1 ^^^^^^^^^ M_ ^1~ ^"\ 1 1 1VolSte'1Orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van den Nationalen Woningraad,Algemeenen Bond van WoningbouwvereenigingenJuni 1938 19e Jaargang no. OVraagt onze nieuweKleurenkaartIJa, op Tornol kunt gij bouwenHet is een oersterke lakverf, die bestand is tegen alleweersinvloeden; vorst, regen, hitte en zeedampen.Daarom gebruiken zooveel Woningbouwvereeni-gingen en Vereenigingen voor de VolkshuisvestingTORNOLChloorrubberlakverfPIETER SCHOEN EN ZOOM N.V. ZAANDAMN.V. Houthandel A.J.K. ORONDHOUTHAVEN 43 - AMSTERDAMTELEFOON: 41412 (na kantoortijd 22908)Vuren, Grenen en Dennen Bestekhout, Schrooten-delen, platen, battens, ribben, tengels etc, etc.bewerkt en onbewerktJuffers, Oregon-Pine, Triplex enz.Speciaal adres voorBEUKEN- EN EIKEN STAAFVLOERENGoede en ruime sorteering voor, en groote ervaringvan de eischen van den WoningbouwPrompte levering - Concurreerende prijzenBOUWBEDRIJFH.VANSAANEOVERTOOM 266 AMSTERDAM . W.WONINGBOUWVoorWandbekleedingGEBRUIKT deMOSA TEGELEen WERELDmerkEen NEDERLAND5CH markMuurtegelfabriek MOSAMAASTRICHTLEVERING UITSLUITEND DOOR DEN HANDEUMonsters op aanvrageTijdschriftvoor Volkshuisvesting en StedebouwOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw enden Nationalen Woningraad, Algemeenen Bond van WoningbouwvereenigingenRedactie: H. P. J. Bloemers, J. Bommer, Jhr. M.J.I, de Jonge van Ellemeel, Ir. L. S. P. Scheffer,Ir. P. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Ir. J. M. A. ZoetmulderAdres voor Redactie en Abonnementen: Kloveniersburgwal 70, Amsterdam C, Telefoon 40588Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Juni 193819e Jaargang No. 6MaandbladOfficieele mededeelingenNederlandsch InstituutJubileum Nationale WoningraadWanneer dit nummer verschijnt, staat de NationaleWoningraad, Algemeene Bond van Woningbouwver-eenigingen, op het punt zijn zilveren jubileum te vieren.Het was een voorgenomen herziening van de Woning-wet, die in 1912 leidde tot gemeenschappelijk overlegtusschen een aantal woningbouwvereenigingen; een sa-menwerking, waaruit al spoedig de wensch ontsproottot het scheppen van een blijvenden band tusschen de inhet belang der volkshuisvesting werkzame corporaties.Op 23 Augustus 1913 kwam deze in den vorm van dethans jubileerende instelling tot stand. Het is wel op-merkelijk, dat de herdenking van dit feit valt in eenperiode, waarin weder een herziening van de Woning-wet, zij het dan niet in de eerste plaats van de woning-bouwparagrafen, aan de orde is. Wel een verheugendbewijs ervoor, dat de wetgeving inzake de volkshuis-vesting en den stedebouw met de ontwikkeling der om-standigheden blijft meegroeien.Het is hier niet de plaats om in te gaan op den voor-spoedigen uitgroei van de in 1913 in het leven geroe-pen organisatie of op den invloed, dien haar thans25-jarige werkzaamheid op de zorg voor den volks-woningbouw in Nederland heeft gehad. Het door denWoningraad uitgegeven gedenkboek ,,Beter Wonen"spreekt in dat opzicht trouwens voor zichzelf.Maar wel rust op het Instituut de aangename plicht, ombij deze gelegenheid uiting te geven aan zijn warmebelangstelling voor het leven en streven van den Na-tionalen Woningraad en daarbij met erkentelijkheid ge-wag te maken van de nauwe betrekkingen, welke sedert1918 tusschen de beide instellingen hebben bestaan. Hetwas op het door den Woningraad in dat jaar belegdewoningcongres te Amsterdam, dat de werkzaamhedenvan een reeds vroeger ingestelde commissie haar bekro-ning vonden door de oprichting van het Instituut. DeWoningraad trad toe als constitueerende vereeniging.Sindsdien zijn beider wegen in menig opzicht samenge-gaan; zoo valt te wijzen op het in 1926 gehouden wo-ningcongres, op gemeenschappelijke adressen en op ge-zamenlijk ingestelde commissies, laatstelijk b.v. die voorde goedkoope arbeiderswoning, welker rapport in 1936is verschenen. Van zijn oprichting af is het Tijdschriftvoor Volkshuisvesting en Stedebouw het gemeenschap-pelijk orgaan.Moge de Woningraad, die zich in de afgeloopen 25jaren tot een sterke en levenskrachtige organisatie heeftontwikkeld, ook in de toekomst nog veel vruchtbaarwerk in het belang van de volkshuisvesting in ons landkunnen verrichten!Volkshuisvesting in een kleine staddoor Y. KeestraIn oude kleine steden staat men bij de verbetering vande volkshuisvesting telkens voor lastige vraagstukken;om er tot behoorlijke toestanden te komen, is niet zooeenvoudig.Gewoonlijk is het aantal slechte, zeer oude huizen er,verhoudingsgewijze, groot. In de achterbuurten zijn destraten nauw, de huizen zijn klein, open ruimte hebbenze bijna niet, de afvoer van water en vuil laat veel tewenschen over, licht en lucht kunnen slechts in geringemate toetreden. Maar heele generaties zijn aan dien toe-stand gewend geraakt, en ook zij, die zelf in ruimeburgerhuizen wonen, zijn maar al te gauw geneigd, dezeongewenschte toestanden als vanzelfsprekend te be-schouwen.Culemborg maakte hierop geen uitzondering. Dit stad-je, zetel van het oude graafschap Culemborg, dat totaan de Fransche overheersching als een afzonderlijkstaatje in de Vereenigde Nederlanden bestond, lag alshet ware tusschen de oude grachten, die het tegen vij-andelijke aanvallen moesten beschermen, bekneld; deligging aan de rivier de Lek maakte dat er feitelijkalleen binnendijks kon worden gebouwd, omdat de sterkwisselende waterstanden buitendijks voor woningbouwte groote bezwaren opleverden.Geleidelijk werd er echter ook buiten de grachten ge-bouwd, toen de industrieen zich ontwikkelden en ervoor de zich uitbreidende bevolking behoefte aan meerwoningen ontstond. Het tekort aan woningen werdevenwel nimmer opgeheven, waardoor de oude huizen,die allengs tot krotten waren verworden, steeds hunbewoners vasthielden. Hadden niet een paar groot-industrieen een flink aantal woningen voor haar arbei- 121Artikelenders gebouwd, dan zou het er met de woningtoestandennog slechter hebben uitgezien dan het al was.In de jaren 1914--1918, toen overal tengevolge van denwereldoorlog de woningbouw stagneerde, werd ook inCulemborg de tocstand steeds moeilijker. Van over-heidsbouw wilde het toenmalig gemeentebestuur nietweten, totdat in 1919 de feiten tot het nemen van maat-regelen dwongen; in dat jaar kwamen 42 arbeiderswo-ningen, gebouwd met voorschot en bijdrage van hetRijk, tot stand. Deze bouw is als het ware uit den socia-len nood geboren. Maar de achterstand werd daardoorslechts in geringe mate verminderd.Zooals het gewoonlijk gaat, ging het ook in Culemborg:het woningtekort leidde tot verhooging der huurprijzen,en de stijging der inkomsten van de arbeiders werktedie huurverhooging nog in de hand. Zoo werd de wo-ning een prachtig object voor geldbelegging, waarvande particuliere bouwondernemers zeer begrijpelijk ge-bruik maakten. Een aantal ingezetenen richtte eenbouwmaatschappij op, die een aantal middenstandswo-ningen en arbeiderswoningen bouwde. Dat gaf weereenige verruiming, maar van opheffing van het tekortwas, zelfs bij benadering, geen sprake. Particuliere wo-ningexploitatie is uiteraard geen philantropie; ze kandaarom niet gericht zijn op het bevorderen van een be-hoorlijk ruime keuze van woningen, omdat dit de hand-having van een bepaald huurprijspeil moeilijk maakt.In Culemborg bleef de aanbouw van woningen ver be-neden de behoefte; om zijn vele krotwoningen in deachterbuurten begon Culemborg zelfs min of meer be-rucht te worden. In 1928 werden er zelfs nog eenigebewoond, die vele tientallen jaren geleden voor drie avierhonderd gulden per stuk waren gebouwd. Wieomstreeks 1930 een aantal uitgewoonde huisjes voor eenappel en een ei kocht, kon met gemak een huur makenvan netto 15, 20 en meer procenten van het daarin ge-stoken kapitaal. Het was de gouden tijd van de woning-exploitanten.Het gemeentebestuur is toen, gesteund door de toen-malige gezondheidscommissie, begonnen met het onbe-woonbaar verklaren van krotten op vrij groote schaal;aanschrijvingen tot het aanbrengen van verbeteringen,waar dit nog mogelijk bleek, werden voorts tot deeigenaren gericht, in een ruim aantal. Dat dit niet zooeenvoudig ging als hier vermeld staat, is wel duidelijk;de overtuiging dat de woningtoestanden in Culemborgkrasse maatregelen noodzakelijk maakten, kwam slechtsgeleidelijk. Men leefde nog in de meening dat daardoorhet eigendomsrecht op ongeoorloofde wijze werd aan-getast. Bovendien werd er met gevoelsargumenten ge-werkt; hoe kon het gemeentebestuur -- zoo redeneerdede man van de straat -- nu zoo wreed zijn, een kleinenbezitter te dupeeren, die van de huur van enkele huisjesmoest leven, hetgeen niet meer mogelijk zou zijn, indienaan de verbetering honderden guldens ten koste moes-ten worden gelegd!Het gemeentebestuur kon en mocht in dezen toestandniet berusten, maar het had te kampen met den tegen-stand van velen, ook uit arbeiderskringen. Dit laatstemoge wat vreemd klinken, maar het wordt verklaarddoor het feit, dat er onder de kleine lieden juist veleneigenaar van enkele, vaak ook maar een paar van diehuisjes waren, die zij met hooge winst aan anderen ver-\2Z huurden. Deze kleinbezitters en hun families zagen deonbewoonbaarverklaring en de verplichte woningver-betering als een ongeoorloofden aanslag op hun be-staansmiddelen; daardoor ging immers van de somsexhorbitante rente van een zeer klein kapitaal een grootdeel verloren !Met onbewoonbaarverklaring van krotten en verbete-ring van slechte woningen alleen kwam het gemeente-bestuur uiteraard niet tot zijn doel. Daarom werd in1930 besloten tot het bouwen van 42 flinke arbeiders-woningen; in 1931 konden deze z.g. Zonnebloemwonin-gen in gebruik worden genomen. Het had heel wat voe-ten in de aarde, voor dat dit besluit genomen konworden.De bouwkosten en de grondkosten bedroegenf 132.500,^--, welk bedrag op de geldmarkt werd ge-leend. Waren de in 1919 gebouwde z.g. Leliewoningengesticht met rijksvoorschot en -bijdrage , het Zonne-bloemcomplex kwam zonder medewerking van het Rijktot stand. De huurprijzen bedroegen in het begin f 4,^--tot f 4,60 per week, verschillend naar gelang van deligging. De woningen van f 4,-- werden aan de groo-tere gezinnen gegeven. Met deze huren konden de ex-ploitatiekosten gedekt worden.Met deze woningen bedoelde het gemeentebestuur eenopschuiving in de hand te werken, hetgeen ook werke-lijk gelukte; er kwamen oudere huizen met lager huur-prijs vrij, die spoedig weer gegadigden trokken; dezebewoners hadden te voren onbewoonbaarverklaarde ofandere slechte huizen bewoond.Maar deze maatregelen hadden nog een ander, en zeerverheugend gevolg. Het was alsof daardoor het bouwenwas ,,losgeslagen". Want menig arbeider en kleineburgerman, die eenige honderden guldens had overge-spaard, werd door het zien van de nieuwe, moderne, enarchitectonisch beter verzorgde huizen ,,aangestoken".Huurdruk werd door dezen bouw echter niet bereikt.Door de onbewoonbaarverklaring was het woningtekortweer grooter geworden; er bleef een behoefte aan nieu-we woningen bestaan, en het tekort aan woningenwaarborgde een vlotte verhuring en goede huurprijzen.Er was winst te maken met woningexploitatie. Velengingen dan ook een nette arbeiders- of kleine midden-standswoning bouwen, hetzij cm ze zelf te gaan bewo-nen, hetzij om die woning of woningen aan derden teverhuren.De gemeente kocht in dien tijd een klein aantal van deallerslechtste krotten op, en bouwde daar zes flinkearbeiderswoningen en een volkslogement; aan dit laatstebestond behoefte met het oog op de vele doortrekkendemarskramers; de ventverboden in verschillende gemeen-ten hebben hierin echter de laatste jaren veranderinggebracht. Deze woningen, uit een geldleening bekostigd,werden tegen den kostenden prijs verhuurd.Dank zij de medewerking van de Geldersche Schoon-heidscommissie werd ook aan het uiterlijk aanzien meerzorg besteed; dat was noodig, want in den loop der tij-den was er reeds veel hopeloos bedorven, waarvan ver-scheidene bouwsels aan het fraaie Marktplein, in deomgeving van het mooie 16e-eeuwsche stadhuis, detrieste getuigen zijn! Gelukkig vestigde een bekwaamjong architect zich hier, die met de moderne eischen deraesthetica bekend was; en de vele opdrachten, die hijde moderne uiterst duurzame kwa-liteitslalc, die door zijn bijzondereeigenschappen eenvoudig en goed-koop onderhoud mogelijk maakt.NZERubbolA-Z Vraagt onze uitvoerigebrochure ,,Betere be-scherming door betereMaterialen"SIKKENS' LAKFABRIEKEN N.V. GRONINGEN AMSTERDAMRO TTERDAM(Mededeelingen buiten verantwoordelijkheid van de redactie)De kosten van buiten- en binnenverfwerk bedroegen steeds 40 a 50?/o van alle onderhouds-i kosten van woningbouwvereenigingen,Bestaat er een oplossing om met dit belangrijke percentage meer en beter werk te makcn 1H^t cijfer van 40 a 50% is gebaseerd op gegevens van ter-zake deskundigcn uit de kringen van Woningbouwvereeni-gingen.Het spreekt vanzelf, dat dit ondcrwerp meer dan bijzondereaandacht heeft.Zooals de moderne techniek verandering brengt in veledingen, ligt het voor de hand dat ook naar een oplossingwerd gezocht, om met hetzelfde percentage onkosten meeren lieter werk te kimnen maken.Tot voor enkele jaren werd voor het onderhoud van huizeniiieestal .lapanlak gebruikt, langen tijd het paradepaard derlakindustrie.Ue klassielic samenstelhng van Japanlak =^ olie + bars(gom) + verdunning + kleurstof.Hierin zijn de eigenschappen van de olie overheerschend.Deze heeft weliswaar zeer goede hoedanigheden, maar aanden anderen kant ook nadeelen, die op den koop toegenomenmoeten worden.Door de vinding en bereiding van een serie merkwaardigekunstmatige harsen, waarvan Bakelite, wel de bekendste is,wijzigde dit beeld met een slag.Bakelite is een van de merkwaardigste vindingen van dezentijd, de stof, waariiit 1001 voorwerpen worden gefabriceerd:bekers, radiokasten, triplcxglas, schakelaars, schroefdoppen,ja wat niet al, onbreekbaar en onverslijtbaar.Harsen van dit type zijn niet alleen veel beter dan de vroe-ger gebruikte ,,natuurlijke harsen", doch tevens duurzamerdan olie. Deze werd hierdoor vrijwel overbodig.De samenstelling van de lak veranderde hierdoor belangrijk,waarbij een ideale combinatie van hoedanigheden werd be-reikt, die tot dusverre in een product niet te vereenigenwaren.Dit moderne product wordt in de laatste jaren door velewoningbouwvereenigingen toegepast. Niet alleen, dat deduurzaamheid veel grooter is, maar met hetzelfde bedragkan thans veel meer werk gereed gemaakt worden, doordatde werkwijze eenvoudiger is.Uit een rapport nemen wij het volgende over:Diverse woningen werden bezien, welke met Rubbol A-Zwaren behandeld. Het geheele bestuur heeft de vorige weekdeze woningen bezichtigd en is eenparig tevreden. Het isook interessant om te zien, wat met een laag van dit pro-duct over oud werk bereikt kan worden. De glans is uit-stekend, de dekking in verhouding tot andere productenopvallend. De opzichter vertelde, dat vroeger in een paarkleine suite-kamers 45 uur werk zat en met dit product maar17. In een groot trappenhuis 80 uur nu slechts 45. Toepas-sing van dit product schept geen conflict met het algemeenstreven tot werkverruiming, maar biedt gelegenheid bij eengelijk bedrag aan arbeidsloon en materiaal meer woningenin goeden staat te houden. Werk, dat anders niet gedaankon worden, komt nu in aanmerking."Dit is dus een groote slap in de goede richting.UNEEDIT VlfASCHBARE MUURVERF (Nieuw Procede)VOOR BINNEN EN BUITEN OP lEDEREN ONDERGRONDVERFFABRIEKEN N.V. RESINK - HAARLEM - LEIDSCHEVAART 574Dir.Dr.lng.W.MEESTERMUURVERFAMSTELLINUTRECHTTELEFOON 15363GARANTIEGARANTIEGARANTIEGARANTIEGARANTIESTANDGROENSTANDBRUINSTANDROODSTANDZWARTSTANDBLAUWSpeciaal product voor Buitenwerk.HOUDT HET IJZER ROESTVRIJEN BESCHERMT HET HOUT.Wordt 5 JAAR GEGARANDEERDWED. BOONSTOPPEL & ZN.LAK- EN VERNISFABRIEKWADDINXVEEN Tclefoon 50NVMET5EL5TEEN%ANTGTONGELDEN55TEENFABRIKANTEN-- NI/MEGEN --Hoofdkantoor:NIJMEGEN Parkweg 96-102 . . Telefoon 23641-42Bijkantorcn:AMSTERDAM Joh. Verhulststraat 76 ... . Telef. 94434UTRECHT Westerstraat 5 Telef. 14853DEN HAAG 2e Louise de Colignystraat 154 Telef. 720772A L M E L O Boddenstraat 80 Telef. 3432ROTTERDAM Telef. 69170EINDHOVEN Willem de Zwijgerstraat 55 . Telef. 5893LONDEN Telef. 2285(Museum)FRANCO-LEVERING pereigen DIESELTRACTIEFIRMATH. A. DE ROSTERTelefoon 20086Ruysdaelstraat 92-94 -- AMSTERDAM-ZGevestigd 1874Centrale VerwarmingWarmwatervoorzieningVentilatieBadinrichtin^en enz.JTijdschrift voor Volkshuisvesting en StedebouwAlle siukken, de adverieniien beireffende, ie zenden aan:KEIZERSGRACHTNo.188 - AMSTERDAM (C) - TELEFOON 49128ontving en uitvoerde, strekken tot bewijs dat er in dewaardeering voor het uiterlijke van een woning eenkentering ten goede is gekomen.Zoo kwam er langzamerhand schot in den woningbouw.Daardoor werd echter het gevaar voor een onregelma-tige bebouwing der terreinen om de stad, grooter. Om-dat de gemeente zich niet van bouwterrein ten behoevevan particuliere bouwers had voorzien, moesten debouwlustige ingezetenen trachten, hier en daar langseen v^rharden weg, soms ook langs een kleiweg, eenstukje land los te krijgen, waarop een enkele of eenpaar woningen konden worden gebouwd. Het behoeftniet te verwonderen, dat hierdoor dikwijls te hoogeprijzen voor den grond werden betaald. Maar een andernadeel was, dat er van een systematische bebouwingweinig terecht kwam; terreintjes, die feitelijk onbe-bouwd hadden moeten blijven, werden nu voor woning-bouw in beslag genomen.De gemeente heeft toen, in 1932, door het vaststellenvan een uitbreidingsplan, aan dit systeemloos bouweneen einde gemaakt; voor alle perceelen werd een klassevan bebouwing bepaald, straten werden getrokken enrooilijnvoorschriften vastgesteld. Ook werden in eennieuwe bouwverordening beter eischen aan woningengesteld; het bouwen aan onverharde straten werd be-lemme:rd. .. ,, , ; > : ; ' iDe crisistijd bleef ook in Culemborg voor de volkshuis-vesting niet zonder gevolgen. Tegelijk met de inkomstender ingezetenen daalde ook de kostprijs van nieuw tebouwen woningen. Dit laatste wasvoor den aanbouw wel een gunsti-ge factor, maar de lage inkomensverhoogden ook weer het risico vanden bouwondernemer. Daar kwamnog bij dat kleine burgers zich alsgegadigden meldden voor de beterearbeiderswoningen, waardoor dearbeiders met hun verminderde be-staansmiddelen voor hun huisves-ting zich weer voor nieuwe proble-men zagen geplaatst. Er werdennog wel kleine middenstandswo-ningen door particulieren gebouwd(de gemeente heeft zich nimmer opdit terrein bewogen, behalve dandoor het geven van een hypothe-caire leening van f 32.000,^-- voor16 bescheiden middenstandswonin-gen), maar arbeiderswoningen, enzeker goedkoope arbeiderswonin-gen kwamen er, in verhouding totde behoefte, veel te weinig totstand.Zoo konden nieuwe maatregelenvan de gemeente niet uitblijven. Zebestonden in het aankoopen vaneen prachtig gelegen bouwterrein(onmiddellijk aan de bebouwdekom), dat door het Kroondomeintegen den schappelijken prijs vanlets m^er dan 80 cent per m2 aande gemeente werd verkocht; verderin het bouwrijp maken van dit terrein (ophooging, be- Anikeienstrating, rioleering, enz.), waarmee pl.m. 67 cent per m^gemoeid was, en ten slotte in het bouwen van 50 goed-koope arbeiderswoningen op het middengedeelte vandat terrein. De gedeelten langs den bestaanden singelwerden aan particulieren voor middenstandsbouw ver-kocht, terwijl nog een stuk voor ongeveer 50 arbeiders-woningen beschikbaar is gebleven. (Juist dezer dagenbesloot de gemeenteraad, ook dit gedeelte nog vol tebouwen).Over die 50 woningen wensch ik hier het een en andermede te deelen, dat den lezer misschien kan interes-seeren. I ' ; *, i*5Deze woningen (zie afbb.) werden door den aannemerJ. M. Krijger te Bergambacht, naar een ontwerp vanden Directeur van Gemeentewerken, den heer A. Men-tink, zeer tot genoegen van het gemeentebestuur ge-bouwd, voor een som van f 85.613,^--'. Feitelijk was debouwsom nog lager, doch doordat de goedkeuring ophet raadsbesluit op zich liet wachten, en intusschen de,,devaluatie" was ingetreden, moest de gemeente zicheen offer van enkele duizenden guldens getroosten; metdrie dagen vroeger goedkeuring had de gemeente zichdit offer kunnen besparen.De kosten van het terrein waren, bouwrijp, f 11.000,--.Deze bouw is uitgevoerd in roode strengperssteen, het , .dak is gedekt met roode verbeterde Hollandsche pan- 'nen; het houtwerk is gehouden in gebroken wit.Deze woningen, welke in 1937 in gebruik werden ge-Woningtype woningbouw nabij den Westersingel123Artikelen124nomen, zijn zoowel uit- als inwendig uitstekend ge-slaagd, en het voornaamste is wel, dat ze, met inbegripvan vrij watergebruik, voor slechts f 3,-- per week ver-huurd kunnen worden.De exploitatie-begrooting is nl. als volgt opgezet:annuiteit grondkosten,4,222% van f 11.000,-- . . . . . . . f 464,20annuiteit bouwkosten,4,655% van f 86.000,-- f 4003,30onderhoud f 1300,--belastingen f 1000,--waterleiding, inbegrepen closet f 590,^--huurophalen, administratie, huurderving . . f 384,--assurantie en diversen f 58,50Uitgaven totaal f 7800,--Huur: 50 maal f 156,-- per jaar . . . . f 7800,--Deze behoorlijk ruime woningen, die een voortuintje eneen flinken achtertuin hebben, zijn verhuurd aan gezin-nen welker inkomen zoo om en bij de f 15,^ of daarbeneden ligt. De gemeente geeft in de huur van f 3,^een bijdrage van 25 ct. (uitgezonderd gezinnen metminder dan 2 kinderen, wier gezinsinkomen boven def 15,- ligt).Voor bijna alle gezinnen in die huizen is de huur prac-tisch f 2,75. Voor stadswoningen van dit flinke typevoorzeker een laag bedrag.Ook in het landelijk deel der gemeente ontstond een te-kort aan woningen voor arbeiders met lage inkomens,die werkzaam zijn in dienst van een polder, bij deHeidemaatschappij, de spoorwegen of als daglooner inhet boerenbedrijf. De gemeente heeft daarom zich debelangen van deze gezinnen aangetrokken. Op 5 km vande bebouwde kom, nabij een daar gelegen bizonderelagere school langs den autoweg Waardenburg--Via-nen^--Utrecht, worden voor rekening van de gemeentetien bescheiden arbeiderswoningen gebouwd, welkevoor f 14.500,-- zijn aanbesteed aan de fa. Kreugel enDe Vries te Utrecht. De grond (een flinke lap tuinvoor elke woning) is bouwrijp ingebracht voor een be-drag van f 1200,--, naar een prijs van 30 ct. per m^,zoodat er voor elk huis nog ruimte voor kippen, eenpaar varkens, aardappel- en groentebouw, of lets vandien aard overschiet.In deze huizen is beneden een woonkamer, een slaap-kamer, een keuken, en een portaal met kelderkast; bovenzijn er drie slaapkamers en daarboven een vliering. Bijelke woning is een losstaand schuurtje. Gas-, water- enelectriciteitsleiding hebben deze huizen niet. De huur-prijs zal f 2,50 zijn, waarmede de exploitatiekosten zijnte dekken. Deze woningen zullen over enkele wekengereed zijn.De algemeene drang om tot verlaging van de huren deroverheidswoningen te komen, bleef ook in Culemborgniet zonder uitwerking. In 1936 werden een paar voor-afgegane verlagingen vervangen en samengevat in eenNevenstaande afbeeldingen betreffen den bouw van 50 goedkoopearbeiderswoningen nabij den Westersingel te Culemborgl|iiiiiiiii]iiiii{iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiinii)iimiiiiiiiiiiiutii!iiiiiiiiiiiiiiiiiiiifiiiii!iiiMI J. C. J. KNEGT & ZONENBRANDSTORMINBRAAKFRAUDEiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii^ASSURANTIEKANTOOR VAN 1840TRANSPORTAANSPRAKELIJKHEIDAUTO'SONGELUKKENiiiiiiiiiiiiiiCORTLEVERKETELSTRAATAMSTERDAMSp ecialiteit inmARMERENSCHOORSTEENMANTELS9JHOLLAND-DEURSLUITINGEN"voor het openen en sluiten van voordeuren vanBOVENWONINGEN(Nederl. Octrooi)MODERNE SPEELTUINTOESTELLENconstructiewerken.CV,,AD.DRENTH,GRONINGENCOEHOORNSINGEL 39 TELEFOON 1424De Koning der vervenEDEL-STANDGROEN't gaat jaren mee !?EKONOL?voor 't BETERE werkN.V. v.h. EVERT KONING & Co.de verf van Koning ZAANDAM..^^'..-'^>v* ,Ae^^V^',.^^^.e^..-''.^e\a^'AW.^^' ,\o^?,.eO^^V^^y'e^^Ae-Je^'\^\^o',oC^^^dbruynzeels deurenfabriek n.v. zaandamfrITUMITHet wallboard met de drie asphalt'lagen,waardoor volkomen vochtbestendigheidverkregen wordt. ,,BITUMIT" is uitmuti'tend geschikt voor binnenbekleeding vanvochtige muren, plafondbekleeding enonderlaag onder linoleum.Een monster met beschrijving wordt U gaarneop verzoek toegezonden.REPPEL's Agentuur in BouwmaterialenMosseltrap 5a -- ROTTERDAM -- Telefoon 15436^OOR MOOIERE S^^BEHANGSELPAPiERFABRIEK VAN RATH & DOODEHEEFVER N.VCENTRALE VERWARMINGH.V.GEVEKE.C9AMSTERDAMOUESTOOK-INSTALLATIESVENTILATIE-INRICHTINGENWARMWATERVOORZIENINGV. FOLTU AMSTERDAIVIRapenburg 29 - Telefoon 43942Asbestona Hardboard Houtvezel enz.Plaatmateriaalalgemeene huurverlaging van de gemeente-woningen,met 20%. Dit gold zoowel voor de Woningwet-wonin-gen als voor de later uit gemeente-leeningen betaaldecomplexen; ook vielen onder deze huurverlaging een27-tal huisjes, behoorende tot een geliquideerd bedrijfen door de gemeente in 1926 aangekocht. Deze gelijk-matige huurverlaging over de geheele linie heeft on-billijke verhoudingen geschapen; het Zonnebloemcom-plex bijv., dat voor kleinzelfstandigen en beter gesi-tueerde arbeidersgezinnen ,,geknipt" is, wordt thansverhuurd tegen een aanmerkelijk te lagen prijs.Het gaat er bij dergelijke maatregelen, waarmee zooweleen druk op de huren der particuliere woningen als eenverruiming van de woningmarkt beoogd wordt, vooralom, de juiste tactiek te volgen. In het onderhavige gevalwas het evident, dat met het bouwen van een aantalgoedkoope woningen het beoogde tweeledig doel veelmeer benaderd zou zijn, dan door een ingrijpende huur-verlaging van alle gemeentewoningen. En voor de over-heidsfinancien zou het heel wat voordeeliger zijn ge-weest.Gelukkig heeft de gemeenteraad dat ook begrepen. Hijbesloot daarom in zijn vergadering van 16 Mei j.l., de20% huurverlaging van de gemeente-woningen weer teniet te doen, en 46 goedkoope arbeiderswoningen tebouwen naast de in 1936--1937 gebouwde 50 huizen.De huren van de bestaande woningen worden op demarktwaarde der woningen teruggebracht, waarmee degemeente zich bijna f 2500,-- en het Rijk zich ruimf 700,-1 per jaar kan besparen. De huizen die gebouwdworden[ zullen er zijn van het type dat ongeveer f 3,--huur per week doet.Om de gezinnen met lage inkomens, die in de Zonne-bloem- en Leliecomplexen wonen, niet de dupe te doenworden van de huurverhooging, zullen zij het rechtkrijgen, een der nieuw te bouwen huizen te huren, waar-door zij hun woning kunnen vrijmaken voor beter gesi-tueerden.Dit besluit van den gemeenteraad mogen wij gerust eenuitstekend sluitstuk noemen op de woningpolitiek vanCulemborg in het huidige tijdperk.De volkshuisvesting vereischt in de gemeenten van haarbesturen veel zorg. In een kleine stad, met veel fabrie-ken, veel fabrieksarbeiders, gedaalde loonen, en -- indezen tljd -- veel werkloozen, is het een der belangrijk-ste vraagstukken, waarvoor het stadsbestuur zich ge-plaatst ziet; maar ook een vraagstuk, waarover de mee-ningen -- misschien meer dan bij elk ander probleem --zeer uiteenloopen. Men is daar niet zoo ontvankelijkvoor goede sociale opvattingen, als in grooter steden.Verouderde begrippen staan het in-zich-opnemen vanmoderne ideeen over hygiene en moraliteit in den weg.Men hoort er nog geregeld het ,,non possumus" klinkenbij elke poging om van overheidswege in een woning-tekort te voorzien; en zij wier denkbeelden op dit puntiets meer geavanceerd zijn, komen er eerst na grooteaarzeling toe, hun medewerking te verleenen, en dannog alleen als stappen van de overheid wegens eensterk sprekend woningtekort onvermijdelijk zijn.De opvatting, dat de woning in de eerste plaats eenobject voor goede geldbelegging, een winstobject is, enin de tweede plaats ook nog tot doel heeft om voor huis-vesting van het volk te dienen, heeft in dergelijke stad-jes vele aanhangers. Onnoodig te zeggen dat dezen bij Anikeiende keuze tusschen: een woningtekort of eenig woning-overschot, het eerste de voorkeur geven en dit zelfs,,imet kracht van argumenten" verdedigen.In Culemborg is momenteel de stand van zaken deze,dat er van het leegstaan van woningen-in-massa geensprake is; de plaatselijke mentaliteit is waarborg dat ervoor ,,overbouwen" geen gevaar bestaat. Van de voorbewoning geschikte perceelen staat er nauwelijks 1 %leeg, en die leegstaande huizen zijn vrijwel uitsluitendperceelen in de hoogere huurklassen of voor afkeuringin aanmerking komende woningen.In 1905 was het aantal woningen 1754 op een bevolkingvan 8539 zielen; in 1935 waren deze cijfers 2181 en9546. De gemiddelde woningbezetting was in 1905 4,86;in 1935 4,37. Oogenschijnlijk dus een vooruitgang.Maar in 1905 was het geboortecijfer 274, welk cijfergeleidelijk is teruggeloopen tot 172 geboorten in 1935.Hieruit blijkt wel, dat de grootte der gezinnen veel ver-minderd is. Het aantal gezinnen per 1000 inwoners isbeduidend gestegen sinds 1905; de vermeerdering vanhet aantal woningen is daarbij, ondanks den aanbouw,ten achter gebleven. Het tekort, dat hierdoor ontstaanis, kan slechts door overheidsingrijpen worden wegge-werkt, omdat de behoefte zich vrijwel alleen openbaartin de klasse der zeer goedkoope woningen; en de bouwdaarvan kan niet aan het particulier initiatief wordenovergelaten, omdat die woningen ten eenenmale geenmogelijkheid op winst bieden. Deze opvatting zag ikzeer onlangs ook bevestigd in een rapport eener com-missie, voor dit deel der provincie Gelderland ingesteld.Maar eer deze opvatting gemeengoed is geworden, zaler in een kleine stad eerst heel wat gepasseerd moetenzijn, of, zooals men het hier uitdrukt: zal er nog veelwater door de Lek stroomen.De gemeenteraad van Culemborg heeft, met zijn zoo-even genoemd besluit tot het bouwen van nog 46 goed-koope woningen, een goede daad gesteld, waardooreen kwestie, die herhaaldelijk veel stof deed opwaaien,tot een gelukkige oplossing kan komen; de gunstigefinancieele zijde, die voor de gemeente (en voor hetRijk) aan dat besluit vastzit, maakt deze beslissing nogte meer aantrekkelijk.Ik hoop met deze beschouwingen iets te hebben bijge-dragen tot de kennis van de moeilijkheden, waarmeemen in een kleine stad bij de behartiging van de belan-gen der volkshuisvesting te kampen heeft.Er bestaat, meen ik, in meer gemeenten een verlangen,om goedkoope arbeiderswoningen van gemeentewege tebouwen, liefst zonder bijdragen uit de overheidskas; datis, gelet op de financieele positie van menige gemeente,begrijpelijk. Misschien kan daarom het Culemborgschevoorbeeld elders navolging vinden.Culemborg, Mei 1938125ArtikelenRioleering bezien van den stedebouwkun-digen kantdoor Jhr. A. H. Op ten Noort,Raadgevend-Ingenieur en ArchitectWellicht zullen sommigen zich afvragen, wat heeft rio-leering, een zoo nuchter zakelijk, in hoofdzaak technischen min of meer onaesthetisch onderwerp, te maken metstedebouw, dien ik zou willen definieeren als de leervan de aesthetische en doelmatige regeling van degroepeering der woonstede eener zich uitbreidende be-volking, zoowel in de stad als ten plattelande. Dezeregeling vindt haar grondslagen in de Woningwet,waarvan paragraaf 7 de regeling der bebouwing en derbestemming van gronden omvat. Opmerkelijk is daarbij,dat het eerste artikel van deze paragraaf (art. 35) eennegatief voorschrift geeft, in dien zin, dat het denGemeenteraad de bevoegdheid verleent om aan te gevenwaar niet gebouwd zal mogen worden. Intusschen ge-ven ook de overige artikelen geen voorschriften hoeen wat er gebouwd zal worden, doch bevatten zijslechts regelen die aangeven, hoe een plan van uitbrei-ding in een gemeente rechtskracht kan verkrijgen,,,waarbij de bestemming van den in dat plan begrepengrond in hoofdzaak of in onderdeelen wordt aangewe-zen". De voorschriften betreffende de inrichting vanplannen van uitbreiding en van streekplannen, wordenkrachtens art. 42 of art. 50 gegeven bij algemeenenmaatregel van bestuur en werden vastgesteld bij besluitvan 11 Januari 1932 par. 7 (Woningbesluit).Tevergeefs zal men nu in het Woningbesluit voorschrif-ten zoeken waaruit blijkt, dat tot de regeling eenergoede uitbreiding van de woningcentra ook geacht moetworden te behooren de zorg voor een goeden afvoervan verbruikswater. Slechts bevat par. 5, behandelendede voorbereiding en inrichting van streekplannen, in lid5 van art. 17 een voorschrift om ,,voor zoover de be-langen van de streek dat vorderen", de gronden aan tegeven, welke zijn bestemd ,,voor doeleinden vanopenbaar nut voor de streek" en als zoodanig wordendan o.m. genoemd: ,,terreinen voor waterwinning, rei-niging van afvalstoffen enz."Men kan dus niet zeggen, dat de wet die de bebouwingregelt, veel verband legt tusschen dit onderwerp vanoverheidszorg en den afvoer van het verbruikswater.Dit is te meer verwonderlijk, omdat men door alleeeuwen heen heeft ondervonden, dat de samenwoningvan menschen in dorpen en steden eigenaardige moei-lijkheden schiep ten aanzien van de verwijdering vanhet afvalwater. Hoe dichter de bebouwing werd, hoemeer verbruikswater dus op een betrekkclijk kleineoppervlakte geconcentreerd werd, hoe grooter de moei-lijkheden werden van de oplossing van het probleem derverwijdering van dit water. En dit vooral omdat dedichte bebouwing vanzelf meebracht dat ook de verwij-dering van het gevallen regeniyater (voorzoover niet inde huishouding of Industrie gebruikt) moeilijkhedenging veroorzaken, eenerzijds omdat het oppervlak,waarin dit water kon wegzakken, door de aanwezig-heid van daken en gedeeltelijk ook door de plaveiselswerd verkleind, andererzijds doordat de helling der da-ken en der plaveisels een veel snellere samenvloeiingvan het gevallen water naar bepaalde verzamelpunteniZO ten gevolge had, samenvloeiing, die veelal tot over-strooming van lager gelegen stadsgedeelten aanleidinggaf.En waar nu het uitbreidingsplan een beeld geeft vande toekomstige ontwikkeling van een bebouwingskernof van een groep van bebouwingskernen (ik laat nuverder het streekplan eenvoudigheidshalve ongenoemd),is het duidelijk, dat de ontwerper van zoodanig planen zij, die daarover hun oordeel of daaraan hun sanctiehebben te geven, zich terdege rekenschap moeten gevenvan de gevolgen, die de toekomstige bebouwing zalhebben op den toestand van het openbaar water. Wor-den niet zeer tijdig en aan de bebouwing voorafgaand,de maatregelen overwogen, die de afvoer van het ver-bruikswater in een nabije of verdere toekomst zal vor-deren, dan zal als regel het uitbreidingsplan in plaatsvan orde te scheppen, aanleiding kunnen zijn tot eenverergering van onhygienische toestanden, vervuilingvan water, bodem en lucht en tot een bron van kostbareen uit technisch oogpunt onbevredigende en in iedergeval onoeconomische maatregelen, ter opheffing, ach-teraf, van de gerezen bezwaren.Is hiermede het verband gelegd tusschen rioleering enstedebouw, zoo wil ik mij thans bezighouden met devraag, hoe dit verband kan en zal moeten worden ge-handhaafd.Van een in het vrije beroep werkzaam zijnd raadge-vend-ingenieur en architect behoeft het niet te verwon-deren, dat hij zich minder aangetrokken voelt tot dwin-gende voorschriften en wettelijke regelingen, al moetieder beschaafd mensch, dat over ervaring en eennuchter verstand beschikt erkennen, dat samenleving inzich sluit onderwerping aan een zeker stelsel van ge-schreven en ongeschreven wetten en voorschriften.Maar de steeds toenemende drang tot wettelijke rege-ling van alles, wat door een grooter of kleiner groepwordt gezien als een zaak van openbaar belang en totoverheidsingrijpen, wanneer de menschelijke organisatiete langzaam of onvoldoende blijkt te werken om dezebelangen te verzorgen, vindt bij de beoefenaren van hetvrije, onafhankelijke beroep niet altijd instemming enwordt in ieder geval door dezen niet altijd als de eenigeof als de meest juiste weg aangemerkt. Dit geldt ookvoor het onderwerpelijke vraagstuk.Allereerst moet men de beteekenis ervan niet over-drijven.Terecht werd in een bespreking, die aan de destijdsaanhangige (en sedert weer ingetrokken) aanvullingder Hinderwet werd gewijd in de vergadering van denKring van Werkgevers Centralen in de IndustrieeleClub te Amsterdam op 11 Jan. 1923, door den inleider,den heer J. C. H. Fischer, Iste secretaris-penningmees-ter der Nederlandsche Vereeniging tegen Water-, Bo-dem- en Luchtverontreiniging, opgemerkt:,,Waterverontreiniging moet worden tegengegaan: zij is,,eene belemmering ook voor vele takken van de in-,,dustrie; onbruikbaar water kan tengevolge hebben dat,,sommige industrieen gaan kwijnen en zeer velen zich,,langs noodeloos kostbaren weg moeten voorzien van,,wel bruikbaar water.,,Daarenboven is dit eene aangelegenheid die de Regee-,,ring ter harte moet nemen, omdat zij de volksgezond-,,heid en de volkswelvaart aangaat. In dit opzicht heeft,,zij een middellijken schadelijken invloed op de Industrie,,door verhooging van het ziekte-cijfer.,,Toch is groote matigheid hier geboden; de wateren,,zijn de natuurlijke afvoerwegen van vuil, en zoolang,,dus de waterverontreiniging geene overmatige en voor,,andere belangen schadelijken hinder veroorzaakt, moet,,zij geduld worden. Hierbij komt nog, dat elke water-,,loop of verzamehng van water de gelukkige eigen-,,schap bezit, door zelfreiniging, de haar toegevoerde,,afvalstoffen om te zetten in onschadehjke bestand-,,deelenl mits de belasting niet overmatig zij.,,De maatregelen tegen waterverontreiniging mogen,,dus niet meer omvatten dan de bescherming van het,.water, zoodanig dat het geschikt bhjft voor de doel-,,einden waarvoor het van nature bestemd is.,,Dit moet het uitgangspunt zijn van de wettehjke bepa-,,hngen en niet, zooals tot nu toe steeds is aangenomen,,,het regelen van het reinigen van het afvalwater.,.Die bescherming moet zich echter uitstrekken tot elk,.water, dus zoowel wat zich aan de oppervlakte der,,aarde vertoont, als het ondergrondsche water, dat in,.vele gevallen ook als gebruikswater wordt gebezigd."De schadelijke gevolgen van de loozing van het riool-water vinden in de allereerste plaats hun ontstaan in demeegevoerde onopgeloste (zwevende) en de opgelosteverontreinigingen. Men denke toch vooral niet, dat hetrioolwater alleen schadelijk is, wanneer er afvalwateruit de industrie in geloosd is.De ervaring heeft geleerd, dat slechts in hoogst zeld-zame gevallen industrieel afvalwater in de steden zoo'noverwegende rol speelt, dat het niet door de verdun-ning van het overige afvalwater wordt geneutrahseerd.In Birmingham, waar veel koperbewerking plaats heeft.kwam het nu en dan voor dat de afgevoerde zuren zoogeconcentreerd waren, dat bij de rioolwaterzuiverings-inrichting de goede werking werd verstoord door hetafsterven der bacterien; in Huddersfield is tijdens denoorlog door het op groote schaal stichten van een verf-industrie zonder voldoende neutrahseering van het af-valwater, de prachtige en kostbare stedelijke rioolwater-zuiveringsinrichting totaal vernield.In Nederlandsche steden ^ zelfs in Enschede -- is hetafvalwater uit het stedelijke rioolnet een zoodanigmengsel geworden, dat het niet direct schadelijk is doorzure of jgiftige eigenschappen.Die schadelijke en giftige eigenschappen krijgt het waterals regel door de rotting, die ontstaat tijdens en na hettransport door de rioolbuizen, doordat de aanwezigeorganische bestanddeelen door rottingsbacterien wordenaangetast.In de natuur heeft overal een biologische zuiveringplaats, zoowel in het water, waardoor men spreekt vanhet zelf-reinigend vermogen van stroomende rivieren,als in het land waar men spreekt van nitrificatie, omdatdoor de vorming van nitraten aan den bodem stikstof-houdende voedingsbestanddeelen toegevoegd worden.Nu is het duidelijk, wanneer de zelfreiniging een ge-volg is van zeer samengestelde bio-chemische processen,welke ingeleid en voltooid worden door afbraak ofoxydatie bevorderende micro-organismen (bacterien),dat natuurlijke voorwaarden aanwezig moeten zijn vooreen gezonde ontwikkeling, daar anders, evenals bij hetmenschelijke organisme, voedingsstoornissen intreden en Artikdcneen regelmatig functioneercn ophoudt. Gelijk in denlandbouw een overmatige bemesting geen evenredigevruchten of zelfs in het geheel geen vruchten opleverten een menschelijke maag bij al te rijkelijke voedingden dienst weigert, zoo kan ook het openbaar waterslechts in zekere mate door afvalwater verontreinigdworden, wil de zelfreinigende werking niet geheel op-houden. Dit hangt af van de hoeveelheid vrije zuurstof,die in het openbaar water aanwezig is of opgenomenkan worden. Vandaar dan ook dat in droge, warmeperioden het water eerder door stankontwikkeling toontniet meer in staat te zijn een natuurlijk reinigingsproceste ondergaan, dan in natte, koude jaargetijden.En het is nu ook begrijpelijk, dat alleen een zeer ver-spreide bebouwing een directe loozing van het ver-bruikswater in de slooten en kanalen toelaat en dat eenoogenschijnlijk volstrekt niet hinderlijke afvloeiing, bijtoenemende bebouwing al heel spoedig tot ernstige be-zwaren gaat leiden.Men kan dan nog eenigen tijd en soms wel voor altijd(indien door doeltreffende bebouwingsvoorschriften debebouwingsdichtheid een daaraan beantwoordendemaat niet overschrijden kan) den toestand beheerschen,door de natuur te hulp te komen en zorg te dragen, datalthans de afbraak der zwevende en der opgeloste or-ganische stoffen plaats vindt, voor dat de loozing inhet openbaar water of door infiltratie in het grondwaterplaats heeft gevonden.Een voortreffelijk middel daartoe is de beerput metoverstort, ingericht als septic-tank, zooals die is aan-gegeven door de hoofdcommissie voor de normalisatiein Nederland op normaalblad N. 368 (verkrijgbaar bijhet Centraal Normalisatiebureau te 's-Gravenhage).In het Technisch Gemeenteblad nummers 6, 7, 8 en 9van September t/m December 1925 werden door mijde resultaten vermeld van een reeks onderzoekingen inEnschede en van proefnemingen te Utrecht, waaruitgebleken was dat een beerput als de meest eenvoudigeseptic-tank kan worden gebruikt, wanneer de aan- ende afvoer-openingen ongeveer 40 cm onder den water-spiegel reiken en daarboven een goede afvoer wordtgemaakt voor de zich ontwikkelende vrijwel reukeloozegassen, terwijl een directe stroombaan tusschen de aan-en afvoeropening physisch onmogelijk is, zoodat elkeaanwending van tusschenschotten en dergelijke fraaieaanhangsels van een ouderwetsche septic-tank, vol-maakt overbodig en dus onoeconomisch is.Onder de werking van anaerobe bacterien (in donkeronder afsluiting van de luchtzuurstof) heeft in den beer-put-septictank de afbraak van de organische stoffenplaats, waardoor zij, in het openbaar water gevoerd,veel sneller geoxydeerd kunnen worden en ook geschiktzijn om in een goed geventileerd infiltratiebed aan hetgrondwater te worden toegevoerd.Bekend is, dat men in villaterreinen op zandgrondenmeestal het afvalwater tracht kwijt te raken door hetgraven van zinkputten en dat men gewoonlijk binnenbetrekkelijk korten tijd steeds weer nieuwe verzink-putten moet laten maken. De oorzaak ligt in het onvol-doende verband, dat gelegd is tusschen de hoeveelheidvet- en ander afval bevattend huishoudwater en dedrainage-oppervlakte. Voert men het afvalwater (niet iZ/Artikelen128het onschadelijke regenwater, dat men zooveel mogelijkbuiten de huisrioleering om direct in de natuurlijke af-watering van het terrein dient te leiden) eerst door eenals septic-tank ingerichten beerput, dan kan men de uitde afvoeropening komende vloeistof door drainage-buizen, liggende in een bed van cokes, takken e.d. lucht-en vloeistof doorlatende stoffen, in den bodem latenzinken, wanneer de door het drainagebed beslagen op-pervlakte per m2 niet meer vloeistof toegevoerd krijgtdan 5 mS per jaar. Volgens de Amerikaansche techni-sche hteratuur zou noodig zijn 20 tot 100 voet drai-nageleiding per persoon. Voor 5 personen 30 meterdrainageleiding kiezende komt men dus tot 6 meter(20') per persoon als minimum, doch men neme daarbijin acht, dat de Amerikanen soms driemaal zooveel waterper hoofd gebruiken als de Europeanen.Vanzelfsprekend kan men zoo'n instuw-filtratiebed ookvoor een geheel blok in een villawijk combineeren enkan men dan, zonder eenige schade of hinder voor deomgeving op afdoende wijze tot in lengte van dagenden afvoer van het afvalwater beheerschen. De diepteder bouwblokken en het aantal daarop toegelaten wo-ningblokken behoort dan aangepast te zijn aan de voorinfiltratie beschikbaar blijvende oppervlakte. Aanbeve-hng verdient het dan ter weerszijden van het drainage-bed een hoofddrainleiding te leggen, welke door eenaantal evenwijdig aan elkaar liggende lusschendrainszijn verbonden, waardoor op het drainagebed (voor deaanaarding) een rooster van drainleidingen komt teliggen. De beide hoofddrainleidingen worden dan aanbeide einden voorzien van een tot het maaiveld opge-metseld en met een muisdicht rooster gedekt putje,waardoor een krachtige ventilatie van het geheele drain-net (door de daarin ontwikkelde warmte) verzekerd is.Overal waar de grondslag voldoende doorlatend en degrondwaterstand voldoende laag is, kan men aldus, bijgenoegzaam verspreide bebouwing, het vraagstuk vanafvoer van het huishoudwater bevredigend beheerschen,zonder tot een centrale rioleering en eventueel afval-waterreiniging te behoeven overgaan. De Overheid zaldaartoe de noodige voorschriften dienen te geven enaan de exploitatie der gronden zoodanige voorwaardenmoeten verbinden, dat een behoorlijke verwijdering vanhet afvalwater verzekerd is. Hoe meer men echter inpolder- en in kleistreken voor dit vraagstuk geplaatstwordt, des te eerder zal men bij de samenstelling vanhet uitbreidingsplan zich bewust moeten zijn, dat alleendoelmatige verspreiding der afzonderlijke woningblok-ken het probleem niet kan oplossen.Men komt dan voor de vraag te staan: hoe zal het toe-komstige centrale rioolnet er uit moeten zien, waar zul-len de punten van loozing gevonden kunnen worden enis daar directe loozing van het afvalwater nu of in demin of meer verwijderde toekomst op het openbaarwater toelaatbaar te achten of zal men tot voorafgaandecentrale reiniging over moeten gaan?Ook hier komt men weer voor de vraag te staan of hetorganisme dat het voedsel zal moeten verteren vol-doende opname-vermogen heeft, m.a.w. of in het open-baar water voldoende snel stroomend zuurstof houdendversch water wordt aangevoerd, om de toegevoegde af-valstoffen duurzaam op te kunnen nemen, en zoo neen,hoever dan de voorafgaande reiniging zal moeten wor-den toegepast om een geen hinder veroorzakende loo-zing toelaatbaar te maken.Daarnaast is een gewichtig punt: op welk peil bovenhet grondwater moeten de straten (en in verband daar-mede de vloeren der beganegrondsvertrekken) wordenaangelegd. Er zijn in ons land gemeenten te vindenwaar men thans de ervaring opdoet, welke hoogst na-deelige gevolgen een verkeerden aanleg der straten bijtoenemende bebouwing en uitbreiding der plaatsen heeftop de finantieele en hygienische toestanden. Het blijktdan achteraf niet mogelijk een centraal rioolnet en eengecombineerde waterzuivering toe te passen zonder eenuiterst gering afschot (en daardoor onoeconomischwijde rioolbuizen). Of men moet bij ontoereikend be-schikbaar verval overgaan tot inschakeling van eengroot aantal belangrijke, blijvende, exploitatielastenmeebrengende overpompstations.Men ziet, dat aldus het vraagstuk van het samenstellenvan een doelmatig en oeconomisch uitbreidingsplan ereen wordt, dat slechts aan daartoe bevoegden kanworden toevertrouwd, d.w.z. dat men er zich te vorenrekenschap van moet geven, dat zoodanig plan nietalleen een kwestie is van opstelling van een schemavan straten, grachten en pleinen met min of meer sche-matisch uit andere gemeenten overgenomen, min ofmeer bureaucratische, en alles voorschrijvende bebou-wingsvoorschriften, doch vooral ook gezien moet wor-den als een opdracht, waarvoor de ontwerper over zoo-danige kennis en ervaring van de zich daarbij aan-sluitende technische problemen beschikt, dat men magaannemen, dat hij die vraagstukken beheerscht.Men legt voor de toekomst vast hoe een bepaald ge-bied zich zal ontwikkelen en een ondoelmatig plan kantot groote geldelijke en hygienische nadeelen voor datgeheele gebied leiden.Een en ander heeft de Commissie inzake waterveront-reiniging, ingesteld door den Minister van Sociale Za-ken, aanleiding gegeven, een nota op te stellen, waarinaangedrongen wordt op aanvulling van het woning-besluit in dien zin, dat de gemeenten worden verplichtom -- behoudens van hoogerhand te verleenen vrij-stelling, -- zich bij het ontwerpen van een uitbreidings-plan rekenschap te geven van den afvoer van wateren vuil en het onschadelijk maken van afvoerstoffen endaartoe de noodige voorzieningen ten aanzien vanrioleering en zuivering te treffen.In deze nota betoogt de Commissie:,,Bij de behandeling van tal van gevallen, waarin het,,oordeel onzer Commissie wordt gevraagd, blijkt tel-,,kens weer hoe moeilijk en vaak kostbaar het is te,,komen tot een behoorlijke en systematische regeling,,van den afvoer van water en vloeibaar vuil door de,,omstandigheid, dat men zich niet tijdig rekenschap,,heeft gegeven van dit vraagstuk, dat zich toch overal,,aandient waar de voorwaarden aanwezig zijn voor de,,ontwikkeling eener bevolkingsagglomeratie van groo-,,ter of kleiner omvang, eventueel mede voor het ont-,,staan van industrieen.,,Dit geldt niet alleen voor oudere kernen. Zelfs kan,,worden gezegd, dat in de oudere stadsgedeelten en,,meer belangrijke dorpskommen, als regel, een min of,,meer volledige rioleering aanwezig is, zij het ook, dat,,deze uit technisch oogpunt vaak onvolmaakt moet,,worden geacht en dat het lang niet altijd gemakkelijk,,is om bij zoodanige rioleering tot een bevredigende,,oplossing van het zich met toenemende klem aandie-,,nende vraagstuk der waterverontreiniging te komen.,,Vooral echter bij de uitbreidingen van bebouwde kom-,,men, ook die, welke in de laatste decennia zijn tot,,stand gekomen, blijkt steeds op nieuw, dat men zich,,veelal geen of zeer onvoldoende rekenschap heeft ge-,,geven van den afvoer der hierbedoelde stoffen. In-..-zonderheid in gemeenten, die van huis uit een betrek-,,kehjk weinig talrijke bevolking konden aanwijzen, en,,dan met name nog in die gemeenten, waar oorspron-,,kehjk de bebouwing een verspreid karakter droeg, is,,het regel, dat, ook waar van Overheidswege leiding,,aan stads- of dorpsuitbreiding werd gegeven, hierbij,,het vraagstuk van den afvoer van water en vuil (het,,laatste in den meest breeden omvang) om van dat der,,waterzuivering maar niet eens te spreken, gewoonweg,,werd verwaarloosd.,,In meer dan een geval scheen het oppervlakkig be-,,schouwd, wellicht minder noodig zich over deze vragen,,te bekommeren. Wanneer ook de nieuwe bebouwing,,,bijv; in den vorm van villawijken, in gemeenten met,,een landehjk karakter ruim werd geprojecteerd, meen-,,de men te mogen aannemen, dat de nieuwe bewoners,,evenzeer als de reeds gevestigde bevolking zich zon-,,der te veel bezwaar en overlast voor zichzelf en de,,omgeving van de bedoelde stoffen zouden weten te,,ontdoen. Dit heeft intusschen in tal van gevallen ten-,,gevolge, dat in dergelijke wijken een uit het hier be-,,sproken oogpunt veel minder bevredigende toestand,,bestaat dan in veel minder aanzienlijke buurten, waar,,althans een rioleering aanwezig is. Wanneer dan bo-,,vendien nog, zooals dikwijls het geval is, de bebouwing,,in den loop der jaren een meer intensief karakter aan-,,neemt en zelfs gesloten bebouwing ontstaat, dan drei-,,gen de ergste misstanden uit een oogpunt van hygiene,,en reinheid te ontstaan en is aan verontreiniging van,,water, bodem en lucht niet te ontkomen.,,In vele gevallen geven de ontstane misstanden aan-,,leiding tot het zoeken naar partieele oplossingen, die,.later een systematische centrale voorziening in den,,weg staan. Vooral de kwestie van het onschadelijk,,maken van het rioolvocht wordt op die wijze vaak zeer,,moeilijk, om niet te zeggen technisch en financieel,,onmogelijk gemaakt. Vooral in deze dagen. nu onder,,invloed van de voortschrijdende inzichten omtrent de,,eischen van de openbare hygiene, maar meer nog,,onder den drang van de heerschende werkloosheid,,,talrijke projecten voor rioleering annex waterzuivering,,worden ontworpen, komt het hoogst onbevredigende,,en zoowel uit hygienisch als bestuurs-economisch oog-,,punt verwerpelijke van de gedurende zooveel jaren in,,breeden kring gevolgde stelsellooze gedragslijn naar,,voren. Het behoeft geen betoog, dat slechts tegen op-,.offering van groote bedragen dikwijls een lang niet,,ideale, maar eenigszins bevredigende oplossing kan,,worden bereikt.,,Dit allcs heeft nog weer een ander, voor velen teleur-,,stellend gevolg. Het is moeilijk te ontkennen, dat vele,,gemeenten de vestiging binnen hare grenzen buiten-,,gemeen hebben aangemoedigd en dat als gevolg daar-,,van uitgebreide wegencomplexen zijn aangelegd en A^tikeien..bouwterrein in exploitatie gebracht, ook op ruimen,,afstand van en zonder eenig verband met bestaande,,kernen. Het is duidelijk, dat op deze wijze het bestuur,,der gemeente weinig economisch en dus op den duur,,zeer kostbaar moet worden. Wanneer men zich niet,,tijdig, d.w.z. voor het in exploitatie brengen van ter-,,reinen, voldoende rekenschap heeft gegeven van de,,kosten welke aan het bouwrijp maken daarvan ver-,,bonden zijn, waartoe naar juist begrip, in den regel,,ook behoort een behoorlijke rioleering, eventueel met,,daaraan verbonden zuiveringswerken, dan is het niet,,meer mogelijk deze kosten achteraf op den bouw-,,exploitant te verhalen en ziet het gemeentebestuur, in-,,dien het althans den algemeenen dienst niet met deze,,uitgaven wil belasten, zich veelal genoodzaakt deze in,,den vorm van straat-,riool-, baatbelasting of dergelijke,,,geheel of ten deele op de latere eigenaren of bewoners,,af te wentelcn. Zij, die bouwterrein of huizen hebben,,gekocht in een gedeelte der gemeente, waar derge-,,lijke belastingen niet bestonden, achten zich door de,,invoering daarvan veelal gedupeerd en het valt ook,,niet te ontkennen, dat het in den regel billijker en,,rationeeler zou zijn geweest voor het in exploitatie,,brengen van gronden zich Voldoende rekenschap te,,geven van de noodzakelijkheid der te maken werken,,voor den afvoer en onschadelijkmaking der vloeibare,,afvalstoffen en de kosten daarvan aan den bouwexploi-,,tant in rekening te brengen, of wel bij voorbaat een be-,,lastingregeling te treffen, waardoor gegadigden naar,,terreinen en daarop te stichten gebouwen zouden we-,,ten, waaraan zij zich te houden hebben. Nu wordt,,vaak een te hooge prijs voor terreinen besteed, wan-,,neer men in aanmerking neemt, dat door de gemeente,,later nog kosten van werken, die feitelijk tot het bouw-,.rijp maken van het betrokken complex behooren, op,,belanghebbenden -- intusschen in den regel andere,,personen dan de bouwexploitanten -- worden ver-,,haald."Nog op een punt moge in dit verband gewezen wor-den, dat bij het ontwerpen van een uitbreidingsplanonvoldoende of (door onkunde) in het geheel geen be-hartiging vindt.Hoe belangrijk de door alle bewoners te zamen afge-voerde hoeveelheid water moge zijn, al is de hoeveel-heid voor elk individu afzonderlijk onbeteekenend, hetverbruikswater heeft voor het tout a I'egout-stelsel vanafvoer slechts een gsringe beteekenis voor de bepalingvan de rioolwijdten, omdat het slechts een zeer kleindeel van de totale af te voeren rioolwater-hoeveelheiduitmaakt, wanneer ook deregen bij hardestortbuien doorde riolen moet kunnen worden verwijderd. In dat gevalbedraagt b.v. voor het door mij voor de gemeente Does-burg ontworpen rioolnet de hoeveelheid verbruikswaternauwelijks 1 % van den regenafvoer. voor Medan zelfsnauwelijks 0.65%.Het is duidelijk, dat dan ook de af te voeren hoeveel-heid regenwater in het algemeen den omvang van derioolbuizen beheerscht en ik mag daarom niet nalateniets omtrent den regenval mede te deelen.In ons land bedraagt de regenval rond 700 mm perjaar (701 mm gem. 1880--1908). Dat wil dus zeggen, ., ^p.dat op een stad van 100.000 inwoners met een zoo iZyArtikelenBinnenland130dichte bebouwing dat gemiddeld 200 inwoners op 1 hawonen en dus met een gezamenlijk oppervlak van 500ha, per jaar 3.500.000 mS regenwater valt. Zelfs alsal dit water in de riolen terecht zou komen en nietsdoor verdamping of door wegzakken in den bodem zouverloren gaan, dan is dit nog minder, dan de hoeveel-heid verbruikswater. Immers bij 100 1 per hoofd en perdag (37.5 m3 per jaar) bedraagt deze voor 100.000inwoners 3.650.000 m3 per jaar. Vanwaar nu die schijn-bare tegenspraak met mijn hiervoor gestelde bewering,dat de invloed van het verbruikswater op de dimensio-neering van de rioolbuizen nauwelijks 1 % bedraagt vandien van den regenval? Het antwoord is niet moeilijk tegeven: omdat de regenval buitengewoon afwisselendvan intensiteit is en omdat men voor de riolen geenrekening heeft te houden met den totalen regenval overeen langdurig tijdvak, doch met de hoeveelheid, die intijden van grootsten regenval zoo snel moet kunnenworden afgevoerd, dat geen overstroomingen te duch-ten zijn.Om een goed rioolnet te kunnen bouwen, moet de in-genieur derhalve beschikken over regenwaarnemingen,die van minuut tot minuut de hevigheid van de regen-buien aangeven.Maar niet alle regenwater komt in de riolen terecht.In een groot park zal men er niet aan denken meer dande wegen van riolen te voorzien, indien dat al noodigblijkt. Is de regenbui geeindigd, dan zijn alle daken enplaveisels wel nat (soms met plassen) doch slechts eenklein deel vloeit nog weg, het meeste hiervan verdampt.Daarom moet men bij het rioolontwerp rekening houdenmet de z.g. ondoodaatbaarheids-coefficient.Wanneer een regenbui begint, zal eenige tijd verloopen.eer de daken en wegen geheel nat zijn en het water inde riolen begint te stroomen: houdt op dat oogenblik deregenval op, dan zal nog geruimen tijd daarna het watervan daken enz. blijven nastroomen. De tijd van regen-duur en de tijd van afstrooming door de riolen zijn danniet gelijk en het is dus duidelijk, dat de intensiteit vande afstrooming (die langer duurt) kleiner is dan de in-tensiteit van den regenval. De onderlinge verhoudingvan die beide wordt uitgedrukt door de vertragings-coefficient.Duidt dit alles er op, dat het rioolnet aan velerlei voor-waarden moet voldoen om technisch aan zijn doel tekunnen beantwoorden, zoo zou het niet aan eischenvan oeconomie voldoen, indien men de wijdte der ver-schillende riooltakken ook voor de meest intensieveregenbuien voldoende ruim zou kiezen. Immers, bij zoo-danige regenbuien heeft een zoo groote verdunning vanhet afvalwater plaats en wordt zooveel luchtzuurstofin de riolen gevoerd, dat het volkomen overbodig moetworden geacht, al dit water te zuiveren alvorens het inhet openbaar water vloeit, of dit over het geheele riool-stelsel samen te voegen tot slechts een of enkele loo-zingspunten zijn bereikt. Men kan dan zonder eenigbezwaar het water zoo snel mogelijk op verschillendedaartoe geeigende punten door zoogenaamde nooduit-laten naar het openbaar water doen afvloeien. Maarhieruit volgt, dat de oeconomie van een rioolnet vor-dert, dat bij het ontwerpen van het uitbreidingsplan,niet wordt uitgegaan van de gedachte dat alle slooten,beken en dergelijke open wateren moeten verdwijnenen gerioleerd worden. Te veel wordt vergeten, dat dezewaterpartijen een uitmuntend middel vormen om er denooduitlaten van het rioolnet in te doen loozen bij groo-te stortbuien. En ook wordt veelal uit het oog verlorendat in poldergebieden het slooten-stelsel moet dienenvoor waterberging, wanneer de regenval meer wateraanvoert dan de normale bemalingswerktuigen in den-zelfden tijd kunnen wegvoeren. Hieruit volgt, dat wan-neer door de bebouwing het ondoorlaatbaar oppervlakbelangrijk wordt vergroot en de afvloeiing in het open-baar water daardoor ook aanzienlijk wordt versneld,het waterbergend vermogen in den polder eerder ver-grooting (door het graven van vijvers en dergelijke wa-terpartijen) verlangt, dan verkleining (door het riolee-ren en overkluizen van slooten en beken). Wordt hier-aan onvoldoende aandacht geschonken, dan zal zelfs eengoed rioolnet het uitbreidingsplan niet redden van eenfiasco, waarbij niet in het minst als een der vele meer enmeer voelbare bezwaren naar voren zal komen, eenstijging van den grondwaterspiegel, met als gevolgvochtige huizen- en muskietenplaag. Vooral in geslotenbouwblokken, waar, door de omringende fundeeringder woningen, het in de binnentuinen gevallen regen-water slechts zeer langzaam kan wegzakken, moet aandit gevaar van grondwaterstijging voldoende aandachtworden geschonken.Utrecht, April 1938BinnenlandWerkverruiming en volkshuisvestingIn de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer inzake hetwetsontwerp tot verhooging van het crediet voor werkverruimingdeelt de Regeering het volgende mede.,,Het ligt voorts in het voornemen, het Werkfonds zijn medewerkingte doen verleenen bij den bouw van woningen voor groote gezin-nen. Het is, gelet op de thans geldende bouwkosten, voor een aantalgroote gezinnen niet mogelijk, de economische huur van de voor hengeschikte woningen ten voile te betalen. Door het Werkfonds aanden woningbouw dienstbaar te maken, kan aan dit bezwaar tege-moet gekomen worden".Bij de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp en van de inter-pellatie-van Gelderen is nog door verschillende sprekers betoogddat een verdergaande bemoeiing met de volkshuisvesting op dengrondslag van werkverruiming of werkverschaffing wenschelijk is.De interpellant, Prof, van Gelderen, sprak van een energiek aan-pakken van krotopruiming en woningverbetering en noemde daarbijmet name het verstrekken van voorschotten of premies voor desamenvoeging van voor- en achterwoningen en de saneering van deJordaan. In zijn antwoord gaf Minister Colijn te kennen dat er opwoninggebied wellicht nog iets mogelijk zal blijken, maar dat wijblij zouden zijn, indien er in de jaren na den oorlog wat minder aanwoningbouw was gedaan, zoodat er thans een ruimer gelegenheidzou zijn om in deze richting werk te zoeken.Bij de verdere gedachtenwisseling werd hetzelfde onderwerp nogdoor verschillende sprekers aangeroerd. Zoo wees Dr. Vos op rio-leering en krotopruiming als belangrijke objecten, en beval hij voor-schotten en bijdragen aan voor moderniseering en herstel van wo-ningen. De Heer Smeenk betuigde zijn instemming met het in deMemorie van Antwoord uitgesproken voornemen van de Regeeringen noemde verder krotvervanging, vooral op het platteland en aan-bouw van arbeiderswoningen ten plattelande. Hij becijferde dateen eenvoudige woning daar voor f. 2400,^ kan worden gebouwden door toekenning a fonds perdu van het uitgespaarde steunbedragvan ca. f. 500,-- binnen het bereik van de woningbehoevenden kanworden gebracht. Ook wees hij op de gunstige omstandigheid datde rente nu laag is.De Heer Ruyter wilde eveneens voorzien in de z.i. vaak zeer slech-te woningtoestanden op het platteland en de Heer Posthuma opper-de de toekenning van een premie of bijslag voor het onderhoudvan woonhuizen.In zijn antwoord deelde Minister Colijn mede, dat de regeering reedseenigen tijd de vraag naar verbetering van slechte woningen inbehandeling heeft en dat zij aan de opruiming van krotwoningenhaar aandacht zal schenken.Woningbouw met overheidssteun buiten deWoningwet omDe gemeenteraad van Zeist vereenigde zich met een voorstel vanB. en W. tot den bouw van 22 arbeiderswoning'en voor grootegezinnen. De inhoud bedraagt ruim 300 m'' per woning. De gemid-delde kostprijshuur wordt geraamd op f. 4.75 per week. Daarbijwordt uitgegaan van de gedachte dat voor de bouwkosten --f. 66.000.-- een leening zal worden gesloten met een looptijd van40 jaar en een rente van 33^ %.De Raad van Vlissingen besloot zijn medewerking te verleenen totde uitvoering van eenige belangrijke bouwplannen, in verband metde groote behoefte aan goedkoopere woningen ter plaatse.Het eerste bouwplan strekt tot den bouw van 154 woningen, dooreen plaatselijke bouwvereeniging, met huurprijzen van f. 3.85 totf. 4.95 per week. Het benoodigde kapitaal van ten hoogstef. 500.000.^-- wordt onder hypothecair verband geleend onder ga-rantie van de gemeente, tegen een rente van 3J^ % met een looptijdvan 40 jaar, behoudens het recht van de geldgeefster om na 30 jaarhet restant op te vorderen.Een andere bouwvereeniging te VHssingen zal, eveneens met ge-meente-garantie, 89 woningen gaan bouwen. Voor een meer beperktplan van 33 woningen kon zij in 1936 geen Rijksvoorschot verkrij-gen. De huurprijzen varieeren hier van f. 4.05 tot f. 4.85 per week.Het benoodigde kapitaal van f. 280.000.^-- zal op dezelfde voorwaar-den worden geleend als bij het eerste plan.Een derde vereeniging zal onder garantie van de gemeente uitvoe-ring geven aan een plan, omvattende den bouw van 20 eengezins-woningen, in tegensteUing tot de beide genoemde plannen, die tendeele ook boven- en benedenwoningen omvatten. Hier zal het kapi-taal, groot f. 65.000.--, onder hypothecair verband geleend wor-den van het Ondersteuningsfonds en het AanvuUingspensioenfondsvan de N.V. Koninklijke Maatschappij ,,De Schelde", ook tegen eenrente van 3^/2% en met een looptijd van 50 jaren. De huur vandeze ^^oningen zal f. 4.25 per week bedragen.Uit het Jaarverslag van den Hoofdinspecteurvoor de Volkshuisvesting over 1937Hieronder volgt een samenvatting van de algemeene beschouwingenvan dit Jaarverslag en van enkele daarin medegedeelde cijfers.De aanbouw van woningen liep in het verslagjaar nog verder terug;hij bedroeg aanraerkelijk minder dan de jaarlijksche toeneming derbehoefte. Tegenover 33.736 gebouwde woningen in 1936 (netto-vermeerdering 27.339) staan slechts 32.222 woningen, gebouwd in1937 (netto-vermeerdering 24.980). Het aantal woningen in uitvoe-ring liep echter omstreeks
Reacties