VolrmisvesTniSteOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van den Nationalen Woningraad,waarin opgenomen de mededeelingen van den Rijlcs-dienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aanden WederopbouwMaart 1942 23e Jaargang no. Oin woningen:geen irappenhuis of vesiibulein labrieken:geen moderne kleed-oi schaHlokalenin boerderijen:geen moderne sialZONDERMOSA-TEGELSALS WANDBEKLEEDINGALMMHOLLANDMuurtegelfabriek?MOSA?MAASTRICHTLEVERBAAR DOOR DEN HANDELBOUWBEDRIJFG.W.KR2KMERTELEFOON32544-26905-93589AMSTERDjAM-CKEIZERSGRACHT 752,,WODAN"VERF- & LAKFABRIEKENJACOB MARTENSAMSTERDAM TEL. 87880-87893Schilderwerk zoowel voor oude alsnieuwe muren, voor binnen enbuiten, behoeft niet te stagneeren.WODAN MUURVERFRAMSES MUURVERFZIJN OLIEVRIJE PRODUCTENVRAAGT NADERE INLICHTINGEN30?|o BRANDSTOF-BESPARINGLaaCUw woning TOCHTVRIJ makenmet onzeMONOPOL TOCHTSTRIPVraagt vrijblijvend prijsopgave.Firma BESSELINK EN NABBEMarnixstraat 240 -- AmsterdamTelefoon 34806 (na 6 uur Tel. 86402)ben:vanbeton-bouw en waterboawkundig^e werkenTijdschriftvoor Volkshuisvesting en Stedebouw^Orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw enden Nationalen Woningraad, Algemeenen Bond van Woningbouwvereenigingen,waarin opgenomen de mededeelingen van den Rijksdienst voor het Nationale Plan,en tevens gewijd aan den WederopbouwRedaotie! H. P. J. Blocmers, J. Bommer, Jhr. M.J.I, de Jonge van EUemeet, Ir. L. S. P. Scheffer,Ir. P. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Ir. J. M. A. ZoetmulderMedewerker voor den WederopbouTr; Dr. Ir. Z. Y. van der Meer, Algemeen Secretaris van denAlgemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw en de Bouwnijverheid.Adrei Toor Redactie en Abonnementen: Lange Voorhout 19, 's-Gravenhage,Telefoon 115720, 115721 en 115722AdTcrtenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Maartl94223e Jaargang - No. 3MaandbladOfficieele mededeelingen Rijksdienst voor het Nationale PlanNederlandsch InstituutAdresseering TijdschriftHerhaaldelijk bereiken ons den laatsten tijd klachten vanleden en abonne's dat zij het Tijdschrift niet regelmatigontvangen. Het bureau van het Instituut geeft alle klach-ten onmiddellijk door aan de drukkerij, die tevens methet verzenden van het Tijdschrift belast is. Bovendienis overleg gaande omtrent een andere wijze van adres-seering, waardoor deze zeer onaangename fouten bij deverzending mogehjk kunnen worden voorkomen.Met het oog op een afdoende verbetering is het zeergewenscht dat alle lezers, die het Tijdschrift niet zonderonderbreking ontvangen, het bureau van het Instituutonmiddellijk op de hoogte brengen.Papier TijdschriftZooals de lezers hebben bemerkt, is het Februari-num-mer van het Tijdschrift op een mindere kwaliteit papierafgedrukt dan de voorafgaande nummers. Door bizon-dere omstandigheden kon de drukkerij niet tijdig de be-schikking krijgen over het gebruikelijke papier. Thans isdeze moeilijkheid inzooverre tot oplossing gebracht, datvoor het Maart-nummer gebruik kon worden gemaaktvan een betere kwaliteit papier.De President van den Rijksdienst voor het NationalePlan;Gezien het daartoe strekkend voorstel van de VasteCommissie van den Rijksdienst voor het Nationale Plan;Gelet op artikel 1 van het besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van BinnenlandscheZaken, van Financien, van Opvoeding, Wetenschap enCultuurbescherming, van Waterstaat, van Handel, Nij-verheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visscherij,van 15 Mei 1941, (no. 91/1941), betreffende de instel-ling van een Rijksdienst voor het Nationale Plan;Heeft besloten:I. in te stellen een Commissie voor natuurbescher-ming, landschapsverzorging en recreatie;II. te benoemen tot leden van die Commissie:1. Dr. J. A. van Steijn (voorzitter),2. den voorzitter van de Vaste Commissie van denRijksdienst voor het Nationale Plan,3. den Directeur van het Bureau van den Rijks-dienst voor het Nationale Plan,4. Mr. J. K. van der Haagen,5. Prof. Th. Weevers.III. als Secretaris aan de Commissie toe te voegen Dr.Ir. W. B. Kloos, hoofd van de planologische afdee-ling van het Bureau.'s-Gravenhage, 19 Februari 1942De President van den Rijksdienstvoor het Nationale Plan, (w.g.) Frederiks_ 33WederopbouwArtikelen De wederopbouw van stad en landIn den loop van December 1941 werd voortgegaan metde maatregelen cm in sommige gemeenten onteigenin-gen in het belang van den wederopbouw tot stand tebrengen.Bij de uitvoering van de werkzaamheden werden moei-lijkheden ondervonden doordat weinig cement werd aan-gevoerd.In Middelburg werd voortgegaan met het bouwrijp ma-ken van perceelen, bestemd voor te herbouwen pandenin de binnenstad. Gemiddeld waren hierbij in December170 man door den DIWEMi te werk gesteld. De nieu-we rioleering voor de verwoeste binnenstad is behoudenseen klein gedeelte gereed gekomen. Ook met den aanlegvan nieuwe gas- en waterleidingen en electriciteitskabelsin het verwoeste stadscentrum wordt voortgegaan.In Noord Holland werden twee nieuwe bureaux inge-steld, n.l. het ,,Bureau voor den Woningwetbouw inNoord Holland", dat zich moet bezighouden met denwoningbouw voor de Heldersche vluchtelingen en datdoor de geheele provincie dezen woningbouw zal voor-bereiden en stimuleeren en het ,,Bouwbureau NoordHolland", dat in het bizonder tot taak heeft zich bezigte liouden met den bouw van woningen in 't Zand, Lutje-winkel, Ursem en Egmond Binnen.De werkzaamheden van eerstgenoemd bureau omvattenwoningen, die zoodra zij door de Heldersche vluchtelin-gen verlaten kunnen worden, aan de voorziening in deplaatselijke woningbehoefte ten goede kunnen komen.De inhoud der ontworpen woningen varieert van 225 tot275 m3.34Nogmaals: Het ontwerp arbeiderswoningdoor Ir. W. H. Enno van Gelder,Directeur van Gemeentewerken te AlmeloHet zij mij vergund, terug te komen op de discussies inhet Januari-nummer van dit tijdschrift nopens de arbei-derswoning van de toekomst in de kleinere gemeenten.Het onderwerp is van een zoodanig groot belang, dateen uitvoerige bestudeering, waarbij alle aspecten wor-den bekeken en alle meeningen naar voren komen, zeerzeker gemotiveerd is.Ik wil dan beginnen met mijn voornaamste bezwaartegen het woningtype van G. Feenstra: het kleine voor-kamertje, dat onherroepelijk tot ,,salon" wordt bestemd.Men kan het nu wel ,,werkkamertje" noemen en de af-sclieiding met de achterkamer zoo doorzichtig makenals men wil, dit kamertje kan 's winters niet verwarmdworden, het kan van de straat uit worden gezien enmoet dus ,,netjes" gemeubileerd zijn, kortom alle voor-waarden zijn aanwezig om het tot het ongebruikte, killehokje met de ,,crapeauds en het rooktafeltje" te maken,waar Vader's Zondagsche pak wordt uitgehangen enmen de schoone wasch ziet weggelegd. Wil men wer-kelijk een kamertje voor den zoon of voor de dochter,die studeeren moet, of voor vader's paperassen als secre-taris eener Vereeniging, dan behoort dat hokje op deverdieping thuis. Het moet vooral klein zijn, anders ishet niet te verwarmen met een gas-, petroleum- of elec-trisch kacheltje. Uit het volgende zal blijken, dat hetzeer wel mogelijk is, een woning met vier slaapkamertjeste bouwen; een daarvan kan tot werkkamer wordenbestemd. Voor de 46 % gezinnen, welke geen of eenkind hebben, en voor die waar twee zoons of tweedochters zijn, in welke gevallen met twee slaapkamerskan worden volstaan, vindt men in de normale woningmet drie slaapkamers reeds gelegenheid voor het hebbenvan een ,,kantoortje".Tegenover het voorgestelde grondplan wil ik daaromde zgn. ,,eenkamerwoning" plaatsen.In de praktijk blijkt deze het meest praktisch en ookverreweg het meest geliefde type. Verscheidene be-stuursleden van woningbouwvereenigingen, die zoo-Vv'el het oude ,,suite-type ' als het eenkamertype exploi-teeren, hebben mij verzekerd, dat laatstgenoemd huis bijzeer velen beslist de voorkeur heeft.Bij nadere beschouwing van het eenkamertype blijkentwee goede oplossingen mogelijk, welke beide hun voor-en nadeelen hebben, t.w. de woning met de woonkamerover de voile diepte van het huis en de achteruit ge-bouwde keuken (type A, afb. 1), en de woning met dekeuken aan den achtergevel (type B, afb. 2).Naar aanleiding van de bezwaren tegen de uitgebouw-de keukens, kan ik de verzekering geven, dat in dit ge-val, waar de huiskamer van twee zijden licht ontvangt,de uitgebouwde keuken geen enkele moeilijkheid geeftwat lichttoetreding tot het woonvertrek betreft. Met hetoog op de afkoeling moet wel geeischt worden, dat dekeuken van spouwmuren en een pannendak wordt voor-zien; platte afdekking is uit den booze, zoowel aesthe-tisch als praktisch. De W.C. in het schuurtje geeft kansop bevriezen, doch de indeeling door den Heer Feenstraaanbevolen, heeft het bezwaar dat de huisvrouw, dieper dag honderden malen van de woonkamer naar dekeuken loopt, steeds twee deuren moet passeeren; ookvind ik de ligging van de W.C. onmiddellijk naast dewoonkamer niet gewenscht.De rechte trap, waaronder een kelderkastje, heeft veelvoor boven de dubbele spiltrap. Kastruimte is boven tevinden. De vaste bank, die tevens tot bergplaats dient,lijkt mij praktisch.Een deur van de huiskamer in den tuin is zeer ge-wenscht met het oog op de schoonmaak. Bij degelijkeafwerking geeft een stolp-sponning voldoenden waar-borg tegen kieren.Aangezien de keuken lager van verdieping mag zijndan de woonkamer, kan zonder verhooging van bouw-kosten een vierde slaapkamer -- of werkkamer -- bovende keuken worden gemaakt, zooals het ontwerp van denArchitect Th. J. van Elsberg aangeeft.De tweede oplossing is op afb. 2 aangegeven. De keu-ken is ruimer; ik heb er geen bezwaar tegen, dat hiergegeten wordt, de woonkamer blijft dan vrij van etens-dampen. Wel moet ervoor gewaakt worden, dat dewoonkamer niet ,,mooie kamer" wordt; hiervoor bestaatechter minder aanleiding. Hoewel de afwezigheid vaneen uitbouw dit zou doen vermoeden, is in de praktijkniet gebleken, dat deze woning veel goedkooper is dan^^4ifl1SCHEVENINGENVeluvine Verf trotseert daarsinds jaren zon en golven!i LUVIN E VE RF (^nMt&^m:EEN PRODUCT VAN DE VELUVINEFABRIEKEN TE NUNSPEET.brnynzeelmm deuren-^*^^^^^5 moderns modelleno.a. de stijivolleee npaneelsdeurpaneelen 10 mm dik1 11 1i 1s?1 1bruynz eel'sdeurehfabriek n.v.VOORAL IN DEZEN TIJD VAN GROOTE HOUTSCHAARSCHTEen schaarschte aan andere bouwmaterialen,is Stccngaas HET aangcwczcn matcriaalvoor verschillende onderdeelen in den bouw. Wij vragen uw aandacht voor onderstaandeSteengaas-gootconstructie en Steengaas-kapbekleeding. - Voor meerdere gegevens wendemen zich tot ons rechtstreeks of tot de met ons samenwerkende stelorganisaties:J. H* Busschbach N.V*, Amsterdam en Rotterdam; Firma J. A. ten Thijc, Nijmegen, metfilialen te Breda^ Tilburg en Den Bosch; L. J* Brugman^ Enschede; J. van Buiten, Groningen.Alvorens de muurplaat wordt gelegd, worden aan de ondersijde van deze plaat de noodige gootklossen opnormalen afstand bevestigd, nadat zij naar faet profiel der goot zijn uitgezaagd, indien zij van houti en gebogen,indien deze liggers van U of T ijzer worden vervaardigd.Nadai de muurplaat is gelegd, worden de liggers onderling met enkele staafjes betonijzer verbonden, voor debevestiging van het steengaas.De afwerking van het steengaas zal eerst geschieden, wanneer alle werkzaambeden in de goot zijn verricbt.De aldus verkregen goot zal een sierlijke bekroning van het gebouw worden, terwijl geen houtwerk voor boei-deelen, lijsten enz. noodig is. Bovendien is zij sterker dan een zinken goot, en, mits met de jutste materialenafgewerkt, absoluut waterdicht en ook praktisch niet aan lekkage onderkevig.Ongeacht weike kapvorm is ontworpen, kan deze kap een voldoende afsluiting aan het gebouw geven, wan-neer op ond-HoUandscbe wijze de spanribben op de gordingen worden bevestigd, bet binnenboeibord op of tegende muurplaat sluitende wordt aangebracbt en de panlatten daama op de spanribben bevestigd.De kap wordt belegd met dakpannen met soUde sluiting, zoodat reeds een goede dichtheid verkregen is.Aan de onderzijde der spanribben wordt nu bet steengaas aangebracbt en afgewerkt als de plafonds.Op deze wijze is een solide en voordeelige bekleeding der kap verkregen en het dakbeschot gespaard, terwijlaan den eisch van bewoonbaarheid ten voile is voldaan.N.V. ARO - HEESWIJK (bij Montfoort)Fabriekcn voor vervaardiging van Stccngaas en andere Bouwmaterialen.Steengaas Goot-constructie en dito Kapbekleeding, afdoend, eenvoudig, goedkoop.estermanStormVERF-lABRIKANTENAMSTERDAM-CGROOTE WITTENBURGERSTRAATI64TELEFOON: FABRIEK 51745 (2 LIJNEN)NA 6 UUR: 27214-21374^1^v.mo/.llWIERSMA/Bu gemce ier Amersfoordilaan 20aTel 6852 Na 6 uur 455 en 6856^^ BADHOEVEDORP^^N.V.v.h.CLAESSEN&Co.SINGEL 162 - AMSTERDAMFilialen: DOETINCHEM ^ ZWOLLEELECTROTECHNISCHE GROOTHANDELSKODA Electro MotorenPOPE en SPLENDOR LICHTLAMPENOnze gronDstoffen zijnonder de huidlge omstandighedenzeer Schaarsch. Wij doenechter onze besT,om waaR het maareenigszlns mogelijk iseen BillijkedistribUtie door te voerenvan de maTerialen die metdc beschelden toewijzingen kun-nen wordEn gefabriceerdC.V.LAK-EN VERFFABRIEK?PREMIER?v/h GEBR. VERHEY(GeJe,...r,) LOOSDUINEN (DEN HAAG)pREMIEl^die van afb. 1. Over het alge-meen leent zich dit type meervoor de kleine, het eerst be-sproken type meer voor de ietsruimere arbeiderswoning.Tenslotte nog eenige meer al-gemeene opmerkingen.Gewaarschuwd moet wordentegen minimale afmetingen vanvertrekken en gangen: iets rui-mere maten maken de woningaanmerkelijk geriefelijker enhet verschil in bouwkosten isuiterst gering, aangezien hetarbeidsloon er vrijwel niet doorbeinvloed wordt en de voorzie-ningen (gootsteen, privaat,aantal deuren enz.) evenmin.Zoo is de breedte van de suitevan den Heer Feenstra (3.36m) m.i. ontoelaatbaar; 3.50 mis een minimum, dat volkomenterecht in vele bouwverorde-ningen wordt voorgeschreven.Het is nog een voordeel van deeenkamerwoning, dat op de af-metingen van het hoofdvertrekniet behoeft te worden beknib-beld, 16 a 18 m^ is m.i. noodigen zeer goed mogelijk.Waar in de kleinere steden endorpen de grond niet zookostbaar is en de straataanlegevenmin, kan men ook ietsroyaler zijn t.o.v. de breedtevan de woning; 5 a 5.50 m iszeker toelaatbaar.Bij elke woning behoort, be-halve de bijkeuken, een schuur-tje, waar eenige fietsen enbrandstof worden geborgen.De kinderwagen en de wasch-machien behooren in de bij-keuken.Ik ben het met de vorige in-zenders eens, dat wij moetenrekenen op een douche-ruimte;deze kan in het algemeen tus-schen de slaapkamers op deverdieping een plaats vinden.Groepeering in blokken vanvier woningen is het meest eco-nomisch en zeer wel toelaat-baar.UiMiUlllllUilLlhlUUUIUii.i.Tur Artikelen.o,.c>ZOtPgP.Afb. 1. Type A. Woning gebouwd door de Woningstichting ,,St. Joseph" te AlmeloArchitect Th. J. van ElsbergAfb. 2. Type B. Woning gebouwd door de Woningstichting ,,Almelo"Architect Ir. W. K. de Wijst 35ArtikelenStelselmatige woningvoorzieningdoor Dr. Ir. H. G. van BeusekomHet is thans bij uitstek de tijd om zich te beraden overde wijze, waarop in de periode na den oorlog in de be-hoefte aan woningen zal moeten worden voorzien. Bou-wen kunnen wij thans practisch niet. Buiten den weder-opbouw kunnen slechts weinig bouwwerken wordenaangevat, omdat de bouw door de schaarschte aanmaterialen en de transportmoeilijkheden in ernstige matewordt belemmerd.Dit is te meer bedenkelijk, omdat de vrij redelijke wo-ningreserve, die in 1939 nog in vele gemeenten aanwezigwas, thans tot het verleden behoort. Behalve met dewoningen, die tijdens de oorlogsdagen zijn verlorengegaan, moet worden gerekend met den achterstand inden aanbouw, die zich van dag tot dag sterker doetgevoelen. Naarmate de oorlogstoestand langer zal duren,zal deze achterstand een grooter woningtekort doenontstaan, waarvan ernstige schade voor ons volkslevenmoet worden gevreesd.Reeds nu zijn leegstaande woningen in de meeste ge-meenten practisch niet meer aanwezig; reeds nu wachtenvele gezinnen op het vrijkomen van een woning, Ditwoningtekort kan tijdens den oorlog niet worden inge-haald. Hiermede zal moeten worden gewacht, tot hetinternationale verkeer weer is hersteld en de materialenen transportmiddelen weer ter beschikking van hetbouwbedrijf staan.In die periode zal echter meer moeten gebeuren. In deeerste plaats zal gebouwd moeten worden voor de nor-male uitbreiding der bevolking, de toeneming van hetaantal gezinnen. Deze laatste is voor een tienjarigeperiode na den oorlog, aan de hand van de thans be-schikbare gegevens, te stellen op 31.000 a 32.000 perjaar, een aantal dat tamelijk wel met de praktijk vanvroegere perioden overeenkomt. Ondanks de te ver-wachten afneming van den bevolkingsgroei vertoont detoeneming van het aantal gezinnen een zekere stabiliteit,die een gevolg is van de gezinsverdunning, die zich ookin de toekomst, waarschijnlijk echter in verminderdemate, zal voortzetten. Mocht deze stabiliteit zich ooknog over volgende perioden uitstrekken, hetgeen zeggenwil, dat gedurende een vrij langdurig tijdvak een con-stante behoefte aan nieuwe woningen bestaat, dan be-teekent dit, dat voor het bouwbedrijf in de naaste toe-komst op een tamelijk constante hoeveelheid werk kanworden gerekend. Dit is een omstandigheid, die nietzonder beteekenis is.Het aantal te bouwen woningen is intusschen aanmer-kelijk grooter dan het genoemde aantal, omdat regel-matig herbouw van woningen plaats vindt en verder moetworden voorzien in de vervanging van woningen, dieten behoeve van openbare werken, van de uitbreidingvan inrichtingen van handel en bedrijf en door city-vorming komen te vervallen. Het is moeilijk hiervan eenschatting te maken, aangezien dit aantal in nauw ver-band staat met de conjunctuur. Bovendien is thans hetonttrekken van woningen aan hun bestemming zondertoestemming van het gemeentebestuur verboden, zoodatook op dit gebied een achterstand ontstaat.36 Gedurende een reeks van jaren in het verleden was hetaantal op deze wijze vervallen woningen gemiddeldongeveer 5000 per jaar. Zou men om de gedachten tebepalen, dit aantal ook voor de toekomstige periode aan-houden, dan is men zeker niet te hoog.Ten slotte moet rekening worden gehouden met de krot-opruiming. De laatste jaren is het aantal krotten, dattengevolge van overheidsmaatregelen is vervallen, ta-melijk klein geweest. De geldende regehngen voor krot-opruiming zijn regelmatig toegepast, doch tot opruimingop beduidende schaal is het niet gekomen. De bizon-dere regeling voor versnelde krotopruiming is door denoorlogstoestand practisch niet tot uitvoering gekomen.Het staat dan ook reeds geruimen tijd vast, dat in detoekomst de krotopruiming op grooter schaal moet wor-den ter hand genomen. Omtrent het aantal jaarlijks tevervangen krotten kunnen verschillende schattingenworden gemaakt. Om de gedachten te bepalen zou hetvoor een tienjarige periode gesteld kunnen worden op3 % van den woningvoorraad of ongeveer 6500 wonin-gen per jaar. Het juiste aantal kan echter eerst wordenbepaald na een onderzoek in alle gemeenten, aan de handwaarvan kan worden vastgesteld, hoeveel onbewoonbaarverklaarde woningen moeten worden ontruimd en hoe-veel woningen in een periode van 10 jaar zullen moetenworden onbewoonbaar verklaard en aan de bewoningonttrokken. Het laatste cijfer wordt bepaald door hettempo, waarin men meent, dat de aanwezige krottenzullen kunnen worden opgeruimd.Ook hierin zal men nuchter moeten blijven en zich vooralniet moeten voorstellen, dat het mogelijk zal zijn onmid-dellijk na het beeindigen van den oorlog met de uitvoe-ring van een 10-jarig bouwprogram te beginnen, waarinvan den aanvang af begrepen is de opruiming van dekrotten, die in den loop van de eerstvolgende 10 jarenbehooren te verdwijnen.Wanneer de omstandigheden zich zoodanig zullen heb-ben gewijzigd, dat weer volop kan worden gebouwd --en het zal wel een of twee jaar na het einde van denoorlog worden, voordat de materialen en de transport-middelen en vermoedelijk ook de arbeidsmarkt weer eenomvangrijken aanbouw zullen gedoogen -- kan men nietonmiddellijk beginnen met het opruimen van krotten.Men zal gelukkig zijn, wanneer het eerste bouwjaarvoorzien kan worden in de stijgende behoefte aan wo-ningen en daarnaast een stukje van het tekort kan wor-den ingehaald. Eerst in den loop der jaren zal kunnenworden gedacht aan het opruimen van krotten. Deachterstand op dit terrein is echter zoo groot, dat in een10-jarig bouwprogram zeker ook aan dit deel van devolkshuisvesting moet worden gedacht. Het opnemen inhet 10-jarig bouwprogram van 6500 woningen per jaarvoor krotopruiming heeft dan ook slechts de beteekenisvan een gemiddelde. De eerste jaren zullen vermoedelijkaanmerkelijk minder, de latere jaren, naarmate hetwoningtekort zal zijn ingehaald, zullen meer krotten doorgoede woningen moeten worden vervangen.Telt men de bovenvermelde cijfers samen -- 31.000 a32.000 woningen te bouwen in verband met de toene-ming der behoefte, 5000 voor herbouw en cityvormingen 6500 voor krotopruiming, -- dan komt men op eenprogram van 43.000 woningen per jaar, waarbij nog geenrekening is gehouden met het inhalen van den achter-stand, die tijdens den oorlog is ontstaan.Het aantal woningen, dat voor het laatste moet wordenuitgetrokken, hangt af van den duur van den oorlog envan de grootte van den achterstand, die dientengevolgeontstaat, en van het tempo waarin men dezen achter-stand meent te kunnen inhalen. Rekent men op een aan-bouw voor dit doel van 7000 a 8000 woningen per jaar-- hetgeen bhjkens het bovenstaande zeggen wil, dat deeerste jaren een veel grooter aantal woningen voor hetinhalen van den achterstand en een kleiner aantal dan6500 voor krotopruiming zal worden gebouwd en dat inde tweede helft van de 10-jarige periode het omgekeer-de het geval zal zijn -- dan komt men in totaal op eenbouwprogram van een goede 50.000 woningen per jaar.In het licht van de thans beschikbare gegevens schijnteen dergelijke aanbouw niet onbereikbaar. Ook in hetverleden is herhaaldelijk, hoewel niet dikwijls, een der-gelijke productie bereikt. In de jaren 1927, 1930, 1931en 1934 heeft de aanbouw van nieuwe woningen meerdan 50.000 bedragen. Alle andere jaren tusschen 1921en 1936 bewoog de aanbouw zich behoudens een enkeleuitzondering tusschen 45.000 en 50.000 woningen.Een dergelijke aanbouw gedurende een periode van 15jaren van gemiddeld 47.000 woningen per jaar is eenpraestatie waarop ons land niet zonder reden trotsch isgeweest. Nu men de toestanden zooveel beter kent danvoorheen en men de omstandigheden zooveel beter be-heerscht, moet het ideaal zijn, zoo mogelijk een noggrootere productie te bereiken.Of dit mogelijk zal zijn, zal afhangen van den stand vande bouwmarkt. Hiervoor dient het bouwprogram. Hetoorspronkelijke doel hiervan is een stelselmatige regelingvan de bouwnijverheid. In tijden na een oorlog en zekerna een wereldbrand als wij thans doormaken, is er eengroote kans op conjunctuurstoringen in het bedrijfs-leven. Vooral in het bouwbedrijf, dat voor schommehn-gen zeer gevoelig is, moet dit een gevaar worden geacht.Onder invloed van de huidige moeilijkheden met betrek-king tot de materialenvoorziening en het transport zijnverschillende takken van het bouwbedrijf grootendeelstot stilstand gekomen, terwijl na den oorlog een haussemoet worden verwacht.Wordt deze conjunctuurbeweging geheel vrij gelaten,dan dreigen voor het bouwbedrijf ernstige gevolgen. Hetgevaar bestaat, dat perioden van werkloosheid zullenafwisselen met perioden, waarin een tekort aan arbeids-krachten bestaat. Het is voor de volkswelvaart van hetgrootste belang, dat van overheidswege tevoren maat-regelen worden genomen om dergelijke schommelingenzoo goed mogelijk te voorkomen. Hetzelfde geldt nietalleen voor de arbeidskrachten, maar ook voor de bouw-materialen, de transportmiddelen en het bouwkapitaal.Na den vorigen wereldoorlog heeft men aan dit puntslechts weinig aandacht geschonken. In de jaren 1920en 1921 verheugde men zich, wanneer een groot aantalwoningen in aanbouw werd gebracht en wanneer deaanmoediging, welke door de Rijkssteunregelingen werdbeoogd, succes bleek te hebben. Er werd echter geenaandacht geschonken aan het aantal woningen, dat iniedere gemeente in uitvoering kwam; de vraag, of ditaantal in een juiste verhouding stond tot de capaciteitvan het bouwbedrijf, kwam niet aan de orde.Men zag dan ook in dien tijd een geweldigen aanbouwvan woningen, die door het bouwbedrijf niet kon wordenverwerkt. De aanvoer van bouwmaterialen was vol- Artikdendoende en transportmoeilijkheden deden zich in dien tijdniet voor. De stagnatie trad in bij de arbeidskrachten.De groote vraag naar bouwvakarbeiders leidde tot eenonrustbarende opdrijving van de loonen, waardoor hetpeil der bouwkosten ongunstig werd beinvloed.Hoewel de na den wapenstilstand ingetreden daling vande materiaalprijzen zich doorzette, hield de dahng derbouwkosten hiermede geen gelijken tred. Niet alleen wistmen door den te hoog opgevoerden aanbouw van wo-ningen de loonen in de bouwvakken op een economischniet verantwoord peil te handhaven, doch bovendienontstond door het tekort aan werkkrachten in bepaaldevakken zelfs stagnatie in den bouw, zoodat het aantalvoltooide woningen niet in een juiste verhouding stondtot het aantal in uitvoering.Deze omstandigheden zijn aanleiding geweest tot deuitvaardiging van de bekende circulaire van 1 Juni 1921,welke bepaalde, dat voorshands geen steun voor nieuwewoningbouwplannen zou worden verleend, zulks teneinde een regelmatigen afbouw van de onderhandenzijnde complexen te verzekeren.Aangezien door verschillende maatregelen de aanbouwvan ten minste 90.000 woningen mogelijk was gemaakt-- een aantal, dat het bouwbedrijf op voile kracht wer-kende niet binnen twee jaar zou kunnen voltooien --zou van verdere steunverleening slechts een overpro-ductie van bouwplannen te wachten zijn, die bij het be-staande tekort aan arbeidskrachten desorganiseerend opde woningproductie zou werken. Ter voorkoming vaneen chaos in het bouwbedrijf met alle daaraan verbondengevolgen als verhooging van de bouwkosten en nogverdere vertraging in den aanbouw is dan ook in Juni1921 de verdere steunverleening eenvoudig stopgezet,totdat de plannen, waarvoor reeds steun was toegezegd,zoover zouden zijn afgebouwd, dat zonder gevaar weernieuwe plannen op de markt konden worden gebracht.Met deze ervaring voor oogen ligt het voor de hand,dat thans preventieve maatregelen worden genomen endat nu de omvang van den bouw tevoren op deze wijzewordt geregeld, dat deze in overeenstemming is met decapaciteit van het bouwbedrijf.De Advies-Commissie Bouwnijverheid heeft deze kwes-tie tijdig onder de oogen gezien en den Algemeen Ge-machtigde voor de Bouwnijverheid voorgesteld, eenspeciale afdeeling van zijn dienst te belasten met hetopmaken van een bouwprogram. Dit program zal degeheele bouwnijverheid moeten omvatten, dus openbarewerken, industriebouw, woningbouw, openbare gebou-wen, enz. Het totale bouwvolume zal nu zoodanig moe-ten worden vastgesteld, dat het geheele bouwbedrijf totzijn voile capaciteit te werk wordt gesteld, zoodat werk-loosheid in de bouwvakken zooveel mogelijk wordtvoorkomen, terwijl andererzijds gezorgd wordt, dat geentekort aan arbeidskrachten, aan bouwmaterialen, aantransportmiddelen of aan bouwkapitaal te duchten is,waardoor stagnatie in den aanbouw en opdrijving vanbouwkosten kan ontstaan.Uit een maatschappelijk oogpunt is het dus van hethoogste belang, dat de omvang van de gewenschte wo-ningproductie in verband met het geheele te verwachtenbouwvolume wordt getoetst aan de bouwmogelijkheid,dus aan de capaciteit van het .bouwbedrijf. Hierdoor 37Artikclcnkan worden voorkomen, dat ongewenschte spanningenontstaan, die de productic van het bedrijf en met nameook de bouwkosten nadeelig zouden beinvloeden.Ook uit een oogpunt van volkshuisvesting is het tijdigopmaken van een program van belang. Wanneer een-maal is vastgesteld, dat gedurende een zekere periodena den oorlog b.v. 50.000 woningen per jaar noodig zijn,dan kan de overheid niet rustig afwachten of deze wo-ningen werkelijk worden gebouwd. Neen, zij zal ditprogram provinciaal en gemeentelijk moeten indeelen endan moeten toezien, dat de gewenschte woningen ookwerkelijk tot stand komen. De aanbouw moet geschiedenvolgens een tevoren overwogen plan en de overheid zalten aanzien van de uitvoering van dit plan stimuleerendmoeten optreden.De samenstelling van dit plan moet geschieden aan dehand van een nauwkeurig onderzoek naar de woning-toestanden. De inspectie van de volkshuisvesting dientte beschikken over zoo goed mogelijke gegevens omtrentgrootte en kwaliteit van den woningvoorraad, het aantalongewenschte samenwoningen, het aantal bewoondekrotten, keten, woonwagens en woonschepen, en alleverdere gegevens, welke noodig kunnen zijn voor debeoordeeling van de woningbehoefte.Aan de hand van deze gegevens zal de woningbehoeftein iedere gemeente kunnen worden bepaald. De op grondhiervan vastgestelde cijfers voor den noodzakelijkenaanbouw in iedere gemeente leveren, provinciaal enlandelijk samengevoegd, het totale woningbouwprogram.Kan dit naar het oordeel van den Algemeen Gemach-tigde met het oog op de ontoereikende capaciteit van hetbouwbedrijf niet in zijn geheel worden uitgevoerd, danzal slechts een zeker deel tot uitvoering kunnen komen.Op grond van de beschikbare gegevens omtrent deplaatselijke woningbehoefte en de daaruit afgeleideurgentiecijfers kan dan worden gezorgd, dat het eerstin de meest dringende behoeften wordt voorzien. Metde bestede middelen zal dan aanmerkelijk meer wordenbereikt dan wanneer de aanbouw als voorheen zou wor-den vrijgelaten.Het aldus op te maken bouwprogram zal voor een aan-merkelijk deel door particulieren moeten worden uitge-voerd. Daarnaast zal echter een plaats voor den bouwdoor de woningbouwvereenigingen en door de gemeen-ten zelf moeten worden ingeruimd. Ook dit zal weermoeten geschieden volgens een weloverwogen plan.Zooals de ontwikkeling zich thans laat aanzien, zal departiculiere woningvoorziening in de komende periodein veel sterker mate aan door de overheid te stellenregels gebonden moeten zijn dan tot dusver het gevalwas. De overheid zal haar bemoeiingen niet alleen moe-ten uitstrekken tot de kwaliteit van het gebouwde en hetuiterlijk aanzien, doch zij zal ook haar invloed moetendoen gelden bij de bepaling van de grootte en het typeder te bouwen woningen, zulks in verband met de wo-ningbehoefte. Zij zal dit eenerzijds moeten doen doormiddel van het uitbreidingsplan en de bebouwingsvoor-schriften, andererzijds door de uitgifte van bouwterrei-nen of het verleenen van medewerking bij het in exploi-tatie brengen daarvan. 'Zoo alleen kan worden bereikt,dat niet een deel van de capaciteit van het bouwbedrijfwordt verspild aan het bouwen van woningen, die nietOO voldoen aan de behoefte, maar dat gebouwd wordt watop grond van de verrichte onderzoekingen geacht moetworden noodig te zijn.Een dergelijke bemoeiing met het particuliere bouwbe-drijf is zeker niet onvereenigbaar met den aard van ditbedrijf. In de komende periode, die in het teeken zalstaan van een geleide volkshuisvesting, is er trouwensgeen andere mogelijkheid. Wanneer de prijzen van hetbouwterrein, de aannemingssommen, de materiaalprijzenen de arbeidsloonen van overheidswege worden gelimi-teerd, is een intensieve bemoeiing van de overheid metden geheelen bouw onmisbaar. Verschillende grootelichamen, die het voornemen hebben, zich in de komendeperiode op den bouw van arbeiderswoningen en midden-standswoningen toe te leggen, zullen zich zonder twijfelzonder bezwaar hieraan onderwerpen, mits hiertegen-over staat de zekerheid, dat zij gedurende een reeks vanjaren op een aandeel in de uitvoering van het bouwpro-gram kunnen rekenen.Naast particuliere ondernemingen zullen ook de woning-bouwvereenigingen en de gemeenten zelf een deel vande uitvoering van het bouwprogram op zich moeten ne-men. Ook dit kan niet aan het toeval worden overge-laten, doch moet het resultaat zijn van bewust overleg.Het moet onjuist worden geacht, af te wachten in hoe-verre de vereenigingen en de gemeenten zelf initiatiefontwikkelen om in de woningbehoefte van een bepaaldecategorie der bevolking te voorzien, waarin het particu-liere bedrijf niet voorziet. Dit kan alleen in de grooteregemeenten geschieden, waar voldoende initiatief aan-wezig pleegt te zijn. Daar kan worden volstaan met hetafbakenen van het terrein, waarop eenerzijds de particu-liere bouw en andererzijds de Woningwetbouw zichzullen moeten bewegen. Alleen bij een behoorlijke afba-kening zal een sluitend systeem van voorziening in dewoningbehoefte kunnen worden verkregen. Hoe dit zalmoeten geschieden vormt nog een punt van ambtelijkoverleg, zoodat daarover te dezer plaatse geen mede-deelingen kunnen worden gedaan of wenschen kunnenworden uitgesproken.In de kleinere gemeenten, waar minder initiatief aan-wezig pleegt te zijn en alleen gebouwd wordt door ofvoor rekening van particuheren, die een woning noodighebben, zal meer moeten gebeuren. Immers wat baat het,dat voor een bepaalde gemeente op het bouwprogrameen zeker aantal woningen wordt uitgetrokken, wanneerter plaatse niemand het initiatief neemt om een woningte bouwen?In een dergelijk geval zal de bouw positief moetenworden gestimuleerd. Dat dit in het verleden niet is ge-schied, is de oorzaak van den achterstand in de volks-huisvesting, die velerwegen op het platteland moetworden geconstateerd. In tegenstelling met de grooteregemeenten heeft daar in den regel het initiatief ontbro-ken, zoodat er ondanks de beste steunregehngen enondanks de gestadige propaganda door de inspecteursvan de volkshuisvesting niets is gebeurd.Het staat thans wel vast, dat van de uitvoering van hetop te stellen bouwprogram niets terecht komt, wanneergeen krachtiger aandrang kan worden uitgeoefend om tezorgen, dat het program gemeente voor gemeente wer-kelijk wordt uitgevoerd. Wanneer na een zekeren wacht-tijd gebleken is, dat ter plaatse geen voldoende initiatiefwordt ontwikkeld om tot den aanbouw van het voor degemeente uitgetrokken aantal woningen te komen, zaldit door een andere instantie moeten geschieden. Of dit,wanneer de gemeente ook zelf niet bereid is om te bou-wen door toepassing van art. 55 der Woningwet zalmoeten geschieden of op andere wijze, zal eerst inambtelijken kring moeten worden uitgemaakt.Te dezer plaatse kan worden volstaan met te constatee-ren, dat in de eerste plaats zal moeten worden vastge-steld, waar woningen zullen moeten worden gebouwden hoeveel en welk type en soort zullen moeten wordengebouwd, en ten slotte door wie de woningen zullenworden gebouwd. In de tweede plaats komt dan als eenonmisbaar complement, de zorg dat de woningen, waar-van de aanbouw op grond van de geconstateerde wo-ningbehoefte wenschelijk wordt geacht, ook werkelijkvolgens het program tot stand komen. Alleen dan is eenharmonische woningvoorziening verzekerd te achten.Voor de uitvoering van dit bouwprogram kunnen enmoeten thans reeds verschillende voorbereidingen wor-den getroffen. Welke deze zijn, blijkt reeds bij hetonderzoek naar de woningbehoefte, welke aan de op-stelling van het bouwprogram meet voorafgaan, indiendaarmede samengaat een onderzoek, in hoeverre in debehoefte door particulieren pleegt te worden voorzienen w^elke bezwaren daaraan in den weg staan. Hierbijvalt te denken aan gebrek aan bouwterrein, het ontbre-ken van een behoorlijk uitbreidingsplan, achterstand inhet bouwrijp maken van gronden, bezwarende bepalin-gen in bouwverordeningen, bebouwingsvoorschriften,exploitatieverordeningen e.d. De maatregelen, die noo-dig zijn om hierin verandering te brengen, zullen numoeten worden genomen en voorbereid. Het zal onnoo-dig zijn te zeggen dat door de versterkte inspectiehieraan reeds krachtig wordt gewerkt.Een ander punt is de verbetering van het bouw- enwoningtoczicht -- een noodzakelijke factor voor een stel-selmatige krotopruiming -- welke eveneens thans devoile aandacht heeft.Voor een stelselmatige woningvoorziening na den oorlogzal in de eerste plaats noodig zijn een grondig onder-zoek. De betrokken overheidsorganen zullen zich dooronderzoek op de hoogte moeten stellen van alle omstan-digheden, die gemeente voor gemeente op de woning-behoefte van invloed zijn.In de tweede plaats is noodig studie van de gewenschtewoninggrootte en woningtypen, van samenstelling enconstructie en van alles wat tot een harmonischen enrationeelen opbouw van de woning kan leiden.In de derde plaats is noodig een stelselmatige opzet vande productie, opdat vaststa, door wie de woningenzullen worden gebouwd en welke de komende taak isvan den particulieren bouw, den vereenigingsbouw enden bouw door de gemeenten. Hierbij zal niet ge-schroomd mogen worden om eenerzijds de particulierewoningvoorziening binnen het kader van een geleideeconomie aan een ordening van overheidswege te onder-werpen, en andererzijds de taak van den vereenigings-bouw en de gemeentelijke woningvoorziening opnieuwprincipieel onder de oogen te zien.En ten slotte zal het centrale gezag zich krachtig moetendoen gelden, opdat eenerzijds alle beletselen tegen eenvlotte uitvoering van het program, gelegen in onnoodigbezwarende gemeentelijke voorschriften, gebrek aanbouwgrond, onvoldoende medewerking van de gemeen- Anikeicntelijke overheid, enz. zonder aanzien des persoons terzijde worden gesteld, andererzijds positieve maatregelenworden genomen, opdat bij het ontbreken van plaatselijkinitiatief toch het bouwprogram in al zijn geledingen totuitvoering kome.Alleen op deze wijze kan worden bereikt, dat een pro-gram voor een stelselmatige woningvoorziening geendoode letter wordt, doch levend blijft en zich in en doorde uitvoering regelmatig vernieuwt.De Heer Bommer, die in ,,De Woningbouwvereeniging"van Januari j.l. naar aanleiding van de op 14 November1941 te Utrecht voor het Instituut gehouden lezing,waarin gedachten in den geest van het bovenstaandewerden ontwikkeld, enkele opmerkingen heeft gemaakt,is van meening dat te weinig aandacht is geschonkenaan de kosten. Zeer zeker is dit punt van zoodanig be-lang, dat het bij het opmaken van een bouwprogramonder de oogen behoort te worden gezien.Wij hebben hierbij niet het oog op de totale kosten vanhet bouwprogram en de vraag, of voor de financieringde noodige kapitalen beschikbaar zullen zijn. Deze vra-gen laten wij bij de groote financieele onzekerheden, diedeze tijd biedt, voorloopig buiten beschouwing. Vanveel grooter actueel belang zijn de kosten van de wonin-gen zelf en met name de vraag, of het mogelijk zal zijn,ook voor de minder draagkrachtige bevolkingsgroepenwoningen te bouwen, die binnen de draagkracht vallen.In zijn bovenbedoelde lezing heeft ondergeteekendeonder de tekortkomingen van de laatste jaren op hetgebied van de volkshuisvesting naast de onvoldoendezorg voor de woningvoorziening op het platteland en dete langzame vernieuwing van den ouden woningvoorraadmet nadruk gewezen op het feit, dat het vraagstuk vande woningvoorziening voor de minder draagkrachtigebevolkingsgroepen niet is opgelost.Ook in de jaren, die achter ons liggen, waarin verschil-lende grootere gemeenten een zeer ruim woningover-schot vertoonden, kon aldaar worden geconstateerd, datde vraag naar bepaalde soorten woningen niet op ge-noegzame wijze werd bevredigd. In vele gevallen hadzelfs een vrij groot percentage leegstaande woningen vanlage huur niets te beduiden, omdat dit nagenoeg alleoude en kleine woningen waren, ongeschikt voor be-woning door een gezin, zoodat tegenover de vraag naarwoningen in deze huurklassen nagenoeg geen aanbodstond.In de groote steden konden voor de groote groep gezin-nen met inkomens van f 20.-- a f 25.^-- per week geenwoningen worden geleverd. Dat een belangrijke cate-goric arbeiders een dergelijk inkomen had en dat deminimum-huur, waarvoor een nieuwe arbeiderswoningzelfs bij het kostenpeil van 1939 kon worden geleverd,meer dan f 6.-- per week bedroeg -- in de kleineregemeenten zijn deze cijfers lager, doch bestaat precieshetzelfde probleem -- is de groote moeilijkheid, waar-voor nog geen oplossing is gevonden.Bij de woningvoorziening na den oorlog zal ook ditvraagstuk moeten worden aangevat. Wanneer men zichop het o.i. juiste standpunt stelt, dat zoodra de bouw-kosten tot een redelijk peil zullen zijn gedaald, ook dehuur van de woningen voor deze groep ten voile deexploitatiekosten moet dekken en dat de bouw met OyArtikelenbijdragen in de huur zich tot andere, speciale bevolkings-groepen moet beperken, en voorts dat het onmogelijk enontoelaatbaar is door terugdrukken van het woningtypeen de afwerking tot lagere kosten te komen, dan moetlangs anderen weg een oplossing worden gezocht.Wij zien hier niet voorbij, dat de huur van een arbeiders-woning niet uitsluitend afhangt van de bouwkosten endat integendeel een belangrijk deel van de exploitatie-kosten door andere factoren dan de kosten van de wo-ning zelf worden bepaald; in de groote steden is dit zelfsmeer dan de helft. Toch moeten ook de kosten van dewoning de voile aandacht hebben.Het hgt voor de hand, hier te zoeken in de richting vande industrialisatie, waarbij gewerkt wordt met ge-standaardiseerde woningtypen, samengesteld uit genor-maliseerde onderdeelen, waarbij ook rekening kan wor-den gehouden met de nieuwere inzichten in thermischeen acoustische vraagstukken. Dit onderwerp is thans instudie, zoodat hierop niet verder kan worden ingegaan.Een tweede punt, waarop de Heer Bommer de aandachtvestigt, is de prijs van het bouwterrein. Inderdaad is ditvraagstuk tot heden niet opgelost. Het kon ook nietworden opgelost, omdat beperking van de op den grondte maken winsten in een vrije maatschappij leiden moettot winsten op den bouw of op de exploitatie. De denk-beelden van von Mangoldt b.v. zijn om deze reden nooittot verwezenlijking gekomen.Beperking van de prijzen van den ruwen grond zal alleenbij een stelsel van volledige prijsbeheersching tot lagerehuren kunnen leiden. Een dergelijke prijsbeheersching isthans een feit geworden, ook ten aanzien van den grond.Immers de grondprijzen zijn thans beperkt tot het peilvan 9 Mei 1940. Dit systeem behoeft natuurlijk nadereuitwerking, waartoe de noodige maatregelen in voorbe-reiding zijn. De verzekering kan worden gegeven, datdit punt de voile aandacht heeft.Ten slotte vreest de Heer Bommer, dat met de voorbe-reiding van bepaalde bouwplannen eerst zal mogenworden begonnen, nadat het algemeen bouwprogramvoor 10 jaren zal zijn vastgesteld en ieders aandeel in deverwezenlijking van dit program zal zijn bepaald.Dit is zeker niet de bedoeling. Ook zonder dat hierwordt ingegaan op het adres van den Nationalen Wo-ningraad, die de medewerking van de Rijksoverheidheeft verzocht voor de financiering van de voorbereidingvan een bescheiden aantal bouwplannen, kan wordenopgemerkt, dat tot de voorbereiding van de uitvoeringvan een bouwprogram zeker ook behoort het gereed-maken van bouwplannen. In het door den Heer Bommeraangehaalde artikel in ,,Gemeentebestuur" werd danook als laatste desideratum genoemd ,,het bevorderenvan overleg met de bij de woningvoorziening betrokkenlichamen en organisaties over de voorbereiding vanbouwplannen binnen het kader van het algemeene bouw-program en het aangeven van maatregelen, welke even-tueele bezwaren tegen een vlotte uitvoering van dezeplannen kunnen ondervangen."Het is dus zeker niet de bedoeling, eerst een bouwpro-gram voor een half millioen woningen geheel uit tewerken met vermelding van de plaats, waar deze moe-ten worden gebouwd, de grootte van de woningen enhet aantal vertrekken, de huur en alles wat men verder4\J nog zou willen regelen, en eerst daarna te gaan over-wegen, wie deze woningen zal moeten bouwen en vol-gens welke plannen.Een program voor een stelselmatige woningvoorzieningna den oorlog is geen statisch gegeven, dat men eerstin zijn vollen omvang moet detailleeren, voordat het inpraktijk wordt gebracht. Een bouwprogram moet dyna-misch zijn.Het bepalen van de woningbehoefte aan de hand vande in iedere gemeente te verzamelen gegevens is eenmomentopname. Aan de hand daarvan kan de urgentievan aanbouw worden bepaald.Een tienjarig bouwprogram voor het geheele land geeftdus eenerzijds een inzicht in den omvang van den teverwachten aanbouw -- dit is noodig voor de beant-woording van de vraag, of de capaciteit van het bouw-bedrijf voldoende is om den gewenschten aanbouw totstand te brengen -- en andererzijds een inzicht in deurgentie van aanbouw gemeente voor gemeente.Ten aanzien van het laatste punt zullen de aspecten vanjaar tot jaar wisselen. Het onderzoek naar de woning-toestanden en de plaatselijke woningbehoefte moet dusworden voortgezet. De regelmatig verkregen nieuwegegevens houden het bouwprogram levend en maken datdit steeds moet worden herzien om te beantwoorden aande behoefte. Af is het dus nooit.Dit houdt in, dat zoo spoedig de omstandigheden zulkszullen toelaten, met de uitvoering moet worden begon-nen en dat vooraf alles in gereedheid moet worden ge-bracht, wat de uitvoering kan bevorderen. Hiertoe be-hoort met name het gereedmaken van plannen om in deeerste urgentie te kunnen voorzien.Natuurlijk moet men niet met het maken van bouw-plannen beginnen. Het samenstellen van een bouwpro-gram moet primair zijn, omdat eerst moet worden vast-gesteld, aan welke woningen behoefte bestaat en doorwie deze moeten worden gebouwd. Maar is dit bekend,dan kunnen zeker binnen het kader van dit programbouwplannen worden gemaakt, opdat terstond wanneerde omstandigheden zulks zullen toelaten met den bouwkan worden begonnen.Naar mate dan woningen gebouwd worden, verschuivende behoeften en verandert het aanzien van het bouw-program. Het zal dan de taak van de betrokken dienstenzijn, met het program bij te blijven, opdat dit steeds eenbeeld geeft van de woningbehoefte in de komende pe-riode.Een plat dak is uitheemschEen rietdak is mooiEen Pannendak is Hollandsch,mooi en OnverwoestbaarRUSSEL-TIGLIATEGELENWED. R A. VITALI & ZOONSchoorsteenvegers en MetselbedrijfAANNEMERS Opgericht 1844AMSTERDAM-C - Nieuwe Kerkstraat 50Telefoon 50236 (na 5 uur 29306)Alle typen garagedeurenzoowel compleet als garniturenuit voorraad leverbaarJ. & G. StrobandNwe Teertuinen 22-23 - AMSTERDAM-CTelefoon 47139Qeen plads in onslandOF ER ZIT SANITAIR VANPECK'SBEKENDE KWALITEIT.OOK IN 1942 ZULLEN Wl] ER NAARSTREVEN OM SANITAIR TE LEVERENDAT ONZE GOEDE NAAM WAARDIG IS!ZEND UW ORDERS DUS AANPECKaCo.NIEUWENDIJK 62-76 - AMSTERDAMjelfstandige woning vervalt en voor hoeveel zij Anikeienacht wordt crop gevestigd dat de berekeninglantal gezinnen -- beter ware te spreken overnaar den burgerlijken staat -- met vrijwel vol-istheid op elk moment kan geschieden aan deexacte gegevens, zoowel bij een telling als la-bij- en afschrijving, behoudens dan de invloedratie en immigratie van vermoedelijk geringenode van Halle daarentegen is een hulpmiddelmiddel van bij- en afschrijving tusschen tweeder behoefte aan zelfstandige woningen, op de: blijven van de veranderingen in de behoefte:ze bij de laatste telling is gebleken. Immers :j tellingen kunnen niet om de twee of drierden gehouden.ier met nadruk op, omdat herhaaldelijk is ge-n de hand van zekere demografische gegevens,trekking hebben op een bepaald tijdstip (b.v.elling) zoogenaamd met het gebruikmaken vande van Halle, langs administratieven weg, dehoefte vast te stellen. Deze wijze van handelenlen vreemd aan de bedoeling van Prof. Dr.Wolff, die de methode het eerst heeft gelan-ilks is voorts een bewijs van het volkomen mis-n aanzien van het wezen der methode vaniet duidelijk welke wijze van toepassing dervan Halle tot de uitspraak in het artikel in hetdrift heeft geleid, n.l. de poging tot vaststellingand van demografische gegevens van een be-ment of wel de bij- en afschrijving gedurendee 31 December 1930--1939. De bewoordingenirtikel laten ruimte voor beide gevallen (het isig hierop dieper in te gaan).over te gaan tot het bespreken van enkele deraandschrift gegeven cijfers, nog enkele theore-nerkingen. In de begripsbepahng voor ,,gezin". dat ,,twee ot meer gehuwde paren, die metmenwonen, doch geen ander huiselijk verkeerr hebben dan onder goede buren gewoonte is"jf meer gezinnen worden geteld. Daaruit volgt,:htparen die tezamen een woning bewonen endig gezamenlijk gebruiken -- behalve het af-; slaapvertrek voor elk gezin -- als een gezineschouwd. Dit kan ten aanzien van de woning-in zeer veel gevallen volslagen verkeerd zijn,samenwonen kan toch het gevolg zijn van eencort.orden bij de vaststelling van het aantal gezin-dig verwaarloosd de alleenwonende personen,orjen deze in een zelfstandige woning, waar-volledig demonstreeren een behoefte aan eenge woning te vertegenwoordigen.1 aantal gezinnen (als bedoeld in het Maand-n de totale behoefte aan zelfstandige woningenwee grootheden van zeer verschillenden aard.lans tot de bespreking van enkele der in hetirift gegeven cijfers.ntal gezinnen op 31 December 1930n aanwezig geweest zijn 1.740.000 gezinnen 41Artikelen (zie tabel 1). Deze gezinnen wonen niet alleen in wo-ningen, maar ook in varende schepen, in schepen ,,alswoning dienend" en in wagens.Maar tegenover de 1.740.000 gezinnen waren er:bewoonde woningen 1.885.567 i)idem varende schepen 14.251schepen als woning dienend 2.315bewoonde wagens 2.261totaal bewoonde ,,6bjecten" 1.904.394of rond 1.904.000Het is natuurlijk juist, dat slechts een zeer klein deelvan de bewoners van schepen en wagens een behoefteaan een zelfstandige woning heeft. Evenwel tusschenhet aantal gezinnen en de behoefte aan woningen --welke immers blijkt uit het bewoond zijn van woningen*-- bestaat een verschil van 145.500!Gezinnen zonder echtpaarHet is vooral de groep gezinnen zonder echtpaar welkeaantoont, dat tusschen het begrip gezin en het begripwoningbehoefte een groot verschil bestaat.Vooraf volgt hieronder eerst een tabel, welke de perso-nen van verschillenden burgerlijken staat geeft, diehoofden van gezinnen zijn (kolom 1) en die hoofdbe-woners van woningen waren (kolommen 2 t/m 6) uitge-drukt in procenten van het totaal aantal personen naarden burgerlijken staat.De cijfers in kolom 1 komen, voor zoover betreft de per-sonen in weduw- en in gescheiden staat, voor in hetonderschrift van tabel 3 in het Maandschrift en zooverbetreft de gehuwden in het hoofdstukje ,,De berekeningvan het aantal gezinnen zonder echtpaar" terwijl decijfers in de kolommen 2 t/m 6 zijn afgeleid uit de cij-fers, welke voorkomen in de verslagen van gemeente-lijke tellingen.Burgerlijke staat Amsterdamvan het hoofd van -Cr/ cId CvSTA AMD b - IM AAMLEG OF PLAM TOT AAMLEGGOEDGEKEURDb-.a bWEGEN MET MATIG VERKEER EN/OF MOOFDZAKELUKVAN PLAAT5ELUK 6ELANGa-BESTAAND b- IM AAMLEG OF PLAN TOT AANLEGGOEDGEKEURDOVERIGE VERHARDE WEQENWEGEN WAARVAN AANLEG DOOR DE COMMISSIEWORDT AANBEVOLENWEGEh WAAPVAN AANLEG DOOR DE COMMISSIEWOBDT AANSEVOLEN INDIEN DE Z Ul PER ZEES POORWEGTOT STAND KOMTSPOORWEGEMBESTAANDWAARVAN PLAN TOT AANLEG IN ONDERZOEK ISAANSLUITING, WAARVAM AANLEG DOOR DCCOMMISSIE WOBDT AANBEVOLENTRAMWEGEMArtikelen wil echter niet zeggen, dat men nu met de handen in denschoot kan gaan zitten; er is nog veel te doen.In het bizonder baart de huisvesting van de gezinnenvan arbeiders, welke afwisselend zijn ingedeeld bij steun-verleening of werkverschaffing, of werkzaam zijn in hetvrije bedrijf veel zorg. Een sluitende exploitatie-rekeningis niet te verkrijgen, tenzij de huur een abnormaal hoogpercentage van het weekinkomen bedraagt.De strijd tegen de hntbebouwing wordt in het rapportaangebonden en verschillende richtHjnen voor een doel-matige bestrijding aangegeven. In het bizonder wordt hetmaken van uitbreidingsplannen in hoofdzaak aanbevolen.Een bij het rapport gevoegd staatje laat zien hoe ver deverschillende gemeenten met het maken van uitbreidings-plannen gevorderd zijn.De gemeentelijke grondpolitiek wordt in verband methet maken van stedebouwkundige regehngen besproken.Een zeer belangrijk hoofdstuk is in het rapport gewijdaan den land- en tuinbouw
Reacties