denemarken ? die ik inhet kader van mijn new town-serie voor Hollands Diep be-zocht ? totaal ondenkbaar is. Daar wordt rekening gehoudenmet het feit dat buurten, hoe slecht ze op dat moment ookworden gewaardeerd, later aan betekenis kunnen winnen.Ook aan lelijke gebouwen hangen herinneringen. Sloop isautomatisch ook sloop van de toch al prille geschiedenis.Ineens keek ik heel anders naar mijn buurtje aan de Hofmark.De tekenen van verval waren ook tekenen van leven. Hierzou ik als kind niet de behoefte hebben om zaken te ver-nielen of te ontregelen, dat was al gebeurd. Hoe angstaan-jagend ook, er was een ziel in geslopen. Het steriele was ervanaf, de stad was menselijk geworden.In de opvatting van politici zijn dit soort buurtjes schand-vlekken die zo snel mogelijk uitgewist dienen te worden.Er moeten nieuwe buurten komen die definitief een eindezullen maken aan alle stedelijke problematiek. Het lijkt zete ontgaan dat de bedenkers van de bloemkoolbuurten het-zelfde dachten. In de nieuwe buurten zal de planologieneu-rose opnieuw toeslaan: mensen worden gek van verveling enkomen in opstand. Misschien is het tijd om te zeggen: dezebuurt is mislukt, maar het is wel onze mislukte buurt.Terug naar AlmereTerug naar Almere14 2011/02 S+ROThema EuropaIntroductieverlenging van het Geneefse tramnetwerk, onder meer naarFrankrijk, gekoppeld aan een forse verstedelijking. Arjen vander Burg pleit voor een `functionele' samenhang in Europa.Een Europese ruimtelijke ordening op basis van morfologi-sche samenhang is op het Europese schaalniveau immerseen denkfout. Fijntjes wijst hij daarbij op het schrikbeeldvan gebundelde deconcentratie op Europese schaal. Eenopvallend voorbeeld van een functionele samenhang isDesertec, een private grensoverschrijdende ambitie om eenelektriciteitsnet tussen Afrika en Europa aan te leggen en zozonne-energie noordwaarts te transporteren. De praktijkvan het koppelen van elektriciteitsnetwerken lijkt echterweerbarstiger, zo beweren Anton Van Hoorn en Niels Sorelin hun artikel over windenergie op de Noordzee. Er wordthier weliswaar internationale samenwerking verlangd, maardoor de praktische en politieke realiteit leidt het nauwelijkstot grensoverschrijdende, of integrale ruimtelijke ordening.Joachim Declerck en Henk Ovink zijn pleitbezorgers voor eenactief verstedelijkingsbeleid van de Europese Commissie.Steden zijn immers de motoren van de economie en essen-tieel voor duurzaamheidsdoelen, maar Europa dreigt de bootte missen ten opzichte van de mondiale concurrenten. Zoalsgezegd is ruimtelijke ordening echter geen beleidsterrein vande Europese Commissie maar komt soms wel tot stand (ofjuist niet) door `Brussel'. Het sectorale Europese beleid heeftnamelijk wel veel indirecte invloed op de lokale ruimtelijkeontwikkelingen. Daarmee zijn we beland bij de tweede soortEuropese ruimtelijke ordening. Bas Waterhout en Wil Zonne-veld hebben de impact van het sectorale beleid onderzochten ook hoe Nederland hier beter mee om zou kunnen gaan.De indirecte en directe ruimtelijke Europese thema's wordenonderzocht en gemonitord door het ESPON. David Eversbeschrijft hoe deze onderzoeken de nationale `problemen' ineen heel ander perspectief kunnen zetten. Vanuit Europeesperspectief blijken verstedelijking en krimp in Nederlandbijvoorbeeld weinig voor te stellen.Bij Europese ruimtelijke ordening lijken daadkracht en visievooral van private en regionale partijen afkomstig, terwijlde nationale overheden vooral langs geopolitieke lijnen huneconomische belangen veiligstellen. Maar via de achterdeurvan het sectorale beleid maakt Europa wel veel projectenmogelijk of onmogelijk. Europa. Best belangrijk, dus.Met het motto `Europa. Best Belangrijk' probeerde het minis-terie van Buitenlandse Zaken zes jaar geleden de Europesegrondwet aan de man te brengen. Deze campagne liep uit opeen fiasco. De meerderheid van de deelnemers aan het refe-rendum stemde tegen de grondwet. Nederland loopt steedsminder warm voor de Europese Unie (EU) en is binnen de EUniet langer het braafste jongetje van de klas. Integendeel.Wat betreft ruimtelijke ordening leggen de meeste Europeselidstaten sowieso weinig enthousiasme aan de dag voorEuropa. Kenmerkend is dat binnen de Europese Commis-sie sluipenderwijs het begrip spatial werd vervangen doorterritorial. Dit laatste begrip duidt op een planning binneneen afgebakende ruimte, terwijl spatial als grenzeloos werdopgevat. Maar misschien is territoriumdenken inderdaadwel de realiteit. Menig regering heeft immers haar kerncen-trales op een steenworp afstand van de landsgrens gepland.En de laatste Nederlandse regeringen hebben met de IJzerenRijn, de Haringvlietsluizen, de HSL-Zuid en de uitdieping vande Westerschelde schaamteloos aangetoond dat ze 's landseconomie belangrijker achten dan goed nabuurschap.Het ministerie van Infrastructuur en Milieu is bezig de na-tionale ruimtelijke ordening naar de provincies over tedragen. Die hebben immers het overzicht om te voorkomendat niet iedere gemeente nodeloos wedijvert met bedrij-venterreinen en uitleglocaties. Maar consequent is het rijkniet. De nationale bedrijventerreinen, de zogenaamde main-,brain- en greenports blijven immers van nationaal ruimtelijkbelang. Juist omdat ze geacht worden te wedijveren op Euro-pese schaal. Als ruimtelijke ordening een Europese bevoegd-heid zou zijn geweest had het hier een schone taak gehad.Het lijkt er echter niet op dat de lidstaten hun ruimtelijkesoevereiniteit snel zullen opgegeven. Dat neemt niet weg datde EU geen invloed heeft op het Europese ruimtegebruik.In dit thema van S+RO over Europese ruimtelijke ordeningkomen twee soorten Europese ruimtelijke ordening aan deorde, namelijk directe en indirecte. Andreas Faludi ziet dedirecte, zeg maar letterlijk grensoverschrijdende, ruimtelijkeprojecten langzaam maar zeker tot stand komen, dankzij degrensregio's en ondanks nationale regeringen. Een treffendstedelijk voorbeeld hiervan geeft Han van de Wetering inzijn bijdrage over stedenbouw in Zwitserland, dat nota benegeen EU-lid is. In een plan voor de regio Gen?ve wordt deArjan HarbersRedacteur S+ROEuropaS+RO 2011/02 15Thema EuropaIntroductieIllustratie: KV, Max Kisman16 2011/02 S+ROThema EuropaEuropa als spiegelNederland staat met de rug naarEuropa. Stond Nederland vroegervooraan als het ging om een gezamen-lijk Europa en Europese ruimtelijkeordening, tegenwoordig denken we`inside the box'. Gek genoeg gaan wenog steeds uit van natiestaten metvastgestelde ruimtelijke grenzen. Ineen ruimtelijke realiteit waarbijgrenzen vervagen, globalisering eninternationale netwerken gemeengoedzijn, past dit containerdenken nietmeer. Het moet plaatsmaken voor een`relatief ruimtebegrip' met functionelegelegenheidsconstructies.Het Europees Ruimtelijk Ontwikke-lingsperspectief (EROP) uit 1999 is eengezaghebbend beleidsdocument voorruimtelijke ordening op Europeesniveau. Het biedt een politiek ori?nte-ringskader voor sectoraal beleid datruimtelijk effecten heeft, maar is nietbindend. In het vijfde Cohesierapport(2010) pakt de Europese Commissie hetbegrip territoriale cohesie op, dat weljuridisch verankerd is in het verdragvan Lissabon (2007). Territorialecohesie biedt, naast de al bestaandesociale en economische cohesie, demogelijkheid om meer gebiedsgerichtbeleid te voeren, met als doel dat regio'shun eigen kenmerken maximaal kunnenbenutten. Achterliggende gedachtehierbij was dat het sectorale beleid tegeneriek wordt ingezet, waardoor ervaak kansen voor synergie zijn gemist.Over territoriale cohesie is veel te doen,op dit moment is het cohesiebeleid alszodanig ook in woelig vaarwaterterechtgekomen. Het kernvertoog isdat van een evenwicht tussen regio'sdoor middel van steun aan achterge-stelde regio's en het bevorderen van deconcurrentiekracht van heel Europa.Daarnaast staat een andere gedachte,die van de multilevel governance,waarbij beleidsprogramma's in samen-werking met regionale en lokale,publieke en private stakeholdersworden opgesteld. Zij hebben dus eenstem, met de Europese Commissie alsspil. Keerzijde van deze medaille is weldat de nationale regeringen hunmonopoliepositie in de Europeseintegratie kwijtraken. De kreet dat`alles wat naar Europa gaat "ons" verliesis', klopt echter niet helemaal. Vanintegratie kan iedereen juist beterworden: capaciteiten tot samenwer-king groeien, ervaringen wordenuitgewisseld, enzovoort.Veel planologen en stedenbouwkundi-gen maken nu deel uit van internatio-nale netwerken. Er is altijd al veelEngelse vakliteratuur gebruikt, maar nuwordt het universitair onderwijs veelalin deze taal gegeven. Onze docenten,vaak zoals ik afkomstig uit hetbuitenland, hebben een stevigeinternationale positie. Dit geldt ookvoor adviesbureaus en voor menigambtenaar die meedraait in degrensoverschrijdende en transnatio-nale samenwerking. Zodoende raakthet binnenlands bestuur op allerleiniveaus betrokken bij Europeseintegratie.1 `EUROPA decentraal', h?tkenniscentrum voor Europees recht enbeleid voor decentrale overheden,getuigt ervan. We hebben het dan overhorizontale integratie, een belangrijkwapenfeit van Europese ruimtelijkeplanning als learning machine.2VervlechtingenHet Verenigd Koningrijk en anderen,waaronder Nederland, willen hetcohesiebeleid beperken tot steun aanarmere lidstaten en het beheer aan hunregeringen overlaten. In de wandelgan-gen heet dit `renationalisatie', met denodige dosis afstandelijkheid tenopzichte van Europa. Verstandig is dezeafstand niet. Ook Nederland draaitgoed mee in de globalisering enEuropeanisering. Het uitgangspunt datde staat gezag uitoefent over een volken territorium binnen vaste grenzen,past bovendien niet bij de huidigeontwikkelingen. Tegelijkertijd is diegedachte ons met de paplepel ingege-ven, en juist daarom zouden we hetvreemd vinden wanneer de EuropeseUnie zou bepalen of we wel of geenTweede Maasvlakte mogen aanleggen.Nog even daargelaten dat dit nietgebeurt. Dat het investeringen betreftdie juist zijn ingegeven door een fantas-tische positie van Rotterdam binneneen Europees havencomplex datbestaat bij gratie van internationalevervlechtingen, wordt niet vermeld.De natiestaat, vrucht van eeuwen vanstrijd voor `gelijkheid, vrijheid, broeder-schap,' maar dan wel binnen nationalegrenzen, verdwijnt heus niet. Hijverandert en met hem het burgerschapen ruimtebegrip. Ruimte is niet langereen container, een vast raamwerkwaarbinnen alles zijn plaats moetvinden en waarbuiten de kaart een witvlak laat zien. Het is overdreven tezeggen dat alles met alles samenhangt,maar in de ruimtelijke ordening moet jerekening houden met wat buiten je aan-dachtsgebied gebeurt. De noodzaakhiervoor zou ook zonder de EuropeseUnie evident zijn. In Nederland speeltdit in bijzondere mate. Het heeft ??nvan de meest open economie?n. Op vanoorsprong meertalige landen alsLuxemburg, Litouwen en Malta na, ismeertaligheid in Nederland het meestverbreid; Nederlanders wonen mettienduizenden tegelijk over de grens inDuitsland en Belgi?. Vrachtwagens uit`Nederland distributieland' nemenbovendien een flink deel van de overlastrond de Alpenovergangen voor hunrekening. Nederland en de Nederlanderszijn diep geworteld in Europa en varenwel bij Europeanisering.GelegenheidsconstructiesEr is wel een probleem dat niet speci-fiek is voor Nederland. Als de staat nietEuropaals spiegelS+RO 2011/02 17Thema EuropaEuropa als spiegelAndreas FaludiTU Delfta.faludi@ipact.nlmeer de spil is waar alles om draait, danmoeten we leren om anders te denkenover het nationale belang en territoir.We moeten ons aanpassen aan eennieuwe realiteit. Manuel Castells3 hadhet al over een netwerkmaatschappij.Er zijn geen theoretische bespiegelin-gen voor nodig om te kunnen stellendat het barst van harde en zachtenetwerken kriskras door Europa en dewereld. Het is een onoverzichtelijkekluwen. Orde aanbrengen in het geheel,of orde afdwingen door welk gezag danook is geen optie.Het ordenen van de netwerken kanalleen selectief, al naar gelang het doeldat voor ogen staat. Bij dit nieuwedenken over ruimtelijke ordening pasthet relatieve ruimtebegrip, zoals DavidHarvey4 dat tegenover het absolute ofcontainerbegrip stelt.Wat we in de Europese spiegel zien isdat het barst van de relatieve ruimtes.Dat zijn vooral gelegenheidsconstruc-ties. Op de keper beschouwd is deEuropese Unie zelf ook zo'n constructie.De grenzen zijn onderhandelbaar endoorlatend. Ook zijn, deels dwars op debuitengrens gelegen macroregio's hetonderwerp van strategische beleids-vorming, bijvoorbeeld in het Oostzee-gebied en het stroomgebied van deDonau. Het Comit? van de Regio's pleitvoor een dergelijke macroregio voor deNoordzee.5 Lokale en regionaleoverheden zien het wel zitten, deNederlandse regering echter niet. Hoedan ook, het gaat bij macroregio's omruimtes zonder scherpe grenzen metdaarbinnen deelruimtes die elkaar, alnaar gelang het onderwerp, telkensweer overlappen.Zachte planningDe apostelen van multilevel governance6onderscheiden nu twee types. Hetonderliggende ruimtebegrip is funda-menteel anders. Bij het eerste meergangbare type gaat het om samenwer-king tussen bestuurslagen. Waarbij deruimte wordt opgevat als een grotedoos met daarin kleinere dozen, waarinwederom kleinere dozen ? elk hetrechtsgebied van een bestuurslaag. Hettweede type stelt functionele samen-werking centraal, en gaat uit vanzachte ruimtes.7 De relatieve ruimtesvan David Harvey horen hierbij. Hetadvies van de VROM-raad `Wisselendecoalities'8 gaf het ook al aan. In ditadvies wordt het `huis van Thorbecke'? het verhaal van de stapel dozen? weliswaar ongemoeid gelaten, maarter wille van ruimtelijke kwaliteit wordthet genesteld in een dynamisch geheelvan werkverbanden. In Europa gaat hetevenmin om het verdwijnen van denatiestaat en andere territorialeoverheden, maar wel om de verande-rende rol ervan. Zachte planning voorzachte ruimten is daarom ook in Europahet devies.9De gevolgen voor ruimtelijke planningzijn duidelijk: naarmate grenzen op deachtergrond treden, en burgers zich erminder van aantrekken, kan deruimtelijke planning zich niet meerbeperken tot rechtsgebieden. Plannen,ruimtelijke strategie?n en visiesworden daarmee niet overbodig, maarde rol ervan verandert. Het democra-tisch gelegitimeerde bestuur dat destrategie?n en visies heeft vastgesteldis immers aan verandering onderhevig.Dat geldt ook voor ons zelfbeeld. Weshoppen, werken en wonen over degrens. Vliegen met goedkope lucht-vaartmaatschappijen naar verre,onbekende bestemmingen en ontdek-ken nieuwe sociale identiteiten, die delandgrenzen overschrijden.10Outside the boxHet denken over Europese integratie,ook en vooral in het Nederland van 2011,wordt vreemd genoeg nog steedsbeheerst door de gedachte dat demaatschappelijke werkelijkheid indozen opgeborgen kan worden. Alsofhet verschil tussen binnen en buitenallesbepalend zou zijn. Maar er is veelaan de hand. De grenzenloosheid wordtsteeds meer gemeengoed, en manifes-teert zich ook in ons gedrag. We wonen,studeren, werken, recre?ren en zoekenpartners ? zestien procent vanhuwelijken in de Europese Unie isinternationaal ? waar het uitkomt.Nederlanders staan in deze geleefdeintegratie op de eerste rij. Denken intermen van vaste grenzen, van heteigene van het land, alsof dit eenvaststaand gegeven was, zal steedsmeer anachronistisch overkomen. Onsaan die werkelijkheid onttrekkenbetekent het hoofd in het zand steken.Nederlandse burgers, politici ? enwellicht ook ruimtelijke ordenaars ?zijn zich van die positie nog onvoldoen-de bewust. Genoeg werk aan deEuropese winkel dus.Noten1 Hoetjes, B.J.S., Besturen op Europeesniveau: lagen en listen, lusten en lasten.Inaugurele rede, Universiteit Maastricht,2001.2 Faludi, A., `The learning machine: Euro-pean integration in the planning mirror',in: Environment and Planning A, jaargang40, nummer 6, 2008, pp. 1470-1484.3 Castells, M., The Rise of the NetworkSociety: The Information Age ? Economy,Society and Culture, Vol. 1, Blackwell Pu-blishers, Massachusetts, Oxford, 1996.4 Harvey, D., Explanation in Geography,Edward Arnold, London, 1969.5 Zonneveld, W., `Ruimtelijke ordening in deEurodelta', in: Stedenbouw en RuimtelijkeOrdening, jaargang 91, nummer 6, 2010, pp.15-19.6 Marks, G. en Hooghe, L., `Contrasting visi-ons of muli-level governance', in: Bache, I.en Flinders, M. (eds), Multi-level Gover-nance, Oxford University Press, Oxford,2004, pp. 15-30.7 Haughton, G.; Allmendinger, Ph.; Counsell,D. en Vigar, G., The New Spatial Planning:Territorial Management with Soft Spacesand Fuzzy Boundaries, Routledge, London,2010.8 VROM-raad, Wisselende coalities: naareen effectief regionaal ruimtelijk beleid(Advies 068), Den Haag, 2008.9 Faludi, A., Cohesion, Coherence, Coopera-tion: European Spatial Planning Comingof Age? (RTPI Library Series), Routledge,London, 2010.10 Favel, A., `Europe's identity problem', in:West European Politics, jaargang 28, num-mer 5, 2005, pp. 1109-1116.18 2011/02 S+ROThema EuropaPolycentraliteitEuropees ruimtelijk beleid in traditio-nele zin bestaat niet, maar er is wel een`Territoriale Agenda'. Deze is in 2007opgesteld door de gezamenlijkelidstaten, en is mede ge?nspireerd ophet Europees Ruimtelijk Ontwikke-lingsperspectief (EROP) uit 1999.Inmiddels is de Territoriale Agendaherzien en is een derde poot aan hetcohesiebeleid van de Europese Unietoegevoegd: territoriale cohesie. Ditconcept staat naast de oudere socialeen economische cohesiedoelstellingen.De keuze voor `territoriale cohesie'kleurt het territoriale denken dat zicheerder op achterstanden dan opvoorlopers richt. Het is dan ook maarde vraag of er ooit een Europeesruimtelijk beleid komt dat zich kanmeten met het Nederlandse.2Het bereiken van ruimtelijk evenwicht,of het verminderen van verschillentussen het centrum van Europa en deperiferie, zijn terugkerende motieven.Dat is niet vreemd, het cohesiebeleid isimmers ingegeven door de behoefte omsociale en economische verschillen tereduceren. De effecten van het beleidvoor de Europese markt versterken dienu vooral. Concurrentie en vrij verkeervan kapitaal en arbeid bevorderen nietalleen de welvaart maar versterken ookconcentratietendensen van onderne-mingen in stedelijke gebieden, en in deal ontwikkelde streken. Dit gegevenkleurt het quasiruimtelijke Europesebeleid met een zekere g?ne over heteconomische beleid, dat het hart van deEuropese machinerie vormt. Deonvermijdelijke leegloop van sommigedelen van het Europese platteland envermindering van verzorgendevoorzieningen in kleinere kernen(postkantoren, scholen, enzovoort) zijnhierbij vaste punten.In de visie van het EROP, en later ookvan de Territoriale Agenda, moeten nietalleen de stedelijke regio's in alle delenvan Europa versterkt worden, maar ooknog eens tot in de kleinste kernenzorgen dat ook het platteland `leefbaar'blijft. Hiervoor is het concept `polycen-triciteit' bedacht, dat op alle schaal-niveaus zou kunnen werken. Samen-werking en verbinding van grotere enkleinere kernen zou volgens dezegedachtegang een gunstig effecthebben. Nederland, althans de rijks-overheid, heeft zich sinds de jarenurmoet zijn knopen natellenS+RO 2011/02 19Thema EuropaPolycentraliteitopaKaart: Investeringen tussen stedelijkeregio's over de laatste tien jaar.Bron: Ronald Wall, zie ook: http://www.lboro.ac.uk/gawc/visual/northwing.htmlnegentig van de vorige eeuw onder hetmotto `regio's op eigen kracht' meeraangetrokken gevoeld tot het verster-ken van bestaande sterkten dan tot hetcompenseren van zwakten.Morfologische blikHet concept polycentriciteit, zoals datin het EROP is ge?ntroduceerd, isduidelijk morfologisch: op de kaart is tezien dat de grootste concentratie vanmensen en economische activiteiten inEuropa zich ruwweg tussen de vijfhoekHamburg-M?nchen-Milaan-Parijs-Londen bevindt ? ook wel het `Penta-gon' genoemd. Binnen alle landenherhaalt zo'n patroon van concentratiezich op een beperkt grondgebied. Metextreme gevallen van concentratie inen rond de hoofdstad in het geval vanFrankrijk en Hongarije en meergespreide gevallen als Nederland, Belgi?en Duitsland.Onder planologen is een morfologischezienswijze lang populair geweest ennog steeds niet uit beeld. Het Neder-landse verstedelijkingsbeleid is, op hetstadsgewestelijke schaalniveau, vanafde jaren zestig van de vorige eeuwgevormd door het concept `gebundeldedeconcentratie'. Hierbij is de vraag naar(eengezins)woningen vanuit grotestedelijke kernen opgevangen inkleinere kernen ? ook wel `groeikernen'genoemd. De kleine kernen zijn goedverbonden met de oude hoofdkernen,en bieden overwegend huisvesting. Demeeste werkgelegenheid en belangrijk-ste voorzieningen blijven in de hoofd-kernen. Met elkaar vormen zij een`stadsgewest', een `polycentrisch' beeldwaarbij grote steden niet teveel mogenuitgroeien. Tegelijk is ook op de schaalvan heel Nederland krachtige tegen-druk gewenst tegen de groei van deRandstad, die als ??n metropool wordtgekenschetst. Dit concept is inmiddelsverlaten.Achter het concept van het EROP ziteen vergelijkbare opvatting: een sterkeconcentratie van mensen en activitei-ten in een beperkt gebied is in hetalgemeen niet goed. Er zijn agglomera-tienadelen in de stedelijke regio's zelf,er is bedreiging van het platteland, ende Centraal-Europese concentratievormt een belemmering van deDe Europese Territoriale Agenda kiest met het ruimtelijke concept`polycentriciteit' voor een ouderwetse en vooral morfologische invalshoek.Ten onrechte wordt het op alle schaalniveaus van toepassing verklaart. Ook iser weinig aandacht voor grote spelers in de wereldeconomie. Dat zou anderskunnen. Bijvoorbeeld door nadruk te leggen op de grote Europese stedelijkeknooppunten die fungeren in wereldwijde netwerken.Arjen van der BurgMinisterie van Infrastructuur enMilieu, DG Ruimte1Arjen.vanderBurg@minvrom.nl20 2011/02 S+ROThema EuropaPolycentraliteitTop 10 havens in de wereld (cijfers2009). Bron voor beide afbeeldingen opdeze spread: Dynamische Delta 2020-2040, Ministerie IenM en anderen, DenHaag, Maart 2011.ontwikkelingskansen van meer perifereregio's. De druk die grote agglomeratiesvan het reusachtige `Pentagon' op deEuropese omgeving uitoefenen isechter niet zodanig dat er Europeseactie nodig is. Nederland zelf is al nietecht een druk gebruikt land (tweederde is agrarisch gebied, de natuur isgegroeid). En zelfs de Randstad kentnog vele onderdrukgebieden. Ook dezogenaamde Eurodelta van Rijn, Maasen Schelde biedt in de praktijk alleruimte voor natuurontwikkeling,recreatie, waterberging, wijnbouw enveeteelt. Naast de ontwikkeling vangrote stedelijke concentraties als deRandstad, Vlaamse Ruit en Rhein-Ruhr`metropool'. Als we een stap verderkijken dat is het gebied van Noord-Frankrijk en Walloni? eerder leeg tenoemen dan vol.BotsingenDe weerstand tegen het `Pentagon' iseen belangrijk probleem van hetconcept polycentriciteit.3 Maar erger ishet dat de morfologische zienswijzeonvoldoende acht slaat op het onmis-kenbare succes van steden als Parijs enLondon en de betekenis daarvan voorEuropa.4 Dat succes is iets om eerderjaloers op te zijn en te koesteren, danom er bedenkingen bij te hebben. Ophet schaalniveau van steden enstedelijke regio's is de morfologischeblik op ruimtedruk zinvol. Daar zijnconcrete botsingen tussen grondge-bruiksvormen en is de verhoudingbebouwde/onbebouwde ruimte eenbelangrijk thema ? niet in het minst inde beleving van de bevolking. Ook derelatie tussen verschillende kernen iseen belangrijk onderwerp, onder anderevanwege nuttige functieverschillen ende systemische samenhang vanverkeersvoorzieningen binnen eenstedelijke regio.Op de hogere schaalniveaus gaat ditmis. De botsing van ruimtegebruiksvor-men is veel minder algemeen en minderfrequent, en de samenhang vanwoning-, arbeids- en mobiliteitsmark-ten die achter de ontwikkeling van destedelijke regio's zit is veel geringer. Datheeft ons in Nederland parten gespeelddoor de Randstad ten onrechte als`overdrukgebied' te beschouwen, opgrond waarvan de grote steden zijnafgeknepen. Hun ontwikkelingspoten-tieel is onvoldoende benut. Mensen diedromen van de zogenaamde `Eurodelta'maken dezelfde schaalfout.Functioneel kijkenDe laatste twintig jaar is in de planolo-gie het inzicht doorgedrongen dat hetkneden van stedelijke regio's naar eenvoorgebakken model in weinig gevallennog effectief kan zijn.5 Dit komt onderandere door het einde van de sterkestaatssturing in de volkhuisvesting enindustrie, de Europese liberalisering vanmarkten, en de globalisering vanoverige markten, Het inzicht is eerderdat de ruimtelijke ontwikkeling vanstedelijk en agrarisch gebied vooralbepaald wordt door de keuzes vanburgers (demografie, migratie, wel-vaart) en ondernemers. Op het laagsteschaalniveau van wijken en buurtenkunnen overheden nog tamelijk preciessturen aan hoe en wat er wordtgebouwd. Maar hoe hoger het schaal-niveau wordt, hoe meer andereS+RO 2011/02 21Thema EuropaPolycentraliteitkrachten bepalend zijn. Polycentriciteitmoet daarom onderscheiden worden ineen morfologische en een functionelebetekenis.6De functionele wereld levert een beterinzicht in de drivers voor ruimtelijkeontwikkeling dan de morfologische.Daarom heeft het rijk in de Structuur-visie Randstad 2040 (2008) eindelijkduidelijk gekozen de Randstad op tevatten als een functioneel samenstelvan stedelijke regio's, infrastructuur enmeer landelijke gebieden, met grenzendie afhangen van het thema. DeRandstad wordt niet langer als eenruimtelijk ge?ntegreerde `metropool'gezien, maar loopt door tot in Brabanten Gelderland. Het rapport `Vele stedenmaken geen Randstad' van het Ruimte-lijk Planbureau (RPB) legde daar de basisvoor.7 Het gebied vindt zijn groeikrachtdeels in de wereldwijd opererendebedrijven van multinationale onderne-mingen die Amsterdam als ??n van debelangrijkste Europese vestigingsste-den hebben gekozen. Zij zijn degrootste drivers van de wereldecono-mie en moeten dus gekoesterd wor-den.8 Niet alleen omdat de multinatio-nals, die zich in grootstedelijke regio'sconcentreren, andere delen van de(binnenlandse) economie ondersteunenwegens de agglomeratievoordelen. Vanbelang hierbij is dat iedereen aanvaardtdat er verschuivingen in de concentra-tiepatronen van bevolking en bedrijvig-heid zullen optreden, met een zekeretendens tot concentratie in grootste-delijke gebieden.Haven en thuisland (mainport)Kleine zeehavenHaven en achterlandVervoermodaliteiten naarachterlandOverlopend achterlandRuhrgebied/Parijs(?le de France)Corridor tussen Rotterdamen AntwerpenLe HavreRotterdamAntwerpenHamburg22 2011/02 S+ROThema EuropaPolycentraliteitDe functionele zienswijze verandert deblikrichting van het ruimtelijk beleid,waarbij functionele relaties tussenbedrijven leidend zijn. Wat die relatiesprecies inhouden, en waar je ruimtelijkallemaal op moet letten is nog nietwetenschappelijk uitgekristalliseerd.Een veilige aanname is op dit momentwel dat functionele relaties een fysiekekant hebben die zich uit in goederen-stromen, informatiestromen enmensenstromen en hun infrastructu-ren. Die stromen ontmoeten elkaarvervolgens in knooppunten.Europees perspectiefVoor een Europees perspectief op deruimtelijke ontwikkeling moeten weeerst kijken naar de knooppunten innetwerken die op Europese en wereld-schaal betekenis hebben.9 Hun beteke-nis ontlenen zij aan de wereldhandel enhet vestigingspatroon van multinatio-nale ondernemingen. In Europa zijn ergrootstedelijke gebieden met eenmeervoudige functie in de wereld, zoalsLonden en Parijs.10 Daarnaast zijn erstedelijke regio's met een specialisti-sche wereldfunctie, zoals een bepaaldetechnologie (Helsinki) of logistiek(Rotterdam).In de globaliserende economie wordenmarkten groter. Onder invloed van hetEU-beleid worden ook de markten in denabijheid, in Europa, vergroot. MaarEuropa groeit niet meer sterk of gaatzelfs krimpen, en zijn relatieve gewichtin de wereld wordt kleiner. De kansenop het vinden van geavanceerd werk enhet verdienen van hoge inkomens zaldaardoor op den duur kunnen afnemen.We moeten ons dus flink op de grotebuitenwereld richten, en niet alleen opde traditionele `achterlanden' alsEngeland, Duitsland, Belgi? en Frankrijk.Dit hoeft niet alleen te gaan om hetvergroten van goederenstromen. Integendeel, in de toekomst wordt steedsmeer verdiend met regie van informa-tiestromen (en mogelijk met toeristen-stromen). Daarom heeft Europa belangbij knooppunten met een sterke positiein verschillende internationale,wereldwijde netwerken. In de toekom-stige vormgeving van de Trans Euro-pese Netwerken moet Europa dan ookuitgaan van de bediening van deinternationale knooppunten. Niet alleende bestaande, er is ook ruimte voornieuwe, zeker in de grotere nieuwelidstaten als Polen.Vervolgens moeten we morfologischkijken naar de knooppunten zelf, alsgrote stedelijke regio's. Het is goed alsdie regio's niet alleen op ??n terreinsterk internationaal verbonden zijn,maar op meerdere. Dan ontstaat eenvervlochten en gediversifieerdeeconomie, met een flink voorzieningen-aanbod, zoals `advanced producerservices' en bevolkingsvoorzieningenals cultuur en gezondheidszorg. Eenzekere schaalgrootte is daarbij eenvoordeel. Aangezien de Nederlandseregio's klein zijn, is verdere groei vanbijvoorbeeld de metropoolregioAmsterdam van belang. In het Europesesectorbeleid moet systematischrekening worden gehouden met degroeikracht en de agglomeratievoordelen en nadelen van de `wereld-steden' in Europa. Dat is vruchtbaarderdan allerhande kleinere en groterestedelijke kernen gelijkwaardigeaandacht te geven.Noten1 Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel. Met dank aan Hans ten Velden, PeterPetrus, Gijsbert Borgman (Ministerie I&M), Evert Meijers (TU Delft) en Frank van Oort(UU).2 Het recente boek van Andreas Faludi, Cohesion, coherence, co?peration: European SpatialPlanning coming of Age?, Routledge, Londen, 2010 biedt een fraai geschreven historischoverzicht en een speculatieve beschouwing over de toekomst.3 Er zijn meer problemen. De ecologische, sociale en economisch voordelen die aan eenpolycentrische ontwikkeling zouden zijn verbonden zijn of niet bewezen of onwaar. Zieonder andere Vandermotten, C. e.a., `European Planning and the polycentric consensus:Wishful thinking?', in: Regional Studies, 2008; En: Meijers, E. en Sandberg, K., `Reducingregional disparities by means of polycentric development: panacea or placebo?', in:Scienze regionali, volume 7, nummer 2, 2008 pp.71-96.4 Het EROP heeft en passant wel oog voor `dynamische economische integratiezones' maarze krijgen verder weinig aandacht.5 Mede onder invloed van de herleefde ruimtelijke economie van Porter. Zie: Asbeek Brusse,W. e.a., Stad en land in een nieuwe geografie, WRR V122, Sdu, Den Haag, 2002.6 Hall, P. en Pain, K., Polynet, 2006; Knapp, W. en Schmitt, P., `Discourse on "metropolitandriving forces" and "uneven development": Germany and the RhineRuhr Conurbation', in:Regional Studies, 2008; Vandermotten, C. e.a., `European Planning and the polycentricconsensus: Wishful thinking?', in: Regional Studies, 2008.7 RPB, Vele steden maken geen Randstad, NAi, Rotterdam, 2006.8 Zie: CPB en Atlas voor Gemeenten, Stad en land, CPB, Den Haag, 20109 Vergelijk: Zonneveld, W., `Ruimtelijke ordening in de Eurodelta', in: S+RO (Stedenbouwen Ruimtelijke Ordening), jaargang 91, nummer 6, 2010, pp. 14-19. Hij zet heel goed neerwat de vier belangrijkste Europese netwerken zijn waarbinnen Nederland positie moetkiezen. Ook: Neal, Z.P., `From central places to network bases: A transition in the U.S.urban hierarchy, 1900-2000', in: City & Community, volume 1, 2010, pp. 1-27.10 Zie onder andere: Taylor, P.J. en Derudder, B., `Porous Europe: European cities in globalurban arenas', in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, volume 95,nummer 5, 2004, pp. 527-538; En: Bundesinstitut f?r Bau-, Stadt- und Raumforschung,Metropolr?ume in Europa, 2010.Figure 25S+RO 2011/02 23Thema EuropaPolycentriciteitCHAPTER 4Netscape, steden en hun mondiale`corporate' netwerken. Bron: Wall, R.,Netscape, Cities and Global CorporateNetworks, proefschrift ErasmusUniversiteit Rotterdam, 2009.24 2011/02 S+ROThema EuropaMaking CityJoachim DeclerckArchitecture Workroomjdeclerck@architectureworkroom.euHenk OvinkMinisterie Infrastructuur en MilieuHenk.Ovink@minvrom.nlSteden zijn het gezicht van debeschaving. De verstedelijkingsgolfvan de laatste decennia heeft geleidtot een explosieve groei vanstedelijke gebieden en een boostvoor de wereldeconomie. Europaneemt in dit nieuwe krachtenveldgeen positie in, en lijkt een inzichzelf gekeerde geopolitiekeentiteit. Door meer oog te hebbenvoor de kracht en dynamiek vanstedelijke regio's kan de EuropeseUnie dit tij keren. Dat is een heelconcrete en urgente opdracht voorde Europa 2020-strategie.De huidige financi?le- en kredietcri-sis maken (pijnlijk) duidelijk dat de`Europese economie' bestaat uit eenveelheid van economie?n. Deze zijnniet op te delen volgens de grenzenvan de lidstaten, maar organiserenzich volgens de territoriale princi-pes, potenties (zeehavens) of typen(medische sector) op verschillendelocaties binnen Europa. Ze zijnonderdeel van een globaal en onder-ling afhankelijk economischsysteem waarbinnen de EuropeseUnie ? en niet de individuelelidstaten ? zich vanuit ??n economi-sche toekomstvisie moet positione-ren. De concretisering en imple-mentatie van de Europa2020-strategie1biedt dan ook eenunieke kans om Europa in teschrijven in deze veranderendeeconomische wereldgeografie.Sterker nog, alleen als de EuropeseUnie met deze strategie EuropaEuropa2020 enMakingCityafstemt op en deel maakt van defundamentele omwentelingen en deeconomische dynamiek ? diemomenteel vooral buiten en rondEuropa en de westerse wereldbestaat ? kan het opnieuw eenactieve deelnemer op het wereldto-neel worden.Steden zijn de oplossingHet verstedelijkingsproces van delaatste decennia gaat gepaard meteen explosieve economische groei.Een metropoolregio als S?o Pauloproduceert met ongeveer 20miljoen inwoners (10 procent vande Brazilianen), op 0,1 procent vanhet Braziliaanse territorium,ongeveer 34 procent van hetBraziliaanse Gross DomesticProduct (GDP). Op wereldschaaltekent zich eenzelfde figuur af: in2050 zal naar schatting 75 procentvan de bevolking in stedelijkeregio's wonen (3 procent van hetaardoppervlak), en verantwoorde-lijk zijn voor 90 procent van deeconomische productie. Studiestonen bovendien aan dat steden ookde oplossing zijn voor demografi-sche en ecologische problemen: nade migratie van een rurale naar eenstedelijke leefomgeving daalt hetaantal kinderen per gezin, en wordtde ecologische voetafdruk kleiner.Op verschillende plekken ter wereldbeschouwen internationale,nationale en stedelijke beleidsma-kers deze grootste migratiebewe-ging aller tijden daarom niet langerals een fenomeen dat ingeperkt enafgeremd dient te worden. Demassale groei van steden is voorhen een brug naar de toekomst,naar modernisering, ontwikkelingen emancipatie.Mensen en bedrijvigheid komennamelijk versterkt samen instedelijke gebieden. Dat de stadopen staat voor deze migratie is eenessenti?le randvoorwaarde voorhaar functioneren als een machinedie (economische) ontwikkeling envooruitgang niet alleen mogelijkmaakt maar zelfs katalyseert. Dezekwaliteit van steden is niet zozeereen letterlijk gevolg van de explo-sieve, kwantitatieve groei. Deessentie is het samenkomen vanallerlei verschillen (qua inkomen,afkomst, kennisniveau, enzovoort),en de kracht die deze in eenstedelijke omgeving vanuit hunconfrontatie ontwikkelen. In stedenleidt deze confrontatie tot innova-tie, ontwikkeling en democratie.Want ook dat laatste ? vrijheid,emancipatie, positie ? komt totwasdom in deze stedelijke wereld.De succesvolste steden van van-daag zijn steden als London,Bangalore, Singapore en New York.Deze steden trekken zowel demultinationals, de `expats' ofkennismigranten, en de `immigran-ten' aan. De productieve confronta-tie, concurrentie en synergie tussendeze verschillende gradaties vanopleidingsniveau in een stedelijkmilieu, is cruciaal voor het stede-lijke economische model. Het is eenontwikkelingsmachine die vertrektvanuit vernieuwing, risico's enonzekerheid; een verdienmodelgebaseerd op de ontwikkelingenvan overmorgen met de krachtenvan vandaag en gisteren. Deinnovatie stuurt vanuit deze stedende omwentelingen en transforma-ties van de globale economie.Nieuwe werkelijkheidEuropa lijkt geen aansluiting tezoeken bij deze globale, stedelijkeeconomie. De handelsgrenzen vande Europese Unie zitten inmiddelszowat op slot. Onze investeringsbe-reidheid in innovatie en R&D daaltzowel percentueel als totaal, terwijlwe voor ons energieverbruikmaximaal afhankelijk zijn vananderen. Vanwege een fundamen-tele angst voor het onbekende(migratiedynamiek), voor verande-S+RO 2011/02 25Thema EuropaMaking Cityring en vooral voor de onafwend-bare herverdeling van welvaart engeopolitieke macht, kiezen we zowelop Europees als nationaal niveauvaak voor de comfortabele, protec-tionistische en defensieve politiek.Zo is het risico is groot dat we vanEuropa een blinde vlek in detoekomstige economische wereld-geografie maken. Een geopolitiekeunie die zich afsluit voor de nieuwewereld en werkelijkheid.Aan de poorten van Europa vindenwe die nieuwe werkelijkheid:Istanbul is zo'n explosief groeiendemetropool van morgen. Als deEuropese Unie geen league vanlanden maar van steden wasgeweest, dan was Istanbul haarleading city. De exponenti?le groeien dynamiek van de grootsteEuropese stad maakt Istanbul tot??n van Europa's belangrijksteontwikkelingspolen. Maar wemaken een andere afweging. Wedeinzen terug voor de complexiteitvan het geloof, voor de onmogelijkeproblematiek van het Midden-Oos-ten, en voor de migratiestromen dierichting Europa zouden ontstaan.Verward kiezen we geen stelling enworden we geen partner van detoenemende dynamiek rond deMiddellandse Zee. Vanuit eendefensieve houding kunnen wemakkelijk de ban uitspreken overwat niet deugt. Het is vaak moeilij-ker om de kracht te herkennen ente benutten voor een toekomstige,gezamenlijke ontwikkeling.KrachtDe kracht van steden vinden weniet alleen in explosief groeiende`megalopolen' buiten Europa, vervan ons bed. We moeten die krachten dynamiek ook absoluut binnenEuropa durven te herkennen enerkennen. Stedelijke regio's enmetropolitane gebieden binnen delidstaten, maar ook transnationaleregio's, produceren een steedsbelangrijker aandeel van hetnationale en het Europese GDP. DeAntwerpse haven is een belangrijkeeconomische pool voor Belgi?, en deRotterdamse haven is samen metde Amsterdamse haven, eeneconomische `mainport' in Neder-land. Maar als we die havens als??n beschouwen, dan heeft Europadaarmee de belangrijkste havenvan de wereld, gelegen in eenverstedelijkt gebied rond deRijn-Schelde Delta dat op wereld-schaal op de vierde plaats in deeconomische ranking staat.De Europese cijfers en dynamieksluiten met andere woordenvolledig aan bij de tendens opwereldschaal. Het adagium `it's theeconomy, stupid' behoudt zijnwaarde, maar moet worden aange-past aan de nieuwe realiteit: `it'sthe urban economy, stupid'. Defeiten op wereldschaal demonstre-ren dat er een sterke correlatie istussen verstedelijking en economie,Europa moet daarom een toekomst-visie ontwikkelen die vertrektvanuit de kracht van
Reacties