Vol niiiiSteOrgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van den Nationalen Woningraad,waarin opgenomen de mededeelingen van den Rijks-dienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aanden WederopbouwNovember 1945 26e Jaargang ho. 4C. DE RADEROTTERDAi?!TELEFOON 72261AANNEMERWEGENBOUW230N.V. MOLYN^COROTTERDAMR.VOOR WEDEROPBOUW"287Vlist-Uioodzand-v.d. f list-UtruijkAannemers van alle voorkomendeBOUW-.BETON-ENGRONDWERKENTelefoon 30739-33589Boschpolderplein 27 A ROTTERDAMdat kost geld!Proelnemingen in Amerika hebben b9-wezen dat een le lage temperatuur ineen werkplaats of fabriek de arbeidaca-padteit op ongekende wijze vennindertHet is voor elken fabrieksdirecteur dusvan het allergrootste belang, zijn geheel*bedrijf (nauwkeurig) tot de juiste tem-peratuur te verwarmen. Als ge Uw be-drijf op de doeltretfendste wijie ver-warmd en geventileerd wenscht te rien,- vraag onzen deskundige dan eens omeen advies.EilfiH^vtH CENTRALE VERWARMING N.V,?TTTTTT ",.". TT. TSptcialiteit in het aanleggen v?n labrieksapparalen voor verwtrmlngbevochliging ? onlMveling droging en koeling.2.OSTALON? KUNSTSTEEN338TERRA-COTTA BOUW-PLATENVLAMOVENDAKPANNENOp aanvrage verstre kken wij gaarne inlichtingenDE NEDERLANDSCHE FABRIEK VOORdeur- en meubelslotenkruk- en pompespagnolettenraamknippen en raamscharenvoordeurknoppen en -schuivenN.V.NEMEF-APELDOORNPOSTBUS13316IllllllllllllillllillllllJilllillilllllllllilJillillilliliJIIIIIIIilillilliliiiiliillilliliiliilillilliliilillilliliiliilillilliilillilllliiiill^Abraham van Stolk & Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEFOON 35400HOUTHANDELEen modern verfproduct dat nimmermeer verdrongen zal worden, ver-vaardigd op Phtalaat- en Lood-titanaat-basis; vormendde sterkste lakverf ooit verschenenLotina Wettt^ gedeponeerdN.V? Haarlemsche StoomverffabriekTelefoon 11884 HAARLEM2HSpeciaal adres voorHoutwolbouwplaten. \ ,. N; ? - , . Dik: 1i/2-2'/2-3V2-5-7V2 en 10cm.A. C. VAN DEN HOEK & ZONEN, Amslerdam-Z. Van Woustraat 69, Tel. 23241-90604N.v.GLASHANDELDORENS&Co \/l A IX^ I A CKEIZERSGRACHT 12-16 _ TELEFOON 42735-47404 ALLE SOORTEN V L A IV V7 L A WVOOR DEN BOUW-&GLASNIJVERHEIDAMSTERDAM!?.?'^^'Ku.^oortogsschade ? bouw-- df ujtbrewdinc^plannen ?* ,. ' A - ?wacht dan- niet.. . . nu is^hef tij^. f '~ '*'? |Tbel of ichriji\' r^',?^*^^njnlandsche beton&ouw mij. n.v.;:elft spoorsingel 64 tel. 1846258Beschermt Uw gebouwen,door goed onderhoudiNeemt daarvoor onze WIJCOTEX-PRODUCTEN,geschikt voor het water- en sneeuwdicht maken vanoude en nieuwe daken en wanden, het repareeren vangebroken ruiten, het bewaren van ijzer, beton, metalenenz, tegen aantasting en 1000 andere doeleinden.Vraagt gegevens aan:VAN WIJNGAARDEN 6 CO N.V.ROTTERDAM-W- Pelgrimsstraat 60Ook te AMSTERDAM en DEN HAAGlllllillllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllll^N.V. AANNEMERSBEDRIJFVOORHEENH. DEBAATSloterdijkermeerweg 68-70 - Tel. 80371AMSTERDAM c.HEI- EN GRONDWERKEN - ZANDLEVERANTIESVERVOER VANBOUW- EN BESTRATINGSMATERIALENeener billijke verdeeling van de woonruimte over de bevol-king. Verschillende gemeentebesturen -- het eene aarzelenden tastend, het andere krachtiger en doelbewuster -- zijn opdit gebied reeds werkzaam.In dit tijdschrift zal daarvan een overzicht worden gegeven,waarnaar hier zij verwezen. Het moet mijn inzicns echter vandringend belang worden geacht, dat de bevoegdheid voor degemeentebesturen tot regelen op dit gebied een duidelijkenalgemeene grondslag verkrijgt en dat voor hun optreden tedezen aanzien duidelijke en uitvoerige richtlijnen van Regee-ringswege worden verstrekt. Alleen dan zal in deze materie-- thans, helaas, een integreerend deel van de bemoeiingenmet de volkshuisvesting -- een doeltreffend en zoo veelmogelijk uniform beleid kunnen worden bereikt, waarmedeeenerzijds de ergste wantoestanden op het gebied der volks-huisvesting worden verzachf en andererzijds gewaakt wordttegen de voor Nederlandsche begrippen onaanvaardbarewoningdistributie om haar zelfs wil.De regeling van het gebruik van den bestaandenwoningvoorraad in verband met den woningnooddoor Mr. G. J. Balkenstein,Juridisch ambtenaar bij de HoofdinspectieVolkshuisvestingReeds gedurende den oorlog is, voornamelijk in verband metevacuatie en andere oorlogsrampen, een aanvang gemaakt methet treffen van maatregelen, waardoor een zekere bemoeiingmet het gebruik van woongelegenheid mogelijk werd. In deeerste plaats werd bij beschikking van den Secretaris-Generaalvan het Departement van Binnenlandsche Zaken nr. 46/1940verboden zonder toestemming van Burgemeester en Wet-houders een woning geheel of ten deele te onttrekken of ont-trokken te houden aan de bestemming, die zij had op den dagvan inwerkingtreding van deze verordening of daarna, zon-der diezelfde toestemming een woning af te breken of te ge-bruiken voor een ander doel. Deze beschikking is door hetBesluit bezettingsmaatregelen (E 93) voorloopig gehand-haafd. Dit verbod tot orittrekking van woonruimte aan haarbestemming (waarvoor te zijner tijd een Koninklijk Besluit,berustend op artikel 33 der Woningwet in de plaats zal moetentreden) kan nog steeds belangrijke diensten bewijzen, vooralin verband met het gebrek aan kantoorruimte.Mede in verband met de evacuatie van de kuststrook is in denloop van het jaar 1942 het Vestigingsbesluit 85/1942 vast-gesteld, dat later bij Besluit van den Secretaris-Generaal vanhet Departement van Binnenlandsche Zaken (Ned. Stcrt. 16October 1942, nr. 202) is aangevuld. Krachtens dit Besluitkan het recht van vestiging in of verhuizing binnen een ge-meente in buitengewone omstandigheden worden beperkt, het-zij door den Secretaris-Generaal zelf, hetzij door den burge-meester bij door den Secretaris-Generaal goedgekeurde ver-ordening. Ter uitvoering van dit Besluit is door den Secretaris-Generaal bepaald, dat vestiging binnen of verhuizing in hetWcsten des lands verboden was, behoudens met vergunningdoor of vanwege den Directeur van het Bureau Vluchtelingen-zorg verleend. Het Vestigingsbesluit 85/1942 is door hetBesluit bezettingsmaatrege'en voorloopig gehandhaafd. Eendaarop steunend vestigings- en verhuisverbod voor het Wes-ten des lands is voor de periode 16 September 1945--1 Januari1946 inmiddels opnieuw door den Minister van Binnenland-sche Zaken vastgesteld (Ned. Stcrt. 19 October 1945, nr. 93),zoodat de tijdens de bezetting bestaande toestand in zooverreis gecontinueerd. Van de gelegenheid, welke den gemeentenopenstond om een vestigings- en verhuisverbod op grond vanhet Besluit 85/1942 vast te stellen, kon slechts in zeer be-perkte mate gebruik worden gemaakt,- omdat de Secretaris-Generaal niet spoedig bereid was de aanwezigheid van Anikeien,,buitengewone omstandigheden" aan te nemen. De gemeen-telijke vestigings- en verhuisverboden, welke tijdens de be-zetting tot stand kwamen, zijn als verordening van een lager (orgaan op grond van het Besluit E 93 van kracht gebleven.Naast deze nog uit de bezetting stammende gemeentelijkevestigings- en verhuisverboden zijn na de bevrijding nog eenaantal plaatselijke regelingen getroffen door of onder goed-keuring van het Militair Gezag op grond van de verordeningvan den Chef Staf Militair Gezag van 14 Maart 1945 nr. 81,betreffende de uitoefening bevoegdheden Vestigingsbesluit.Tenslotte verdient in dit verband nog vermelding het Konink-lijk Besluit van 13 October 1945, Staatsblad nr. F 229, waar-bij met het oog op de onderbrenging van het regeeringsappa-raat voor 's Gravenhage en omstreken een onder het CentraalBureau voor de Verzorging van Oorlogsslachtoffers ressor-teerend Centraal Bureau voor de Huisvesting is ingesteld.Behalve met de huisvesting van publieke diensten, de amb-tenaren daarvan en van onderdeelen van leger en vloot, isdit Bureau ook belast met de zorg voor de huisvesting van deburgerbevolking te 's Gravenhage en randgemeenten. Dezeregeling is, aangezien zij voornamelijk buiten het kader vande volkshuisvesting valt, in het volgende buiten beschouwinggelaten.Dit overzicht kan slechts tot de conclusie leiden, dat dehuidige toestand door een gebrek aan eenheid verward enonoverzichtelijk is. Voor een deel des lands (het Westen)bestaat een Rijksregeling, welke 1 Januari a.s. zal afloopen.Daarnaast vindt men incidenteel gemeentelijke regehngen,welke (tenzij inmiddels ook voor het gebied, waar zij gelegenzijn, van Rijkswege een vestigings- en verhuisverbod wordtvastgesteld) deels hun kracht zullen behouden zoolang hetVestigingsbesluit 85/1942, waarop zij steunden, gehandhaafdblijft, deels in stand zul'en blijven totdat de bizondere staatvan beleg afloopt (dcrhalve blijkens het Koninklijk Besluitvan 8 September 1945, nr. F 168 tot 5 Maart 1946). Daaren-boven is in de gemeentelijke regeHngen uiteraard het gemeen-tebestuur of feen gemeentelijke instantie aangewezen als or-gaan, dat over vergunning tot vestiging of verhuizing beslist,terwijl in het Ministerieel Besluit betreffende de vestiging enverhuizing in het Westen des lands (Ned. Stcrt. 19 October1945, nr. 93) de Directeur van het Provinciaal Bureau voorde verzorging van Oorlogsslachtoffers als beslissende instan-tie is aangewezen. In feite is cvenwel de beslissing op eenverzoek om verhuizing binnen een gemeente door den Direc-teur van het Provinciaal Bureau aan de gemeentebesturenoverge'aten, zoodat door het Provinciaal Bureau zelf slechtsover de vestiging wordt beslist.Het wil mij voorkomen, dat het aldus voor het Westen deslands gemaakte onderscheid tusschen vestiging en verhuizingvolkomen juist is. Ingeval van verhuizing binnen een gemeenteis uitsluitend de vraag in het geding, op welke wijze de be-staande woningvoorraad in de gemeente wordt gebruikt, der-halve een kwestie van volkshuisvesting. De beslissing dien-aangaande behoort voor de verantwoordelijkheid van de ge-meente gelaten te worden. Bij vestiging in een gemeente ligtde zaak evenwel anders. Uiteraard is de moge'ijkheid vanhuisvesting hier van groote beteekenis en raadpleging vanhet gemeentebestuur dienaangaande zal dan ook moetenplaatsvinden; evenwel zullen andere motieven hier in velegevallen van niet minder gcwicht zijn, men denke hier aan deverplaatsing of vestiging van Rijksdiensten, de oprichtingvan industrieen of het geleidelijk afvloeien van de bevolkingvan gemeenten met groote naar die met geringere overbezet-ting van den woningvoorraad. Het zal dan ook geen betoogbehoeven, dat de beslissing inzake de vestiging niet moet lig-gen in handen van een gemeentelijke instantie, doch bij hetRijk, zij het dat den gemeenten gelegenheid dient te wordengelaten, voor het nemen der beslissing voor de plaatselijkebelangen op te komen. Uit een en ander volgt, dat de regehng,welke in de gemeentelijke vestigingsverordeningen gevonden oyArtifcelen40wordt, waarbij de beslissing omtrent vestiging alleen in han-den van het gemeentebestuur ligt, verwerpelijk is. Een voor-ziening, door het Rijk te treffen waarbij voor het geheele landde beslissing omtrent vestiging in handen van een Rijks-instantie wordt gelegd, schijnt dan ook wel dringend ver-eischt. Daarnaast kan dan een eveneens landehjke regehngworden getroffen voor de geheel op het gebied der volks-huisvesting liggende verhuizing binnen de gemeente.In dit verband moet de vraag gesteld worden, of de figuur,welke thans in het Westen des lands is gevolgd, waarbijzoowel de vergunning tot vestiging, als die tot verhuizingdoor of namens een Rijksinstantie wordt verleend, gehand-haafd dient te blijven. Wanneer immers de controle op hetgebruik van den woningvoorraad in eersten aanleg op het ter-rein van de gemeente ligt, is het minder juist, dat de ver-leening van verhuisvergunningen aan een Rijksinstantie wordtopgedragen, die haar vervolgens wederom aan de gemeentendelegeert. Weliswaar kan voor deze constructie worden aan-gcvoerd, dat het Rijk op deze wijze bij ingebreke blijven vande gemeente de verleening van verhuisvergunningen op een-voudige wijze kan overnemen, doch daar staat tegenover datzoodoende de eigen taak der gemeente miskend wordt. Boven-dien wordt, hetgeen van niet geringer belang is, op deze wijzede verleening der yer/zuisvergunningen gebracht buiten desfeer, waarin zij thuishoort, n.l. die der volkshuisvesting.Veelal kan niet worden volstaan met een eenvoudige beoor-deeling van de verzoeken om verhuisvergunning door toetsingvan de aanvrage aan de eischen eener behoorlijke woning-economie, doch wordt er toe overgegaan een selectie toe tepassen op de aanvragers. In een aantal gemeenten wordt n.l.eerst de urgentie van de behoefte aan een (andere) woningonderzocht en worden de betrokkenen geregistreerd, alvorensde indiening van een verzoek om verhuisvergunning wordttoegestaan. Teneinde willekeur (of althans den schijn daar-van, want het publiek is altijd geneigd in de op dit gebiedgenomen beslissingen slechts bevoordeeling en corruptie tezien) te vermijden, is de beslissing omtrent de erkenning alsgegadigde naar een woning meestal in handen gelegd van eenniet-ambtelijke Commissie. Niet alleen een benoorlijk over-zicht van de vraag is noodzakelijk om de werkelijk woning-behoevenden op doeltreffende wijze te helpen, ook een nauw-keurig overzicht van het aanbod is onmisbaar. In vele ge-meenten is met het oog daarop een Verordening vastgesteld,welke in het algemeen degenen, die bevoegd zijn een woningin gebruik te geven, verplicht aangifte te doen van het leeg-leegstaan of leegkomen daarvan, welke verplichting zich somsook uitstrekt tot het geval, dat de woning meer ruimten bevatdan waarop de bewoners blijkens een in de verordening op-genomen formule recht kunnen doen gelden. Over het nuttigeffect van deze verordeningen is het oordeel zeer uiteen-loopend; in sommige gemeenten worden zij behoorlijk nage-leefd, in andere laat niemand zich iets aan haar gelegen lig-gen. Dit onderscheid zal zijn oorzaak wel vinden in verschil-len in het toezicht op de naleving. Ten deele kan deze o.m.gecontroleerd worden aan de opgaven der verhuizingen aanhet bevolkingsregister, ofschoon natuurlijk, wanneer het be-kend wordt dat op deze wijze controle plaats vindt, het gevaarontstaat, dat de opgaven aan het bevolkingsregister nagelatenworden. De voornaamste moeilijkheid is evenwel, dat derechterlijke macht in het algemeen niet geneigd is, met debestraffing van overtreding der bepalingen ernst te maken.Door publicatie van de adressen der leegstaande woningen,welke ter kennis van het gemeentebestuur zijn gekomen, kandan worden bereikt dat hetgeen beschikbaar komt, zoo doel-matig mogelijk over de toegelaten gegadigden wordt verdeeld.Wanneer het gemeentebestuur volstaat met het op de hier-voor omschreven wijze vraag en aanbod bij elkaar te bren-gen, en zoodoende den eigenaar de keuze laat tusschen detoegelaten gegadigden, is het gevaar van misstanden nietdenkbeeldig. Vooreerst is het de vraag, of de voorkeur' vanden eigenaar zal uitgaan naar den gegadigde, die naar hetoordeel van het gemeentebestuur het eerst een woning be-hoeft, en vervolgens is de kans groot, dat sleutelgeld be-dongen wordt. Uit dien hoofde wordt in een aantal gemeen-ten indirecte dwang op den eigenaar uitgeoefend om dewoning te verhuren aan den door het gemeentebestuur aan-gewezen gegadigde; de gegadigde behoeft dan niet de mede-werking van den eigenaar en het euvel van het sleutelgeldwordt vermeden. De dwang wordt op den eigenaar uitge-oefend door, indien hij weigerachtig zou zijn de woning aanden door het gemeentebestuur aangewezen gegadigde te ver-huren, te dreigen met toepasing van het VorderingsbesluitWoonruimte. Deze ,,stok achter de deur" is in den regelvoldoende om eventueel verzet te breken. Soms is het verzetvan den eigenaar uiteraard volkomen gerechtvaardigd, bijv.wanneer bekend is, dat de gegadigde niet de gewoonte heefteen woning behoorlijk te bewonen of wanneer hij een slechtbetaler is. Het verdient dan ook aanbeveling den eigenaar,nadat de nieuwe huurder hem is aangezegd, een korten ter-mijn te geven om bezwaren kenbaar te maken, en wanneerdeze gegrond worden bevonden, de toewijzing in te trekken.In sommige gemeenten vindt men den dwang in dien vorm,dat den verhuurder bij strafverordening wordt verboden dewoning aan een ander te verhuren dan aan den van gemeente-wege aangewezen gegadigde; ook al zou deze laatste vormrechtens onaanvechtbaar zijn, dan nog moet zij uit een oog-punt van beleid minder wenschelijk worden geacht. Tenzijimmers de eigenaar deze vrijwilligi aanvaardt, moet de over-he'd de risico's welke de toewijzing van een woning mede kanbrengen, als onbehoorlijke bewoning en wanbetaling, op zichnemen. Het gevaar, dat de eigenaren door deze afwentelingvan risico's in tal van gevallen insolvabele huurders zullenblijken te hebben gekregen, en dat vooral in de periode voorde geldsaneering, is stellig niet denkbeeldig. Uit dien hoofdeis het dan ook juister ingeval van weigerachtigheid van deneigenaar om een aangewezen huurder te accepteeren, de vor-deringsbevoegdheid te hanteeren, waardoor de risico's voorrekening van de gemeente zijn.Het is duidelijk, dat de mogelijkheid om op de in het vooraf-gaande beschreven wijzen het gebruik van den bestaandcnwoningvoorraad te regelen staat of valt met de stipte naleyingvan vestigings- en verhuisverbod. Aangenomen mag nu wor-den, dat vooral in de groote steden overtredingen herhaal-delijk voorkomen. Wat toepassing van de strafsanctie betreft,geldt hetzelfde als reeds is opgemerkt met betrekking tot deovertreding van den aangifteplicht, dat, voorzoover het totstrafoplegging komt, daarvan geen voldoende afschrikwek-kende werking uitgaat. Afdoende zou slechts zijn een onver-biddelijke uitzetting uit onrechtmatig betrokken woningen,ofschoon daaraan de moeilijkheid verbonden is, dat de uitge-zette gezinnen alsdan op andere wijze ondergebracht moetenworden. Zooals de toestand thans is kan de rechtef bij ver-oordeeling terzake van overtreding van het vestigingsbesluit85/1942 op grond van artikel 3, derde en vierde lid, van datbesluit, bevelen dat de veroordeelde met zijn gezin de ge-meente c.q. de woning, waar hij zich ten onrechte bevindt,verlaat. Ofschoon hooger beroep en cassatie tegen de uit-spraak zijn uitgesloten, is het duidelijk, dat, gesteld al dat derechter zich tot een dergelijken maatregel laat bewegen, desanctie op deze wijze te lang op zich laat wachten. Ook alzijn daaraan onmiskenbaar bezwaren verbonden, met eenregeling, die de administratie zelve de bevoegdheid tot op-treden verleent, zal niet lang meer magen worden gewacht.De totnogtoe beschreven maatregelen gaan niet verder daneen zeker toezicht op de ingebruikneming van woongelegen-heid, welke door overlijden, vertr'ek uit de gemeente, het gaansamenwonen van afzonderlijk wonenden e.d., beschikbaarkomt. Veelal is dit niet voldoende, en moet ook worden over-gegaan tot bemoeii'ng met de woongelegenheid, welke reeds ingebruik is. Hiertoe worden de bevoegdheden, welke het Vor-deringsbesluit Woonruimte van 11 September 1944 (Staats-blad E 103) toekent, gehanteerd. Anders dan gedurende debezetting practijk was, toen de burgemeester met het oog op'de belangen der volkshuisvesing slechts woonruimte kon vor-deren na verkregen schriftelijke instemming van denSecretaris-Generaal van het Departement van BinnenlandscheZaken, zijn de burgemeesters thans op dit punt geheel zelf-standig. Toegegeven, dat centraliseering van de uitoefeningder vorderingsbevoegdheid haar hanteering onder de huidigeomstandigheden wellicht aanz'enlijk bemoeilijkt en tevens inaanmerking genomen, dat het Besluit E 103 eveneens bestemdwas voor toepassing bij evacuatie en andere oorlogsrampen(waarvoor tijdens de bezetting een afzonderlijke regeling be-stond) kan men zich afvragen, of deze verandering wel ge-lukkig genoemd mag worden. De vordering van woonruimtegrijpt zoozeer in de normale levenssfeer in, dat men hiergaarne eenige bescherming van den burger zou zien, en welbij voorkeur in den vorm van voorafgaande goedkeuring vanhooger gezag, omdat toepassing van een recht van beroep,tengevolge waarvan een vordering weer ongedaan gemaaktzou moeten kunnen worden, het gezag van den burgemeesterte zeer schade zou doen.Omtrent de draagwijdte van het Vorderingsbesluit Woon-ruimte heeft een groote mate van onzekerheid bestaan. Ter-wijl de administratie in het algemeen geneigd was toepassingvan het besluit in alle geval'en van behoefte aan woonruimteop grond van artikel 1 mogelijk te achten, stelde de rechter-lijke macht zich veeleer op het standpunt dat op grond vanden considerans van het Besluit slechts gevorderd mocht wor-den in het belang van hen, die ,,tengevolge van of in verbandmet oorlogshandelingen of daden van den bezetter niet ineigen huisvesting kunnen voorzien". Inmiddels is deze strijdten gunste van een ruime toepassingsmogelijkheid beslist doorhet Besluit van, 26 September 1945, Staatsblad F 210, waar-bij o.m. de zoojuist geciteerde beperkende clausule in den con-siderans is geelimineerd.Het besluit staat toe, dat woonruimte, gebouwen of inkwar-tiering worden gevorderd. Of inkwartiering thans nog wel ge-wenscht is, mag worden betwijfeld; niettemin moet de moge-lijkheid er van opengehouden worden zoolang nog de kansbestaat dat een geheele streek, als bijv. de Betuwe, ontruimdmoet worden. De gebouwenvordering is geoorloofd, wanneerdaarmede beoogd wordt gebouwen, welke niet als woningworden gebezigd, als woonruimte te doen gebruiken. Veelzal met deze vordering wel niet bereikt kunnen worden, omdatkrachtens artikel 2 van het besluit de vordering gericht wordttot dengene, die gerechtigd is tot het gebruik van het gebouw.Hieruit mag worden afgeleid, dat de gemeente met betrekkingtot het gevorderde gebouw tegen den wil van den eigenaargeen eigendomsbevoegdheden mag uitoefenen, zoodat verbou-wingen, die wel steeds vereischt zullen zijn, niet kunnen plaatsvinden.Ernst'ger dan bij de gebouwenvordering spreekt dit bezwaarnog bij de gebruikelijker woonruimtevordering. De samen-leving van twee gezinnen in een woning geeft onvermijdelijkvoortdurend aanleiding tot wrijving; vooral het gemeenschap-pelijk gebruik van de keuken maakt veelal een langere samen-woning dan gedurende enkele maanden onmogelijk. Zooals detoestand zich evenwel thans laat aanzien, zullen in de eerst-komende jaren in toenemende mate woningen door meer daneen gezin gedeeld moeten worden. Teneinde dit mogelijk temaken zal het dan ook noodzakelijk zijn om, waar de inrich-ting eener woning dit mogelijk maakt, door het aanbrengenvan schotten en/of afzonderlijke kook- en waschgelegenheidbestaande woningen te splitsen. Tot de hierbedoelde maat-regelen zijn de eigenaren veelal niet bereid, zoodat het aan-beveling zou verdienen de regeling der vordering in dien zinaan te vullen, dat de bevoegdheid wordt verleend tot het aan-brengen van veranderingen in de inrichting der gevorderdewoning.Behalve in de geteisterde gebieden vindt de vordering (ofde toewijzing onder bedreiging met vordering) van gedeeltenvan woningen in het algemeen nog slechts incidenteel plaats.Het middel wordt in het a'gemeen slechts toegepast om innoodgevallen, b.v. ter beeindiging van een ontoelaatbaresamenwoning, huisvestingsmogelijkheid te scheppen. Zooalsreeds werd betoogd, mag evenwel de vraag worden gesteld, Artike:ccof hiermede kan worden volstaan. In vele gemecnten is men erreeds toe overgegaan jonggehuwden vergunning tot het be-trekken van een afzonderlijke woning te weigeren en hennaar kamers te verwijzen. Wanneer deze gezinnen zich even-wel uitbreiden, zullen onhoudbare toestanden ontstaan; reedsin een kleine woning gevestigde, zich uitbreidende, gezinnenzullen eveneens in moeilijkheden komen te verkeeren. In toe-nemende mate zal in verband daarmede een beroep moetenworden gedaan op reeds in gebruik zijnde woonruimte, het-geen ertoe kan leiden, dat tot een min of meer systematischeherdistributie van woongelegenheid moet worden overgegaan.Een dergelijke maatregel, waarbij op betrekkelijk grooteschaal bijv. ouden van dagen, en in het algemeen kleine ge-"zinnen verplicht zullen worden tot samenwoning, om ruimtete maken voor groote gezinnen, kan thans met behulp van hetVorderingsbesluit woonruimte zelfstandig door de gemeente-besturen worden getroffen. Zij is evenwel van zoo ingrij-penden aard, dat de vraag mag worden gesteld, of de beslis-sing dienaangaande niet door hooger gezag moet worden ge-nomen, terwijl wellicht ook het stellen van zekere regelen, aande hand waarvan de herverdeeling zou moeten plaats vinden,overweging zal verdienen. Ook een verplichte uniforme boek-houding van de woningbezetting, zooals deze in sommige ga-meenten reeds bestaat, zal in dit verband goede dienstenkunnen bewijzen.Tens'otte moet er nog op gewezen worden, dat in kleineregemeenten somtijds bij de gemeentebesturen slechts geringegene-'gdheid bestaat om met betrekking tot de huisvestings-moeilijkheden doortastend op te treden, met name wanneerdaartoe in de bestaande verdeeling van de woongelegenheidmoet worden ingegrepen. De verhoudingen aldaar maken hetden gemeentebesturen meestal moeilijk een deel van de woon-ruimte van hen, die daar het beste mede bedeeld zijn, denotabelen, aan anderen toe te wijzen. De mogelijkheid vansteun, of soms wellicht van ingrijpen van hooger gezag, wordtin dergelijke gevallen noode gemist.Nieuws uit EngelandIII (Slot)door Drs. H. van der Weyde,,We have still to grasp that the issues with which housing isbound up are wider than the borders of the town, and thata truly effective design must be national in its scope." Dezewoorden, die het verband leggen tusschen de volkshuisvestingin engeren zin, waarvan sprake was in de beide voorafgaandedeelen van dit opstel, en den stedebouw, tot in de wijdstebeteekenis van nationale ruimtelijke ordening, zijn ontleendaan een merkwaardig boekje van F. J. Osborn, getiteld NewTowns after the War. Merkwaardig is het vooral, omdat hetverscheen -- in 1942 -- als vrijwel ongewijzigde herdruk vande eerste uitgave van 1918. De schrijver acht het droevigtafereel van de stedebouwkundige ontwikkeling van Engeland,dat hij schilderde tegen het einde van den vorigen oorlog, nogten voile van toepassing op de tegenwoordige situatie. On-danks de al lang geleden ontwaakte en gestadig aangewak-kerde belangstelling voor het onderwerp, ondanks de verster-king van de wettelijke grondslagen, ziet hij in wezen geenverbetering en de eenige remedie is z.i. ook nu de tuinstad-gedachte, de afleiding. van den groei der groote steden naarzelfstandige tuinsteden van gelimiteerden omvang.Is die sombere voorstelling van de stedebouwkundige ont-wikkeling van Engeland gegrond?Wij zullen geen conclusie trekken. Er zijn ontegenzeggelijkin de ontwikkeling verscheidene opgaande lijnen te onderken-nen, die bizonder hoopgevend zijn voor de vervulling van deveelomvattende taak, die Engeland ook in dit opzicht wacht.Letten wij op de kleinste eenheid van stedebouwkundige rege- 4iArtikclenLuchtfoto van Hampstead Garden Suburb. Een vroeg voorbeeldvan z.g. neighbourhood planning in het gebied van Londen. Dteaanleg is duidelijk gegroepeerd rondom een wijkcentrum.ling, de woonwijk, dan valt te wijzen op de dichtheidscijfersvan het Housing Manual, die ik reeds vermeldde. Zij betee-kenen tegenover den toch al weinig benepen aanleg van deEngelsche woonwijken opnieuw een stap vooruit.Bi] de nuchtere cijfers blijft het niet. Van meet af is het wo-ningvraagstuk, zooals het zich nu voordoet, gezien in hetstedebouwkundig kader. Het Dudley-rapport bevat een be-langrijke bijlage, het rapport van een studiegroep van hetMinisterie van Town and Country Planning over den aanlegvan woonwijken. Het denkbeeld, dat Osborn aanbeveelt, heeftook bij die groep weerklank gevonden. Ze wijst het aanbreienaan bestaande steden niet af, maar merkt op, dat overal tenslotte een punt bereikt wordt -- bij de grootere steden is heth.i. al bereikt ^, waar de verbeterde transportmiddelen geenvergoeding kunnen brengen voor het gemis aan aanrakingmet buitenlucht en buitenleven. De groene gordel, de groenesectoren in het stadsplan kunnen hieraan tegemoet komen,maar de studiegroep noemt ook uitdrukkelijk de vestiging vannieuwe steden, waar daarvoor een gezonde economische recht-vaardiging te vinden is.Als algemeenc vingerwijzing beveelt het rapport aan dat rui-mere bevoegdheden zullen worden toegekend tot verwervingvan grond voor woningbouw en verwante doeleinden. Deplaatselijke overheid zal gedetailleerde plannen voor de woon-wijken moeten hebben, en deze zullen gericht moeten zijnop de vestiging van ,,neighbourhoods", dus werkelijke socialeeenheden.In den huidigen Engelschen stedebouw speelt deze gedachteeen groote rol. Het rapport motiveert haar in bondigen vorm.De reusachtige groei van de steden heeft het verval meege-bracht van het gevoel van buurschap, dat een van de peilersis van maatschappelijk welzijn. De stad is te groot om alssociale eenheid te worden verstaan en de buurt heeft ditkarakter verloren of heeft het nooit gehad. De nieuwe wijkenmoeten dit gemis goed maken. De grootte van de eenheid,die hier in het oog wordt gevat, wordt op twecerlei wijzengetypeerd, naar het aantal inwoners -- niet meer dan 10.000-- en naar den afstand van de verste woningen van het cen-trum, niet meer dan 10 minuten loopen. Deze grootte valtsamen met die van de eenheid, waarin plaats is voor tweescholen voor kinderen van 5 tot 7 jaar en voor twee scholenvoor kinderen van 8 tot 11 jaar, terwijl hieraan een mid-delbare school beantwoordt. Worden deze gescheiden voorjongens en meisjes, dan zou de logische plaats zijn telkeristusschen twee wijken.Ook van de bestemmingen van den grond binnen de wijkheeft de studie-groep zich rekenschap gegeven. Zij geeft eenaantal minima aan voor de oppervlakten binnen een woonwijkvan 10.000 inwoners. Deze zijn samengevat in de tabel, voor-komende aan den voet van deze pagina.Een hoofdmoment in den aanleg van de wijk is, dat zij zooalsde studie-groep dit noemt in sociaal evenwich't zal verkeeren,d.w.z. uit bewoners van verschillende inkomensklassen zal zijnsamengesteld. Ook naar de grootte van de gezinnen zal erverscheidenheid moeten zijn, waarbij in het bizonder ook aanbejaarden en alleenwonenden wordt gedacht. Een ononder-broken stelsel van parken en speelterreinen binnen de wijkwordt aanbevolen, dat het mogelijk zal maken wandelingente maken langs voetwegen en veiHge wegen te vinden, voorde kinderen naar en van school. Ten deele kan een dergelijksysteem als buffer tegenover naburige wijken dienst doen.De situatie van de lagere scholen is een punt van bizondereoverweging. Komt er een school in de wijk, dan wordt eenligging dicht bij het hart van de wijk aanbevolen; komen ermeer, dan wordt een regelmatige verspreiding voorgestaan,waardoor elke school uit alle woningen, die zij bestrijkt, ge-makkelijk bereikbaar is. De middelbare scholen wil mendaarentegen, zooals gezegd, aan de periferie van de wijk ves-tigen, aangezien ze in den regel ook de aangrenzende wijkzullen moeten bestrijken. De open ruimte van 16 acres, die bijelke middelbare school noodig wordt geacht, is trouwens eenwelkome aanvulling van den buffer tusschen de wijken.In het brandpunt van elke wijk zullen allerlei gebouwen moe-ten worden samengetrokken: kerken, leeszaal, bioscoop, cafe,openbare bureaux, klinieken, kleine clubgebouwen, een groepwinkels, soms ook een wijkgebouw en een jeugdhuis. Menacht voor een wijk met 10.000 inwoners 70 tot 100 winkelsnoodig. Dit element vormt overigens nog een onderwerp vanbestemmingwoningen , .lagere scholen (3^11 jaar) (scholen en speelveld)open ruimtewinkels, kantoren, enz. ...wijkcentrum, kerken, enz.openbare gebouwen ....verzorgende industrie en werkplaatsenhoofdwegen en parkeerruimteopen bebouwing buitenste ring binnenste ring centraacres acres acres acres333 200 133 10017 17 17 1770 70 60 509 8 7 67 5 4 34 3 2 27 6 5 435 28 20 17centraal''acres83174053241442Totaal 482 3371) In groote, sterk geconcentreerde stedehjke gebieden.248 199 168studie, waaromtrent van den leant van het Ministerie nadereaanwijzingen tegemoet gezien kunnen wordcn, Elke woningbehoort winkels te hebben binnen een kwart mijl afstand, watmeebrengt dat er naast de centrale winke'groep enkele kleineregroepen moeten zijn, bijv. van 12 winkels elk.Een ander deel van het rapport slaat op den aanleg van dewijk, de aanpassing bij het landschap, het traceeren van dewegen. Schilderachtig slingerende wegen worden alleen ophun plaats geacht op heuvelachtig terrein of waar natuurlijkeelementcn zeer op den voorgrond treden. Andererzijds oor-deelt de Commissie dat vele woonwijken uit den tijd tusschende beide oorlogen te veel een geometrische regelmaat ver-toonen. Het patroon van de woonwegen behoort h.i. in hetalgemeen een vrij en gevarieerd rechthoekig karakter te be-zitten, maar dit mag niet leiden en behoeft ook niet te leidentot het monotone wafelijzersysteem, dat juist de reactie vanden landschappelijken aanleg heeft teweeggebracht.In de beschouwingen over den aanleg van de wijk in onder-deelen wordt veel aandacht geschonken aan den cul-de-sac,den korten, doodloopenden woonweg, zooals wij dat in denEngelsch-Amerikaanschen stedebouw gewoon zijn. Gewezenwordt op het Amerikaansche voorbeeld van Radburn, waarde cul-de-sac tot het hoofdmotief van het plan is gemaakt,het rijverkeer beperkt is tot enkele straten, terwijl een vol-ledig stelsel van voetpaden onafhankelijk van het wegennet inhet verkeer van de voetgangers voorziet. De bezwaren, dietegen een dergelijke oplossing worden aangevoerd acht degroep te ondervangen door elken cul-de-sac goede verbindin-gen door voetpaden te geven met de naburige straten. Een inEngeland nog weinig toegepaste variant is wat men noemt de,,branch", d.w.z. een korte woonweg, alleen voor voetverkeer,als tak vao een weg voor rijverkeer en wel van zoodanigelengte, dat het bezorgen van goederen e.d niet te bezwaarlijkwordt. Er zijn nog andere verwante figuren, de lusweg bijv., diewel berijdbaar is, maar door doorgaande voertuigen niet wordtgekozen en dus de rust heeft van het hofjc. Ook het hofje metbebouwing in carre-vorm, dat rust verbindt aan een omge-ving, waarvan het aspect niet het pretentielooze heeft van dengewonen cul-de-sac, heeft zijn aantrekkelijkheid. De rappor-teurs wijzen ten slotte op een wijze van aanleg, hier en daar inZweden en de Vereenigde Staten toegepast, waarbij het we-gennet vrijwel onafhankelijk van de plaatsing der huizen is ge-traceerd, met den opzet de'suggestie te geven dat deze ineen park liggen, ook al zijn er afzonderlijke tuinen. Ditneemt niet weg dat de gemeenschappelijke tuin bij de studie-groep wel voorstanders vindt. Zij laat ondertusschen deneigen tuin, ook als er een gemeenschappelijke is, niet los enstelt een diepte van 20 tot 25 voet als minimum.Ten aanzien van den bouw in verdiepingen worden de be-zwareq van het gesloten bouwblok geschetst en anderetypes aanbevolen, zooals het open bouwblok, de T-vorm, debouwstrook, het kruis, de Y- en H-vormen.De wegen in de woonwijk onderscheidt het rapport in tweecategorieen, die met een verdeelende functie en de eigenlijkewoonwegen. De eerste zuUen twee voertuig-banen moetenomvatten, elk van 9 tot 12 voet, voorzoover noodig strookenelk van 8 voet, voor stilstaande voertuigen, en twee gepla-veide voetwegen van normaal 8 voet breedte elk. De eigen-lijke woonwegen kunnen volstaan met een rijweg van 16 voetbreedte, en soms een, meestal twee voetpaden elk van ten min-ste 6 voet breedte. Voor korte doodloopende wegen en lussenvan secundair belang kan met een geringere breedte van denrijweg dan 16 voet genoegen worden genomen. Gerekendmoet worden op den aanleg, van afstand tot afstand, vandraaipunten en parkeerruimte.Ook de samenvatting van de woningen tot grootere eenhedenen het verzet daartegen van de zijde der bewoners, dat inEngeland krachtig is, wordt aan een bespreking onderworpen.Het zou te ver voeren de architectonische verzorging van dewoonwijk en de beplanting, die in aansluiting daarbij onderhet cog wordt gezien, hier nader te vermelden,ArtikelenAanleg in cul-de-sac-vorm. Welwyn Garden City.^-^^^^ e' --**m,Woningen haaksch op den rijweg. Hammersmith. (London CountyCouncil)Woningen alleen toegankelijk langs een voetpad, rend een gras-veld. Roehampton (London County Council)'^.W.Wat ik hier weergaf, moge voldoende zijn om den indrukte geven, dat men zich in Engeland er opnieuw rekenschapvan heeft gegeven, of de beginselen, die totnutoe bij den aanlegvan woonwijken werden gevolgd, wel verdienen bij den ko-menden woningbouw te worden aangehouden. De conclus'eszijn zeker niet alle even opmerkelijk of navolgenswaard. Na-volging verdient echter stellig de principieele zelfbezinning,het opnieuw toetsen van alle mogelijkheden, de critischehouding tegenover het totnutoe bereikte.Bij de woonwijk blijft het niet. Ze is een deel van het geheelvan de nederzetting, en als men de stedebouwkundige ver-zorging van deze aan de orde stelt, komt op haar beurt destreek, en vervolgens het geheele nationale grondgebied bin-nen den gezichtskring, zooals de aanhaling van Osborn, waar-mee ik dit artikel begon, reeds aanduidde. 43ArtikelenEen hoofdmoment in de zorg voor dit alles in Engeland isnog steeds de stedebouwwet van 1932, die de mogelijkheidopende en de binnenstad en het landelijk gebied onder ,,plan-ning control" te brengen. ^)Nieuw was ook dat het uiterlijk voorkomen van de bebou-wing in de wet genoemd werd als een onderwerp van over-heidsbemoeiing. Bezien uit een oogpunt van de bestemmingvan den grond was de kern van de nieuwe wet misschien debepaling, die de overheid in staat stelt, bouw te verbieden opbepaalde terreinen, totdat aangetoond wordt dat geen gevaarof schade voor de gezondheid zal ontstaan wegens het ont-breken van rioleering, wegen, watervoorziening of andereopenbare diensten en dat de aanleg van een en ander nietvoorbarig of bizonder kostbaar zbu zijn of het aspect terplaatse ernstig schade zou ondervinden.In de jaren, die op het totstandkomen van de wet volgen,vertoont de ontwikkeling enkele opmerkehjke trekken. Hetgraafschap wint aan beteekenis als verband, waarin de lei-ding over de ruimtelijke ontwikkeling wordt samengevat. Hetstreekplanwerk wint veld, maar de uitkomsten stellen teleur;de wettelijke plannen blijven in aantal, inhoud en beteekenisver achter bij de serie streekplanrapporten. En de bestemmingvoor landelijke doeleinden vormt een onderwerp, dat slechtsmoeizaam en ten deele langs den weinig bevredigenden omwegvan de bestemming voor bebouwing met een geringe, d.w.z.een prohibitieve dichtheid, benaderd kan worden.Is het niet treffend dat in al deze opzichten Engeland en Ne-derland zch langs evenwijdige lijnen bewegen? Het deelnemenvan de provincie aan het stedebouwkundig werk, de moeilijk-heid om met het streekplanwerk los te komen uit de fase vanhet beschrijvende rapport, en de beruchte landelijke doelein-den -- Heerlen en Haarlem -- beheerschen ook onzen stede-bouw in het decennium van 1930 tot 1940.In de laatste jaren voor den oorlog werkte deEngelsche Re-geering een krachtiger bescherming van het landelijk gebiedin de hand; een circulaire van den Minister, in 1938 uitge-zonden, suggereerde de toepassing van zeer restrictievebestemmingen, voor landelijke gebieden en voor kuststrooken.Er is op groote schaal van gebruik gemaakt, en dit met in-stemming van de grondbezitters, bij plannen voor North Ri-ding (Yorkshire). Daar is over een oppervlakte van 964.000acres, behoorende tot 19 gemeenten, het grootste deel van hetterritoir voor landelijke doeleinden aangewezen. Deze ?-- ge-meenschappelijke -- plannen zijn nog in een ander opzichtmerkwaardig. Er is voor elk van deze een gemeenschap-pelijk lichaam gevormd, dat de bepahngen van het plan zalhandhaven en tot uitvoering brengen, met enkele uitzonde-ringen -- wegen, benzine-stations en reclames -- die doorden graafschapsraad zul'en worden behartigd. Ook dit iseen vraagpunt, dat in de recente historic van onze stede-bouwwetgeving niet onbekend is en dat met name bij de her-ziening van de Woningwet in 1931 in ongunstigen zin is? beslist. De toenmahge minister achtte de taak van een streek-plancommissie met de vaststelling van het plan afgeloopen.Weinig vooruitgang wordt gemeld inzake de plannen voorde bestaande bebouwing. De vrees voor schadevergoedingweerhield hier van krachtiger ingrijpen.Ook het Nationaal plan was in Engeland in de jaren vlakvoor het uitbreken van den oorlog binnen den gezichtskringgekomen en niet anders dan bij ons was het een particulierhchaam, dat hiertoe den stoot gaf. Een commissie, ingestelddoor den Raad van het Town Planning Institute bracht er in1938 rapport over uit.Dan komt de oorlog, waarvoor de nationale energie van En-geland op een ongeevenaarde wijze zal worden gemobiliseerd.Het pleit des te meer voor de vitaliteit van het Engelschevolk en getuigt tegelijkertijd van het scherpe begrip voor depraktische beteekenis van den stedebouw, dat in de oorlogs-1) Bij het volgende is vooral geput uit een overzicht van G. L. Pepler,A A afgedrulct in het Report van de Town and Country Planning Summer'+'+ School 1943.jaren uitermate belangrijk studie-werk tot voltooiing is kun-nen komen. Enkele van de groote vraagstukken, die op denachtergrond van bijna alle plannen opdoemden en hun nood-lottigen invloed deden gelden zijn vlak voor of tijdens denoorlog van Regeeringswege aan commissies voorgelegd. Omte beginnen dat van den trek van de industrie naar Londen enomgeving en de daaruit voortvloeiende samentrekking van debevolking. Dit is het onderwerp van het Barlow-rapport. Hetis niet mogelijk deze omvangrijke studie in kort bestek tothaar recht te doen komen.De commissie, genaamd naar haar Voorzitter, had tot taakde oorzaken op te sporen van de huidige geografische ver-deeling van de industrieele bevolking van Groot-Brittannie,de toekomstige ontwikkeling na te gaan, de sociale, econo-mische en strategische nadeelen vast te stellen van de con-centratie in de groote steden of in bepaalde streken en verslaguit te brengen over eventueel wenschelijke maatregelen totherstel.De commissie sprak als haar oordeel uit dat in vele, zoo nietde meeste industrieele concentraties de nadeelen -- strate-gisch, sociaal en economisch -- een ernstige belemmeringvormen en in sommige opzichten zelfs een gevaar voor levenen ontwikkehng van de natie. 'Zij stelde voor dat er eennieuwe centrale autoriteit in het leven zou worden geroepen,naast de bestaande departementen, met de taak op decen-tralisatie aan te sturen. Over de constructie van dit nieuwelichaam was de commissie niet eenstemmig. De meerderheiddacht aan een k'eine commissie, van een Voorzitter met drieleden met een adviseerende, niet-uitvoerende taak, slechts voorhet gebied, waar het vraagstuk het ineest nijpt, Londen en dezoogenaamde Home Counties, aangevuld met een goedkeu-ringsrecht ten aanzien van de vestiging van nieuwe industrie-en. Een minderheid van de Commissie, waartoe de bekendestedebouwer Sir Patrick Abercrombie behoorde, kwam tot af-wijkende voorsiellen. Zij stelde zich de centrale autoriteit voorals een nieuw Ministerie, dat om te beginnen o.a. de bevoegd-heden van het Ministerie van Volksgezondheid krachtens destedebouwwet en die van het Ministerie van Verkeerswezenkrachtens de lintbebouwingswet zou moeten overnemen en datde controle zou krijgen over de vestiging van industrieen ende uitbreiding van bestaande door het geheele land. Er zou-den nationale richtlijnen moeten komen, die de Minister zoukunnen opleggen aan gemeentelijke- en streekplannen.De eenstemmigheid inzake de ontlasting van de volgeproptebinnensteden bestond stellig niet alleen in den boezem van deCommissie. Nieuwe streekplanrapporten voor Londen heb-ben hieraan vorm gegeven.De suggestie van de minderheid is niet geheel zondergevolg gebleven. Het zelfstandige Ministerie voor Town andCountry Planning is een feit geworden op 10 Februari 1943,met de opdracht samenhang en continui'teit te verzekeren in devorming en uitvoering van een nationale politick ten aanzienvan het gebruik en de ontwikkeling van het land door geheelEngeland en Wales. Aan deze verheffing van den stedebouwging een korte phase vooraf, gedurende welke een Ministerievan ,,Works and Planning" heeft bestaan, nadat de materielangen tijd toevertrouwd was geweest aan het Departementvan Volksgezondheid.Laat ons hopen dat deze gang van zaken voor Nederland eenvoorteeken bevat.Een tweede vraagstuk, dat commissoriaal is gemaakt en alsuitkomst daarvan behandeling heeft gevonden in een rapport,is dat van de beheersching van de bebouwing ten plattelandemet het oog op de handhaving van den landbouw en de ves-tiging van industrieen ten plattelande. Dit is het rapport vanhet Scott-committee. Zij komt tot een lange serie voorstellenvan zeer uiteenloopend karakter en daardoor moeilijk te groe-peeren en samen te vatten. Ik doe enkele grepen.Verbetering van de huisvesting ten plattelande is een van devoornaamste maatregelen om het platteland te releveeren. Al-lerlei voorzieningen -- gas, electriciteit, waterleiding, rio-leering -- moeten het effect hiervan ondersteunen. Het aantalz.g. ,,tied cottages", dus woningen, die gebonden zijn aan hetbedrijf, waar de bewoner werkzaam is, dient zooveel mogelijkte worden beperkt. Het kardinale probleem noemt de com-missie het concentreeren van het cultureele leven in de dorpen.'Zij wil dit onderwerp voorleggen aan een permanent advi-seerend lichaam. Een dorpshuis, waar ook een regelmatig ver-gaderende dorpsraad zou moeten vergaderen, zou een instru-ment in deze richting kunnen zijn.Een beter onderhng begrip van stad en platteland is in dengedachtengang van deze commissie een essentieele eisch. Zijwil daartoe een intensieve campagne voeren.De vestiging van industrieen in plattelandsstreken gaat decommissie na voor een aantal types van bedrijven. Zij aan-vaardt de vestiging van extractieve industrieen en vele zwareindustrieen, voor zoover de plaats daarvan door onwrikbarenatuurlijke voorwaarden bepaald wordt. De ruimtelijke orde-ning zal zich hier moeten beperken tot details van het terrein,de gebouwen en de afvalstoffen.Vele lichte industrieen, die in theorie mobiel worden geacht,zijn in feite ook in de keuze van terrein beperkt. In landelijkegebieden zoeke men voor deze bedrijven hever aansluiting bijbestaande of nieuwe kleine steden dan bij dorpen of een ge-heel landelijke omgeving. Daarentegen wil de commissie in dedorpen vestiging van ambachten en andere handwerksbe-drijven zien aangemoedigd.Wat de vormen van ontwikkeling betreft, die inbreuk kunnenmaken op het platteland, staat de Commissie op de bres voorde belangen van den landbouw. Zij formuleert telkens deneisch dat het Ministerie van Landbouw in de projecten zalworden gekend.Zeer opmerkelijk ook voor Nederland, te meer nu de voor-loopige organisatie van ons Nationaal Plan een vaste plaatszal moeten verkrijgen in onze bestuursorganisatie, in het ver-band van onze geheele stedebouwwetgeving, zijn de beschou-wingen, die het Scott-rapport wijdt aan de organisatie vande centrale planning. Het stelt zich voor dat de Regeeringszorgvoor d't belang gedragen zal worden door vier elementen,namelijk een vaste commissie van bij de zaak betrokken Minis-ters onder presidium van een minister zonder portefeuille,dan de departementen, die met de ontwikkeling, d.w.z. de ten-uitvoerlegging van een nationaal plan, bemoeienis hebben, ver-volgens een centrale plan-commissie onder leiding van eenvolledig geemployeerden en bezoldigden voorzitter, tot zekerehoogte gelijk in rang met de ministers, en tenslotte, zoonoodig, bizondere lichamen ad hoc ter vervulling van een be-paalde taak, waarin geen bestaand ministerie voorziet. (Mendenkt hier bijv. aan een orgaan voor de zorg voor de nationaleparken.)Het derde groote vraagstuk, dat op den achtergrond van velestedebouwkundige plannen uit de vooroorlogsche periode mee-speelde, is dat van de schadevergoeding en haar keerzijde,het onttrekken door de overheid van de ,,betterment". Hiermeeheeft zich beziggehouden het Uthwatt Committee, i)Ook deze commissie gaat er van uit dat er een- centrale in-stantie voor de ruimtelijke ordening moet zijn en dat dezeeen nationaal plan zal gaan uitwerken. Een van haar belang-rijkste prealabele voorstellen strekt tot het verleenen aan dezeinstantie van de bevoegdheid om over het heele land de be-bouwing en andere ingrijpende vormen van ontwikkeling tebeheerschen, met een gelegenheid tot delegatie aan plaatselijkeautoriteiten.De kern van het rapport ligt echter blijkbaar in de suggestiedat te beginnen met een zekeren datum alle rechten tot ,,deve-lopment" van gronden, behoudens zekere beperkingen, zullenworden geacht bij den staat te berusten. Het eigendomsrechtblijft overigens onaangetast. Komt het terrein aan de beurtvoor bebouwing of iets dergelijks, dan moet het terrein dus1) Dit rapport stond niet tot mijn beschikking. Ik heb gebruik gemaaktvan een samenvatting in Staples Reconstruction Digests No 1 ,,Town andCountry Planning" (1943).van den eigenaar worden gekocht door den staat, die het of Artikeieczelf in handen houdt, a!s het voor openbare doeleinden be-stemd is, of het uitgeeft aan een particulier, maar dan in erf-pacht.Op den algemeenen regel van het overbrengen van het rechttot omzetting van den grond tot een stedelijke bestemmingworden uitzonderingen gemaakt. De bebouwde kom, be-staande gebouwen met hun erven, mits beneden een groottevan een acre, verder alle Industrie- en handelsgebouwen, ker-ken en daarbij behoorende gronden zullen aan den regel ont-trokken blijven.Voor het overgaan van het recht tot ,,development" aan denstaat zal schadevergoeding worden betaald. Voor het ge-heele land zal een gefixeerde som worden vastgesteld, dievertegenwoordigt de waarde van het aan den staat toeko-mende recht. Aldus ontstaat een fonds, dat naar evenredig-heid over de benadeelde eigenaren zal worden verdeeld, be-houdens de aanvulling van een speciaal fonds voor uitzonder-lijke gevallen. Hier is gedacht aan terreinen, waar inderdaadom een Nederlandsche uitdrukking te gebruiken, ,,de scbaduwvan de bebouwing op rust". De Commissie denkt aan eenstrikten uitleg van deze uitzonderingen; het gaat h.i. alleenom die gronden, waarvoor bebouwingsplannen bij de overheidaanhangig waren gemaakt voor 1 September 1939, of diekort voor het uitbreken van den oorlog (na begin 1938)voor bebouwing verkocht of verhuurd waren. De aanvullendeschadeloosstelling zou de algemeene vergoeding moeten aan-vullen tot de waarde van het terrein als boiawterrein, waarbijechter de prijsfixeering op voor-oorlogsch peil meetelt en devraag der overheid wordt uitgeschakeld.Wat de waardestijging van de terreinen betreft, komt hetUthwatt-rapport eveneens tot belangrijke voorstellen. Hethoudt in dat de waarde van alle terreinen zal worden vastge-steld, die reeds een stedelijke bestemming hebben, dus nietvan agrarisch terrein. Om de vijf jaren zou dan een hernieuwdeschatting moeten plaats vinden en de stijging van de waarde,die dan wordt geconstateerd, zou het voorwerp worden vaneen belasting gedurende de vijf volgende jaren tot een vastaandeel (bijv. 75%) van de stijging, gezien als jaarlijkschbedrag.Ook over de centrale bemoeiing met de ruimtelijke ordeningheeft deze commissie haar licht laten schijnen. Ook zij wilgeen afzonderlijk departement voor dit doel, maar een mi-nister zonder portefeuille, met een kleinen gekwalificeerdenstaf, die tevens voorzitter is van een comite uit den Minister-raad. De groote lijnen zouden door den Ministerraad zelfgetrokken moeten worden.Wat is van dit al'es in de wetgeving opgenomen? Een ste
Reacties