VolSteOrgaan van het Nederlandsch Instltuut voor Volkshui?-vesting en Stedebouw en van den Nationalen Woningraad,waarin opgenomen de mededeelingen van den Rijks-dienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aanden WederopbouwJuni 1943 24e Jaargang no. OBOUW-ENAANNEMINGSMAATSCHAPPyJAVASTDAAT88^-DEN HAAG-TEL-11158C*^*mil?TIL S49f2-i04?2AANNEMERS VAN OROND-,Mil- IN WATERWERKEN,BETON- EN UTILITEITSBOUW?W ? i AN?VERF. & LAKFABRIEKENJACOB MARTENSAMSTERDAM ? TEL. 87880-87893Schilderwerk zoowel voor oude alsnieuwe muren, voor binnen enbuitan, behoeft niet te stagneeren.WODAN MUURVERFRAMSES MUURVERFZIJN OLIEVRUE PRODUCTENVRAAGT NADERE INLICHTINGENbeton-bouw en watorboawkundispe werkenJuni194324e Jaargang No. 6MaandbladTijdschrift voorVolkshuisvesting en StedebouwOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en den NationalenWoningraad, Algemeenen Bond van Woningbouwvereenigingen, waarin opgenomen de mede-deelingen van den Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan den WederopbouwRedactie: H. P. J. Bloemers, J. Bommer, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, Ir. L. S. P. Scheffer, Ir. P. Bakker Schut,Mr. J. Vink, Drs. H. van der Weijde, Ir. J. M. A. 2x5etmulderMedewerker voor den Wederopbouw: Dr. Ir. Z. Y. van der Meer, Algemeen Secretaris van den Algemeen Gemachtigde' voor den Wederopbouw en de BouwnijverheidAdres voor Redactie en Abonnementen: Lange' Voorhout 19, 's-Gravenhage, Telefoon 115720Advertenties: Keizersgracht 188, AmsterdamC, Telefoon 49128Rijksdienst voor het Nationale PlanProvinciale planologische dienst in Noord HollandBij besluit van den Commissaris der provincie Noord Holland,d.d. 12 Mei 1943, ter waarneming van de taak van Gedepu-tcerde Staten, hebben de benoemingen plaats gehad van deleden van den Raad van Bijstand, de Vaste Commissie, eenCommissie voor de gemeentelijke plannen en van Directeuren ambtenaren van het bureau van den provincialen planolo-gischen dienst.De Commissaris zal als Voorzitter van Raad van Bijstand enVaste Commissie optreden.Het bureau van den dienst is gevestigd Nieuwe Gracht 47 teHaarlem.Tot Directeur is benoemd Ir. P. K. van Meurs, tot plaatsver-vangend Directeur Mej. Ir. E. F. van den Ban.De samenstelling van de genoemde Colleges is overigens alsvolgt:Raad van Bijstandle. de leden van de Vaste Commissie van den provincialenplanologischen dienst;2e. de leden van de hieronder te noemen Commissie voor deGemeenielijke plannen;3e. de Burgemeesters van Amsterdam, Alkmaar, Bussum,Haarlem, Haarlemmermeer, Den Helder, Hilversum, Vel-sen en Zaandam;4e. de Gewestelijk Boerenleider van den NederlandschenLandstand;5e. de Provinciale Productiecommissaris voor Noord Hol-land, Ir. G. Lienesch te Schagen;6e. als vertegenwoordiger van:a. den Dienst der Zuiderzeewerken, de EerstaanwezendIngenieur bij dien dienst. Dr. Ir. J. P. Mazure te 's Gra-venhage;b. de Nederlandsche Spoorwegen te Utrecht, Ir. J. H.Froger te Utrecht;c; het Rijksinstituut voor zuivering van afvalwater, deHoofdingenieur bij dien dienst Ir. J. J. Hopmans te's-Gravenhage;d. het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening, de Di-recteur van het Instituut W. F. J. M. Krul te 's Gra-venhage;e. het Staatsboschbeheer, de Inspecteur bij dien DienstG. Gerbranda ter standplaats Utrecht, wonende teHeemstede;/. den Bond van Noordhollandsche Waterschappen, N.Dekker, oud-burgemeester van Obdam, Hoogheemraadvan het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorder-kwartier te Obdam;g. de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten,Mr. H. Westermann te Amsterdam;h. den Bond voor Heemkunde, P. R. Bloemsma, architectte Amsterdam;I. den Bond Heemschut, }. R. Koning, Stads-tuinarchi-tect van Amsterdam, wonende aldaar;/. den Nederlandschen Toeristenbond (A.N.W.B.), hethoofd der Afdeeling Wegen en Verkeer, A. G. M.Boost te 's' Gravenhage;k. de Contact-commissie voor Vreemdelingenverkeer inNoord Holland, de Voorzitter dier Commissie, J. J.Jonckheer te Haarlem;/. de Schippersvereeniging ,,Schuttevaer", de Secretaristevens lid van het Bestuur T. P. Keijzer te Santpoort;7e. de Inspecteurs van de Volksgezondheid voor de hygienevan bodem, water en lucht Dr. C. L. de Fouw te Amster-dam en J. Ebels te Leeuwarden;8e. Dr. Ir. J. T. P. Bijhouwer, landschapsarchitect, lector aande Landbouwhoogeschool te Wageningen.De bestuursraad Mr. W. N. Felhoen Kraal en bij diens ver-hindering de bestuursraad Ir. J. H. Copius Peereboom, is aan-gewezen als degene, die den Commissaris der provincie indiens functie van Voorzitter van den Raad van Bijstand zoonoodig vervangt.Als Secretaris van den Raad van Bijstand zal optreden deDirecteur van het bureau van den provincialen planologischendienst of diens plaatsvervanger.Vaste Commissiele. Mr. W. N. Felhoen Kraal, Bestuursraad der provincie,die in deze qualiteit tevens zal optreden als degene, dieden Commissaris der Provincie in diens functie vanVoorzitter der Vaste Commissie zoo noodig vervangt;2e. Ir. J. H. Copius Peereboom, Bestuursraad der provincie,die in deze qualiteit tevens zal optreden als degene, diebij verhindering van Mr. W. N. Felhoen Kraal denCommissaris der Provincie in diens functie van Voorzit-ter der Vaste Commissie zoo noodig vervangt;3e. A. W. Michels, thans Voorzitter van de Vaste Com-missie voor Uitbreidingsplannen en Streekplannen teHaarlem;4e. W. M. Dudok, Gemeente-architect te Hilversum; 81Nationale PlanWederopbouwArtikelen5e. het Hoofd der Afdeeling Stadsontwikkeling van denDienst der Publieke Werken te Amsterdam, Ir. L. S. P.Scheffer te Amsterdam;6e. de Hoofdingenieur-Directeur van den ProvincialenWaterstaat van Noord Holland, C. Thomese te Haar-lem;7e. de Directeur van den Economisch-TechnologischenDienst van Noord Holland, Ir. W. Fuhri Snethlage teHaarlem;8e. Prof. Dr. H. N. ter Veen, Hoogleeraar aan de Gemeen-telijke Universiteit te Amsterdam;9e. Prof. W. E. Boerman, Hoogleeraar aan de Economischehoogeschool te Rotterdam; -lOe. het Hoofd van de Inspectie Noord Holland van denRijksdienst voor de Werkverruiming, Ir. E. L. E. H. Ca-bos te Alkmaar;lie. de Hoofdingenieur-Directeur van den Rijkswaterstaatin de Directie Noord Holland, Ir. G. Redeker te Haar-lem;12e. de Directeur van den Cultuurtechnischen Dienst teUtrecht, Ir. F. P. Mesu te Bilthoven;13e. de Voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fa-brieken voor Noord Holland, Mr. F. W. A. de Kock vanLeeuwen te Heemstede;He. als vertegenwoordiger van den Algemeen Gemachtigdevoor den Wederopbouw en voor de Bouwnijverheid, hetHoofd van het Bureau Goedkeuring Werken in de Pro-vincie Noord Holland, Ir. R. Dufour te Velsen;]5e. (ambtshalve) de Rijksinspecteurs voor de Volksgezond-heid (Volkshuisvesting), wier ambtsgebied zich overNoord Holland uitstrekt, thans tijdelijk waargenomendoor G. F. E. Kiers te Leiden.Als Secretaris van de Vaste Commissie is aangewezen deDirecteur van het bureau van den provincialen planologischendienst of diens plaatsvervangcr.Commissie voor de gemeentelijke plannenle. Mr. W. N. Felhoen Kraal, Bestuursraad der Provincie,te Wormerveer, tevens Voorzitter;2e. A. W. Michels, thans Voorzitter van de Vaste Commis-sie voor Uitbreidingsplannen en Streekplannen, te Haar-lem, tevens onder-Voorzitter;3e. W. M. Dudok, Gemeente-architect te Hilversum;4e. het Hoofd der Afdeeling Stadsontwikkeling van denDienst der Pubheke Werken te Amsterdam, Ir. L. S. P.Scheffer te Amsterdam;5e. de Hoofdingenieur-Directeur van den Provincialen Wa-terstaat van Noord Holland, C. Thomese te Haarlem;6e. de Inspecteur van de Volksgezondheid (Volkshuisves-ting), G. F. E. Kiers te Leiden;7e. de Hoofdingenieur-Directeur van den Rijkswaterstaat inde Directie Noord Holland, Ir. G. Redeker te Haarlem;8e. G. F. H. Fijn, Burgemeester der gemeenten Egmond aanZee en Egmond binnen, te Egmond binnen;9e. de Directeur van het Bureau van den Provincialen Pla-nologischen Dienst van Noord Holland, Ir. P. K. vanMeurs te Haarlem;lOe. de Directeur van den Cultuurtechnischen Dienst teUtrecht, Ir. F. P. Mesu te Bilthoven;lie. als vertegenwoordiger van de Afdeehng Noord Hollandvan de Vereeniging van Nederlandsche gemeenten P.Chr. J. Peters, Secretaris dier Afdeeling te Medemblik.Aangewezen is als Secretaris der Commissie Mej. Ir. E. F.van den Ban, Hoofdingenieur-titulair van den provincialenwaterstaat of degene, die haar in haar functie vanhoofdamb-tenaar van den provincialen planologischen dienst vervangt.De wederopbouw van stad en landIn April maakten de onteigeningsprocedures vorderingen inde volgende gemeenten: Eindhoven, Haarlem, Yerseke, Mid-delburg, Rotterdam, Schiedam, Schimmert, Schinnen, Venloen Vlissingen.In Rotterdam had het opruimen van fundeeringen regelmatigplaats.Uit Middelburg werd gemeld dat het herstraten en op hoogtebrengen van tijdelijke bestratingen in de binnenstad voortgangvinden. Rioleeringswerk werd hervat. Ook op t Zand hadstraataanleg en rioleering plaats.Het nieuw opgerichte bouwbureau Maassluis, hoofd de HeerG. Roos, begon zijn arbeid met het organiseeren van oprui-mings- en herstelwerkzaamheden. Het Instituut ,,Stad enLandschap van Zuid Holland" werd verzocht te adviseerenover de saneering van een stadsdeel, waarvan de verbeteringal lang in overweging was (Wagenstraat-Noordijk en omge-ving). Het Instituut ontwierp een schetsplan, dat door de ge-meente in groote lijnen is aanvaard en thans wordt uitge-werkt. Voor een ander stadsdeel (z.g. Kerkeiland) wordt nogeen plan verwacht.De normale woningreservedoor A. J. A. RikkcrtHet slot van het artikel van den Secretaris-Directeur van onsInstituut, Drs. H. van der Weyde, dat onder bovenstaand op-schrift is opgenomen in het Tijdschrift van Maart 1943, gafmij aanleiding de oudere publicaties van den Woningdienst envan het Bouw- en Woningtoezicht te raadplegen, ten eindena te gaan of soortgelijke gegevens als Drs. van der Weydeomtrent eenige Zwitsersche steden geeft, ook voor Amsterdamkunnen worden geconstrueerd. Inderdaad is een aantal gege-vens beschikbaar, dat voor het gestelde doel eenigermatebruikbaar is.De bedoeling is het percentage te vinden, dat aan leegstaandewoningen aanwezig moet zijn om te bereiken, dat geen huur-verhoogingen of -verlagingen optreden als gevolg van eenkleiner of grooter aanbod van woningen dan voor de bevre-diging der normale behoefte noodzakelijk is.De normale behoefte aan woningen heeft verschillende oor-zaken, n.l.:a. voor pas gehuwden;b. voor zich vestigende gezinnen i);c. voor door verbouw, slooping, onbewoonbaarverklaring ofveranderd gebruik der woningen verdreven gezinnen;d. voor de niet onder c bedoelde verhuizende gezinnen.Deze oorzaken zijn -- relatief gezien -- niet in alle gemeentenvan gelijken omvang.Ongeacht kleine schommelingen in het huwelijkscijfer is debehoefte aan woningen voor pasgehuwden vrijwel overalgelijk. Dit is niet het geval met de overige oorzaken. Vesti-ging van gezinnen komt niet in alle gemeenten in gelijke matevoor. Het vervallen van woningen, dus het verdrijven vangezinnen, door de onder c genoemde oorzaken, komt evenminoveral in gelijken omvang voor. Ten slotte is de noodzaak tothet verhuizen, als onder d bedoeld, niet overal even groot.Tegenover de behoefte aan woningen staat het beschikbaarkomen van woningen. Ook het beschikbaar komen van wo-ningen heeft verschillende oorzaken, n.l.:a. door nieuwbouw;b. door na verbouw, herbouw of veranderd gebruik beschik-baar gekomen woningen;821) Men vergete niet, dat het vestigings- en vertrekcijfer van gezinnen nietidentiek is aan het vestigings- en vertrekcijfer der personen.LAVALEIJEm aonmROTTERDAM - N. BINNENWEG 126 - TELEFOON 28169'6/1 Wl\en nu zeggen wij, Zonnescf7//n of r^^enmUVINEfcan er fegen/i*EEN PRODUCT VAN DE VELUVINE VERFFABRIEK - NUNSPEETferuyiizeellindeiriQi[C.X.109e765HSz11 10109108107106105I0i(105102101//11tt////? /11f ///////1 // 1f/11 / /r//////^^ 1,^111 ^^ /t"^ ^f \^ --- .__/\^?* --' 7^f ^ ^ f/ ^ i/N^ "" * * ^^^ ??x'^ / ^^//D4TA I-509 l-IIO l-l-ll l-IU 1-1-I5 i->"M i-i-io I'l-n i-i-ix \'\-ii l>-09 I-I'IO (-1 II l-l VI \'\ 13 I-3-09 1-1 10 l-l 11 l-l l? l-l- 3 !> 09 1- ?10 I-l II l-l-12 l-l IS I'l' ") IS 09 1- lO 1-^ II 1-112 l-l 15 l-l 11 6ATA1 VCRI^LADINQ : PtoctNTiat. Lcca. MUUOINOLX . 183Artikelen TABEL IIMiddenstands- en arbeiderswoningen 1937-^1938Middenstands-woningenRivierenbuurtArbeiderswoningenOud-WestPercentageleeg i)Huren-indexPercentageleeg i)Huren-index1 Jan. 1937 4,9 100 3,9 1001 Juni 1937 2,7 99,1 3,3 99,11 Dec. 1937 2,3 94,4 3,2 98,91 Juni 1938 1,8 98,8 3,4 98,41 Dec. 1938 1,5 99.2 2.4 99.61) Het percentage-leeg is, behalve voor 1 Jan. 1937, telkens 1 maandlater vastgesteld dan de huren-index.84PE.PC, MIDDENSTANDSWONINGLN. ARBLlbLPSWONINQCN . HUUPLCCQ. (OlVIE-RtMBUOCT.) fOUO -WtST.) 1NDE.X.k \?\ \3 \\-^"\\s. \21N\,\si h\ \\ V>\ \X > /199? " -M ? /11111^ /f98\\111111971111 11961111? 1 95\1fDATA. 1-I-J7 l-6'}7 1-12-37 I-6-58 1-12-58 I-|:J7 I-6-S7 I-I2'57 I-6-58 I-I2-M DATA..o......._. .rc._ _ .,...n,...v 1^1zoodat de huur eerst bij het vernieuwen van het contract kanworden gewijzigd.Bij de bestudeering van het vraagstuk mag voorts niet overhet hoofd worden gezien, dat verlaging der huur soms eenafweermiddel kan zijn tegen het leegkomen van woningen.Het is n.l. te Amsterdam voorgekomen, dat huren verlaagdwerden zonder dat de omvang der reserve er aanleiding toegaf. Toen in een aangrenzende gemeente n.l. met den bouwvan een groot aantal woningen een aanvang werd gemaakt,vreesden Amsterdamsche eigenaren terecht, dat bij de vol-tooiing van die woningen een uittocht van huurders zou plaatshebben en hiertegen wilden zij zich dekken door middel vanhet afsluiten van langloopende contracten met lage huren.Het vorenstaande wordt gezegd om onder de aandacht tebrengen, dat een studie ten aanzien van de noodzakelijkereserve niet mag gebaseerd zijn op gegevens, welke slechtsbetrekking hebben op een korte periode.Ik kom thans tot de voor Amsterdam aanwezige gegevens.Beschikbaar zijn slechts enkele gegevens en wel voor eenigegroepen arbeiderswoningen voor de jaren 1909--^1914. Dezegroepen woningen hggen in verschillende deelen der stad.Voorts voor een groep middenstandswoningen in de Rivieren-buurt en een groep arbeiderswoningen in Oud-West; voorbeide groepen hebben deze gegevens betrekking op de periode1 Januari 1937^1 December 1938.De tabel I bevat de gegevens omtrent zes groepen arbeiders-woningen voor de periode, aanvangende 1 Maart 1909 (deeerste algemeene woningtelling te Amsterdam) en eindigendedeels 1 Januari 1913 en deels 1 Januari 1914. De grafischevoorstelling I toont deze gegevens duidelijker. Gedurende deperiode, waarop de gegevens betrekking hebben, daalde hetpercentage-onbewoond van omstreeks 3 belangrijk. Daarte-genover steeg het index-cijfer der huren sterk en wel hetsterkst voor de groepen, waarvoor het percentage-onbewoondhet sterkst was gedaald.De tabel II bevat in de eerste plaats gegevens omtrent eengroep middenstandswoningen in de Rivierenbuurt voor deperiode 1 Januari 1937--1 December 1938. De grafische voor-stelhng II geeft een duidelijk beeld van het verloop der cijfers.Het percentage-onbewoond was op 1 Januari 1937 abnormaalhoog, n.l. 4,9. Het lag dus voor de hand, dat de huren-indexzich in dalende richting zou bewegen. Dit was ook het geval.De huren-index daalde n.l. tot 99,1 op 1 Juni 1937. Intus-schen was het percentage-onbewoond niet onbelangrijk ge-daald en wel tot 2,7. De stcrke daling zou ten minste een stil-stand van de daling van de huren-index hebben mogen doenverwachten. Dit bleek voor het volgende halve jaar evenwelnog niet het geval te zijn. De daling ging n.l. nog in een be-langrijk sneller tempo voort. Dit heeft verschillende oorzaken.De belangrijkste daarvan zal zijn geweest het feit, dat voorde onderhavige groep woningen de contracten voor de ver-nieuwing der huur meestal reeds op 1 Februari (3 maandenvoor 1 Mei -- de algemeene datum der expiratie van huur-contracten) werden afgesloten. En op 1 Februari was hetaantal onbewoonde woningen nog slechts zeer weinig minderdan op 1 Januari 1937 toen het percentage-onbewoond was4,9.Het percentage-onbewoond bleef daarna dalen en daaruittrokken de verhuurders van woningen hun conclusie. Dehuren-index steeg en wel eerst met een flinke sprong terugbijna tot op het peil, waarop zij een jaar tevoren stond. Ookdaarna bleef de huren-index langzaam stijgen tegenover eenlangzaam voortgaande daling van het percentage-onbewoond.De tabel II bevat in de tweede plaats gegevens omtrent eengroep arbeiderswoningen in het z.g. Oude-West, eveneensvoor de periode 1 Januari 1937--1 December 1938. Dezegegevens zijn ook opgenomen in de grafische voorstelhng II.Tusschen 1 Januari 1937--1 Juh 1938 schommelde het per-centage-onbewoond tusschen 3,9 en 3,2. Daartegenover daal-de de huren-index van 100 tot 98,4; een relatief geringe dalingdus. In de tweede helft van 1938 daalde het percentage-OLIEVRIJE BLANKE RELIEFVERFRAAMKIT PLASTIKANIET TE ONDERSCHEIDEN VAN DE IN POEDERVORMGEWONE UJNOLIE STOPVERF MET WATER AAN TE MENGENLEVERBAAR ZONDER TOEWIJZINGVOLKOMEN WATERVAST! DUURZAAM! WATERVAST!VRAAGT MONSTER VRAAGT INLICHTINGEN EN PROSPECTUSVAN DEN DOEL & FRAY DEN HAAGfii nmppnmnmnmrnrHOLLAND TRIPLEX IMPORTROTTERDAM - Schiedamschesingel 50 - Tel. 28303N.V. STEENGAAS MAATSCHAPPIJGevestigd sedert 1911 te *S-GRAVENHAGE Tel. 331861 Bijkantoren te:SCHEVENINGEN Tel. 550118 - AMSTERDAM Tel. 81053 - ROTTERDAM Tel.34181 - HAARLEM Tel. 11017Vcrkoopkantoor dcr Ncdcrlandsche STEENGAASFABRIEKEN te TwcIIoPRIMA KWALITEIT STEENGAASvan dc grootste Stecngaasfabrick in Nederland.OPSTELLEN van STEENGAASCONSTRUCTIEN in het werkInlichtingen, begrootingen en adviezen warden gaarne gratis verstrekt!HANDEL INBOUWMATERIALEN F. Filippo HaarlemHoofdkantoor: Spaarnd. w?g 212 Telef. 14.264.Bijkantoor; Tuinlaantje 6-12 Telef. 13S32Telefoon Huis 25820TEGELSA^VNJNEMINGSBEDRIJ Fla,KLUUT?VERBEEKUITVOERING VANWERKEN VOOR DENWEDEROPBOUWRAMLEHWEG19TELEF. 43912ROTTERDAMMASONITEis een der beste zoo niet de besie van deZWEEDSCHE HOUTVEZEIPLATENMonsters en inlichtingen verstrekt gaarneTRIMAN.V. ZAANDAMiAK- EN VERFINDUSTRIE//. P. WERRE & COFlllaal ROTTERDAM2? Middcllanditraat 1 3 bTalal. 36024's-GRAVENHAGEVEENKADE49 - TEL. 3318751 AannemingsbedrijfGebr. v. d.UITGAARDENVirulyplein 1 5 Tel. 39242RotterdamLVoor uitvoering van alleBOUW- enBETONWERKENFIRMA VERHAAR & VAN 'T VEERDELFT Oosteinde 139 - Tel. 1550Kantoor en OpslagplaatsEzelveldlaan - Tel. 2015ouwrnaterialenhandelbCommanditaire Vennootschap ter Voortzetting vande Zaken van de BOUWSTOFFENHANDELDIRKZWAGER & CO. N.v.OOSTZEEDIJK 26a - ROTTERDAMALLE BOUWMATERIALENVOOR DEN WEDEROPBOUWconcurreerende prijzenTelefoon 20430 en 22630 KantoorTelefoon 198 (Leidschendam) W. DAHMEN, beh.Venn.Telefoon 44551 v. LEEUWAARDEN, vertegenw.VERVEN, LAKKENENVERNISSENOLIEVRIJ en OLIEHOUDENDLevert:Tramsingel 88, BREDASaoriek uan CDpeciaalueruen?n.v. Brandstoffen- en BouwmateriaienhandelVAN DE VEN & CO |voorheenEINDHOVENTelefoon no. 2721 (2 lijnen) en no. 3573ALLE BOUWMATERIALENAfd. BLEYSZuiVERHEIDS RiSICO VERZEKERINGWONINGINSPECTIEDIENST - ZUIVERWERKENLorentzkade 18 -- LEIDEN -- Telefoon 21078Wij nemen het risico van onzuivere woningengeheel van U overewapen ? BgtQpj^hy^jpg^pnde hoogten enT '' '""" FIRMA GEBR. v. d. MEYDENliLBURG BETON- EN BIMSWARENFABRIEKonbewoond plotseling tot 2,4 en onmiddellijk reageerde dehuren-index met een relatief flinke stijging. Dat in deze wijkde huren-index niet, zooals in de Rivicrenbuurt, eerst laterreageerde, heeft tot oorzaak, dat het in het Oude-West betreftarbeiderswoningen, die meestal slechts bij de week wordenverhuurd. De gelegenheid tot huurwijziging bestaat dus prac-tisch eenmaal per week.Hoewel men de gegeven cijfers, opgenomen in tabel I, gaarneop meer tijdstippen zou hebben willen kennen en de cijfers,opgenomen in tabel II, over een langere periode, kan toch metstelligheid worden geconstateerd, dat, zoodra het percentage-onbewoond hooger is dan 3 de huren-index daalt; daalt hetpercentage-onbewoond tot beneden 3, dan stijgen de huren.Voor Amsterdam kan dus het veelomstreden percentage-onbewoond, dat noodzakelijk is om evenwicht in de woning-huren te verkrijgen, gesteld worden op 3.Met belangstelling worden soortgelijke gegevens uit anderegemeenten verwacht.De plaats van de survey in het planologisch w^erkdoor Drs. G. H. L. ZeegersInleidingIn het April-nummer van dit Tijdschrift heeft de Heer Groen-man o.m. de klacht geuit, dat bij de totstandkoming van uit-breidingsplannen voor kleine gemeenten, het vooronderzoekin het algemeen niet voldoende tot zijn recht komt. Zijn uitingstaat niet alleen. Van verschillende onderzoekers, die directof indirect met de planologische survey te maken hebben, ver-nam ik den laatsten tijd soortgelijke en meer algemeen gesteldeklachten.Ik neem daarom dezen knuppel in het hoenderhok te baat omin het kort mijn, uiteraard persoonlijke, inzichten te gevenomtrent de moeilijkheden, die de survey ook naar mijn meeningheeft, om zijn plaats in het planologisch werk te veroveren.De punten, die de Heer Groenman heeft aangeroerd, komendaarbij successievelijk ter sprake.Om de zaak duidelijk te stellen zal men m.i. een onderscheidmoeten maken tusschen de survey voor het uitbreidingsplan,het streekplan en het nationaal plan.Het is niet te ontkennen, dat de survey voor het uitbreidings-plan -- om mij daartoe voorloopig te bepalen -- in een zekerdiscrediet is gebracht. Ik meen dit feit te constateeren en terstaving daarvan goed te doen -- als symptoom -- Mr. P. A.van der Drift te citeeren, wiens jarenlange ambtelijke ervaringtoch wel gewicht in de schaal legt.,,Ik denk", zoo zegt dan deze jurist in zijn boek Volkshuisves-ting, ,,aan eenc gemeente, die op de lachspieren werkte meteen uitbreidingsplan, dat haar gansche territoir in teekeningbelegde met lanen en straten, daarbij uitgaande van een ge-weldig toekomstig bevolkingsaccres. Na eenige jaren nam diegemeente het plan terug en ontwierp een nieuw plan voor 5 %(zegge en schrijve vijf procent) van de oorspronkelijk ge-raamde bevolking. In een ander geval werd ergens -- nominasunt odiosa -- een ontwikkehngsplan ontworpen, waarin in-dustrie-terrein werd aangewezen van zoo grooten omvang, datwelhaast de gansche Nederlandsche industrie er kon worden Artikeienopgeborgen." i)Ten eenen male onjuist is de gevolgtrekking van den Heervan der Drift, wanneer hij dezen waanzin wijt aan het onver-mogen der stedebouwkundige studien. De voorbeelden, die hijvermeldt, berusten juist op geen enkele studic 1 De deskun-dige wetenschappelijke onderzoeker -- niet de charlatan ! --is tegenwoordig wel degelijk in staat om betrouwbare resul-taten op te leveren, al is daarmede in de verste verte niet be-weerd, dat de uiterste perfectie bereikt zou zijn. Integendeel,wij zijn er ons van bewust nog slechts aan het begin te staan.Vergelijking met verwante wetenschappen stemt ons tot be-scheidenheid (econometrie !). Den ingewijde is dit alles be-kend. Ik wijs slechts op de toelichting van het uitbreidings-plan van Amsterdam en op de survey van het streekplan IJs-selmonde. 2)Inmiddels is de uiting van den Heer van der Drift wel zeertypeerend voor den indruk, dien zijn ambtelijke ervaring hemgegeven heeft van de verwaarloozing der survey bij het uit-breidingsplan.Alvorens op de oorzaken van dezen mistoestand in te gaan, wilik enkele opmerkingen maken over de voortdurend toegeno-men beteekenis van het uitbreidingsplan tijdens de ruim 40jaren van de heilzame werking der Woningwet.De uitbreiding van het uitbreidingsplanDe Woningwet legt aan gemeenten met meer dan 10.000 zie-len, alsmede gemeenten, wier zielental in de laatste vijf jarenmet meer dan een vijfde is toegenomen, de verplichting op,een uitbreidingsplan vast te stellen, behoudens vrijstelling ofnadere verplichting door Gedeputeerde Staten (art. 36). Dezebepaling komt, behoudens evenbedoelde nadere verphchting,reeds in dezen vorm voor in de wet van 1901.Door de bevolkingsconcentratie, gevolg van den grooten be-volkingsgroei, is het aantal gemeenten, dat binnen de criteriader wet valt, sterk gestegen. Maar bovendien houdt mentegenwoordig gelukkig niet meer aan de genoemde limietenvast. In den loop der vier decennia van zijn bestaan heeft hetuitbreidingsplan niet alleen door zijn inhoud en zijn sanctiesaan beteekenis gewonnen, maar heeft het ook een veel alge-meenere toepassing gevonden. Per ? 1 Januari 1942 hadden745 van de 1.034 gemeenten, d.i. niet minder dan 72 % eenvan kracht of in voorbereiding zijnd uitbreidingsplan (TabelII). 3) Zelfs de kleine en zeer kleine gemeenten gaan er ?--al dan niet met een zacht duwtje -- in steeds grooteren getaletoe over om een uitbreidingsplan vast te stellen (Tabel II). Deveroveringen van het uitbreidingsplan zijn in de diverse pro-vincies nogal uiteenloopend 4), hetgeen samenhangt met degrootte der gemeenten (dwerggemeenten), met de sociaal-economische ontwikkeling, met de bemoeienis van den Inspec-teur van de Volkshuisvesting, met het aantal ontwerpers inde diverse deelen van ons land, enz.Het uitbreidingsplan zal door de ontwikkeling van het streek-1) Mr. P. A. van der Drift. Volkshuisvesting, Dl. I. Alphen a. d. Riin,1939, biz. 22.2) Dit laatste is nog niet voor publicatie vrijgegeven en derhalve nietdoor iedereen te raadplegen.==) Dit tijdschrift, jaargang 1942, biz. 106.4) Idem.TABEL IAantal gemeentenAantal gemeentenmet meer dan 10.000inwonersper 1 Jan. 1903 1.121per 1 Jan. 1942 1.03475156Aantal gem. met minder dan10.000 inwoners en met bev. toen.in laatste 5 jaar met meer dan 1/52620WaarvandoorannexatiesTotaal aantalgem. met verpl.uitbreidingsplan10101176in%91785Artikelen TABEL IIGemeentegroepcnGemeenten metinwonersTotaal aantal gemeenten per1 Januari 1942Waarvan met een van krachtof in voorber. zijnd uitbr.planper dz 1 Jan. 1942in procentenI > 500.000 3 3 100II 100.000-< 500.000 5 5 100III 50.000--< 100.000 16 16 100IV 20.000-< 50.000 34 34 100V 10.000-< 20.000 98 971) 99VI 5.000--< 10.000 187 176 94.1VII 2.000-< 5.000 360 269 74.7VIII 1.000--< 2.000 193 101 52.3IX < 1.000 138 44 31.9Totaal 1.034 745 72.1^) De gemeente Losser had per 1 Jan. 1942 nog geen van kracht oi in voorbereiding zijnd uitbreidingsplan en geen vrijstelHng van de verphchtingvolgens art. 36 der Woningwet.TABEL III(Totaal aantalwaarvan50% of meer meer dan 50%Gemeente- Gemeenten met gemeenten per der beroepsbev. in % van totaal der beroepsbev. in % van totaalgroepcn inwoners 31 December werkzaam in aantal werkz. in niet aantal1930 landb. en vissch.per 31 Dec. '30gemeenten agrar. beroepenper 31 Dec. '30gemeentenI > 500.000 2 .--. ^^ 2 100II 100.000--< 500.000 4 -- -- 4 100III 50.000--< 100.000 12 -- -- 12 100IV 20.000--< 50.000 28 1 3.6 27 96.4. V 10.000--< 20.000 86 12 14.0 74 86.0VI 5.000--< 10.000 172 59 34.3 113 65.7VII 2.000--< 5.000 375 . 163 43.5 212 56.5VIII 1.000--< 2.000 231 135 58.4 96 41.6IX < 1.000 168 125 74.4 43 25.6Totaal 1078 495 45.9 583 54.186plan bizonder sterk gestimuleerd worden; art. 18, 3de lidvan de derde Uitvoeringsbeschikking van het besluit betref-fende de instelling van den Rijksdienst voor het NationalePlan bepaalt namelijk, dat, wanneer een streekplan vankracht wordt, de daarin begrepen gemeenten, welke nog geenvan kracht zijnd uitbreidingsplan bezitten, verplicht zijn zulkeen met het streekplan in overeenstemming zijnd plan vast testellen.Bij een volledigen uitbouw van het planologisch werk zal dusiedere gemeente een uitbreidingsplan krijgen. Het uitbreidings-plan zal waarschijnlijk echter wel anticipeeren op het streek-plan (uiteraard rekening houdend met de richtlijnen van hetin voorbereiding zijnd streekplan). In de naaste toekomst zalderhalve het aantal uitbreidingsplannen nog toenemen en welvoor de kleine, overwegend agrarische, gemeenten (Tabel III).Dit maakt survey en plan niet altijd eenvoudiger. Men denkemaar eens aan het allerminst opgeloste vraagstuk van de,,Pendelwanderung" en het forensenwezen.Waar de moeilijkheden liggenDe klacht van de verwaarloozing van de survey geldt niet ingelijke mate voor alle uitbreidingsplannen.De zeer groote gemeenten (groep I, Tabel II) vormen eenklasse apart. Men moet zich namelijk niet laten misleiden doorde fictie van de juridische gelijkheid der gemeenten, en ver-heze b.v. niet uit het oog, dat de ,,gemeente" Amsterdam onge-veer evenveel inwoners heeft als de provincies Drenthe enOverijssel (totaal 87 gemeenten) of als de provincies Zeelanden Limburg (totaal 219 gemeenten) tezamen ! Hier is mindersprake van gemeentebelangen in den beperkten zin dan welvan streek- en nationale belangen i).Verwaarloozing van de survey, d.w.z. een slecht uitbreidings-plan, zou zich hier zeer spoedig ernstig wreken.Voor deze zeer groote gemeenten is dan ook de verzorgingvan de survey (ik herinner nog eens aan de toelichting op hetuitbreidingsplan van Amsterdam) en de samenwerking tus-schen ontwerper en onderzoeker meestal geen vraagstuk.Deze steden beschikken over een afzonderlijken dienst ofafdeeling voor de stadsontwikkeling en kunnen steeds des-kundige medewerkers aantrekken. Ook bij de groepen II enIII is er meestal geen reden tot ontevredenheid, al ken ik hetuitbreidingsplan van een gemeente tusschen 50.000 en 100.000inwoners, dat op geen enkele aanwijsbare survey gebaseerd is!In de groepen IV en V komt men tusschen tafellaken enservet, d.w.z. men probeert wel eens de grootere zusters nate doen, doch niet altijd met succes. Het is algemeen bekend,dat slechte uitbreidingsplannen nog al eens uit dien hoekkomen. De survey is dikwijls karig. Vooral echter in de vol-1) Dit vindt ook zijn uitdrukking in de jongste wetgeving, waar in dezesde beschikking ter uitvoering van de achtste verordening van den Rijks-commissaris betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijkgebied (aanpassing van wettelijke voorschriften welker uitvoering aan hetDepartement van Binnenlandsche Zaken is opgedrageil) is bepaald, dat deuitbreidingsplannen der gemeenten Amsterdam, Rotterdam en 's Graven-hage niet meer aan de goedkeuring van den Commissaris der Provincie,maar aan die van den Secretaris-Generaal van het Departement van Bin-nenlandsche Zaken onderworpen zijn.gende groepen komt het blijkbaar nog al eens voor, dat het uit-breidingsplan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een kwestievan de teekenplank is. De goeden niet te na gesproken !Hier vooral komt de particuliere ontwerper aan bod of menziet -- zooals in de provincies Noord-Brabant en Limburg --den planologischen dienst te hulp komen. In het laatste gevalwordt de survey verzorgd in het kader van het streekplan-werk.Waarom wordt er nu in vele gevallen (nogmaals, de goedenniet te na gesproken !) -- vooral dus bij de middelgroote enkleine gemeenten zooals ik reeds zeide -- nog zoo betrekkelijkweinig aandacht aan het vooronderzoek besteed?Mijns inziens zijn de volgende redenen aan te voeren:1. Er is nog een zekere terughoudendheid in planologischekringen om deskundige sociaal-economen aan te trekken.2. In vele gevallen heeft de ontwerper slechts een geringebelangstelling voor de survey en ziet hij er ook de betee-kenis niet van in.3. De survey heeft voor de gemeente, vooral de kleinere ge-meente, bij den huidigen stand van zaken, een beperktebeteekenis.4. De ontwerper vreest omvangrijke, niet ter zake dienenderapporten.5. De bedrijfsrekening van den ontwerper wordt door eenpassend honorarium voor het vooronderzoek niet sluitendmeer.Ad 1Prof. Boerman, wiens belangstelling voor de planologischevraagstukken niet van gisteren dateert en die '-- zeer belang-rijk -- ervaring op dit gebied heeft, schreef in 1939 in dit Tijd-schrift:,,Dat deskundige geografische krachten tot voor kort niet ofte weinig in het eerste stadium werden betrokken, was hetgevolg van het feit, dat de snelle ontwikkeling van het ver-keer en het economische leven de problemen, waarvoor aan-vankelijk alleen de technische diensten waren gesteld, snel inomvang en in aantal heeft doen groeien.,,De vele ingenieurs, die van den nood een deugd hebben ge-maakt en zich de moeite getroostten om zich in allerlei econo-mische en sociale vraagstukken geheel in te werken, zich (omeen actueel woord te gebruiken) in den waren zin des woordste ..herscholen" verdienen dan ook m.i. niets dan lof. Maargeleidelijk heeft zich de aard van het werk, vooral bij het over-gaan van het lokale uitbreidingsplan naar het streekplan -- ofzelfs naar een nationaal plan -- dusdanig gewijzigd en ver-ruimd, dat ik meen te mogen zeggen, dat de leidende krachtbij het streekplanwerk voortaan even goed iemand van oor-spronkelijk economisch-geografische vorming of scholing zalkunnen zijn als een stedebouwkundige ingenieur. Hoofdzaakis, dat hij iemand is met een ruimen blik en met een warmebelangstelling voor de groote verscheidenheid van vraagstuk-ken, waarvoor hij komt te staan. Hoe het ook zij, men be-schouwe de ,,survey" niet als iets, waarvoor men zich nu endan eens een tijdelijke kracht kan assumeeren, als een nood-zakelijk kwaad, waarvoor men den niet-technicus maar tijdelijkals los-aanhangsel aantrekt en vervolgens weer afstoot.,,Wanneer ik dit hier meende te moeten zeggen, dan is hetom te waarschuwen tegen een zekere ..jalousie de metier"tegen een overdreven en daardoor af te keuren groepsgevoel.Wij blijven vaak te veel vasthouden aan een bestaand vakjeen vooral aan het eigen vakje,,Men kieze den rechten man op de rechte plaats !,,Een weinig verschuiving is ook wel eens goed en...... vrucht-baar ! De ervaring leert toch, dat nieuwe inzichten, nieuwebanen, nieuwe onderzoekingsmethoden, nieuwe werkwijzenveelal juist niet door insiders, doch als regel door uit degrensgebieden overgekomen mannen werden aangege-ven " 1)Ir. van Lohuizen wijst er nog op, dat, wanneer men ,,in het Amkeienbezit is van het ondefinieerbare complex van eigenschappen,die tezamen den stedebouwkundigen aanleg vormen. heter minder toe (doet) langs welken weg van vooropleiding enervaring (men) tot den stedebouw is gekomen : als architectof econoom, als sociograaf of ingenieur of misschien noglangs heel andere wegen" i). Dit raakt de kwestie van de'opleiding van den planoloog-surveyor, waarop ik in dit kaderniet kan ingaan.Ad 2 'Ontwerper en onderzoeker hebben, naar ik meen, een geheelanders gerichte belangstelling, zij het, dat hun opleiding de-zelfde geweest kan zijn b.v. bouwkundig of civiel-ingenieur,en hun werkzaamheden uiteraard op hetzelfde doel gerichtmoeten zijn. Dit onderscheid in belangstelling kan varieerenvan een accent-verschil in een persoon (een ontwerper-onder-zoeker met voorkeur voor een van beide onderdeelen van zijnwerk) tot een volkomen specialisatie. Ir. van Lohuizen 2) kanworden toegestemd, dat met een zoodanige specialisatie ietswaardevols verloren gaat.Maar aan den anderen kant meen ik te moeten opmerken, datde belangstelling van een persoon zelden in gelijke mate hetontwerpen en het ^nderzoeken betreft, zoodat, wanneer deprojecten ingewikkelder worden en in omvang toenemen,zonder dat specialisatie optreedt, een van beide onderdeelenvan het planologisch werk noodzakelijkerwijze te kort moetgaan schieten.En een feit is toch, dat er onder de ontwerpers nog velen zijn,die absoluut geen belangstelhng hebben voor de survey en erblijkens hun werk ook geen waarde aan hechten; lieden, diemet een gerust geweten het vooronderzoek weglaten en zoo-doende tot plannen komen waaruit reeds op het eerste gezichtgroote fouten zijn af te lezen, b.v. ontwerpen waarin het ge-projecteerde werkgebied in geen enkele proportie staat tot hetontworpen woongebied enz.Ad 3De prognose van de ontwikkeling van een gemeente, vooraleen kleine gemeente, heeft bij den huidigen stand van zaken,slechts een beperkte beteekenis. De structuur van een gemeen-te kan door de groote activiteit van een buurgemeente geheelscheefgetrokken worden. Deze kan b.v. gaan dumpen met deprijzen van industrieterreinen, uitzonderlijk gunstige voor-waarden stellen enz. en daardoor industrieen aantrekken, diequa vestigingsfactoren en planologische eischen eigenlijk ineen nevenliggende gemeente gevestigd hadden moeten zijn.De vestiging of vertrek van een groot industrieel bedrijf kaneen kleine gemeente om zoo te zeggen maken en breken,waardoor, indien dit niet voorzien is, de geheele prognoseomvergeworpen wordt.Zoolang er geen bovengemeentelijke instantie bestaat, welkealgemeene richtlijnen geeft voor de ontwikkehng van eenstreek, binnen welk kader de ontwikkehng der individueelegemeenten plaats moet vinden, tot zoolang heeft een gemeentehaar ontwikkeling slechts ten deele in eigen hand.Het streekplan -- met name -- kan, mits op een goede surveyberustend, aan het uitbreidingsplan een veel zekerder grond-slag geven.Zoolang er echter voor het gebied, waarin een bepaalde ge-meente gelegen is, nog geen streekplan is vastgesteld, of ineen vergaand stadium van voorbereiding verkeert, zullen bovengesignaleerde moeilijkheden zich in veel sterkere mate kunnenvoordoen. Voor kleine gemeenten uiteraard meer dan voorgroote, omdat bij deze laatsten de wet van de groote getallengaat werken. Door het toenemend aantal kleine gemeenten,dat tot het vaststellen van een uitbreidingsplan overgaat en zalovergaan (Tabel I) wordt dit bezwaar dus algemeener.1) Prof. W. E. Boerman. De Industrie in het streekplan, mede in verbandmet plaats en omvang der bebouwing. Dit tijdschrift, jaargang 1939, biz. 89.1) Ir. Th. K. van Lohuizen. Het wetenschappelijk onderzoek in den stede-bouw. Tijdschrift voor Economische Geographie 1940, biz. 28. Q^^) Ir. van Lohuizen, t.a.p. biz. 27. o/Artikelen Art. 36, vijfde lid van de Woningwet schrijft voor, dat eenuitbreidingsplan ten minste eenmaal in de 10 jaar moet wor-den herzien. Hieraan wordt in verschillende provincies niet dehand gehouden. Een ieder, die met uitbreidingsplannen temaken heeft, weet echter hoe noodig geregelde herziening is.Boven gesignaleerde onvolkomenheid, welke grootendeels eenkwestie van organisatie van de ruimtelijke ordening is, beperktongetwijfeld de mogelijkheden van de survey en dus ook vanhet uitbreidingsplan.Verschillende ontwerpers -- behalve dat zij voor het onder-zoek geen belangstelling hebben -- hechten er ook gecnwaarde aan ,,omdat het toch niet uitkomt".Ad 4De impopulariteit van de survey in sommige ontwerperskrin-gen wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de onderzoe-kers zelf. Men kan nog al eens de klacht vernemen, dat bijhet onderzoek niet voldoende rekening wordt gehouden methet doel van de studie, n.l. de bouwsteenen te leveren voorhet uitbreidingsplan en voorts, dat de resultaten der studiesniet in een hanteerbaren vorm worden gegoten.Genoemde bezwaren -- voorzoover steekhoudend -- spruitenten deele voort uit de opleiding van sociaal-geografen, socio-grafen, econoom-geografen, economen of hoe deze -- gespe-cialiseerde ?-- onderzoekers zich ook noemen, welke grooten-deels nog een zuiver wetenschappelijke is en nog niet ofslechts in zeer geringe mate op de wetenschapstoepassinggericht is. Voor 1930 -- om een grens te noemen .-- wasdeze opleiding op de theorie gericht, omdat deze studierichtin-gen (behalve die der economie) in hoofdzaak opleidden voorhet ambt van leeraar voor het Middelbaar en voorbereidendHooger Onderwijs, waar het inderdaad aankwam op dewetenschap om de wetenschap (of beter de kennis om dekennis). De mogelijkheden in de richting van de survey o.a.de planologische survey zijn pas nadien opgekomen i). Dooreen omvorming van de opleiding in de richting van dezenieuwe practische mogelijkheden -- welke omvorming reedsgaande is -- zullen de aan de huidige opleiding inhaerentebezwaren voor de practijk naar mijn vaste overtuiging op denduur stellig verdwijnen.De klacht van de geringe hanteerbaarheid van de studiesheeft, naar ik meen, nog een andere oorzaak. Het is inderdaadjuist, dat vele sociaal-economische studies slechts met veeldoorzettingsvermogen door te worstelen zijn. Al het materiaal,dat men heeft moeten verzamelen, wordt meestal geetaleerd,waardoor men dikwijls door de boomen het bosch niet ziet.M.i. spruit deze neiging voort uit het gebrek aan waardee-ring, dat het sociaal-economisch onderzoekingswerk nog welondervindt. Gebruikers (niet-onderzoekers) van het materiaalbeseffen dikwijls niet, hoeveel arbeid het produceeren vanenkele simpele cijfers soms kost. Ook dit gebrek zal, bij eenmeer practische instelling, wel verdwijnen.De Heer Groenman is van meening, dat een -- sociogra-fisch -- rapport meer moet omvatten dan voor den ontwerpervan het uitbreidingsplan van belang is, omdat:1) men veel details moet opzoeken en het dus weinig moeitegeeft om deze te^verstrekken;2) de planoloog niet vooruit weet wat hij noodig heeft;3) het gemeentebestuur uit het rapport nog meer profijt kantrekken.De eerste opmerking besprak ik reeds. Wie aan een timmer-man opdracht geeft een kast te maken, verwacht een kast teontvangen zonder de krullen en het zaagsel.De tweede opmerking begrijp ik slechts, wanneer wordt be-doeld, dat de planoloog de uitkomsfen van het onderzoek nietkent. Dat is juist, want wanneer de categorieen van hetonderzoek zijn vastgesteld, heeft de onderzoeker zijn eigenverantwoordelijkheid !Dat het sociaal-economisch onderzoek ook diensten kan be-wijzen voor andere dan planologische doeleinden, zal niemandontkennen. De Heer Groenman onderscheidt echter onvol-doende een algemeene, informatieve sociaal-economische ana-lyse (wat de Duitschers noemen ,,Bestandaufnahme") en eensurvey voor een uitbreidingsplan, waarin uiteraard ook eenprognose is opgenomen. Het is natuurlijk zeer goed mogelijk,dat het materiaal voor de survey van het uitbreidingsplan tendeele ontleend wordt aan een algemeene analyse, maar het ism.i. een groote misvatting om het een met het ander te identifi-ceeren. Wie opdracht krijgt om speciaal een survey voor eenuitbreidingsplan op te stellen, mag dit niet opvatten als eenallesomvattende analyse. De survey dient op het doel gerichtte zijn.De Heer Groenman is -- als ik hem goed begrijp -- ook vanmeening, dat de Rijksdienst voor het Nationale Plan, doorhet uitgeven van een z.g. demografische documentatie (welkeper gemeente enkele eenvoudige gegevens geeft over bevol-kingsgroei, -opbouw, -structuur enz.) bedoelt den ontwerpereen soort vade-mecum ter hand te stellen, welke een surveyuitspaart. Ik weet niet wie den Heer Groenman heeft inge-licht, maar ik meen zeker te weten, dat de Rijksdienst metdeze documentatie slechts een aantal gegevens binnen hetbereik van belanghebbenden wil brengen. Dat er voor een,,survey" meer noodig is, is daar ook wel bekend.Ad 5De financieele zijde is niet de minst belangrijke, althans voorde particuliere ontwerpers. Ik beschik niet over bedrijfsreke-ningen van architectenbureaux. De honoraria echter, zooalsvermeld in de ,,Regelen betreffende de honoreering van denstedebouwkundige en de verdere rechtsverhouding tusschenopdrachtgever en stedebouwkundige" zijn niet aan den hoogenkant. De moeilijkheid, vooral bij de kleine gemeenten, is, datvoor deze de uitgaven relatief hoog zijn en voor de ontwerpershet honorarium slechts een matige vergoeding beteekent.Meestal ziet men dan ook de combinatie van de architecto-nische en de planologische werkzaamheden, niet in de laatsteplaats om financieele redenen. Het ontwerp-werk, vooral voorde kleine gemeenten, op een gezondere financieele basis tebrengen, is daarom m.i. een punt, dat in de toekomst nog eenszeer ernstig overwogen dient te worden, maar dan dient mendaarbij tevens het sluitstuk aan te brengen, n.l. een behoorlijkehonoreering van het werk van den sociaal-econoom, waaraantot nu toe nagenoeg alles heeft outbroken. Wie naar een arts,jurist of ingenieur om advies gaat, weet, dat hij betalen moet.Het advies van den sociaal-econoom werd tot nu toe als liefde-werk beschouwd; ten eerste omdat dikwijls zijn werkzaam-heden nog niet geheel au serieux genomen werden en tentweede, omdat de sociaal-economen, die eigenlijk in dit op-zicht het voorbeeld zouden moeten geven, in een streven omde markt te veroveren, aanvankelijk gaarne bereid waren omsoms met geen of een belachelijk lage honoreering genoegen tenemen.Door het Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Neder-landsche Volk is echter een Honorariumcommissie ingesteld i),welke richtlijnen zal uitwerken voor de honoreering vansociaal-economische opdrachten, overeenkomstig die, welkevoor de ontwerpen gelden. Het spreekt vanzelf, dat bij dezerichtlijnen het juiste evenwicht bewaard moet blijven tusschende draagkracht van de gemeente en de noodzakelijkheid vaneen redelijke honoreering van den onderzoeker. Wanneer aandeze richtlijnen de hand zal worden gehouden, zal aan eenongewenschten toestand een einde kunnen komen, althanswanneer de honoreering van de opdrachten voor het maken11 Vgl. ook Prof. L. van Vuuren. De geschiktheid van den sociaal--, graaf voor beroepen in het practische leve -"??
Reacties