CijferstadVinex ? la carte >Prestatiegerichte, duurzame stedenbouw >Vertical village >Cijferstad, maar wat? >Vacant NL voor topsectoren >Niet overal Nederland >Nieuwe kijk op ruimte >Verdwenen basisprincipes van de nationale ruimtelijke ordening >Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening | 04 2012Uitgave vanS+RO ONAFHANKELIJK ENGEVARIEERD VAKTIJDSCHRIFTS+RO is een onafhankelijk en gevarieerdvaktijdschrift over stedenbouw en ruimtelijkeordening.Laat u inspireren en informeren over hetvakgebied? Lees S+RO. Een jaarabonnementop S+RO kost 91,80 (excl. 6% btw). S+ROverschijnt 6x per jaar.Ga naar www.s-ro.nl voor informatie over hettijdschrift, of www.nirov.nl/abonnementsroom direct een abonnement af te sluiten.h?t overzicht van opleidingsaanbod binnende vakgebieden ruimtelijke ordening, bouwenen wonen.De cursuswijzer is onderdeel van de carrierewijzer van het Nirov.Bent u op zoek naar een cursus, training of opleiding binnen hetRO-vakgebied? De cursuswijzer geeft een helder overzicht vanhet opleidingsaanbod uit de vakwereld.www.nirov.nl/cursuswijzerde Nirov-cursuswijzercarrierewijzeralles voor je carriere in ro, bouwen en wonencursuswijzer vacaturewijzerOmslag: Stedelijkheidskaart van Nederland doorCatalogTree (www.catalogtree.net): Data pergemeente. De maat van de stippen is het aantalinwoners pergemeente en de kleurde mate van stedelijkheid. Rood ismeest stedelijk blauw het minst. Zie ook pagina 13 >>INTRO3 HoofdredactioneelJaap Modder4 NabeeldDichtheid Eurodelta6 ColumnNiet overal NederlandMichelle Provoost8 Q+AFantastische toekomstenChristian Salewski,onderzoeker ETH Z?richAnne Luijten10 ColumnVacant NL voortopsectorenErik Rietveld enRonald RietveldTHEMA: Cijferstad12 CijferstadArjan Harbers14 De stad in cijfers, eenkwantitatieve benaderingMeta Berghauser Pont20 Kansen voor kleinschaligebedrijvigheid inAmsterdamBirgit Hausleitner24 Vinex ? la carteFrank Werner28 Gewone woonbuurtWim Lavooij30 La ville capillaireMasterplan BastideNiel BordeauxJeroen Zuidgeest34 Geld en de stadJelte Boeijenga38 Vertical villageUlf Hackauf40 Prestatiegerichte,duurzame stedenbouwNicoTillie44 Cijferstad, maar wat?Arnold ReijndorpHET VELD46 Verdwenen basis-principes van deruimtelijke ordeningWil Zonneveld53 Nieuwe kijk op ruimteMelanie Schultzvan Haegen59 `De stadsregio zegt niet:je moet dit, je moet dat'Jenny Fix, directeurRuimte en Milieu Stads-regio Rotterdam/direc-tieraad ZuidvleugelMark Hendriks60 `We bepalen zelf in welkebuurten maatregelennodig zijn'Martijn Leisink, wethou-der Mobiliteit en Grote-stedenbeleid ArnhemMark Hendriks61 `Recentralisatie is eengrote stap terug'Yves de Boer (VVD)is gedeputeerde inNoord-Brabant. In zijnportefeuille onder meerruimtelijke ordening,volkshuisvesting engebiedsontwikkelingMark HendriksRECENSIES62 Megapolitan AmerciaRies van der Wouden1000 jaar AmsterdamVincent KompierLelystedenJoost BeundermanLevend landschapMarlies BrinkhuijsenNieuwe krachtenveld,nieuwe paradigma'sGert-Joost PeekEen tweede levenMichiel Wentges70 Bovenste plankLianne van DuinenNirov72 Nirov Agenda75 Het NetwerkAdviseurs in ruimtelijkeontwikkeling enomgevingskwaliteitStedenbouw + Ruimtelijke Ordening, 93e jaargang, nummer4, augustus 2012.S+RO is een onafhankelijk tijdschrift vooriedereen die actief is in het veldvan de stedenbouw en ruimtelijke ordening. Het blad verschijnt zes keerperjaar.Redactie: Lianne van Duinen, recensieredacteurlianne.vanduinen@rli.nlArjan Harbers, arjan@topotronic.nl,Jaap Modder, hoofdredacteurmodder@destadsregio.nlMaurits Schaafsma, schaafsma_m@schiphol.nlIris Schutten, info@irisschutten.netDeniseVrolijk, eindredacteurdenise.vrolijk@platform31.nlHelen van Kan-Kokshoorn, redactiesecretariaat helen.vankan@platform31.nlOntwerp en art direction: Kismanstudio, Amsterdam, www.kismanstudio.nlRichtlijnen voor auteurs: Deredactieontvangtgraagkopij,zievoorrichtlijnen: www.s-ro.nlUitgever: Platform31/NirovRedactieadres: Postbus 30833, 2500GV Den Haag,T +31 (0)70 302 84 48, E sro@platform31.nl , www.s-ro.nlAbonnement: Kosten 91,80 perjaar, studenten betalen 45,90 perjaar. Losse nummers zijn viawww.s-ro.nl te bestellen voor 21,90 ( 16,80 Nirov-arrangementshouders).Alle prijzen zijn excl. 6% BTW. Abonnementen kunnen op elk moment schriftelijk of peremail wordenopgezegd, opzegtermijn is twee maanden www.nirov.nl/abonnementsroAbonnementenadministratie: Annemiek Nieuwenhuis,T +31 (0)70 302 84 18,E annemiek.nieuwenhuis@platform31.nlAdvertenties: Nirov, Martin de Heer,T +31 (0)70 302 84 84, E martin.deheer@platform31.nlDrukwerkproductie: Platform P, RotterdamAuteurs- en beeldrechten: Aan deze uitgave is de uiterste zorg besteed; vooronvolledige/onjuisteinformatie aanvaarden auteur(s), redactie en uitgevergeen aansprakelijkheid.Overname van artikelen is toegestaan, mits voorzien van bronvermelding.ISSN-1384-6531Meer informatie en aanmelden:www.nirov.nl/iproNIROV CURSUSINLEIDING PLANOLOGIE ENRUIMTELIJKE ORDENING (IPRO)MET EEN STEVIGE BASIS VOORUITIN HET RO-VAKGEBIED10 dagdelen vanaf 13 sept. t/m 29 nov. 2012symposiummeer fiets, meer ruimte27 september 2012Welke ruimtelijke kansen en perspectieven ontstaan er alswe groter denken over de fiets? Op zoek naar de missing linkstussen fietsbeleid en stedelijk beleid. Met o.a. David Sim (GehlArchitects, Kopenhagen), Frits Lintmeijer (Wethouder Utrecht),Marco te Br?mmelstroet (Universiteit van Amsterdam), Eric vanWinsen (Bouwfonds Zuid-West), Stefan Bendiks (Artgineering),Richard ter Avest en Bas Govers (Goudappel Coffeng) e.a.Programma en aanmelding: www.nirov.nl/fietsDit symposium is een initiatief van het Nirov/Platform31en de Fietsersbond, mede mogelijk gemaakt door:Naar eeN schaalsproNg voorde fiets iN het ruimtelijk beleidFiets FilevrijS+RO 2012/04 3IntroColumnJaap ModderHoofdredacteur S+ROHet Nirov gaat na bijna honderd jaar op in een grotergeheel: Platform31. Dit vaktijdschrift krijgt daarmeeeen nieuwe uitgever. We spreken binnenkort met dekwartiermaker van Platform31. Belangrijkste ge-spreksonderwerp? Dit blad dient op korte termijn teworden voorzien van een website. Daar kunnen we,om te beginnen, onze boekrecensies op gaan plaatsen.Het is u vast wel opgevallen, het aantal boekrecensiesis flink toegenomen. Veel van onze lezers beginnenermee als het blad bij hen op de mat valt.De nieuwe partners in Platform31, Nicis Institute,KEI en SEV, hebben hun core competence vooral in destedelijke omgeving. Dat komt goed uit. S+RO zoulangzamerhand ook kunnen staan voor Stad en Ruim-telijke Ontwikkeling. Misschien nog wel wat ruimer. Deculturele, economische en infrastructurele dimensievan steden krijgt steeds meer aandacht. Inhoud is??n, maar vormgeving is ook essentieel in het visueletijdperk. Mede dankzij de verbeterde vormgeving vandit blad krijgen we veel complimenten, zowel binnenals buiten onze lezerskring. De vraag is of dat genoegis om dit blad heelhuids naar de eerbiedwaardige leef-tijd van honderd te brengen. Wij denken van niet engaan dus niet alleen met onze toekomstige uitgever ingesprek. We organiseren de komende tijd gesprekkenover de vraag onder welke condities een vaktijdschriftde komende eeuw waarde kan toevoegen aan de ont-wikkeling van de planningsdiscipline.Het is nog even dood tij in de ruimtelijke ordening inNederland. De bedrijfstak van architecten, steden-bouwers, ontwikkelaars en aannemers is al half om-gevallen en het einde is nog niet in zicht. Het inmid-dels ook omgevallen hele kabinet wilde de rijkskar vande ruimtelijke ordening verdelen over twaalf provin-cies. Gelukkig vraagt de demissionaire minister zichnu ook af of de opgaven voor de stadstaat Nederlanddaar wel in vaardige handen zijn, getuige haar op-treden bij de wisseling van de wacht van het Collegevan Rijksadviseurs. Beetje laat, dit inzicht. Maar alsstraks het politieke midden weer de macht in dit landkrijgt, kunnen we de `Nieuwe kijk op ruimte' van Me-lanie Schultz gevoeglijk achter ons laten. Net als de130 kilometer op 's heren wegen. We zijn blij met haarbijdrage aan dit nummer, een artikel gebaseerd op eenlezing op 12 maart j.l. Het laat zien dat dit kabinet deweg kwijt was als het gaat om de ruimtelijk economi-sche ontwikkeling van dit land. De helden van Melaniezijn de urbanist Koolhaas en de baggeraar van Oordt.Het zou mooi zijn geweest als de minister haar heldenwat vaker had uitgenodigd om haar te adviseren.Koolhaas en van Oordt werken in gebieden waar deverstedelijking daadkrachtig wordt aangepakt enniet wordt gefragmenteerd en overgelaten aan lagereoverheden die er nog nooit mee te maken hadden. Deminister schrijft in haar artikel dat van haar Neder-land wel volgebouwd mag worden. Maar de verant-woordelijkheid daarvoor wilde ze overboord gooien.Het is niet toevallig dat de redactie het artikel van WilZonneveld naast dat van de minister heeft geplaatst.Zonneveld laat in een scherpe analyse van het rijks-beleid zien dat het de beginselen van concentratievan verstedelijking, sinds 1966 het basisprincipe vande nationale ruimtelijke ordening, en dat van ruimte-lijke differentiatie in de prullenbak zijn gegooid. Watmoeten we nog meer zeggen? Misschien dit: laten wehopen dat dit beleid van korte duur is geweest. Vanuitvoering zal het hoogstwaarschijnlijk nooit komen.S+RO kijkt intussen verder dan een paar fragielekabinetten en populistische erupties. Vandaar Cijfer-stad en de toenemende rol en betekenis van data envan een brede hoeveelheid parameters in de stede-lijke ontwikkelingspraktijk. Redacteur Arjan Harberstekende voor dit thema en verzette er veel werk voorin binnen- en buitenland. Het resultaat is een state ofthe art-overzicht in parametrisch ontwerpen. Mag ik,zonder ook maar ??n andere auteur in dit nummer te-kort te doen, u nog wijzen op de column van MichelleProvoost. Niet vanwege het cultuurpessimisme vande daar besproken auteurs maar vooral vanwege haarimpliciete pleidooi om vooral buiten de landsgrenzente kijken. En de boekbespreking over MegalopolitanAmerica van Ries van de Wouden, onder andere overde tekortkomingen van soft nosed-planning. Lezen! Jaap ModderDichtheid EurodeltaBron: GEOPOLIS, F. Moriconi-Ebrard,1993@GIP R.E.C.L.U.S. Equipe P.A.R.I.S.,C. Rozenblat, 1995. Recent bewerktdoor 51N4E4 2012/04 S+ROIntroNabeeldUitsnede van kaart die de afstanden tussen Europese stedelijke regio's met meer dan100.000 inwoners aangeeft. De blauwe lijnen zijn de verbindingen tussen steden die opminder dan 100 kilometer afstand van elkaar liggen, de rode lijnen geven de afstandentussen het midden van stedelijke regio's weer die tussen de 100 en 150 kilometer vanelkaar verwijderd zijn. Het totaal geeft de dichtheid van de Eurodelta weer.< 100 km100 - 150 kmo 100 500 kmNS+RO 2012/04 5IntroNabeeld6 2012/04 S+ROIntroColumnMichelle ProvoostINTI, International New Town InstituteCrimson Architectural Historiansm.provoost@crimsonweb.orgclaimt men dat het een vrijhaven inSaudi-Arabi? wordt, met meer vrij-heden voor vrouwen bijvoorbeeld.Maar de juichende perspectievenop de website kunnen (nog) niet on-derbouwd worden door de realiteit:die bestaat vooral uit woestijn meteen toegangspoort, waarachtereen enkel kantoor en een eenzaamresort is gebouwd te midden vann?g meer woestijn.Tegen deze achtergrond speelt zichhet treurig stemmende relaas afvan een man in de vijftig, die met demoed der wanhoop de hightechuit-vinding van zijn bedrijf, een holo-gramtechniek die vergaderen opafstand mogelijk maakt, aan KoningAbdullah hoopt te slijten. Hij heefthet niet makkelijk: zijn huwelijk ismislukt, hij heeft geldproblemen,zijn jarenlange ervaring als verko-per van fietsen baat hem niets inzijn huidige positie, de jongere gar-de van het bedrijf respecteert hemniet, hij is ontgoocheld. Onnodigte zeggen dat de deal met KoningAbdullah uiteindelijk ook mislukt;de Chinezen zijn hem te slim af enkrijgen `zijn' opdracht.Zou er een beter decor denkbaarzijn voor dit verhaal dan KAEC? Eenfantoomstad die alleen nog bestaatals maquette en marketingverhaal.De droom dat de stad ooit ietsmoois en groots wordt is verleide-lijk om in te geloven. De hoofdper-soon doet dat, hij heeft iets nodigom in te geloven. Maar zelfs zijntaxichauffeur weet dat er nooit ietsvan terecht zal komen. De inertiavan de stad, de vervreemding vanonbewoonde flats en eindelozeboulevards omzoomd door palm-bomen in een kale woestijn: zoalsToevallig zijn er recent twee ro-mans verschenen die zich allebeiafspelen in een nieuwe stad, dienog maar kort bestaat of zelfsnog niet af is. Dat gebeurt nietvaak, aan nieuwe steden zijn noggeen verhalen en geschiedenissenverbonden, ze hebben nog geen re-putatie. Ze kunnen moeilijk als eencomplex personage ingezet wordenzoals Oscar Wilde dat deed met hetnegentiende-eeuwse Londen ofBrett Easton Ellis met het NewYorkvan de jaren tachtig. Toch is dat nugebeurd met Dubai, de plek waarArnon Grunberg's De man zonderziekte zich (onder andere) afspeelt,en met King Abdullah EconomicCity in Saudi Arabi?, die het decorvormt waarin Dave Eggers Eenhologram voor de koning situeert.Ze gebruiken beide deze NewTowns als symbool van iets ? maarvan wat? Als een symbool van debetrekkelijkheid, of zelfs het eindevan de westerse (en dus ook Neder-landse) manier van denken, dingendoen en dingen regelen?KAEC (uitgesproken als cake) is ??nvan de vier `economic cities' vanKoning Abdullah, bedoeld om deSaudische economie diverser temaken en minder afhankelijk vanolie. De steden moeten door hetaantrekken van buitenlandse in-vesteringen en bedrijven bijdragenaan de ontwikkeling van het legebinnenland. Als je de websites ge-looft zal de stad binnenkort tweemiljoen mensen huisvesten, eengigantisch Central Business Districthebben met hoge wolkenkrabbersaan een baai met jachthavens,villa's in resorts aan de zee of aaneen golfbaan en ? verspreid over destad ? vijfhonderd moskee?n. OokNiet overal Nederlandde stad ligt te wachten op buiten-landse investeerders, zo wacht dehoofdpersoon op de koning, lamlen-dig, afhankelijk en steeds aan hetlijntje gehouden.Wat de situatie verder compliceertzijn de culturele verschillen met hetwesten. Alle communicatie is onbe-grijpelijk; er wordt van alles gezegden gedaan, maar wat het preciesbetekent blijft in het ongewisse.Toch blijft de hoofdpersoon hopenen wachten, grotendeels vanuitopportunisme; (onterecht) ver-trouwend op zijn reputatie en eenrotsvast vertrouwen in de superio-riteit van zijn product, maar vooralvan zijn cultuur.Dat opportunisme van de wester-ling die een stukje van het oliegeldwil meepikken speelt ook in deroman van Grunberg een rol metnoodlottige gevolgen. De cultureletegenstellingen tussen West-Euro-pa en het Midden-Oosten wordenuitgespeeld tegen de achtergrondvan Z?rich aan de ene kant en(Bagdad en) Dubai aan de anderekant. De hoofdpersoon, een evenna?eve als hardleerse architect, wilde wereld verbeteren door goedearchitectuur en vertrekt vol hoog-gestemde ambities naar Bagdadom een operagebouw te realiseren(zoals Frank Lloyd Wright in 1957tevergeefs probeerde). Wanneerhij die poging maar ternauwernoodoverleeft, krijgt hij de opdracht omeen bibliotheek in Dubai te bouwen,met een ondergrondse bunker. Deopera en het boek fungeren bijGrunberg als de twee symbolen vande civil society. De architect raaktechter vermalen door Kafka?skemachtstructuren en complot-S+RO 2012/04 7IntroColumnten waar hij niets van begrijpt. Hijbegrijpt ook niet veel van de stad,die hij ervaart als niet meer dan een`gigantische tolweg, met daarnaastoases van luxe, hotels, shoppingmalls, meer hotels, luxeapparte-menten.' Zelfs wanneer hij als spionopgesloten, gemarteld en veroor-deeld wordt blijft de nogal autisti-sche architect als een mantra her-halen dat hij een Zwitser is en eenarchitect, maar niemand in Dubaiheeft daaraan een boodschap.In beide romans hebben de nieuwesteden een vergelijkbare symboli-sche betekenis, die van een heden-daags cultuurpessimisme getuigt.In beide gevallen wordt er op hard-handige wijze een einde gemaaktaan gevoelens van westerse hege-monie, bij Eggers doordat de Ame-rikaanse hoofdpersoon hopeloosachterop is geraakt en zijn positieaan `de Chinezen' kwijtraakt en bijGrunberg door een na?ef geloof inmoreel overwicht dat de architectzelfs het leven kost. Grunberg laateen Amerikaanse projectmanagerzeggen: `De Europeanen zijn weekgeworden door hun dogmatischepacifisme, zij zijn niet meer bereidergens voor te vechten, verslaafdaan luxe zijn ze. Zij zijn de dino-saurussen van de menselijke soort,bezig te verdwijnen, gedoemd zich-zelf op te heffen. Andere, sterkerevolkeren zullen het overnemen.' Dearchitect leeft in de veronderstel-ling dat het overal Zwitserland is envoelt niet aan hoe in Dubai anderewetten gelden. De moraal van hetverhaal voor Nederlandse archi-tecten werkend in het buitenlandis duidelijk: het is ook niet overalNederland op de wereld. King Abdullah Economic CityFoto: Salah Malkawi/The NewYorkTimes/HH8 2012/04 S+ROIntroQ+AAnne LuijtenStudio-ROanne.luijten@studio-ro.nlChristian SalweskiFoto: Christian SalewskiNu de onzekerhedentoenemen is het scenarioin de ruimtelijke planningineens terug van weggeweest. Maar hoeeffectief is het scenarioals instrument eigenlijk?Architect en onderzoekerChristian Salewskianalyseerde dertig jaarscenarioplanning inNederland.Fantastische toekomstenChristian Salewski, onderzoeker ETH Z?richS+RO 2012/04 9IntroQ+AMet de crisis is het scenario weer populair,maar hoe kwam het scenario oorspronke-lijk terecht in de planning en het ontwerp?`Het scenario is een echt crisisproduct. Hetduikt op in een andere grote crisis in deplanningswereld, die van eind jaren zestig.Na het hoogtepunt van blauwdrukplan-ning in de zestiger jaren moest het CBS deverwachte cijfers voor de bevolkingsgroeidrastisch bijstellen. Dat alleen bracht alzoveel onzekerheid dat de geoliede plan-ningsmachine begon te haperen. Daar-naast speelde door de ontzuiling de kwes-tie van legitimiteit. De maatschappij werdpluralistischer en was minder gemakkelijkte sturen dan vlak na de oorlog. De eendi-mensionale benadering voldeed niet meerin een complexe wereld waarin alles metalles samenhangt. Het scenario beloofdeeen oplossing te zijn voor de onzekerheiden complexiteit.'En met het scenario als methode zou detoekomst w?l voorspelbaar zijn?`Stiekem was dat wel de hoop. E?n van deeersten die de scenariomethode invoerdenwas de Rijksplanologische Dienst (RPD). Zijbegrepen dat je een instrument nodig haddat in staat was om te gaan met dynamieken een grote tijdshorizon. Maar de RPDbesefte al snel dat te veel data ontbrakenen dat de methode oncontroleerbaar was.Planners gebruikten het feitelijk vooralals schrikbeeld: om te laten zien wat erallemaal zou gebeuren als ze n?et zoudenmogen plannen.'Toch was dat niet gelijk het einde vande scenariomethode.`In de jaren tachtig, in die andere grotecrisis, gaat het scenariodenken een tweedefase in. Visie en sociaal-maatschappelijkewaarden komen nu centraal te staan. Nietde technocratische planners, maar deontwerpers omarmen in deze fase het sce-nario. Planning moet onderdeel worden vaneen maatschappelijke beweging. Het doel isnu kennis vergaren en visievorming.'U beschrijft in uw boek de eerste grotecasussen, die van de Markerwaard en Al-mere, waar Dirk Frieling in beide gevallenbij betrokken is.`Frieling is een centrale persoon in de ont-wikkeling van de scenarioplanning. VoorAlmere werden geen grootse toekomst-visies neergelegd, maar werden verschil-lende alternatieven beschreven. Dit zalgebeuren als we kiezen voor het spoor endit als we kiezen voor de auto. Die optieswerden vergeleken, er werden keuzesgemaakt en zo kwam het planningsprocesweer een stapje verder. Vrij technocra-tisch, zonder bewoners of politici. Toen zedat voor de Markerwaard ook wilden doenkregen ze enorm veel oppositie over zichheen. De tegenstanders zagen geen alter-natieven geformuleerd voor als er n?et zouworden ingepolderd en tekenden daaromzelf een scenario uit. Dat was ongekendin de planningswereld. Vanaf toen is hetscenario veel meer ingestoken als com-municatie- of zelfs propagandamiddel omde publieke opinie te be?nvloeden.'H?t icoon van de scenarioplanning is na-tuurlijk Nederland 2050 van deStichting Nederland Nu Als Ontwerpin de jaren tachtig.`Na de eerdere ervaringen gingen Frielingcum sui het scenario inzetten als com-municatief middel, waarmee je kleurrijketoekomstbeelden kunt schetsen. Het sce-nario zegt niet meer "dit is de toekomst diewij willen," maar inspireert als gedachte-experiment tot nieuwe mogelijkheden.De verbeelding moet een nieuwe maniervan denken mogelijk maken. Dit komt hetdichtste bij wat een scenario op haar bestkan betekenen in de planning.'Maar als de vier scenario's uiteindelijk inhet beleidsproces terechtkomen wordtdat de zwanenzang voor de scenariome-thode. Wat ging er mis?`De scenario's van Nederland 2050 warenbedoeld als vorm van hypothetischdenken, als mogelijke toekomst. Wat ermis ging is dat minister Margreet de Boer??n van de vier scenario's uitkoos voorde Vijfde Nota. "Dat gaan we doen." Ditincident leidde tot ??n van de belangrijk-ste conclusies uit mijn onderzoek: binnende planning en binnen een team kan hetscenario goed werken om visies te for-muleren. Het probleem ontstaat als je dievervolgens naar buiten brengt. Buiten-staanders zijn eigenlijk niet in staat om descenario's als gedachte-experiment op tevatten, ze lezen het ?f als voorspelling ?fals visie. En de politiek moet uiteindelijkook keuzes maken. Het scenario is in mijnoptiek het meest geschikt als instrumentbinnen de vakgemeenschap. Als commu-nicatiemiddel naar buiten faalt het bijnaaltijd. De Nieuwe Kaart van Nederland wasvervolgens de nekslag voor het vrolijkescenariodenken van de jaren negentig.Want ineens zag men in ??n oogopslag dathet weliswaar heel leuk is al die scenario'sen plannen te maken, maar dat die teza-men alle samenhang ontberen. Dat washet voorlopige einde van het scenario envan de optimistische Superdutch-periode.'Maar gloort er in uw ogen met de huidigecrisis toch weer hoop voor het scenario?`Het scenario is zeker een interessantinstrument, dat het mogelijk maakt omin nog niet bedachte, soms fantastischewerelden te belanden. Ik denk dat hetwerken met toekomstbeelden een belang-rijke functie heeft in een situatie van veelonzekerheden. Maar veel opgaven vannu kun je ook prima simpelweg vanuit deervaring tegemoet treden. In de meestegevallen heb je dus geen scenario's nodig.Scenario's zijn ontstaan in een tijd toen alleervaring ineens niet meer relevant was. Zekunnen helpen om in nieuwe situaties ant-woorden te zoeken, maar je moet de vraagniet te groot maken. Niet heel Nederland in2050, maar je kunt prima uit de voeten metscenario's van Almere met of zonder eenIJmeerverbinding.'Heeft het feit dat de scenariomethode inNederland zo'n bloei heeft gekend te ma-ken met het typisch Nederlandse geloofin maakbaarheid?`In het begin van mijn onderzoek wilde ikhelemaal niet over Nederland schrijven.Het scenariogebruik in de planning kwamuit de USA en Frankrijk, maar in Nederlandis het het sterkst en het vroegst toegepastin de ruimtelijke ordening. In dertig jaarscenarioplanning komt alles voorbij: van depolders tot het bedwingen van de maat-schappelijke opinie. En nog steeds zie je bijveel professionals dat het geloof in maak-baarheid nog niet echt is verdwenen.' 10 2012/04 S+ROIntroColumnVacant NLvoortopsectorenAls curator van de Nederlandse inzen-ding voor de Bi?nnale van Veneti? in2010 wilden wij met onze inzending`Vacant NL, where architecture meetsideas' de leegstandsproblematiek inNederland vanuit een nieuw perspec-tief benaderen. De fascinatie metinspirerende leegstaande gebouwenwas reeds aanwezig: al meer dan twin-tig jaar gaan we uit in dit soort oudepanden. In Berlijn bijvoorbeeld, maarRonald RietveldRietveld Landscapeinfo@rietveldlandscape.nlNederlands paviljoen van RietveldLandscape op Bi?nnale Veneti?, 2010.`Vacant NL: where architceturemeets ideas.' Foto: Heimo Aga/HHErik RietveldRietveld Landscapeinfo@rietveldlandscape.nlS+RO 2012/04 11IntroColumnvoorheen ook in NewYork of destijdsin de leegstaande pakhuizen langs deOostelijke Handelskade in Amsterdam.We wilden niet slechts het probleemaankaarten, maar vooral de enormepotentie van de gebouwen uit dezeventiende, achttiende, negentiende,twintigste en eenentwintigste eeuwlaten zien in een tijd van economischecrisis. De nadruk leggen op het vele,vaak centraal gelegen, leegstaandoverheidserfgoed, in plaats van opgrote kantoren in perifere gebieden. Ditgegeven koppelden wij aan de ambitievan de Nederlandse overheid om uiter-lijk in 2020 tot de top vijf van kennis-economie?n van de wereld te behoren.Er wordt namelijk van alles gezegd rondde nationale agenda om kennis centraalte stellen, maar het is heel stil wanneerhet gaat over de ruimtelijke conditiesdie deze kennisontwikkelingen kanfaciliteren. Als de overheid de eigeninnovatieagenda serieus neemt, zou zeer verstandig aan doen om de vele leeg-staande inspirerende gebouwen tijdelijkte ontsluiten voor innovatie.Wanneer jong talent en andere initia-tiefnemers uit de topsectoren (tijdelijk)deze vliegvelden, vuurtorens, scholen,kerken, paleizen, watertorens, zie-kenhuizen en forten massaal kunnengebruiken, kan er een enorm econo-misch en maatschappelijk potentieelgerealiseerd worden. Hoewel deze visiewereldwijd enorm veel media-aandachtkreeg, van het NRC tot The NewYorkTimes, en er een belangrijke discussieop gang kwam, is er in twee jaar vanuitde overheid nog maar weinig tot standgekomen. Wat nog steeds blijkt is datde stad (maar ook een ministerie alsDefensie) tekort schiet in het realise-ren van tijdelijk gebruik van leegstandvoor innovatie, en dat de communicatiemet overheidorganen die w?l wat voorelkaar zouden kunnen krijgen, zoalsde ministeries van Algemene Zaken enEL&I, zeer gebrekkig is.Toch is er, gelukkig, op kleinere schaalwel wat op gang gekomen naaraanleiding van onze installatie: eenmasteropleiding aan het SandbergInstituut, geleid door ontwerpers vande tentoonstelling. Deze richt zich vol-ledig op het opleiden van specialistenin tijdelijk hergebruik voor innovatie:Master Vacant NL. Hier wordt ook gelijkeen andere belangrijke uitgangspuntvan ons bureau verwezenlijkt, namelijkhet belang van een interdisciplinaireaanpak van problemen: de ontwerpershebben breed vari?rende achtergron-den (architectuur, industrieel ontwerp,interaction design, politicologie, enandere disciplines).Belangrijk was om onderzoek te doennaar mogelijke doelgroepen. E?n van detopsectoren waarnaar is gekeken is decreatieve industrie. Veel mensen den-ken hierbij aan laptoppende dertigersdie de hele dag in de Coffee Companyleuk bezig zijn. De kunst is om brederte kijken: onder deze noemer vallenbijvoorbeeld ook een ambachtsmanzoals een maquette- of decorbouwer,een muziekcomponist of een internetstart-up. Dit resulteerde in een samen-werking met Mike Lee, een voormaligApple-werknemer die daar als ??n vande eersten apps ontwierp. Hij hooptmet zijn project `Appsterdam' van Am-sterdam h?t centrum voor internatio-nale applicatieontwikkeling te maken.Samen met hem ontstond het geza-menlijke project `Vacant Appsterdam',met als doel het scheppen van dermateaantrekkelijke ruimtelijke conditiesdat duizend tot tweeduizend jongeapp-makers vanuit heel Europa en deVerenigde Staten naar Amsterdam ko-men. Is het mogelijk om op termijn hetzwaartepunt van deze app-bedrijfstakvan Silicon Valley naar Amsterdam teverschuiven?Belangrijk was om in Amsterdamprecies die uitmuntende ruimtelijkecondities, waar de overheid zo weinigaandacht aan besteedt, te cre?ren dieaansluiten op de specifieke behoeftenvan app-makers. Wat goed uitkomt, en??n van de argumenten voor het tijde-lijke gebruik van overheidsgebouwenvoor topsectoren in het algemeen, is deunieke eigenschap van dit soort leeg-staande panden dat ze vrijwel altijd opcentrale toplocaties staan, in de buurtvan belangrijke kennisinstituten alsde Universiteit van Amsterdam. In hetonderzoek bleek dat de ontwikkelaars,in tegenstelling tot wat men misschiengeneigd zou zijn te denken, veel behoef-de hebben aan face to face-contact.Bovendien hebben ze vaak geen vastwerkschema en prefereren velen om ineen donkere ruimte te werken.Een voorbeeld van het inspelen opdeze behoeften is een verduisterendelichtkoepel, die zorgt dat er niet te veellicht is bij de werkplekken. Deze koepelwerd gemaakt van karton, en was dusniet te duur, makkelijk verplaatsbaaren visueel zeer aantrekkelijk. Ook werdhet sleeping under the desk-prototypeontwikkeld: woon/werkplekken die ineen handomdraai van de ene naar deandere functie kunnen switchen, en opdie manier inspelen op de levensstijlvan de app-makers en de grenzen vanhet bestemmingsplan opzoeken. Hetontwerp is gemaakt om snel te kunnendoorverhuizen en zo te hoppen vangebouw naar gebouw in de Nederlandseleegstandszee. Met behulp van ditsoort vindingen is dit voorjaar op hetterrein van de Amsterdamse Wester-gasfabriek een nieuw tijdelijk hoofd-kantoor van `Appsterdam' opgeleverdvoor de 1300 programmeurs.We hopen dat dit soort projecten deoverheid duidelijk maakt hoe groot heteconomische potentieel van haar leeg-staande gebouwen is. Terwijl Europavergrijst, toont `Vacant Appsterdam'aan dat er allerlei mogelijkheden zijnom middels tijdelijk gebruik van leeg-staand Nederland zeer aantrekkelijk temaken voor jong, internationaal talentbinnen de topsectoren. Wij vragengeen geld, we vragen alleen de sleutelsgedurende de jarenlange vergadertijddie vaak aan dit soort herbestemmingvooraf gaat. 12 2012/04 S+ROThema CijferstadIntroductieArjan HarbersRedacteur S+RODit themanummer van S+RO gaat overstedenbouw in cijfers: over stedenbouw-kundig onderzoek op basis van statistie-ken en over parametrisch stedenbouw-kundig ontwerpen. Het gaat dus nietover de menselijke maat, niet over despontane stad, niet over licht, lucht enruimte en niet over de stad als creatievebroedplaats, maar of en hoe deze ambi-ties te berekenen zijn.We zien dat cijfers een steeds grotere rolspelen in de stedenbouw. Zo werd de lijstvan veertig Krachtwijken een paar jaargeleden opgesteld op basis van statis-tische criteria. De Leefbarometer kenteen vergelijkbare numerieke benaderingen met de geleidelijke totstandkomingvan de Basisregistraties Adressen enGebouwen (BAG) wordt een landsdek-kend gebouwenbestand opgeleverd. Metinformatie over functie, ligging, foot-print, bruto vloeroppervlak en bouwjaarvan elk gebouw in Nederland. Hiermeekan het morfologisch stedenbouwkundigonderzoek een enorme impuls krijgen.Tegelijkertijd werkt het Nederlands Nor-malisatie Instituut (NEN) aan een voor-stel om de oppervlakte- en dichtheids-bepaling in de stedenbouw te normeren,om zo toekomstige verwarring overbijvoorbeeld netto en bruto afmetingenin de stedenbouw te voorkomen.Steeds vaker worden `softe' kwaliteitenafgeleid van harde parameters en steedsbeter kunnen ontwerpen niet alleengetekend of nagerekend worden met decomputer, maar ook daadwerkelijk ont-worpen. In dit nummer komen we meteen stand van zaken voor parametrischonderzoek en ontwerp. Meta BerghauserPont schrijft over de geschiedenis van decijferstad en over recente bijbehorendeonderzoekstoepassingen. Birgit Haus-leitner laat zien hoe economische eisenen onderzoek naar stedenbouwkundigweefsel elkaar raken in Amsterdam.Een numerieke benadering wordt even-eens ingezet om plannen te toetsen aanbepaalde doelen. Nico Tillie schrijft overde stedelijke beoordelingssystemen voorduurzaamheid, zoals LEED and BREEAM,?n wijst op de bijwerkingen. Want,statistieken zijn niet alles. Wel voor hetonderzoek van Jelte Boeijenga waarvoorhij onder meer in de statistieken van hetCBS dook om de samenstelling van degemeentelijke begrotingen uit te pluizen.Hij toont aan dat de huidige financie-ringsproblemen van veel gemeenten opbasis van deze data voorzien haddenkunnen worden.Software kan ook ingezet worden om teontwerpen. Vandaag de dag kan iederestedenbouwkundige met software alsCity Engine en Grasshopper zelf aande slag met een stedenbouwkundigparametrisch ontwerp. Parameters alsbelichting, straatbreedte, woningtypen,enzovoort kunnen zelf ingesteld wordenen het ontwerp volgt dan als vanzelf.Volgens insiders zijn er geen beperkin-gen; alles is immers te parametriseren.Excell-sheet invoeren en klaar is Kees?Zo'n vijf jaar geleden werd in de luwtevan het Arnhemse Schuytgraaf heteerste door een computerprogrammagegenereerde stedenbouwkundig planopgeleverd ? voor de buurt Bloesem-gaerd. Hoewel het initiatief vijf jaardaarvoor met veel tamtam werd aan-gekondigd, voltrok de oplevering zichin een oorverdovende stilte. Heeft hetresultaat zich naadloos gevoegd in deVinex of schuilen er onverwachte kwa-liteiten in het computergegenereerdeontwerp? Frank Werner beschrijft themaking of Bloesemgaerd met behulp vande onbezielde computer en Wim Lavooijdoet ter plekke verslag van het gestolderesultaat, mede op basis van de eersteschetsen van de computer.Met hun datascapes hebben MVRDV enThe Why Factory de afgelopen jaren eenreputatie opgebouwd in het parame-trisch ontwerpen. Jeroen Zuidgeestlaat zien hoe er bij de herstructureringvan de Bastide Niel in Bordeaux gebruikwordt gemaakt van gescripte bouwen-veloppen. Dit plan zal de komende jarenverwezenlijkt worden. The Village Makervan The Why Factory bevindt zich daar-entegen nog in een theoretisch stadium.Het probeert met behulp van de keuzesvan individuen een stapeling van wo-ningtypes te bewerkstelligen, waarmeeeen dorpse, organische sfeer tot standkan komen in plaats van monotone se-riebouw. Ulf Hackauf doet verslag.De redactie vroeg ten slotte ArnoldReijndorp om een beschouwing over denumerieke benadering. Hij plaatst na-tuurlijk de nodige kanttekeningen maarpleit er ook voor dat de link tussen cijfersen sociaalwetenschappelijk onderzoek inde toekomst wordt gemaakt.We kenden de numerieke benadering vanoudsher vooral als een methode van demodernistische stedenbouw. Denk aanhet parametriseren van licht, lucht enruimte of aan de Planologische Kengetal-len. Vandaag de dag, echter, zien we datde cijfermatige benadering juist steedsmeer wordt ingezet bij organisch (ogen-de) stedenbouw. De ontwerpprojectenin dit themanummer zijn er voorbeeldenvan. Niet langer hoeven pleitbezorgersvan Jane Jacobs' visie hun beweringenkracht bij te zetten met hun persoonlijkebelevenissen (of van hun kinderen). Doorde toegenomen beschikbaarheid vandata over de stad kunnen ze steeds meerhun empirische gelijk halen.Wordt het vak stedenbouw dan tochwetenschappelijk? En heeft de ontwer-per geen rol meer? Nee, zolang hij deparameters ontwerpen kan, is er noggenoeg eer te behalen. CijferstadS+RO 2012/04 13Thema CijferstadIntroductieMate van stedelijkheid in Nederlandsegemeenten, aangegeven per wijk. Demaat van de stippen geeft het aantalinwoners per gemeente aan. De kleurde mate van stedelijkheid: rood ishoogstedelijk, blauw is het minststedelijk. Op grond van de omgevings-adressendichtheid (OAD) is aan iederebuurt, wijk of gemeente een stedelijk-heidsklasse toegekend. De OAD wordtuitgedrukt in het aantal adressen pervierkante kilometer. Ook wordt vande 75 meest stedelijke gemeenten hetinwoneraantal getoond.Daarmee wordt duidelijk dat `stedelijk-heid' niet alleen afhankelijk is vaninwoneraantal: kleine gemeentenzoals Groningen of Tilburg zijn zeerstedelijk. Kaart: CatalogTree, bron: CBS.in cijfersDe stadeen kwantitatievebenaderingVitaliteit, een duurzame samenleving:ambities die bij het ontwerpen aan de stadverdergaan dan de vorm alleen. De manierwaarop dit gebeurt is vaak erg primitief engebaseerd op intu?tie: een artist impres-sion met succesvolle stedelingen en stads-landbouwers. Bieden dit soort plannen ookde ruimtelijke condities om die ambities tebereiken? Nee. Beter onderbouwde plannenontstaan alleen door een kwantitatievebenadering: meten aan de stad en zoekennaar significante relaties.14 2012/04 S+ROThema CijferstadStad in cijfersMeta Berghauser PontTU Delftm.y.berghauserpont@tudelft.nlS+RO 2012/04 15Thema CijferstadStad in cijfersKennis over de relatie tussen vitaliteitof stadslandbouw en stadsvorm kanhelpen om tot beter onderbouwdeplannen te komen zodat ambitieswaargemaakt kunnen worden. Hetmeten aan de stad en het zoeken naarsignificante relaties is ??n van de be-langrijkste methodes die we hiervoorkunnen gebruiken. Sterker nog, het isde enige manier om de complexiteitvan grote (maar ook kleine) vraagstuk-ken van vandaag en morgen te kunnenhanteren. Amerikaans wetenschappersAnne Vernez Moudon en Chanam Leestellen dat de grootste verdienste vaneen kwantitatieve benadering is dat hetde ontwerper middelen geeft om zijnvak met de benodigde precisie uit tekunnen oefenen.1In de discussie over het meten aan destad is het goed om een onderscheidte maken tussen een representatieveen een performatieve dimensie van degebouwde vorm.2 De representatieve ofsymbolische dimensie van de gebouwdevorm roept associaties op (vorm krijgtbetekenis), terwijl de performatieveof functionele dimensie de gebouwdevorm bruikbaar maakt. De performa-tieve dimensie is technisch van aarden het succes kan redelijk eenvoudiggemeten en getest worden. De symbo-lische dimensie is van een heel andereorde en heeft meer te maken met hetkunstzinnige aspect van ons vak. Hetsucces hiervan kan niet op dezelfdewijze gemeten en getest worden alsde performance. Beide dimensies zijnvan belang als we de stad analyseren,ontwerpen en erover debatteren,maar we moeten de twee wel goedkunnen onderscheiden. Het metenaan de stad, bijvoorbeeld, gaat vooralover het doorgronden van de performa-tieve dimensie.Techneut versus kunstenaarMeten aan de stad is geen nieuwfenomeen. Ildefonso Cerd? (1815-1876),ontwerper van Barcelona's beroemdeuitbreidingsplan Eixample, was deeerste die een stedenbouwkundig planbaseerde op een kwantitatieve analysevan de stad en zijn gebruikers.3 Hijgebruikte statistiek over de bevolkingvan Barcelona (leeftijd, gezondheid,inkomen) om een diagnose te stellenover het functioneren van de huidigestadsvorm en tegelijkertijd idee?n teontwikkelen voor een nieuwe vorm.Gedreven door de problemen in destad zag hij in dat kennis nodig was omtot betere alternatieven te komen. InNederland volgde Van Eesteren en VanLohuizen deze werkwijze met het Alge-meen Uitbreidingsplan voor Amsterdam(AUP, jaren dertig van de vorige eeuw).Reinhard Baumeister en Joseph >>Rationeel versus organisch,twee plattegronden1De rationele stadsplattegrond is gebaseerdop het werk van Baumeister en zijn collega's(figuur 1). De organische plattegrond is ge?n-spireerd op het werk van Sitte (figuur 2). Deargumenten die Sitte gebruikt voor het ge-brek aan variatie in stadsvorm zijn makkelijkvan de plattegrond af te lezen. De performa-tieve dimensie is moeilijker direct te bevat-ten. Met behulp van een integratie-analyse,de basisanalyse binnen Space Syntax-onder-zoek, kan een verborgen, meer functionelestructuur zichtbaar gemaakt worden. Degekleurde lijnen in de twee afbeeldingen ge-ven deze verborgen structuur weer, waarbijde rode lijnen een hoge en de blauwe eenlage integratiewaarde representeren. Dezewaarden zijn een goede indicator voor despreiding van potenti?le voetgangersstro-men in een stadsweefsel. Een hoge integratiegaat vaak gepaard met een grotere stroomvoetgangers en de aanwezigheid van meereconomische activiteiten. Op basis vandeze analyse kan voor beide figuren wordenvastgesteld dat zij een rijk palet aan goed enminder goed ge?ntegreerde straten bevatten.Van de besproken monotonie in stadsvormin de rationele stadsplattegrond gebaseerdop het werk van Baumeister, is functioneelgezien dus geen sprake.Noten1 Marcus, L., `Debatten om staden beh?verdistinktion', in: Arkitektur, februari 2012.Figuur 2: Organische stadsplat-tegrond gebaseerd op het werk vanCamillo Sitte. Bron:Tobias Nordstr?m,SpacescapeFiguur 1: Rationele stadsplattegrondgebaseerd op het werk van ReinhardBaumeister. Bron:Tobias Nordstr?m,Spacescape16 2012/04 S+ROThema CijferstadStad in cijfersBouwverordening negentiende eeuwOm de negatieve effecten van hoge dicht-heden te beperken, werd er ? gebaseerd oponderzoek van Richard Baumeister en JosephSt?bben ? een bouwverordening vastge-steld die een maximale bouwhoogte vanvier lagen voorschreef en de relatie tussenstraatbreedte en bouwhoogte reguleerde.Anton Hoenig voegde daar later normenvoor openheid (Weitraumigkeit of OpenSpace Ratio/OSR) aan toe die hij belangrijkerachtte dan dichtheid gemeten in Floor SpaceIndex (FSI).1 Hij beargumenteerde dat dehoogste en laagste FSI in de eerde genoemdebouwverordening een factor 15 verschilden,terwijl hun OSR een factor 35 verschilden.In de hoogste dichtheidsklasse was slechts0,13 vierkante meter onbebouwde ruimte be-schikbaar voor elke vierkante meter vloer-oppervlak en in de laagste klasse was dit 4,5vierkante meter. Om een minimale kwaliteitte garanderen pleitte Hoenig ervoor dat elkevierkante meter vloeroppervlak gecom-penseerd moest worden met een gelijkehoeveelheid onbebouwde ruimte (OSR=1,0).Noten1 Berghauser Pont, M.Y. en Haupt, P.A.,`Spacematrix', in: Space, density and urban form,NAi Publishers, Rotterdam, 2010.DichtheidIntegratieHoog StedelijkStedelijkSuburbaanHoogSuburbaanSt?bben zijn twee andere belangrijkegrondleggers van een kwantitatievebenadering.4 Zij pleitten ervoor datstedenbouwkundige beslissingengebaseerd moesten zijn op bevindingenuit statistisch onderzoek waarbij naastsociale vraagstukken, ook economie0 1.900 3.800950Meters[LegendCom_BAse / noneHighSuburbanSuburbanUrbanHighUrbano 950 1.900 3.800 mNHoog SuburbaanSuburbaanStedelijkHoogstedelijkFiguur 3: Mate van stedelijkheid inRotterdam-Zuid. Huidige situatie(bovenste kaart), brugvariant 1 (mid-delste kaart) en brugvariant 2 (onder-ste kaart). Zie voor nadere toelichtinghet kader op pagina 19.Bron: U-LAB,TU DelftS+RO 2012/04 17Thema CijferstadStad in cijfersSpace Syntax en Place SyntaxSpacescape, een adviesbureau in Stockholm met nauwe banden met de onderzoeks-groep SAD aan de Technische Universiteit in Stockholm (KTH), deed zeven jaar gele-den een analyse om het `beste adres' in Stockholm te bepalen. De resultaten werdengepubliceerd op de voorpagina van de grootste krant in Zweden Dagens Nyheter. Metbehulp van de Place Syntax Tool1 kon Spacescape bepalen welke persoon in Stockholmde meeste keuzemogelijkheden heeft om naar een kroeg te gaan, ergens te gaan eten,een club te bezoeken, naar een concert te gaan en tussendoor zijn/haar conditie op peilte houden op een sportschool. Met andere woorden: de perfecte plek voor Stockholmsgrootste yup. De gelukkige bewoner van dit adres was Rickard Rickardsson. Of hij ookgebruik maakte van al dit aanbod is niet duidelijk.Natuurlijk is de waarde van een dergelijke constatering niet van zo'n groot belang,maar dezelfde methode wordt ook gebruikt op de universiteit om onderzoek te doennaar bijvoorbeeld segregatie. En hier worden de resultaten van zo'n analyse interes-sant. Bijvoorbeeld is gebleken dat wijken met grote sociale problemen vaak ook fysiekzeer gesegregeerd zijn: kinderen hebben minder toegang tot speelplekken en deberoepsbevolking heeft minder toegang tot de arbeidsmarkt. Dit is simpelweg te ver-klaren door de slechte integratie van het stratenpatroon op buurtniveau, maar vooralop de hogere schaalniveaus. Je krijgt dus letterlijk eilanden die niet alleen sociaal, maarook fysiek gesegregeerd zijn.2 Het belang voor de praktijk is evident. Er kunnen bij-voorbeeld vraagtekens gezet worden bij de eenzijdige investeringen in de wijk zelf. AnnLegeby pleit eerder voor het bouwen van `bruggen'. Hiermee doelt ze niet op letterlijkebruggen, maar op een aanpassing van de fysieke integratie binnen en buiten de wijk.Hiermee geef je inwoners meer kansen buiten hun eigen buurt, maar andersom zullenmeer bezoekers de gesegregeerde delen van de stad weten te vinden. Dit geeft moge-lijkheden voor interactie tussen de lokale bevolking en bezoekers en bovendien krijgtde lokale economie nieuwe kansen. Met behulp van Space Syntax-analyses en de PlaceSyntax Tool kan de integratie van een buurt, wijk of stad relatief eenvoudig gemetenworden. Op basis daarvan kunnen beter onderbouwde interventies gepland worden.Noten1 Place Syntax is ontwikkeld door Alexander Stahle als onderdeel van zijn promotie-onderzoekaan KTH (2009).2 Legeby, A., Urban segregation and urban form. From residential segregation to segregation inpublic space, licentiate thesis in Architecture, KTH Stockholm, Zweden, 2010.de resultaten moeten hun weg naar depraktijk nog wel vinden.In de praktijk is de aandacht voor pa-rametrisch ontwerpen de laatste jarenook toegenomen. Maar deze maniervan ontwerpen bouwt niet per definitievoort op resultaten van kwantitatiefonderzoek. Bij parametrisch ontwerpendefinieer je als het ware een receptvoor een ontwerp. Dit recept kanvervolgens op elk willekeurig momentworden gebruikt, met dezelfde ingre-di?nten (zelfde script), maar eventueelmet aanpassing van de hoeveelhedenen mobiliteit aan de orde moestenkomen. Op basis van een combinatievan verschillende factoren (onder an-dere voldoende daglichttoetreding enbeheersbare kosten) kwamen ze al eindnegentiende eeuw tot de slotsom datdichtheden in de stad verhoogd moes-ten worden (zie kader op pagina 16).Als reactie op de kwantitatieve bena-dering ontstond er aan het eind van denegentiende eeuw ook een bewegingdie juist pleitte voor een stedenbouwdie meer moest zijn dan het gevolg vaneen aantal opgelegde kwantitatieveregels. Volgens Camillo Sitte warenbrede, lange straten in combinatie metmonotone bebouwing van uniformehoogte hier een nadelig gevolg van. Hijpleitte voor een compacte bebouwingmet smalle, meanderende straten. Ditleidde in Nederland tot een discussieover de rol van de techneut versusde kunstenaar in het ontwerpen aande stad. Baumeister benadrukte metname de functionele dimensie, terwijlSitte vooral aandacht had voor derepresentatieve dimensie. Lars Marcusgebruikt twee stadsweefsels om ditverschil verder te illustreren (zie kaderop pagina 15).Getallen in de praktijkOm de performativiteit van eengebouw, stadsdeel of stad te kunnenvaststellen is kennis vereist. Daarvoorzijn goede analysetools en meetin-strumenten nodig en natuurlijk is debeschikbaarheid van betrouwbare datavan groot belang. Gezien de beschikba-re technologie?n en de grote hoeveel-heid data die we tegenwoordig kunnengebruiken, is het verbazingwekkenddat niet veel meer architecten enstedenbouwers de werkwijze vanCerd? of Baumeister hebben gevolgd.In de onderzoekswereld is het metenaan de stad inmiddels wel gemeengoedgeworden. De laatste jaren is er eenduidelijke toename van het aantal arti-kelen die expliciet gaan over het metenaan de stad. Dit is hoopgevend, maar(de parameters).5 Dit recept kan desymbolische of juist de functioneledimensie vooropstellen.Met andere woorden: parametrischontwerpen verschilt wat dat betreftniet van conventionele ontwerpmetho-des. Ik zie daarom, naast het benut-ten van resultaten uit kwantitatiefonderzoek, een belangrijkere bijdrageweggelegd voor het werken met kwan-titatieve modellen. Hiermee bedoel ikniet SimCity, maar relatief eenvoudigemodellen die het mogelijk maken omverschillende toekomsten >>18 2012/04 S+ROThema CijferstadStad in cijfers0 1.900 3.800950Meters[LegendCom_BAse / noneT2typeFT1typeCT2typeET1typeBT2typeDT1typeAo 950 1.900 3.800 m NT2 type F T1 type CT2 type E T1 type BT2 type D T1 type Ate bekijken door het testen van sce-nario's. Het doormeten van de per-formativiteit van deze scenario's kanhelpen om in een vroeg stadium van hetontwerpproces een beter afgewogenbeslissing te nemen over het te kiezenscenario. Daarbij bestaat natuurlijk hetgevaar dat een optelsom van dergelijkemodellen tot een suboptimaal compro-mis leidt, dat we dan het ontwerp noe-men. Het gevaar is dat er op die maniermisbruik wordt gemaakt van tools diede ontwerper moeten ondersteunen,maar dat kan niet de reden zijn er hele-maal van af te zien. Wel is het daarombelangrijk er keer op keer op te wijzendat deze tools en de resultaten ervantot goede plannen leiden nadat ze doorde vingers van kundige ontwerpers zijngegaan. Andersom wil ik er echter ookvoor waarschuwen dat die kundige ont-werpers liever zonder dergelijke toolsen de gegenereerde kennisblijven werken.De kracht van kwantitatieve analy-ses kan het best worden aangetoondaan de hand van praktijkvoorbeel-den. Spacescape, een adviesbureauin Stockholm (Zweden) bepaalde metbehulp van de Space Syntax-analyse ende Place Syntax Tool het `beste adres'in Stockholm (zie kader pagina 17).Maar ook het werk van Birgit Haus-leitner elders in dit nummer is eengoed voorbeeld. En met behulp vaneen kwantitatief model (FSI, MXI, GIS-en netwerkanalyse) testte U-LAB destedelijkheid van ontwerpvoorstellenvoor een nieuwe noordzuidverbindingin Rotterdam (zie kader pagina 19).VerrijkingVaak roepen getallen een grote aversieop bij ontwerpers en worden ze geas-socieerd met een beperking van deontwerpvrijheid. De kunstenaar wordtin zijn integriteit aangetast. Maar: ar-chitecten en stedenbouwers zijn meerdan artiesten. Steden moeten naastmooi, ook bruikbaar zijn. Het metenaan de stad gaat juist over deze laatsteFiguur 4: Transformatiemogelijk-heden in Rotterdam-Zuid. Huidigesituatie (bovenste kaart), brugvariant1 (middelste kaart) en brugvariant2 (onderste kaart). Zie voor naderetoelichting het kader op pagina 19.Bron: U-LAB,TU DelftS+RO 2012/04 19Thema CijferstadStad in cijfersFSI, MXI, GIS en netwerkanalyseIn Rotterdam heeft een teamvan U-LAB1 een aantal ontwerp-varianten voor nieuwe brug-gen getest op hun impact opde stedelijkheid in Rotterdam-Zuid.2 De eerste variant is eenreeks bruggen van De Esch viaFeijenoord, Kop van Zuid enKatendrecht naar de Tarwewijk(figuur 3). Een nieuwe brug bijStadshavens is de tweede vari-ant (figuur 4). Eerder onderzoeklaat zien dat er een aantoonbaarverband is tussen dichtheid (Floor Space Index, FSI) en functiemenging (MXI3).In gemengde gebieden waar de basisfuncties wonen, werken en voorzieningenieder ten minste 10 procent van het totale vloeroppervlak innemen, is de FSI26 procent hoger dan in niet-gemengde gebieden.4 Verder is uit de GIS-analysevan de resultaten in Rotterdam gebleken dat een hogere netwerkintegratie5 endichtheid (FSI) samenhangen met een hogere mate van functiemenging (MXI).Met andere woorden: monofunctionaliteit komt vaker voor in gebieden met eenrelatief lage dichtheid en een lage netwerkintegratie.Deze bevindingen zijn de basis voor het model dat is gebruikt om de effectenop stedelijkheid van een nieuwe noordzuidverbinding in Rotterdam-Zuid teonderzoeken. De mate van stedelijkheid wordt gemeten met behulp van detwee variabelen FSI en netwerkintegratie. Zijn beide hoog, dan spreken we vaneen hoge stedelijkheid; zijn beide laag dan wordt het gebied gekarakteriseerdals suburbaan. Naast een representatie van stedelijkheid in Rotterdam-Zuid,kan ook een kaart met potenti?le transformatielocaties worden gegenereerd.Dit zijn plekken waar de integratie hoog is, maar de dichtheid achterblijft (endus met een potentie voor verdichting) of plekken waar de dichtheid juist hoog,maar de integratie achterblijft (enclave van hoge dichtheid). Niet-woonfunctieshebben hier minder kans van slagen, omdat de stroom bezoekers eenvoudigwegkleiner is dan in een beter ge?ntegreerde buurt.Noten1 U-LAB is ??n van de onderzoeksprogramma's binnen de vakgroep Stedenbouw aande TU Delft. Onderzoeksteam voor het project in Rotterdam: Akkelies van Nes, BardiaMashhoodi en Meta Berghauser Pont.2 Nes, A.; Berghauser Pont, M. en Mashhoodi, B., `Combination of Space Syntax withSpacematrix and the Mixed Use Index', in: 8th Space Syntax conference, Chile, (2012,accepted long paper).3 De meeteenheid MXI is ontwikkeld door Joost van den Hoek, promovendus aan de TUDelft: Hoek, J. van den, The MXI (Mixed-use Index). An instrument for anti-sprawl policy?Proceedings of the 44th ISOCARP congress 2008 http://www.isocarp.org (accessed on 18September 2010).4 Mashhoodi, B. en Berghauser Pont, M., `The relation between urban form, its density(aerial and accessible) and the distribution of functions', in: Urban Morphology and thepost-carbon city (conference proceedings), Montreal, Canada, 20115 Integratie-analyse is de basis analyse binnen Space Syntax-onderzoek. De integratie-analyse is een bewezen indicator voor voetgangersstromen en de locatie van winkels.dimensie en bemoeit zich bij voorkeurniet met de eerste. Door de performati-viteit van de stad en zijn onderdelen temeten, kan de ontwerper zijn vak metmeer precisie uitoefenen. Dat is zekergeen beperking, maar een (noodzake-lijke) verrijking. De titel van dit artikel is ontleend aan:Moudon en Lee, `Urbanism by numbers.A quantitative approach to urban form',in: Making the metropolitan lands-cape: standing firm on middle ground,Routledge, NewYork, 2009. Zij hebbende titel op hun beurt weer ontleend aan:Hudson, History by numbers, OxfordUniversity Press, NewYork, 2000.Noten1 Moudon Vernez, A. en Lee C., `Urbanismby numbers. A quantitative approach tourban form', in: Tatom, J. en Stauber, J.(eds.), Making the metropolitan landscape:Standing firm on the middle ground,Routledge, NewYork, 2009, pp. 57-77.2 Marcus, L., `Debatten om staden beh?verdistinktion', in: Arkitektur, februari 20123 Moudon Vernez, A. en Lee C., `Urbanismby numbers. A quantitative approach tourban form', in: Tatom, J. en Stauber, J.(eds.), Making the metropolitan landscape:Standing firm on the middle ground,Routledge, NewYork, 2009, pp. 57-77.4 Ruijter, P. de, Voor volkshuisvesting enstedebouw, Matrijs, Utrecht, 1987. En:R?dberg, J., Doktrin och t?thet i svensktstadsbyggande 1875-1975, Statens r?d f?rbyggnadsforskning, Stockholm, 1988.5 Beschrijving van parametrisch ontwerpenvan de Katholieke Universiteit Leuven,Departement ASRO, CAD-Lab.DichtheidIntegratieAB DC EF20 2012/04 S+ROThema CijferstadKleinschalige bedrijvigheidBirgit HausleitnerTU Delft/promovendusB.Hausleitner@tudelft.nlDit artikel is gebaseerd op het pro-motieonderzoek van Birgit Hausleit-ner (TU Delft). Alle afbeeldingen bijdit artikel zijn gemaakt door BirgitHausleitner.Figuur 1: Variatie van kleine bedrijven inde Amsterdamse Spaardammerbuurtwaarbij het type bedrijf, de maat, delocatie in het blok en de toegankelijk-heid ervan is ge?nventariseerd.?? ??????????????????? ?? ???????????????????? ????????? ????????????? ??????????????????? ?????????? ? ???????? ?????????????????????????????????????voetgangerspadvoetgangerspadculdesacVerhogen van de vitaliteitis een belangrijkeambitie bij veel stedelijkevernieuwingsprojecten inWest-Europa. Diversiteit,kleinschalige bedrijvigheid1en gemengde woon-werkgebieden zijn eenkansrijke combinatie. JaneJacobs (19612) en Jos Gadet(20113) zeiden het ook al:steden zijn de natuurlijkehabitat voor een diversen ontelbaar aantal kleinebedrijven. Ze zijn cruciaalvoor de complexe variatiedie plekken in de stad zointeressant en vitaal maakt.Kansen voor kleinschaligebedrijvigheid in AmsterdamVitaliteit speelt in de Amsterdamsestructuurvisie 2040 een grote rol.Vooral de relatie tussen stadsvorm ende hoeveelheid en type kleinschaligebedrijvigheid is hierbij interessant.Vestigen kleine bedrijven zich bijvoor-beeld op specifieke plekken in de stad?En zo ja, wat zijn de morfologischekenmerken van deze plekken? Op basisvan verschillen tussen bedrijven op hetgebied van klantcontact en het belangvan productie versus service, zijn zescategorie?n bedrijven te defini?ren:detailhandel, ambachtelijke bedrijven,creatieve bedrijven, horeca, dienstver-lening met en zonder direct contactmet klanten. Een deel van deze bedrij-ven is afhankelijk van een vaste locatie,terwijl een ander deel veel flexibeleris. Sommige bedrijven zijn afhankelijkvan toevallige voorbijgangers, anderenontvangen alleen klanten op afspraak.Deze factoren bepalen welke plekkenin de stad meer of minder geschiktzijn voor verschillende categorie?nbedrijven. Ze bepalen welke ruimtelijkeconfiguratie meer of minder potentieheeft om een diversiteit aan functies teherbergen en dus, zoals Gadet en Jacobsclaimen, vitaler te worden.Morfologische eigenschappenOm te onderzoeken of en op welkemanier morfologische eigenschappenvan belang zijn bij het vestigingsgedrag????????waterbouwblokkengebouwen geselecteerde blokdetailhandelleegstandambachtelijk bedrijfcreatief bedrijfhorecadienstverlening met direct klantencontactdienstverlening zonder direct klantencontactwonen en overigzij ingang/garagestraat?S+RO 2012/04 21Thema CijferstadKleinschalige bedrijvigheidFiguur 2: De geanalyseerde morfo-logische eigenschappen: openheidvan de perimeter van het blok,oppervlakte blok, kavelverdeling,straat-netwerkdichtheid, dichtheid(GSI, FSI, OSR) en netwerkintegratie,splitsingsindex, effectieve kor-relgrootte, aantal ingangen gemetenlangs de perimeter van het blok, hi?-rarchie van straten, intervisibiliteit,blokproportie, lengte van de perime-ter van het blok, toegankelijkheid vanpercelen, hoogte van verdiepingen.van kleinere bedrijven is het belang-rijk om regelmaat te vinden in dezerelatie.4 Door de relaties vervolgens tekwantificeren, kan de functionaliteit (ofperformance) van verschillende stads-weefsels voor de eerder benoemdecategorie?n van bedrijvigheid gemetenworden. Met het bestuderen van deperformance van de stadsvorm bedoelik dus, net als Habraken5, het evaluerenvan de capaciteit van een ruimte ombepaalde functies te kunnen herbergen,zie figuur 1.Verschillende schaalniveaus bepalenhet succes van kleinschalige bedrijven.Als we ons richten op de microschaal ende hogere schaalniveaus in acht nemen,zijn de volgende morfologische eigen-schappen van belang: openheid vande omtrek van het blok, oppervlaktevan het blok, kavelverdeling, straat-netwerkdichtheid, dichtheid (GroundSpace Index/GSI, Floor Space Index/FSI,Open Space Ratio/OSR) en netwerkinte-gratie, splitsingsindex (splitting index),effectieve korrelgrootte (effective meshsize), aantal ingangen gemeten langsde omtrek van het blok, hi?rarchie vanstraten, intervisibiliteit (intervisibility),blokproportie, lengte van de omtrekvan het blok, toegankelijkheid van per-celen, verdiepingshoogte (zie figuur 2).Korrelgrootte entoegangelijkheidUit een analyse van zestig blokken(figuur 3) blijkt dat het aantal kavelsper hectare en de GSI de sterkste relatiehebben met het aantal kleinschaligebedrijven per hectare. Het eerste zegtiets over de maat van de eigendoms-korrel en het tweede geeft de com-pactheid van de bebouwing weer. Metandere woorden: bij een kleinere eigen-domskorrel en een hogere compactheid(GSI), zijn de kansen voor kleinschaligebedrijven gunstiger.Verder blijkt dat ook OSR, openheid vanhet blok, de splitsingsindex en netwerk-dichtheid een belangrijke rol spelen.Opvallend is dat FSI dus geen directe rolspeelt, terwijl dat vaak wordt geopperdals ??n van de drijvende krachten voorfunctiemenging.6 Natuurlijk is het zodat een hogere compactheid (GSI) vaakgepaard gaat met een hogere FSI7, maareen hoge FSI alleen is in ieder geval geengarantie, zo blijkt.Gebaseerd op de resultaten van dezeanalyse kunnen interventies voor-gesteld worden om de condities voorkleinschalige bedrijvigheid te verbete-ren. Omdat het moeilijk is de verkave-ling van een blok te veranderen nadathet is ontwikkeld, is het belangrijk dital in de ontwerpfase mee te nemen.De grenswaarde die in Amsterdamis gevonden is dat deze minimaal 28kavels per hectare moet zijn. Metandere woorden: kavels van maximaal360 vierkante meter. De GSI, die tussende 0,6 en 0,9 moet zijn (gemeten opblokniveau), kan, als deze niet gehaaldwordt, verhoogd worden door >>dw1233dw2 [H>3m]FSI GSIOSR L25%Meff= 10.000m2S=1Meff= 3.750m2S=2.6openheid perimeterhierarchie v. stratendichtheidstraatntwk-dichtheidoppervlakte bloktoegangelijkheid vanpercelennetwerkintegratieblokproportieaantal ingangenblokomvangintervisibiliteitkavelverdelingkavelverdelingsplitsingsindex (S) & effectieve korrelgrootte (Meff)22 2012/04 S+ROThema CijferstadKleinschalige bedrijvigheidmiddel van verdichting (figuur 4). Hetgaat dan dus om horizontale verdich-ting en niet alleen om het verhogen vande FSI (verticale dimensie).Kleinschalige bedrijvigheid is gebaatbij een fijnmazig stratenpatroon (hogestraat-netwerkdichtheid). Dit kanbereikt worden door het realiseren vankleine blokken, zoals Jane Jacobs sug-gereert, of door grote blokken toegan-kelijk te maken voor voetgangers; hetverhogen van de splitsingsindex.ContextDe relatie tussen de morfologischeeigenschappen en de hoeveelheid enhet type bedrijvigheid is contextge-voelig. Daarom zijn de meest signifi-cante kenmerken getest in de gehelestad (vijfduizend blokken, exclusiefmonofunctionele kantoorgebieden enindustrieterreinen). De vraag hierbijwas: zijn er verschillen tussen stads-delen en tussen type bedrijvigheid?Inderdaad, verschillen in ruimtelijkeconfiguratie van de diverse stadsdelenblijken uiteenlopende type bedrijvenaan te trekken.De fijnmazige structuur van het Am-sterdamse stadscentrum, met een rela-tief hoge GSI, straat-netwerkdichtheiden veel gesloten blokken, is aantrek-kelijk voor detailhandel en creatieve be-drijven. Dienstverlening zonder directcontact met klanten, zoals ZZP-ers,lijkt te profiteren van locaties met eenrelatief hoge FSI en GSI, maar straat-netwerkdichtheid speelt geen rol vanbetekenis. Openheid van de blokken isin het Centrum en in Nieuw-West vanbelang, maar speelt in Amsterdam-West geen noemenswaardige rol. Dekaveldichtheid daarentegen is welbelangrijk in West, maar dan weerniet in Nieuw-West. Deze verschillenkunnen veroorzaakt worden door dehomogeniteit van de gemeten eigen-schap in een bepaald stadsdeel, zoalseen homogeen stratenpatroon of eensterke dominantie van gesloten dan welopen bouwblokken. Ook kunnen de ver-schillen cultureel bepaald zijn. Uit eenvergelijkbaar onderzoek in Parijs8 blijktdat het aantal ingangen in een blok eensignificante relatie had met het aantalkleinschalige bedrijven. Deze eigen-schap speelt in Amsterdam geen rol vanbetekenis. Dit kan mogelijk verklaardworden door het grote aantal ingangendat zo kenmerkend is voor Neder-landse blokken. Zelfs appartementenen bedrijven die in een souterrain of opeen bovenverdieping zitten, hebben eeneigen ingang aan de straat.De analyse van heel Amsterdam toontaan dat verschillende ruimtelijkeconfiguraties condities scheppen voorspecifieke typen bedrijvigheid. Alleskan niet overal en stadsdelen kunnenhier hun voordeel mee doen. Met hetbeschreven model kan ongeveer veertigprocent van de locatiekeuze van klein-schalige bedrijvigheid in Amsterdamuitgelegd worden. Naast morfologischekenmerken zijn drie andere aspectenvan belang bij de locatiekeuze: bestem-mingsplannen en -regels, sociaaleco-nomische kenmerken en de effectendie de verschillende type bedrijven opelkaar hebben.Interpretatie van relatiesDe hier gepresenteerde kwantificeringis een beschrijving en interpretatievan relaties. Deze relaties zijn niet perdefinitie causaal. De resultaten gevendus de trends weer die de relatie tus-sen stadsvorm en de locatiekeuze vankleinschalige bedrijvigheid illustrerenen tonen geen specifieke gevallen ofbest practice-voorbeelden. De resul-taten kunnen gebruikt worden omontwerprichtlijnen op te stellen diebijdragen aan een gunstig (ruimtelijk)klimaat voor kleinschalige bedrijvig-heid. Dit kan in de vorm van ontwerp-patronen of door de resultaten tevertalen in numerieke bandbreedtesvoor elke eigenschap, zoals GSI (tussen0,6 en 0,9) en kaveldichtheid (minimaal28 kavels per hectare).Een waarschuwing is hier echter op zijnplek, want het is niet mogelijk om de re-sultaten van de analyse in Amsterdamzo maar in andere steden toe te passen.Gebaseerd op onderzoek in Amsterdamen Parijs kan wel vastgesteld wordendat de belangrijkste morfologischeeigenschappen in beide steden in hetalgemeen overeen kwamen (kaveldicht-heid, GSI, FSI, OSR, openheid van de blok,straat-netwerkdichtheid, splitsingsin-dex), maar dat de gevonden succesvollebandbreedtes niet dezelfde zijn. Deminimale kaveldichtheid die in Amster-dam gunstig is voor bedrijvigheid is 28kavels per hectare, terwijl deze in Parijs15 kavels per hectare is. Noten1 Kleinschalige bedrijven worden hierbijgedefinieerd als bedrijven met maximaalnegen werknemers (Eurostat).2 Jacobs, J., The death and life of greatAmerican cities, Random House, NewYork,1961.3 Gadet, J., Terug naar de stad. Geografischportret van Amsterdam, Uitgeverij Sun,Amsterdam, 2011.4 Rapoport, A., History and Precedent inEnvironmental Design, Springer-Verlag,NewYork, 1990.5 Habraken, N. J., Tools of trade. Thematicaspects of designing. An unpublishedpaper on the education of architects, 1996.http://www.habraken.com/html/tools_of_the_trade.html6 Lozano, E., `Density in communities, orthe most important factor in buildingurbanity', in: Larice, M. en Macdonald, E.(eds.), The Urban Design Reader, Routledge,Oxon, 2007, pp. 312-327.7 Berghauser Pont, M.Y. en Haupt, P.,Spacematrix. Space, Density and UrbanForm, NAi Publishers, Rotterdam, 2010.8 Hausleitner, B., Urban form and itsimpact on scope of action for people.Investigations on urban blocks in Paris.17th conference International Seminar onUrban Form, ISUF2010, Hamburg, 2010Figuur 3 (boven): Onderzoek van zestigbouwblokken in Amsterdam. De gese-lecteerde bouwblokken representerenverschillende bloktypes (gemeten doormiddel van de openheid van de perime-ter) en verschillende historische peri-odes. Naast deze diversiteit biedt deselectie blokken een goede weergavevan de diversiteit in de stad. Met an-dere woorden: hoe meer een bepaaldtype blok in Amsterdam voorkomt, deste vaker is deze ook meegenomen in deselectie van zestig blokken.Figuur 4 (onder): Overzicht vanbouwblokken met hoge potentie voorkleinschalige bedrijvigheid. Gebaseerdop de twee belangrijkste morfologi-sche eigenschappen GSI (tussen 0,6 en0,9) en kaveldichtheid (>28/ha). Bestekansen liggen in de bebouwing dievoor 1900 gerealiseerd is.
Reacties