TIJDSCHRIFT VOOR DEYOLKSHUvoor ^veranderingTo?auoo>?aAnnet BertramMinisterie VROM, Den Haagtoen mij gevraagd werd een artikel te schrijvenover de herstructurering, in het bijzonder de 56wijken, had ik vanaf het begin een dilemma.Moet het gaan over de kaders, de samenhang en de ver-antwoordelijksverdeling waarbij ik de beleidstheorieen vanVROM nog weer eens uit de doeken doe? Of moet ik hetaccent leggen op een appel: een dringend beroep op degehele woningbouwsector om in actie te komen. Eenappel weliswaar tegen de achtergrond van de maatschap-Beweging door alle partijenIk heb mijn bijdrage dus 'To move or not to move'genoemd. Zoals ik hierboven al aangaf, geeft de titel denoodzaak aan van beweging in de woningmarkt, in deherstructurering met als einddoel: de gezonde en leefbarewijken waar het voor een gevarieerde bevolking goedwonen en leven is. Dat vergt dus ook van de bewonersmeer beweging: meer mobiliteit en meer wooncarrieres inde (eigen) wijk. Maar het veronderstelt in de eerste plaatsbeweging door partijen op het speelveld van de herstruc-turering. Beweging in ingenomen onwrikbare standpuntenvan partijen en beweging in geldstromen. Beweging ookin de uitvoerende processen. De VROM-interventies,beleidsvoornemens en acties moeten daaraan wordenI N Z E Tgetoetst: Leidt het ertoe meer dynamiek in de herstructu-rering te krijgen?De tijd van grotebeleidstheorieen en grotebeleidsnota's is voorbijIn de huidige situatie onderschrijven alle actoren dat erstagnatie optreedt in de herstructurering waarbij de oorza-ken en de gevolgen elkaar versterken.De belangrijkste doelstelling is daarom het tempo op tevoeren in de herstructurering van de verouderde wijken ende verloedering in de wijken effectief te bestrijden.Stilstand leidt tot grotere achterstand en dus tot grotereonvrede bij bewoners. Niets doen, vertraging of stagnatiegeeft teveel risico's voor het leefbaarheidsklimaat en hetvernieuwingsproces in de wijken. Uiteindelijk is er danmaar een groep de dupe en dat zijn de bewoners. Hetdaadwerkelijk aanpakken van de oorzaken van de stagna-tie van de herstructurering is het antwoord.door de sector zelf ervaren worden. We moeten toch aanhet eind van deze kabinetsperiode aan de burgers kunnenlaten zien dat we verder zijn gekomen dan alleen plannenmaken. De sector beroept zich terecht op zijn deskundig-heid. We kunnen voor de opgave in de wijken beschikkenover architecten van (Internationale) naam en faam.Corporaties, bouwers, projectontwikkelaars en gemeentenhebben decennia lang veel ervaring opgedaan met hetontwikkelen, uitvoeren en beheren van grootschaligewoningbouw en herstructureringsopgaven. De corporatiesals zodanig zijn vermogend, zonder dat we dat overigensmoeten overdrijven. Ik verwijs naar de rapportages daaro-ver van het Centraal Fonds Volkshuisvesting.' De sector alsgeheel beschikt dus over voldoende financieringsmiddelenom die investeringen te doen die nodig zijn om de brood-nodige versnelling te bewerkstelligen.Dat er, ondanks een deskundige en vermogende sectornog steeds sprake is van stagnatie is teleurstellend.Nogmaals: er is actie geboden om de burgers te laten ziendat we over zo'n dheeneenhalf jaar verder zijn gekomendan alleen plannen maken. Om die reden doe ik een appelop alle partijen.Er zijn verschillende oorzaken, waardoor partijen, inclusiefhet rijk, ondanks alle goede bedoelingen, nog onvoldoen-de in staat zijn geweest om dynamiek in het proces vanherstructurering te krijgen:? Zij zijn bij het aanpakken van problemen tegen belem-meringen opgelopen.? De samenwerking tussen partijen verloopt om uiteenlo-pende redenen niet soepel.? Niet eike partij beschikt over voldoende kennis envaardigheden, terwiji kostenverdeling, een teruglopendeeconomic of vertragende/ belemmerende regelgevingom faciliteiten of extra deskundigheid vragen.? Het afstemmen tussen sociale en fysieke aspecten vooreen integrate aanpak vergt meer tijd dan vooraf wasingeschat.? Bewoners voelen zich te weinig betrokken met allegevolgen voor de procedures.? Onduidelijkheid over wie de regie neemt.? Onvoldoende dadendrang.Actie geboden!Woorden en ambities omzetten in concrete daden levertbeweging en resultaat op. Actie en resultaat geeft vertrou-wen aan de bewoners, geeft impulsen aan de investeer-ders en brengt de vernieuwingsmachinerieen in de wijkenop gang. Het is om die redenen dat ik een dringend appeldoe op de gehele woningsector: kom in actie!Met recht en reden, want als ik de sector ga 'benchmar-ken' ten opzichte van andere sectoren constateer ik onge-looflijk veel potentie en geld in onze sector Het niet oplos-sen van de problemen en niet in staat zijn een tempover-snelling tot stand te brengen moet toch als een deceptieUiteindelijk is er danmaar een groep de dupe endat zijn de bewonersHet feit dat een gemeente de wijken - veelal in samen-spraak met andere partijen - bewust aangedragen heeft,schept verplichtingen naar elkaar Er zijn genoeg studies,voornemens en intenties met betrekking tot de(middel)lange termijn, maar voor deze wijken is er deovertuiging dat op relatief korte termijn merkbare resulta-ten te boeken zijn. Het gevolg is dat partijen niet zoekennaar de verschillen en de problemen maar zoeken naarovereenkomsten en opiossingen. Ik merk het bij mijnwerkbezoeken aan de C30-gemeenten waar de wijken-aanpak uiteraard ter sprake komt. We kunnen het ons nietmeer permitteren te vrijblijvend in het proces van herstruc-turering te staan. Als alle aandacht uitgaat naar de aange-wezen wijken zien bewoners dat er lets gebeurt en datzichtbare en merkbare resultaten geboekt worden.Druk opbouwen: weike acties zijn nodigBeleid en uitvoering zijn niet meer volgtijdelijk maar zijnmeer ineen geschoven. Het handelen, de interventies enhet aanbieden van de faciliteiten zijn meer gericht op hetopiossen van de blokkades waar op dit moment behoefteaan is. Om zicht te krijgen op wat er in de wijk speelt enweIke acties er nodig zijn weer beweging in het proces tekrijgen is het een voorwaarde om dicht bij het proces vanstedelijke vernieuwing in de wijken te staan. Doordat wewerken met accountmanagers en impulsteams staan we[7]oEHI N Z E Too0tussen de partijen en horen, zien en voelen we elkaarsproblemen.Met de introductie van de impulsteams beogen we niksmeer en niks minder dan om dichter bij de problematieken bij de uitvoering te staan. Als er zich problemen voor-doen is VROM de eerste die zich aanbiedt met de vraagof we kunnen faciliteren. Bijvoorbeeld met het doorreke-nen van de financiele kant of het adviseren over kosten enkostenverdeling. Van betekenis is in dat kader ook hetzogenoemde 'afsprakenkader' dat samen met de partijenis ontwikkeld. Soms gaat het om de sociale kant van deherstructurering of om meervoudige problemen op soci-aal/ fysiek terrein en kan het impulsteam tot een door-braak komen. Na aanvankelijke scepsis functioneren nutwintig impulsteams die veel waardering en enthousiasmeoogsten.De essentie achter al die interventies gericht op het inbeweging komen, is dat het mensenwerk is. Dat klinkthoogdravender dan dat het in wezen is: het gaat om hetuitwisselen van ervaringen door betrokken actoren. Doorelkaar te ontmoeten, van elkaar te leren en elkaar aanste-kelijk te inspireren. Het veronderstelt empathie en markt-tuning en vooral een manier van luisteren en daarbij bui-ten de eigen grenzen van het denken en handelen te tre-den. Speuren naar de kansen om bij een andere partij totversnelling te komen. Maar het betekent ook goed luiste-ren naar de (lokale) markt: welk stukje van de wijkaanpakmoet het eerst tot realisatie worden gebracht? Haasten,onthaasten en prioriteren. In Rotterdam zijn daar goedevoorbeelden van te noemen.Eigen verantwoordelijkheid benadrukkenWat ik in het proces van stedelijke vernieuwing blijf bena-drukken is de eigen verantwoordelijkheid van partijen.VROM zai haar eigen zaakjes op orde moeten hebben.Daar hoort nadrukkelijk bij dat VROM bij voortduring departijen zaI aanspreken. Als het moet zaI de minister departijen aan tafel vragen en wijzen op de verplichting omhun maatschappelijk bestemd vermogen ook daadwerke-lijk in te zetten. Van alle betrokken partijen mag verwachtworden dat verantwoordelijkheid genomen wordt in dezecomplexe, maatschappelijke opgave. Mensenwerk, lef enleiderschap en het werken met impulsteams zijn dan eenrode draad voor het handelen.ook gebruikt om systematisch in beeld te brengen opweike wijze en met weike graadmeters de volgende stap-pen op de kaart moeten worden gezet. Inmiddels is heteen jaar verder en zijn de nodige stappen vooruit gezet.Nu is er het moment om graadmeters toe te passen op devooruitgang.Weike vorderingen hebben de wijken gemaakt? En weikeresultaten zullen het komend half jaar worden bereikt? Departijen zullen in de 56 wijken periodiek de stand moetenopmaken, met als belangrijkste doel de vervolginzet tebepalen die nodig is om de wijkenaanpak in beweging tehouden in de richting van gezonde wijken, Wij zullen, lastbut not least, aan de bewoners vragen of zij daadwerkelijkbeweging zien.VROM als ontwikkelkrachtVROM afficheert zich sinds het aantreden van ministerDekker als 'ontwikkelkracht'. De opgave is concreet temaken wat ontwikkelkracht is, hoe dit feitelijk georgani-seerd wordt en wat het de samenleving uiteindeiijk ople-vert. Daarom zaI VROM zich de komende periode nogmeer moeten profileren als de faciliterende overheid.Onder de noemer 'De ontwikkelkracht van VROM in deherstructurering' onderneemt het ministerie een reeks vansamenhangende activiteiten om bij te dragen aan de ver-snelling van de vernieuwingsopgave in ons land.Als we ons richten op het faciliteren en stimuleren van suc-cesfactoren in het proces van stedelijke vernieuwing blijkener hoe dan ook vier succesvolle versnellers te zijn. Dat zijn:(1) durf en daadkracht, (2) betrokkenheid bewoners, (3)sociaal-fysieke aanpak, (4) omgaan met de regels.Op deze aspecten zullen de wijken van nieuwe inspiratieworden voorzien. Sleutelpersonen van binnen en buitenhet werkveld zullen ervaringen overbrengen en suggestiesaanreiken om doorbraken te forceren, om extra elan enversnelling in het proces te brengen.EIke wijk zou moeten kunnen aangeven hoe versneld is enhoe versneld zaI worden met behulp van de vier genoem-de versnellers. Zodoende kunnen de 56 wijken elkaaronderling helpen in het tot stand brengen van deze 'acce-leratie'. Kern ervan is dat wijken die voor soortgelijkeopgaven staan en vergelijkbare ervaringen hebben, bijelkaar een kijkje in de keuken krijgen. Vanuit die optiekvan ontwikkelkracht is VROM daarvoor graag een inter-mediair en partner.Dynamiek in de herstructurering brengen is de eerste stap.Vervolgens de herstructurering in beweging houden is vannog groter belang. We hebben het jaar 2003 gebruikt omde versnelling en het gewenste ambitieniveau van de her-structurering in de 56 wijken op de agenda te zetten.Zowel in de landelijke politiek als in de steden waarbinnende 56 wijken liggen. Er zijn afspraken gemaakt over deversnelling en het gewenste ambitieniveau van de stede-lijke herstructurering. We hebben de afgelopen periodeMoot1, Investeren uit steen; en: Verslag financieel toezicht woningcor-poraties 2002: Centraal Fonds Volkshuisvesting, Naarden,2003.}a^^.^ , ,,-,.^.ai.^eEstK.. .'-.Si.^ffiyJ, .Aiuiaii.*,tiiMte'^i*.-vt.I N Z E TNieuw leven voor de wijkenSybilla DekkerDe minister van Volkshuisvesting, RuimtelijkeOrdening en MilieubeheerIHfmISg^St ^^'' '^^'^ '' 000.000 bewoners, ruim^IHIIIi|| 500.000 woningen, dertig gemeenten,^^^^^^M^^^ bijna honderd corporaties en heel veel^^^^^^^^^^B projectleiders, bouwers, ontwikkelaars en^^1 H^ ^1 impulsteamleden zijn betrokken bij de^^B| I I ^B wijkenaanpak. De vertegenwoordigers1^^^ ^ ^^^ van al deze mensen, partijen en organi-fc. saties zijn zeer gedreven en creatief bezig^^ om de stedelijke vemieuwing in de aan-dachtswijken in een stroomversnelling te brengen. Diepositieve energie raakt en motiveert mij.Het tempo in de herstructurering van verouderde wijkenopvoeren en de verloedering van de wijken effectiefbestrijden. Dat is mijn ambitie. Effectief, niet alleen oppapier maar in zichtbare resultaten in de wijken. En datlukt! Een recent artikel uit Trouw bevestigt het nog eens;'Nieuw leven voor een wijk', kopte het dagblad in eenartikel over de Arnhemse wijk Malburgen: 'De tijd van pra-ten is voorbij. Mensen zien nu dat er lets gebeurt, dat hunwijk in de lift zit.'Op 8 oktober jongstleden heb Ik op de Spitsbijeenkomst50-wijkenaanpak toegezegd alle 56 wijken te bezoeken. Ikwil de wijken zien en met de bewoners praten. Om deurgentie van de problemen te onderstrepen, om kennis tenemen van specifieke kansen en problemen. Omdat ste-delijke vernieuwing altijd maatwerk is. Ik heb inmiddels almeerdan tien wijkbezoeken afgelegd. En nieuwe bezoe-ken staan al ingepland. Het contact met de bewoners ende uitvoerende partijen is voor mij heel waardevol. Om teleren en om te toetsen. Om te horen hoe mensen devoorgenomen of feitelijke veranderingen in hun wijk erva-Met de wijkenaanpak heeft de stedelijke vernieuwing eenduidelijke focus gekregen met een voorbeeldfunctie voorandere wijken. Wat werkt wel en wat werkt niet. Voor-beelden genoeg.Bij mijn bezoek aan de Amsterdamse Bijimer ben ik ergonder de indruk geraakt van het felt dat men daar slaagthet middenkader vast te houden in de wijk. De wijk, demensen en de sociale infrastructuren zijn hier uitgangspuntgeweest voor vernieuwing en verandering. Bewoners wil-len en kunnen nu in hun eigen wijk wooncarriere maken.Het effect is enorm. Meer trots in de wijk, meer rust in descholen en meer draagvlak voor ingrepen die bestbelastend zijn.Ook in andere wijken zoals in Rotterdam, Arnhem enGroningen zijn voorbeelden te noemen waar de wijkaan-pak tot positieve resultaten leidt.Ik spreek bij mijn werkbezoeken burgers aan en krijgonverbloemde kritiek op het tempo in de stedelijke ver-nieuwing en de miscommunicatie tussen burgers enbestuur. Maar ik ontmoet 66k geestdrift en engagementvoor de aanpak en de aandacht die wijken eindelijk krij-gen.De waarde van beide signalen is groot. Daarom stimuleerik heel bewust dat bewoners bij de plannen en de uitvoe-ring worden betrokken. Met het faciliteren van het'Experiment Burgerplatform VROM' hoop ik dat een brugwordt geslagen tussen de alledaagse werkelijkheid van debewoners en de abstracte beleidswereld van de plannen-makers.Ik praat ook met bestuurders en corporaties. Ik stel vragen:Wanneer tekenen jullie de contracten? Als geld niet hetprobleem is, wat dan wel? Kan ik, of kan het impulsteam,faciliteren bij het zoeken naar een opiossing? Waar staanjullie over een half jaar? Want daadkracht in de stedelijkevernieuwing is een kritische succesfactor. Lef en leider-schap zijn belangrijke eigenschappen daar waar het gaatom het bereiken van tempoversnellingen. Dat vraagt wet-houders die begrijpen wat er op straat speelt. Corporatie-directeuren die hun huurders kennen, bestuurders diestreetwise zijn. Het vraagt creatieve mensen die buitenhun eigen grenzen willen denken.U kunt mij aanspreken op de inzet van mijn departementvoor de 50-wijkenaanpak. Sinds mijn aantreden hanteertmijn ministerie het motto: 'VROM van hindermacht naarontwikkelkracht', Ik wil bij het versnellen van de stedelijkevernieuwing vooral het accent leggen op vier procesthe-ma's die impulsen kunnen leveren.? Stimuleren van durf en daadkracht;? stimuleren van betrokkenheid van bewoners;? stimuleren van een sociaalfysiek aanpak; en? stimuleren van het sneller toepassen van bestaanderegelgeving.Deze special van het Tijdschrift van de Volkshuisvestingover de herstructurering in de 56 wijken is mij uit het hartgegrepen. Ik hoop dat u er vooral een ding aan over-houdt: stedelijke vernieuwing is maatwerk voor mensen.Met een voortvarende uitvoering van de wijkenaanpak zijnzij het meest geholpen.0)e3I N Z E TDe 50-v\7ijken aanpakop de snijtafelNa het uitbrengen van de nota Mensen, wensen,wonen bleek al snel dat de omstandigheden veran-derd waren en dat het aan slagkracht ontbrak.Omdat er geen extra financiele middelen waren,was de enige keus feitelijk procesadvisering enderegulering. Maar is deze aanpak ook effectiefvoor de doelen die de rijksoverheid zelf heeft gefor-muleerd?Stedelijke Vernieuwing), maar noch een integrate her-structurering van oude woonwijken noch een forse ople-ving van de woningproductie kwamen van de grond.Opeens kwam er zand inde machine die moest draaienop de hete lucht van dekoophausse[10]as9a>o8uoo>oJan van der SchaarRIGO research en advies/ UvA, AmsterdamVROM-raad, Den Haag^f^^^ e stagnerende stedelijke herstructurering^K ^^ en de stagnerende nieuwbouw zijn begrip-^^^Ipen die al minstens drie jaar de vocabulai-re van de volkshuisvesters verrijken. Toen Kamp in juli2002 als minister aantrad, was we! duidelijk dat er ietsmoest gebeuren. Zijn brief over de 50-wijkenaanpak vandecember 2002 was bedoeld om een nieuwe impuls tegeven aan gemeenten om de dreigende achterstand tevoorkomen. De ambities van Remkes waren kort daar-voor weliswaar wat afgezwakt maar ook niet meer dandat. De herstructurering van de stedelijke woningmarkt,met hooggegrepen targets voor het jaar 2010, door eentransformatie van grijze viees-noch-viswijken in cen-trum-stedelijke of groene woonmilieus, bleef op deagenda staan. Maar de drijvende krachten die de uit-voering van die strategie mogelijk moest maken, name-lijk welvaartsstijging, toenemende kwaliteitsvraag en hetfloreren van de koopmarkt vielen in belangrijke mateweg door de conjunctuuromslag en door het inzakkenvan de hogere segmenten van de koopsector. Opeenskwam er zand in de machine die moest draaien op dehete lucht van de koophausse. Opeens werd duidelijkdat het Remkes' nota Mensen wensen wonen uit 2000^aan slagkracht ontbrak. Er werden prachtige stadsvisiesen ontwikkelingsprogramma's geschreven als basis voorhet toekennen van de ISV subsidies (InvesteringsbudgetHet uitvoeringstekortIn het debat over de voortgang van de woningbouw envan de stedelijke vernieuwing werden de oorzaken vande stagnatie vooral in de ingewikkelde regelgeving ende ingewikkelde procesgang gezocht; de taak van deoverheid werd deregulering en processturing (of beter:procesadvies) met het gelijktijdig benadrukken van denoodzaak van leiderschap op lokaal en wijkniveau. Dezefactoren zijn ongetwijfeld van belang, niet als verklaringvan de stagnatie, als wel van het gebrek aan reactiever-mogen van gemeenten, corporaties en marktpartijen opde inmiddels gewijzigde omstandigheden. Lange proce-dures maken planaanpassingen lastig en tijdrovend.Ingewikkelde coalitieverhoudingen bemoeilijken de plan-aanpassingen eens te meer. Waar iedereen zich in deafgelopen periode rijk had gerekend en dus belang bijactie had, blijkt nu het spel andere regels te hebben.Niet langer was de verdeling van de ontwikkelingswinst{planning gain) de inzet. Nu gaat het om het verdelenvan aanzienlijk minder winst dan aanvankelijk inge-boekt, zelfs van verlies, wat extreem veel tijd en moeitekost. Staatssecretaris Remkes, minister Kamp en numinister Dekker roeren vooral de from van de deregule-ring en procesadvisering. Ze hebben immers niet zoveelandere middelen tot hun beschikking. Misschien was dediagnose niet scherp maar waarom een scherpe diagno-se als deze leidt tot conclusies waar je beleidsmatig nietveel mee kunt? De kans dat er op de rijksbegrotingmeer financiele middelen ter beschikking zouden komenis immers nul. Financien redeneert rechtlijnig dat als decorporatiesector zo rijk is het rijk geen geld ter beschik-king hoeft te stellen. Pogingen tot intensivering van depublieke aansturing van deze sector zijn tot op hedenI N Z E Tweinig succesvol. Remkes' offensief is op dit punt zelfsvolledig mislukt. Nu worden dergelijke pogingen algauw in de hoek gezet van een niet-eigentijdse regel-drift.De nadruk op facilitair beleid is ook het resultaat vangebrek aan andere beleidsmiddelen. Daar komt nog bijdat een aanpassing van de systematiek van het ISV bui-ten de politieke realiteit ligt. Het zou in theorie mogelijkzijn geweest om de breed uitgesmeerde ISV-budgettenaf te schaffen en over te gaan tot een geconcentreerdeprojectsubsidie. Dan had de minister een sterk instru-ment om de voortgang van die projecten te versnellenen dus meer zicht te geven op uitvoering van de rijks-doelstellingen. AAaar deze directe interventie zou doorde ontvangende gemeenten nooit geaccepteerd wordenomdat hun beleidsdomein wordt ingeperkt. Wellicht zounog een soort ruil mogelijk gew/eest zijn door een dee!van het iSV in de algemene middelen van de gemeentente storten en een ander deel projectgewijs te verdelen.Dat zou weer het grotestedenbeleid ondergraven, metzijn pijierfinanciering waarvan het ISV het constituerendeen lichtende voorbeeld vormde. De VROM-bewindslie-den waren en zijn dus met handen en voeten gebonden.De belangrijksterijksinterventie lijkt hetbenoemen van die wijkenzelf te zijnEen nieuw instrument binnende ISV aanpak?De 50-wijkenaanpak is nu een instrument binnen hetbestaande ISV-instrumentarium geworden. Tot nu toezijn er weinig instrumenten toegevoegd, buiten hetAfsprakenkader' en, zeer recent, het achterwege latenvan een dubbele overdrachtsbelasting bij stedelijkeinvesteringsmaatschappijen. Dit zijn bovendien generiekwerkende maatregelen. De belangrijkste rijksinterventielijkt het benoemen van die wijken zelf te zijn. Binnen devele taken en doelstellingen van gemeenten geeft dit, zois de hoop, focus. In het licht van de schijnwerperskomen misschien eerder de coalities tussen woningcor-poraties, bewoners en marktpartijen tot stand. Het isook een stapje weg van een allesomvattend beleid,gelukkig maar. Integraal beleid is immers een contradic-tio in terminis: beleid bestaat slechts bij de gratie vanselectiviteit. Dat er dus wijken worden aangewezen dienaar het oordeel van de gemeenten niet alleen ingrijpenbehoeven maar ook kansen op succes bieden, is winst.Dat de VROM-Directie Stad & Regio bij wijze van pro-cesinterventie actiever wordt ingeschakeld, is voor veelgemeenten op zich niet zo belangrijk maar past wel inde organisatiestrategie van dit ministerie. Betere contac-ten met het veld zijn van belang voor een responsieverijksoverheid. Het is een voorwaarde voor een beterfunctionerende beleidssector; dus kan ik daarover ookniet rouwig zijn. Impulsteams kunnen in de praktijk nut-tig werk toen, vooral als er in de lokale onderhandelin-gen allerlei patstellingen zijn bereikt die door de dwin-gende ogen van buitenstaanders doorbroken kunnenworden. Het is werk dat door talloze adviesbureauswordt gedaan en de impulsteams zijn ook veelal dooradviseurs bemenst. Geen kritiek dus.Is het allemaal voldoende?Het kost mij moeite om deze vraag positief te beant-woorden. De 56 wijken waren naar ik aanneem allangonderdeel van de ISV-aanpak. Dat betekent dat al vanaf1998/ '99 in het kader van het stedelijke-vernieuwings-beleid van het rijk plannen zijn gemaakt, vermoedelijk allllustratie:Witmor, Madrid.: 11:01a3I N Z E T112]aJ3veel langer. Als men nu de het DGW-boek (Directoraat-Generaal Wonen) inziet waarin ook de stand van deplanvorming wordt getypeerd, blijkt dat rond de jaarwis-seling slechts een zesde van de aangewezen wijken deplannen zich in de uitvoeringsfase bevinden; in veruit demeeste gevallen is men met de planvorming en debesluitvorming daarover bezig. DGW wil dat er over dehele linie eind 2004 prestatiecontracten tussen gemeen-ten en corporaties zijn gemaakt. Dan moet de uitvoeringnog beginnen; pas in die fase komen de echte proble-men van bekostiging en uitvoering in zicht. Men beden-ke dat het hier om wijken gaat die zijn geselecteerd van-wege de kans op succes. Dan is de score toch bepaaldniet goed. De tegenwerping zou kunnen zijn dat er welveel in de wijken gebeurt maar dat dit niet uit de standvan de plannen en van de formele besluitvorming blijkt.Dat tegenargument lijkt mij wel hout te snijden. Vooralintegrale plannen zijn vaak een archief van beleidsvoor-nemens uit een nabij verleden. De rationele wereld vande plannen- en beleidsmakers is vaak een andere dandie van vastgoedbeheerders en wijkbewoners. Ergebeurt in de wijken veel buiten plannen. Als dit argu-ment juist is, is de ambitie van VROM om zowel hetambitieniveau als de voortgang te bevorderen door eenhernieuwde nadruk op formele planvorming en presta-tieafspraken niet hecht gefundeerd. Die conclusie zouheel pijniijk zijn omdat het ISV is gebouwd op het con-cept van prestatiegerichte decentralisatie, waarbij degemeenten als contractpartner van het rijk zich verplich-ten tot het realiseren van vooraf afgesproken doelen inruil voor het verkrijgen van subsidie. Voorstanders vaneen financiele rijksbetrokkenheid bij de stedelijke ver-nieuwing kunnen dus niet de argumentatie in de strijdwerpen dat er veel buiten de plannen gebeurt en zijndus wel gedwongen mee te doen in het spel van ratio-neel beleidsontwerp en beleidsconforme uitvoerings-praktijk. En dan blijft de constatering recht overeindstaan dat de voortgang na al die jaren van ISV-praktijk,waarbinnen de 50-wijkenaanpak past, toch wel heel ergte wensen overlaat en een verdergaande beleidsintensi-vering nodig is als de realisatie van rijksdoelstellingenwenselijk wordt gevonden.Vooral integrale plannen zijnvaak een archief vanbeleidsvoornemens uit eennabij verledenMeer redenenEr zijn nog meer redenen voor een terughoudend ant-woord op de vraag of de inzet met de 50-wijkenaanpakvoldoende is. Het gaat dan om de roep om lef en leider-schap op lokaal niveau en de om /ncenf/Ve-structuurvan het rijksbeleid.Lef en leiderschap allereerst. In roerige tijden en bij com-plexe vraagstukken is het fantastisch als er iemand voorde troepen uitloopt, doelen formuleert en de meutemeetrekt. AAaar niet alleen zijn dergelijke getalenteerdemensen uiterst schaars. In de complexe verhoudingentussen de betrokken partijen ontbreekt een natuudijkepicentrum waarbinnen dat leiderschap zich ontwikkelenkan. Herstructurering van wijken is een proces met groteinvesteringsrisico's, waardoor de belangen van partijenniet automatisch samenvallen. De plannen zijn het resul-taat van langdurige onderhandelingen en worden voort-durend bijgesteld. De duur en de uitkomst daarvan zijnongewis. De conjunctuur is onvoorspelbaar en dus deafzetcondities ook. Dat betekent dat rationed handelen-de actoren een risicopremie op hun normaal rendementzullen zetten, hun investeringen zoveel mogelijk zullenuitstellen en relatief snel afhaken. Maar dat gedrag staathaaks op de noodzaak om het vertrouwen in de buurt teherstellen door zichtbare acties te ondernemen en doorte investeren zonder redelijke zekerheid over het tebehalen rendement. Woningcorporaties hebben demogelijkheid risico's minder zwaar te wegen en onren-dabel te investeren, maar zijn niet automatisch bij eenintegrale herstructurering van de wijk belanghebbende.Er is bovendien een voortdurende domeinstrijd met de(veelkoppige) gemeente, die wel veel roept maar doorandere partijen vaak als een risicofactor wordt gezienomdat de financiele binding aan de uitvoering van hetbeleid in belangrijke mate verdwenen is. Gemeenten,bestuurders of ambtenaren, hebben op hun beurt nietveel doorzettingsmacht. Ze kunnen verleiden met watgeld, met planologische maatregelen en met woonbeleid(visie), maar meer ook niet.Niet alleen markten falen, (beleids-)netwerken doen datook. Onderlinge afhankelijkheden kunnen een sturings-instrument zijn zoals de voorstanders van horizontaalbestuur betogen maar dat vergt wel dat partijen eengelijkgericht belang hebben. In een investeringssector alsde volkshuisvesting bestaan de gelijkgerichte belangener niet zonder meer. Het is ook niet toevallig dat allerapporten over de gemeentelijke regie aan een niet teverteren vaagheid lijden door het gebruik van allerleibestuurlijke metaforen. De instrumentenmix waar metname gemeenten gebruik van kunnen maken is wel ergsmal geworden.Verhouding rijk-gemeentenlets soortgelijks geldt ook de verhouding tussen rijk engemeenten. Het ISV is een sturingsmodel dat zondermankeren in het best practice-boek van Osborne &Gaebler past.' Dat partijen in de bestuurskolom overeen-stemming bereiken over de na te streven doelen, inI N Z E Tonderling overleg vaststellen wat de ambities zijn en deeen zich verantwoordt over het bereikte resultaat in ruilvoor geld van de ander zonder dat de geldverschafferzich met de uitvoering bemoeit, dat allemaal is natuurlijkexemplarisch voor het denlU\t het raam schijntscheefde namiddag zonrood en ongewoonalsofze het gordijn heeft gescheurdom een boot op mijn muurte later) vailen....et gedicht is van Goreif, een vriend,een landgenoot die in een oud liuiswoont. Hij zet een stoel voor hetraam en laat de zon Inet gordijnscheuren om een boot van zijn thuis-rivier op zijn muur te laten vailen. Zomaakt hij zijn huis plezierig enbewoonbaar.De bomen groeien hoog en buigen zich voorover, de par-ken worden oud en de woonwijken gaan achteruit.De gemeentelijke ambtenaren gaan achter ronde tafels zit-ten om te kijken hoe ze de oude huizen, pleinen, bruggen,en bomen kunnen vernieuwen.Ze spreken een ambtelijke taal: 'Een stad vraagt omonderhoud, maar het proces van stedelijke vernieuwingstagneert.'De minister komt met andere tekst en uitleg: 'De grotesteden zijn emancipatiemachines, alleenstaande startersmet een laag inkomen komen er in, gezinnen met hogereinkomen gaan er uit! Maar in de 56 prioriteitswijken ligtde situatie anders! Daar dreigt zand in het emancipatiepro-ces te komen. Een concentratie van lage inkomens.'Dus werd er een titel bedacht: '50-wijkenaanpak.'Ik kreeg een brief met een verzoek: 'Schets een beeld vanhoe de 56 w^ijken er in het jaar 2015 uit zouden kunnenzien.'Ik zie het precies voor me, hoe die wijken, huizen in 2015er uit zullen zien.De oude flats zijn gesloopt en in plaats daarvan zijn er watduurdere woningen neergezet. Er staan huizen met rodestenen, en blauwe kozijnen, jonge bomen en gekleurdelantaarnpalen precies zoals ze nu in de koopcatalogussente zien zijn.Buiten de dossiers van de gemeentelijke ambtenaren is ereen ander beiangrijk aspect dat het gezicht van die 56 wij-ken in de toekomst gaat bepalen. Het is de taal.De taal is een wezenlijke factor die de beslissingen van dehoge ambtenaren en de minister ongedaan zai maken.Er is niets mis met oude huizen en oude pleinen. Ze kun-nen mooi zijn en mooi blijven. Net als het huis waar dedichter woont.De taal kan een oud huis, een oude straat leefbaar maken.Spreken in een gebrekkige Nederlandse taal maakt hethuis lelijk. De 56 wijken zijn probleemwijken gewordenomdat de straten geen sterke aansluiting met deNederlandse taal hebben. De huizen zien er niet gezonduit omdat daar de kranten dood zijn.De meeste bewoners van die wijken zijn immigranten, zehebben geen levend contact met hun eigen taal en ookgeen 'geven en nemen- contact' met de Nederlandse taalen cultuur.De oude wijken kunnen voor eeuwen bewoonbaar blijvenals de bewoners een rijke herinnering aan die huizen hou-den zodat ze door de kamers lopen, ze de verhalen horendie ze daar ooit gehoord hebben.Cement, ijzer en verf zijn de noodzakelijk bouwmaterialenom de 56 wijken te vernieuwen, maar de taal is dekrachtige bulldozer waarmee de minister een stevig funda-ment aan die wijken kan geven.De dichter Goreif woont in een van die wijken. Maar zijnhuis is gezellig en leefbaar omdat hij er met zijn boeken engedichten in woont. Hij zit in zijn stoel bij het raam, kijktnaar het oude meer en dicht:De beweging van de stille dingenHeb ik van het v/aterVan dat meer geleerd.Ergens vandaan heeft het meerContactMet alle v/ateren van de wereld,Waar komt anders dit verse water vandaan?De vogels vliegen er bovenEn duiken er gelukkig in.Cod! Hoe? Hoe zit dit gesloten meerIn de wereld van eigen wateren?k^..A A N P A KDe corporatievermogens als investeringsstimulansEen rijke oomen een arme neefWil de stedelijke herstructurering wat voorstellen, dan zal er geinvesteerd moeten worden. Hetzijn processen met een zeer lange looptijd en een beperkte mate van zekerheid wanneer deinvesteringen zichzelf terugverdienen. Wie kan precies voorspellen hoe in 2021 de marktpositiezal zijn van Holtenbroek in Zwolle, van de Kruidenbuurt in Eindhoven, van Geeren-Zuid in Breda?Vincent SmitVROM-raad, Den Haag^^^^^^ij alle planner! speelt de inschatting van^^ ^Brisico's een grote rol. Zeker in tijden van^B^^^^ economische neergang wordt voorzichtig-heid als een grote deugd gezien. Corporaties die financi-eel zwak staan of het niet breed hebben, zullen terug-houdend omgaan met het aangaan van grote financieleverplichtingen. Men leent zich niet graag arm. Eenandere mogelijkheid is dat er bij investeringen strengeeisen inzake het rendement op relatief korte termijnworden gesteld, wat invloed heeft op de plannen zelf(huur- en verkoopopbrengsten) of op het belaid van decorporatie (bouwbeleid, huurbeleid, verkoopbeleid). Ditgedrag van 'tering naar de nering zetten' is heel respec-tabel, maar het is geen impuls om de stedelijke herstruc-turering in 56 wijken viot te trekken. Zowel trage als tedure plannen zijn dan een hinderpaal.Voorzichtigheid is verankerd in de sector. Er zijn institu-ten opgericht om de financiele soliditeit van de corpora-ties te bewaken of te verstevigen. Het (publieke)Centraal Fonds Volkshuisvesting en het (private)Waarborgfonds Sociale Woningbouw hebben elk eentaak en een rol hierin. Beide instituten hebben eenbouwwerk aan parameters opgetrokken die van groteinvloed zijn op het gedrag van de corporaties.Het goede nieuws is nu dat deze constellatie een effec-tief middel is gebleken voor de financiele continuTteit.Op dit moment zijn grosso modo de corporaties financi-eel gezond. Dat is iets wat tien jaar geleden nog niet zozeker was (bij de brutering) en wat andere bedrijfstak-ken (bijvoorbeeld betaald voetbal) niet kunnen zeggen.De voorziening is zelfs zo succesvol geweest dat de cor-poratiesector inmiddels over een ruime overmaat aanvermogen beschikt (elf miljard euro).Men leent zich nietgraag armHet problematische van succesDit succes is een probleem. Hoe verantwoordt eenwoningcorporatie met een vermogenspositie die hetviervoudige bedraagt van wat minimaal noodzakelijk iseen voorzichtig investehngsgedrag, een huurverhogingvan 3%, een verkoopprogramma dat alleen maar geldopievert? Dat valt niet mee. Rijkdom belemmert dan het'normale' beleid van een woningcorporatie, terwiji jaren-lang werd uitgezien naar de dag dat er een financieelsolide positie zou zijn omdat men dan de eigen prioritei-ten zou kunnen volgen. Om de verworven ruimte tebenutten is ondernemingsgezindheid nodig. Het succesvan een corporatie is immers geen afspiegeling van hetpercentage solvabiliteit. Een A-status bij het CentraalFonds Volkshuisvesting impliceert nog niet dat de corpo-ratie een treffend antwoord geeft op de huisvestingsvra-gen in het eigen werkgebied.Het maatschappelijke beroep op investerende corporatiesis inmiddels alleen maar toegenomen. Meer sociale wonin-gen, zorg, leefbaarheid, herstructurering, openbare ruimte.En hoeveel de corporaties ook uitdragen dat zij zoveel15]a>eA A N P A KDe ene corporatie is rijken heeft een bescheidenopgave...aaso>?uOo>doen, zij kunnen niet bogen op een omvangrijke productievan sociale-huurwoningen de laatste acht jaar. Zeker, daaris de overheid ook verantwoordelijk voor die met een welerg blijmoedige doorstromingsideologie (van goedkoopnaar duur doorstromen) en met een buitengewone inte-resse in de grondopbrengsten de koers verlegde naar meermarkt en meer dure koopwoningen. Maar dit neemt nietweg dat deze niet-gebouwde woningen ook geen investe-ringen hebben gevergd en dat nu veel steden en regie'seen hoge druk op de huurmarkt laten zien.De druk om te investeren is toegenomen en zai nog toene-men. De middelen zijn er en in die zin is de vaststelling 'hetligt niet aan een tekort aan geld' ook correct. De kwestie zitin het vrijmaken en bestemmen van de middelen en hettoesluizen van de middelen naar de belangrijkste kwesties.Matching van taken en middelen dus.Van wie zijn de middelen?Van wie is de corporatie en wie gaat er over het vermogenen de overmaat? Zo moeilijk is deze vraag niet. Corpora-ties zijn met de brutering in 1995 verzelfstandigd en zijnzelf verantwoordelijk voor de financiele continuTteit vanhun bedrijf. Maar er is ook het misverstand dat met debrutering de overheid en de corporaties los van elkaar zijnkomen te staan en dat hierdoor de overheid niet veel meerte willen heeft van de corporaties. De corporaties zijn welverzelfstandigd, maar niet geprivatiseerd. Op het vermo-gen rust onverkort de bestemmingsplicht: het vermogenmag uitsluitend ingezet worden in het belang van devolkshuisvesting. Het vermogen is dus niet 'vrij'. Met deWoningwet en het BBSH (Besluit Beheer SocialeHuursector) is het juridisch kader gegeven en de overheidis dus gerechtigd doelen te formuleren over de invullingvan de volkshuisvestingsopgave. De overheid hoeft dusniet steeds steun van de woningcorporaties voor maat-schappelijke taken 'in te kopen'. Ook als er geen subsidiesworden versterkt, moet de corporatie zich aan de overheidlets gelegen laten liggen.Dit alles verhindert niet dat corporaties zelfstandige socialeondernemingen zijn die professioneel en klantgericht aanhun opgave werken. Het zijn geen taakorganisaties van deoverheid, evenmin als het marktorganisaties zijn die dewetten van de vrije markt volgen. Er is zogezegdhybriditeit. Dit is helemaal niet erg, dit is geen ziekte.Er is dus een legitieme grond voor het formuleren vanpublieke doelen voor de aanwending van het corporatie-vermogen. Als de overheid ervoor kiest om stedelijke her-structurering te agenderen, en er is een forse overmaatA A N P A Kaan vermogen in de corporatiesector, dan komt de corpo-ratiesector niet weg met de stelling dat individuele corpo-raties zelf maar moeten zien of en hoe ze hierop ingaan.Dan wordt het tijd om te gaan bewegen.En er wordt bewogenSinds 2002 worden er constructies bedacht om de mat-ching van de grond te tillen. De politieke druk nam toe(motie-Van Gent december 2002). Sinds 2000 bestondhet College Sluitend Stelsel dat in principe een brug naarmatching zou moeten vormen, maar van dit instituut isgeen gebruik gemaakt. Aedes liet vaak weten dat ditaantoonde dat er geen behoefte was aan matchingCalles is al geregeld'), maar ontwikkelde voor de zeker-heid ('de politiek vraagt er om') met Vernieuwde Staden het WSW het Garantiefonds Stedelijke Vernieuvi^ing.Het College Sluitend Stelsel werd niet gebruikt vanwegede geur van sanering die het College had (daar houdencorporaties niet van) maar ook door de zeer strenge voor-waarden voor projectsteun.Drie van deze voorwaarden zijn niet anders dan zeer ont-moedigend te noemen;? de bepaling dat projectsteun alleen wordt gegeven alsdoor het project de corporatie onder het minimaalnoodzakelijk weerstandsvermogen zakt;? de bepaling dat een corporatie zelf alle maatregelenmoet nemen om het eigen plan van een dekking tevoorzien (verkoop, huurverhoging, temporiseren,onderhoud) alvorens steun wordt verleend;? de bepaling dat een aantoonbare inspanning geleverdmoet zijn om geld van derden te verwerven alvorenssteun wordt toegekend.Steun kan dus alleen worden verleend als de corporatieminvermogend dreigt te worden, als de eigen verdienca-paciteit maximaal is benut en geen eike andere partijgevonden is. Op het parkeerterrein van het CollegeSluitend Stelsel zijn tot nu toe weinig auto's gesigna-leerd.Het Garantiefonds Stedelijke Vernieuwing is een privaatinitiatief binnen de corporatiesector waarin de borgings-ruimte van een rijke corporatie gebruikt wordt door eenarme corporatie om (meer) te kunnen lenen. Er wordt dusniet geschoven met geld of met vermogen, maar met bor-gingsruimte. Het draait op vergroten van de leencapaciteiten is wel eens gekscherend vergeleken met eenWehkamp-model....de andere is arm enheeft een grote opgave.Dat werpt vragen opover 'matching', hetinzetten van corporatie-vermogen op plekkenwaar dat het hardstnodig is.(foto links: JohannesAbeling, Amsterdamfoto rechts: EllenHoutman, Den Haag) 01ssaA A N P A Ko[18101B9JtO>OduooBehalve het College Sluitend Stelsel en het Carantiefondszijn er nog veel andere initiatieven te noemen: collegialefinanciering (met geld uit Deurne worden studentenwo-ningen in Delft gebouwd), commanditaire vennootschap(participaties van corporaties binnen en buiten Utrecht bijeen studentencomplex in Utrecht) en een LandelijkeVerkoop Toegelaten Instelling (LVTI, landelijke corporatiekoopt woningen op, waarna de lokale corporatie liquidemiddelen heeft voor investeringen).Is het wel genoeg?Dit is allemaal prachtig en initiatieven die van onderopkomen zijn vaak precieser en leuker dan structuren die vanbovenaf worden bedacht. Echter, is het wel genoeg?De initiatieven zijn op van alles gericht, behalve op hetoverdragen van vermogen. De LVTI houdt zich bezig methet liquide maken van de middelen die in de stenen zijnopgeslagen, het Carantiefonds verruimt de leencapaciteit,collegiale financiering hangt sterk af van toeval en vanchemie tussen twee corporatiedirecteuren.Het is echter zeer de vraag of de angstvallige vermijdingvan vermogensoverdracht wel zo productief is. Er kunnental van situaties zijn waarbij deze variant kan helpen. Deconsequentie van een keuze voor de mogelijkheid van ver-mogensoverdracht is echter dat dit alleen via een verplich-te heffing geregeld kan worden. En dan beginnen deterugtrekkende bewegingen. Het wordt - los van de nood-zaak of het goede doel hiervan - gezien als een inbreuk ophet gevoelde private karakter van de corporatie. Heffing ishet H-woord van de corporatiesector.Heffing is het H-woord van decorporatiesectorInmiddels mag dan wel de indruk gewekt worden dat degehele sector bevangen is door het matchingsv'uus engematcht wordt dat het een Neve lust is. Nuchter gesteldmoeten we echter vaststellen dat het bij veel (vermogen-de) corporaties nog een 'ver-van-mijn-bed-show' is. Er zijngenoeg voorbeelden van vermogende corporaties zondereen concreet matchingsmitatlei. Maar er zijn ook voorbeel-den van corporaties die een grote opgave hebben en eenrelatief zwakke vermogenspositie die geen beroep opondersteuning doen. Zo lijken beide typen van corporatiesbezig te zijn met het afbakenen van hun eigen domein. Deeerste categorie ziet eigenlijk geen probleem, vertrouwendop het eigen vermogen, de tweede ziet geen probleem,wil geen pottenkijkers en vertrouwt op het eigen ego.Matching wordt in de corporatiesector gezien als een pri-vate, corporatie-interne kwestie. Aan de individuele corpo-ratie wordt de keuze gelaten of men er wel of niet (aan devragende of aan de biedende kant) instapt. Aedes draagtdan wel uit dat 'matchen moet' maar zai - Aedescode ofniet - een lid niet tot vermogensoverdracht dwingen. In demafoft/ngsarrangementen zit te veel privaat en te veel vrij-willig. Een meer verplichtende formule is nodig. Vreemdeogen dwingen.Wat moet de overheid?De overheid kan het voertuig van de matching vanuit depublieke verantwoordelijkheid installeren. Met kaders enbeleidsregels kan bevorderd worden dat de bestemmingvan het non-profffvermogen in investeringen in nieuw-bouw, woningverbetering, herstructurehng, leefbaarheidligt en dat vermogen in gebieden waar de opgave klein iswordt ingezet in gebieden waar de opgave groot is. Ditis niet hetzelfde als grootscheepse afroming van de over-maat van corporatievermogens. Het is ook niet het 'gelijktrekken' van de vermogenspositie van arme en rijke cor-poraties. Het betekent evenmin dat de overheid deinvesteringen tot in detail stuurt. Dit is voorbehoudenaan de corporaties. De overheid organiseert slechts dat ereen seheus en volwassen mafc/7/r?gsvoertuig is waardoorer investeringen op gang komen die corresponderen metdoelen van de nationale en lokale overheid.Het meest eenvoudig voor de korte termijn is het ver-eenvoudigen van de weg naar projectsteun. Met hetslopen van de drie eerder genoemde ontmoedigendevoorwaarden is al veel gewonnen. Dit past ook in hetdereguleringsdenken. Dan kunnen corporaties met eenzwakke vermogenspositie en een zware opgave ookeenvoudiger aangezet worden steun te vragen en hunangst voor pottenkijkers te overwinnen. Het gemak isdat een dergelijk systeem van heffingen al bestaat. Hethoeft alleen maar uit de ijskast te komen. Dm een sti-mulans in te bouwen kan aan corporaties die al in eenvan de 56 prioriteitswijken in herstructurehng investe-ren, vrijstelling verleend worden.Voor de langere termijn kan gebruik gemaakt worden vanhet advies van de VROM-raad. In het advies 'omgaan metovermaat' (2003) worden de contouren geschetst van eenInvesterings Maatschappij Stedelijke Vernieuwing. Dezeinstelling kan gevoed met de middelen uit deze heffingenmet bijdragen-ineens, leningen, participaties en garantiesde herstructurehng in de prioriteitswijken ondersteunen.Omdat dit werkt als risicobuffer, zaI het stimulerend wer-ken op investeringen. Omdat de middelen afkomstig zijnuit de corporatiesector, zaI de besteding van deze midde-len binnen de bestemmingsplicht van het non-profits/er-mogen moeten blijven. Het is ongewenst als matchingleidt tot een lek van dit vermogen naar geheel anderebestemmingen dan wonen en woningen. Dit doet afbreukaan het draagvlak hiervoor en de overheid kan de verant-woordelijkheid voor aangrenzende zaken als openbareA A N P A Kruimte niet ontlopen. Zo'n maatschappij kan gezien wor-den als een versterkte opvolger van het College SluitendStelsel en kan naast het Centraal Fonds Volkshuisvestingen het Waarborgfonds Sociale Woningbouw gepositio-neerd worden. In het advies zijn nadere aanbevelingenover de positionering opgenomen.EgeltjesgedragDe beleidsontwikkeling op nationaal niveau kent veel egel-tjesgedrag. Binnen de overheid zijn reflexen van terugtre-ding en van dirigisme. Na de brutering van 1995 lag hetaccent sterk op verzelfstandiging. In de discussie bij denota Mensen, wensen, wonen was het speelveld van decorporaties een belangrijk discussiepunt. De komst van hetCollege Sluitend Stelsel, als vorm van matching in 2000,was de resultante van een politick akkoord tussen hettweede paarse kabinet en de sector. De politick wilde dater lets op dit vlak gebeurde, de sector kon alleen hiermeeakkoord gaan als het niet al teveel voorstelde. De eerdergenoemde ontmoedigende voorwaarden van projectsteungetuigen hiervan.In 2003 stonden minister Kamp en later minister Dekkervoor de keus hoe aan de druk tot een meer slagvaardigematching tegemoet gekomen kan worden. Minister Kamphad in november 2002 de sector een half jaar de tijdgegeven om zelf met een sluitend voorstel te komen.Medio 2003 moest de nieuwe minister, mevrouw Dekker,haar positie bepalen in een langlopend debat. Optics vari-eerden van niets doen, het Garantiefonds StedelijkeVernieuwing, een Investerings Maatschappij tot een afro-ming van vermogen. In de brief van 6 november 2003kiest de minister een heel voorzichtige koers. Aan de enekant wordt het Garantiefonds door de minister nietgesteund: zij sluit zich aan bij de kritiek van het CentraalFonds Volkshuisvesting ('is gebruik van het Garantiefondswel verantwoord voor financieel zwakke corporaties?').Aan de andere kant neemt zij het voorstel van de VROM-raad voor een Investerings maatschappij (nog) niet overCeens met de analyse, constructie is goed doordacht, maarik oordeel anders over de noodzaak om die constructie nuin te voeren'). De minister kiest voor een 'individueelappel' aan kapitaalkrachtige corporaties. Als dit onvol-doende opievert, dan is het gebruik van vereenvoudigdeprojectsteun onontkoombaar. Zij kondigt aan 'zonodig viaeen aanwijzing aan nader te bepalen corporaties' op tetreden. De Tweede Kamer wordt gemeld dat een half jaarna oktober 2003 nadere informatie volgt over de voort-gang van herstructurering en matching.uitgelegd. Waarom ik en niet die ander? Voor vereenvou-digde projectsteun kan vandaag of beter gezegd gisterenal gekozen worden. Het schrappen van drie ontmoedigen-de voorwaarden is wel een noodzakelijke maar zeker ookgeen voldoende voorwaarde voor het tot stand komenvan matching. Dat matching met een aanwijzing geregeldkan worden, is wel een erg overspannen verwachting vandit instrument. Een aanwijzing kan gegeven worden als viade lijn van het toezicht blijkt dat een corporatie onvol-doende werk gemaakt heeft van artikel 21 lid 2 van hetBBSH. Maar toezicht is geen sturing-vooraf maar ingrij-pen-achteraf, het is dus per definitie 'laat'. Daarnaast haaltde overheid zich een zware bewijslast met veel bureaucra-tic op de nek en er zai een hoge procedurele drukte uit-breken.KortomVeel eenvoudiger is het om aan de voorkant te sturen opdoelen en het via een mafo/7/ngsarrangement organiserenvan financiele stimuli op investeringen. Het is een betreu-renswaardig misverstand dat dit betekent dat de corpora-ties dan onder curatele worden gesteld. Dit is onjuist, zekrijgen juist ruimte en stimuli om te investeren in de kwa-liteit van het woningbezit met middelen die in de gehelesector aanwezig zijn.Daarnaast is het niet meer van deze tijd om het probleemte blijven ontkennen en te stellen dat er geen probleem isomdat er 'niets op de plank blijft liggen'. De samenlevingvraagt om meer en dit kan alleen uitgevoerd worden alsdeze investeringen ook opgebracht kunnen worden.Daarvoor is aanwending van het opgebouwde vermogennodig en is ook het legitimiteitsprobleem van de slapenderijkdom van de corporatiesector opgelost. Zonder mat-ching sterft de 56-wijkenaanpak in woorden en schoon-heid.LiteratuurKEI, Verslag atelier creatieve financiering. Rotterdam, januari2004.Minister van VROM, Brief aan de Tweede Kamer over de voort-gang van Actieprogramma Herstructurering en inzet corporatie-middelen. Den Haag, 6 november 2003.VROM-raad, Omgaan met overmaat. De vermogens van dewoningcorporaties als sturingsopgave. Advies 038. Den Haag,September 2003 (bestellen of downloaden viawww.vromraad.nl).[191a0sDit mag allemaal heel krachtig lijken, of er op korte termijnvooruitgang in het slepende matchingdebat kan wordengenoteerd, is bepaald onzeker De lijn van een 'i
Reacties