5151Er wordt veel goed onderzoek gedaan naar buurteffecten en naar het effect van gemengde wijkenbeleid. Veel van dit onderzoek is echter niet in staat om daadwerkelijke oorzakelijke verbanden aante tonen tussen buurtkenmerken en individuele uitkomsten van bewoners. Tien uitdagingen voortoekomstig onderzoek naar buurteffecten die gezamenlijk de kennisontwikkeling op dit gebiedmoeten versterken.TIEN UITDAGINGENVOOR ONDERZOEKNAAR BUURTEFFECTENTIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2013ONDERZOEKSDOSSIERDOOR MAARTEN VAN HAM, OTB TU DELFT, DAVID MANLEY, SCHOOL OFGEOGRAPHICAL SCIENCES, UNIVERSITY OF BRISTOLVeel wetenschappers en beleidsmakers geloven heilig inbuurteffecten en dit geloof heeft deels geleid tot gemengdewijken beleid. Het bewijs dat buurteffecten bestaan is ech-ter weinig overtuigend. Nu de overheid haar belangstellingvoor achterstandswijken lijkt kwijtgeraakt en de bewonersvan de wijken hard worden getroffen door bezuinigingen is het belang-rijker dan ooit om uit te vinden in welke mate wonen in een achter-standswijk negatieve gevolgen heeft voor de kansen van bewoners. Ditartikel schetst een agenda voor toekomstig onderzoek.De afgelopen 25 jaar is er zeer veel gepubliceerd over buurteffecten. Hetidee dat leven in een achterstandsbuurt negatieve gevolgen heeft voorde levenskansen van de bewoners die verder gaan dan het effect van huneigen individuele kenmerken, zoals hun opleidingsniveau. Er zijn buur-teffecten gerapporteerd met betrekking tot schoolprestaties, voortijdigschoolverlaten, criminaliteit, sociale uitsluiting, gezondheid, de over-gang van uitkering naar baan en sociale en arbeidsmobiliteit. GoogleScholar geeft momenteel meer dan 17.000 zoekresultaten voor "neigh-bourhood effects" en de hoeveelheid onderzoek blijft groeien (Van Hamet al., 2012a).Het concept van buurteffecten als onafhankelijke invloed op iemandswoonsituatie, arbeidsmarktpositie en sociale positie is niet alleen acade-misch interessant, maar is ook door beleidsmakers omarmd. Beleidgericht op de sociale vermenging van bevolkingsgroepen door huur- enkoopwoningen te combineren wordt gezien als een manier om buurteneen meer diverse sociaal-economische samenstelling te geven en even-tuele negatieve buurteffecten weg te nemen (Musterd en Anderson,2005). Een dergelijk beleid wordt expliciet gehanteerd door een grootaantal nationale overheden, waaronder die van Nederland (Musterd,2002).De hoeveelheid onderzoek naar buurteffecten weerspiegelt niet alleende academische en politieke belangstelling voor dit onderwerp, maartevens het feit dat we nog steeds geen antwoord hebben op de vraaghoeveel invloed buurteffecten nu echt hebben (Van Ham et al., 2012a, zieook Gerritsen en Reininga, 2011, en Elsinga ). Een van de grootste uitda-gingen bij het onderzoek naar buurteffecten is het blootleggen van oor-zakelijke verbanden (Durlauf, 2004). Bij veel onderzoek gebeurt dat nietafdoende omdat er niet of geen voldoende aandacht wordt besteed aande effecten van buurtselectie (Van Ham en Manley, 2010). Daardoorwordt de indruk gewekt dat buurteffecten belangrijk zijn, terwijl veelonderzoek in werkelijkheid slechts correlaties blootlegt tussen individu-ele resultaten en buurtkenmerken (Van Ham en Manley, 2010). Criticihebben zelfs opgemerkt dat er "verrassend weinig bewijs is voor de stel-ling dat het wonen in arme buurten mensen armer maakt en hun kan-sen in het leven ondermijnt, onafhankelijk van de factoren die hunarmoede in eerste instantie hebben veroorzaakt" (Cheshire, 2007, p. 2).Dit artikel geeft een kritisch overzicht van de internationale literatuurover buurteffecten. De voornaamste bijdrage van deze paper zijn tienuitdagingen voor toekomstig onderzoek.GELOOF IN BUURTEFFECTENBij beleidsmakers en het grote publiek bestaat een sterk en hardnekkiggeloof in buurteffecten, dat wordt gestimuleerd door media-aandacht.Een goed voorbeeld is een tv-programma van de BBC uit 2011 (This isBritain with Andrew Marr, BBC2, 25-3-2011), waarin twee gerespecteerdeacademici een poging doen om een complex argument te presenteren52voor de oorzakelijke verbanden tussen buurt en levensverwachting, metGlasgow als voorbeeld.Danny Dorling: "Wat is de levensverwachting van de mensen die wonen waar wenu zijn, en hoe is het hier verder?"Rich Mitchell: "Hier is die voor een man die nu geboren wordt 79. Maar even ver-derop in de straat is die al gestegen tot 80. Een kleine kilometer de andere kant opzit je op 5 jaar korter en weer een kilometer verder al op 15 jaar. [...]"Danny Dorling: "Dat is best schokkend."Rich Mitchell: "Het is heel opmerkelijk. En dat is de kracht van een buurt, wanteen buurt is nu eenmaal waar je sociale en economische omstandigheden samenko-men en een bepalende invloed hebben."Andrew Marr: "Om te begrijpen hoe het kan dat je 15 jaar korter leeft door jeslechts een paar straten te verplaatsen..."(Citaten uit This is Britain with Andrew Marr, BBC, 25-3-2011).Het probleem is hier niet zozeer de redenering die de academici presen-teren (hoewel zij wel suggereren dat er een oorzakelijk verband bestaat ?"een bepalende invloed" ? tussen de buurt waar iemand woont eniemands individuele levensloop), het grootste probleem zit hem in devoice-over van de presentator, Andrew Marr. Hij trekt de conclusie datnaar de andere kant van de stad verhuizen iemand jaren van zijn levenkan kosten. Dit is natuurlijk klinkklare onzin. De gevolgen van dergelij-ke programma's moeten niet worden onderschat: dit BBC-programmatrok 1,75 miljoen kijkers in het Verenigde Koninkrijk.De populaire uitleg van buurteffecten levert twee problemen op. In de eer-ste plaats geven ze een te sterk vereenvoudigd beeld van het bewijs in deacademische literatuur en suggereren ze dat de discussie over buurteffec-ten geen kritiek krijgt of tekortkomingen kent. Dat is gevaarlijk, wanthoewel buurteffecten door het grote publiek als `feit' worden beschouwd,levert zorgvuldig onderzoek van de academische literatuur een heel anderbeeld op. In de tweede plaats heeft de stijl waarin This is Britain withAndrew Marr wordt gepresenteerd een versterkend effect op de ongelijk-heden die het programma nu juist aan de kaak wilde stellen. Door gebruikte maken van stereotype beelden van achterstandsbuurten pathologiseerthet programma deze buurten. Er worden beelden gebruikt die door som-mige commentatoren ook wel `armoedeporno' zijn genoemd (Mooney enHancock, 2010). Achterstandswijken worden verder gestigmatiseerd ennegatieve stereotypen versterkt. Dat is op zich een soort buurteffect,waardoor meer welvarende huishoudens worden gesterkt in de overtui-ging dat zij achterstandswijken moeten mijden, omdat omgang met debewoners slecht voor hen en hun kinderen is.Het is belangrijk om op te merken dat onze kritiek op het concept buur-effect niet moet worden opgevat als een betoog dat leven in achter-standswijken geen problemen oplevert. We willen met dit artikel voor-namelijk de aandacht vestigen op het gebrek aan verband tussen ener-zijds beleid en anderzijds de veel complexere en vaak genegeerde acade-mische discussie over buurteffecten.EMPIRISCH BEWIJS VOOR BUURTEFFECTENEr zijn papers en boeken die een uitstekend overzicht geven van de ont-wikkeling en huidige stand van de literatuur over buurteffecten (zieEllen & Turner, 1997; Galster, 2002; Durlauf, 2004; Van Ham & Manley,2010; Van Ham et al., 2012a; 2012b). Hier geven we een kort overzicht vanhet soort onderzoek dat beschikbaar is en de problemen waarmee dezeonderzoeken en methoden gepaard gaan. In de literatuur bestaat eenscherpe tweedeling tussen onderzoeksresultaten behaald met kwalita-TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2013ONDERZOEKSDOSSIERIndeHaagsewijkVrederuststaannieuwbouwenoudbouwwoningendoorelkaar.Dittenongenoegenvandebewonersvandenieuwbouw,deoudbouwwoningenzoudenookgeslooptwordenmaardoordecrisisblijftditgrotendeelsuit(Foto Inge van Mill / Hollandse Hoogte)53TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2013ONDERZOEKSDOSSIERtieve methoden en resultaten van kwantitatief onderzoek. Kwalitatiefonderzoek, met speciale aandacht voor de ervaringen en percepties vanbewoners, laat vaak sterke buurteffecten zien en heeft negatieve effectenaangetoond van buurten met een slechte reputatie op iemands arbeids-marktpositie (zie Atkinson en Kintrea, 2001) en op sociale processen dieweer invloed hebben op andere sociaal-economische kenmerken vanbewoners van achterstandsbuurten (Pinkster, 2009). Kwantitatief onder-zoek levert veel minder consistente resultaten op, waardoor sommigecritici hebben opgemerkt dat "empirische conclusies met betrekking totbuurteffectmechanismen hoogstens als voorlopig moeten wordenbeschouwd" (Galster, 2012, p. 31) en "dat er verrassend weinig bewijs isvoor de stelling dat wonen in een arme buurt mensen armer maakt enhun kansen in het leven verkleint, onafhankelijk van de factoren die hunarmoede in eerste instantie hebben veroorzaakt" (Cheshire, 2007).Tegenover de grote hoeveelheid literatuur waarin gewag wordt gemaaktvan buurteffecten, staat een kleine maar groeiende hoeveelheid kritischeempirische literatuur die een heel ander beeld geeft (bijv. Cheshire, 2007;Van Ham and Manley, 2010). In deze kritische literatuur wordt betoogddat er verrassend weinig overtuigende bewijzen zijn dat wonen in een ach-terstandsbuurt daadwerkelijk negatieve gevolgen heeft voor iemands kan-sen in het leven. Volgens Durlauf (2004) hebben zelfs gerespecteerde qua-si-experimentele onderzoeken, zoals die van de Gautreaux- en Moving toOpportunity-programma's (Rosenbaum, 1995; Katz et al., 2001; Goering etal., 2002) maar weinig bewijs gevonden voor buurteffecten. In de meesteniet-experimentele observatieonderzoeken (zie bijvoorbeeld McCulloch,2001) worden wel effecten gevonden, die meestal kunnen worden toege-schreven aan buurtselectie. Buurtselectie slaat op het probleem dat eenindividueel kenmerk dat als afhankelijke variabele wordt gemeten (bij-voorbeeld inkomen) vaak de reden is waarom mensen in eerste instantiein een achterstandsbuurt zijn gaan wonen. Als gevolg daarvan is een(groot) deel van de correlatie tussen de afhankelijke variabele en buurt-kenmerken te wijten aan het buurtselectiemechanisme. De buurt veroor-zaakt dus geen armoede, maar armoede veroorzaakt dat lage inkomens-huishoudens in achterstandswijken terechtkomen.TIEN UITDAGINGEN VOOR TOEKOMSTIG ONDERZOEK NAAR BUURTEF-FECTENEr wordt veel goed onderzoek gedaan naar buurteffecten en naar heteffect van gemengde wijken beleid, ook in Nederland (ook al is nietiedereen het daar mee eens, zie Gerritsen en Reininga, 2011). Veel van ditonderzoek is echter niet in staat om daadwerkelijke oorzakelijke verban-den aan te tonen tussen buurtkenmerken en individuele uitkomsten vanbewoners. In de rest van deze paper zullen we tien uitdagingen voor toe-komstig onderzoek naar buurteffecten presenteren die gezamenlijk dekennisontwikkeling op dit gebied moeten versterken.De eerste uitdaging is dat we explicietere hypotheses over oorzakelijkebuurteffectmechanismen moeten formuleren en toetsen (zie ook Smallen Feldman, 2012). Momenteel is het meeste kwantitatieve onderzoekerop gericht om statistisch significante correlaties te vinden tussenindividuele uitkomsten en buurtkenmerken, zonder oog voor een speci-fiek oorzakelijk mechanisme. Galster (2012) heeft vijftien potenti?le oor-zakelijke trajecten ge?dentificeerd, in vier categorie?n: sociaal-interac-tieve mechanismen, omgevingsmechanismen, geografische mechanis-men en institutionele mechanismen. Met sociaal-interactieve mechanis-men worden sociale processen bedoeld binnen buurten (zoals socialisa-tie). Omgevingsmechanismen functioneren door middel van kenmer-ken van buurten die direct gevolgen kunnen hebben voor de geestelijkeen/of lichamelijke gezondheid van bewoners, zonder hun gedrag tebe?nvloeden (zoals blootstelling aan geweld). Onder geografischemechanismen worden de effecten verstaan van de relatieve ligging vanbuurten (zoals slechte ruimtelijke afstemming van werkgelegenheid enwerkzoekenden). En ten slotte zijn daar de institutionele mechanismen,die verband houden met het gedrag van actoren buiten de buurt, die decontrole hebben over de beschikbare middelen en de toegang tot huis-vesting en diensten voor buurtbewoners.De tweede uitdaging is dat bij onderzoek het verband tussen de buurt-context en individuele uitkomsten explicieter moet worden onderzocht.Volgens Galster (2012) is het uiteindelijke doel van onderzoek naar buur-teffecten niet alleen om de mechanismen die buurteffecten veroorzakente identificeren, maar tevens om vast te stellen hoe groot de kwantitatie-ve relatieve bijdrage daarvan aan het onderzochte resultaat is. Het is dusbelangrijk te onderzoeken bij welke `dosering' van de buurt bewonersproblemen gaan ondervinden. Bijvoorbeeld, hoe lang moeten mensen ineen achterstandswijk gewoond hebben voordat er negatieve effectenoptreden?De derde uitdaging is het onderzoeken van meer `zachte' uitkomstvaria-belen. Bij onderzoek naar buurteffecten worden al zeer veel uitkomstva-riabelen gehanteerd (bijvoorbeeld arbeidsmarktpositie, inkomen,gezondheid en opleiding) en de meeste zijn relatief `harde' indicatoren,die zich gemakkelijk laten meten. Veel van de literatuur over buurteffec-ten is zeer normatief wat betreft de manier waarop mensen in achter-standswijken zouden moeten leven, en dat wordt weerspiegeld door degebruikte uitkomstvariabelen. Onlangs zijn verschillende landen, waar-onder Frankrijk (Stiglitz et al., 2009) en het Verenigd Koninkrijk(Stratton, 2010), begonnen met een poging om het welzijn van de bevol-king te kwantificeren, als waardevolle aanvulling op `harde' indicatoren.We kunnen ons in onderzoek richten op de effecten van het wonen inbepaalde buurten op inkomen, maar een wellicht belangrijkere vraag isof de bewoners gelukkig zijn met hun leven en hun buurt.De vierde uitdaging is het meten van `buurtgeschiedenissen' van men-sen. Meestal worden bij onderzoek naar buurteffecten de directe gevol-gen onderzocht van de buurt waar mensen wonen op bepaalde uitkom-sten, zonder rekening te houden met waar mensen eerder hebbengewoond. De meeste theorie?n over buurteffecten gaan er echter van uitdat een individu gedurende middellange of lange termijn aan lokalearmoede moet zijn blootgesteld voordat er een effect optreedt (Quillian,2003; Musterd et al., 2012; Hedman et al., 2012). Het lijkt vanzelfsprekenddat iemand die zijn hele leven in een arme buurt woont daarvan ernsti-ger negatieve gevolgen ondervindt dan iemand die slechts een korteperiode aan een dergelijke buurt wordt blootgesteld. Voor Zweden heb-ben Van Ham et al. (2012c) laten zien dat niet-westerse etnische minder-heden lange periodes in de armste buurten woonden. Tot nu toe zijn deeffecten van dergelijke langdurige blootstelling aan arme buurten in deempirische literatuur grotendeels genegeerd.De vijfde uitdaging is rekening houden met intergenerationale over-dracht van buurteffecten. Er is zeer veel sociologische literatuur dieerop wijst dat het opleidingsniveau van ouders een effect heeft op dekansen van hun kinderen, maar in buurteffectenonderzoek ontbreekt deaandacht voor intergenerationele overdracht grotendeels. Dat is verras-send. De weinige onderzoeken over de overdracht van nadelige buurtef-fecten van generatie op generatie laat zien dat de buurt van de ouderswel degelijk effecten heeft op de prestaties van hun kinderen wanneerdie volwassen zijn (Sharkey en Elwert, 2011; Hedman et al., 2012). Degrootste uitdaging voor onderzoek naar intergenerationele buurteffec-ten is het verkrijgen van geschikte onderzoeksdata (zie ook de negendeuitdaging).De zesde uitdaging is inzicht verwerven in hoe huishoudens buurten kie-zen en rekening houden met deze selectie in statistische modellen vanbuurteffecten. Doordat er in de literatuur te veel nadruk wordt gelegd opsteeds complexere statistische technieken om problemen met data te ver-54TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2013ONDERZOEKSDOSSIERhullen, krijgen we geen inzicht in de vraag waarom bepaalde huishoudensnaar bepaalde buurten verhuizen en welk verband er is met buurteffecten.We pleiten er voor om buurtselectie niet meer als hinderlijke factor tebeschouwen, maar expliciet in te bouwen in modellen van buurteffecten(Manley en Van Ham 2012). Als bij een onderzoek correlaties wordengevonden tussen buurtkenmerken en individuele resultaten, wordt er alsnel gesteld dat die het gevolg zijn van een selectiebias. We weten echtervrijwel niets over de redenen voor deze bias. Wat zijn de ongemeten facto-ren waardoor mensen naar een bepaalde wijk verhuizen en die tegelijkhun inkomen, gezondheid of andere resultaten bepalen? Als we theore-tisch inzicht hebben in de werking van buurtselectie, kunnen we nieuweonderzoeksvragen bedenken die ons in staat stellen om een beter modelvan buurteffecten te ontwikkelen.De zevende uitdaging is het beter operationaliseren van buurten.Daarbij spelen twee problemen een rol. Het eerste is dat voor veel onder-zoek administratieve eenheden als buurten worden gebruikt. Het pro-bleem daarbij is dat mensen aan de rand van een buurt kunnen wonen,waardoor de aangrenzende buurt relevanter is voor de ruimtelijke con-text (Hedman et al., 2012). Dat kan worden opgelost door met hetgebruik van GIS-software individuele buurten af te kaderen. Het tweedeprobleem is een schaalprobleem. Bij het meeste onderzoek naar buurtef-fecten wordt niet ingegaan op het feit dat effecten op verschillenderuimtelijke schalen merkbaar kunnen zijn. Uit gemakzucht en pragma-tisme is er een literatuur ontstaan waarin administratieve buurten `kanten klaar' worden gebruikt, zonder de vraag te stellen welke schaal hetmeest geschikt is voor de toetsing van het oorzakelijke mechanisme datwordt onderzocht. Veel oorzakelijke mechanismen die mogelijk een rolspelen bij buurteffecten, spelen zich af op een bepaalde schaal, die perlocatie en tijdstip kan verschillen.De achtste uitdaging is dat onderzoekers naar buurteffecten hun hori-zon zullen moeten verbreden en rekening zullen moeten houden metruimtelijke contexten die naast, of in plaats van, de buurt in kwestie ookrelevant kunnen zijn. Doordat de levens van individuele personen com-plexer zijn geworden, volstaat het niet meer om slechts de woonomge-ving in kaart te brengen als ruimtelijke context voor een individu. Nietalleen de buurt rondom de woning van een individu vormt een belang-rijke ruimtelijke context voor de interactie met anderen, ook de buurtwaar iemand werkt, zijn vrije tijd doorbrengt of dagelijks doorheen reistkan relevant zijn.De negende uitdaging is het verzamelen van betere onderzoeksgege-vens. Zoals Rubin (2008) opmerkt, zijn oorzakelijke verbanden beter teontdekken door middel van een solide onderzoeksontwerp dan via com-plexe statistische modelleertechnieken. Dat betekent dat bij onderzoeknaar buurteffecten meer gebruik moet worden gemaakt van gegevensop maat die primair worden verzameld om meer inzicht te krijgen in derol die de buurtcontext speelt in de levens van individuele personen. Inhet ideale geval volgen we mensen over langere periode, zodat we mak-kelijker oorzaak en gevolg kunnen onderscheiden en volgen we mensendie wel en niet worden blootgesteld aan bepaalde buurtkenmerken, bijvoorkeur in een experimentele setting (zie ook Gerritsen en Reininga,2011). Dergelijk onderzoek is zeer duur.De tiende en laatste uitdaging is een betere integratie van kwalitatief (metname etnografisch) en kwantitatief onderzoek naar buurteffecten.Kwalitatief onderzoek moet leiden tot de ontwikkeling van expliciete,toetsbare hypotheses die als leidraad kunnen dienen voor kwantitatiefonderzoek (Small en Feldman, 2012). Kwantitatieve analyse van grote lon-gitudinale databestanden, verrijkt met contextuele gegevens, is van cruci-aal belang voor het toetsen van de algemene toepasbaarheid van oorzake-Demeestetheorie?noverbuurteffectengaanervanuitdateen individu gedurende middellange of lange termijn aan lokalearmoedemoetzijnblootgesteldvoordatereeneffectoptreedt(Foto Marcel van den Bergh / Hollandse Hoogte)55TIJDSCHRIFT VOOR DE VOLKSHUISVESTING NUMMER 1 FEBRUARI 2013ONDERZOEKSDOSSIERlijke mechanismen. Kwalitatief onderzoek moet meer inzicht geven in deprocessen achter deze mechanismen: de vraag `waarom' kan immers nooitkwantitatief worden beantwoord. Het is belangrijk om de twee benaderin-gen te integreren in ??n onderzoeksontwerp (Small en Feldman, 2012).CONCLUSIEIedereen die onderzoek doet naar buurteffecten heeft de plicht omvraagtekens te zetten bij het wijdverbreide geloof in deze effecten, tot-dat het bestaan ervan in bepaalde buurten en onder bepaalde omstan-digheden is bewezen. Het afgelopen decennium zijn er miljarden euro'sbesteed aan het cre?ren van gemengde buurten in een poging de levens-kwaliteit van de bewoners van achterstandswijken te verbeteren, hoewelhet bewijs dat mengen werkt op zijn zachtst gezegd weinig overtuigendis (zie Tunstall en Lupton, 2010, voor een evaluatie van het beleid). Datis grotendeels het gevolg van beleid op basis van een geloof in buurtef-fecten, in plaats van beleid op basis van bewijzen. Met name in de huidi-ge economische crisis, nu westerse overheden hun belangstelling voorachterstandswijken lijken te zijn kwijtgeraakt en de bewoners van demeest achtergestelde wijken het zwaarst worden getroffen door bezuini-gingen, is het belangrijk om meer inzicht te krijgen in de gevolgen diehet wonen in een dergelijke wijk heeft voor iemands persoonlijke resul-taten. Wij beschouwen onze tien uitdagingen als uitgangspunten vooreen nieuwe onderzoeksagenda, die nieuwe richting kan geven aan dediscussie over buurteffecten.(Dit is een Nederlandstalige bewerking van een artikel dat in het Engelsis verschenen als van Ham M. & Manley D. (2012) Neighbourhood effectsresearch at a crossroads. Ten challenges for future research.Environment and Planning A. De Nederlandstalige tekst vormt tevensde basis van de intrederede van Maarten van Ham, uitgesproken op 12december 2012 ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt vanhoogleraar Urban Renewal aan de faculteit Bouwkunde van deTechnische Universiteit Delft.)DankwoordVeel van de idee?n die in deze paper worden gepresenteerd zijn afkomstig uit discus-sies gehouden tijdens drie seminars over de uitdagingen voor onderzoek naar buur-teffecten. Deze seminars werden deels gefinancierd door de ESRC (RES-451-26-0704,zie www.neighbourhoodeffects.org). Wij zijn verder zeer erkentelijk voor de financi?-le steun van een EU Career Integration Grant (PCIG10-GA-2011-303728, call identifi-er FP7-PEOPLE-2011-CIG) met het acroniem NBHCHOICE.LiteratuurAtkinson R & Kintrea K. (2001) Disentangling Area Effects: Evidence from Deprived andNon-Deprived Neighbourhoods. Urban Studies 38(11): 2277-2298.BBC. (2011) This is Britain with Andrew Marr: BBC2, 25/03/2011.Cheshire P. (2007) Are mixed communities the answer to segregation and poverty? York:Joseph Rowntree Foundation.Durlauf SN. (2004). Neighbourhood Effects. In: Henderson JV & Thisse JF (eds)Handbook of regional and urban economics. Volume 4 Cities and Geography.Amsterdam: Elsevier.Ellen IG & Turner MA. (1997) Does neighbourhood matter? As-sessing recent evidence.Housing Policy Debate 8(4): 833?866.Galster G. (2002) An economic efficiency analysis of deconcentrating poverty populati-ons. Journal of Housing Economics 11(4): 303-329.Galster G. (2012) The Mechanism(s) of Neighbourhood Effects: Theory, Evidence, andPolicy Implications. In: van Ham M, Manley D, Simpson L, Bailey N & Maclennan D(eds) Neighbourhood Effect Research: New Perspectives. Dordrecht: Springer.Gerritsen S. & Reininga T. (2011) Effecten van mengen wijken onbekend. Nederlandsonderzoek ontbreekt. CPB Policy Brief 2011/08.Goering J, Feins JD & Richardson TM. (2002) A Cross-Site Analysis of Initial Moving toOpportunity Demonstration Results. Journal of Housing Research 13(1): 1-30.Guardian (2012) Alan Milburn: Threat to new era of social mobility. Guardian Society.geraadpleegd 02/08/2012: http://www.guardian.co.uk/society/2012/may/26/alan-milburn-social-mobility.Hedman L, Manley D, van Ham M & ?sth J. (2012) Cumulative exposure to disadvantageand the intergenerational transmission of neighbourhood effects. IZA working paper.Katz L, Kling J & Liebman, J. (2001) Moving to opportunity in Boston: early results of arandomized mobility experiment. Quarterly Journal of Economics 116: 607?654.Manley D & van Ham M. (2012) Neighbourhood effects, housing tenure and individualemployment outcomes In: van Ham M, Manley D, Bailey N, Simpson L & Maclennan D(eds) Neighbourhood Effects Research: New Perspectives. Dordrecht: Springer.McCulloch A. (2001) Ward-level deprivation and individual social and economic outco-mes in the British Household Panel Study. Environment and Planning A 33: 667?684.Mooney G. & Hancock L. (2010) Poverty Porn and the Broken Society. Variant 39/40:14-18.Musterd S. & Andersson R. (2005) Housing mix, social mix and social opportunities.Urban Affairs Review 40(6): 761?790.Musterd S, Galster, G & Andersson R. (2012) Temporal dimensions and measurement ofneighbourhood effects. Environment and Planning A 44: 605-627.Musterd S. (2002) Response: mixed housing policy: a European (Dutch) perspective.Housing Studies 17(1): 139?143.Pinkster FM. (2009) Living in concentrated poverty. Amsterdam: Universiteit vanAmsterdam.Quillian L. (2003) How long are exposures to poor neighborhoods? The long-term dyna-mics of entry and exit from poor neighborhoods. Population Research and PolicyReview 22: 221?249.Rosebaum J. (1995) Changing the geography of opportunity by expanding residentialchoice: lessons from the gatreaux program. Housing Policy Debate 6(1): 231-269.Rubin DB. (2008) For Objective Causal Inference, Design Trumps Analysis. Annals ofApplied Statistics 2(3): 808?840.Sharkey P & Elwert, F. (2011) The Legacy of Disadvantage: MultigenerationalNeighborhood Effects on Cognitive Ability. American Journal of Sociology 116(6): 1934-1981.Small, M & Fieldman J. (2012) Ethnigraphic Evidence, Heterogeneity, andNeighbourhood Effects After Moving To Opportunity. In: van Ham M, Manley D, SimpsonL, Bailey N & Maclennan D (eds) Neighbourhood Effect Research: New Perspectives.Dordrecht: Springer.Stiglitz J. Sen A & Fitoussi J. (2009) "Report by the Commission on the Measurement ofEconomic Performance and Social Progress", www.stiglitz-sen-fitoussi.fr.Stratton A. (2010) "David Cameron aims to make happiness the new GDP" The Guardian15 November, page 14, http://www.guardian.co.uk/politics/2010/nov/14/david-cameron-wellbeing-inquiry.Tunstall R & Lupton R. (2010) Mixed Communities: Evidence Review. London:Department of Communities and Local Government. HMSO.van Ham M & Manley D. (2010) The effect of neighbourhood housing tenure mix onlabour market outcomes: a longitudinal investigation of neighbourhood effects. Journalof Economic Geography 10: 257-282.van Ham M, Manley D, Bailey N, Simpson L & Maclennan D. (eds) (2012a)Neighbourhood Effects Research: New Perspectives. Dordrecht: Springer.van Ham M, Manley D, Bailey N, Simpson L & Maclennan D. (eds) (2012b)Understanding neighbourhood dynamics: new insights for neighbourhood effectsresearch. Dordrecht: Springer.van Ham M, Hedman L, Manley D, Coulter R & ?sth J. (2012c) Intergenerational trans-mission of neighbourhood poverty in Sweden. An innovative analysis of individualneighbourhood histories. IZA Discussion Paper No. 6572 (www.iza.org).
Reacties