miiAOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van den Nationalen Woningraad,waarin opgenomen de mededeelingen van den Rijks-dienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aanden WederopbouwAug.-Sept. 1945 26ejaargang no. 1/2N.V. MOLYN^COROTTERDAMb beton-bouw en waterbonn^kundig^e werkenMOTijdschrift voorVolkshuisvesting enAug.-Sept. 194526e Jaargang - No. 1/2MaandbladStedebouvTOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en den NationalenWoningraad, Algemeenen Bond van Woningbouwvereenigingen, waarin opgenomen de mede-deelingen van den Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan den WederopbouwRedacfie! H. P. J. Bloemers, J. Bommer, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, Ir. L. S. P. Scheffer, Ir. P. Bakker Schut,Mr. J. Vink, Drs. H. van der Weijde,Medewcrker voor den Wederopbouw: Dr. Ir. Z. Y. van der Meer, Lid van het College van Algemeene Coramissarissenvoor den WederopbouwAdres voor Redacde en Abonnementen: Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 115720Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128De wil tot herstel bleef levenMet genoegen voldoe ik aan het verzoek van Uw Redactie om ter inleiding van het eerste nummer van Uw maandblad nade bevrijding eenige mijner gedachten neer te schrijven. En kan het dan wel anders, dan dat ik het eerst denk aan den wiltot herbouw van ons zwaar getroffen vaderland, welke steeds in ons volk is levendig gebleven.Nadat een niets ontziende, barbaarsche vijand een tot in de perfectie toegeruste krijgsmacht over ons land had heengejaagd,kwam het volk van Grotius, dat nog steeds geloofde in de macht van het Recht, tot de ontstellende gewaarwording, dat hetoverrompeld was. Met ontzetting moest het constateeren, dat enkele dagen oorlog voldoende waren geweest om een nijverebevolking van huis en hof te verdrijven en eeuwenoud stedenschoon in een vormlooze puinhoop te herscheppen. Maar uitde verdooving als gevolg van den toegebrachten slag, ontwaakte het weldra met ongebroken geestkracht. De ontembarewil tot herstel deed dadelijk plannen geboren worden, welker verwezenlijking een schijnbaar meewerkende bezetter voort-durend tegenwerkte, daar zijn oorlogsmonster alles wat voor de uitvoering van die plannen onmisbaar was, kon gebruiken.Ondanks dat bleef ons volk werken aan het herstel met een onverzettelijkheid, welke den bezetter in verbazing bracht. Ander-zijds stond met verbeten woede dit volk machteloos, toen het tenslotte alle materialen en gereedschappen werden ontstolen.Naarmate de bevrijdingslegers 'naderden, sloeg de vernielzucht van den bezetter welhaast tot razernij over. Kostelijke Ian-derijen, de parel van Neerlands vreedzame landaanwinst, de Wieringermeer, rijke boomgaarden, talrijke kerken, machtigehavens, monumenten van technisch vernuft, zooals de Moerdijkbruggen en de groote sluizen te IJmuiden, dat alles en nogveel meer werd veelal zonder noodzaak uit louter vernielzucht verwoest. Maar tegelijk werd de hoop van de bevolking opverlossing van het ondraaglijke juk van de gehate roovers grooter en bracht het alles blijmoedig ten offer, in de hoop, datweldra de wederopbouw zou kunnen worden begonnen.De wil tot herstel, welke ondanks alles bleef leven, viert reeds zijn eerste triomfen. Nederland bouwt weer, zij het voors-hands, door den materialennood gedwongen, op zeer bescheiden wijze. Maar de uiteindelijke wederopbouw wordt krachtigvoorbereid, ten einde gereed te zijn met de plannen zoodra de materialen beschikbaar komen.Ten opzichte van den herbouw van steden zijn reeds maatregelen getroffen om waarborgen te scheppen, dat voor het ver-loren gegane lets beters en schooners in de plaats zal treden. Een algemeen stedebouwkundig adviseur is bereids benoemd,die elk wederopbouwplan in laatste instantie moet beoordeelen. De bouwplannen van de architecten dienen te passen inhet door een bekwaam stedebouwkundige opgezet plan, waarbij den architecten groote vrijheid wordt gelaten om eigenpersoonlijkheid in hun werk tot uitdrukking te brengen. Het zal echter dikwijls noodig zijn de plannen der architecten tecoordineeren, welke taak aan een supervisor zal worden overgelaten, een functie in den regel door den schepper van hetwederopbouwplan, den stedebouwkundige, uitgeoefend. Vooraf zal elke opdrachtgever den architect zijner keuze moetenlaten beoordeelen door een architectenkeuzecommissie.Moge Uw blad, dat zooveel lange jaren de mannen der wetenschap in de gelegenheid stelde om hun denkbeeiden te ont-wikkelen, blijven bijdragen tot het levendig houden en aanwakkeren van den wil tot herstel, opdat mede daardoor uit dehuidige puinen een schooner Nederland herrijze!J. A. Ringers,Minister van Openbare Werken en WederopbouwAan de leden van het Nederlandsch Instituutvoor Volkshuisvesting en StedebouwDe oorlog is voorbij.Het Nederlandsche volk staat bij de graven van duizenden die hun leven offerden voor de zaak der vrijheid. Het overzietzijn verwoeste steden en dorpen, zijn akkers en weiden door inundatiewater overdekt, zijn deerlijk gehavende bosscLen enheiden, zijn lam geslagen industrie, zijn ontredderd verkeersapparaat en wat niet al meer. Om van geestelijke en zedelijkeschade nog niet te spreken. Maar Nederland is vrij. Dat laatste zegt alles. Het houdt in, dat al die offers niet noodelooszijn gebracht en dat uit al die ellende toch iets van heel hooge waarde is voortgekomen. Het houdt ook in, dat er nu weermogelijkheden zijn en dagelijks ontstaan, die tot dusver ontbraken, en dat men de vrijheid slechts waard is, wanneer mendie mogelijkheden met alle kracht aangrijpt.'En mag dan ook de weg, die voor ons zich opent, nog niet in rijn voile beloop geheel duidelijk zijn, toch zullen wij dien wegmoeten inslaan, omdat de hoogste belangen dat vorderen.Het Instituut heeft den oorlog doorstaan, maar niet zonder moeite. Het werd steeds moeilijker vergaderingen te houden.Telkens werd het Tijdschrift kleiner in omvang en minder fraai van uiterlijk. De onderwerpen, die in behandeling kondenworden genomen, verminderden voortdurend in aantal. Eindelijk na de gebeurtenissen van September 1944 werd het onder-ling contact vrijwel onmogelijk en moesten de werkzaamheden grootendeels worden stopgezet. Maar het Instituut heeftzich vrij kunnen houden van vreemde invloeden, vrij van de bezetters, maar ook vrij van niet nader aan te duiden binnen-landsche machthebbers, ondanks het feit, dat steeds meer openbare hchamen, die in belangrijke mate het Instituut heeten tedragen en dat normaliter ook doen, ,,om" gingen. Dat men die zware proef heeft kunnen doorstaan, is zeker voor eengroot deel te danken geweest aan de groeiende belangstelling van de persoonlijke leden, die onder den druk der tijden blijk-baar meer dan ooit behoefte hadden aan onderhng contact en terecht het Instituut voelden als het voor hen aangewezencentrum. Het werk verplaatste zich daardoor meer en meer naar de binnenkamer in afwachting van het oogenbhk, dat deresultaten daarvan als vroeger zouden kunnen worden uitgedragen.En nu komt voor de eerste maal ons Tijdschrift weer uit. Het is nog bescheiden in omvang en nog niet onberispelijk wat depapierkwaliteit betreft. Maar het is er als een sprekend bewijs, dat wij over het doode punt been zijn. Wij hopen dat spoe-dig ook andere uitgaven zullen kunnen volgen: resultaten van het werk binnenskamers, die in de openbaarheid zullen kun-nen worden gebracht, zoodra er mogelijkheid tot afdrukken zal zijn.Doordat wij gedwongen waren, een steeds grooter deel van onzen wetcnschappelijken arbeid naar kleinere groepen vanpersonen te verplaatsen, werd het contact met een deel onzer leden tot het Tijdschrift beperkt, en wij hebben dat ernstigbetreurd. Toch heeft het zijn goede zijde gehad, in zoover daardoor duidelijk is gebleken, dat de studie in kleineren kringeen vorm van arbeid is, waaraan door velen behoefte wordt gevoeld en dat het Instituut geroepen is, in die behoefte tevoorzien. In elk vak blijkt men gelegenheid te zoeken tot gedachtenwisseling over onderwerpen van specialen aard, die zichniet voor behandeling in een groote vergadering leenen en andererzijds ook alleen de vakgenooten plegen te interesseeren.De oprichting van de Stedebouwkundige Kringen was een eerste stap in die richting, waarmede echter, achteraf beschouwd,het doel wellicht niet geheel is bereikt. Ten aanzien van de volkshuisvestingzaken is het Instituut dan ook verder gegaandoor de vorming van een Werkgroep, waarin een beperkt aantal woninghervormers bepaalde actueele onderwerpen geza-menlijk bestudeert. Het bleek voorts gewenscht, den stedebouwers een soortgelijke gelegenheid te openen, terwijl ook onderde sociaal-economen en -geografen die behoefte schijnt te bestaan en evenzeer onder hen, die ons werk van den administra-tiefrechtelijken kant benaderen. Wij gevoelen het als een plicht voor het Instituut om in die behoeften te voorzien en daar-voor de meest geschikte vormen te vinden. Wat intusschen allerminst medebrengt, dat de ledenvergaderingen en excursies,welke in de oorlogsjaren achterwege moesten blijven, niet zouden worden hervat.De groote nood, waarin de oorlog ons Nederlandsche volk heeft achtergelaten, roept tot samenwerking van alien, die een-zelfde doel nastreven. Die nood komt niet in de laatste plaats tot uiting in een schrikbarenden woningnood en in verwoes-tingen van ongekenden omvang in steden en dorpen, zelfs van geheele streken. In het verleden bleek het Instituut steedshet aangewezen centrum voor alien, overheidsorganen, corporaties en personen, die een taak hadden op dit gebied, eencentrum, waar men met volledige erkenning van groote verschillen in uitgangspunt vruchtbaar kon samenwerken ter bevor-dering van eminente volksbelangen.Wij vertrouwen, dat men allerzijds bereid zal zijn, ook voortaan het Instituut in staat te stellen, die taak op waardige wijzete vervullen.Arnhem, Juli 1945 >M. J. I. de Jonge van Ellemeet, VoorzitterIn Memoriam Ir. J. M. A. ZoetmulderOp 30 December 1944 overleed te Heerlen Ir. J. M. A. Zoet-mulder c.i., in leven bestuurslid van het Instituut. Geboren1 Juni 1861 te Schiedam, heeft hij zijn H.B.S.-opleiding ge-noten te Rolduc, de oude vermaarde kloosterabdij in Zuid-Limburg.Bij het inwerkingtreden der Woningwet op 1 Augustus 1902,was hij benoemd tot inspecteur van de Volksgezondheid,afdeeling Volkshuisvesting. Hij heeft een zeer groot aandeelgehad in den opbouw en de ontwikkeling van dien tak vandienst. Bevordering van den bouw van eengezinshuizen waseen van de vele taken, welke hij zich gesteld had en waar-voor hij, ook nadat hij den dienst verlaten had een warmvoorvechter is gebleven. Daarnaast lag het wettelijke ge-deelte van de Woningwet hem na aan het hart. Ook statis-tisch was hij goed onderlegd, waardoor hij geheel op dehoogte was van de gebreken, welke aan de huisvesting derbevolking kleefden.Het uitgebreide ambtsgebied, dat binnen zijnj inspectie ge-legen was, noopte hem veel op reis te zijn, practisch van's Maandagmorgens tot 's Zaterdagavonds, zoodat ook zijngezin zijn tol in het belang der volkshuisvesting heeft moetenbetalen.Kort voor het beeindigen van den eersten wereldoorlog ginghij op 1 Augustus 1918 over van den dienst der inspectienaar den Woningnooddienst.1 Juli 1919 is hij als Directeur-Secretaris in dienst gekomenbij de Vereeniging Ons Limburg. Tot einde 1935 is hij indeze functie werkzaam gebleven. In dezen tijd kon hij inpraktijk brengen, wat hij daarvoor in theorie zoovelen, diemet hem als inspecteur in aanraking waren gekomen, hadtrachten in te prenten.Ook toen zijn ambtelijke loopbaan voorgoed verstreken was,bleef hij een welkome figuur op vergaderingen, waar mensteeds met gespannen aandacht naar hem zat te luisteren.Toen zijn stoffelijk omhulsel op 2 Januari 1945 werd tengrave gedragen, was het bericht van zijn overlijden zelfs nogniet tot Limburgs hoofdstad doorgedrongen. Vele vrien-den en bekenden boven de rivieren hebben eerst kort gele-den van zijn verscheiden kunnen kennis nemen.Wat door dezen stoeren onkreukbaren mensch gedurendezijn lange leven in het belang der Nederlandsche bevolking isverricht, zal nog tal van jaren zijn invloed doen gelden.F. B. J. M. MoubisHerrijzend Nederlanddoor Ir. P. Bakker SchutVijf bange jaren liggen achter ons, vijf jaren van onnoeme-lijk leed voor de bevolking van ons land. Evacuatie, ver-nieling, plundering, vexatie, marteling, slavernij, moord, hon-gersnood, niets is ons bespaard gebleven. Het onrecht ende rechteloosheid, waaraan wij ten prooi zijn geweest ge-durende de Duitsche bezetting, zullen immer een donkerebladzijde vormen in de geschiedenis van ons vaderland. Nietminder ernstig dan de schade aan geest en lichaam toege-bracht is de materieele schade. Steden en dorpen zijn ver-woest, woningen en fabrieken geplunderd, havens en wervengrondig vernield, bruggen en sluizen opgeblazen, tienduizen-den hectaren vruchtbaar land onbruikbaar gemaakt, boer-derijen gei'nundeerd of verbrand, het vee in de weide afge-maakt.Naast den wederopbouw in geestelijken zin zal dan ook inde eerstvolgende jaren de materieele wederopbouw onzevoortdurende aandacht vorderen. Het herstel van onze ge-schonden steden en dorpen moet geschieden in een tempo zoosnel als in verband met de beschikbare materialen, arbeids-krachten en vervoers-capaciteit mogelijk zal blijken.Het aantal vernietigde en beschadigde woningen is ontstel- *lend groot. De nog zeer voorloopige cijfers van het Depar-tement van Openbare Werken en Wederopbouw, onlangs inhet Weekblad voor Gemeentebelangen gepubliceerd, gevendaarvan een maar al te duidelijk beeld. In ronde cijfers:85.000 woningen verwoest, 36.000 zwaar beschadigd en273.000 licht beschadigd !Uiteraard is die schade zeer ongelijk over het land verdeeld.Terwijl de schade in de drie Noordelijke provincien (metuitzondering van de stad Groningen) en in Utrecht zeergering is, zijn de drie Zuidelijke, waarvan een groot deeloperatie-gebied was, uitzonderlijk zwaar getroffen. In Gel-derland zijn het behalve de steden Arnhem, Nijmegen enZutphen vooral de Zuidelijke Veluwe-rand, de Betuwe endeelen van den Achterhoek, die geleden hebben. In Over-ijssel: Deventer, Hengelo en Enschede.Op het eerste gezicht verwonderlijk hoog zijn de cijfers derverwoeste en beschadigde woningen in het Westen, dat ge-lukkig buiten de gevechtszone is gebleven; Zuid Hollandmet ruim 48.000 verwoeste woningen en Noord Holland metruim 8.000. De oorzaak daarvan is -- behoudens wat betrefteerstgenoemd cijfer het bombardement van Rotterdam in1940 ^ te zoeken in de stelselmatige vernietiging welke metDuitsche grondigheid heeft plaats gehad in de kust-zone,zoogenaamd ten behoeve van den fameuzen Atlantik-Wall,waardoor groote deelen van steden en dorpen van de kaartwerden weggevaagd.In den Haag alleen zijn door den bezetter in koelen bloedeeen 4000 woningen afgebroken. Daar werden buitendien(evenals in verschillende gemeenten in het O. en Z. deslands) tal van beschadigingen veroorzaakt door vliegendebommen, terwijl ten slotte nog een wijk ter grootte van eenflinke provinciestad werd vernield tengevolge van de fou-tieve uitvoering van een geallieerd bombardement. In rondecijfers is het eind-resultaat in deze stad alleen : 8000 wonin-gen vernietigd, 4000 zwaar beschadigd en 13.000 licht be-schadigd.De meest ergerlijke en zinlooze verwoesting is misschien devernietiging van de pas geschapen Wieringermeer-dorpendoor inundatie enkele dagen voor de onvoorwaardelijkecapitulatie van het Duitsche leger.De omvang der verwoestingen is nog verergerd doordat uittalrijke op last van de Duitschers ontruimde woningen vloe-ren, deuren, betimmeringen, ja zelfs balklagen zijn gesloopt,waardoor woningen, die anders intact geweest zouden zijn,tot bouwvallen zijn geworden. Ten deele is zulks geschieddoor of op last van den bezetter, maar gedeeltelijk ook dooronze landgenooten zelf. Sterker nog, er zijn bewoonde wonin-gen, waarin de huurders een soortgelijke ravage hebben ver-oorzaakt. Dit vandalisme is weliswaar verklaarbaar door hetnijpend gebrek aan brandstof -- en in zooverre is het dusook een schakel in den keten van rampspoeden, welke deoverval door het ,,Derde Rijk" over ons land heeft gebracht-- het is niettemin zeer te betreuren dat de omvang vanden wederopbouw daardoor nog belangrijk is toegenomen.Er valt dus ongelooflijk veel te doen. Alle krachten zullendan ook moeten worden ingespannen om dit tempo op tevoeren in zoodanige mate als de nood onzer bevolking ver-eischt.De steden en dorpen, die vernield of geschonden zijn, moetenworden herbouwd, maar beter, doelmatiger en schooner danzij voor 1940 waren: het nieuwe, dat geschapen gaat worden,moet een verheugender woon- en werkgelegenheid biedendan het oude, dat vernield werd. Indien ooit dan bestaat nude gelegenheid de verbetering der volkshuisvesting ter handte nemen en de stedebouwkundige ontwikkeling te bevor-deren op groote en grootsche schaal. Het is daarom vandoorslaand belang dat wij ons realiseeren welke mogelijkhe-den hier aanwezig zijn en dat wij van die gelegenheid tenvoile gebruik maken.Het zou geen zin hebben te trachten hier een program op testellen voor deze herstelwerkzaamheden, die van plaats tot 3rtikeienArtikelen Een dorpsbeeld uit den tijd van opbouwvan de nu zwaar getroffen WieringermeerSlootdorp, gezien van net Noordenplaats verschillend zijn van aard, omvang en beteekenis. Maarhet lijkt nuttig hier na te gaan, welke de leidende gedachtenbehooren te zijn, van welke bij den wederopbouw dient teworden uitgegaan.Vooropgesteld moge worden dat voor elke gemeente het uit-gangspunt voor den wederopbouw dient te zijn een welover-wogen plan van aanleg, waarin zoowel wordt betrokken hetverwoeste gebied, het overige al dan niet beschadigde en/ofverouderde gedeelte der bebouwde kom en het uitbreidings-gebied. Deze drie vormen tezamen een onverbrekelijk geheel.Reeds voor den oorlog is erop gewezen dat ten onrechte thansin de Woningwet een tegenstelling wordt gemaakt tusschenhet uitbreidingsplan (art. 39) en het plan voor de bebouwdekom (art. 43): de procedure voor de totstandkoming is ver-schillend en er is eveneens verschil in de rechtsgevolgen. Inde praktijk is het niet mogelijk gebleken deze scheidingslijnte handhaven en scherp tusschen deze beide te onderscheiden.Ofschoon de jurisprudentie te dezer zake geen zekerheidbiedt, lijkt toch de neiging het uitbreidingsplan ook voor ter-reinen in de bebouwde kom te aanvaarden, de overhand teverkrijgen. ^)De Staatscommissie-Frederiks, welker rapport in Mei 1940verscheen, heeft dan ook terecht in haar ontwerp dit onder-scheid laten vallen en komt tot een ,,ontwikkehngsplan", datzoowel het bebouwde als het onbebouwde gebied, zoowel be-staande stad als het zuiver landelijk gebied daaromheen eneventueel bestaande wilde bebouwing kan omvatten.Reeds voor 1940 was deze kwestie van belang, aangezienhet niet zonder bedenking was het plan van uitbreiding kunst-matig te scheiden van dat voor de vervorming van de be-staande en veelal gedeeltelijk afgeleefde stadswijken, waar-mede het onmiddellijk verband houdt. Was het toen dus reedsnoodig de stedebouwkundige ontwikkeling te zien als eengeheel, in veel sterkere mate is dit thans het geval, nu hetoorlogsgeweld de noodzakelijkheid heeft geschapen om opper-vlakten, die vroeger bebouwd waren, te beschouwen als maag-delijk terrein. In de eene gemeente is volledig tabula rasagemaakt, in de andere zijn groote brokken weggevaagd, ineen derde zijn slechts enkele huizenblokken verdwenen. Maarhelaas bestaat in zeer vele steden en dorpen de noodzakelijk-heid om opnieuw te bouwen op terrein, dat vroeger bebouwdis geweest en misschien gedeeltelijk nog is. De grenzen tus-1) Over deze aangelegenheid handelt uitvoeriger een dezer dagen ver-schijnend boekje ,,De regeling der bebouwing in de bebouwde kom(Toepassing van iart. 43 der Woningwet)" door schrijver dezes.schen uitbreidingsplan en bebouwde kom zijn dus volkomenweggevaagd.Daarbij komt nog dat de in vele gemeenten steeds sterkersprekende noodzakelijkheid tijdig een plan vast te stellenvoor de geleidelijke vervorming en verbetering ook van diestadsdeelen, welke niet door den oorlog hebben geleden, masrdie afgeleefd zijn of teekenen van verval gaan vertoonen.Geschiedt dit niet, dan bestaat het gevaar, dat te nauwestraten, ongunstige bouwblokvormen of onpractische verka-velingen een blijvenden hinderpaal vormen voor een gezondeontwikkeling der woningtoestanden, verbetering der ver-keersgelegenheid, enz,Het moet dus uitgesloten zijn dat de wederopbouw geschiedtvoordat een behoorlijk overwogen plan (in drie dimensies)is vastgesteld. Men late zich door de overweging, dat erspoed betracht moet worden, niet verleiden tot een over-haasten wederopbouw zonder zich behoorlijk rekenschap tehebben gegeven van de in elk bizonder geval bestaandemogelijkheden om te 'komen tot verbetering van den vroe-,geren toestand. Zeker, er is spoed noodig, de nood is groot.Maar dit mag niet tot gevolg hebben dat ongewenschte toe-standen worden hersteld en vroeger gemaakte fouten vooreenige generaties worden gecontinueerd.Voor elke gemeente, waar een eenigszins belangrijke ver-nieling heeft plaats gehad, zal dus door een bevoegd des-kundige een ontwikkelingsplan opgemaakt dienen te worden.Er zijn thans groote toekomst-mogelijkheden. Van die ge-legenheid kan alleen dan in voldoende mate worden ge-profiteerd, indien aan alleszins competente krachten het ont-werp en de leiding der uitvoering wordt opgedragen.Welke die mogelijkheden zijn moge hier met een enkel woordworden aangeduid.Daar is in de eerste plaats de scheiding tusschen woon- enwerkgebied. De wenschelijkheid daarvan zal door geen enkelvakman worden ontkend en geen ontwerper zal er aan den-ken terreinen in een woonwijk aan te wijzen voor den bouwvan fabrieken. De moeilijkheid was evenwel nagenoeg overalhet doorvoeren van die scheiding in de bestaande kom, waarvan oudsher woningen, fabrieken, kantoren en pakhuizenkris en kras door elkaar stonden. Het verwijderen van onge-wenschte elementen uit een in hoofdzaak voor bewoning ge-bezigde stadswijk stuitte veelal af op onoplosbare bezwaren.Thans bestaat in sommige gemeenten de mogelijkheid te ver-hinderen, dat verwoeste bedrijven worden herbouwd opdaarvoor ongeschikte plaatsen en aldus op logische wijzezakenwijk (city), fabriekswijk en woonwijk van elkaar teBEHANG-PLASTIKAONZE PRACHTIGE VLOEIBARE BEHANG-VERF IN WIT EN LICHTCREMEVRAAGT ONS PRIJS EN MONSTERSRELIEFVERF302PLASTIKAIN POEDERVORMMET WATER AAN TE MENGENLEVERBAAR ZONDER TOEWIJZINGDUURZAAM! WATERVAST!VRAAGT INLICHTINGEN EN PROSPECTUSVAN DEN DOEL & FRAY * DEN HAAGALPHEN a. d. RUNTEL. 28338Stelt U reeds nu op de hoogtevan de materialen die wij voorde moderne woningbouwver-vaardigen:BIMSBETONVLOEREN EN-DAKENGEWAPEND BETONT-BALKVLOERENVLOEREN VAN HOLLEBAKSTEENEN?OSTALON? KUNSTSTEENTERRA-COTTA BOUW-PLATENVLAMOVENDAKPANNENOp aanvrage verstrekken wij gaarne inlichtingenDE NEDERLANDSCHE FABRIEK VOORdeur- en meubelslotenkruk- en pompespagnolettenraamknippen en raamscharenvoordeurknoppen en -schuivenN.V.NEMEF-APELDOORNPOSTBUS13316C. DE RADEROTTERDAMTELEFOON 72261AANNEMERWEGENBOUWR,,VOOR WEDEROPBOUW"Vlist-UilOodzand-v.d. Wlist-UtruijkAannemers van alle voorkomendeBOUW-, BETON-ENGRONDWERKENTelefoon 30739-33589Boschpoiderplein 27 A ROTTERDAMSpeciaal adres voorHoulwolbouwplaten\ Dik: 1'/2-2i/2-3V2-5-7V2 en 10cm.A. C. VAN DEN HOEK & ZONEN, Amsterdam-Z. Van Woustraat 69, Tel. 23241-90604N.V.GLASHANDEL DORENS&CoKEIZERSGRACHT 12-16 - TELEFOON 42735-47404AMSTERDAMALLE SOORTEN VLAKGLASVOOR DEN BOUW-&GLASNIJVERHEIDN.V. AANNEMERSBEDRIJFVOORHEENH.DEBAATSloterdijkermeerweg 68-70 - Tel. 80371AMSTERDAM c.HEI- EN GRONDWERKEN - ZANDLEVERANTIES' VERVOER VANBOUW- EN BESTRATINGSMATERIALEN300Een modem verfproduct dat nimmermeer verdrongen zal worden, ver-vaardigd op Phtalaat- en Lood-titanaat-basis; vormendde sterkste lakverf ooit verschenen^^ VBI B^El Wettig gedeponeerdN?V? Haarlcmsche StoomverffabriekTelefoon 11884 HAARLEMBeschermt Uw gebouwen,door goed onderhoud!Neemt daarvoor onze WIJCOTEX-PRODUCTEN,geschikt voor het water- en sneeuwdicht maken vanoude en nieuwe daken en wanden, het repareeren vangebroken ruiten, het bewaren van ijzer, beton, metalenenz. tegen aantasting en 1000 andere doeleinden.Vraagt gegevens aan: , ,VAN WIJNGAARDEN 6 CO N.V.ROTTERDAM-W-Pelgrimsstraat 60? Ook te AMSTERDAM en DEN HAAGGLAS IN METAALkunnen wij ook nu nog voorU maken Vraag even nadereinlichtingen bij deN.V. DORDTSCHEGLASHANDELKUIPERSHAVEN 28-29-30DORDRECHT -- TEL. 5025\ / \278N.V. SCHOKINDUSTRIEPOSTBUS26ZWIJNDRECHT#CHOKBETONDUPLEX-PALENscheiden en elk hun specifieke rol te doen spelen in het stads-plan.Een verwant onderwerp is de vorming van een zakenkernin de woonwijk. Het vereenigen van de winkels tot eensecundair centrum in plaats van ze willekeurig op straat-hoeken door de wijk te verspreiden heeft onmiskenbare voor-deelen, vooral in de min of meer geisoleerd geJegen buiten-wijken. Voordeelen en voor de huisvrouw, die zich zr.odocndebij het doen van boodschappen kan concentreeren op eenpunt, en voor den winkelier, wiens debiet zal * toenemen,indien een aantrekkelijk winkelcentrum het publiek tot zichtrekt zoodat men daar zijn inkoopen doet in plaats van ,,naarde stad te gaan". In vele'gevallen zal er aanleiding zijn aanof nabij dit winkelcentrum ook onder te brengen de talrijkeverzorgende bedrijfjes (smid, loodgieter, electricien, rijwiel-hersteller, enz.) en wel op zoodanige wijze, dat zij in hetstadsbeeld niet detoneeren en zoo weinig mogelijk schadetoebrengen aan de woonbelangen.Over de wenschelijkheid van vorming van dergelij'ke centrabestaat, naar ik meen, weinig verschil van meening. Tochis' deze program-eisch van den stedebouw bij onze nieuwestadsdeelen uit de laatste decennia in het algemeen op on-voldoende wijze verwezenlijkt. ^) En dat is volkomen be-grijpelijk, indien men zich rekenschap geeft van de wijze,waarop zoo'n buitenwijk tot stand komt; geleidelijk wordennieuwe woningen aangebouwd en betrokken. In den aanvangis er voor de meeste zaken geen bestaansmogelijkheid, om-dat het aantal klanten nog te gering is. Jaren lang moetende voor winkels bestemde terreinen gereserveerd blijven lig-gen te midden van de groeiende bebouwing, wil men wer-kelijk ten slotte het winkelcentrum op de beoogde plaats totstand zien komen. Dit geeft somtijds aanleiding de hand telichten met de desbetreffende bepalingen. Vooral is dit hetgeval geweest in den tijd dat de bestemmingen op het uit-breidingsplan, resp. in de bebouwingsverordening nog nietden stringenten vorm hadden, welken zij na 1931 hebben ver-kregen.In dit opzicht zijn de omstandigheden ten aanzien van dethans te herbouwen wijken aanmerkelijk gunstiger. Aange-nomen mag worden, dat de herbouw in het groot zal ge-schieden, in dier voege, dat in een bepaalde wijk alle woning-blokken in vlot tempo na elkander zullen verrijzen. Uiter-aaid is dit een meer efficiente methode dan het willekeurigdan hier dan daar bouwen van geisoleerde huizen of huizen-groepen. Onder deze omstandigheden zal het geen bezwaarontmoeten de winkelhuizen te bouwen tegelijk met de huizen,welker bewoners de clientele dier winkels zulleri vormen.Ook ten aanzien van de groen-voorziening bestaan nieuwemogelijkheden, vooral in die gevallen, dat ernstige be-schadiging van de binnenstad heeft plaats gehad zoodat hetmogelijk wordt tot nabij het centrum althans bescheidengroenstrookeh door te voeren. Witteveen's plan voor denherbouw van Rotterdam heeft op buitengewoon gelukkigewijze gedemonstreerd, hoe het riiogelijk is in zoo'n gevalradiale groenstrooken in verbinding te brengen met bestaan-de en nieuw te scheppen parken.Onderlinge afscheiding van woonwijken door plantsoen-strooken is wenschelijk en zal in vele gevallen mogelij'kblijken. Evenzoo de afscherming van de industriewijk dooreen groene, beplante strook van voldoende breedte om eenvolkomen isolatie van het werkgebied mogelijk te maken;tot dusverre ontbrak deze veelal geheel of was zoo smal,dat de beteekenis als isolatie-strook twijfelachtig was.In de stadswijken, welke reeds eenige decennia oud zijn,doet zich ook in ander opzicht behoefte aan meer groengevoelen, n.l. door een tekort aan speelterreinen; in vele1) Toevalligerwijze heb ik dit tijdens mijn evacuatie-periode aan denlijve ondervonden: zoowel in Arnhem als in Deventer zijn goed ver-zorgde en in velerlei opzicht te waardeeren nieuwe wijken tot standgekomen; een doelmatige concentratie van winkels ontbreekt echter inverscheidene gevallen, ook in deze steden.gevallen is zelfs een absoluut gebrek aan'deze nuttige ont- Artikekaspanningsterreinen te constateeren. Bij den wederopbouw zalmen rekening moeten houden met den eisch, dat onze jeugdniet alleen wordt volgestarript met een zekere hoeveelheidparate kennis, maar dat haar ook gelegenheid wordt gebodentot lichamelijke ontwikkeling en'ontspanning,De beplanting van straten en pleinen zal opnieuw onder deoogen moeten worden gezien. Want ook daar, waar geenschade door direct oorlogsgeweld aan de beplanting is toe-gebracht, is in heel veel gevallen het hout in de kachels deromwonenden verdwenen. Ook hier make men van den noodeen deugd. De beplanting in onze steden en dorpen was nietaltijd gelukkig. De gevallen zijn niet zeldzaam, dat het lichtin onvoldoende mate tot onze woningen kan toetreden ten-gevolge van te zwaar hout: hooge boomen met zware breeduitgegroeide kruinen. Wel is in de laatste jaren voor denoorlog in dit opzicht al belangrijke verbetering ingetredendoordat de iepziekte aanleiding heeft gegeven vele iepen tevervangen door boomen van bescheidener allure. Maar bijder^ nieuwen aanplant in onze kaal geworden straten zal indeze richting verder kunnen worden gegaan door een keuzete doen uit die boomsoorten, die niet alleen het aspect van destraat verlevendigen, maar ook uit een oogpunt van volks-huisvesting volkomen toelaatbaar zijn.Tot het groote publiek spreekt onvolmaaktheid van den aan-leg onzer steden het meest, zoodra er verkeers-factoren inhet spel zijn. Terwijl in de buitenwijken ruime hoofdverkeers-aderen de nieuwe intercommunale wegen plegen op te van-gen, laat in het hart van de stad de beschikbare breedte endikwijls ook het trace, veel te wenschen over: juist daar, waarhet verkeer het meest intensief is, is de toestand dus hetminst bevredigend. Uit den historischen groei der stad is 'het in den regel volkomen verklaarbaar, dat de wegbreedteomgekeerd evenredig pleegt te zijn aan de verkeers-inten-siteit, maar dit is niettemin een dei< zaken, die den stads-ontwikkelaar veel zorg baren. Indien thans het stadsplan ofeen gedeelte daarvan noodgedwongen aan een revisie wordtonderworpen, zal dan ook aan dit onderdeel de noodigeaandacht gewijd dienen te worden en de gelegenheid schijntgunstig op het gebied van verkeersverbetering bevredigenderesultaten te bereiken. ? ^ ,Maar, zal men mij wellicht toevoegen, de opsomming, die gijhier geeft, is feitelijk niet veel anders dan in uiterst beknop-ten vorm een samenvatting van enkele der voornaamsteeischen van den modernen stedebouw, zooals die ook inter-nationaal -- vrijwel algemeen -- aanvaard zijn. Accoord;de onderwerpen, welke ter sprake kwamen, zijn niet nieuw.Maar waarop het hier aankomt is, dat thans in tal van plaat-sen de gelegenheid bestaat de bedoelde eischen door tevoeren in stadswijken en dorpsbuurten, die in vele opzichtenniet up-to-date waren,Natuurlijk zijn er ook in dezen remmende factoren. Voor-eerst als gevolg van traditie; de inwoners van een verwoestewijk hebben dikwijls den wensch deze ongewijzigd herbouwdte zien ten einde straks weer een gelijk pandaan dezelfdestraat te kunnen gaan bewonen. Een misschien begrijpelijk,maar in de meeste gevallen niet aanvaardbaar verlangen.Maar ook financieele overwegingen kunnen roet in het etengooien. Ook in die deelen van de bebouwde kom, waar allegebouwen totaal verwoest of zwaar beschadigd zijn, zullendikwijls de straten met rioleering en alle leidingen nog minof meer in tact zijn. Een nieuw plan van aanleg imphceerthet doen vervallen van die straten met alles wat erop enerin is; het zal dus minder kosten vergen het bestaandestratennet te behouden en alles op de oude plek te herbou-wen. Het is natuurlijk niet a priori en in het algemeen tezeggen hoe ver men moet gaan met het vervangen van hetbestaande door een geheel nieuw plan. Maar het zouden welzeer klemmende argumenten moeten zijn, die ertoe leiden hetoude in stand te houden, indien dit niet ten voile voldoet aande eischen van volksgezondheid en stedebouw. En bijna altijdloont het de moeite een nieuw plan te doen ontwerpen en 5jtikelen Een stadsbeeld uitden tijd voor delaatste vernielingenRhenen met denthans zwaar bescha-digden Cuneratorendit in alle opzichten en niet alleen uit financieel oogpunt tevergelijken met het bestaande.Wat de bebouwing betreft mag als vanzelfsprekend voor-opgesteld worden, dat het uiterlijk aanzien der nieuw tebouwen panden aan Tiooge eischen van welstand moet vol-doen. Buitensporigheden als die waartoe men zich na denvorigen oorlog -^ zij het ook bij wijze van uitzondering --heeft laten verleiden, zullen vermeden moeten worden; voorromantische excessen is thans geen plaats. Het aantal be-kwame architecten waarover ons land beschikt is een waar-bofg, dat met inachtneming van eischen van soberheid eneenvoud een goed geheel tot stand gebracht kan worden.Vooral indien een klaar en overzichtelijk plan tot die sober-heid noodt.De leiding van de aesthetische verzorging van den opbouwzal men bij voorkeur toevertrouwen aan den ontwerper vanhet ontwikkelingsplan, wien bij het ontwerpen het beeld vanhet herbouwde stadsdeel voor oogen heeft gestaan. Hij is deaangewezen man om erop toe te zien, dat zijn visie wordtverwezenlijkt bij de uitvoering der bouwwerken. Bij grooteprojecten is het natuurlijk niet mogelijk, dat die ontwerperzelf alle details verzorgt. Maar hetzij dat hem een of meerassistenten als supervisor w^orden toegevoegd, hetzij hij opeenigerlei andere wijze bij de uitvoering wordt betrokken,in elk geval is het wenschelijk dat degene, die bekwaamwerd geacht het plan te ontwerpen, ook ,,the finger in thepie" heeft bij de uitvoering ervan. Een eenhoofdige leidingis in dit geval te verkiezen boven een commissie, welke be-slist bij meerderheid van stemmen (een vooral bij onvoltallig-heid dikwijls wisselende meerderheid); de aangewezen leideris de stedebouwkundige, die in staat is het geheel te overzien.De stedebouwkundige, aan wien een belangrijk wederop-bouwplan, mede in verband met uitbreiding en saneering,wordt opgedragen, zal in vele gevallen voor een moeilijke engecompliceerde taak staan. Het is van het grootste belang, datdie projecten aan eerste-rangs-krachten worden opgedragen.Hel; gaat hier over ontwerpen van een belangrijkheid alsslechts zelden voorkomt. Alleen indien de juiste man op dejuiste plaats wordt gebracht, is een harmonische ontwikkelingin de toekomst van de getroffen gemeente en de totstand-koming van een bevredigend stadsbeeld voor de komendeeeuwen gewaarborgd.De geschiedenis leert ons ^ en dat is zeker niet verwonder-lijk -- dat degenen, die zich geplaatst zagen voor een zeerbelangrijke taak op stedebouwkundig gebied, zich veelmoeite hebben gegeven den juisten man te vinden, voor deoplossing dier problemen. Koning Christiaan IV van Dene-marken, die niet alleen groote aandacht wijdde aan de uit-breiding van de hoofdstad van zijn land, maar ook velenieuwe steden stichtte in Denemarken, Noorwegen en Zuid-Zweden, liet tal van deskundigen (vestingbouwers, de toen-malige stedebouwkundigen, zoowel als architecten) komenuit Noord- en Zuid-Nederland. Zijn tijdgenoot GustaafAdolf van Zweden, die eveneens het aanzijn schonk aan eengroot aantal steden, vertrouwde ook de leiding van diewerkzaamheden toe aan een Nederlander. Toen na denAmerikaanschen vrijheidsoorlog de pas geschapen staten-bond van Noord-Amerika zich een nieuwe hoofdstad wildescheppen werd het ontwerp van de nieuwe hoofdstad opge-dragen aan een Fransch genie-officier. Het Australisch ge-meenebest zag zich een twintig jaar geleden voor een soort-gelijke opgave gesteld (ook daar gunden de bestaande stedenelkaar niet de eer tot hoofdstad te worden uitverkoren); hetontwerp werd opgedragen aan een Noord-Amerikaan, En hetherboren Turkije liet kort daarna het project van de nieuwehoofdstad Ankara vervaardigen door een der meest op den.voorgrond tredende Duitsche deskundigen.Ik wil hiermede allerminst bepleiten, dat de ontwerpen voorden herbouw onzer steden en dorpen zouden moeten vervaar-digd worden door buitenlandsche deskundigen. Integendeel,het geldt hier een bij uitstek nationale taak. Nederland moetherrijzen onder de leiding van Nederlandsche stedebouwers.Maar die leiding moet dan ook worden opgedragen aan debeste deskundigen, die daarvoor in ons land beschikbaarzijn. Toen Londen herbouwd moest worden na den grootenbrand in 1665 werd een ontwerp van den beroemden architectChristopher Wren zonder meer ter zijde gelegd; het nage-slacht heeft dit slechts kunnen betreuren.Aangezien het aantal beschikbare deskundigen niet onge-limiteerd is, zal het noodig zijn, dat in dezen systematisch tewerk wordt gegaan. Samenwerking tusschen het College vanAlgemeene Commissarissen voor den Wederopbouw, de In-spectie der Volkshuisvesting, de Provinciale PlanologischeDiensten en de betrokken gemeentelijke diensten zal daartoein de eerste plaats noodzakelijk zijn. Hierdoor kan wordenbereikt, dat de beste krachten beschikbaar blijven voor demoeilijkste problemen. En ten tweede kan door deze coor-dinatie worden voorkomen dat vertraging ontstaat door eenteveel aan toezichthoudende en dirigeerende organen, waar-door het voor de eigenlijke ontwerpers en uitvoerders on-doenlijk wordt den weg te vinden in den dwaaltuin der amb-telijke hierarchie.Voorafgaand overleg met de provinciale planologische dien-sten (resp. met den dienst van het Nationale Plan) zal ooknoodig zijn bij het ontwerp der piannen in al die gevallen datbovengemeentelijke belangen zijn betrokken bij de bestemmingder door verwoesting vrijgekomen terreinen. Vooral zal ditgeval zich voordoen bij de aanwijzing van terreinen voorindustrieele doeleinden: bij de beslissing van de vraag welkede meest in aanmerking komende plaatsen zijn voor be-paalde industrieen kunnen zoodanige economische, sociale enstrategische belangen betrokken zijn, dat de beoordeelingdaarvan niet ligt binnen den gezichtskring van den ontwer-per van het gemeentelijk plan.Ten slotte nog enkele opmerkingen betreffende de volks-huisvesting in engeren zin. Ik beperk mij daarbij tot enkelehoofdzaken.Vooropgesteld kan daarbij worden, dat men zeer voorzichtigzal moeten zijn bij het hanteeren van statistische gegevens be-treffende woningvoorraad en woningbehoefte, die voor denoorlog verzameld zijn. Daargelaten nog, dat deze ook ondernormale omstandigheden sterk verouderd zouden zijn alleenreeds door de sedert verloopen tijdsruimte, is onze bevolkingtengevolge van evacuatie en deportatie grondig door elkaargeklutst. Tengevolge van moord, hongersnood en gevechts-handelingen is de sterfte abnormaal groot geweest, terwijlook huwelijks-frequentie en geboorte door de oorlogsomstan-digheden beinvloed zijn. Aan de cijfers uit de ,,rustige"jaren voor 1940 valt dus weinig of geen waarde meer tehechten.Heel erg is dat niet. Vooreerst zal er, mede tengevolge vanmaterialengebrek geruime tijd gemoeid zijn met het herstelder driehonderdduizend beschadigde woningen. En wanneerdie herstellingen gereed zijn, zijn er zoovele gemeenten waarin elk geval gebouwd moet worden en zoovele soorten wo-ningen waaraan in elk geval behoefte bestaat, dat men meteen gerust geweten op ruime schaal met den nieuwbouw kanaanvangen zonder dat vrees behoeft te bestaan, dat men wo-ningen bouwt die niet dringend noodig zijn. In plaats vanstatistieken te hanteeren zal men voorloopig zonder meer zijngezond verstand moeten gebruiken. En inmiddels kan voor-bereid worden een woning- en gezinstelling op een daarvoorgeschikt oogenblik.Alle teekenen wijzen er op, dat er '-- evenals 25 jaar ge-leden, maar alleen nog in sterkere mate -- een neiging zalbestaan om in de dringende woonbehoefte in de eerste plaatste voorzien door den bouw van noodwoningen. In het Zuidenwerd de drang daartoe reeds dadelijk na de bevrijdingme?kbaar en na den 6en Mei roept ook de rest van het land,om noodwoningen. In verscheidene gemeenten zijn zij reedsin aanbouw of in voorbereiding. Een totaal aantal van 5000is genoemd,Vooropgesteld zij, dat er gevallen zijn, waarin noodwonin-gen helaas onvermijdelijk zijn. Indien een plaats zoo grondigis verwoest, dat er nog slechts een gering aantal woningenover is, is er geen andere weg om te voorzien in de nijpendebehoefte aan huisvesting. Hetzelfde geval doet zich voor in-dien zich de noodzakelijkheid voordoet plotseling personeelonder te brengen van een vitaal bedrijf in een gemeente metacuut woninggebrek. En ten slotte kan gebrek aan normalematerialen voor den huizenbouw noodzaken tot het toepas- Anikeiensen van nood-constructies (houtwolplaten, leemsteenen,vlechtwerk van teenen met leem bestreken, e.d.).Maar overigens kan niet sterk genoeg worden gewaarschuwdtegen de neiging om in de blijvende woon-behoefte te voor-zien door noodoplossingen. Ik heb in 1940 gemeend tegen 'den aandrang om noodwoningen te bouwen te moeten waar-schuwen (zie Jaargang 1940, biz. 113) en ben sedertdiennog versterkt in de meening dat dit niet de juiste weg is.Weliswaar is de wensch naar noodwoningen begrijpelijk: menbouwt die noodverblijven in korter tijd, met minder materialenen tegen lagere kosten dan behoorlijke definitieve woningen.Maar de zuinigheid bedriegt de wijsheid, ook in dit geval.Terwijl een goedgebouwde woning ten minste 50 a 60 jaar,maar vermoedelijk veel langef in stand gehouden zal kun-nen worden, is de noodwoning na enkele jaren reeds in ver-val en moet dan afgebroken worden. Buitendien biedt denoodwoning en doordat die; minder woonruimte bevat, enomdat de constructie te wenschen overlaat, geen mensch-waardig verblijf. De ondervinding gedurende en na denvorigen wereldoorlog met noodwoningen opgedaan, is danook zeer bepaald ongunstig, vooral uit sociaal oogpunt. Be-hoorlijke gezinnen verlaten het noodverblijf, zoodra zij daar-toe maar kans zien. En na korten tijd is het noodwoningen-complex de verzamelplaats van ongewenschte elementen entevens een broedplaats van ongedierte.Naarmate de noodwoning technisch beter verzorgd is, zaluiteraard de levensduur langer zijn en zullen de bezwarenuit een oogpunt van volksgezondheid minder klemmend zijn.Maar ook het verschil in kosten en het verschil in hoeveel-heid materialen wordt in dezelfde evenredigheid geringeren hoe geringer dat verschil is, hoe minder aanleiding erbestaat woningen van tijdelijken aard te bouwen.Van principieel belang is ook de vraag, of men den voor-rang moet geven aan den bouw van woningen voor grootedan wel aan die voor kleine gezinnen.Voor het eerste pleit de overweging, dat het juist de grootegezinnen zijn, voor wie het samenwonen in kleine overvuldewoningen verreweg de grootste bezwaren oplevert. Ook hetfeit, dat zich onder de oude woningen een relatief groot aan-tal bevindt, dat alleen voor kleine gezinnen voldoende ruimtebiedt, wijst in de zelfde richting. Voor het verleenen vanvoorrang aan de kleine woningen (die ongetwijfeld ook noo-dig zijn) is aangevoerd dat men met een bepaalde hoeveel-heid materialen meer kleine dan groote woningen kan bou-wen. Inderdaad zal de materialen-aanvoer gedurende deeerste jaren het tempo van den woningbouw bepalen. Tochschijnt het mij dat evenbedoeld argument, meer theoretischedan praktische waarde heeft; het verschil wordt in hoofdzaakveroorzaakt door het aantal en de grootte der slaapkamersen is niet van doorslaand belang. Maar buitendien, indienmen niet het aantal gezinnen, maar het aantal gehuisvestepersonen als maatstaf neemt, slaat de balans door naar deandere zijde: per mS ombouwde ruimte is het aantal gehuis-veste personen ongetwijfeld grooter in de woningen voorgroote gezinnen. Maar hoofdzaak is, dat gezinnen met kin-deren, zooals hierboven reeds werd aangestipt, het meestlijden onder door woninggebrek veroorzaakte misstanden.Het zou daarom niet juist zijn voorloopig alleen woningen tebouwen, welke alleen geschikt zijn voor ouden van dagenof jonggehuwden.Een derde belarigrijk punt bij den woningbouw betreft denormalisatie. Men dient hierbij scherp te onderscheiden tus-schen drieerlei :a. normalisatie van woningonderdeelen;b. normalisatie van woningtypen;c. normalisatie der bouwverordeningen.De normalisatie van de elementen, waaruit de woning wordtopgebouwd, kan slechts voordeel brengen en uit een oog-punt van bespoediging van den bouw en uit een oogpunt vankostenbesparing. Buitendien zal waarschijnlijk uit een der-gelijke normalisatie per saldo een verbetering der kwaliteit 7Artikelen8voortvloeien. Alles pleit dus voor een zoover mogelijk door-gevoerde normalisatie en bezwaren zijn daartegen m.i. niet,indien deze geschiedt op de hier te lande gebruikelijke wijzedoor samenwerking van producenten en consumenten metruime gelegenheid voor een ieder cm bezwaren in te brengentegen geformuleerde voornemens te dezer zake.Er zijn in den woningbouw tal van artikelen, welke voornormalisatie in aanmerking komen, vooral wanneer het be-treft den massabouw als die welken wij in de naaste toekomst]jebben te wachten. Want wij kunnen ons bezwaarlijk ont-veinzen dat de bouw van arbeiderswoningen beteekent deproductie van een massa-artikel: de tijd, dat elke woning inelk onderdeel daarvan een eigen karakter kon hebben, isreeds een eeuw voorbij. Als voorbeelden van artikelen, diezonder eenig bezwaar genormaliseerd kunnen worden, mogengenoemd worden: binnendeuren, hang- en sluitwerk, closet-potten en -brillen, spoelinrichtingen, gootsteenen, dakpannen,terwijl m.i. ook daarvoor in aanmerking komen buitendeuren,stalen ramen, keukenbetimmeringen. Wat de laatste betreftzou de aanvaarding van enkele serien maten voor keukensvan arbeiderswoningen gepaard met een practische uitwer-king van de ,,ideale keuken" kunnen leiden tot het verkrijgenvan een keukeninrichting van grooter volkomenheid, zonderdat zulks tot een onaanvaardbare kostenverhooging leidt.Het zal de moeite loonen te trachten ten aanzien van ditonderwerp zoo spoedig mogelijk tot tastbare resultaten tekomen. Het groot aantal woningen, dat thans moet wordengebouwd, rechtvaardigt een poging om in dezen zoo vermogelijk te gaan.ad b. Normalisatie van woningtypen is m.i. niet aanvaard-baar, indien daaronder wordt verstaan het vaststellen dooreen centrale instantie van enkele plattegronden, welke alsbindend voor het geheele land worden gedecreteerd. Hetbouwen van honderdduizenden gelijke en gelijkvormigewoningen ware een specimen van Hitleriaansch gigantisme,dat hopelijk tegelijk met het Derde Rijk is ondergegaan. Eris geen enkele reden, waarom men in Twente een woning-type zou moeten aanvaarden, dat daar niet gewild is, terwijlhet in Zuid-Limburg algemeen gewaardeerd wordt, of om-gekeerd. Want dit leidt noch tot tijdbesparing, noch tot kos-tenvermindering, slechts tot ontevredenheid. Er bestaan indezen geen absolute normen.Maar wat zeer goed mogelijk is en wat wellicht kan leidentot bezuiniging en zeker tot bespoediging is, dat voor elkestad, respectievelijk voor elke streek het aantal te bouwenwoningtypen wordt gereduceerd tot een klein aantal, elkvoor zich goed bestudeerde woningtypen, welke zijn aange-past aan de behoeften der bevolking. Daardoor wordt voor-komen, dat elk plan wordt samengesteld uit een eindeloosaantal ,,nieuwe" woningtypen en dat elk architect die zich-zelf respecteert, zich verplicht acht een aantal origineeleplattegronden te ontwerpen, welke per se verschillen ver-toonen met vroeger gebouwde woningen en met ontwerpenvan derden.ad c. ..Normalisatie" van de voorschriften der bouwverorde-ningen is, naar men zich zal herinneren, door de Hoofdcom-missie voor de Normalisatie in Nederland ter hand genomen.Ik heb mijn bezwaren tegen deze poging, waarvan de be-doeling en de juiste strekking nog altijd niet geheel duidelijkzijn geworden, uiteengezet in het Februari-nummer 1944 biz.21 van het Tijdschrift (,,Het woningpeil en de normalisatie").Ik heb deze bezwaren nog nader toegelicht in het Juni-num-mer 1944 biz. 79 (,,Nogmaals: normalisatie en woningpeil")en volsta met het verwijzen naar deze artikelen.Het is zeer wel mogelijk, dat op den duur meer overeenstem-ming bereikt zal kunnen worden in de bepalingen der diversebouwverordeningen dan op dit oogenblik daarin wordt aan-getroffen. Dit zal een geleidelijke evolutie moeten zijn. Ditdoel te bereiken langs den ietwat zonderlingen weg van nor-malisatie schijnt geen aanbevelenswaardige methode. Het zoumisschien onschuldig zijn, ware het niet, dat het gevaar be-staat, dat het woningpeil daardoor omlaag gedrukt wordt. Endat dient zeer zeker thans, nu wij aan den vooravond staanvan de uitvoering van een uitgebreid bouw-programma, ver-meden te worden.Er valt uiteraard meer te zcggen over de algemeene richt-lijnen, in acht te nemen bij dien massalen woningbouw derkomende jaren. Over de begrippen ,,arbeiderswoning" en,,middenstandswoning", over het tweede woonvertrek in dearbeiderswoning, over de grootte der slaapvertrekken, overdouches, vaste waschtafels en waterbeschaving, over denoodzakelijkheid van bergruimte, over het vermijden van uit-bouwen, enz., enz. Ik weersta de verleiding daarop in tegaan: er zal ongetwijfeld in de komende nummers van onstijdschrift ook daaraan de noodige aandacht worden gewijd.Moge allerwege in ons land de woningbouw met toewijdingen in snel tempo worden aangevat, opdat niet alleen de oor-logsschade wordt hersteld, maar ook de veeljarige stilstandin den nieuwbouw binnen afzienbaren tijd wordt ingehaalddoor den bbuw van een voldoend aantal woningen, die in-derdaad in elk opzicht een aanwinst beteekenen voor devolkshuisvesting.De geldende wetgeving op het gebied van volks-huisvesting en stedebouwdoor Mr. J. VinkDe verwarring en onzekerheid, die zoo kenmerkendzijn voor dezen eersten tijd na den oorlog, weerspiegelenzich uiteraard ook in de wetgeving. Niettemin begint er ophet gebied, dat ons thans bezig houdt, reeds eenige lijn tekomen. Verwacht mag worden, dat dit in sneller tempo voortzal gaan, nu ,,den Haag" zijn functie als Regeeringscentrumbegint te hernemen en dat wij binnen niet al te langen tijdalthans zullen weten, waar wij ten opzichte van de wettelijkeregelingen aan toe zijn.In dit artikel wil ik trachten een korte schets te geven vanden thans bestaanden toestand. Gebrek aan plaatsruimtenoopt mij, daarbij een sterke beperking in acht te nemen. Ikzal dan ook in hoofdzaak moeten volstaan met een overzichtvan de geldende regelingen en zal dus op den inhoud daarvannauwelijks kunnen ingaan. Dit als verontschuldiging bij voor-baat tegenover den lezer, die den hem geboden kost eenweinig droog en taai mocht vinden.Tijdens de bezettingsjaren hadden wij, althans in feite, alleente maken met onze eigen vooroorlogsche wetgeving en dedaarnaast -- of veelal daartegenin -- onder het regiem vanden bezetter uitgevaardigde maatregelen. Deze laatste warente onderscheiden in verordeningen van den Rijkscommissarisof andere Duitsche machthebbers en in regelingen van dezijde van het Nederlandsche bestuur; aanvankelijk enkele vanden Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht en later metname talrijke besluiten van de Secretarissen-Generaal, dieingevolge de verordening nr. 23/1940 een vrij belangrijkewetgevende macht konden uitoefenen.Naarmate ons land van de Duitsche overheersching werdbevrijd, kregen wij tevens te doen met twee andere groepenvan wettelijke regelingen. In de eerste plaats met de ,,Londen-sche" wetgeving van onze eigen uitgeweken Regeering, ge-publiceerd in de te Londen verschenen jaargangen van hetStaatsblad i) en van de Nederlandsche Staatscourant. Endaarnaast met de wetgeving van den Chef Staf MilitairGezag, openbaar gemaakt in het sedert 19 September 19441) Deze jaargangen worden aangeduid met de letters A t/m F (A =1940 enz.).verschenen Publicatieblad van het Militair Gezag. Deze --principieel als overgangsmaatregel bedoelde -- militaire wet-geving berust op het in Staatsblad D 60 opgenomen B.B.S.B.(wat niet, zooals booze tongen beweren, beteekent ,,BesluitBijzonder Snelle Bevorderingen", maar: ,,Besluit op den Bij-zonderen Staat van Beleg"), waarvan de werkingsduur laat-stelijk bij K.B. van 24 Februari 1945 (Staatsblad F 17) is ver-lengd tot 4 September 1945.Een zeer belangrijke materie, waarmede de hier bedoeldeNederlandsche wetgeving zich had bezig te houden, bestaatuit den aard der zaak in de liquidatie van de bezettingsrege-lingen. Het hoofdmoment vormt hierbij het ,,Besluit bezettings~maatregelen" van 17 September 1944 (Staatsblad E 93) metzijn aanvullingen in de Staatsbladen F 41 en F 119. i) Dit nietgenoeg te waardeeren besluit onderscheidt achtereenvolgensde bezettingsregelingen van lagere organen (dus b.v. de ge-meenteiijke verordeningen ; deze blijven voorloopig vankracht), voorts die van den O.L.Z. (deze worden met enkeleuitzonderingen ingetrokken) en ten slotte die, uitgevaardigdJoor o[ vanwege den vijand. Ten aanzien van deze laatstegroep wordt allereerst bepaald, dat zij ^ behoudens specialeafwijkende regeling -- naar gelang van de bevrijding vanons grondgebied buiten werking treden, voor zoover zij nietzijn geplaatst in het Verordeningenblad, de in Nederland uit-gegeven Staatscourant of het Voedselvoorzieningsblad. Voorzoover dat wel is geschied, zijn er vier mogelijkheden:1. de regeling wordt geacht nimmer van kracht te zijn ge-weest (dit is het geval met de nrs. van het Verordeningen-blad, vermeld in de bij het besluit behoorende lijst A);2. de regeling treedt bij de bevrijding buiten werking (de nrs.van het V.B., vermeld in de lijst B);3. de regehng wordt voorloopig gehandhaafd (id., lijst C);4. de regeling wordt voorloopig geschorst (dit is het gevalmet de niet op een der lijsten A, B of C vermelde nrs. vanhet Verordeningenblad, alsmede met de in de Staatscourantof het Voedselvoorzieningsblad gepubliceerde regelingen). Opdeze schorsing is reeds in verschillende gevallen, hetzij eenbesluit tot opheffing, hetzij een nieuwe regeling gevolgd.Ik wil nu trachten voor de onderwerpen, die binnen het, kader van dit tijdschrift vallen, een overzicht te geven vanhetgeen op grond van een en ander geldend recht is. Voorafnoem ik echter nog in het voorbijgaan enkele belangrijke be-sluiten van algemeenen aard, waarmede wij ook op ons gebied, te maken zouden kunnen hebben. Dit zijn:a. het Besluit beperking rechtsverkeer van 9 September 1944(Staatsblad E 75, gewijzigd bij besluit F 76). Dit houdt o.a.een verbod in, zonder toestemming van een daartoe aange-wezen instantie (thans de Voorzitter van de Kamer vanToezicht op de notarissen) een overeenkomst aan te gaanof een handeling te verrichten met betrekking tot zich inbevrijd gebied bevindende onroerende zaken of rechten; dusb.v. grond te koopen of te verkoopen, in erfpacht uit te gevenof te nemen, enz. Bij verordening nr. 79 van den C.S.M.G.(publicatieblad nr. 22) zijn hiervan o.a. uitgezonderd over-eenkomsten en handelingen, verricht door of met een Neder-landsch publiekrechtelijk lichaam of wel door, met of opbevoegdelijk gegeven last van een Nederlandsche overheids-instantie;b. het Besluit herstel rechtsverkeer van 17 September 1944(Staatsblad E 100), regelend de uiterst moeilijke materievan het ,,rechtsherstel", waarop in dit verband niet verderkan worden ingegaan;c. het Besluit vijandelijk vermogen van 20 October 1944(Staatsblad E 133), op grond waarvan o.m. het vermogenvan leden der N.S.B. en van hen, die wegens verdenkingvan politieke delicten of collaboratie gevangen zijn, onderbeheer is gesteld.Thans het'-overzicht. ., ', ;Landelijke organisaties ^De Kultuurraad en de Kultuurkamer -- onzaliger nagedach-tenis o.m. voor onze architecten --' zijn uiteraard, met de,,Kultur"-dragers, verdwenen (V.B. nrs. 210 en 211/1941buiten werking gesteld).Daarentegen zijn de regelingen betreffende den opbouw vaneen zelfstandige organisatie ter ontwikkeling van het bedrijfs-leven, met als basis het besluit nr. 206/1940, voorloopig ge-handhaafd, met inbegrip ook van de wet in het V.B., deStaatscourant of het Voedselvoorzieningsblad gepubliceerdeuitvoeringsmaatregelen. Voor hierbij gemaakte beperkingenzie men E 93. \Nationale planVoorloopig' gehandhaafd is ^-- gelukkig -- ook het besluitnr. 91/1941 betreffende de instelling van een Rijksdienstvoor het Nationale Plan, met de daarin vervatte en daaruitvoortvloeiende bepalingen betreffende de streekplannen.Wederopbouw en bouwnijverheid; vergoeding defensie~, oor-logsgeweld- en bezettingschadeVan de talrijke maatregelen op dit gebied heeft het besluitE 93 alleen gehandhaafd het basisbesluit van den O.L.Z. van21 Mei 1940 (besluit Wederopbouw I), alsmede de artt.1 en 4 van het besluit van den O.L.Z. van 24 Mei 1940(besluit Wederopbouw II). De overige besluiten zijn voor-loopig geschorst; zoo met name die betreffende het Fondsvoor den Wederopbouw (nr. 21/1940, de onteigening inge-volge het besluit Wederopbouw II (nrs. 168/1940, 234/1940en 86/1941), de credieten en hypotheken voor den Weder-opbouw (nrs. 22 en 23/1941), de bouwnijverheid (nrs. 4/1941en 224/1941), de defensieschade (nrs. 141/1941 en 207/1941), de oorlogsgeweldschade (nrs. 221/1940, 18/1941,145/1941, 18/1942 en 80/1943), de bezettingschaden (nrs.30/1942 en 73/1943).Sindsdien zijn eenige nadere regelingen gevolgd. Op hetgebied van den wederopbouw en de bouwnijverheid betreftdit allereerst de verordening van den C.S.M.G. dd. 12 De-cember 1944, nr. 50 (publicatieblad nr. 12), waarbij de nietgehandhaafde, resp. voorloopig geschorste bepalingen vanhet besluit Wederopbouw II, het besluit nr. 168/1940 totregeling der onteigening ingevolge dat besluit, het besluit nr.4/1941 betreffende de bouwnijverheid en het besluit nr.224/1941 betreffende het strafbaar stellen van het bouwenzonder goedkeuring van den A.G. weder -- eenigszins gewij-zigd -- in het leven werden geroepen. Dit leven was echter vrijkortstondig, sedert bij K.B. van 7 Mei 1945 (StaatsbladF 67), houdende voorzieningen betreffende den wederopbouwvan het grondgebied van het Rijk in Europa, een nieuwesamenvattende regeling van de materie tot stand kwam.Hoewel zulks niet uitdrukkelijk in het besluit is bepaald,moet worden aangenomen, dat daardoor alle vorige rege-lingen op dit gebied (inbegrepen het besluit Wederopbouw I)zijn vervallen, zoodat met raadpleging van F 67 kan wordenvolstaan. i) De inhoud van het besluit verdient t.z.t. afzonder-lijke behandeling. Ten opzichte van de oorlogsschade is even-eens een samenvattende regeling tot stand gekomen in deplaats van de geschorste besluiten, nl. de ,,Overgangsrege-ling Oorlogsschade" (K.B. van 16 Juni 1945 (StaatsbladF 98). Zooals de naam aanduidt, is dit nog slechts een voor-loopige maatregel, uitgevaardigd in afwachting van een defi- nitieve regeling bij de wet. Ook op den inhoud van dit besluitkan thans niet worden ingegaan. Vermelding verdient nog, dathet College van Algemeene Commissarissen voor den Weder- -opbouw in de dagbladen bekendheid heeft gegeven aan deArtikeleo^) Zie ook de Verordening Unificatie van Wetgeving van den C.S.M.G.(Staatscrt. nr. 57).1) De verordening Wederopbouw en Bouwnijverheid is ingetrokken bij Qverordening van 13 Augustus 1945, nr. 137 (Publicatieblad nr. 39). yArtikel'en thans geldende financieele regeling t.a.v. het herstel van oor-logsschade aan gebouwd onroerend gocd.VolkshuisvestingHet beeld wordt hier beheerscht door den woningnood.De beschikking nr. 46/1940 (verbod tot onttrekking vanwoonruimte aan haar bestemming) is voorloopig gehand-haafd. bjaast deze negatieve regeling zijn er verder alspositieve maatregelen gekomen het Vorderingsbesluit woon-ruimte (Staatsblad E 103) en het Noodvolkshuisvestingsbe-sluit (Staatsblad F47). Het eerste besluit geeft in afwachtingvan nadere bepalingen aan de burgemeesters bevoegdheid totwoonruimtevordering, gebouwenvordering (met het doel omwoonruimte te scheppen) en inkwartieringsvordering, een enander ,,ten behoeve van de burgerbevolking, welke woonruim-te behoeft" (de considerans bevat een overweging, die aan eenmeer beperkte opvatting zou doen denken, maar gehoopt magworden op een ruime interpretatie). Het tweede' besluitheeft betrekking op den bouw van noodwoningen, voorzietin een voorschot- en bijdragenregeling daarvoor, vereenvou-digt de toelating, bedoeld in art. 52 i der Woningwet en maaktbij de vergunning tot het als woning in gebruik nemen vanruimten, die tevoren niet als zoodanig waren gebezigd, af-wijking van de desbetreffende voorschriften van de Bouw-verordening mogelijk, mits daarbij wordt gehandeld in over-eenstemming met den Inspecteur.De regeling bedoelt blijkbaar ook bouw van noodwoningendoor particulieren -- eventueel met afwijking van de Bouw-verordening of van een uitbreidingsplan e.d. -- mogelijk temaken. Dit doet vragen rijzen, die afzonderlijke behandelingvereischen. Het instituut van de noodwoning zal onder dehuidige omstandigheden wel moeten worden aanvaard, maarzal het strikt tijdelijke karakter, dat een dergelijke voorzie-ning draagt, wel gehandhaafd kunnen worden als er eenmaalalom in den lande particuliere noodwoningen zouden zijnverrezen?Vestiging en verhufzingEveneens een materie, die met den woningnood verbandhoudt. Het Vestigingsbesluit (nr. 85/1942), op grond waar-van voor bepaalde gebieden de vestiging en verhuizing aanvergunning zijn onderworpen, is voorloopig gehandhaafd enbij verordening nr. 81 van den C.S.M.B. aangevuld. i) Blij-kens een onlangs verschenen circulaire van het CentraalBureau Verzorging Oorlogsslachtoffers ligt het in de bedoe-ling, het vestigings- en verhuisverbod tot het geheele land uitte strekken. De verleening van de vergunningen is thans op-gedragen aan de P.B.V.O.'s, die deze bevoegdheid, wat deverhuizingen binnen de gemeente betreft, hebben gedelegeerdaan de burgemeesters.jPrijsbeheerschingAllereerst, om nog in de sfeer van den woningnood te blijven,het Huurprijsbesluit 1940 (nr. 237/1940). Dit besluit, als-mede het Huurprijsuitvoeringsbesluit (Staatscourant 1941,nr. 236), heeft rechtskracht behouden ingevolge de verorde-ningen nrs. 29 en 87 van den C.S.M.G. (publicatiebladennrs. 5 en 26).Voorloopig gehandhaafd ingevolge het besluit E 93 is hetbesluit nr. 49/1942 betreffende de prijzen bij het vervreemdenvan onroerende zaken (Vervreemdingsbesluit niet-landbouw-gronden 1942). In tegenstelling daarmede is het besluit nr.219/1940, gewijzigd bij besluit nr. 103/1942, houdende regelenm.b.t. rechtshandelingen ten aanzien van landbouwgronden --dat trouwens niet alleen prijsvoorschriften inhield, maar ookden regel ,,boerenland in boerenhand" had ingevoerd --buiten werking gesteld. De prijscontrole van landbouwgron-den is thans eveneens opgedragen aan de prijzenbureau's vooronroerende zaken; al zijn die daarvoor minder geschikt. Ookoverigens kan het de vraag zijn, of het buiten werking stellenvan deze verordening inderdaad noodig en gewenscht was.Dit valt echter buiten het kader van het Tijdschrift.Voorloopig geschorst is ten slotte het besluit nr. 37/1944 be-treffende minimumhypotheekrenten.Monumentenzorg .Onze -- zij het zeer summiere -- ,,Monumentenwet", diewij dankten aan punt 4 van het besluit Wederopbouw I, wasdoor het besluit E 93 voorloopig gehandhaafd. Sindsdien isde bewuste bepaling overgegaan in art. 7 van het reeds eergenoemde besluit F 67 (voorzieningen wederopbouw). Behou-dens eenige wijzigingen (zie het besluit E 93) is eveneensvoorloopig gehandhaafd het besluit nr. 41/1942, waarbijtitel VIII van de Onteigeningswet is aangevuld met een rege-ling betreffende onteigening van monumenten. Daarentegenis om vrij onverklaarbare redenen het besluit nr. 105/1942betreffende de slooping of verandering van molens buiten wer-king gesteld.VorderingsrechtHoe onaangenaam- de klank ook is, dien het woord ,,vorderen"in de bezettingsjaren verkregen heeft, het instituut zelf kanook na de bevrijding niet worden gemist. Nadat het algemeenVorderingsbesluit 1940 (nr. 110/1940) bij het besluit E 93voorloopig was geschorst, is bij K.B. van 9 October 1944(Staatsblad E 140) tot stand gekomen de Algemeene Vor-deringsregeling 1944, welke het besluit nr. 110/1940, met deter uitvoering daarvan vastgestelde regelen, behoudens eenigewijzigingen en aanvullingen voorloopig handhaaft.Intercommunale samenwerkingHet besluit nr. 29/1941, waarbij de ingevolge de gemeentewetbestaande mogelijkheid tot vorming van doelcorporaties werduitgebreid, zoodat ook andere publiekrechtelijke lichamen als-mede stichtingen, vereenigingen, maatschappijen en natuur-lijke personen daarbij partij konden zijn, is buiten werkinggesteld. De reden is mij niet geheel duidelijk. Reeds op grondvan dit besluit getroffen regehngen blijven gehandhaafd.Ten slotte nog de algemeene opmerking, dat voor zoover vaneen gehandhaafde bezettingsregehng een Nederlandsche eneen Duitsche tekst zijn vastgesteld, de eerste verbindend is.Een nieuw begindoor Dr. Ir. H. G. van Beusekom.j ^ 1) Deze verordening is ingetrokken bij verordening van 24 Augustus 1945,iU nr. 138 (Publicatieblad nr. 40).Nederland in 1945 is niet meer hetzelfde land als in 1939. Eris een stormwind over ons land gegaan, die ontzaglijke ver-woestingen heeft aangericht en veel, wat onwrikbaar vastscheen te staan, heeft doen vallen.Ons volk is door een zee van ellende heengegaan en nu staanwij weer op de kust, maar het is een andere kust dan die,waarop wij in 1939 stonden. Wij staan op een vreemd terrein,maar wij moeten voort.Wij willen ook voort. Wij zullen de h
Reacties