TIJDSCHRIFT VOOR DE februari 2003 1YOLKSHUISYESTINGXTrpfLuvc ceiMTRumtesieo ^tq*. FEUWSe wooM BWU B.T^fflv/ta f \jifl c? /r\onn9/aa nan flag gq eaflaaal/eaa QOQf^'r^..IJfTATIfe WoNfMft ^rw / Jtewc),.?.i\.V>iij.^aggse^ea^Stadslandschappenalternatief voor woonmilieus?4A6.oouwvut:eM J-^S^A/ ' ?OyRpet Wft- 00R.l-06.5e WiW/AJiSOUVircfROJHrf'i5*^p j;$fe?^jL^iiii5is^^^;]9^i^ ,.,,,...., 1VOLKSHUISVESTINGu0imikcm i^MU%MMCW iUJi^Stadslandschappen=i?UE?3t?TM?. imaiimitt*c^?? J^r ,^^'^,ftmwww.nirov.nl~>lAl meer dan 25 jaar organiseert het Nederlands Instituut voor RuimtelijkeOrdening (NIROV) een breed scala aan cursussen. Thema's als bestemmings-plannen, herstructurering, projectmanagement, landelijk & stedelijk gebied,architectuur, water, wonen en cultuurhistorie worden uitvoerig behandeld.In 2003 staan de volgende cursussen op het programma:Cursus Inleiding Planologie en Ruimtelijke OrdeningCursus RO in de diepteCursus De Wijk op de SchopCursus VolkshuisvestingsbeleidCursus RO voor wethoudersCursus Externe VeiligheidCursus Belvedere op de vi^erkvloerCursus Ruimte door en voor water ^ -BBJUM%'*#?99m,'mmm.***,'9mCursus WatertoetsCursus Stedebouw en Architectuur voor ontwikkelaarsLeergang De nieuwe ontwikkelaarLeergang Op dezelfde leestLeergang Op de digitale leestMeer informatie over deze cursussen vindt u op www.nirov.nl, tel 070 - 302 84 84.Ook verzorgen wij incompany trainingen en cursussen op maat!REDACTIONEEL 'HuursubsidieIn het Strategisch Akkoord van het demissionairekabinet was een korte passage gewijd aan eengewenste hervorming van de huursubsidie. Dezehervorming werd geplaatst in het kader van het bestrij-den van de armoedeval. Dat de passage in dat akkoordnog tamelijk cryptisch was, bleek ook wel uit het ambte-lijke introductiedossier voor de nieuwe minister, waarineufemistisch stond dat de passage uit het akkoord 'breedis te interpreteren'. Tot een uitwerking in de richting vande Tweede Kamer is het niet gekomen in het kortebestaan van het kabinet.Ondertussen zijn er enkeie nieuwe ontwikkellngen die dedruk vergroten om een hervorming van de huursubsidiehoog op de agenda te plaatsen van de nieuwe bewinds-persoon voor wonen. De belangrijkste is wel een recenteuitspraak van de Raad van State over de uitgavennormdie een onderdeel vormt van de Prestatienormeringhuursubsidie. Bij de invoering van de huidigeHuursubsidiewet was de Prestatienormering een beiang-rijk compromis om ook andere partijen, te weten ver-huurders en gemeenten, medeverantwoordelijk te makenvoor het beheersen van de uitgaven. Zo kon toentertijdde huursubsidie als openeinderegeling worden geconti-nueerd. Toen woningcorporaties echter na afloop van hetsubsidietijdvak 1998/1999 als gevolg van de uitgaven-norm op grote schaal werden geconfronteerd met eenboete voor een te sterke gestegen huursubsidie, werddaar massaal verzettegen aangetekend. Eind vorigjaarheeft de Raad van State de woningcorporaties in hetgelijk gesteld. Niet op een detail, maar principieel. Het isin strijd met Europese wetgeving om een woningcorpo-ratie te straffen met een boete voor te sterk gestegenhuursubsidie als niet duidelijk is hoe de woningcorporatiede ontwikkeling van de huursubsidie in de hand hadmoeten houden. Hiermee is de Prestatienormering huur-subsidie juridisch volledig de nek omgedraaid.Leidt een boete tot verzet, ondertussen heeft een groep,overwegend grote, randstedelijke woningcorporatiesonder de naam 'De vernieuwde stad' wel aangebodeneen deel van de huursubsidie voor eigen rekening te wil-len nemen. Het hangt al langer in de lucht dat de lastenvan de huursubsidie gelegd zouden kunnen worden opde stevige schouders van de woningcorporaties. Datdeze woningcorporaties daar nu zelf mee komen is ver-rassend, al hebben ze daar wel een reden voor Op ditmoment is de huurstijging gematigd, onder meer om bijeen gewenst pell van betaalbaarheid de stijging van dehuursubsidie beperkt te houden. De groep woningcorpo-raties heeft nu de ruil voorgesteld van een grotere vrij-heid in het huurbeleid voor een eigen bijdrage in dedaardoor ontstane stijging van de huursubsidie. Hetfinanciele voordeel voor de woningcorporaties ligt dan bijde huurstijging van huurders zonder huursubsidie.Er Is dus voldoende aanleiding om in een nieuw regeer-akkoord uitgebreider stil te staan bij de huursubsidie danin het vorige akkoord. De richting waarin een aanpassinggezocht zou moeten worden is allerminst duidelijk. Het isogenschijniijk aantrekkelijk om de uitgaven voor de huur-subsidie geheel of gedeeltelijk te leggen bij de woning-corporaties, zeker als ze daar zelf naar solliciteren. Maarof het echt verstandig is? Het is niet goed voorstelbaardat de politiek de normen voor betaalbaarheid bij dehuursubsidie uit handen zai geven. En terecht, gezien derelatie met het inkomensbeleid. Als de woningcorporatiesde uitgaven voor hun rekening nemen en de normenwaarop de uitgaven zijn gebaseerd door 'Den Haag'worden bepaald, is het niet moeilijk om te voorspellenwat daarvan het gevolg zaI zijn. 'Den Haag' zaI zich tenkoste van de woningcorporaties gaan gedragen als eenfree rider en dat komt een evenwichtige afweging nietten goede. Bovendien is het de vraag of het een goedeontwikkeling is dat de woningcorporaties langs deze wegbij het inkomensbeleid worden betrokken.Als het om vernieuwing gaat, zou het goed zijn om dewoonvouchers toch weer uit de lade te halen. De discus-sie over deze vorm van subsidie is te snel beeindigd doorsuggestieve berekeningen dat de uitgaven daardoor sterkzouden stijgen. De essentie van een woonvouc/)er is datde relatie tussen de hoogte van de huursubsidie en defeitelijke huur losser wordt. Daarentegen wordt de relatiemet het inkomensbeleid veel sterker. De wooovoucher iseen middel om de huursubsidie geleidelijk te transforme-ren van een instrument van woonbeleid naar een instru-ment van inkomensbeleid. Zowel voor het inkomensbe-leid als voor het functioneren van de woningmarkt heeftdat op termijn grote voordelen.Johan ConijnasEen creatieve benadering voorwoonmilieus in de bestaande stadStadslandscliStandaardrijtjes met woonmilieus werken niet in de bestaande stad.Toch zijn woonmilieus een prima sturingsmiddel. De vraag is welkeindeling in woonmilieus wel werkt. In Alkmaar werd met succes deStadslandschappenbenadering toegepast.01a9Hans Karssenberg en Cees JansenStipo Consult, AmsterdamlUustraties: Dennis Lohuis, Bureau PuntKomma^^^^B et werken met woonmilieus is voor eenH H stad ais Alkmaar cm meerdere redeneni^H ^^Bbevrijdend. We hebben de tijd achter derug dat woonbeleid puur kwantitatief was. Een grotewoningbouwproductie was de gewenste kwaliteit in dedecennia na de Tweede Wereldoorlog. Daarna kwam deperiode dat gestuurd werd op de kwalitatieve woning-nood, maar nog steeds cijfermatig: hoeveei van welk typewoningen moeten we waar bouwen. Op dit momentspelen cijfers op lokaal niveau eigenlijk steeds minder eenrol, althans niet meer om grip te krijgen op de vraagkantvan de markt. In veel steden en dorpen overtreft de vraagtoch het aanbod en de mogelijkheden om nog uit te brei-den. De opgave komt steeds meer te liggen in het goedaansturen van de transformatie van bestaande gebieden.Zeker in een lokaal overspannen woningmarkt gaat hetom de vragen:? welk profiel willen wij voor onze stad / ons dorp?? welke 'subprofielen' willen we daarbinnen meer ont-wikkelen?? voor wie willen we dan meer bouwen?? hoe willen die mensen wonen?? welke sferen en identiteiten passen daarbij?sjnsMK c6MT(tum?egiE,o JEen grote woningbouw-productie w^as de gewenstekwaliteit in de decennia na deTweede WereldoorlogHet denken vanuit woonmilieus biedt de mogelijkheid omhet wonen echt in kwalitatieve termen aan te sturen.Bevrijdend is dat het een brede strategie voor het gehelegebied en alle doelgroepen mogelijk maakt. Niet alleenmeer de huurmarkt, maar de totale woningmarkt is ermeeaan te sturen. Bevrijdend zijn ook de relaties die hetmogelijk maakt met andere beleidsterreinen, en de creati-viteit die dat opievert.STAT 16 WONfWELppenStandaardrijtjes werken nietVanuit deze overtuiging zijn we voor Alkmaar op zoekgegaan naar een geschikte indeling in woonmilieus. DeVijfde Nota Ruimtelijke Ordening en de Nota MensenWensen Wonen bevatten het bekende rijtje van vijf maardat bleek op lokaal niveau al snel niet te werken: er zou-den in Alkmaar maar twee woonmilieus overblijven. Wiede stad kent weet dat dit geen recht doet aan de bele-vingssferen die er op de woningmarkt ter plekke zijn. Ookandere standaardindelingen die sindsdien zijn 'uitgevon-den', blijken maar moeizaam toe te passen voor debestaande stad. De werkelijkheid lijkt krampachtig in eenblauwdruk te moeten worden gevangen. Die blauwdrukkan nooit recht doen aan hoe de woonconsumenten dewoonmarkt beleven. TerwijI dat nu juist een van de cen-trale doelstellingen van het beleid is: de beleving en devraag van woonconsumenten centraal stellen. De crucialevraag die bij Alkmaar uiteindelijk de doorslag voor hetwerken met woonmilieus heeft gegeven is: 'wat als we nueens niet uitgaan van een vooraf opgesteld standaardrijt-ie, maar van de situatie zelf?''Wat als we nu eens nietuitgaan van een voorafopgesteld standaardrijtje,maar van de situatie zelf?"Beleving en identiteit staan centraalDe beleving van de woonconsument centraal stellen iseen medaille met aan de andere zijde de identiteit vanwoonsferen. De woonconsument kiest uit een steeds gro-ter gebied. Dit komt door de grotere (auto)mobiliteit, deopkomst van de tweeverdienershuishoudens met elk eenbaan ergens anders in Nederland, meer verspreide familie-en vriendschapsrelaties en het losser worden van de rela-VRoe6 Ml>-0oRLOl4Se i^jMIU&UCVKIIRBOiPl LS*^ U U 0 U U U U-ll U_Ll uu 1ncsn^naiA-tie tussen wonen en werken. De concurrentie tussen ste-den en dorpen neemt hierdoor toe. Het wordt belangrij-ker dat zij zich met hun woonmilieus ten opzichte vanelkaar onderscheiden. Het gaat cm de eigen, onderschei-dende identiteit die de woonmilieus hebben. Natuurlijkblijft de prijs-kwaliteitverhouding van de woning zelfbelangrijk, maar de woonconsumenten kijken ook naarhoe zij de woonomgeving beleven. Het benoemen vanwoonmilieus moet daarom primair vanuit identiteit enbeleving gebeuren.Stipo Consult 2001I 9e-eeuwse ring Polder WatergraafsmeerCordel '20''40 CFlM Amstel Business ParlujFiguur 2De stadslandschappen-benadering in eenoogopslag.as3StadslandschappenDe vraag is: hoe is die identiteit te benoemen? Toen wevoor Alkmaar aan het woonbeleid werl strategischvoorraad-3 beleid.aKXo>Inventarisatieen analyseStrategieImplementatie/monitoringToetsinsUitvoeringT3EH3. WijkstrategieVoor eike wijk (waar bezit aanwezig is) moet een wijkstra-tegie opgesteld worden. Het bepalen van de bestaandewoonmilieus op wijkniveau is reeds in de inventarisatie- enanalysefase gebeurd. De mogelijkheden van een gebiedvoor een bepaalde leefstijl is met een woonmilieuanalyse,waarbij de potentie van een gebied wordt afgewogentegen de aanpasbaarheid, te bepalen. Naar aanleidinghiervan wordt de definitieve woonmilieuportefeuillesamengesteld en kan voor eIke wijk een wijkstrategie wor-den vastgesteld. Mogelijke strategieen op wijkniveau zijn:consolideren (woonmilieu behouden), transformeren(woonmilieu aanpassen), versterken (woonmilieu behou-den/aanpassen en bezitspositie vergroten) en terugtrekken(bezitspositie afbouwen). Voor een mogelijke transforma-tieopgave moet worden gerealiseerd dat bij grote nieuw-bouwprojecten vanuit een leeg gebied wordt ontworpen,maar dat veel projecten plaatsvinden in bestaande wijken.De transformatie van een woonmilieu van de ene leefstijlnaar de andere, gewenste leefstijl hoeft overigens nietaltijd gepaard te gaan met grote fysieke ingrepen maarkan ook volstaan met enkele 'compenserende maatrege-len'. Dit zijn maatregelen om een gebied voor een bepaal-de leefstijl aantrekkelijk(er) te maken (bijvoorbeeld in eenbepaald gebied glasvezel kabels aanleggen, om zodoendeongebondenen (studenten) aan te trekken).Voorbeeld van een marktstrategie'? Marktstrategie voor PMCwm: Samenlevers x Modalegezinswijk (SAxMG) - Sterke toename? Marktstrategie voor PMCwon: Jong, laag inkomen, 1-2 per-soonshuishouden x meergezinswoning, goedkoop, 1-3kamers (BaaHmeer verschillen op wijk- en complexniveau wordt ver-wacht beter aan te sluiten bij de wensen van de klant. Dekans dat meer mensen naartevredenheid kunnen wonen,wordt zodoende vergroot. De taak van de corporatie ver-schuift van het huisvesten van mensen, naar 'het zichlaten thuis voelen' van mensen. Het product van eenw/oningcorporatie wordt: 'wonen in de breedste zin vanhet woord; waarbij invulling gegeven dient te worden aande woning, de fysieke woonomgeving, de sociale woon-omgeving en de service en dienstverlening'.Ondanks de hype die is ontstaan rond het gebruik vanwoonmilieus en leefstijlen, kan nog niet gesteld wordendat het de opiossing geeft voor de problemen in de volks-huisvesting. Al was het alleen maar omdat de benaderingin de kinderschoenen staat en tijd nodig heeft zlch te ont-wikkelen tot een volwaardig segmentatiecriterium. Veeldient nader onderzocht te worden: hoe kan in samenwer-king met alle betrokken partijen vorm gegeven wordenaan concrete vertalingen naar de straat en/of woning, hoeis het in te passen in het huidige politieke bestel (bijvoor-beeld in de uitwerking van prestatie-eisen) en wat is deinteractie met de huidige woonruimteverdelingspraktijk.Desalniettemin kan uit de praktijkvoorbeelden geconciu-deerd worden dat het gebruik van woonmilieus en leefstij-len in de beleidsvorming resulteert in meer keuzemogelijk-heden voor zowel de woning als het woonmilieu. Hetmodel bewijst daarbij dat de onderbouwing van het voor-raadbeleid met woonmilieus en leefstijlen concreet kanworden gemaakt in een achttal procesfasen. Hiervoormoet echter wel rekening worden gehouden met zowelharde (kwantitatieve), als softe (kwalitatieve) aspecten. Dewoonmilieu- en leefstijlbenadering kan hier, in combinatiemet de traditionele benadering, invulling aan geven. Dezeinspirerende methodiek heeft de potentie in zich, om uit tegroeien van een kansrijk concept naar een goed hanteer-baar segmentatiecriterium en bij te dragen aan de realisa-tie van klantgericht voorraadbeleid.Het artikel is gebaseerd op een onderzoek dat in het kader vaneen afstudeertraject voor de Technische Universiteit Delft is uitge-voerd bij woningcorporatie Woonbron-Maasoevers te Rotterdam.Noten1. Broeke, R.A. van den, 1998, Strategisch voorraadbeleid vanwoningcorporaties: informatievoorziening en instrumenten.Delft (DUP).2. Straub, A., 2001, Technisch beheer door woningcorporatie inde 21ste eeuw: Professioneel, klantgericht en duurzaam. Delft(DUP).3. Afgeleide van: Potters, T,, 2001, 'Beleving van de woonomge-ving', Tijdschrift voor de volkshuisvesting, nr 8, pp. 16-20.4. Afgeleide van: Buys, A., 2001, 'De beleving van woonmilieu's inkaart gebracht', Tijdschrift voor de volkshuisvesting, nr 6. pp.11-15.5. Bij de (praktijk-)voorbeelden in dit artikel is gebruik gemaaktvan de woonmilieu- en leefstijltypering ontwikkeld door deSmartAgent Company (Leusden). De praktijkvoorbeelden zelfzijn afkomstig van woningcorporatie WoonbronMaasoevers(Rotterdam).Luchtkwaliteit en leefomgevingWonen ineen luchtkasteel?Milieu bepaalt een belangrijk deel van onze woon- en leefomgevingskwaliteit.Luchtkwaliteit is een onzichtbaar en stil onderdeel van de leefomgevingskwaliteit, maarmet belangrijke gevolgen voor de gezondheid. De relatie tussen de luchtkwaliteit, degezondheidseffecten van luchtverontreiniging en woningbouwlocaties is vaak onbekend.Marjan ZebregsMinisterie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, Den HaagWe willen graag goed wonen. Daarbijhoort een goede woonomgeving.Bij een goede woonomgeving hoorteen goed milieu en bij een goed milieu hoort goedeluchtkwaliteit.Maar is wonen waar de lucht goed is wel mogelijk inons dichtbevolkte land? Het antwoord is 'Ja, dat is geenluchtkasteel!'Lucht is niet lets waar we vaak bij stil staan, ook al is hetletterlijk van levensbelang. Aan de kwaliteit van de luchtdenken we weinig als we 'gewoon' gezond zijn. Als weeen grote rookpluim uit een fabriek zien of als het stinktdenken we wel eens 'is dat wel gezond?' Die tekenenhebben echter nauwelijks of geen relatie met feitelijkegezondheidseffecten. Het is veel ingewikkelder: de luchtdie we inademen bevat zeer veel verschillende stoffen.De meeste van die stoffen zijn voor mensen nauwelijksof niet schadelijk. Een beperkt aantal stoffen kan welschadelijke gezondheidseffecten veroorzaken.De gezondheidseffecten kunnen verschillend van aardzijn; sommige stoffen zijn kankerverwekkend, anderestoffen hebben een chronisch effect en wear anderestoffen kunnen leiden tot acute effecten.'De volgende cijfers geven een indruk van de gezond-heidseffecten bij de huidige niveaus van luchtverontrei-niging:? per jaar vervroegde sterfte (van enkele dagen totmaanden) bij circa 1.000 mensen;? per jaar 1.000 a 2.000 acute ziekenhuisopnamen;? dagelijks verergering van astma bij 1.000 a 2.000 kin-deren tussen de 7 en 12 jaar;? dagelijks longfunctiedaling bij 1.000 a 2.000 kinderentussen de 7 en 12 jaar;? dagelijks 10.000 ademhalingsproblemen bij kinderentussen de 7 en 12 jaar.^Per jaar sterven 1.000 mensenin Nederland doorluchtverontreinigingLuchtverontreiniging in het algemeenCm bij de ontwikkeling van woonlocaties, het opstellenvan herinrichtingsplannen en keuzes over infrastructuuren ruimtelijke ordening de effecten op de luchtkwaliteitin te kunnen schatten, volgt eerst wat algemene infor-matie over luchtverontreiniging.'Verkeer is de grootste bron van luchtvervuiling, gevolgddoor de Industrie.Luchtverontreiniging kan zich over grote afstanden metde wind verplaatsen. Nederland merkt dus ook de effec-ten van luchtverontreiniging door industrieen in hetRuhrgebied en Oost-Europa. Ook het verkeer draagtover een grote afstand bij aan schadelijke concentraties.:i7iDENK TIJDI6 BIJ BELEID DAT U MAAKT,HOE HET DE LUCHTKWAUTEIT RAAKT!Bron: Ministerie VROM/DGMHet verminderen van luchtverontreiniging vergt eenInternationale aanpak. Door de Verenigde Naties endoor de Europese Unie (EU) is regelgeving aanvaard meteisen om brandstoffen, voertuigtechnologie, productie-processen en producten schoner te krijgen.De EU heeft ook eisen gesteld aan de totale uitstoot vanluchtverontreiniging door lidstaten (nationale emissiepla-fonds voor 2010)." Ook zijn EU richtiijnen in werkinggetreden' met als doel inwoners te beschermen tegenschadelijke concentraties van luchtverontreinigende stof-fen. De EU heeft hiermee dwingende luchtkwaiiteitsei-sen gesteld. Nederland heeft de zogenaamde eerstedochterrichtlijn omgezet in nationale regelgeving via hetBesluit luchtkwaliteit.' Binnenkort volgt de implementa-tie van de tweede en derde dochterrichtlijn.co's voor de bewoners.Ook toen gemeenten een aantal jaren geleden bij hetministerie van VROM plannen in konden dienen voorexperimenten 'Stad & Milieu' waarbij er de mogelijkheidwas om onder voorwaarden af te wijken van wettelijkemilieunormen, bleek dat de indieners wel beschrevendat bij de plannen geluidsnormen een probleem waren,maar de normen voor luchtkwaliteit werden zeldengenoemd, hoewel daar inhoudelijk zeker reden voorwas. Bij de plannen die in het kader van voorbeeldpro-jecten intensief ruimtegebruik eind jaren negentig zijnopgesteld, ward eveneens nauwelijks gekeken naar deconsequenties van intensief ruimtegebruik nabij drukkewegen zijn voor het aspect lucht. Celukkig neemt deaandacht voor luchtkwaliteit toe.Het internationaal beleid heeft een duidelijk positiefeffect op de luchtkwaliteit in Nederland. Nationaal zijner (fiscale) stimuleringsregelingen om sneller effect tekrijgen van de Internationale milieumaatregelen. Hetbeleid om milieu-effecten in de prijzen tot uiting tebrengen (beprijzen) kan ook bijdragen aan het vermin-deren van de uitstoot van schadelijke stoffen. Ook voor-lichtingscampagnes gericht op terugdringing van hetautogebruik voor de korte afstand en bevordering vaneen energiezuinige rijstiji kunnen hieraan bijdragen.Naast de grootschalige luchtverontreiniging zijn er regio-nale en lokale bijdragen aan de luchtverontreinigingdoor verkeer en Industrie. Hierop kunnen provincies engemeenten invloed uitoefenen bijvoorbeeld bij hetopstellen van bestemmingsplannen, bouwplannen enverkeersplannen en bij het afgeven van milieuvergunnin-gen. Voorwaarde is dan wel dat in die situaties ookdaadwerkelijk aan de effecten van de plannen op deluchtkwaliteit wordt gedacht.Lucht, bouwen en wonenNa het voorgaande globale overzicht van de effecten, debronnen en de verspreiding van luchtverontreiniging enhet beleid op dit terrein, is nu de vraag aan de orde of deluchtkwaliteit een rol speelt in de nieuwbouwplannen enherinrichtingsplannen. Daarna volgt de kernvraag: 'Hoekunnen we bouwen aan wonen in gezonde lucht?'In veruit de meeste gevallen wordt er bij nieuwbouw-plannen en herinrichtingsplannen niet aan de luchtkwa-liteit gedacht. Waar bij bouwplannen de gevolgen voorgeluidhinder en veiligheidsrisico's een prominente rolspelen, ontbreekt vaak aandacht voor luchtkwaliteit.Zo werd enkele jaren geleden bij de gedachtevormingover geluidswalwoningen langs een drukke snelweg inZuid-Holland in eerste instantie alleen naar de geluid-normering gekeken, terwiji er in die situatie ook eenreeel risico was op overschrijding van de wettelijke nor-men voor de lucht met de bijbehorende gezondheidsrisi-Bij nieuwbouw- en herinrichtingsplannen is het vanbelang om tijdig te denken aan de luchtkwaliteit en hier-mee bij de invulling van de plannen expliciet en duidelijkrekening mee te houden. Tijdig en goed meewegen inde planontwikkeling kan veel latere problemen voorko-men. De betrokken overheden en bewoners van deVINEX-locatie Ypenburg nabij de autowegen rond DenHaag hebben dat in meerdere bestuurlijke en juridischeprocedures helaas moeten ervaren.Wanneer wel in de beginfase van bouwplannen aandachtwordt besteed aan de luchtkwaliteit is de eerste stap hetverzamelen van informatie over de kwaliteit van de luchtin het betrokken gebied. De gemeente is hiervoor heteerste aanspreekpunt. Als de wettelijke luchtkwaliteitsei-sen worden overschreden, is het simpel: er mogen geenwoningen gebouwd worden. Immers, de bewonersmogen niet worden blootgesteld aan onacceptabelegezondheidsrisico's als gevolg van luchtvervuiling. Bijoverschrijding van de normen zijn er twee mogelijkheden.De eerste mogelijkheid is onderzoek naar maatregelen omde luchtkwaliteit zodanig te verbeteren, dat daardoor deconcentraties luchtverontreiniging dalen tot onder dewettelijke norm. Dat kan bijvoorbeeld door de dichtbijgelegen drukke weg (gedeeltelijk) te overkluizen of om teleiden of door zwaar verkeer (dat is het meest vervuilendeverkeer) van die weg te weren.Een heel andere mogelijkheid voor een gebied waar delucht niet aan de eisen voldoet, is om dat gebied niet tebestemmen voor wonlngbouw, maar voor minder gevoe-lige bestemmingen zoals kantoren. Daartegen is geenbezwaar, zolang de lucht binnenin het kantoorgebouwvoldoet aan de eisen die de Arbeidsomstandighedenwetdaaraan stelt. De buitenlucht voor de airconditloning kanvanuit een relatief schone kant van het kantoorgebouwworden aangezogen.Van belang is dat een gebied, waar de luchtkwaliteit nietaan de wettelijke eisen voldoet, zodanig wordt ingerichtdat er geen mensen regelmatig of gedurende langeretijd in de buitenlucht verblijven.SsWonen langs desnelweg in Overschie: 16a 17 sigaretten per dagmeeroken.(foto: Peter Hilz,Hollandse Hoogte)D)B3SOok aandacht bij voldoendeluchtkwaliteitMaar ook als er in het plangebied op dit moment geenluchtkwaliteitsnormen worden overschreden, is het wen-selijk over de luchtkwaliteit na te denken. In de eersteplaats is dat nodig op locaties die net voldoen aan denormen. Daar moet nagegaan worden of er in de plan-nen onderdelen zitten die de luchtkwaliteit ter plaatsenadelig beinvloeden. Dat kan bijvoorbeeld als er eenverkeersaantrekkende werking van het plan uitgaat ofals bebouwing rond een bron van luchtverontreiniging(een weg of een bedrijf) verandert. In die gevallen zaigetoetst moeten worden of de verslechtering van deluchtkwaliteit niet zodanig is, dat de wettelijke normenhierdoor worden overschreden.Daarnaast geldt overal de aanbeveling cm luchtkwaliteittijdig in de afweging rond bouwplannen te betrekken.Een punt van afweging is om in deelgebieden waar delucht relatief het schoonst is, die bestemmingen te plan-nen, waar mensen verblijven die het meest gevoelig zijnvoor luchtverontreiniging. Ook onder de norm zijn ernamelijk gezondheidsrisico's, alleen die risico's achten weaanvaardbaar. Kinderen en ouderen zijn extra gevoeligvoor luchtverontreiniging. Bij de locatiekeuze van bij-voorbeeld een school of een bejaardenhuis kan hiermeerekening worden gehouden. Ook op plaatsen waar in debuitenlucht fysieke inspanning wordt geleverd, is deluchtkwaliteit voor de betrokkenen van extra belangomdat dan immers extra veel lucht wordt ingeademd.Een apart punt van afweging is de afstand tussen debron van luchtverontreiniging en de bebouwing.Naarmate de rooilijn van nieuw te bouwen woningenverder afligt van bijvoorbeeld een drukke weg, is de luchtdie door het open raam de woning binnenkomt schoneren adem je schonere lucht in als je in de tuin werkt of ophet balkon zit te zonnen. Bij de indeling van de woningkan je ook rekening houden met de luchtkwaliteit.Het verspreidingspatroon van de vervuilde lucht is eenander punt van afweging bij de ontwikkeling van bouw-plannen. Wanneer een weg tussen twee aaneengeslotenrijen flats ligt, blijft de luchtvervuiling door het verkeerrelatief lang hangen tussen de flats en wordt daardoormeer ingeademd, dan wanneer de bebouwing op enkeleplaatsen wordt onderbroken of varieert in hoogte.NieuwbouwplannenBij nieuwbouwplannen is het dus van belang tijdig in hetplanproces na te denken over de luchtkwaliteit. Bij plan-nen in gebieden met een hoge achtergrondconcentratie(vooral de Randstad en delen van Gelderland, Noord-Brabant en Limburg) is er risico op overschrijding van dewettelijke luchtkwaliteitseisen. Het risico hierop neemttoe bij bouwplannen dichtbij belangrijke bronnen, zoalsdrukke wegen. Wegen met relatief veel vrachtverkeer enbussen en wegen met stagnerend verkeer leveren eenextra grote bijdrage aan de luchtverontreiniging.Bij nieuwbouwplannen zijn er in de beginfase nog velemogelijkheden. Zo is bij de ontwikkeling van de VINEX-locatie Leidsche Rijn bij Utrecht uitgebreid onderzoekgedaan naar de mogelijkheden van inpassing van de A12.Er zijn windtunnelproeven uitgevoerd met verschillendecombinaties van dichte en open tunnelbakken. De effectenhiervan op de lokale luchtkwaliteit zijn berekend. Uiteraardis luchtkwaliteit niet het enige criterium. Ook de effectenop geluid en de externe veiligheidsrisico's zijn meegewo-gen bij de inpassing van de A12 in de VINEX-locatie.Naast het voorkomen van problemen zijn er helaas ookbestaande probleemsituaties. Rotterdam-Overschie ishiervan het meest bekende voorbeeld. De GGD heeft degrootte van het gezondheidseffect van de daar heersen-de luchtkwaliteit vergeleken met het passief meerokenvan zestien a zeventien sigaretten per dag/In zo'n bestaande situatie zijn de opiossingsmogelijkhe-den moeilijker. In Overschie is begonnen met het bevor-deren van geleidelijke doorstroming en het beperkenvan de maximumsnelheid tot 80 kilometer per uur omzo de luchtverontreiniging door de rijksweg te vermin-deren. Als dat onvoldoende effect heeft, moeten rigou-reuze maatregelen als het weren van zwaar verkeer, wij-zigen van de infrastructuur en uiteindelijk het slopen vanwoningen worden overwogen.Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan op verschillendemanieren, afhankelijk van de situatie. Er bestaat eeneenvoudig model, CAR II, waarmee binnen de bebouw-de kom en in het open veld tot op circa 300 meter deluchtkwaliteit berekend kan worden. Dit model is gratisaan de gemeenten beschikbaar gesteld. Als blijkt dat deluchtkwaliteit in de buurt van de wettelijke eisen ligt, isnader onderzoek nodig. Hiervoor zijn gespecialiseerdeonderzoeks- en adviesbureaus in de markt die overgedetailleerdere modellen beschlkken. Bij grote projec-ten, zoals hierboven beschreven bij Utrecht, is aanvullingop modellen nodig met meetgegevens. In het zoge-naamde windtunnelonderzoek wordt de beoogdebebouwing op schaal nagemaakt en kan met behulpvan invoergegevens als windrichting en luchtstromenvoor die specifieke configuratie de bijdrage aan deluchtvervuiling worden gemeten en berekend.Omdat het tijdig afwegen van luchtkwaliteit in plannenen de uitvoering van luchtkwaliteits-regelgeving vragenkan oproepen, heeft het ministerie van VROM een help-desk ingericht bij Infomil.*^ Ook zijn er handreikingenopgesteld.'ConclusieWonen waar de luchtkwaliteit voldoet aan de eisen, isgeen luchtkasteel. Het vergt we! de nodige inspanningvanaf het moment dat de eerste bouwplannen ontwik-keld worden. Een eerste stap is bij de gemeente infor-meren naar de luchtkwaliteit ter plaatse.Als de luchtkwaliteit niet voldoet aan de wettelijke eisen.zullen maatregelen genomen moeten worden. Pas alsdaarover duidelijkheid is en er sluitende juridischafdwingbare afspraken zijn gemaakt, kan er daadwerke-lijk gestart worden met woningbouw.Als de lucht niet ruim aan de eisen voldoet, is onderzoeknaar het effect van de plannen op de luchtkwaliteitnoodzakelijk. Als uit dat onderzoek blijkt dat er in detoekomst geen overschrijdingen worden voorzien, kun-nen de bouwplannen verder ontwikkeld worden.Bij het (verder) ontwikkelen van de bouwplannen is hetvan belang de effecten van de plannen op de luchtkwa-liteit mee te laten wegen bij de beoordeling van de plan-nen. Luchtkwaliteit is daarbij uiteraard slechts een vande vele aspecten die de kwaliteit van de woonomgevingbepalen, maar het is wel een aspect dat de gezondheidvan de bewoners beinvloedt.Marjan Zebregs was tot 1 September 2002 werkzaam bij dedirectie Lokale Milieukwaliteit en Verkeer, directoraat-generaalMilieubeheer van het ministerie van VROM in Den Haag.Noten1. Zie ook: ministerie van VROM, 2001, Luchtkwaliteit en uwgezondheid distributienummer 22319/209, november 2001.2. RIVM, Bloemen et al, 1998, Fijn stof in Nederland. Een tus-senbalans, RIVM rapport nr. 650010 006, augustus 1998.3. Zie ook: ministerie van VROM, 2001, InformatiebladLuchtkwaliteit, distributienummer 22321 /209, november 2001.4. Richtlijn 2001/81/EG inzake natlonale emissieplafonds voorbepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC richtlijn).5. Richtlijn 1996/62/EG inzake de beoordeling en het beheervan de luchtkwaliteit (de kaderrichtlijn luchtkwaliteit),Richtlijn 1999/30/EG betreffende grenswaarden voor zwavel-dioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjesen lood in de lucht (de eerste dochterrichtlijn), Richtlijn2000/69/EG betreffende grenswaarden voor benzeen enkoolmonoxide in de lucht (de tweede dochterrichtlijn),Richtlijn 2002/3/EG betreffende ozon in de lucht (de derdedochterrichtlijn).6. Besluit luchtkwaliteit (Stb. 2001, 269).7. Geestelijke Gezondheidsdienst voor Rotterdam en omstreken,1999, Stad en Milieu Overschie Luchtkwaliteit en gezond-heid, juni 1999.8. De Help desk InfoMil is bereikbaar op telefoonnummer070-361 0575 en per e-mail: mail@lnfoMil.nl. Zie ook deInfomil site: www.lnfoMil.nl.9. Ministerie van VROM, 2001, Handreiking Besluit luchtkwa-liteit, deel 1 en 2. Distributienummer 22328/209, november2001. Er zijn nog twee delen in voorbereiding: een deel'Wegwijzer Verkeerssituaties', met daarin ook aandacht voorde bijdrage van parkeergarages aan benzeenconcemtraties,een deel 'Planvorming' voor de ontwikkeling van plannen omtijdig aan de luchtkwaliteitseisen te voldoen en een deel overuitvoeringsvragen. De handreikingen worden opgesteld doorvertegenwoordigers van gemeenten, provincies, InfoMil enhet ministerie van VROM. Zie ook de VROM site: www.min-vrom.nl/luchtkwalitelt.oo[21]aB9STRUCTUUR OP TERMIJN'Het gaat om meer dan alleen defysieke verbetering van de wijk'HerstructureringEmmenHet ministerie van VROM stelt via het Investeringsbudget tot en met 2004 een bedragvan 1,35 miljard euro beschikbaar voor de vernieuwing van de steden. De meeste aandachtgaat daarbij uit naar de transformatie van (vroeg)naoorlogse wijken. In een reeks artikelengaat het Tijdschrift voor de Volkshuisvesting op zoek naar de factoren die bepalend zullenzijn voor het succes van deze herstructureringsoperatie. Werd in eerdere afleveringen deherstructurering in Groningen, Arnhem en Maastricht beschreven, deze keer gaat het overEmmen.Foto:Derk lanting,EmmenaasJ3EHSTRUCTUUR OP TERMIJNEric HarmsFreelance journalist, Utrechter is een groot verschil tussen herstructure-ring en stadsvernieuwing, aldus Leo vanDiemen, projectleider van het herstructure-ringsproject 'Emmen Revisited' namens woningcorpora-tie Wooncom. 'Bij de stadsvernieuwing overheerste deprojectmatige aanpak, het investeren in de fysiel
Reacties